Categoriearchief: interview

Iain Overton schrijft de geschiedenis van het zelfmoordterrorisme

“Er moet een VN-verbod op zelfmoordbommen komen”

Knack, 12 juni 2019

Het begon met een aanslag op de Russische tsaar in 1881, intussen staat de teller op 71.000 slachtoffers, and counting. Zelfmoordterreur is een gesel van de moderne tijd. Onderzoeksjournalist en oorlogsreporter Iain Overton schreef er een standaardwerk over. “Zelfmoordterreur is inherent aan asymmetrische oorlogsvoering”.

Iain Overton deinst niet terug voor een forse claim. How the Suicide Bomber shaped the Modern Age, luidt de ondertitel van zijn nieuwste boek. De Britse onderzoeksjournalist en mensenrechtenactivist maakt die stelling hard in een turf van 600 pagina’s, in vertaling verschenen als De Prijs van het Paradijs. Van gerichte aanslagen door 19de-eeuwse Russische revolutionairen tot blinde jihadterreur in Irak of Afghanistan, zelfmoordterrorisme heeft zich in de loop van de moderne geschiedenis ontpopt tot een oorlogswapen dat een zware tol eist. Vorig jaar vielen 7.000 doden en gewonden door zelfmoordaanslagen, in 2017 meer dan 11.000.

Overton neemt ons mee naar de plaatsen en gebeurtenissen die deze escalatie mogelijk maakten. Hij meet de schade op in landen zoals Libanon, Sri Lanka, Afghanistan en Irak, praat met slachtoffers, nabestaanden, mislukte zelfmoordterroristen en veiligheidsdiensten. Geen detail ziet hij over het hoofd, experts mogen uitleggen hoe de detonatie van een bompakket in een metrostel zelfs botfragmenten van de dader in moordende projectielen verandert. Ook Madrid, Londen, Parijs en Brussel komen aan bod, al zinken de aanslagen in Europese steden in het niets naast de plaag die het Midden Oosten en delen van Azië en Afrika teistert. De impact is er niet minder om. Overton ontmaskert de zelfmoordterrorist als aanjager van populisme en vrijheidsbeperkende wetgeving in het Westen. 

U heeft zich jarenlang verdiept in een buitengewoon teneerdrukkend onderwerp. Was het moeilijk om geen depressie over te houden aan zoveel leed, wanhoop en bloedvergieten?

Iain Overton: Zelfmoordterrorisme is inderdaad een deprimerend onderwerp, maar wie ben ik om te klagen? Een Britse journalist die altijd naar zijn veilige land terug kan als het hem teveel of te gevaarlijk wordt? Die luxe hebben de inwoners van Badgad, Mosul, Kaboel of Waziristan niet. De echte slachtoffers wonen in plaatsen waar de dreiging van zelfmoordterrorisme permanent in de lucht hangt.

Salafistische jihadi’s hebben sinds 9/11 een quasi monopolie op zelfmoordterreur, maar het fenomeen is veel ouder. Waarom laat u de chronologie beginnen bij de aanslag die Russische revolutionairen in 1881 op tsaar Alexander II pleegden? 

Overton: Die aanslag werd beraamd door Naradojna Volja, (Wil van het Volk), een van de vele revolutionaire groupuscules in het Rusland van die tijd. De samenzweerders zagen een zelfmoordaanslag als een efficiënte manier om hun utopisch ideaal, een samenleving gestoeld op democratische en communistische principes, te verwezenlijken. Het vermoorden van de tsaar was in hun ogen een humanere methode dan de massale, bloederige volksopstand die de Franse revolutie had gekenmerkt. Dat utopische denken zie je later bij andere zelfmoordterroristen terugkeren. De timing spoort bovendien met twee belangrijke innovaties, de uitvinding van dynamiet en de opkomst van kranten als massamedium. Explosieven en propaganda zijn nog altijd kerningrediënten van zelfmoordterreur.

Kamikaze tijdens WOII

Kamikaze behoren tot het collectieve geheugen van de 20ste eeuw, maar u slaagt erin fascinerende details op te rakelen. Zo lieten Japanse zelfmoordpiloten bij het opstijgen hun landingsgestel op de startbaan achter voor hergebruik. Niet meer nodig, het was immers geen retourvlucht. Belangrijker echter is de rol van katalysator die kamikaze speelden. Omdat zelfmoordterreur als oorlogswapen werd ingezet?   

Overton: Ja, het werd een onderdeel van een militaire strategie. Strikt genomen waren de Japanse generaals geen pioniers, er was een precedent dat ze maar al te goed kenden. Bij de Japanse invasie in China in 1937 wierpen Chinese soldaten zich als menselijke bommen op vijandelijke tanks en troepen. De Chinezen hebben toen zelfs met bomvesten geëxperimenteerd, een fenomeen dat intussen gemeengoed is geworden. Het waren echter de Japanners die zelfmoordterreur hebben getransformeerd. Het was niet langer een wapen in handen van geïsoleerde revolutionairen, maar een instituut. De hersenspoeling van kandidaat-aanslagplegers, de personencultus rond de goddelijke keizer voor wie men zijn leven moest opofferen, dat hebben zij op punt gesteld.

De Japanse zelfmoordterreur kwam niet alleen uit de lucht vallen, het wapen werd ook onder water ingezet. Waarom zijn de fukuryu in tegenstelling tot de kamikaze tussen de plooien van de geschiedenis gevallen?

Overton: Omdat ze geen rol van betekenis hebben gespeeld. Fukuryu staat voor  zelfmoordduikers. Verzwaard met lood en extra zuurstofflessen konden ze tot zes uur op de zeebodem blijven, in een hinderlaag of lopend naar een vijandelijk schip. Ze hadden een lange bamboestok met daarop een zeemijn. Als die ontplofte zonk niet alleen het schip maar waren ze zelf op slag dood. Bedoeling was de fukuryu in te zetten tegen de Amerikaanse invasie in Japan. Vrijwilligers werden klaargestoomd in geheime opleidingskampen, maar het is niet zeker of ze ooit echt in actie zijn gekomen. De Japanse marine had overigens ook zelfmoordduikboten, in feite menselijke torpedo’s. Daarvan staat vast dat ze meermaals werden ingezet.

De 13-jarige Iraniër Mohammad Hossein Fahmideh dook op 30 oktober 1980 met een ontgrendelde granaat tussen de rupsbanden van een Iraakse tank. U noemt deze daad een kantelmoment in de moderne geschiedenis. Hoezo?

Overton:  Zijn dood heeft een enorme impact gehad in het hele Midden-Oosten. Natuurlijk had het uitschakelen van die ene tank weinig invloed op het verloop van de Iraaks-Iraanse oorlog. De betekenis schuilt in de manier waarop de Iraanse leider Khomeini zijn dood heeft gerecupereerd. Fahmideh werd als martelaar hoog op een voetstuk geplaatst. Ziekenhuizen en scholen werden naar hem vernoemd, zijn beeltenis sierde een bankbiljet. Die martelarencultus schiep een geweldig precedent dat in de hele regio navolging kreeg. Vanuit Iran is de modus operandi overgewaaid naar Libanon, waar Hezbollah een tweede mijlpaal heeft geslagen. Door enkele zelfmoordaanslagen, onder meer met vrachtwagens, hebben ze Amerika en Frankrijk gedwongen hun troepen terug te trekken. Daarmee is een nieuw tijdperk aangebroken, ineens werd duidelijk dat zelfmoordterreur een probaat middel was om machtige regeringslegers op de knieën te krijgen. Dat besef heeft zich als een virus verspreid. Het duurde daarna niet lang of het wapen werd op twee nieuwe fronten ingezet, in Palestina en Sri Lanka.

Iraanse volksheld-martelaar Mohammad Hossein Fahmideh. Voor eeuwig 13 jaar.

U ging op onderzoek in Sri Lanka waar het een makkie bleek om ooggetuigen en slachtoffers te vinden. Tijdens de 25 jaar durende burgeroorlog waren zelfmoordaanslagen door Tamil Tijgers (LTTE) zoniet dagelijkse dan wel wekelijkse kost. Mogen we hen de ongekroonde kampioenen in deze discipline noemen?

Overton: Tot 9/11 was de LTTE alleszins de groep met het grootste aantal aanslagen en slachtoffers op haar palmares. De Tamil Tijgers waren geen vernieuwers, maar ze hebben de modus operandi verfijnd en de slagkracht van het terreurwapen vergroot. Er waren speciale eenheden voor zelfmoordmissies, de Zwarte Tijgers. Kandidaten stonden in de rij, het voluntarisme om te sterven voor een onafhankelijke Tamilstaat was groot. Onder Zwarte Tijgers werd zelfs geloot om als eerste op missie te mogen vertrekken. Dat is vooral de verdienste van de stichter Prabhakaran, een erg charismatische leider die net zoals de Japanse keizer het voorwerp was van een doorgedreven personencultus. Anders echter dan Hirohito onderhield hij met zijn kandidaat-martelaren een persoonlijke relatie. Zo mochten ze aan de vooravond van hun missie bij de grote leider aanschuiven voor een afscheidsdiner.  Prabhakaran zorgde voor hun nagedachtenis, er waren ereperken en monumenten voor gesneuvelde Zwarte Tijgers, de propaganda roemde hun heldendaden. Om dat fenomeen te snappen moet je de context kennen. Het zelfmoordterrorisme van de Tamil Tijgers hield gelijke tred met de repressie door het regeringsleger.

De burgeroorlog eindigde in 2009 met de totale nederlaag van de Tamil Tijgers. Toch werd Sri Lanka recent opnieuw door een reeks zware zelfmoordaanslagen opgeschrikt. De rolbezetting was verschillend, het waren jihadstrijders die de christelijke minderheid viseerden. Ziet u desalniettemin een verband met de bloedige erfenis van de Tamil Tijgers?

Overton: Vooral de verschillen springen in het oog. De aanslagen op Paaszondag waren religieus geïnspireerd en gericht tegen burgers. De Tamil Tijgers daarentegen voerden een nationalistische strijd met aanslagen op politici, militairen en veiligheidsdiensten, al zijn er ook burgerslachtoffers gevallen. Maar ik zie wel een verband. Zodra zelfmoordterreur in een samenleving als een valabele optie wordt gezien om een politiek doel te bereiken, krijg je het niet meer weg. De geest is uit de fles, daar hebben de Tamil Tijgers wel voor gezorgd.

De recente aanslagen in Sri Lanka werden door Islamitische Staat opgeëist. Door extremistische soennieten dus, zoals meer dan 90 procent van alle zelfmoordaanslagen die sinds 9/11 werden gepleegd. Hoe zijn we op dat punt beland?

Overton: Daarvoor moeten we terugkeren in de tijd, naar een afgelegen plek in Zuid-Libanon met de lieflijke naam Bloemenweide. Tijdens de eerste intifada in 1987 heeft de Isräelische premier Yitzhak Rabin meer dan 400 Palestijnse activisten naar die plaats gedeporteerd. Een dure vergissing, want er zaten aanhangers van Hamas en Islamitische Jihad tussen die binnen kortste keren contact zochten met Hezbollah-strijders. Daar heeft zich de transfer voltrokken: soennitische extremisten leerden niet alleen de technieken van het zelfmoordterrorisme, ze namen in een moeite het sjiïtische concept van martelaarschap over. De gevolgen bleven niet uit: sinds 1994 werden in Israël liefst 114 zelfmoordaanslagen gepleegd, de helft door Hamas, de andere helft evenredig verdeeld over Islamitische Jihad en de Al Aqsa Brigade. De aanslagen waren tegen burgers gericht, alweer een grens verlegd. Achteraf bekeken is die transfer erg ironisch. Sjiieten zijn gaandeweg het voornaamste slachtoffer geworden van zelfmoordaanslagen door soennitische extremisten.

Hoe vallen zelfmoordaanslagen te rijmen met het taboe op suicide in de moslimwereld?

Overton: Door het niet als zelfmoord maar als martelaarschap te verpakken. Istishad, het concept dat moslims toelaat om hun leven op te offeren in de strijd, bestaat zowel in het sjiisme als in het soennisme. Toch is er een belangrijk verschil. In het sjiisme kijken ayatollahs streng toe op de interpretatie en toepassing van religieuze principes. Dat gezag bestaat niet in het soennisme waar duizenden imams hun eigen interpretatie van de basisregels volgen. Daarmee staat de doos van Pandora open: een kleine minderheid van soennitische geestelijken propageert een extremistische lezing waarvoor ze inspiratie zoeken bij middeleeuwse theologen. Zoals Ibn Tamiyah, een van de huisfilosofen van zowel IS als van de in 2006 gesneuvelde Al Qaida-leider Al Zarqawi. Ibn Tamiyah wordt door soenni-extremisten vaak geciteerd om de jihad tegen afvallige burgers zoals sjiieten te vergoelijken.

Al Qaida, Al-Shabaab, Al-Nusra, Taliban, Boko Haram, de grootleveranciers van zelfmoordterreur zijn merken met wereldfaam geworden. Een groep springt eruit: Islamitische Staat. Wat maakt die beweging zo bijzonder?

Overton: De apocalyptische wereldvisie. Sterven in de strijd is voor IS-aanhangers slechts een voorafname op het einde van de wereld. Ze maken zich daar een romantische voorstelling van. Op het donkerste uur, wanneer de nederlaag op het slagveld onafwendbaar lijkt, zal de profeet Jezus op de minaretten van Jeruzalem verschijnen om het einde der tijden af te kondigen. Paradoxaal genoeg spoorde dat vooruitzicht met de aantrekkingskracht die het wereldse kalifaat uitoefende, ook op geradicaliseerde moslims uit Europa. In afwachting van de apocalyps bood het rijk van Al Bagdadi hen de kans om ondermaans een waardig leven als vrome moslim te leiden.

IS hecht meer dan andere terreurbewegingen belang aan communicatie en propaganda. De video is even belangrijk als de aanslag. Waarom zet IS zijn gruweldaden zoals het levend verbranden van een Jordaanse piloot dik in de verf?

Overton: Islamitische Staat is samen met de sociale media groot geworden. Logisch dat ze dat kanaal voluit bespelen. Waarom liggen in Londen of Brussel jonge moslims wakker van geallieerde bombardementen in verafgelegen landen zoals Irak of Afghanistan? Omdat IS de beelden van de verhakkelde slachtoffers in hun gezicht duwt. Het verspreiden van gruwelvideo’s is geen IS-monopolie, Mexicaanse drugkartels gaan zo mogelijk nog verder. Intimidatie om hun territorium af te bakenen, maar bij IS speelt nog een motief. Ook Europa heeft een verleden van gruwelijke rechtspleging, met foltering en openbare executies. Vanaf de 18de eeuw is dat stilaan geëvolueerd. Executies werden minder wreed, verdwenen uit de openbaarheid, tot in de 20ste eeuw de doodstraf helemaal werd afgeschaft. Welnu, IS verwerpt dat Westerse concept van rechtsbedeling. Dat is de boodschap achter al die onthoofdingsvideo’s: wij staan voor een islamitische visie op schuld en boete.

Mohamed Atta. Gedreven door een apocalyptisch wereldbeeld

Bestaat er zoiets als een prototype van de zelfmoordterrorist?

Overton: Nee, maar ik doe wel enkele vaststellingen. Op een handvol uitzonderingen na gaat het om mannen, veelal twintigers. Europese zelfmoordterroristen zijn gemiddeld genomen hoog opgeleid, wat niet belet dat ze vaak met werkloosheid kampen. Dat is niet per se het gevolg van discriminatie. Regulier werk valt moeilijk te combineren met een consequent leven als salafistische moslim. Het belang van persoonlijkheidsfactoren valt moeilijk in te schatten. Door het taboe op suicide kan istishad voor depressieve moslims het pad naar zelfmoordterrorisme effenen. Toch zal de overgrote meerderheid van depressieve moslims zo’n stap nooit overwegen. Palestijnen en Tibetanen zitten min of meer in dezelfde, uitzichtloze situatie. Palestijnen plegen zelfmoordaanslagen, Tibetanen steken zichzelf in brand. Ik wil maar zeggen, groepsdynamieken zijn veel relevanter dan individuele kenmerken.

Wat is er aan van het cliché van de 72 maagden? Werkt dat echt als lokaas voor kandidaat-zelfmoordterroristen?

Overton: Het is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Als je in het Midden-Oosten langer dan tien minuten met mannen praat, stel je vast dat ze een pornografische fixatie hebben. Hun beeld op vrouwen en seks komt recht uit de XX-studio’s van Californië. Natuurlijk zijn er daders die van die 72 maagden geen snars geloven en zich toch opblazen. Maar voor laagopgeleide jongeren die verbitterd zijn over onrecht, kan het een aantrekkelijk idee zijn dat hen over de streep trekt. Het perspectief krijgt extra kleur door de mythes die erover rondgaan. Op het moment dat de bomvest ontploft, schieten de maagden in actie om het uiteengereten lichaam van de martelaar weer samen te stellen. Die maagden zijn bloedmooi, menstrueren nooit en staan altijd klaar om hun martelaar te bedienen.

Komt de wereld ooit nog af van deze gesel?

Overton: Ik vrees van niet. Alleen al vorige week (eind mei, nvdr) waren er zelfmoordaanslagen in Bagdad, Afghanistan en Indonesië. Vele aanslagen blijven onder de radar, ze spelen zich af in landen waar nauwelijks nog media opereren. Het succes van zelfmoordterreur hoort bij de  asymmetrische oorlogsvoering die ons tijdperk kenmerkt.

Wat bedoelt u?

Overton: De geallieerden vechten in Irak en Afghanistan met vliegtuigen en drones. Wat kunnen hun vijanden tegen die hightech inbrengen? Improvised Explosive Devices, een wapen waarvan de menselijke variant met de bomvest veruit de dodelijkste variant is. Het is een dialectisch proces. Het succes van bermbommen en zelfmoordaanslagen verklaart waarom Amerikanen en Britten in Irak en Afghanistan zo weinig mogelijk patrouilles uitsturen. Ze verschansen zich in zwaar beveiligde kampen en sturen drones uit voor precisiebombardementen en gerichte executies. Dat willen ze ons doen geloven, maar als onderzoeksjournalist ken ik een andere realiteit. Het zijn in grote meerderheid burgers die omkomen bij die zogenaamd chirurgische aanvallen. Dat is dan weer koren op de propagandamolen van IS en consorten die het contrast gretig benadrukken. De operator die vanuit zijn bunker in Nevada onschuldige burgers vermoordt, tegenover de man met de bomvest die zijn leven geeft voor de oemma. Wie is de held en wie de lafaard? Ik heb samen met onderzoekers van de Royal Holloway University een statistische analyse gemaakt van drone-aanvallen en zelfmoordaanslagen in Pakistan. De correlatie is duidelijk. In de maand na een drone strike ging het aantal zelfmoordaanslagen steil omhoog.

U pleit voor een VN-ban op zelfmoordbommen. Waarom is dat minder naïef dan het klinkt?

Overton: Het wordt hoog tijd dat de VN de ernst van dit probleem erkent. Er is heel veel aandacht voor antipersoonsmijnen. Terecht, maar die wapens claimen slechts 2 procent van de slachtoffers in conflictgebieden, terwijl dat bij zelfmoordterreur rond de 30 procent schommelt. Ik geloof in de stigmatiserende werking van zo’n wereldwijd verbod. Gas was in de Eerste Wereldoorlog een efficiënt wapen, en toch is het door ethische overwegingen in onbruik geraakt.

Iain Overton

Groot-Brittanië, 46 jaar

studeert internationale politiek in Cambridge

maakt als onderzoeksjournalist televisiedocumentaires voor BBC en Channel 4

wordt in 2010 de eerste directeur van Bureau of Investigative Journalism, een non-profit nieuwsagentschap dat onder meer de Wikileaks-logs over de Irak-oorlog onderzocht

publiceert in 2015 “Gun Baby Gun”  over de geschiedenis van vuurwapens

oprichter en leider van Action on Armed Violence, een NGO die de wapenindustrie monitort

De prijs van het Paradijs, 2019, Uitgeverij Volt, 600 pagina’s, 24,50 euro

Punch-baas Guido Dumarey: “We moeten meer op diesel inzetten”

Knack, 19 maart 2019

In Frankrijk noemen ze hem de Belgische Bernard Tapie. Vergezocht, al heeft Guido Dumarey net zoals Tapie een rechtstreekse lijn met het Elysée in Parijs. Gesprek met een serieel ondernemer in de autoindustrie. “Elektrisch rijden zal niet van de grond komen”.

foto: Hatim Kaghat

We hebben hem naar Train World in het station van Schaarbeek gelokt, een universum vol spoorwegaffiches en miniatuurtreinen. Guido Dumarey (59) kan de ironie wel smaken. Als iemand weinig op heeft met de ijzeren weg of andere vormen van openbaar vervoer, dan zal hij het wel zijn. Dumarey is een autofreak pur sang die in het weekend graag over racecircuits mag razen om de stress van een hectische werkweek achter zich te laten. Een serieel ondernemer wordt hij genoemd, specialist in het opkopen en herstructureren van techbedrijven. Met familieholding Punch International was hij onder meer actief in digital printing en telematica. Het zwaartepunt van de industriële activiteiten lag evenwel altijd bij de auto-industrie.

Punch is een verhaal van acquisities, fusies en naamsveranderingen die gelijke tred hielden met constant wijzigende aandeelhoudersstructuren. Nog altijd wordt hij geassocieerd met Punch Powertrain in Sint-Truiden, de producent van automatische aandrijfsystemen waarover hij door de financiële crisis van 2009 de controle verloor. Dumarey, een kat met negen levens, knokte zich terug in de lucratieve en snel groeiende markt van automaten. Zijn voornaamste bedrijf heet intussen Punch Powerglide, het verhikel waarmee hij in 2013 in het Franse Straatsburg een GM-fabriek van automatische versnellingsbakken overnam.

De laatste maanden is zijn naam niet uit de Franse media te branden. Dumarey is verwikkeld in een complex overnamedossier rond alweer een versnellingsbakkenfabriek, Ford Aquitaine Industries (FAI) in Blanquefort-Bordeaux. Eigenaar Ford Europe wil de vestiging met 850 werknemers sluiten, ondanks het door de vakbonden gesteunde overnamebod van Dumarey dat het behoud van 350 à 400 banen waarborgt. De zaak staat hoog op de politieke agenda, zowel bij de regionale overheden als in Parijs. De Franse minister van economie Bruno Le Maire ontpopte zich tot een hevig pleitbezorger voor het Belgische reddingsplan. Dumarey beschikt al langer over uitstekende entrees in Parijs. De Franse president himself zit in zijn netwerk, een connectie die ontstond toen Emmanuel Macron als minister van economie onder PS-president Hollande zijn fabriek in Straatsbrug bezocht.

Is de overname ondanks de politieke en syndicale steun definitief van de baan?

Guido Dumarey: Het is ingewikkeld. Ford Europe wil niet terugkomen op de aangekondigde sluiting die overigens grondig werd voorbereid met een goed sociaal akkoord. Ik begrijp hun houding. Dit is slechts de eerste van een reeks geplande herstructureringen in Europa. Als ze hier de mist ingaan, maken ze een slechte indruk bij de aandeelhouders. Tegen eind juli gaat de fabriek dicht, dat staat sinds vorige week vast. Maar we hebben een plan B. In Blanquefort staat nog een tweede fabriek van manuele versnellingsbakken, fifty-fifty in handen van Ford en Magna, de grootste auto-onderdelenproducent ter wereld. Ik kan nog niet in detail treden, maar we gaan proberen die fabriek over te nemen om vervolgens de activiteiten op de grotere en beter gelegen site van FAI te hernemen.

In eigen land staat u niet bepaald als vakbondsvriend bekend, zeker niet nadat u tijdens een sociaal conflict bij printbedrijf Punch Graphics een syndicaal afgevaardigde tegen de grond mepte. In Blanquefort echter wordt u door de CGT, de grootste vakbond van Frankrijk, als een witte ridder ontvangen. Voelt dat onwennig?

Dumarey. Helemaal niet. De Franse vakbonden hebben gezien wat ik in Straatsburg heb gepresteerd, ze weten dat ik mijn beloftes nakom. Ze respecteren me, en dat gevoel is wederkerig. Ik heb trouwens nooit een probleem gehad met arbeiders. Ik spreek hun taal, ik ken hun wereld. Het succes in Straatsburg verklaart ook waarom de Franse regering me in Blanquefort steunt. Typisch overigens voor een land met een sterk industriebeleid, iets waar we in België alleen kunnen van dromen.

Waar zit het verschil?

Dumarey: Multinationals kunnen België op een heel goedkope manier verlaten. Hoe is Ford uit Genk vertrokken? Zozo, zeiden ze tegen de Vlaamse regering, jullie willen nog wat subsidies recupereren? Dan geven we jullie de fabrieksterreinen, maar kom daarna niet meer zeuren over de kosten van de bodemsanering. Zoiets moeten ze in Frankrijk niet proberen, maar er zijn nog verschillen. Als je in Frankrijk tien arbeiders ontslaat, krijg je meteen een mannetje van de regionale overheid op bezoek. Wat is hier het probleem? Maar ook: hoe kunnen we helpen? Als het over werkgelegenheid gaat, spelen de Fransen kort op de bal. Eensgezind ook, op zo’n moment trekken liberalen, Gaullisten, socialisten of communisten aan hetzelfde zeel. En reken maar dat ze in Parijs op de hoogte zijn. Frankrijk blijft een erg gecentraliseerd land, alles passeert via president Macron en minister Le Maire. ,. Het contrast met de Belgische aanpak is schrijnend. Het kan nochtans niet moeilijk zijn om in zo’n klein land de 200 grootste fabrieken op de lijsten en proactief te bewerken. Hoe zien jullie de toekomst? Wat kunnen we doen om jullie te helpen groeien? Ik zie hier heel wat bedrijven die al jarenlang veel te weinig investeren. Binnen 5 à tien jaar zijn ze allemaal weg, en de overheid staat er bij en kijkt ernaar, Vlaams zowel als federaal.

U praat over Emmanuel Macron en Bruno Le Maire alsof het jeugdvrienden zijn. Hoe kort zijn de lijnen?

Dumarey: Ik ken ze allebei. President Macron zie ik natuurlijk minder vaak dan Bruno Le Maire die ik de laatste tijd haast wekelijks spreek. De weg naar Bercy 139, het ministerie van economie en financiën, vind ik intussen met mijn ogen dicht. Op die kabinetten merk je nog een verschil met ons land. Het loopt er vol met briljante dertigers, mensen van wie je nu al weet dat ze het ver gaan schoppen. In Nederland zie je dat ook, hun kabinetten zijn veel sterker bezet dan de Belgische.

Waarover praat u zoal met president Macron?

Dumarey: Hij is erg geïnteresseerd in onze activiteiten in de Elzas. We zijn de grootste industriële werkgever van Straatsburg. Dat vindt hij belangrijk, als ik met regionale politici praat, wordt dat meteen aan het Elysée gerapporteerd. Macron ziet de Grand Est als een strategische regio. Het is Frans, maar met een Duits verleden en mentaliteit. Niet onbelangrijk in het licht van zijn Europese ambities. De Frans-Duitse as is cruciaal om zijn plannen voor een nieuw en dynamischer Europa te realiseren.

President Macron heeft het niet onder de markt . De woede van de gele hesjes waait maar niet over, zijn populariteit zit op een dieptepunt, van de aangekondigde hervorming van de arbeidsmarkt komt ook al  weinig in huis. Zijn dat thema’s die u tijdens een presidentiële audiëntie kunt aansnijden?

Dumarey: Niet met de president, maar met minister Le Maire praat ik vrijuit. De situatie is overigens niet zo somber, je kunt de problemen van Macron echt niet vergelijken met de malaise onder zijn voorganger Hollande. Geef hem tijd, het komt wel goed met die hervormingen. De gilets jaunes? Twee weken geleden stonden ze op het rond punt bij onze bedrijfszone. Het ging er gemoedelijk aan toe, vanuit alle bedrijven in de omgeving werden paletten aangesleept om op te stoken. Ook door mensen van onze fabriek. Ik doe daar niet moeilijk over, want ik begrijp hun woede. Heel wat van die gele hesje wonen in achtergestelde gebieden zoals de Vogezen, een streek die ik erg goed ken. Punch Powerglide heeft er zijn centraal magazijn, we zijn er volop aan het bouwen. In de Vogezen is nauwelijks openbaar vervoer, de TGV stopt er niet, er is geen spoor van de vele faciliteiten die ze in de metropool vanzelfsprekend vinden. De mensen voelen zich drie keer gepakt door de klimaatmaatregelen die vanuit Parijs worden opgelegd. Ze betalen meer aan de pomp, hun dieselwagen verminderd in waarde, hun koopkrachtverlies wordt door de Franse indexregeling niet volledig gedekt. Natuurlijk worden ze dan boos. De kosten voor de transitie naar groene energie worden op hun schouders gelegd, terwijl ze in de Vogezen niet eens last hebben van slechte luchtkwaliteit.

Maar hoe ziet u die transitie dan? Automobiliteit is een belangrijke bron van zowel luchtverontreiniging als van broeikasgas.

Dumarey: Ik ontken de problemen niet. We moeten de CO2-uitstoot terugdringen. Daarom moeten in ons land Doel 4 en Tihange 3 open blijven. Dat is een no brainer, zeker in het licht van de stijgende elektriciteitsbehoeften. Zonder kernenergie wordt stroom onbetaalbaar, de prijsstijgingen wegen nu al zwaar op industriële en particuliere gebruikers. Zelf zie ik luchtverontreiniging als de grootste prioriteit. Maar dat is een probleem van stedelijke agglomeraties. Je moet dat niet aanpakken door mensen op het platteland de vrijheid te ontnemen om met hun diesel te rijden.

Dat klinkt als een provocatie aan het adres van alle klimaatspijbelaars. Moeten we niet zo snel mogelijk van diesel af? 

Dumarey: En met zijn allen elektrisch gaan rijden? Daar geloof ik niet in. Op termijn rijdt alles op waterstof, ik schat dat die technologie tegen 2030 of ten laatste 2040 op punt zal staan. In afwachting moeten we inzetten op diesel, nog altijd de efficiëntste brandstof op de markt. Hybride is de overgangstechnologie, moderne diesels gecombineerd met traditionele of plug-in accu’s. Superieur qua CO2-uitstoot, en zelfs beter voor de luchtkwaliteit dan benzinemotoren. Die stoten weliswaar minder NOx (stikstofoxide) uit, maar we weten intussen dat ze een bron zijn van schadelijke, ultrafijne deeltjes die via de neus rechtstreeks in de bloedbaan terechtkomen.

E-cars hebben nochtans de politiek wind in de zeilen, ook in België. Eigenaars worden fiscaal beloond, er liggen subsidies klaar voor het uitbouwen van een netwerk van laadpalen. Verloren moeite volgens u? 

Dumarey: We moeten daar toch eens grondig over nadenken. Volgens het Planbureau is tegen 2030 hoogstens een derde van het wagenpark deels geëlektrificeerd. Deels, want het gaat hoofdzakelijk om hybride, terwijl zuiver elektrisch niet meer dan 5 procent uitmaakt. Dat is niet verwaarloosbaar, in grootsteden zoals Antwerpen en Brussel kunnen elektrische deelwagens een rol spelen. Dus ja, we moeten elektrische wagens gaan bouwen. Klein en licht, want ik geloof niet in de Tesla-hype.

Waarom niet?  

Dumarey: Natuurlijk is Tesla een pionier. Knappe technologie, maar dat zeiden ze ook van de Concorde. Vliegen met 2 mach, in minder dan 3 uur van Londen naar New York. Fantastisch ingenieurswerk, maar de Concorde is wel een commerciële flop geworden. Zo zal het ook Tesla vergaan, er is geen echte markt voor. Een elektrische auto van meer dan twee ton, dat slaat als concept nergens op. Zeker niet met een afwerking die doet denken aan een Italiaan van 20 jaar geleden. En dan de prijs: 60.000 euro voor een Model 3, dat is geen Kever of 2 PK, laat staan een massaproduct waarmee je de automarkt hertekent.

Intussen bouwt Audi in Vorst wel al de volledig elektrische e-tron. China heeft zelfs een armada van lichte e-cars klaar. Die gaan ze niet alleen exporteren. Geely, eigenaar van Volvo, wil in Gent elektrische wagens bouwen. Het in Europa onbekende Thunder Power heeft een akkoord met het Waalse Gewest om vanaf 2020 op de Caterpillar-site in Gosselies een elektrische stadswagen van de band te laten rollen. Onderschat u het potentieel niet?  

Dumarey: Die e-tron van Audi is een SUV van 2,5 ton die 80.000 gaat kosten. Een Tesla dus, maar met Duitse afwerking. Dat China alles op elektrisch zet, is dan weer logisch. Het is de enige technologie die ze in de vingers hebben, bovendien kampen ze met het probleem van de luchtkwaliteit. Ik zit al meer dan tien jaar in China, ik heb nu een fabriek in Tianjin. De pollutie in de steden snijdt letterlijk de adem af, niet verwonderlijk als je weet dat hun explosieve groei volledig op steenkool draait. Fijn dat ze ons in België een graantje laten meepikken, maar ik zou niet te vroeg juichen. De komst van een elektrisch model naar Gent is nog geen certitude. Naar verluidt zou het dossier Thunder Power wel gunstig evolueren. Ik hoop het voor Wallonië, ze kunnen het daar gebruiken.

Jonathan Holslag, professor internationale politiek en Knack-columnist, waarschuwt onvermoeibaar voor het economisch imperialisme van China. Peking maakt met gesubsidieerde export de Europese economie kapot. Deelt u zijn ongerustheid?

Dumarey: Hij heeft gelijk, de handelsrelaties zijn niet evenwichtig. Die Nieuwe Zijderoute, die bouwen ze heus niet om onze producten in China te importeren. Chinezen denken strategisch. Via export en investeringen maar ook via emigratie nemen ze overal posities in, van Hong Kong over Australië tot Canada. Ze leggen een opvallend voorkeur voor Commonwealth-landen aan de dag. Wacht maar tot na de Brexit, dan volgt een ware Chinese ontplooiing in het Verenigd Koninkrijk. We moeten niet bang zijn, maar evenmin naïef. China kent geen privébedrijven, achter iedere handelspartner of investeerder schuilt de overheid. Geely, dat zijn in feite twee Chinese provincies. In die zin is het wrang dat België bij de overname van Volvo Gent een staatswaarborg van 190 miljoen heeft gegeven. Hoe je het ook bekijkt, dat is een subsidie van de Belgische belastingbetaler aan een Chinees staatsbedrijf.

Terug naar België. De regering Michel klopt zich op de borst als de meest ondernemingsvriendelijke in jaren, met de taxshift als voornaamste exploot. Bent u onder de indruk?

Dumarey: Niet bepaald, van een nieuw industrieel beleid heb ik alleszins niks gemerkt. Na de sluiting van Renault Vilvoorde in 1997 telde ons land nog vier autofabrieken. Nederland had er slechts één, NedCar in Eindhoven. Vandaag schieten er in België nog twee over, en er werken opgeteld evenveel mensen als in die ene Nederlandse autofabriek. Dan ben je niet goed bezig. We spreken hier wel over industriële tewerkstelling, volwaardige banen waar gezinnen kunnen van leven. Die moet je koesteren. Ik geloof niet in laagbetaalde flexijobs. Voor studenten, tot daar aan toe. Maar het is een schande dat steeds meer veertigers en vijftigers twee baantjes moeten combineren om rond te komen.

Toch koestert u opnieuw plannen in België. Punch Powerglide wil 100 miljoen investeren in de productie van hybride aandrijfsystemen in Dour, vlakbij de Franse grens. Komt die nieuwe fabriek met 500 arbeidsplaatsen er echt?

Dumarey: Het dossier evolueert gunstig, maar niks is definitief. We hebben nog andere opties voor de locatie.

U onderhandelt met het Waals gewest. Is dat moeilijk voor een ondernemer die openlijk voor Vlaamse onafhankelijkheid pleit?

Dumarey: Nee, ze kennen mijn standpunt. Ik zie een onafhankelijk Vlaanderen trouwens als een land met rijke buurlanden, waaronder Wallonië. Een republiek uiteraard, want ik heb een hekel aan de Belgische monarchie. Die aversie heeft veel te maken met de figuur van koning Albert. Een vader die zijn dochter niet erkent, lager kun je niet gaan. 

In de Franse media wordt u de Belgische Bernard Tapie genoemd. Flatteert die vergelijking?

Dumarey (brede grijs). Ze doen maar. Ik heb Tapie nooit ontmoet, maar ik veronderstel dat hij ook goeie dingen heeft gedaan.

foto Hatim Kaghat

Guido Dumarey – bio

1959, Knokke

graduaat automechanica, Vlerick Business School

eerste baan: bandenproducent Michelin

eerste bedrijfsovername: metaalbedrukker New Impriver

brengt in 1999 familieholding Punch International naar beurs, onder meer actief in automotive, metaalbewerking, digital printing (Xeikon) en vastgoed

koopt in 2006 ZF Sint-Truiden, producent traploze, automatische versnellingsbakken die tot Punch Powertrain wordt herdoopt. Begint tweede fabriek in Nanjing-China

2009: financiële problemen dwingen tot verkoop Punch Powertrain aan de LRM

2013: neemt onder Punch Powerglide GM-versnellingsbakkenfabriek in Straatsburg over

Produceert in Frankrijk, Slowakije en China, R&D in Australië

1500 werknemers, 500 miljoen euro omzet

hobby: autoracen

Rojava, een Koerdische utopie in Noord-Syrië

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Als het de Amerikanen goed uitkomt, zullen ze niet aarzelen de Koerden aan Ankara of aan Damascus uit te leveren”

alomtegenwoordig in Rojava: Apo ofte Abdullah Öcalan. (foto Ludo De Brabander)

Sinds 2012 genieten de Koerden in Noordoost-Syrië van feitelijke autonomie. Zo ontstond de proto-staat Rojava, ingericht volgens de recepten van PKK-leider Öcalan.  Ludo De Brabander schreef er een geëngageerd boek over.

Het vergt moed om eraan te beginnen: de Koerdische kwestie in dik 200 pagina’s duiden. Ludo De Brabander heeft met ‘Het Koerdisch Utopia’ een verdienstelijke poging gewaagd. Dat de aanloop naar Utopia zowat de helft van het boek beslaat, was onvermijdelijk. Zonder uitleg over bijvoorbeeld Sykes-Picot, het geheime akkoord waarmee Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in 1916 de kaart van het Midden Oosten hertekenden, valt niet te snappen waarom de Koerden verspreid over vier landen leven. Even noodzakelijk is een lange uitweiding over de recente geschiedenis van Turkije waar veruit de grootste Koerdische minderheid leeft. Dat Utopia in het door burgeroorlog geteisterde buurland Syrië ligt, is volledig consistent met deze keuze. De oorsprong van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië _ vaak Rojava genoemd _ ligt immers in Turkije. De Koerdische proto-staat werd helemaal ingericht volgens de filosofie van Abdullah Öcalan, de PKK-leider die ondanks twintig jaar eenzame opsluiting in een Turkse gevangenis een enorme invloed blijft uitoefenen.

Ludo De Brabander, al een kwarteeuw lang kind aan huis in Koerdisch gebied, doet er niet flauw over: hij koestert sympathie voor het Koerdisch streven naar zelfbeschikking dat zich in de vier thuislanden op erg verschillende manieren manifesteert. Zijn welwillendheid strekt zich uit tot de omstreden PKK. Een terroristische beweging volgens de Turkse overheid, de Europese Unie en de Navo. De Brabander van zijn kant erkent dat de PKK zware fouten met vaak moorddadige gevolgen heeft begaan, maar spreekt desalniettemin van een legitieme verzetsbeweging met een massa-achterban die is ontstaan als antwoord op genadeloze Turkse staatsrepressie. Geen detail als men weet wie in het Koerdisch Utopia politiek en militair de plak zwaait. De dominante PYD en haar bekendere militaire tak YPG/YPJ worden doorgaans als satellieten van de PKK beschouwd.

Terecht?

Ludo De Brabander: Ideologisch is de invloed onloochenbaar. Overal in het Noordoosten van Syrië hangt de foto van Öcalan. Zelfs in Raqqa heb ik hem gezien, terwijl dat voor de herovering op IS een Arabische stad was. Dat er militair wordt samengewerkt is logisch. Heel  wat kaderleden van de YPG en hun vrouwelijke tegenhanger YPJ werden in PKK-kampen opgeleid. Maar het is niet zo dat er een directe lijn loopt van het PKK-oppercommando in Noord-Irak naar Qamishli, de officieuze hoofdstad van Rojava. Zeker in politiek opzicht varen de Syrische Koerden al sinds 2012 een autonome koers. Uit noodzaak, het hele Rojava-experiment is een rechtstreeks gevolg van het machtsvacuüm dat door de Syrische burgeroorlog ontstond. De Koerden zagen zich ineens verplicht het hele bestuur zelf in handen te nemen, al was het maar om te zorgen voor basisdiensten zoals water, elektriciteit, onderwijs en zelfs huisvuilophaling. Dat levert merkwaardige toestanden op. Sommige ambtenaren in het autonome Rojava worden nog altijd door Damascus betaald, scholen volgen het Syrische leerplan omdat hun diploma’s anders niet worden erkend.

Öcalan staat bekend om zijn marxistisch-leninistische ideologie. Valt daar in de 21ste eeuw nog een utopie van te brouwen?   

De Brabander: Öcalan heeft al in 1993 met zijn marxistisch-leninistische verleden gebroken, niet toevallig in dezelfde periode toen hij het separatisme afzwoer en inruilde voor een streven naar Koerdische autonomie binnen een Turkse federatie. Ideologisch is hij geëvolueerd naar een soort libertair anarchisme, wat politiek vertaald wordt in een basisdemocratische bestuursvorm. Er liepen al experimenten in Turks en Iraaks Koerdistan, maar in Rojava wordt het systeem voor het eerst voluit ontplooid. Macht komt van onderuit, via raden die op dorpsniveau worden verkozen. Ik heb met heel wat van die verkozenen gesproken, mannen én vrouwen. Vrouwenemancipatie is naast antikapitalisme een hoeksteen van het Sociaal Contract, een soort grondwet die duidelijk Öcalans stempel draagt. Ook etnisch en religieus pluralisme staan erin, een toevoeging die er is gekomen na de slag om Kobani in 2015. Dat was een kantelpunt, sindsdien hebben de Koerden hun gebied systematisch westwaarts richting Eufraat uitgebreid. Gevolg: er leven nu aanzienlijke groepen Arabieren onder Koerdisch bestuur, naast Asyriërs, Jezidi’s, Arameeërs, Khaldeën, Armeniërs, Turkmenen en Circassiërs. Daarom spreken ze officieel niet langer van Rojava, maar van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië die de kantons Kobani, Jezira en Afrin omvat. Die minderheden vechten mee met de Syrische Defensie Strijdkrachten (SDF), de militaire koepel waarvan YPG/YPJ veruit de belangrijkste component vormt. Het is ingewikkeld.

De slag om Kobani heeft de YPJ-vrouwen een cultstatus verleend. De hele wereld kon zich vergapen aan de jonge guerrillera’s die een glansrol speelden tijdens de belegering van Kobani. Goede pr, maar behelzen vrouwenrechten in Rojava meer dan de kans om glorieus te sneuvelen voor het vaderland?

De Brabander: Vrouwenemancipatie behoort tot de kern van Öcalans radicale basisdemocratie. Volkscongressen en assemblees tellen minstens 40 procent vrouwen, voor alle topfuncties binnen de PYD-regering is er een vrouwelijke vice-minister. Quota zijn een noodzaak, want deze revolutie speelt zich af in een maatschappij met oerconservatieve opvattingen over de rol die mannen en vrouwen horen te spelen.

vechten vrouwen daarom in een aparte militie?

De Brabander: Aan het front strijden mannen en vrouwen samen, maar de kampen zijn strikt gescheiden. Dat is niet alleen functioneel, het spoort met de traditionele opvattingen over liefde en relaties. Ik heb daar met vrouwelijke strijders uitgebreid over gesproken, dat kon dan weer zonder enige terughoudendheid. Ze vertelden dat ze hun verlangens sublimeerden in liefde voor de strijd en de gemeenschap. Romantiek met een doctrinair kantje, dat wordt er bij de PKK ingehamerd. Ze hebben het marxisme-lenininsme wel afgezworen, maar de ideologische vorming blijft heel sterk.

YPJ-strijdsters achter de frontlinie. Gemengd vechten mag, gemengd slapen niet. (foto: Ludo De Brander)

Kobani was in meerdere opzichten een kantelpunt. De Koerden en hun bondgenoten konden de veel sterkere IS-milities pas verslaan nadat de Amerikaanse luchtmacht wapens en munitie dropte. Die operatie luidde een onwaarschijnlijke alliantie in. De Amerikanen bewapenen en trainen de antikapitalistische SDF, tot grote woede van hun NAVO-bondgenoot Turkije die als de dood is voor een onafhankelijke Koerdische buurstaat. Hoe valt dat te rijmen?

De Brabander: Wederzijds opportunisme. Bij de PYD beseffen ze heel goed dat de Amerikanen niet geïnteresseerd zijn in Koerdische zelfbeschikking. Als het hen goed uitkomt, zullen ze niet aarzelen de Koerden aan Ankara of aan Damascus uit te leveren. Dat is trouwens gebleken toen Turkije de Koerden in maart uit Afrin heeft verjaagd, met stilzwijgende toestemming van de Amerikanen. De Amerikaanse spreidstand is zonder meer spectaculair. Ze steunen de Koerden onder het mom van de strijd tegen IS, maar in feite willen ze zich ingraven in een geopolitiek strategische regio waar ook Rusland en Iran erg actief zijn. Tegelijkertijd moeten ze absoluut Turkije te vriend houden, een onmisbare bondgenoot bij wie het Pentagon nog altijd kernwapens heeft liggen. 

Hoe valt uit te leggen dat Washington en de Navo de YPG/YPJ steunen, terwijl ze de PKK als een terroristische organisatie bestrijden?

De Brabander: Erdogan heeft een punt als hij dat hypocriet noemt. Al kun je zijn redenering ook omdraaien. Wat mij betreft zit de hypocrisie niet in het feit dat YPG/YPJ niet als terroristisch wordt beschouwd, maar wel in de terroristische stempel die op de PKK kleeft. Ik heb de absurditeit van de hele situatie kunnen vaststellen toen ik in 2015 de PKK-kampen in het Iraakse Qandil bezocht. Ik ontmoette er strijders van de YPG en de YPJ die gewond waren geraakt tijdens gevechten die ze in Noord-Syrië met Amerikaanse steun hadden geleverd. De kampen in Noord-Irak waar ze werden verzorgd, werden geregeld gebombardeerd. Door de Turken, met Amerikaanse steun. Zo cynisch kan het worden.

De Turkse president Erdogan wil onder geen beding een onafhankelijke Koerdische staat in Noordoost-Syrië, zeker niet omdat die een gevaarlijk precedent schept voor de eigen Koerdische minderheid. Hoe ver is hij bereid te gaan om dat gevreesde scenario te voorkomen?

De Brabander: Tot het uiterste. De operatie van het Turkse leger tegen de SDF in Afrin, een rechtstreekse inmenging in een buurland nota bene, spreekt daarover boekdelen. Het is bovendien geen toeval dat Turkije het zogenaamde Nationaal Pact uit de mottenbalen heeft gehaald, een document uit 1920 waarmee de Turken een claim leggen op de Iraakse steden Kirkoek en Mosoel, maar ook op Noordoost-Syrië.  Nog een voorbeeld is de pijnlijke misrekening van Massoud Barzani, de president van de Koerdische Autonome Regio in Noord-Irak. De rechts-conservatieve Barzani heeft altijd nauw samengewerkt met Turkije, je mag hem gerust een bondgenoot van Erdogan noemen. Toch reageerde die laatste ijskoud toen Barzani vorig jaar een referendum over volledige onafhankelijkheid organiseerde. We weten hoe dat afgelopen is. Het Iraakse leger is als reactie de Koerdische Autonome Regio binnengevallen en heeft onder meer Kirkoek ingenomen. Erdogan liet niet alleen betijen, hij heeft van de chaos geprofiteerd om zelf Noord-Irak binnen te vallen. Het Turkse leger beschikt naar eigen zeggen al over 11 militaire basissen in Noord-Irak en heeft met zijn militaire dreiging er voor gezorgd dat de PKK zich uit de regio van Sinjar moest terugtrekken. Het voert geregeld luchtbombardementen uit op PKK-doelwitten, waarbij ook burgerslachtoffers vallen. Merkwaardig genoeg is dat goeddeels onder de radar van de internationale gemeenschap gebleven.

Weinig hoopgevend allemaal voor de levensvatbaarheid van de Democratische Federatie van Noordelijk Syrië. Hoe zien de Syrische Koerden hun toekomst?  

De Brabander: Die vraag heb ik aan heel wat Koerden, ook politieke en militaire leiders gesteld. Ze weten dat ze vroeg of laat op zichzelf aangewezen zijn. Als de Amerikanen hen laten vallen, willen ze klaar zijn om hun autonomie politiek en militair te verdedigen. Daarom leggen ze niet alle eieren in één mandje. De PYD heeft een officieuze ambassade in Moskou en houdt de lijnen open met het Assad-regime in Damascus. De hoop is dat het met de Noordelijke Federatie dezelfde weg op gaat als met Iraaks Koerdistan. Afgezien van de episode met het mislukte onafhankelijkheidsreferendum heeft de Koerdische Autonome Regio zich sinds 2005 succesvol kunnen ontplooien, juridisch als onderdeel van Irak, maar de facto als een onafhankelijk gebied. Op de lange termijn zagen mijn gesprekspartners de natiestaten verdampen en wordt het Midden Oosten een lappendeken van autonome regio’s, een concept dat beter beantwoordt aan de etnische en religieuze diversiteit. Die visie hebben ze uit de boeken van Öcalan geplukt.

U heeft veel rondgereisd in Koerdisch gebied. Was u vrij om te gaan en staan waar u wilde? 

De Brabander: Laat ons zeggen dat ik half embedded heb gereisd. Er waren restricties, ik reisde onder begeleiding en moest mijn bestemming vooraf bekend maken. Die beperkingen werden vooraf door terechte veiligheidsoverwegingen ingegeven. De vele controleposten staan er heus niet zomaar, er werden en worden nog altijd aanslagen gepleegd. Maar op het terrein heb ik geen enkele dwang ervaren. Of ik nu in Kobani, Mambisj, Qamishli of een afgelegen dorp stopte, ik mocht vrijuit praten met eender wie. 

De Syrische burgeroorlog is nog niet afgelopen, laat staan dat de gevolgen voor de wijde regio al duidelijk zijn. Is het dan niet voorbarig om het politieke experiment in Rojava te evalueren?

De Brabander: Ik ziet het niet als een definitief oordeel, maar als een tussentijdse balans. In mijn laatste hoofdstuk zet ik sterke en zwakke punten op een rij. Er is bijvoorbeeld kritiek van Amnesty International en Human Rights Watch. Repressie tegen opposanten, het rekruteren van minderjarige strijders, dat zijn zware feiten. Ik praat die niet goed, maar anderzijds vind ik wel dat je rekening moet houden met de omstandigheden. Er woedt nog altijd een burgeroorlog, Turkije vormt een existentiële bedreiging, en intussen krijgen rechts-conservatieve opposanten steun van het Iraakse-Koerdische Barzani-regime. De geschiedenis zal uitwijzen welke kant het uitgaat, maar mijn tussentijdse balans is eerder positief. Ik heb de indruk dat ze in Rojava een eerlijke poging ondernemen om een nieuwe maatschappij te bouwen, weliswaar met veel pragmatiek en compromissen.

Het Koerdisch Utopia, Ludo de Brabander, Epo, 216 pagina’s, 23,50 euro

Ludo De Brabander

55

studeerde verpleegkunde en pers- en communicatiewetenschappen in Gent

woordvoerder linkse vredesbeweging Vrede vzw

activist en publicist, schrijft vaak over ontwapening, Palestina en de Koerdische kwestie

co-auteur met Georges Spriet van ‘Als de NAVO de passie preekt’ (2009)

De Belgisch-Congolese activiste Mireille-Tsheusi Robert over het AfricaMuseum

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Tervuren is een graftombe”

Mireille-Tsheusi Robert op de Square Patrice Lumumba: (foto: Dieter Telemans)

Koning Filip aarzelt nog, maar Mireille Tsheusi-Robert heeft de knoop al doorgehakt. De Belgisch-Congolese activiste gaat zaterdag niet naar de inhuldiging van het vernieuwde AfricaMuseum. ‘Je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst’.

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. De gesprekspartner is Belgisch-Congolees, het onderwerp is het Belgisch-Congolese verleden met zijn postkoloniale uitlopers. Dan ligt een koffiebar aan de Naamsepoort in Elsene wel voor de hand. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar deze plaats heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar ze jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Ermery Lumumba bij.

Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging  BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat men het nieuwe  dekolonisatiedebat is gaan noemen. Het zijn twintigers en dertigers met roots in Centraal Afrika die daarbij de toon zetten. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders, en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de handboeken geschiedenis domineren. Met zo’n drijfveer zou je enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd immers niet alleen het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgisch kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de peilers van de koloniale constructie, met de gruwelen in de Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties.

Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tshieusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. ‘Ik ga niet dansen op een graf’, zegt ze bij het nuttigen van een latte.

Wat bedoelt u?

Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo’n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren.

Het nieuwe KMMA wil breken met de koloniale nostalgie en propaganda uit het verleden. Dat gaat behoorlijk ver, zoals blijkt uit de aarzeling van koning Filip om de inauguratie bij te wonen, uit schrik voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II. Daar moet u toch blij om zijn?

Robert: Hoe de collectie wordt getoond, dat is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise situeert zich op het vlak van dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfernis  op te eisen,  lach ik je in gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Welnu, die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo’n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan.

BAMKO lag mee aan de basis van een open brief over koloniale roofkunst, met een oproep tot restitutie die aan weerskanten van de taalgrens veel weerklank vond in kringen van academici, kunstenaars en zelfs bepaalde museumdirecties. Wat willen jullie precies?

Robert: Om te beginnen een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part open gaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Tenslotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te bepalen, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We inspireren ons onder meer op het precedent van joodse kunstcollecties die die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de joodse gemeenschap.

Het thema is actueel, en niet alleen vanwege de heropening van het KMMA. De Franse president Macron heeft vorig jaar in Ouagadougou verklaard dat het niet langer aanvaardbaar is dat 90 procent van de Afrikaanse kunstschatten zich in buitenlandse, voornamelijk Europese musea en privécollecties bevindt. Op zijn vraag hebben een Franse en Senegalese expert een lijvig rapport met aanbevelingen geschreven dat vorige week werd voorgesteld. Liefst 70 procent van de collecties in Franse musea zou voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen?

Robert: Absoluut, Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord. Dat ze de kwestie ernstig moet nemen, want dat ons land anders het risico loopt voor heling te worden veroordeeld. Ze heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten. Alleen weet niemand wie in die werkgroep zit of met welke missie ze van start gaat. Eigenlijk weten we niet eens of die commissie al echt bestaat. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen.

In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn binnen de kortste keren verdwenen, verkwanseld door corrupte politici en ambtenaren aan buitenlandse kunsthandelaars en collectionneurs. Mobutu is al lang dood, maar de chaos en corruptie zijn in Congo niet verdwenen. Is restitutie in die omstandigheden wel een goed idee?

Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Wie was Mobutu trouwens? Een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een souvereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken.

Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder de verzamel- en inventariseerwoede en het bijbehorende wetenschappelijk onderzoek van het KMMA, was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden Afrika vernietigd of verloren voor de mensheid, inbegrepen de toekomstige generaties van Congo.

Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten.

Het KMMA heeft bij het herdenken van het museum niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien?  

Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt.

Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger wel eens?

Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte nam ik er wel eens jongeren naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel.

Infobord squarel Patrice Lumumba. Alleen het standbeeld ontbreekt nog. (foto: Dieter Telemans)

De beruchte bende van de Matongéwijk?

Robert. Niet alleen in Matonge, er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er geweldadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan?

De vraag stellen is ze beantwoorden…

Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische naratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen maar dat helemaal niet klopte. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dank zij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De jongeren uit die periode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer op de eigen gemeenschap maar op de maatschappij, tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft.

Op welke manier paste een bezoek van die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in de queeste naar een nieuwe, begeesterende identiteit?

Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal.

U heeft er samen met andere activisten lang moeten voor vechten. Eerdere plannen voor een Lumumbaplein in de gemeente Elsene werden in de gemeenteraad gedwarsboomd, mede door hardnekkig lobbywerk van oud-kolonialen. Hoe diep is het water?

Robert: We zijn geen vrienden, dat spreekt voor zich. Het gaat niet alleen om een snel slinkende groepje van bejaarde oud-kolonialen, ook hun kinderen en nazaten lobbyen. Onze tegenstanders slagen er niet altijd in om hun racistische vooroordelen te verdoezelen, vooral niet als ze loos gaan op de sociale media. La négresse de Bruxelles is een van mijn geuzennamen. Het blijft niet bij beledigingen. Kort voor de inhuldiging van het Lumumbaplein werden er bedreigingen geuit, de politie heeft zelfs extra manschappen moeten ontplooien.

De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen.

Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Blijkt dat die het slechtst scoren op de  arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma’s bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.

Mireille-Tsheusi Robert

37 jaar, geboren in Kinshasa

groeit op in Villers-Devant-Orval (Gaume)

master sciences de l’éducation, UCL

werkt als opvoedster met Brusselse probleemjongeren

2015: sticht Afro-Belgisch en feministische actiegroep BAMKO

2016: publiceert ‘Le racisme anti-Noirs. Entre méconnaissance et mépris’

2018: bijdrage aan pas verschenen boek Pietpraat, essaybundel over het fenomeen Zwarte Piet

Latijns-Amerikakenner An Vranckx: “Ik heb in Colombia respect gekregen voor militairen”

Knack, 13 augustus 2018

Bevorderen van vrede in postconflict gebieden, het is een beroep. An Vranckx vult er haar dagen mee, in verafgelegen landen die opvallend vaak in Latijns-Amerika liggen. Over wapens en munitie maakt niemand haar iets wijs, de War on Drugs kent ze van het terrein. Gesprek met een Antwerpse globetrotter die bijdroeg aan de vrede in Colombia.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Wee de ambtenaar die ooit het pensioendossier van An Vrankx moet uitvlooien. Universiteiten in binnen- en buitenland, Europese en nationale overheden, ngo’s, stichtingen en thinktanks in diverse hoofdsteden, met haar wisselende opdrachtgevers valt een middelgrote concertzaal te vullen. Al even onoverzichtelijk is de lijst met landen waar ze professioneel actief was. Ze verzamelde airmiles naar bestemmingen zoals Nepal, Ivoorkust, Congo, Kenia, Oeganda en Zuid-Soedan, maar haar echte biotoop is Latijns-Amerika. Weinig landen van Midden- en Zuid-Amerika ontbreken op haar CV, maar de naam van Colombia springt eruit. Een ereburgerschap heeft ze er nog net niet gekregen, maar haar verdiensten voor de Colombiaanse zaak spreken voor zich. An Vranckx kan met recht en rede claimen dat ze een bijdrage heeft geleverd aan het vredesakkoord dat in 2016 een einde maakte aan 50 jaar burgeroorlog.

Haar vakgebied laat zich lastig omschrijven, maar “vredesbevordering in postconflict gebieden” komt aardig in de buurt. Een van haar specialiteiten is de handel in lichte wapens. Vranckx hield exportvergunningen tegen het licht, traceerde wapenleveringen op hun vaak grillige parcours tussen producent en officiële koper, dook in wapendepots van legerkazernes om serienummers te verifiëren. Een van haar bijdragen aan het Colombiaanse vredesproces was overigens het opzetten van een waterdicht controlesysteem voor het registreren en vernietigen van de door de FARC-rebellen ingeleverde wapens. Stof genoeg voor avondvullende gesprekken, maar Vranckx heeft meer op haar repertoire. Volgens de Getuigenbank van het Antwerps Vredescentrum kan ze als spreker worden ingehuurd voor een bonte waaier van thema’s, gaande van bloeddiamanten in Afrika over de War on Drugs en Mexicaanse drugkartels tot het verband tussen Latijns-Amerikaans machismo en geweld.

In de media wordt ze sporadisch als Latijns-Amerika-kenner opgevoerd. Zo ook vorige week  toen Venezuela door een aanslag op president Nicolás Maduro werd opgeschrikt. Het incident was voer voor wilde speculaties. Was het echt een poging om de speechende president via een luchtbombardement met drones te elimineren? De brandweer van Caracas trok zelfs in twijfel of er wel drones in het spel waren, een zegsman verklaarde de explosies door een ontplofte gastank in een appartement nabij het spreekgestoelte. De opeising van de mislukte aanslag maakte er de verwarring niet minder op. An Vranckx maakt er zich al dagenlang vrolijk over. ‘Welke zichzelf respecterende guerrillabeweging noemt zichzelf nu Soldados de Franelas?’, vraagt ze retorisch. ‘Soldaten in T-shirt, dat is een naam voor een operettestaatsgreep. We zullen er wellicht nooit het fijne van weten, maar één ding is zeker: dit komt Maduro goed uit. De aanslag geeft hem de kans om de aandacht af te leiden van de chaos in zijn land. Hij heeft onmiddellijk de oppositie ervan beschuldigd achter de aanslag te zitten, samen uiteraard met buitenlandse vijanden. Ik vrees dat de repressie in Venezuela de komende weken nog zag toenemen’.

Maduro beschuldigde niet alleen de VS als usual suspect, maar ook Juan Manuel Santos, de uittredende president van buurland Colombia, nota bene Nobelprijswinnaar voor de Vrede.  Wat zit daar achter? 

An Vranckx: Een rookgordijn. Kijk naar de timing: de aanslag werd op 4 augustus gepleegd, drie dagen voor het aflopen van Santos’ tweede termijn als Colombiaans president.  Belachelijk gewoon te veronderstellen dat Santos zich met zoiets zou inlaten. Het is anderzijds geen toeval dat Maduro naar Colombia wijst. Honderdduizenden Venezolanen zijn de grens overgestoken, op de vlucht voor de uitzichtloze crisis en chaos in hun land. Ook een deel van de oppositie zit in Colombia.

over Colombia gesproken: hoe bent u eigenlijk in Latijns-Amerika verzeild?

Vranckx: Niet door carrièreplanning. Ik heb een academische achtergrond: na studies Germaanse en internationaal recht in Brussel en wetenschapssociologie in Rotterdam, heb ik bij Jean-Paul Van Bendegem een doctoraat gemaakt. Epistemologie, ik heb toen zelfs een boekje geschreven over de vraag hoe je wetenschappelijke kennis in een niet-exacte omgeving zoals politiek en beleid kunt toepassen. In zekere zin heb ik dat nadien in de praktijk gebracht. Of ik nu illegale handelsstromen doorlichtte of beleidsrapporten schreef, ik vertrok altijd vanuit een wetenschappelijke methodologie. De eerste keer Colombia, dat was in opdracht van IPIS,  het Antwerpse Vredesinformatiecentrum waar ik na mijn doctoraat was verzeild. IPIS was door Pax Christi International aangezocht om het fenomeen van ontvoeringen in Colombia te onderzoeken.

bizar thema… .

Vranckx: Niet in Colombia. Iedereen kent het geval van Ingrid Betancourt, de groene senator en presidentskandidate die in 2002 door de FARC werd ontvoerd en pas zes jaar later door het leger werd bevrijd. Maar ook daarvoor waren ontvoeringen al schering en inslag. Losgeld was een belangrijke bron van inkomsten voor guerrillabewegingen, een manier vooral om wapens te kopen. Niet alleen de FARC pleegde ontvoeringen, in Colombia was wel een half dozijn extreemlinkse guerrillabewegingen actief. Onder de slachtoffers waren veel militairen, maar ook burgers en nogal wat buitenlanders. Colombia was een gevaarlijk land voor expats.

hoe heeft u dat onderzoek aangepakt?

Vranckx: Mijn opdracht was het  voorstellen van een gedragscode. Uitgangspunt was dat er geen losgeld mocht betaald worden. Daarmee financier je immers de guerrilla en geef je de kidnap-industrie vleugels. Als een groep één keer losgeld incasseert, is de kans groot dat ze meteen een volgende ontvoering plant en dat haar voorbeeld door andere bewegingen wordt gevolgd. Simpel was het niet, ik heb snel ondervonden hoe groot het taboe was. Ik klopte aan bij ambassades en ministeries van buitenlandse zaken, ik nam contact met werkgevers van gijzelaars. Ofwel botste ik op gesloten deuren, ofwel werd in alle toonaarden ontkend dat er losgeld werd betaald. Van een Belgische bouwfirma wist ik dat ze 5 miljoen dollar had betaald om een ingenieur vrij te kopen. Toch mocht dat niet gezegd of geschreven worden. De enige die me echt wilde helpen en open kaart speelde, dat was Andrés Peñate, de Colombiaanse directeur Latijns-Amerika van British Petroleum die toen in Londen werkte. Die ontmoeting heeft veel te weeg gebracht. Peñate, een briljante man die in Oxford had gestudeerd, is later viceminister van landsverdediging en baas van de Colombiaanse staatsveiligheid geworden. Maar vooral: hij heeft me geïntroduceerd bij een van zijn beste vrienden, Sergio Jaramillo. Ik ben erg trots dat ik die laatste intussen zelf een goede vriend mag noemen.

Jaramillo, de echte architect van het vredesakkoord met de FARC?

Vranckx: Inderdaad, de man die door president Santos in 2010 werd gemandateerd om in Havana verkennende gesprekken met de FARC aan te knopen. In het grootste geheim, alleen de president en een handvol vertrouwelingen zoals Sergio wisten ervan. Terwijl op het terrein de gevechten en bombardementen doorgingen, raakte Sergio het met de FARC-delegatie eens over de agenda voor de officiële besprekingen die in 2012 in Oslo werden aangekondigd. Hij had lessen getrokken uit vorige pogingen die mislukt waren door de overdreven ambities. Het is immers onbegonnen werk om na een decennialange burgeroorlog alle problemen en geschilpunten met één globaal akkoord op te lossen. De nieuwe vredesdialoog zou daarom tot vijf thema’s beperkt blijven: landhervorming, aanpak van de drugeconomie, de politieke integratie van de FARC met daaraan gekoppeld het vraagstuk van gerechtigheid. Voorts zou er worden gepraat over de erkenning van slachtoffers, terwijl een vijfde subcommissie zich over het ontwapenen van de FARC zou buigen. Sergio heeft het meesterlijk aangepakt. Er is pas een vredesakkoord als over elk van de vijf agendapunten overeenstemming werd gevonden, dat was de afspraak. Weinigen hielden het voor mogelijk, maar in september 2016 was het vredesakkoord een feit.

dat akkoord wekte wereldwijd euforie, president Santos werd een maand later al met de Nobelprijs voor de Vrede bekroond. In die tussentijd echter werd het vredesakkoord in een referendum door een nipte meerderheid van de Colombianen verworpen. Was dat referendum een weeffout in het masterplan?

Vranckx: Integendeel, Sergio had het heel bewust in het vredesakkoord ingeschreven. Hij wilde het scenario van 1984 vermijden, toen het vredesakkoord mislukte omdat het niet door het volk werd gedragen. In dat akkoord kregen de FARC-strijders niet alleen amnestie, maar ze mochten ook hun wapens behouden. Ze komen veel te goedkoop weg, vonden de Colombianen. Dat sentiment leeft nog altijd, de afkeer van de FARC zit er diep in. Sergio besefte dan ook dat het referendum spannend zou worden. Dat het dubbeltje aan de verkeerde kant is gevallen, mag je op het conto van de voormalige rechts-conservatieve president Uribe schrijven. Zijn haat jegens de FARC is niet alleen ideologisch maar ook persoonlijk, zijn vader werd door de FARC ontvoerd en vermoord. Ik heb Álvaro Uribe twee keer ontmoet, die man heeft tonnen charisma. Die heeft hij royaal ingezet in zijn no-campagne, vooral in zijn geboortestad Medellín en de provincie Antioquia was de afwijzing massaal. Maar een streep door Sergio’s rekening? Hij heeft de nee-overwinning handig gebruikt om de FARC opnieuw naar de onderhandelingstafel te dwingen en hen een stuk of 50 aanpassingen te doen slikken. Ik ben optimistisch. De nieuwe president Duque is weliswaar een partijgenoot van Uribe, maar het aangepaste vredesakkoord zal standhouden.

 laat ons raden: het was Sergio Jaramillo die u bij het vredesproces heeft betrokken?

Vranckx: Klopt, maar daarvoor moeten we enkele stappen terug zetten. Ik heb Sergio in 2003 leren kennen. Ook toen liep er een vredesinitiatief, met financiële steun van de Europese Unie. Sergio, die uit Europa was teruggekeerd om voor het ministerie van defensie te werken, zocht naar expertise voor het vredesproces. Van zijn vriend Peñate kreeg hij de tip om mij te contacteren. Het klikte, en zo kwam ik bij de door Sergio opgerichte Fundación Ideas Por La Paz terecht. Colombia heeft mij de ogen geopend. Ik heb er het belang leren inzien van een functionerende staat, een staat die effectief het monopolie op het geweld kan afdwingen. Als linkse Vlaming ben ik nochtans opgegroeid met een frisse afkeer van al wat een uniform draagt. Aan VUB leefde dat sterk. Ik herinner me nog discussies over mijn onderzoek naar de kidnap-industrie. Natuurlijk had de guerrilla het recht om militairen en burgers te ontvoeren en jarenlang te gijzelen, werd er betoogd. Hoe moesten ze anders hun wapens kopen om het kapitalistische bestel omver te gooien? Vanuit de VUB-cafetaria zag de wereld er bedrieglijk simpel uit, maar de realiteit in Colombia was anders. In de streek waar ik werkte, schitterden leger en politie door afwezigheid, de vrouwen in mijn dorpen waren overgeleverd aan gewapende bendes die over elkaar heen buitelden, de FARC, de ELN, de M-19 of de paramilitairen. Die vrouwen wilden niks liever dan dat een reguliere troepenmacht met uniform en al orde en gezag kwam herstellen. Ik heb in Colombia veel respect gekregen voor het leger. Zeker toen Sergio me jaren later opnieuw vroeg, als adviseur voor de vijfde subcommissie die het luik ontwapening van het vredesproces behandelde. Ik heb toen workshops gegeven aan generaals, onder meer over het opbouwen van vertrouwensrelaties in een conflictsituatie. Voor de rest hield ik me vooral bezig met ontwapening, op een heel praktisch niveau. Neem nu de containers met een dubbele sleutel, één voor de FARC en één voor de VN-monitors. Een idee dat ik in Ivoorkust had opgepikt, in de periode toen ik voor de Britse NGO Saferworld door Afrikaanse post-war landen toerde.

België is geen onbekende naam als het over de handel in lichte oorlogswapens gaat. Bent u wel eens illegale schietijzers van FN Herstal tegengekomen?  

Vranckx: Meermaals, zowel in Afrika als in Colombia. Gedemobiliseerde guerrillero’s kwamen het me soms zelf tonen. Kijk, zeiden ze trots, een wapen gemaakt in uw land. Maar om een steen te gooien naar FN? Ik heb jarenlang rapporten over dat bedrijf geschreven, als specialist internationale wapenhandel bij het Waalse onderzoeksplatform GRIP (Groupe de Recherche et d’Informations sur la Paix et la Sécurité). Die rapporten werden door de administratie van het Waals gewest gebruikt om adviezen over exportvergunningen te onderbouwen. Niks op aan te merken, zowel het FN-management als de Waalse administratie speelden het spel correct.

echt waar? Wat dan met de omstreden levering van 2.000 oproerwapens aan het Libië van Khadafi in 2009?

Vranckx: Een schande, ik heb er voor de Europese Commissie een zwartboek over geschreven. De Waalse minister-president Rudy Demotte heeft het negatieve advies van zijn administratie straal genegeerd. Dat krijg je als de politiek er zich mee bemoeit, een scenario dat helaas nooit uit te sluiten valt wanneer het om een wapenproducent gaat die eigendom is van de overheid die de exportvergunningen verleent.

traceren van illegale handel in vuurwapens, hoe begin je daaraan?

Vranckx: Het is een leerproces. Ik ben intussen een expert in wapenstempels, haast onmerkbare tekens die door de producent in een geweer worden gegraveerd. Daarnaast heeft ieder leger eigen herkenningstekens die ze op haar wapens aanbrengt. Daar kun je veel uit afleiden. Als je bepaalde wapens bij de guerrilla in de jungle aantreft, dan weet je dat er sprake is van diversion, wapens die uit een legerdepot zijn verdwenen of er zelfs nooit zijn aanbeland. Ook over verschillende kalibers kun je me niks meer wijsmaken. Ik heb ooit in opdracht van het IPIS een mysterieuze vondst in Colombia onderzocht. Het ging om kalasjnikovs van Oost-Duitse makelij, gedropt in FARC-gebied dicht bij de Braziliaanse grens. Dan denk je: cadeautje van een bondgenoot, misschien wel van de toenmalige Venezolaanse president Hugo Chávez. Tot je naar het kaliber keek. Omdat de wapens afweken van de standaard kalasjnikovs, was er haast geen munitie voor te verkrijgen. Met andere woorden, ze waren nagenoeg nutteloos.

en welke conclusie moeten we daaruit trekken?

Vranckx: Dat het misschien niet om een cadeau van een bondgenoot ging. Het kan toeval zijn, maar kort na het bekendmaken van die verontrustende dropping heeft het Amerikaanse Congres het licht op groen gezet voor een steunprogramma van 1,3 miljard dollar aan het Colombiaanse leger, uitgerekend op een moment toen dat onder zware druk van de FARC stond. De Amerikanen hebben onder meer Black Hawk helikopters geleverd, een echt cadeau dat de krijgskansen heeft doen keren. Overigens, als je in Latijns-Amerika naar de herkomst van illegale vuurwapens zoekt, kom je haast altijd bij el Tío Sam uit. De Amerikaanse hypocrisie op dat vlak is stuitend. Probeer maar eens een flesje parfum het land uit te smokkelen, het zal niet lukken. Maar containers vol wapens exporteren? Geen probleem, zeker niet sinds president Bush in 2004 alle beperkingen op de import en doorvoer van volautomatische wapens heeft opgeheven. Russische of Tsjechische kalasjnikovs, het reist allemaal via de VS naar Centraal- en Zuid-Amerika.

waar ze niet alleen in handen van guerrillero’s vallen, maar vaker nog in die van drugkartels. Vooral in Mexico loopt het geweld van de narco’s de spuigaten uit. Valt dat soort gruwel binnen uw vakgebied?

Vrankcx: Het boeit me absoluut. Journalist en antropoloog Teun Voeten is er een phd over aan het schrijven, en ik ben één van zijn begeleiders. Hij focust onder meer op de ogenschijnlijk absurde wreedheid die bendes in hun onderlinge oorlogen aan de dag leggen. Slachtoffers die met kettingzagen worden bewerkt, verhakkelde lijken die aan bruggen boven de autosnelweg bengelen. Teun beschrijft dat als een vorm van communicatie, en ik volg hem daarin. Het is een manier waarmee bendes rivalen intimideren en hun territorium afbakenen. Overigens, in Mexico valt het nogal mee, het geweld beperkt zich tot enkele provincies, tegenwoordig vooral Guerrero. Alleen vanwege de link met de Amerikaanse markt wordt er zoveel aandacht aan besteed. Honduras, El Salvador en Brazilië kennen veel meer geweld, en ook Venezuela is de voorbije jaren naar de top van de statistieken doorgeschoten.

bewijst het endemische geweld het failliet van de Amerikaanse War on Drugs?

Vranckx: Wat alleszins een fiasco is gebleken, dat is de Amerikaanse poging om de coca-industrie te vernietigen. Met alle mogelijke middelen, van sproeivliegtuigen tot bombardementen. Door de productie te reduceren hoopte men cocaïne uit de markt te prijzen, maar dat is niet gebeurd. Ook bij ons niet, de prijs is merkwaardig stabiel. 50 euro per gram is al twintig jaar het tarief in Antwerpen. De productie is dan ook niet verminderd, integendeel zelfs. Door het ontbreken van alternatieve teelten blijven boeren coca verbouwen. Geef ze eens ongelijk, de plant groeit vanzelf en het is de enige teelt die hen een leefbaar inkomen garandeert. Overigens, de link tussen de drugeconomie en geweld is niet eenduidig. Bolivië en Peru zijn belangrijke cocaïne-producenten, en toch is er opvallend weinig geweld.

hoe verklaart u dat?

Vranckx: Een politieke keuze. Plata o plomo, zeggen ze in Bolivië en Peru, geld of lood. Je kunt de narcos bekampen, maar dan oogst je plomo, kogels. Beter is een oogje dicht te knijpen. Laat de narcos met rust, en dan kun je er nog wat corruptiegeld van opstrijken. Zo ging het trouwens ook in Mexico, tot president Vicente Fox begin jaren 2000 onder Amerikaanse druk de kartels de oorlog verklaarde. Even leek het te gaan lukken. Ladingen werden onderschept, bendeleiders opgepakt, de smokkel naar de States werd effectief gestremd. Maar algauw ontdekte men een vervelend neveneffect: er barstte een genadeloze straatoorlog los tussen bestaande en nieuwe bendes, met als inzet de vrijgekomen posities. Voorspelbaar, want als de nummer één van een bende wegvalt, dan kun je er donder op zeggen dat de nummers twee en drie elkaar naar het leven staan om de baas te spelen. Die geweldspiraal is sindsdien blijven draaien.

wie Latijns-Amerika zegt, denkt er spontaan staatsgrepen en militaire dictators bij. Ergert u zich aan dat cliché?

Vranckx: (lacht). Het is de schuld van Hergé. In Het Gebroken Oor laat hij Kuifje kennismaken met een achterlijk continent vol schietgrage kolonels. De waarheid is dat het de goede kant op gaat. De voorbije twintig jaar heb ik het onderwijs spectaculair zien verbeteren, analfabetisme is haast uitgeroeid. Er is meer democratie en minder geweld, uitgezonderd de blackspots waar we het al over hadden. De allergrootste opsteker, dat blijft toch wel de vrede in Colombia. Het blijft me ontroeren: hoe de Colombianen zonder buitenlandse inmenging uit die put zijn gekropen, louter gedreven door hun geloof in de staat.

Sergio Jaramillo werd enkele maanden geleden tot ambassadeur in Brussel benoemd. Hebben jullie nog contact?

Vranckx: Jazeker, hij heeft het hier naar zijn zin. Na zeven jaar onderhandelen was hij toe aan herbronning, hij heeft in die periode zijn gezin nauwelijks gezien. Ik zag hem onlangs op de televisie met een geïmmobiliseerde arm. Blijkt dat hij zich hier heeft laten opereren voor tendinitis, een gevolg van de 12.000 handtekeningen die hij vorig jaar onder dossiers voor gedemobiliseerde Farc-leden heeft gezet. Mijn bewondering voor zijn inzet is grenzeloos. Sergio komt uit een vooraanstaande familie. Hij heeft in Oxford, Cambridge, Heidelberg en Moskou gestudeerd, en spreekt zes talen waaronder oud-Grieks. Hij had voor een comfortabel leven kunnen kiezen, een kosmopoliet met uitzicht op een internationale topcarrière. Maar nee, hij is uit naar Colombia teruggekeerd om zich achter het vredesproces te scharen. In België is patriotisme haast een scheldwoord, in Colombia een erezaak. Ik heb lang geleden in Audergem een optreden van een folkloristische dansgroep uit Medellín bijgewoond. Er was te weinig plaats, bij de ingang werd haast gevochten voor tickets. Chaos en rumoer alom, tot bij de eerste drumslag iemand de kreet “ai mi pueblo” lanceerde. De hele zaal veerde recht, de hand op  het hart. Mi pueblo, mijn volk, dat betekent echt iets voor Colombianen.

Payoke-bezielster Patsy Sörensen over Bart De Wever en loverboys

Knack, 8 augustus 2018

“Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”.

Verontwaardiging is de brandstof waarop Payoke-bezielster Patsy Sörensen draait. Officieel is ze met pensioen, maar de tank is nog niet leeg. Vorige week mocht ze voor het eerst een Antwerps burgemeester als bondgenoot in de strijd tegen de mensenhandel in het Schipperskwartier verwelkomen. Laat de gewezen politica van rood en-groen zich voor de N-VA-kar spannen? ‘Zolang het mijn eigen agenda dient, zie ik geen probleem’.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

 

Antwerpen Linkeroever. Ergens, in een van de vele identieke torenflats, moet oud-burgemeester Bob Cools wonen. Onze chauffeur grijnst als de naam valt. Bob Cools, de man die haar ooit in volle gemeenteraad vroeg of ze misschien de late shift had gedraaid toen ze op een keer met lichte vertraging haar zitje op ’t Schoon Verdiep kwam innemen. Een goede verstaander had maar een half woord nodig. Patsy Sörensen kwam recht van kantoor in het Schipperskwartier. Van bij Payoke dus, destijds in de wandel bekend als hoerenvakbond. Nee, de partijgenoten Cools en Sörensen waren geen kameraden. Maar bestaat er wel zoiets als vriendschap in de politiek? Tijdens het interview zal ze daarover vooral scepsis tonen. Na haar periode bij de Antwerpse socialisten werd Sörensen verruimingskandidaat op een kartellijst met Agalev. De oversteek leverde haar een schepenmandaat op, gevolgd door een verblijf in het Europees parlement. Een thuisgevoel echter heeft ze er niet gevonden. Politieke warmte komt haar tegenwoordig zelfs uit een heel andere windstreek aanwaaien. Sörensen, in binnen-en buitenland gelouwerd voor haar strijd tegen mensenhandel, wordt steeds inniger aan de borst gedrukt door de N-VA. Vorige week nog bracht burgemeester Bart De Wever een in de media breed uitgemeten bezoek aan Payoke om zijn steun toe te zeggen in de strijd tegen het fenomeen loverboys.

Ze parkeert voor haar deur, een voormalige groentenwinkel in een uitgestorven straat. Ze woont graag op Linkeroever, al was de verhuis uit het drukke Schipperskwartier geen vrije keuze. ‘Ik had het toen aan de stok met het Albanese milieu’, vertelt ze terwijl we uitstappen. ‘Een heftige tijd, ik liep permanent met een kogelvrije vest rond, net zoals mijn man en kinderen. Slapen deden we in de kelder, met een baseballknuppel naast ons bed. Dat was geen paranoia. We ontvingen geregeld doodsbedreigingen, en er werd meermaals bij ons ingebroken. We konden bovendien geen stap buiten zetten of er stonden mannetjes op de loer. Het was geen leven meer’. De Nederlandse Bende van de Miljardair, de Georgische en Russische criminelen van het Falconplein, Albanese pooiers en Hongaarse gangsters, aan vijanden had ze nooit een gebrek. Sinds november is ze officieel met pensioen, maar vanuit het Payoke-kantoor zet ze de strijd onverminderd voort. Straf, want tegelijkertijd levert ze op het thuisfront een ander gevecht, als mantelzorgster. Staf, haar man lijdt al drie jaar aan MSA, een zeldzame en dodelijke spierziekte die Vlaanderen pas leerde kennen toen N-VA-kamerlid Flor Van Noppen eraan stierf. Dat ze intussen een dynamisch bestuurslid van de Belgische MSA-patiëntenvereniging is geworden, zal niemand verbazen. Dat de peter van diezelfde vereniging niemand minder is dan N-VA-minister van binnenlandse zaken Jan Jambon, dat heet dan weer toeval.

geen toeval was de komst van Bart De Wever naar het Payoke-hoofdkwartier in Leguit. Maakt de burgemeester zich zorgen over het fenomeen loverboys?

Patsy Sörensen: Met reden, want het probleem escaleert. Payoke heeft het zowat ontdekt, meer dan twintig jaar geleden. Kasten vol rapporten hebben we erover volgeschreven, maar op het terrein gebeurt er weinig of niks. Beste bewijs: we hebben momenteel 50 dossiers in behandeling. Samen met Child Focus hebben we een rapport geschreven voor de Stuurgroep Tienerpooiers die door Vlaams minister van welzijn Vandeurzen (CD&V) werd opgericht. Een wat misleidende naam, ik verkies zelf de term loverboys. De pooiers zijn immers geen tieners, de gemiddelde leeftijd schommelt tussen 18 en 25 jaar. Tieners, dat zijn de slachtoffers die vaak onherroepelijk beschadigd raken als ze in de klauwen van een loverboy vallen. Onze voornaamste eis is het oprichten van een gespecialiseerd opvangcentrum. We zijn dan ook erg blij dat De Wever zich daar heeft achter geschaard. Als burgemeester, maar ook als partijvoorzitter. Dat is geen detail, want zo’n centrum hoeft niet per se in Antwerpen te staan. Liever niet zelfs, hoe mee afstand tussen slachtoffers en pooiers, hoe beter.

bestaat er dan geen opvang voor slachtoffers?

Sörensen: Toch wel, ze belanden in de bijzondere jeugdbijstand, in gesloten instellingen zoals Beernem of Mol. Helaas werkt dat van geen kanten. Slachtoffers hebben niet alleen psychosociale en pedagogische begeleiding maar ook politioneel toezicht nodig. Nu staan de pooiers hen letterlijk bij de poort op te wachten als ze worden ontslagen. In Mol zitten daders en slachtoffers zelfs samen, sommige loverboys zetten er hun handeltje gewoon verder. Ze geven met de gsm instructies aan handlangers: zorg ervoor dat meisje x zich vanavond naar adres zus of zo begeeft. Het gebeurt ook dat slachtoffers als daders worden behandeld, zoals meisjes die door hun loverboy werden verplicht om andere meisjes te rekruteren. We roepen al jaren om een gespecialiseerd centrum, zoals dat bij ons bestaat voor slachtoffers van internationale mensenhandel. Dat is het schrijnende van de zaak: als Payoke kunnen we wel Nigeriaanse of Albanese slachtoffers helpen en opvangen, maar voor Belgische  minderjarige slachtoffers kunnen we niks doen.

ik kan me inbeelden dat die wantoestand bij N-VA een gevoelige snaar raakt. Net zoals ik me kan voorstellen dat de hele missie van Payoke kan ingepast worden in de strijd tegen de internationale mensensmokkel, een uitwas van migratiecrisis waarvan enkele N-VA- excellenties hun handelsfonds hebben gemaakt. Loert er geen gevaar voor politieke recuperatie?

Sörensen: Je m’en fous! Natuurlijk heeft de N-VA een eigen agenda, zo werkt dat altijd in de politiek. Maar waarom zou ik daar wakker van liggen als die agenda mijn eigen zaak dient? Ik volg de politiek op de voet, ik heb op kieslijsten gestaan en mandaten opgenomen. Maar ik ben nooit een echte politica geweest, politiek was voor mij altijd een middel tot. En jawel, ik heb er veel mee bereikt. De uitbouw van Payoke, nationale wetgeving op mensenhandel, zelfs regelgeving op Europees niveau. Maar ik ben binnen mijn eigen partij vaak op muren en tegenkanting gebotst, bij de socialisten en later ook bij Agalev. Niettemin, ik was er niet gerust op toen de N-VA hier in 2012 de verkiezingen won. De Wever had mij in een interview een extreemlinkse Trotskiste genoemd, bepaald geen koosnaampje in zijn mond. En die man zou burgemeester worden? Nu gaan we het krijgen, dacht ik. Welnu, die vrees bleek ongegrond. Het nieuwe stadsbestuur heeft zich vanaf dag één constructief opgesteld. Zo hebben we een uitstekend contact met OCMW-schepen Fons Duchateau. Ik kan het ook niet helpen, maar de N-VA doet echt moeite voor ons. Niet alleen in Antwerpen, Zuhal Demir vecht als staatssecretaris voor onze financiering. Broodnodig, want de huidige regeling verplicht ons ieder jaar weer om voor onze werkingssubsidies te bedelen. Ook dat hebben we hebben we vorige week bij De Wever aangekaart, en hij heeft beloofd er wat aan te doen. Zijn bezoek is trouwens flink uitgelopen. De Wever staat bekend als een koele kikker, maar bij ons was hij een en al empathie. Ook met Jan Jambon en Theo Francken schiet ik goed op, ze zijn zich allebei al uitvoerig over onze werking komen informeren.

al een partijkaart overwogen? Kost bij de N-VA maar 12,50 euro…

Sörensen (lacht). No way, ik sta op mijn onafhankelijkheid. Het is niet omdat ik met Theo Francken praat, dat ik zijn standpunten over migratie onderschrijf. Fort Europa is niet mijn ideaal. Het blokkeren van alle legale migratiekanalen duwt duizenden Afrikanen in de armen van mensenhandelaars, dat zal je niet gauw uit Franckens mond horen. Overigens, Payoke heeft ook een prima verstandhouding met het kabinet van justitieminister Geens. Moet ik dan misschien ook een CD&V-partijkaart kopen? Nee toch.

klopt Bart De Wevers bewering dat hij de allereerste Antwerpse burgemeester is die een werkbezoek aan Payoke heeft gebracht?

Sörensen:  Ongelooflijk, vind je niet? Koning Boudewijn is in 1992 bij ons geweest, jaren later ook koningin Paola. We hebben ministers over de vloer gehad, buitenlandse delegaties volgen elkaar op. Maar onze eigen burgemeester? Daarvoor hebben we moeten wachten tot vorige week. Okay, ik had De Wever zelf uitgenodigd, nadat hij Payoke tijdens de presentatie van het nieuwe beleidsplan prostitutie een compliment had gegeven. Ik was er die dag zelf niet bij, maar Klaus, mijn opvolger als directeur, viel haast van zijn stoel van verbazing.

hoezo, verbazing?

Sörensen: Het was toch wel een historisch moment. Payoke en Antwerpse burgemeesters, dat is altijd een moeilijk verhaal geweest. Voor Bob Cools was ik de gebeten hond. Met zijn opvolgster Léona Detiège kwam ik beter overeen, ik was toen schepen voor Agalev. Maar ook zij is nooit bij Payoke langs geweest. Met Patrick Janssens had ik dan weer nauwelijks contact. Ja, hij is een keer bij ons over de drempel geraakt. Per ongeluk haast, het was niet gepland. Janssens leidde die dag een Waals politicus rond in het Schipperskwartier. Zijn naam ontglipt me, maar ik had hem kort voordien tijdens het nationaal défilé op 21 juli leren kennen. Toen de delegatie onze voordeur passeerde, wilde hij per se een bezoekje brengen om gedag te zeggen. Met een zuur kijkende  burgemeester in zijn kielzog, hij is zelfs de trap niet opgelopen. Janssens zag Payoke niet zitten, hij vond dat ons werk beter door het OCMW of andere overheidsinstellingen kon worden gedaan.

waarom die animositeit? Payoke is snel doorgegroeid van een soort vakbond voor prostituees tot een nationaal en internationaal erkend expertisecentrum inzake mensenhandel. Toch wel een instelling waarop een progressieve burgemeester trots kon zijn?

Sörensen: Tja, waarom is het scheef gelopen? Botsende karakters zullen wel een rol gespeeld hebben. Naar het schijnt ben ik ben niet altijd even diplomatisch. (lacht) Maar natuurlijk was er meer aan de hand. Bob Cools is een intelligente man, maar hij had het moeilijk met een partijgenoot die het openlijk voor prostituees opnam. En vooral: hij nam me kwalijk dat ik zijn plannen voor de opkuis van het Schipperskwartier tegenwerkte. Het ging om mijn eigen buurt, ik denk dat ik alle 4.000 inwoners persoonlijk kende, uiteraard ook de prostituees, in die tijd vooral Belgische, Franse en Nederlandse meisjes. Ik zag de overlast en de problemen, een sanering was noodzakelijk. Maar ik verzette me tegen de willekeur van Cools die in sommige straten met één pennentrek alle bars en ramen wilde schrappen. Het bezoek van Koning Boudewijn aan Payoke heeft onze relatie geen deugd gedaan. Cools was er niet bij, maar de hele démarche werd als een signaal geïnterpreteerd, een striemende terechtwijzing van de burgemeester en andere falende instanties. We spreken hier over de periode toen ik samen met Chris De Stoop de Bende van de Miljardair op de kaart heb gezet, het echte startschot in de strijd tegen de mensenhandel. Die affaire heeft uiteindelijk tot een complete breuk met de socialistische partij geleid.

hoe dan wel?

Sörensen: Ik heb er in 1994 zelf een boek over geschreven, “Maskers af”.  Daarin noem ik man en paard, ook de namen van partijleden die zich door het prostitutiemilieu hadden laten corrumperen. Niet alleen de Antwerpse partijtop was boos, ook voorzitter Frank Van den Broucke reageerde woedend. Pijnlijk, want ik zat destijds samen met onder meer Steve Stevaert, Johan Vande Lanotte en Anne Van Lancker in de Domino-groep over de partijvernieuwing te brainstormen. Na de breuk hebben Paul Goossens en Tom Lanoye me de weg gewezen naar Agalev. Zo ben ik dus schepen geworden en heb ik het Antwerpse prostitutiebeleid in een nieuwe bedding kunnen leggen. Het was een spannende periode, vooral de besprekingen over de toekomst van het Schipperskwartier die in het grootste geheim verliepen. Lastig als je zelf in de buurt woont en werkt. Ik wist perfect wie bij het plan zou winnen en wie zou verliezen, maar ik mocht geen woord lossen. Uiteindelijk raakte het plan, dat ook al voorzag in de komst van een megabordeel, goedgekeurd, vlak voor mijn vertrek naar het Europees parlement. Eindelijk verlost van die lastpak, moeten ze in Antwerpen hebben gedacht. Ook bij Agalev, want het is geen geheim dat ik niet bijster goed kon opschieten met Mieke Vogels. Onder Patrick Janssens werden de relaties met de Stad alleen maar slechter. De contacten verliepen via OCMW-voorzitser Monica De Coninck, iemand die ik al lang kende. Toch heeft uitgerekend zij geprobeerd ons uit het pand in Leguit te zetten, een eigendom van de stad. Gelukkig stond er toen hoog bezoek gepland: koningin Paola. Er moeten beelden van bestaan: Paola die Monica De Coninck voor de camera vraagt hoe het nu zit met de huisvesting van Payoke…

ingeving van het moment?

Sörensen  Laat ons zeggen dat de koningin haar huiswerk goed had gemaakt. En dat wij haar daarbij een handje hebben geholpen. (schaterlacht). Feit is dat haar bezoek zijn effect niet heeft gemist. Ineens hing De Coninck aan de lijn met de vraag om de uitzettingsbrief te verscheuren. We hebben er niks meer van gehoord en huizen nog altijd in Leguit.

foto: Hatim Kaghat

foto: Hatim Kaghat

Payoke heeft blijkbaar een rechtstreekse lijn met Laken. Wijlen koning Boudewijn was zoals bekend geschokt door de verhalen die Chris De Stoop in dit blad publiceerde over moderne slavernij in de rosse buurten van zijn rijk. Op 28 oktober 1992 bracht hij een verrassingsbezoek aan Payoke om er met slachtoffers te praten, wat aanleiding gaf tot zoutloze grappen over Boudewijn die voor het eerst naar de hoeren ging. Hoe belangrijk was dat bezoek voor Payoke?

Sörensen: Enorm, dat heeft alles veranderd. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Eerst dat verrassende telefoontje: van Ypersele, de kabinetschef van Boudewijn aan de lijn. Dat de koning Payoke wilde bezoeken. En of wij een scenario konden bedenken? Ik ben toen naar Laken moeten rijden om alle details te bespreken. Voor de buitenwacht was het een verrassingsbezoek, maar in feite kwam er geen improvisatie aan te pas. Na Boudewijns passage gingen ineens alle deuren open. Ministers, staatssecretarissen, topambtenaren en hoge politieofficieren, ze stonden in de rij om met ons te praten. Boudewijn heeft veel meer gedaan dan een luisterend oor verlenen aan enkele gewezen prostituees, hij heeft zich met zijn volle gewicht achter onze eis geschaard om aan slachtoffers van mensenhandel een verblijfsstatuut en opvang te geven. Met resultaat, dat statuut is er opvallend snel gekomen. Mede dank zij Boudewijn is ons land een koploper geworden in de strijd tegen mensenhandel, met Payoke als expertisecentrum. Dat is geen overdrijving. In 2014 hebben de Belgische, Nederlandse en Hongaarse justitie een bende opgerold die in twee jaar tijd 400 meisjes in Gent en Den Haag had geplaatst. Het Belgische luik van het onderzoek, dat hebben wij samen met het Gentse parket gevoerd. Als het over mensenhandel gaat, komt ook het federaal parket haast altijd bij Payoke aankloppen. Ik ben de voorbije vijfentwintig jaar de halve wereld rondgereisd om onze aanpak toe te lichten. Europol, Frontex, de VN blauwhelmen, ik ben overal gaan spreken. Cuba heeft me uitgenodigd, rechtstreeks via Castro’s dochter die per se iets wilde ondernemen tegen de mensenhandel in haar land. Ik heb in China, Afghanistan, Nigeria, Albanië en Irak gewerkt. Naar Syrië ben ik vijf jaar op en af gereisd, tot daar de burgeroorlog uitbrak.

wat deed u daar?

Sörensen: Ik werd gevraagd door de Syrische ambassadeur bij de Europese Unie. Bedoeling was twee vluchthuizen uit de grond te stampen, in Damascus en Aleppo. Het plan kreeg de rechtstreekse steun van het regime, vooral mevrouw Assad was er nauw bij betrokken. We kregen dus alle medewerking, maar tegelijkertijd voelde je dat er iets niet in de haak was. Syrië was een echte politiestaat. Iedereen wantrouwde iedereen, ook wij werden constant in de gaten gehouden. Ik heb er zelf de stekker uitgetrokken kort voor de burgeroorlog uitbrak, maar de tekens aan de wand waren duidelijk. Vlak naast ons opvanghuis in Damascus was een pand waar de politie opposanten folterde, we konden het gewoon horen. Een van onze meisjes, pas bevallen na een verkrachting, werd weggehaald en naar het martelcentrum gebracht. Omdat haar broer een terrorist was, zo werd er gefluisterd. Dat fluisteren mag je letterlijk nemen, want door de angstcultuur durfde niemand hardop te praten over gevoelige zaken. We hadden een arts in dienst, een Mexicaanse die met een Syriër was getrouwd. Soms werd ze door de buren opgevorderd om gemartelde slachtoffers weer op te lappen of bij te brengen.

het ontbreekt in uw carrière niet aan sterke anekdotes. U werd met de dood bedreigd, aangevallen met een bunsenbrander, raakte verwikkeld in nachtelijke achtervolgingen in Limburgse bossen. Het is maar een greep uit de voorbereidende research. Allemaal waarachtig of ietwat aangedikt door journalist of verteller?

Sörensen: Allemaal echt gebeurd. Kijk, ik ben van nature nieuwsgierig. Als een onbekende me belt en zegt dat hij me na zonsondergang op een afgelegen plek wil spreken, dan ga ik er naartoe, louter om te weten wat er dan gaat gebeuren. En wees gerust, ik heb nog niet alles verteld. Zoals die keer in dat megabordeel in Szentendre, een stad vlakbij Boedapest. Het moet 1995 zijn geweest, ik had me er binnen gebluft als eigenares van een Luxemburgs bordeel op zoek naar nieuwe meisjes. In feite was ik er om een spoor na te trekken, het had te maken met hardcore pornovideo’s die toen in Hongarije werden gedraaid. Ik zie die club nog zo voor me: tientallen meisjes, het krioelde er van de Russische maffiosi. Ik heb toen nog een meisje helpen ontsnappen dat op het punt stond aan een pooier re worden doorverkocht.

na dertig jaar kunt u de balans opmaken: is de mensenhandel op zijn retour?

Sörensen: Nee. Het is net zoals met drugs, er valt zoveel geld mee te verdienen, dat het nooit zal verdwijnen. We hebben de voorbije dertig jaar natuurlijk een enorme weg afgelegd in de bestrijding van het fenomeen. Helaas loopt het de laatste tijd weer wat stroever, omdat de strijd tegen het terrorisme bij de politie veel energie en mankracht heeft weggezogen. Prostitutie trekt de meeste aandacht, maar in feite is dat misleidend. Mensenhandel gaat veel breder, Payoke vangt tegenwoordig meer slachtoffers van economische dan van seksuele exploitatie op, vooral mannen zelfs. Ook daar hoor je schrijnende verhalen. Mannen en vrouwen die op weg naar Europa werden mishandeld en vernederd, om zich hier vervolgens in abominabele omstandigheden te laten uitbuiten. Ze wassen auto’s in de carwash, kloppen marathondiensten in nachtwinkels en restaurants,  maken wc’s schoon, als ze al niet gedwongen worden om te bedelen. Altijd voor een hongerloon, want het echte geld gaat naar de mensenhandelaars. Het is je reinste slavernij.

heel wat feministen ijveren voor een verbod op prostitutie. Zoals in Zweden, waar klanten van prostituees worden vervolgd. U heeft die piste altijd afgewezen. Waarom?

Sörensen: “Ik weet dat ze het bij de Nationale Vrouwenraad niet graag horen, maar ik heb geen probleem met prostitutie, zolang er geen uitbuiting aan te pas komt”. Dat is trouwens altijd al de visie van Payoke geweest: we vechten niet tegen prostitutie maar tegen mensenhandel. Kijk, Nigeriaans meisjes zitten haast altijd in de greep van een voodoopriester, nog zo’n fenomeen dat Payoke een kwarteeuw geleden als eerste heeft gesignaleerd. We werden toen bij de politie uitgelachen, het ging er niet in dat meisjes konden afgedreigd worden met een morsig zakje met wat haarlokken, vingernagels of bloederige smurrie. Intussen weten ze wel beter, dat morsig zakje is haast altijd een sterke aanwijzing voor mensenhandel. Maar wat ik daarmee bedoel: Payoke heeft al heel wat Nigeriaanse meisjes geholpen om met hun voodoopriester te breken. Toch zie je dat sommige van die meisjes na hun verblijf in ons centrum vrijwillig naar het vak terugkeren. Dat lijkt onbegrijpelijk, maar je moet het vanuit hun standpunt bekijken. Na jaren van uitbuiting krijgen ze eindelijk de kans om voor eigen rekening te werken en er echt aan te verdienen. Een jaar in de prostitutie, en ze kunnen met opgeheven hoofd en een gevulde portefeuille naar Nigeria terugkeren. Daar heb ik geen probleem mee.

op jullie website staan schokkende getuigenissen. Meisjes die jarenlang brutaal werden mishandeld, of door hun eigen moeder aan pooiers worden verkocht. Dat heet dus dagelijkse kost bij Payoke. Hoe houdt u dat al dertig jaar vol? Met een dikke laag eelt op de ziel?

Sörensen: Nee, geen eelt op de ziel. Dat zou dodelijk zijn voor de motivatie. Ik word nog altijd kwaad als ik met zulke toestanden word geconfronteerd. Verontwaardiging is de brandstof waarop ik draai.

Veenbrand in de Marokkaanse Rif

Knack, 20 juni 2018

Al 20 maanden sluimert in de Marokkaanse Rif een volksopstand. Terwijl de historische leiders van de Hirak in Casablanca voor de rechter verschijnen, slaan hun medestanders terug met een boycot van Danone-producten. De Vlaamse en Nederlandse diaspora leeft intens mee, zo blijkt uit het essaybundel ‘Opstand in de Rif’.

opstand in de rif HRvk1

Tussen de steekvlammen van de internationale politiek blijven veenbranden vaak onopgemerkt. In de Rif, een door Berbers bewoonde regio in het Noorden van Marokko, smeult zo’n vuur. Op 28 oktober 2016 sloeg de vlam in het stro, nadat in provinciehoofdstad Al Hoceima een jonge vishandelaar in een vuilniswagen werd verpletterd tijdens een dispuut met de politie over een lading illegaal gevangen zwaardvis. De Hirak was geboren, een volksopstand die teert op historische frustraties van de Riffijnen die zich al decennialang politiek, economisch en cultureel gediscrimineerd voelen. Nasser Zefzafi, een gsm-reperateur uit Al Hoceima, werd het gezicht van het geweldloze massaprotest dat veel weerklank kreeg in de Europese diaspora. Vooral België, Nederland, Spanje en Duitsland tellen grote gemeenschappen uit een verarmde regio die de voorbije 60 jaar een derde van zijn bevolking zag emigreren. Terwijl de internationale mediabelangstelling taande, nam de repressie van de Marokkaanse overheid toe. In april begon in Casablanca het monsterproces tegen de een jaar eerder gearresteerde Zefzafi en 53 van zijn medestanders. Rachida Lambrabet wijst op het contrast: in de rechtbank in Casablanca zaten welgeteld twee Europese politici als waarnemers, niks vergeleken bij de mobilisatie voor de politieke processen tegen Erdogan-critici in Turkije. De Vlaamse schrijfster en activiste, zelf van Riffijnse oorsprong, leverde een bijdrage aan het pas verschenen essaybundel ‘Opstand in de Rif’. De auteurs, overwegend Vlaamse en Nederlandse Riffijnen, klagen zowel de repressie in Marokko als het stilzwijgen van Europa aan.

Nergens klinkt dat stilzwijgen luider dan in België, vernemen we van samensteller Btisam Akarkach die zelf een bijdrage over de rol van sociale media en burgerjournalisten schreef. ‘Het verschil met Nederland is frappant’, zegt ze. ‘Niet alleen de media maar ook de politiek besteden er veel meer aandacht aan de crisis in de Rif. De enige twee Europese waarnemers op het proces in Casablanca waren trouwens Nederlandse politici, de PvdA’sters Kati Piri en Lilliane Ploumen’.

hoe verklaart u dat verschil?

Btisam Akarkach: België doet er ook alles aan om Marokko niks in de weg leggen. Het land wordt gezien als een cruciale bondgenoot in de strijd tegen de terreur, en een partner waarmee we zaken willen doen of afspraken maken over de terugname van illegale migranten. Onlangs kregen we daar een sterk staaltje van te zien, toen minister van buitenlandse zaken Didier Reynders (MR) in Rabat een Leopoldsorde uitreikte aan Driss El Yazami, de voorzitter van de Nationale Raad voor de Rechten van de Mens.

toch een mooi humanitair gebaar?

Akarkach: Niet als je de rol kent die El Yazami in het drama van de Rif speelt. Als voorzitter van de nationale mensenrechtenraad heeft hij de massa-arrestaties en mensenrechtenschendingen nooit veroordeeld maar integendeel geminimaliseerd. Dat terwijl Riffijnen zelf van een terugkeer naar de Loden Jaren spreken, de drie decennia onder Hassan II die vooral in de Rif door genadeloze onderdrukking werden gekenmerkt. Politieke moorden zoals toen worden er nu niet gepleegd, maar Riffijnse activisten worden aan de lopende band gearresteerd, en in de gevangenissen wordt weer gefolterd en verkracht. Volgens Amnesty International worden op het proces van Casablanca onder dwang afgelegde getuigenissen gebruikt als bewijsstukken à charge. Intussen wordt de pers steeds meer gemuilkorfd. Verschillende journalisten zitten in de gevangenis, anderen zijn het land ontvlucht. De repressie treft vooral burgerjournalisten en internetactivisten, de mainstream media zijn namelijk erg dociel. De overheid legt servers plat en blokkeert accounts, een heus trollenleger is permanent in de weer om de Hirak te verdoezelen of verdacht te maken.

hoe is de stemming in Al Hoceima, de hoofdstad van de gelijknamige provincie die nog altijd het epricentrum van de Hirak is?

Akarkach: De repressie laat zich voelen, straatprotest is de facto onmogelijk geworden. Bij eerdere demonstraties werden al 2.000 betogers opgepakt, 500 zitten nog altijd vast. Ik heb zelf gezien hoe hard het er aan toegaat toen ik vorige zomer de begrafenis bijwoonde van een jongen die door een politiekogel werd geveld. De binnenstad was hermetisch afgegrendeld, agenten gooiden met stenen, terwijl anderen de betogers filmden, wat de volgende dagen tot een nieuwe golf van arrestaties leidde.

met stenen gooiende agenten? Vlogen de projectielen niet in de andere richting?

Akarkach: Nee, de Hirak is principieel geweldloos. Dat heeft Nasser Zefzafi altijd benadrukt, zelfs vanuit de gevangenis. Alle mobilisaties via de sociale media gaan gepaard met dezelfde oproep: pleeg geen geweld en reageer niet op provocaties. Bij betogingen lopen eigen ordediensten mee om heethoofden in toom te houden.

Europa is er niet helemaal gerust op. De frustraties in de Rif krijgen veel weerklank in grootsteden zoals Rabat, Tanger en Casablanca. Gevreesd wordt dat de opstand tot een nieuw hoofdstuk in de Arabische Lente kan escaleren. Terecht?

Akarkach: Nee, dat is een frame van het regime. Hoe valt anders te verklaren dat de Hirak al anderhalf jaar zijn geweldloze karakter weet te behouden, ondanks de toenemende repressie? Dit is geen revolutie maar een burgerbeweging die alleen maar redelijke eisen stelt, concrete maatregelen tegen achterstelling van de Rif, zoals een eigen universiteit, een volwaardig ziekenhuis, investeringen in infrastructuur en werkgelegenheid. Anders dan de 20 februari-beweging van 2011 wil Hirak de monarchie niet afschaffen of de regering omverwerpen. Er zijn nog meer verschillen De 20 februari-beweging, de Marokkaanse episode van de Arabische Lente die in de Rif veel aanhangers telde, werd getrokken door intellectuelen die over de hoofden van het volk spraken. Letterlijk, ze gebruikten woorden die de doorsnee Riffijn niet eens snapte. De leiders van de Hirak hebben daar lessen uit getrokken, ze spreken de taal van het volk. Riffijns, maar even goed Darija, Marokkaans Arabisch. Er waren zelfs plannen om ook in het Frans, Nederlands, Duits en Spaans te communiceren, kwestie van de jongeren in de diaspora nauwer te betrekken. Die betrokkenheid is nieuw en voor het regime erg verontrustend, wat blijkt uit de repressie die nu ook de diaspora treft. De procureur van Casablanca heeft een zwarte lijst opgesteld met tien online activisten uit verschillende Europese landen. Ze riskeren in Marokko te worden opgepakt, zoals vorige week effectief is gebeurd met de Belgische Facebook-activist Wafi Kajoua.

het hirak-proces van Casablanca nadert zijn ontknoping. Opvallende afwezige is Nawal Ben Aïssa, de jonge vrouw die na de arrestatie van Zefzafi het leiderschap waarnam. Wat is er van haar geworden?

Akarkach: Ze is in februari al veroordeeld tot een voorwaardelijke straf en een geldboete, een effectieve manier om haar als moeder van drie monddood te maken. Dat doet niks af aan haar historische verdienste, voor vrouwen in de conservatieve Rif is ze een rolmodel.

Mohamed VI werd bij zijn aantreden in 1999 ingehaald als een reformistisch monarch, de antipode van zijn autoritaire vader Hassan II. Onder zijn bewind werden democratische vrijheden hersteld, terwijl de jonge koning zich persoonlijk inspande om de banden met de Riffijnen aan te halen. Hoe staat hij tegenover de Hirak?

Akarkach: Dat vraagt iedereen zich af. De koning schittert door afwezigheid. Niet alleen in dit dossier, in heel Marokko spreken ze van de virtuele koning die alleen nog met selfies van zijn familie uitpakt. Het is waar dat in de eerste jaren van zijn bewind hervormingen werden doorgevoerd, zoals meer persvrijheid. Dat duurde totdat journalisten kritische vragen gingen stellen bij de verknoping van politieke en economische belangen binnen de makzhan, een onvertaalbaar begrip dat voor de het establishment van monarchie en centrale overheid staat. Ik heb vorig jaar in Al Hoceima de nationale feestdag met de koninklijke speech meegemaakt. Wat me frappeerde waren de ambigue gevoelens van hoop en wantrouwen bij de Riffijnen. Hoop, want het gerucht liep dat de koning gratie zou verlenen aan de gevangen Hirak-leiders. Toch overheerste de scepsis. Ik wilde de historische speech in een café bijwonen. Bleek dat ze de satellietzender niet konden vinden, omdat er nooit naar een kanaal van de overheid werd gekeken. Uiteindelijk heeft koning geen gratie verleend, maar wel het machtsvertoon van de ordediensten in de Rif goedgepraat. Ik ben meermaals bij Ahmed Zefzafi, de vader van Nasser, thuis geweest. Volgens hem verschilt Mohamed VI helemaal niet veel van Hassan II.

hoe moet het verder met de Hirak?

Akarkach: De alertheid van de diaspora is groter dan ooit. In Marokko dwingt de repressie tot creativiteit. Zo werd onlangs via Facebook een boycot gelanceerd tegen drie bekende merken waarin de makzhan grote belangen heeft. Behalve een keten van pompstations worden ook de Marokkaanse Danone-producten geviseerd. Die oproep is een groot succes, en niet alleen in de Rif. De Hirak is nog niet dood.

 

Opstand in de Rif, Btisam Akarkach (red), Epo, 182 pag, 20 €

Brits-Ghanese activiste Afua Hirsch over racisme en oogkleppen

 

“Als zwarte of bruine persoon word je als een afwijking bekeken”

Afua Hirsch is een polariserende stem in het Britse samenlevingsdebat. Volgens de Daily Mail pookt ze in haar eentje de rassentegenstellingen aan. De auteur van ‘Waarom Ras ertoe doet’, laat zich echter niet intimideren. Een gesprek over opgroeien in een raciaal gemengd gezin, en over de kwaal van verborgen en zichtbaar racisme. “Venus en Serena Williams hebben me uit mijn identiteitscrisis geholpen”.

 

foto: Debby Termonia

foto: Debby Termonia

 

Prins Charles vond het zelf een geslaagde grap. Op weg naar een van de vele Gemenebest-hoogmissen vorige week in Londen werd hem een boek overhandigd. Schenker en co-auteur Anita Sethi, zelf van Brits-Guyaanse afkomst, vertelde erbij dat het over de vaak pijnlijke geschiedenis van Commonwealth-migranten ging. De prins van Wales negeerde die toelichting, maar pareerde met een persoonlijke vraag. “And where are you from? Manchester? Well, you don’t look like it!’. Afua Hirsch giert het uit als ik haar de anekdote in een Amsterdamse tearoom vertel. Ze heeft het zo druk met de promotie van haar boek ‘Waarom ras ertoe doet’, dat ze nog geen tijd vond om The Guardian te bekijken waar een hilarisch stuk over het voorval verscheen. ‘Typisch voor de Britse royals’, luidt haar commentaar. ‘Ze bekijken de wereld nog altijd alsof the Empire nooit werd opgedoekt. Charles kan er wat van, maar zijn vader prins Philip was de absolute kampioen. Je weet toch wat hij tegen de vorige Nigeriaanse president Obasanjo zei, toen die in traditionele kledij op een gala-avond verscheen? Zo, ik zie dat u alvast uw slaapkleed heeft aangetrokken’.

Ze mag er dan smakelijk om lachen, echt grappig vindt ze het niet. Afua Hirsch weet hoe het voelt om door witte medeburgers tegen de Brit-maatstaf te worden gehouden. Haar moeder is een tweede generatie migrant uit Ghana, haar half-joodse vader heeft een migratieverhaal dat in nazi-Duitsland begint. Een welgesteld koppel: Afua en haar jongere zus groeiden op in Wimbledon, een rijke en vooral witte buitenwijk van Londen waar hun als exotisch bevonden verschijning niet altijd welwillend reacties uitlokte. “Waarom ras ertoe doet” is een persoonlijk verslag van een queeste naar identiteit die begon toen ze als tiener ging beseffen dat haar Britse burgerschap nooit vanzelfsprekend zou worden. Studies filosofie en rechten in Oxford, ook al een lelieblank bastion waar het Europese superioriteitsgevoel in standbeelden en bibliotheken staat gebeiteld, konden dat gevoel alleen maar versterken. Van de weeromstuit omhelsde ze haar Afrikaanse roots. Ze trouwde met Sam, een Ghanees-Britse rechtenstudent uit het door kansarmoede, drugs en geweld geteisterde Tottenham in Noord-Londen. Ze ging werken in West-Afrika, eerst voor een NGO in Senegal, daarna als correspondent voor The Guardian in het bloedeigen Ghana. Puzzelstukken vielen op hun plaats, maar het gevoel van vervreemding bleef. Ghana, waar ze met Sam ternauwernood een brutale hold-up overleefde, voelde nog minder aan als thuis dan Wimbledon waar ze intussen met man en dochter is  teruggekeerd. Maar haar persoonlijke verhaal vormt slechts het kader voor een veel ambitieuzer boek. De auteur borstelt een veelgelaagd portret van een Britse maatschappij die stijf staat van openlijk en verborgen racisme. De sociaal-economische kloof die parallel met de kleurbarrière loopt, de obsessie met het witte schoonheidsideaal, de blinde vlek voor duistere bladzijden uit het koloniale verleden, het nut van de Goede Migrant, Hirsch ontmaskert genadeloos de illusie van de post-raciale samenleving.

In de Britse media is ze intussen een bekende naam met een luide stem in het verhitte samenlevingsdebat. Uiteraard ontbrak ze niet toen vorige week het Windrush-schandaal met orkaankracht over de Commonwealth-jamboree raasde. Voor wie het heeft gemist: in het oog van de storm staan de nazaten van zo’n 57.000 migranten uit de Britse Caraïben die tussen 1948 en 1971 naar Groot-Brittannië werden gehaald om bij de wederopbouw te werken. Decennialang verkeerden ze in de illusie dat ze Britse staatsburgers waren, net zoals hun kinderen en kleinkinderen. Door nieuwe migratieregels, ironisch genoeg vooral bedoeld om de Oost-Europese migratie af te remmen, nota bene bedacht door Theresa May die toen nog minister van binnenlandse zaken was, dreigen ze al hun rechten en zelfs verblijfstitels te verliezen. De voorbije weken regende het in de Britse pers schrijnende verhalen van Windrush-telgen die  werk, gezondheidszorg of rijbewijs waren verloren, als ze al niet op weg waren naar deportatie.

spijt dat het Windrush-schandaal te laat komt voor uw boek?

Afua Hirsch: (gretig). Ik had er zeker een hoofdstuk aan gewijd. Het Windrush-schandaal illustreert perfect van waar mijn boek over gaat. Wie een zwarte of bruine huidskleur heeft, wordt niet als een volwaardig burger gezien, zelfs niet als hij in Engeland is geboren of er een heel leven heeft gewerkt. Andermaal blijkt bovendien dat het Britse migratiebeleid niet draait om het inperken van de stroom nieuwkomers, zogezegd omdat er niet genoeg huizen of banen zijn. Etnisch-raciale overwegingen geven de doorslag, het echte opzet is gekleurde migratie aan banden te leggen. De situatie van de Windrush-kinderen was al jaren bekend, maar het heeft tot vorige week geduurd vooraleer de Britse regering wakker schoot. Niet spontaan, verschillende Caraïbische staatshoofden wilden het probleem tijdens de top van het Gemenebest aankaarten. Ze waren het namelijk beu dat om de haverklap Britten werden gedeporteerd, mensen die hun eiland tientallen  jaar eerder hadden verlaten en er niemand meer kenden. Toen de Britse regering ieder gesprek weigerde, zijn de verhalen in de media beland en is de bal aan het rollen gegaan. Theresa May heeft zich intussen geëxcuseerd en gegarandeerd dat alle Windrush-kinderen hun rechten behouden. Beter laat dan nooit, maar bij mij laat het schandaal een vieze nasmaak in de mond. De toezegging van May houdt een verwerpelijk onderscheid in tussen verdienstelijke en niet-verdienstelijke burgers.

leg dat eens uit…

Hirsch: Voor May was dit een verloren zaak. Niemand, op een paar extreemrechtse fanatici na, staat achter het uitzetten van de Windrush-generatie. Het gaat tenslotte om migranten die we zelf naar hier hebben gehaald om te werken, velen nog als onderdanen van het Rijk dat destijds nog bestond. Maar wat met de grootvader die zestig jaar geleden als kind uit Sierra Leone is geland en die niet bij de wederopbouw heeft geholpen? Als zo iemand op latere leeftijd een misstap begaat, een gevangenisstraf van zes maanden kan volstaan, dan wordt hij zonder pardon teruggestuurd. Dat is al jaren schering en inslag, heb ik tijdens de research voor mijn boek ontdekt. Geen haan die er naar kraait, maar ik noem het een schande. Mensen die hier als kind zijn opgegroeid hebben het recht om hier te leven. Met of zonder verdienstelijk cv, het zijn Britse staatsburgers.

het ontbreekt u de jongste dagen niet aan thema’s om de tanden in te zetten. Zo oogstte de BBC controverse met de heruitzending van “Rivers of blood”, de geruchtmakende speech uit 1958 waarin Tory-MP Enoch Powell waarschuwde voor de gevolgen van immigratie uit de Commonwealth. Waarom ligt dat nog altijd zo gevoelig?

Hirsch: De BBC had natuurlijk een aanleiding, de vijftigste verjaardag. Ik was nog niet geboren, maar volgens mijn ouders was de impact van Powells speech immens. Mensen met een gekleurde migratieachtergrond vreesden echt voor deportatie. Veelzeggend is dat Powell niet zozeer de immigranten viseerde, maar wel hun nazaten. Zwarte of bruine kinderen kunnen nooit echte Britten worden, voorspelde hij. Ze zullen zich nooit integreren, hun massale aanwezigheid zal op rellen en geweld uitdraaien, vandaar het bloed dat in de titel stroomt. Powell, die tot de rechtervleugel van de Tories behoorde, werd uit zijn partij gezet. Dat is nu precies wat de heruitzending zo controversieel maakt: vandaag zijn Powells beweringen mainstream geworden. Veel van wat in Rivers of Blood staat, kun je zelfs uit de mond van  Labour-politici vernemen. Zonder dat de partijleiding met sancties dreigt.

waarom maakt u ras tot de kern van de menselijke identiteit? Je zou evengoed gender, religie of sociale status als bepalende factoren kunnen aanduiden.

Hirsch: Klopt, maar ras is als de olifant in de kamer. Niemand benoemt het, maar het kruipt onder alles. Mijn persoonlijk verhaal is vooral een alibi om die olifant zichtbaar te maken. Structureel, institutioneel racisme, daar is het me om te doen. Kansen en privileges worden nog altijd langs etnische en raciale criteria verdeeld. De bewijzen liggen voor het grijpen. De helft van de zwarte families leeft in armoede, de werkloosheid onder jonge zwarten ligt dubbel zo hoog als bij witte leeftijdsgenoten. Zwarten zijn oververtegenwoordigd in het gevangenissysteem, terwijl ze nagenoeg afwezig zijn in hoogverdienende beroepsgroepen. Alle indicatoren wijzen er op dat we in raciaal erg ongelijke samenleving wonen.

als product van een raciaal gemengd huwelijk bent u evenzeer wit als zwart. Tot zover de theorie, want net als de voormalige Amerikaanse presidet Obama wordt u automatisch als zwart gezien. Hoe komt dat toch?

Hirsch: Het effect van de raciaal gekleurde bril. We zien wel fysieke verschillen, niet de gelijkenissen. Hoe dikwijls heb ik de vraag niet gekregen: waar kom je vandaan? Als ik dan Wimbledon antwoordde, volgde meteen de volgende vraag. Okay, Wimbledon, maar waar liggen je roots? Kijk, die vragen zijn niet eens slecht bedoeld. Echte racisten tonen geen belangstelling, die roepen gewoon fuck off! Maar op de duur krijg je er wel een ongemakkelijk gevoel bij. Wat ik ook doe, zo begint het te dagen, ik hoor er niet echt bij. Wit is de norm, als zwarte of bruine persoon word je als een afwijking bekeken.

bij het lezen bekroop me soms een benauwend gevoel. Kan ik als witte man nog gekleurde medemensen aanspreken zonder op zere tenen te trappen?

Hirsch: Het is nochtans simpel. Als de vraag echt uit nieuwsgierigheid wordt ingegeven, heb ik er geen probleem mee. Ik ben zelf ontzettend nieuwsgierig naar de achtergrond van mensen. Vooral van witte mensen, want je zou eens moeten weten hoeveel diversiteit daar te rapen valt. Roots in Ierland, Nederland, Ijsland, dat waaiert alle kanten op. Maar het blijft natuurlijk een feit: aan witte mensen wordt de waar-kom-je-vandaan-vraag nooit als binnenkomer gesteld. Vorige week nog vertelde mijn beste vriendin wat haar tijdens een business event was overgekomen. Er was zeker honderd man, zij stond er als enige deelnemer met een donkere kleur. De moderator komt binnen en stevent recht op haar. So, bulderde hij joviaal, where are you from? Mijn vriendin kon wel door de grond zakken.

wie Wimbledon zegt, denkt aan tennis, aardbeien, gekke hoeden en peperdure huizen. Was er ook racisme?

Hirsch: Ik ben wel eens tegengehouden door de politie, en op een keer werd ik in een chique winkel letterlijk als potentiële dievegge buiten gekeken. Maar verder? Er was weinig openlijk racisme, maar wel een knagend gevoel van vervreemding. Op school, bij de scouts of in de tennisclub, mijn zus en ik waren altijd de enige bruine meisjes van de groep. Als kind ga je dan onwillekeurig vragen stellen: wie en wat ben ik eigenlijk? Mijn moeder begreep dat geworstel niet. Identiteit was voor haar altijd iets vanzelfsprekends. Ze komt uit Ghana en is zwart, punt aan de lijn. Ik heb uiteindelijk zelf de keuze gemaakt, met dank aan Venus en Serena.

hebben de zusjes Williams u over de kleurbarrière gesleept?

Hirsch: Ze hebben meer dan een handje geholpen. Ik was een jaar of vijftien toen ze in mijn leven kwamen. Ik zie Serena nog op het muurtje voor ons huis zitten, met mijn zus die net van de tennistraining kwam. Serena heeft haar het racket geschonken waarmee ze die dag op Center Court had gespeeld. Maar ook zonder die attentie waren we met de hele familie hevig aan het supporteren. Toen Venus wat later het toernooi won, heeft mama een cake gebakken. Die zijn we zijn vieren gaan afgeven, het was vader Williams die de deur opendeed. De magie zat hem natuurlijk niet alleen in het weergaloze tennis. De hele attitude van Venus en Serena was ontzettend inspirerend. Zwarte meisjes die vanuit het niets kwamen en een door en door witte, elitaire sport op zijn kop zetten. Zonder compromissen, met ingevlochten haar en kleurrijke bandana’s. Terwijl zwarte sporters doorgaans proberen om op te gaan in hun omgeving, deden Venus en Serena precies het tegenovergestelde. Dit onze stijl, te nemen of te laten. Natuurlijk besefte ik het verschil. Venus en Serena kwamen uit een arme familie uit Compton, een ruige achterstandswijk in LA die in niets geleek op Wimbledon. Toch voelde ik meteen een band, en ik ergerde me dan ook dood aan de racistische opmerkingen die ze op en naast de court moesten incasseren.

inderdaad, de zusjes kenden niet alleen supporters. Vooral Serena heeft een stevige portie bagger over zich heen gekregen…

Hirsch. Het was verschrikkelijk. Zelfs de tenniscommentator van de BBC _ de BBC! _ gebruikte woorden zoals jungle en beest om het fenomeen Serena te duiden. Andere kijkers merkten het niet eens op, maar bij kwam het binnen als een steek in mijn hart. Ik ben niet echt close met Serena, maar we praten wel als ik haar tijdens het toernooi op straat tegenkom. Het heeft veel te lang geduurd, maar ze krijgt eindelijk de erkenning die ze verdient, als de grootste vrouwelijke atleet aller tijden.

foto: Debby Termonia

foto: Debby Termonia

 

volgens je echtgenoot Sam heb je als product van Wimbledon geen idee wat racisme echt betekent. Was het zoveel erger in Tottenham?

Hirsch: Absoluut. Sam is het prototype van de Afro-Brit uit een achterstandswijk. Zoon van een arme, alleenstaande moeder. Opgegroeid in een vervallen buurt vol geweld en drugs, met scholen waar de lat erg laag lag. Jongens zoals Sam waren bestemd voor onregelmatige en slecht betaalde banen, als ze al niet werkloos bleven of in de criminaliteit verzeilden. Thug, criminal, minimum wager, zo werden ze door de politie en andere vertegenwoordigers van het establishment bekeken. Dat Sam zich daaraan kon ontworstelen, is helemaal zijn eigen verdienste. Hij heeft een ijzeren discipline en sterke persoonlijkheid.

voelt hij zich Brits?

Hirsch: Ja, Sam worstelt veel minder met zijn identiteit dan ikzelf. Dat lijkt paradoxaal, maar ik begrijp het wel. Voor Sam is zijn Ghanese achtergrond een evidentie, hij kent alle tradities en codes. Bovendien voelt hij zich als een vis in het water in de subcultuur van Noord Londen, een buurt met een eigen taal die via de muziek de wereld heeft veroverd. Maar misschien wel de belangrijkste verklaring: anders dan ikzelf heeft Sam nooit enige aandrang gevoeld om zich aan de dominante witte cultuur aan te passen. De afwijzing was zo sterk,  dat er toch geen beginnen aan was. Heel wat zwarte lezers hebben die bedenking gemaakt:  met mijn geprivilegieerde achtergrond kon ik niet meespreken over racisme en discriminatie. Dat klopt, zoals ik in mijn boek ook eerlijk toegeef. Het zou hypocriet zijn me de miserie van de inner cities toe te eigen. Grappig  genoeg hoor ik diezelfde kritiek van witte lezers, vaak mensen met een nog veel meer geprivilegieerde achtergrond dan de mijne. Dat vind ik om twee redenen interessant. Het feit dat ze op mijn persoon spelen, toont aan dat ze geen echte argumenten hebben. Maar die reactie zegt ook veel over de kern van het onderhuidse racisme in de Britse samenleving. Hoe durf ik als halfwitte vrouw kritiek te geven? Ik zou dankbaar moeten zijn voor de kansen die ik heb gekregen. Kortom, ik moet me als een Goede Migrant gedragen, die blij is dat ze tot de mainstream werd toegelaten.

u doet erg laatdunkend over de Goede Migrant. Maar is de Goede Migrant geen rolmodel om andere migranten de weg naar de sociale lift te wijzen? Mo Farah, olympisch atletiekwonder van Somalische origine, heeft vast al heel zwarte kinderen positief geïnspireerd…

Hirsch: Mo Farah is inderdaad een schoolvoorbeeld. Sinds hij vorig jaar werd door de koningin werd geridderd, voelt hij zich Britser dan cheddar. Maar er is ook zo iemand als Nadiya Hussain, winnares van het waanzinnig populaire kookprogramma the Great British Bake Off.  Ze werd een instant beroemdheid, zelfs haar hoofddoek en religie vormden geen bezwaar. Tot ze in een interview een boekje opendeed over het racisme dat ze als zwarte vrouw vrijwel dagelijks moest ondergaan. Hoe durft ze!, luidde het meteen in de tabloïds. Ik kan ervan meespreken: je betaalt een prijs voor het ontbloten van pijnlijke waarheden. Ik zal hier niet beginnen over de bagger op sociale media. De Daily Mail schreef in een editorial dat ik,  Afua Hirsch, zowat in mijn eentje het vuur van de rassentegenstellingen heb opgepookt. Ik voelde me bijna vereerd, nooit gedacht dat ik zo’n impact had.

in België is veel te doen over onze visie op onze koloniale geschiedenis. Vooral Afro-Belgen  ijveren voor het neerhalen van Leopold II-standbeelden en het herschrijven van de leerboeken geschiedenis. Dat zal u bekend in de oren klinken…

Hirsch: Het is een internationale trend. Rhodes Must Fall, een beweging gelanceerd door Afrikaanse studenten in Oxford, heeft de trend gezet. Ik vond Oxford zelf een bekrompen oord toen ik er 15 jaar geleden studeerde. Zwarte of bruine studenten waren erg zeldzaam. En ja, Cecil Rhodes, toch wel het symbool van de koloniale onderdrukking, was alomtegenwoordig. Voor mijn scriptie over postkolonialisme was ik helemaal op Rhodes Library aangewezen, een soort heiligdom waar de Grote Man je van alle kanten aanstaart.

 

is Rhodes gevallen?

Hirsch: Nee, al heeft het universiteitsbestuur van Oxford wel met dat plan gespeeld. Tot enkele grote sponsors ermee dreigden hun financiering stop te zetten, zo gaat het gerucht. Ook voorzitter Chris Patten heeft er zijn kop voor gelegd. Ga elders studeren als het jullie hier niet bevalt, zei hij botweg tegen de actievoerders. Dat zegt veel over het witte onvermogen om de gevoeligheden van gekleurde medeburgers te begrijpen. Groot-Brittannië ziet zichzelf als een post-raciale maatschappij. Die illusie kan alleen standhouden als je door een filter naar de geschiedenis kijkt. De Britten zijn erg trots op de abolitionisten die ijverden voor het afschaffen van de slavernij. Ondertussen wordt vergeten dat Engeland eeuwenlang de motor was van de transatlantische slavenhandel was en dat ook het Britse koningshuis aan die vuile business grof heeft verdiend. Als je daarover begint, reageren ze defensief. Het was erg, ja, maar op de Franse slavenplantages was het nog veel erger. Of ze sleuren er Leopold II bij, dat was pas een schurk.  De Belgische koning is een stripfiguur, het archetype van de slechterik die anderen goed uit de verf laat komen.

gelooft u dat uw dochter in een minder racistische maatschappij zal opgroeien?

Hirsch: Ik ben van nature optimist. Er is meer ruimte voor de debat dan vroeger. Een beweging als Rhodes Must Fall was 15 jaar nog ondenkbaar. Net zoals ik me toen niet kon inbeelden dat ik dit boek zou schrijven, laat staan dat er zou worden over gepraat. Al moet ik daar meteen een kanttekening bij plaatsen. Het is dank zijn mijn privileges en netwerk dat mijn boek werd uitgegeven en opgepikt. Veel van wat ik heb geschreven, werd al vaak aangekaart door gekleurde Britten uit kansarme wijken, op blogs of via allerlei publicaties. Mijn optimisme wordt ook getemperd door de permanente cultuuroorlog. Tegenover een groeiend aantal mensen dat bereid is te luisteren, staat helaas een nog groter blok dat meteen begint te schelden als je over discriminatie of witte privileges begint. Toch denk ik dat we in Groot-Brittannië vooruit lopen. Als ik hoor waar men in Frankrijk, Duitsland, Nederland en België over discussieert. Dat station zijn we gelukkig al lang gepasseerd, denk ik dan.

 

 

 

 

Onderwijsfilosoof Michael Merry over de Vlaamse schoolpoortstrijd: “Islamitisch onderwijs is een dam tegen radicalisering”

Knack Magazine, 3 april 2018

De Amerikaanse professor onderwijsethiek en wetenschapsfilosofie Michael Merry spaart geen heilige huisjes. Leidt een betere sociale mix op school naar gelijke onderwijskansen? Twijfelachtig, betoogt Merry die een warm pleidooi voor islamitisch onderwijs houdt. Gesprek met een dwarsdenker die de Vlaamse schoolpoortstrijd vanuit Amsterdam op de voet volgt.

foto: Eric De Mildt

foto: Eric De Mildt

 

Twee onderwijsdeskundigen voor de prijs van één! De gedachte overvalt ons als we in Amsterdam het kantoor van professor Michael Merry betreden. Voorbarig, want de onverhoopte bezoeker moet meteen weer weg. ‘Ik kijk alvast uit naar jullie interview’, zegt Orhan Agirdag terwijl hij zich naar een vergadering op het rectoraat rept. ‘Noteer gerust dat ik van Michael heel veel heb geleerd’. Achteraf bekeken is de kortstondige ontmoeting geen toeval. De Vlaamse socioloog Agirdag is niet alleen professor in Leuven, maar ook deeltijds docent aan de Universiteit van Amsterdam. Als specialist segregatie en ongelijkheid in het onderwijs is hij bovenal een veelgevraagd opiniemaker. Logisch dus dat zijn naam op alle Vlaamse redacties rondzoemde toen enkele weken geleden reuring ontstond omtrent centrale inschrijvingssystemen en kamperende ouders. Agirdag vertoefde evenwel in het buitenland, en zo kwam zijn collega in beeld. Michael Merry (49), een Amerikaans filosoof die onder meer in Leuven heeft gestudeerd, doceert al meer dan tien jaar onderwijsethiek en wetenschapsfilosfie aan de UvA. Hij is auteur van verschillende  standaardwerken, onder meer over islamitisch onderwijs in Westerse maatschappijen en over de wisselwerking tussen gelijkheid, burgerschap en segregatie.

De Amerikaanse Amsterdammer heeft zijn entree in het Vlaamse onderwijsdebat niet gemist. In een scherp opiniestuk in De Morgen fileerde hij de inschrijvingsdiscussie. Leidt een betere sociale mix op school werkelijk tot gelijkere onderwijskansen en meer burgerzin bij tieners? Wishful thinking, poneerde Merry die achter welgemeende intenties discrimenerende en soms zelfs ronduit racistische premissen ontmaskert. Hij besloot zijn opiniestuk met een dringende oproep: of we ons alstublieft rekenschap willen geven van de cognitieve dissonantie die ons telkens weer dezelfde voorstellen doet lanceren, terwijl empirisch onderzoek uitentreuren heeft aangetoond dat ze geen zoden aan de dijk zetten?

geen leuke boodschap voor progressieve lezers die dromen van een divers onderwijslandschap dat kansarme kinderen emancipeert en de realiteit van de multiculturele samenleving weerspiegelt…

Michael Merry: Cognitieve dissonantie is nog een beleefde uitdrukking, ik had het ook gewoon hypocrisie kunnen noemen. Maar laten we mild zijn. Je kunt blijkbaar oprecht geloven in diversiteit en gelijke kansen, en tegelijkertijd handelen op een manier die het tegendeel van diezelfde idealen nastreeft.

waarom is streven naar een betere sociale mix op school geen goed idee?

Merry: Ik zeg niet dat het een slecht idee is, maar als filosoof stel ik vragen bij de premissen waarop aannames rusten. Gemengde scholen garanderen meer gelijkheid in het onderwijs en bevorderen het ontwikkelen van burgerzin en democratische waarden. Dat klinkt mooi, geen zinnig mens kan daar op tegen zijn. Al vraag ik me wel af waarom een gekleurd kind pas burgerzin kan leren als het in een klas met witte kinderen zit. En over welke gelijkheid spreken we precies? De status van de leerlingen? De verwachtingen van ouders en leerkrachten? De selectiemechanismen die zowel aan de schoolpoort als binnen de school spelen? En natuurlijk is er de hamvraag: krijgen arme kinderen met een migratieachtergrond werkelijk meer kansen als ze in een school vol witte kinderen uit de middenklasse zitten?

zegt u het maar…

Merry: Er is de voorbije vijftig jaar ontzettend veel onderzoek naar gedaan, en de conclusies wijzen in een andere richting. Er zijn positieve uitzonderingen, maar doorgaans heeft meer diversiteit op school een negatief effect. Arme kinderen krijgen minder kansen, de ongelijkheid neemt nog toe. De oorzaken zijn veelvuldig. Sommige kinderen lezen op vijf jaar Harry Potter, anderen moeten op die leeftijd nog aan het alfabet beginnen. Aangeboren cognitieve vermogens en de mate waarin een kind thuis wordt gestimuleerd, dat zijn natuurlijk variabelen waar het onderwijs geen greep op heeft. Maar een groot deel van de verklaring ligt bij discriminerende mechanismen die eigen zijn aan scholen, ook gemengde scholen waar het team en de ouders nochtans door ‘goede intenties’ worden gedreven.

welke mechanismen?

Merry: De interne organisatie en de sfeer die daarmee samenhangt. Het volstaat niet meer diversiteit in de klas te brengen, gemengde scholen vergen veel meer van zowel leerkrachten als directies. Ik weet niet hoe in het Vlaanderen zit, maar in Nederland is meer dan 95 procent van het lerarenkorps wit. De overgrote meerderheid zijn vrouwen, afkomstig uit de middenklasse. Ook schoolbesturen zijn homogeen wit. Ironisch genoeg vormen concentratiescholen geen uitzondering. Vorig jaar heb ik daar samen met Orhan voor Trouw een opiniestuk met een ietwat provocerende titel over geschreven: “De zwarte school is nog niet zwart genoeg”.

wat kunnen gekleurde leraren dat hun witte collega’s niet kunnen?

Merry: Ik beweer niet dat zwarte of Marokkaanse leerkrachten altijd beter zijn, maar ik vind die witte homogeniteit wel problematisch. Kinderen hebben nood aan rolmodellen, zeker als ze tot een gestigmatiseerde minderheid behoren. Rolmodellen zoals leerkrachten in wie ze zichzelf kunnen herkennen omdat ze dezelfde etnische, religieuze of sociale achtergrond hebben en bijgevolg ook persoonlijke ervaringen delen. Het is ook problematisch hoe de witte homogeniteit zich inhoudelijk laat gelden, zoals tijdens de lessen geschiedenis die bol staan van de culturele stereotypen. Bijdragen van minderheden aan ‘onze’ maatschappij? Wordt met geen woord over gerept. De boodschap is helder: jullie horen er niet bij. Het risico op vervreemding in zo’n gemengde school is sowieso al groot, want die kinderen voelen zich vaak eenzaam en ondergewaardeerd. Het taalgebruik, de muziek die men beluistert, de hobby’s die men beoefent, het is altijd de dominante groep die de toon zet. Dat is de kern van de zaak: als leden van de geprivilegeerde middenklasse vinden we het vanzelfsprekend dat kinderen uit kansengroepen zich aan onze normen en waarden aanpassen. We willen diversiteit op school, maar alleen op onze voorwaarden en liefst niet te veel. Want ook progressieve, hoogopgeleide ouders die de mond vol hebben van gelijke kansen en diversiteit, hanteren ingebouwde drempels. Zodra het aantal ‘verkeerde’ leerlingen het kantelpunt heeft bereikt, zoeken ze een andere school. Ik neem aan dat jullie ook in Vlaanderen vertrouwd zijn met bakfietsouders?

jazeker, al worden ze de laatste tijd wat overschaduwd door de Gutmenschen…

Merry: Het is natuurlijk een symbool, maar tegelijkertijd zijn bakfietsouders een realiteit. Ik woon in de Indische buurt in Amsterdam Oost. Iedere ochtend zie ik mijn buren met hun bakfietsen vertrekken. Het zijn zogenaamd progressieve mensen zoals u en ik, die hoog oplopen met de multiculturele samenleving en stemmen voor GroenLinks of de SP. Uiteraard zijn ze gewonnen voor gemengde scholen en gelijke onderwijskansen. Toch steken ze iedere ochtend met hun kinderen per bakfiets de gracht over naar Zeeburg, een rijkere buurt met een lagere school die als beter bekend staat, om niet te zeggen dat ze een wittere populatie telt. Een Montessori-school, niet toevallig. Montessori, Jenaplan, Dalton, dat valt in Nederland onder de noemer van levensbeschouwelijk onderwijs. De pedagogische methodes verschillen, maar op enkele uitzonderingen na, hebben ze met elkaar gemeen dat ze een erg wit publiek lokken.

zoals de Freinet- en Steinerscholen in Vlaanderen. Wijst u die buren soms op hun cognitieve dissonantie?

Merry: Jawel, en dan reageren ze sportief. Je hebt natuurlijk gelijk, zeggen ze. Maar ik moet het begrijpen: ze willen het beste voor hun kind dat nu eenmaal bijzonder is. En dat ze vrezen dat hun kind zich op een zwarte school niet thuis zal voelen. Proef je de ongelijkheid? Nooit stelt men zich de vraag of een gekleurd kind zich op een witte school thuisvoelt. Uiteraard niet, we realiseren ons niet eens dat scholen met een homogeen wit publiek in feite concentratiescholen zijn. Die blinde vlek belet ons ook om in te zien dat er in Nederland of Vlaanderen niet alleen Turkse of Marokkaanse getto’s maar evengoed witte getto’s bestaan. Het geval van Femke Halsema, de voormalige leider van GroenLinks, spreekt boekdelen. Als progressief boegbeeld heeft ze altijd geroepen dat kinderen naar de school van hun buurt horen te gaan. Ze heeft het goede voorbeeld gegeven en haar zoontje naar een zogenaamd zwarte school om de hoek gestuurd. Na twee jaar echter heeft ze hem er weggehaald. Mijn kind is geen pedagogisch experiment, gaf ze als verklaring. Pijnlijk moment.

ouders die het beste willen voor hun kind. Mag het even?

Merry: Natuurlijk mag dat, het is ook maar een van de vele voorbeelden. Voor een ethicus is dit een heel interessant debat, het gaat om een afweging tussen twee principes, vrijheid en gelijkheid. Als het om hun eigen kind gaat, dan verkiezen ouders haast altijd de vrijheid om hun eigen, ideale school te kiezen, boven het recht op gelijke kansen voor andere kinderen. Natuurlijk wordt dat anders uitgelegd. Het sociaal niveau van de klas ligt te laag, of ze maken zich zorgen over de taalvaardigheden van hun kind. Te veel allochtonen op school, dat zou namelijk slecht zijn voor de beheersing van de moedertaal. Onzin natuurlijk, dat heeft de beroemde socioloog James Coleman al in de jaren zestig afdoende bewezen. Kinderen van hoogopgeleide ouders die op jonge leeftijd leren lezen en discussiëren, hebben altijd een grote voorsprong. Ik zeg niet dat de school voor die kinderen onbelangrijk is, maar factoren zoals de thuissituatie en de peer group spelen in hun geval een veel grotere rol. Nog een excuus dat vaak wordt ingeroepen is hoogbegaafdheid. Mijn kind heeft extra uitdaging nodig, en daarom moet het naar een wit gymnasium.

betwist u dat er zoiets als hoogbegaafdheid bestaat?

Merry: Helemaal niet, en ik vind dat hoogbegaafden recht hebben op extra zorg, net zoals kinderen meer leerstoornissen. Alleen denk ik dat hoogbegaafdheid erg zeldzaam is, het begrip zou alleen mogen slaan op kinderen met uitzonderlijke cognitieve vermogens. Nu wordt de stempel veel te snel gedrukt, zowat alle zonen en dochters van hoogopgeleide ouders zijn hoogbegaafd en hebben bijgevolg separaat onderwijs nodig. (grinnikt) Je kunt het natuurlijk als een vorm diversiteit in het onderwijs beschouwen. Op maat gesneden van de dominante groep, met als ongeschreven bijbedoeling om andere, ongewenste vormen van diversiteit tegen te gaan en discriminatie binnen scholen te legitimeren.

bent u niet al te sceptisch over het emancipatorisch effect van een gezonde sociale mix in gemengde scholen? In Vlaanderen werd vorig jaar de vzw Positive Education Psychology opgericht, een vereniging die kansarme leerlingen met een migratie-achtergrond aanspoort om hoog te mikken. PEP werkt met inspirerende rolmodellen wier succesverhaal haast altijd in een witte school start. Toegegeven, het zijn succesverhalen met een duister randje. De getuigen kregen een prima voorbereiding op hogere studies, maar voelden zich vaak slecht in hun vel op zo’n witte school. Niettemin: de initiatiefnemers zijn hevige voorstanders van een betere sociale mix, zozeer zelfs dat ze voor wettelijke quota pleiten… 

Merry: Ik ken zelf van die succesverhalen, met een duistere rand. Een goede vriend van Marokkaanse oorsprong heeft op een Montessori-school gezeten. Met gunstig gevolg, want dank zij die opleiding en uiteraard ook door zijn eigen ambitie, is hij in Oxford gepromoveerd. Toch kijkt hij met gemengde gevoelens op zijn schooltijd terug. Blijkbaar waren de leraren rabiate atheïsten. Iedere dag moest hij misprijzende opmerkingen of flauwe grappen over zijn religie incasseren. Het is trouwens oppassen met persoonlijke succesverhalen. Voor je het weet trap je in de Obama-val.

de Obama-val?

Merry: Het misbruiken van rolmodellen. President Obama of Oprah Winfrey hebben zich via onderwijs aan de beperkingen van hun achtergrond kunnen ontworstelen. Wel dan, waarom zouden anderen met een vergelijkbare achtergrond dat niet kunnen? Rolmodellen worden op een voetstuk geplaast om te verdoezelen dat het systeem geen gelijke kansen biedt. Niet alleen in het onderwijs, ze dienen vaak als nuttige idioten voor conservatieve partijen die in wezen tegen emancipatie van kansengroepen zijn. Nou ja, conservatieve partijen. De Rotterdamse burgermeester Abutaleb, een socialist nota bene, is zo iemand die roept dat iedereen moet kunnen wat hij heeft gepresteerd. Kijk, het is onvermijdelijk dat af en toe een kansarm kind helemaal naar de top doorstoot, door een combinatie van talent, doorzettingsvermogen en een dosis geluk. Die ene leerkracht of die oudere broer die je potentieel opmerkt en ervoor zorgt dat je in een goede school belandt, dat soort meevallers. Maar zolang het schoolsysteem niet grondig verandert, blijven het de spreekwoordelijke uitzonderingen die de regel bevestigen.

wat zou u de minister van onderwijs aanraden?

Merry: Volg een meersporenbeleid. Investeer in goede gemengde scholen, maar besef dat die strategie niet volstaat om gelijke kansen in het onderwijs te bewerkstelligen. Je moet vanuit de realiteit vertrekken, en die realiteit zegt dat we nog altijd in een erg gesegregeerde maatschappij leven. Waarom moet het dan een probleem zijn als een school in een Turkse buurt hoofdzakelijk door Turkse leerlingen wordt bezocht? Ik kant me tegen het stigmatiseren van concentratiescholen. Er valt juist veel te zeggen voor onderwijs dat zich op de culturele achtergrond en specifieke behoeften van minderheden richt, zolang er alternatieven beschikbaar zijn voor wie er zijn gading niet vindt. Kinderen zijn beter af in een omgeving waar hun cultuur en achtergrond niet worden geminacht, waar ze zonder complexen hun religie kunnen beleven, waar ze zich kleden zoals ze dat zelf willen, en waar niemand hen bestraffend toespreekt als ze op de speelplaats hun thuistaal spreken. Scholen dus waar ze niet worden gestigmatiseerd omdat ze niet beantwoorden aan de burgernormen van de dominante groep. Alle kinderen moeten de kans krijgen een positief zelfbeeld te ontwikkelen, dat is een absolute noodzaak om zich later tot volwaardige burgers te ontpoppen. Als dat onderwijs in aparte, gekleurde scholen vergt, dan is dat maar zo.

horen we daar een pleidooi voor islamitische scholen?

Merry: Ik weet dat het in Vlaanderen gevoelig ligt, maar in Nederland is het islamitisch onderwijs een succes. De eerste basisschool werd in 1988 opgericht, intussen zijn er al zo’n 45. Ik heb veel islamitische scholen bezocht. Aanvankelijk waren er in Nederland problemen, de focus lag te veel op capaciteitsuitbreiding. Maar de voorbije tien jaar is de kwaliteit fel verbeterd, verschillende moslimscholen staan zelfs in de top 20 van beste basisscholen van Nederland. Ik sluit niet uit dat op termijn ook niet-moslims de weg naar het islamitisch onderwijs vinden. Zo is het hier in Amsterdam ook gegaan met het hindoe-onderwijs, oorspronkelijk bedoeld voor hindoes uit de Surinaamse diaspora. Intussen sturen ook Surinaamse christenen en moslims hun kinderen er naartoe. Vanwege de kwaliteit, en vanwege de gedeelde cultuur, taal en achtergrond.

het ligt inderdaad gevoelig in Vlaanderen. Er zijn geen islamitische basisscholen, maar in het verleden werden verschillende pogingen tot oprichting ondernomen. Die mislukten, vooral door actieve tegenkanting door zowel lokale overheden als onderwijsinstanties. Slecht voor de integratie, luidt een van de bezwaren, hiermee worden moslims nog dieper in een getto gedrongen. Islamitisch onderwijs zou bovendien de deur openzetten voor radicalisering. Terechte bekommernissen?

Merry: Wat een dooddoeners. Om met integratie te beginnen: wat bedoelen ze daarmee? Minderheden hebben bitter weinig aan een multiculturele samenleving, als ze helemaal onderaan de pikorde staan, waar ze worden misprezen en schabouwelijk behandeld. Het argument van radicalisering zou ik willen omdraaien. Goed georganiseerd islamitisch onderwijs kan juist een dam tegen radicalisering opwerpen.

leg dat eens uit…

Merry: Het Verenigd Koninkrijk telt meer dan 200 moslimscholen, Amerika en Canada ruim 500, in Nederland zoals gezegd een 45tal. Samen zijn dat heel veel leerlingen en oud-leerlingen. Je zou verwachten dat in die landen geradicaliseerde moslims uit die moslimscholen afkomstig zijn. Maar nee, de meesten hebben een verleden in openbare scholen waar ze gefrustreerd zijn geraakt door discriminatie en stigmatisering. Natuurlijk is onderwijs niet de enige factor, ook politiek speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol. Maar het staat wel vast dat moslims minder kans op radicalisering lopen, als ze op een school zitten waar ze niet worden gediscrimineerd, positieve rolmodellen ontmoeten, en leraren die hoge verwachtingen koesteren. Een school kortom waar ze weinig of niet met institutioneel racisme in aanraking komen, en waar ze geen gevoel van vervreemding maar van verbondenheid ervaren. Let wel, net zoals andere scholen staat of valt de kwaliteit van islamitische scholen met een goede organisatie. En uiteraard moet er adequaat toezicht worden uitgeoefend. Het kan niet de bedoeling zijn die scholen door Saudi-Arabië te laten financieren, noch door groeperingen met extremistische, salafistische agenda’s.

het hoofddoekendebat wil in het Vlaamse onderwijs maar niet luwen. Hoe kijkt u er er vanuit Amsterdam naar?

Merry: Met verbijstering. Gelukkig zijn we dat station in Nederland al lang gepasseerd. Wat me opvalt is de verkrampte houding in linkse middens, veelal ingegeven door een radicaal atheïstische overtuiging. Het doet me denken aan mijn jaren in Leuven waar ik theologie heb gestudeerd. De proffen van de faculteit godgeleerdheid waren veel progressiever dan hun collega’s in de faculteiten wijsbegeerte of politieke wetenschappen, linkse intellectuelen die niet wilden snappen dat religie voor onderdrukte groepen een emanciperende rol kan spelen. Ik vind de Vlaamse obsessie met deze kwestie dom en gevaarlijk. Door zo’n controverse op te blazen rond een stuk textiel, creëren jullie zelf het klimaat waarin radicalisering gedijt. Kortzichtig, maar ook een treffend voorbeeld van een dominante, witte meerderheid die haar normen aan een onderdrukte minderheid oplegt.

om advocaat van de duivel te spelen: waarom mag die dominante, witte meerderheid haar normen niet via het onderwijs opleggen? Het zijn dezelfde normen die op de arbeidsmarkt en meer algemeen in de samenleving gelden, ook voor kansengroepen met een migratieachtergrond. Gelet op het ontwikkelings- en welvaartsniveau van die maatschappij, zouden we zelfs een lans durven breken voor die normen en waarden…

Merry: Dat argument hoor ik vaak, en telkens antwoord ik met de volgende vraag. Wat betekenen die universele normen en waarden? Stel dat Dirk en Ahmed dezelfde competenties hebben, zowel qua opleiding als qua werkervaring en expertise. Hebben ze daarom bij een sollicitatie allebei evenveel kansen op een positief antwoord? Natuurlijk niet, want discriminatie op de arbeidsmarkt is een feit. ik zie dat trouwens binnen mijn eigen vakgroep, een plaats waar heel hard over gelijke kansen in het onderwijs wordt nagedacht. Haast al mijn collega hebben dezelfde achtergrond: witte middenklasse, middelbare school gelopen op een gymnasium, vergelijkbaar met elitaire ASO-scholen in Vlaanderen. Ziet u, in discussies over dit onderwerp wordt vaak naar het Britse schoolsysteem verwezen. Public schools zoals Eton, Harrow of Rugby, die zijn het summum van elitair onderwijs. Maar wat blijkt uit onderzoek? Het sociaal profiel van een Nederlandse gymnasium is even elitair als dat van een public school in Engeland of Wales.

vindt u in Nederland gehoor met uw pleidooi voor emanciperend, gescheiden onderwijs?.

Merry: Nee. De meeste van mijn collega’s zitten op een totaal andere golflengte. Als buitenlander snap je er niks van, hoor ik ze denken. Terwijl het natuurlijk evengoed kan liggen aan de oogkleppen die ze als vertegenwoordigers van de dominante, hoogopgeleide, witte meerderheid dragen. Dat denk ik dan. (lacht)

Foaud Laroui verzint een literaire aanslag in Brussel

Knack, 18 oktober 2017

“Tariq Ramadan werpt zich op als het enige redelijke alternatief voor Bin Laden of Islamitische Staat, onder het motto ‘ik of de chaos’. Ik geloof hem niet”. 

De Nederlands-Marokkaanse schrijver en wetenschapper Fouad Laroui is in de huid van een jonge Molenbeekse moslima gekropen. Het resultaat is een politieke fabel over feminisme en terrorisme, gesitueerd op beide oevers van de Brusselse vaart. Knack sprak met een kosmopoliet die zowel in Nederland, Frankrijk als de Maghreb het islamdebat aanjaagt.

 

foto: Annelies Verhelst

(foto: Annelies Verhelst)

Rue Jean-Pierre Timbaud, Parijs. Ooit een pleisterplaats voor Franse anarchisten, tegenwoordig een sjofele winkelstraat die vooral bekend is voor zijn islamitische boekhandels. Fouad Laroui passeert er vaak, zijn pied-à-terre ligt om de hoek. Nog nooit echter heeft hij een van zijn eigen boeken in de etalage zien liggen. ”Hier vind je alleen stichtende lectuur’, zegt hij spottend. ‘Richtlijnen voor vrome moslima’s, of boeken van Tarik Ramadan’. De schrijver en hoogleraar mag dan in Amsterdam wonen en de dubbele Marokkaans-Nederlandse nationaliteit voeren, hij beschouwt zichzelf als een halve Parijzenaar. ‘Ik heb hier gestudeerd’, zegt hij terwijl we op zoek gaan naar een rustige plek. ‘Geweldige stad, er valt altijd wat te beleven. Als ik geen verplichtingen heb als docent, kun je me hier vinden’.

Niet alleen zijn nationaliteit is een complex gegeven. Hoe moet je iemand omschrijven die na studies ingenieurswetenschappen, wiskunde en fyscia in Frankrijk naar Nederland trok om er zich in de econometrie te specialiseren? Iemand die in Amsterdam eerst economie en  milieuwetenschappen doceerde, maar intussen aan de UvA al vele jaren de cursussen Franse taal en cultuur voor zijn rekening neemt? Schrijven doet hij zowel in het Nederlands als in het Frans. Poëzie, romans, essays, het heeft hem in beide taalgebieden faam en onderscheidingen opgeleverd. Niet slecht voor iemand die opgroeide in een gezin van negen zonder kostwinnaar. Zijn vader, een postbode en syndicaal activist, is op een dag spoorloos verdwenen en nooit meer teruggevonden. Zo ging dat in Marokko tijdens de loden jaren onder Hassan II.

Ironisch genoeg is het een nieuw boek over Brussel dat ons naar de Lichtstad heeft gelokt. “‘L’insoumise de la Porte de Flandre” is een novelle die Laroui zelf als een politieke fabel omschrijft. Hoofdpersonage is een jonge vrouw uit Sint-Jans Molenbeek die er een dubbelleven op nahoudt. Van kop tot teen in zwart gehuld, de laatste haarlok met een hijab bedekt, zo loopt ze door de Gentsesteenweg, de levensader van de beruchte wijk waar mannen met weinig om handen er een sport van maken vrouwen op hun zedigheid en huwbaarheid te keuren. Zodra echter ze het kanaal oversteekt en de Dansaertstraat inloopt, ondergaat de vrome studente een metamorfose. Fatima danst in een stripteasebar waar ze mannen tot kwijlens toe opgeilt. Zonder de plot weg te geven: er wordt een aanslag gepleegd, waarbij de kreet Allahoe Akbar tegen de gevels van de nauwe Mechelsestraat echoot.

waarom Brussel?

Fouad Laroui: Ik ken Brussel goed. In 1991 woonde ik aan de square de Meeûs, als medewerker van wat toen nog de G12 heette. Ik doe niks liever dan wandelen in de stad, en zo heb ik Molenbeek ontdekt. De buurt frappeerde me meteen als exotisch, ik waande me in Casablanca of Tanger. Mijn tweede kennismaking kwam er veel later, tijdens twee lange verblijven in het schrijvershuis Passa Porta in 2010 en 2014. Ik stond versteld van de veranderingen in Molenbeek. Weg was de gezellige exotiek, ik proefde vooral een beklemmende gettosfeer. Wat vooral opviel was de invloed van Saoudi-Arabië. Aan sommige winkeldeuren hingen bordjes: fermé aux heures de prière. Ik heb er nog foto’s van gemaakt, want in Marokko zie je zoiets nooit. Winkeliers in Casablanca die tijdens het gebed sluiten? Ondenkbaar, net zoals het ondenkbaar is dat Marokkaanse ambtenaren overdag het werk neerleggen om te bidden. Het beeld drong zich vanzelf op: het kanaal als kloof tussen twee totaal gescheiden werelden. Molenbeek ligt fysiek in Brussel, maar mentaal in een ander universum. Ik heb me vaak staan verwonderen op die brug bij de Vlaamse Poort, het koppelteken tussen de Gentsesteenweg en de Dansaertstraat. Het is bijna surrealistisch, zeker met die reusachtige reclame voor een biermerk die zich aan de Molenbeekse kant openbaart.

had deze roman zich in een andere stad kunnen afspelen? In een Franse banlieure, of in een achterstandswijk van Rotterdam of Den Haag?

Laroui: Nee, zeker niet in Nederland. Op het vlak van grootstedelijk beleid hebben ze het daar toch beter aangepakt. Nederland heeft de voorbije decennia fors geïnvesteerd in stadsvernieuwing, onder meer met de opbrengsten uit de gaswinning. Weet je, op een keer kwam de Duitse televisie me thuis in Amsterdam interviewen. Het moest per se buiten, ze vroegen me hen een ‘typische migrantenbuurt’ te tonen. Ik nam ze mee naar de Dappermarkt, bij mij om de hoek. Dat is helemaal geen migrantenbuurt, riepen ze verongelijkt. En inderdaad, de Dappermarkt ziet er niet als een getto uit, maar er wonen wel 30 procent Maghrebijnen en 20 procent Turken, terwijl de rest een ratjetoe is met Nederlandse en andere roots. Ik heb hen helaas niet kunnen helpen, zelfs de Bijlmer ligt er tegenwoordig kraaknet bij, met veel groen en nieuwbouw. Frankrijk is een ander verhaal. Contrasten zoals dat tussen de Gentsesteenweg en de Dansaertstraat zul je er niet vinden, wel banlieues die veel grauwer en troostelozer zijn dan Molenbeek. Daar leven tenminste nog Belgen, en heel wat inwoners vinden Molenbeek een fijne buurt waar ze zelfs trots op zijn. Geloof me, je zult in Frankrijk niemand tegenkomen die verklaart trots te zijn omdat hij in Mantes-La-Jolie of Bondy woont.

van die trotse Molenbekenaars is in uw boek anders geen spoor te bekennen. U maakt er een salafistisch bolwerk van: alcohol is streng taboe, vrouwen lopen helemaal in het zwart,  mannen zijn hypocriete sukkels die voor zedenpolitie spelen. Dat is toch een karikatuur?

Laroui: Ja, en dat is een bewuste keuze waarmee ik in goed gezelschap vertoef. Tartuffe van Molière, dat is ook een karikatuur. Voor mij was het een dankbare stijlfiguur. Dit boek is immers geen psychologische roman, wel een parabel van een jonge vrouw die zich afzet tegen twee schijnbaar tegengestelde werelden. In Molenbeek moet ze zich bedekken, in Brussel zich ontbloten. Ze besluit in beide werelden wraak te nemen. De mannen in de peepshow mogen zich wel opgeilen, maar blijven op hun honger. Met Fawzi, haar Molenbeekse aanbidder die haar stalkt en haar zonder medeweten als zijn toekomstige echtgenote claimt, loopt het heel fout af. Je kunt het als een feministische fabel lezen. Fatima is de vrouw die de controle over haar eigen lichaam en seksualiteit opeist. Maar het gaat evenzeer over het getto waarin mannen zoals Fawzi leven. Ik heb het dan niet over de hoge concentratie van halalslagers of islamitische boetieks in Molenbeek. Wat ik veel interessanter en ook onrustwekkender vind, dat is het mentale getto waarin de inwoners zich opsluiten.

wat bedoelt u?

Laroui: In Molenbeek wonen erg veel Fawzi’s die gevangen zitten in een saaie, geestdodende routine. Er is niemand die hen tegenhoudt, en toch geraken ze nooit over die brug aan de Vlaamse Poort. Laat staan dat ze ooit de Kunstberg ontdekken, of een voet zetten in de Muntschouwburg. Een stad als Brussel biedt zoveel kansen, maar die blijven onbenut. Ik word daar zelf boos van. Zet die oogkleppen af en wees nieuwsgierig, dat is de goede raad die ik altijd aan jongeren geef.

Fawzi’s zelfdestructieve obsessie is geworteld in een diepe seksuele frustratie. Dat doet me denken aan wat de Algerijnse successchrijver Kamel Daoud twee jaar gelden schreef, na de nieuwjaarsrellen in Keulen. Vele moslimmannen hebben een levensgroot probleem met seksualiteit en vooral met geëmancipeerde vrouwen. Akkoord?

Laroui: Kamel Daoud is een goede vriend, maar hier vind ik hem toch kort door de bocht. Als je Darwin leest, weet dat je dat mannelijke dominantie een biologisch fenomeen is. Van Freud leer je dan weer dat we door driften worden geregeerd, en dat de rol van cultuur er precies in bestaat die driften in toom te houden. Ik bedoel maar, een verwrongen seksuele moraal is geen exclusief moslimfenomeen. Kijk naar de positie van de vrouw in het hindoeïsme, of lees de teksen van christelijke kerkvaderen zoals Paulus en Augustinus.

de hijab speelt een sleutelrol in uw boek. Dat treft, want de discussie over die lap textiel raakt in België maar niet uitgeklaard. Wat vindt u? Verbieden in openbare functies zoals de Franse laïcité vereist? Of vrijheid-blijheid zoals in Groot-Brittannië waar op religieuze symbolen geen rem staat?

Laroui: Ik stond vroeger volledig achter de Franse laicitié, maar gaandeweg ben ik er genuanceerder over gaan denken. Om te beginnen is de hetze nogal selectief. Waarom de hoofddoek verbieden terwijl je zwijgt over katholieke nonnen in ziekenhuizen, of over joodse klederdracht in scholen? Ik stel me intussen ook vragen bij de inzet van de discussie. Onlangs moest ik me voor een onderzoek in een groot ziekenhuis in Amsterdam aanbieden. Tijdens het wachten kon ik de ziekenhuisapotheek observeren. De bediening was in handen van vijf vrouwen, allemaal met een hoofddoek. Het was druk, er stonden vooral oudere, blanke Nederlanders aan te schuiven. De apotheeksters en hun assistenten deden hun werk vriendeljk en efficiënt, ik heb niemand horen klagen. Zo kan het dus ook, dacht ik toen. Waarom daar dan een probleem van maken? Dat inzicht verandert niks aan mijn persoonlijke smaak. Ik deel de mening van Luther die ooit zei dat de haartooi het mooiste sieraad van de vrouw is. Dat vertel ik ook aan meisjesstudenten die mijn mening vragen. Maar ik zeg er meteen bij dat ze hun eigen keuze moeten maken. Met of zonder hoofddoek, als ze zich maar goed in hun vel voelen. Voor de boerka daarentegen heb ik geen begrip. Radicaal verbieden, daar is geen plaats voor in het straatbeeld.

Vlaanderen heeft net een boerka-rel achter de rug. Aanstoker tegen wil en dank was Rachida Lamrabet, schrijfster en juriste die in een theatertekst de vrijheid van de vrouw om een boerka te dragen centraal stelde...

Laroui: (neemt over)…’en die daarvoor werd ontslagen bij jullie centrum voor gelijkheid van kansen? Ik heb daarvan gehoord, ik ken Rachida en waardeer haar als schrijfster. Toch vind ik dat ze zich vergaloppeert door begrip te vragen voor het recht om een boerka te dragen. Het is niet omdat je een recht opeist, dat het ook een recht is. Natuurlijk zijn er extreme gevallen, naar het schijnt zijn er zelfs niet-moslims die voor de kick in zo’n tent rondlopen. Maar kom mij niet vertellen dat er vrouwen zijn die echt uit vrije wil kiezen voor een dracht die alle bewegingen bemoeilijkt, en waarin ze bij de eerste zonnestraal lopen te zweten en te puffen. Eerlijk waar, ik snap niet dat sommige feministen daar een vorm van emancipatie in bespeuren. Hoe erg kan men zich van bondgenoot vergissen? Het doet me denken aan dat proces dat ik heb meegemaakt toen ik in Engeland woonde om te doctoreren. De beklaagde was een SM-meester die nogal hard van leer was getrokken en zijn klanten tot bloedens toe had mishandeld. ‘Ja maar’, zei zijn advocaat, ‘ze hebben er wel zelf om gevraagd”.

de naam van Tariq Ramadam, de Zwitserse filosoof en pleitbezorger van een Europese islam, is al gevallen. Zijn boeken zijn niet alleen alomtegenwoordig in deze straat, hij duikt ook op in een hilarische scène in uw boek. Mogen we aannemen dat u geen volgeling bent?

Laroui: (monkellach). Ik ben ooit met Tarig Ramadan in debat gegaan, in een kerk in Rotterdam. Gewoonlijk is hij heel dominant, maar ik heb hem die keer in het defensief gedrongen. Zie je, in debatten met Europese opponenten gebruikt hij altijd hetzelfde trucje. “Wie bent u om uitspraken te doen over islam of de koran”, gooit hij hen voor de voeten. “U spreekt niet eens Arabisch”. Bij mijn pakte dat niet. Ik spreek Arabisch, en als hij een vers uit de koran of een citaat uit de hadith aanhaalde, kon ik het meteen uit het hoofd citeren. Hij was achteraf zo pissig dat hij zijn kat heeft gestuurd naar het etentje dat de organisatoren voor de deelnemers hadden gereserveerd. Het was in de periode toen hij gasthoogleraar was aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. Gelukkig is aan die samenwerking een einde gekomen.

waarom?

Laroui: Ramadan werpt zich op als het enige redelijke alternatief voor Bin Laden of Islamitische Staat, onder het motto “ik of de chaos”. Ik geloof hem niet. Hij heeft zoals alle islamisten een totalitaire visie op religie: de islam is de oplossing voor alle problemen. Als wetenschapper en wiskundige kan ik daar niet bij. Wat leert de islam ons over problemen zoals klimaatverandering of kwesties zoals orgaandonatie? Helemaal niets! In mijn ogen is Ramadan helemaal niet redelijk of gematigd. Nicolas Sarkozy heeft hem ooit in een berucht televisiedebat een vraag gesteld over het lot van afvalligen. Moeten die ter dood worden gebracht zoals bepaalde regels van de hadith voorschrijven? Nee, zei Ramadan, er moet een moratorium op de doodstraf voor apostaten komen. Een moratorium, dat is een tijdelijke opschorting die kan worden omgedraaid worden zodra Ramadan en zijn gelijkgezinden de meerderheid vormen en de macht overnemen. Vergeet niet dat zijn roots bij de Moslimbroeders liggen, islamisten die niet geloven in democratie. In hun ogen is dat een Westers concept. Bruikbaar om de macht te verwerven, maar eens het zover is, schaffen ze die democratie  af. Dat hebben we gezien in Algerije met het FIS, en in Egypte met Morsi. Jammer genoeg slaat Ramadans boodschap aan. Hij heeft een grote achterban, vooral van jonge moslima’s die hem als een popster aanbidden, precies zoals ik het in mijn boek beschrijf. Weet je, er bestaat wel degelijk een redelijk alternatief voor Bin Laden en co: de agnostische moslim die religie als iets persoonlijk, tussen hem en God, beleeft. Of die de islam louter als een bron van inspiratie ziet.

u heeft dit boek voor de aanslagen van 22 maart 2016 in Brussel geschreven. Toch hangt de schaduw van de jihad over het verhaal. Een banale doodslag wordt wereldnieuws omdat de pleger de aanstormende politie met Allahoe Akbar heeft begroet, meteen zijn laatste woorden in dit ondermaanse. Heeft u zich op een waar gebeurd verhaal geïnspireerd?  

Laroui:  Nee, maar het is wel realistisch. Fawzi is een domkop en een loser die in feite niks van de islam afweet. Hij steekt een Belg dood, niet om de wereldwijde jihad uit te lokken, maar om zijn eer te wreken. Die kreet is een ingeving van het moment, een manier om alsnog betekenis te geven aan een zinloze daad die het eindpunt wordt van een mislukt leven. Un suicide magnifié, zeggen ze in het Frans. Mohamed Bouhlel, de man achter de vreselijke aanslag in Nice, is daar een voorbeeld van. Zijn leven was een aaneenschakeling van mislukkingen. Ik ben er vrij zeker van: had hij niet Bouhlel maar Dupont geheten, dan was hij niet meer dan een streepje in de reeks van 11.000 zelfmoorden die in Frankrijk jaarlijks worden geregistreerd.

de vermeende aanslag is aanleiding voor een terrorismecongres in Brussel, wat op zijn beurt stof levert voor een vermakelijk hoofdstuk in uw boek. U voert Rachid Benzine, Olivier Roy, Gilles Kepel en Pierre-Jean Luizard op, vier eminente experts inzake radicalisering binnen de islam. Hun gedachtenwisseling is rijk aan filosofische inzichten en dure woorden, maar de lezer blijft net zoals Fatima onbevredigd achter. Een poging om de sterrenstatus van dit soort opiniemakers te doorprikken?

Laroui. Nee, ik heb die passage trouwens laten nalezen door Rachid Benzine, een van mijn allerbeste vrienden. De andere drie heb ik letterlijk geciteerd uit interviews en boeken. Ik laat mijn experts geen ruzie maken, hun visies zijn zonder uitzondering steekhoudend en onderling complementair. Maar uiteraard slaan ze de bal mis, want ze praten over een aanslag die er geen is. Om het met een citaat uit mijn boek te verduidelijken: le terroriste n’est pas à la hauteur de ceux qui l’analysent. Anders gezegd, we hebben de neiging meer te lezen in een aanslag dan de dader zelf kon vermoeden. Door al dat analyseren en redekavelen blazen we zo’n aanslag op buiten alle proporties. Dat moeten we niet doen, want daar kicken de daders en hun medeplichtigen of sympathisanten op. Ik ben het helemaal eens met de mij zeer dierbare David Van Reybrouck: de media zouden zich veel terughoudender moeten opstellen. Gun de terroristen hun glorie niet, maak van zelfmoordaanslagen geen suicides magnifiés. En vermijd graag ook het inflatoir gebruik van het woord jihadist, want in hun wereld is dat een eretitel.

u had zichzelf in dat rijtje experts kunnen plaatsen. In 2006 heeft u een veelbesproken boek geschreven: ‘Over het islamisme: een persoonlijke weerlegging’. Staat u daar meer dan tien jaar later nog achter?

Laroui: Ik heb mijn visie grondig moeten bijstellen. Tien jaar geleden dacht ik over islamisme zoals Lenin over gauchisme. Dat was niet meer dan een kinderziekte van het communisme, meende hij. Maar het islamisme is in de moslimwereld geen fenomeen van voorbijgaande aarde gebleken, het is alleen maar groter geworden. Er is moet dus meer aan de hand zijn. Ik ben het eens met Pierre-Jean Luizard die als Midden Oosten-kenner wijst op de vernederingen die moslims hebben ondergaan, in het bijzonder de soennieten. De koloniale overheersing, Sykes-Picot, de Palestijnse kwestie, allemaal pijnlijke herinneringen die absoluut niet verwerkt zijn. Integendeel, via Arabische satellietzenders en sociale media worden ook Europese moslims dagelijks met de gevolgen geconfronteerd. Natuurlijk is er altijd een context. Armoede, criminaliteit, radicalisering als loutering na een mislukt leven, er zijn vele variabelen. Doe een gedachtenexperiment en stel je een eenzame man op een onbewoond eiland voor, een schipbreukeling die slechts één boek heeft, de Koran. De kans is groot dat hij erg vroom wordt en vijf keer per dag bidt. Maar radicaliseren? Nee, daarvoor heb je de juiste context nodig.

heeft u daarom Molenbeek als setting gekozen? De plek waar alle variabelen convergeren, zoals de hele wereld weet sinds de aanslagen in Parijs en Brussel?

Laroui: Die keuze werd niet door de aanslagen ingegeven, al kunnen de Molenbeekse broers Abdeslam zowat model staan voor alles wat er verkeerd kan lopen. Radicalisering, met of zonder gewelddadige escalatie, laat zich niet op een plek vastpinnen. In Frankrijk manifesteert het zich zowel in grootsteden en banlieues als in provincienesten. Hier heb je trouwens nog een extra trigger: pseudofilosofen zoals Alain Finkielkraut en Eric Zemmour die moslims constant als Untermenschen afschilderen. Ik betwijfel of het hun bedoeling is, maar ze zijn de beste rekruteerders die Islamitische Staat zich kan dromen.

“L’insoumise de la Porte de Flandre”, Editions Julliard, 131 pag, 19,70 euro