Categoriearchief: reportage

De queeste naar de Begijnhofvlaming

Franse vertaling verschenen in Wilfried N°12 (zomer 2020): “La vie insulaire des béguinages”

Patrick Dewael: “Begijnhoven vormen de rode draad in mijn leven”

Groot Begijnhof Gent. Toegangspoort. (Foto: Tim Dirven)

Bestaat er buiten de Ijzertoren iets dat Vlaanderen meer typeert dan het begijnhof? Katholieke vroomheid gedrenkt in mystiek, Georges Rodenbach mocht er graag in zwelgen. Bruges-la-Morte had even goed Lierre-la-Morte, Termonde-la-Morte of Tongres-la-Morte kunnen heten. 26 van de meer dan 40 begijnhoven bleven bewaard, de helft met Unesco-werelderfgoed-status. Ascese hoeft er niet meer zo nodig, maar hun sociale rol is niet helemaal uitgespeeld. Begijnhoven zijn progressieve, spirituele eilandjes in een seculier, rechts stemmend Vlaanderen. Voor het Franstalige blad Wilfried trok ik op verkenning en deed een verrassende ontdekking. “De oorsprong van de begijnhoven ligt in Wallonië”.

Nee, Jacques Brel dacht niet aan Lier toen hij zijn Vlaamse klassiekers schreef. Het had nochtans perfect gekund. De Mariekes zijn er even mooi als in Brugge of Gent, en er is geen gebrek aan middeleeuwse torens, noirs comme mâts de cocagnes. In feite zijn alle ingrediënten van Brels haat-liefde-verhouding met Vlaanderen in deze Antwerpse provinciestad voorradig. De kronkelende steegjes, de huizen met trapgevels, de westenwind die lage wolken voortjaagt, een spektakel dat zich weerspiegelt in de wateren van de Grote en de Kleine Nete die in Lier samenvloeien. Maar ook het Vlaanderen van pastoors en kwezels, een realiteit die Brels bijtende spotlust uitlokte, heeft zijn stempel gedrukt. Nergens valt dat beter vast te stellen dan in de Lierse Begijnhofstraat.

Vaut le détour, zou de Guide Michelin over het Sint-Margharetabegijnhof zeggen. Een uitputtende beschrijving geven is onbegonnen werk, daarvoor werd de fotografie uitgevonden. De lezer mag zich een verkeersvrije doolhof van twee hectaren voorstellen, met kasseisteegjes en huizen van wisselend formaat, in renaissance- of barokstijl. Centraal ligt de Sint-Margarethakerk, volgens kenners een parel van Vlaamse barok met rococo-elementen.  Haast alle 156 woningen afficheren een gewijde naam, van Sint-Adrianus over Sint-Appolonia en Onze-Lieve-Vrouw van Visitatie tot De 3 Coninge. Het patrimonium dateert overwegend uit de 17de en 18de eeuw, maar de gemeenschap van godsvruchtige vrouwen werd al in 1256 gesticht. In vruchtbare bodem, want een eeuw later woonden hier al ruim 300 begijnen.

Religie is behalve een sociologisch fenomeen vooral een stedenbouwkundige factor van belang. Zeker in Vlaanderen waar het Roomse geloof complete stadswijken uit de grond deed rijzen. Het blijkt namelijk geen toeval dat in deze straat ook nog eens twee godshuizen liggen. ‘Die waren complementair met het begijnhof’, vertelt stadsgids en begijnhofbewoner Eddy Klynen. ‘Ze werden door vrome mecenassen gesticht om de armen van de stad op te vangen. De huisjes waren zo klein dat het OCMW ze later heeft samengevoegd om er leefbare appartementen van te maken. Daarin schuilt het contrast met het eigenlijke begijnhof. Kijk naar deze huizen: om zo’n kasten te bouwen moest je in de 17de eeuw schatrijk zijn. Pas op, niet alle begijnen zaten er warmpjes in. In feite was het begijnhof een standenmaatschappij waar arme begijnen de was en plas deden voor rijke begijnen. Die laatsten woonden in een echt huis, de anderen moesten vaak genoegen nemen met een chambrette in een convent dat ze met tientallen begijnen deelden. Doorgaans echter waren begijnen vermogende vrouwen die een aanzienlijke bruidsschat meebrachten als ze intraden’.

Lambert Le Bège

Bestaat er iets dat Vlaanderen meer typeert dan een begijnhof? Jazeker, kathedralen en belforten horen bij het cliché. Kathedralen vind je echter in heel Europa, terwijl belforten ook in Wallonië en Noord-Frankrijk vertrouwde fenomenen zijn. Begijnhoven daarentegen lijken even exclusief Vlaams als de Ijzertoren. In 1998 heeft de Unesco in een klap 13 Vlaamse begijnhoven bijgeschreven op de lijst van werelderfgoed. Deze heugelijke gebeurtenis, het product van jarenlang lobbyen, werd in 2018 met een tentoonstelling en champagne herdacht. Niks beters voor de citymarketing dan een Unesco-stempel, dat is algemeen bekend. Brugge, Dendermonde, Diest, Gent, Hoogstraten, Kortrijk, Leuven, Lier, Mechelen, Sint-Amandsberg, Sint-Truiden, Tongeren, Turnhout, in de communicatie door Toerisme Vlaanderen wordt de alfabetische volgorde strikt gerespecteerd. Het zal de geografisch beslagen waarnemer niet ontgaan dat alle Vlaamse provincies werden bediend. Geen wonder, want twintig jaar geleden speelden de provincies bij dit soort lobbywerk nog een prominente rol.

Georges Rodenbach was erdoor gefascineerd: het Brugse begijnhof leverde inspiratie voor Bruges-La-Morte en voor Musée de béguines. De vlijtige, godsvruchtige vrouwen met hun witte kappen bepaalden zijn beeld van Vlaanderen, gehuld in dichte nevelen van mystiek en nostalgie naar een verzonnen, middeleeuws verleden. Maar begijnen typisch Vlaams? Cor Vanistendael van Erfgoedcel Noorderkempen in Turnhout ziet zich verplicht om voorbehoud te maken. ‘In feite ligt de oorsprong in Wallonië’, komt hij verrassend uit de hoek. ‘Luik was de  bakermat van de begijnenbeweging in onze contreien’.  Geen loze bewering zullen we nadien middels enkele muisklikken constateren. Lambert Le Bège (1131-1177), wiens beeld de gevel van het prins-bisschoppelijk paleis in de Vurige Stede siert, wordt als de spirituele vader van de begijnen beschouwd. Vrouwelijke volgelingen van deze charismatische kerkhervormer zouden al eind van de 12de eeuw een proto-begijnengemeenschap hebben gesticht. Ook in Ognies en Nijvel ontstonden al heel vroeg begijnhoven. ‘Het is onzin om met een communautaire bril naar dit fenomeen te kijken’, zegt Vanistendael die als expert meewerkte aan de tentoonstelling over de Unesco-herkenning. ‘Begijnen zijn het product van een religieus-spirituele vernieuwingsgolf die in de 13de en 14de eeuw heel West- en Zuid-Europa overspoelde. Het is de periode van de mystiek, met figuren zoals Hadewych en Hildegarde von Bingen. Overal leefde een sterk verlangen naar ascese, als reactie op de decadentie en praalzucht van de katholieke clerus. Niet uitzonderlijk in de geschiedenis van de Kerk, het is dezelfde breuklijn die later in de reformatie en contrareformatie zal uitmonden. In dat plaatje past dus de opkomst van de begijnenbeweging, al speelden er ook andere, sociologische factoren mee. Voedselcrisissen veroorzaakten een plattelandsvlucht waardoor steden uit hun voegen barstten. In die steden ontstond een groot vrouwenoverschot, ook al omdat veel mannen vertrokken om deel te nemen aan de kruistochten naar het Midden Oosten. Hoe moesten die vrouwen, vaak met een stel kinderen aan hun been, in zo’n omgeving overleven? Als een huwelijk geen optie was, restte alleen nog het klooster of de prostitutie. Het begijnhof bood een uitkomst voor dat dilemma, een solidaire gemeenschap van vrouwen zonder verstikkende kloosterregel”.

Begijnen legden geen geloften van eeuwige trouw, gehoorzaamheid of armoede af, maar leidden wel een spiritueel leven waarin gebed, contemplatie en handenarbeid centraal stonden. Tegelijkertijd stonden ze met beide voeten in de maatschappij. Begijnhoven waren immers zelfbedruipende ondernemingen die een waaier van activiteiten ontplooiden, vaak met een parochiaal-caritatieve inslag: zieken en melaatsen verzorgen, weeskinderen opvangen, hosties bakken en kaarsen produceren. Ze leefden heus niet alleen van de productie van kant, een thuisnijverheid die in feite pas in de 17 de eeuw ontstond. Begijnen brouwden ook bier, maakten kaas of deden de was voor de rijke burgerij, vandaar dat de meeste begijnhoven over een bleekweide beschikten. Mannen waren in hun gesloten gemeenschap niet welkom. Zelfs priesters, noodzakelijk om de mis te celebreren en de biecht af te nemen, werden hooguit gedoogd. De pastorie lag altijd aan de rand van het begijnhof, met een aparte ingang. Redenen genoeg voor feministen om begijnen als vroege rolmodellen te omhelzen. ‘Een typisch voorbeeld van culturele apropriatie’, zegt Vanistendael daarover ietwat smalend. ‘Begijnen kozen wel bewust voor een vrouwengemeenschap, maar ze waren zich helemaal niet bewust van moderne genderdiscussies’.

Besloten hof

Van Frankrijk over Duitsland tot Engeland, overal ontstonden begijnengemeenschappen, vaak niet groter dan één straat of zelfs maar een huis in de stad. Pas in de 14de eeuw ontstond in het Graafschap Vlaanderen het model van het besloten hof: huizen rond een binnenplein, rondom muren met toegangspoorten die ’s avonds op slot gingen zodat begijnhoven een stad binnen de stad vormden. Het 14de-eeuwse Graafschap Vlaanderen valt in deze context overigens niet te verwarren met de huidige Belgische deelstaat Vlaanderen. Onder de noemer pasten behalve West- en Oost-Vlaanderen gebieden in Noord-Frankrijk en de huidige Nederlandse provincie Zeeland.  Brabant, Antwerpen en Limburg hoorden er niet bij.  Het ‘besloten hof-model’ maakte echter school, ook buiten het Graafschap. In Amsterdam en Breda vallen nog altijd goed bewaarde pleinbegijnhoven te bewonderen. Het groot begijnhof van Parijs werd helaas in de 18de eeuw afgebroken, en van het eens zo bloeiende Brusselse begijnhof rest alleen nog de prachtige barokkerk, bekend van talloze acties ten faveure van sans-papiers. ‘Ook in Wallonië werd alles afgebroken’, zegt Vaninstendael. ‘Alleen Doornik heeft nog een volledig begijnhof’.

Afbraak was nooit een optie in Tongeren. Maar in de vroege jaren zestig van de vorige eeuw, toen Kamervoorzitter Patrick Dewael (Open VLD) er nog in korte broek rondliep, lag het begijnhof er vervallen bij. De muren met de toegangspoort waren al lang verdwenen, de laatste begijn had er in de vroege 19de eeuw, kort na de Franse periode,  het licht uitgedaan. Zoals in verschillende Vlaamse steden zou het begijnhof langzamerhand opgaan in het stadsweefsel. De infirmerie, waar de begijnen ooit melaatsen en pestlijders verzorgden, werd een stedelijk weeshuis. Kapellen en conventen werden als school of armenhuis gerecycleerd, grotere panden door gegoede burgers opgekocht, terwijl in de kleine huisjes arbeiders en ambachtslieden hun intrek namen. Het Tongerense begijnhof, waarvan de eerste sporen naar de vroege 13de eeuw leiden, gold als een van de oudste van Vlaanderen. Helaas, besef van historisch erfgoed was in de 19de eeuw nauwelijks ontwikkeld. In 1834 werd de bleekweide opgeofferd voor de bouw van een slachthuis, een zware ingreep waarvan Patrick Dewael meer dan een eeuw later de gevolgen zintuigelijk kon waarnemen. ‘Het stonk hier vaak in mijn kindertijd’, zegt hij. ‘Het slachthuis loosde al zijn afval in de Jeker, kun je nagaan welk effect dat bij warm weer sorteerde.  Op de duur hebben ze de rivier overwelfd om de stank te beperken’.

Ook het slachthuis is intussen alweer geschiedenis, in de plaats is een jeugdherberg gekomen. En Patrick Dewael, die is zijn korte broek goed en wel ontgroeid. Er zijn weinig topfuncties die hij als politicus niet heeft vervuld, van Vlaams minister-president tot federaal vicepremier en meervoudig Kamervoorzitter. Daarnaast is Dewael een van de langst zetelende burgemeesters van Vlaanderen. De nieuwe decumul-regels van de Kamer noopten hem tijdens zijn vijfde termijn tijdelijk een stap opzij te zetten, sinds 1 juli draagt Ann Christiaens van coalitiepartner CD&V als plaatsvervanger de sjerp. Het belet de verkozen burgemeester niet om trots te zijn op een recente verwezenlijking van zijn stadsbestuur: de Jeker werd weer opengelegd en fungeert met zijn groene jaagpad als een magneet voor fietsers en wandelaars. Je zou het de kroon op een werk van lange adem kunnen noemen, of een feestelijke strik rond het begijnhof dat de voorbije dertig jaar een opvallend reveil kende. Dewael blikt er graag op terug in De Infirmerie, intussen een prachtige horecazaak aan de oever van de Jeker. Eigendom van de stad maar succesvol uitgebaat door een concessiehouder, zo mag een liberaal het graag zien. Ook in zijn relaas van de wederopstanding van het begijnhof sluipt een ideologische boventoon. De overheid beperkt zich best tot het scheppen van het kader waarbinnen de vrije markt en het privé-initiatief kunnen floreren, ziedaar de moraal van zijn verhaal. Dat de Unesco-erkenning een boost gaf aan het herstel, wil hij relativeren. ‘Die titel van werelderfgoed is natuurlijk een troef’, geeft hij toe. ‘Goed voor het stadsimago en belangrijk voor het toerisme. Maar daarmee haal je geen verloederde stadswijk uit het slop. Wat echt het verschil heeft gemaakt, dat was de versoepeling van de stedenbouwkundige regels via een aangepast BPA (Bijzonder Plan van Aanleg). Ziet u, ook zonder de Unesco viel het begijnhof al onder de Vlaamse wetgeving op beschermde monumenten en stadsgezichten. Goed bedoeld en noodzakelijk, maar die bescherming had een verlammend effect. Heel wat jongen mensen wilden graag in het begijnhof wonen, maar dan wel op voorwaarde dat ze hun huis konden verbouwen en uitrusten met modern comfort. Dat was het probleem met de vroegere regeling. Een badkamer of een centrale verwarming installeren, een binnenmuur slopen om van twee benepen kamers een mooie living te maken, het was allemaal verboden. Met ons BPA hebben we die regels versoepeld, en daarmee is de opwaartse spiraal beginnen draaien. Nu is het begijnhof een van de populairste woonwijken van Tongeren’. Natuurlijk spreekt hier de politicus die geen kans onbenut laat om een positieve balans van zijn beleid op te maken. Toch geloven we Dewael op zijn woord als hij beweert dat hij een emotionele band met het begijnhof heeft. ‘Dat zit in de familie’, zegt hij. ‘Mijn vader is van Diest, mijn moeder van Lier waar ik geboren ben. Twee steden met prachtige begijnhoven, net zoals Tongeren. Begijnhoven zijn zowat de rode draad in mijn leven’.

Over begijnhoven werden al bibliotheken vol geschreven. Toch bespeurt erfgoedspecialist Vanistendael een  hiaat: de moderne periode en de hedendaagse rol vallen haast altijd buiten het blikveld van de onderzoekers. ‘Begijnhoven zijn gedurende vier eeuwen relevant geweest voor de Lage Landen, met afwisselende periodes van bloei en verval’. zegt hij. ‘Eind van de 18de eeuw waren ze echter op sterven na dood. De Franse revolutie heeft de genadeslag gegeven. Begijnen mochten niet meer in habijt rondlopen, hun gebouwen werden onder toezicht geplaatst van de gemeentelijke Commissions des Hospices civiles, zeg maar de voorloper van onze OCMW’s. Na de Franse periode heeft de Kerk geprobeerd de begijnhoven terug te krijgen, maar met beperkt succes. De meeste begijnhoven zijn nog altijd in handen van OCMW’s. Je zou dat een vorm van continuïteit kunnen noemen. Net als de begijnengemeenschappen hebben de OCMW’s een sociale en caritatieve functie’. 

Grootjuffrouw

Het Elisabethbegijnhof van Sint-Amandsberg, beter bekend als het Groot Begijnhof van Gent, is in menig opzicht bijzonder. Het voorziet al sinds het interbellum in sociale huisvesting, ook al heeft het OCMW er niks te vertellen. Dit begijnhof, veruit het grootste en jongste van Vlaanderen, wordt door een vzw beheerd waarin behalve leken enkele vertegenwoordigers van het bisdom en religieuzen van de orde der Dominicanen zitten. De oprichting in 1872 was een politieke kwestie. Het toenmalige stadsbestuur, van liberale, antiklerikale signatuur, voerde een waar pestbeleid tegen de begijnen die al sinds de 13de eeuw in Gent waren gevestigd. Stadsvernieuwing was het wapen waarmee hen het leven zuur werd gemaakt. Muren moesten onverwijld worden gesloopt, de bleekweide moest plaats maken voor een nieuwe straat. De redding kwam van een aristocratische mecenas. De hertog van Arenberg schonk in Sint-Amandsberg, toen nog een landelijke randgemeente, een terrein van 7 hectaren om de met dakloosheid bedreigde begijnen uit de nood te helpen. Onder hoge tijdsdruk togen twaalf verschillende aannemers aan het werk. In minder dan twee jaar tijd ontstond zo een ommuurde site met 14 conventen, 80 huizen, een kerk en een infirmerie, allemaal in dezelfde strakke, neogotische stijl. In 1874 konden de 700 bewoners van het oude begijnhof er in hun intrek nemen, wat meteen verklaart waarom Gent thans twee begijnhoven met werelderfgoed-status telt. De bouw viel niet toevallig in een kortstondige periode van katholiek reveil. Vooral de Maria-devotie laaide in Vlaanderen hoog op, een rechtstreeks gevolg van de destijds fel gehypete Lourdes-verschijningen. In feite was het niet meer dan een laatste stuiptrekking. In 1900 was het aantal Vlaamse begijnen al teruggelopen tot 1500, een halve eeuw later waren ze nog met 600. Bij de eeuwwisseling schoten er in heel Vlaanderen nog drie begijnen over. Onder hen Josepha Goethals, de onbetwiste patrones van het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg.

Marijke Libert herinnert zich de Grootjuffrouw nog levendig. ‘Ik zie haar nog zo in de taxi stappen en door de poort wegrijden’, vertelt ze. ‘Drie maanden later is ze in een home  gestorven. 87 jaar oud, ze was al van haar zeventiende in het begijnhof. Toen ik haar die laatste dag zag vertrekken, besefte ik het meteen: dit is het einde van een tijdperk’. Marijke Libert, een dierbare collega met enkele romans op haar palmares, nam zowat twintig jaar geleden met haar echtgenote Lut Celie haar intrek in het Groot Begijnhof. ‘Met de zegen van de Grootjuffouw ‘, zegt ze. ‘De raad van bestuur had in haar tijd niet veel te vertellen, ze nam  alle beslissingen zelf. Ook over wie in het begijnhof mocht wonen, en hoeveel huur er werd aangerekend. Probleemgevallen, alleenstaande moeders of psychiatrische patiënten, kregen voorrang. Dat vond ik erg chique van haar. Ze heeft de gemeenschap voor haar ogen zien uitsterven, maar bleef tot haar laatste snik waken over de caritatieve roeping van de begijnen. Naar het schijnt heeft ze zelfs op haar sterfbed haar opvolgers op het hart gedrukt om die koers verder te zetten’.

De nieuwe lekendirectie bestaat niet bepaald uit pilaarbijters. Naar de zondagsplicht van kandidaat-huurders wordt bijvoorbeeld niet gepolst. Vraag maar aan Rebecca Van der Wiele, een jonge moeder die er geen geheim van maakt dat haar kinderen niet werden gedoopt. Voor ze aan een nageslacht begon, deelde ze een huis met een psychotische vrouw. ‘Soms kreeg ze een aanval’, vertelt Rebecca. ‘Dan klopte ze met een pollepel op alle ramen om de geesten te verjagen. Ze woont hier nog altijd, een van de vele bewoners met een hoek af. Het blijft een aparte plek om kinderen op te voeden. Volgens het huisreglement moeten we de stilte en rust respecteren. Terechte eis, maar sommige oudere bewoners overdrijven. Als kinderen buiten met de bal spelen, beginnen ze meteen te vitten of gaan ze klagen bij de directie’. En toch vinden zowel Marijke als Rebecca dat er vooral een warm groepsgevoel leeft onder de zowat 150 vaste bewoners. Dat heeft veel te maken met de twee poorten die ’s avonds voor buitenstaanders worden gesloten. Auto’s komen er na elf uur onder geen beding meer in, visite kan vanaf dan alleen door de gastheer- of vrouw via een discrete deur worden binnengelaten. Voor brandweer en politie geldt uiteraard een speciaal toegangsprotocol, en de portier _ in loondienst van de vzw _ blijft extra alert bij vergevorderde zwangerschappen. ‘Het is een eiland’, zegt Marijke. ‘Veel Gentenaars hebben hier nog nooit een voet gezet. Hun mond valt open als ze hier binnenwandelen. De rust, de schoonheid, als het sneeuwt is dit de mooiste plek op aarde. Niet dat ik het idealiseer, op sommige dagen kan het ook benauwend aanvoelen. We wonen in een gerestaureerd convent. Prachtig, maar in de winter stoken we ons te pletter. Beschermde monumenten en moderne isolatie, dat gaat blijkbaar niet samen’.

zomer in het Groot Begijnhof Gent (foto: Tim Dirven)

In Marijkes convent is de Bleekweide gevestigd, een gerenommeerd therapeutisch centrum voor jongeren in crisis, opgericht door haar echtgenote. Ook de andere conventen, minikloosters waar ooit tientallen arme begijnen in chambrettes woonden, vervullen een  functie die spoort met de begijnenspirit. We noteren de namen van een ngo, een centrum voor begeleid zelfstandig wonen, twee organisaties die rond autisme werken. Het non-profit-karakter neemt niet weg dat ze een forse huur betalen. Noodzaak, laat de directie weten. Met de opbrengst worden systematisch verloederde panden opgeknapt. Of dachten we dat de Vlaamse subsidies volstonden? Twintig jaar na de erkenning door de Unesco staat nog altijd een kwart van het patrimonium te vervallen.

Begijnhofvlaming

Zo imposant het Groot Begijnhof van Gent is, zo intiem is dat van Antwerpen. De bescheiden allure is de schuld van de Fransen die hier lelijk hebben huisgehouden. De helft van het begijnhof werd afgebroken, reden waarom de lieflijke Sint-Catharinakerk niet langer centraal maar aan de rand ligt. Dat een van de huizenblokken wat slordig werd gerestaureerd, doet geen afbreuk aan de charme. Voor de Unesco-inspecteurs was het wel een argument om Antwerpen net zoals twaalf andere Vlaamse begijnhoven de erkenning als werelderfgoed te weigeren. Peter-Holvoet Hanssen, dichter, schrijver en literair performer van beroep, zal er niet om treuren. Zeven jaar geleden verhuisde hij met vrouw, dochter en kat vanuit de stationsbuurt Antwerpen-Berchem naar het begijnhof. ‘Als officieel stadsdichter was ik een publiek figuur geworden’, vertelt hij. ‘Ik kon de straat niet meer op zonder te worden aangeklampt. Hier vond ik de stilte en sereniteit om de balans in evenwicht te brengen. Nochtans wonen we hier erg centraal, pal in de studentenbuurt. Overdag staat de poort open, maar veel bezoekers zien we niet. Zelfs heel wat geboren Antwerpenaren weten niet dat deze plek bestaat. Toch is het telkens weer een fijn gevoel wanneer om zes uur de poort dicht gaat en we de prachtige stiltetuin helemaal voor onszelf hebben’. Hij plukt enkele bessen van de 200 jaar oude moerbeiboom. Bijna rijp, bijna pluktijd. Het oogsten van fruit is een van de collectieve ondernemingen waar alle 70 bewoners aan deelnemen. Net als in Gent laten die zich niet voor één gat vallen. Ook in dit door het bisdom beheerde begijnhof hebben sociaal zwakkeren een betaalbaar onderkomen gevonden. Stilaan echter verandert de populatie. Jong en hip Antwerpen is bereid hoge huurprijzen te betalen voor de gerenoveerde huizen in deze stadsoase.

In Gent was het ons al opgevallen. Sint-Amandsberg is een gekeurde wijk met een grote Turkse gemeenschap. Die schittert echter door afwezigheid onder de bewoners van het Groot Begijnhof. Dezelfde vaststelling in Antwerpen: het begijnhof kleurt homogeen wit, één Syrisch gezin buiten beschouwing gelaten. Toch moeten we ons hoeden voor snelle conclusies. Zo is bekend dat Belgische Turken liever vastgoed kopen dan huren, een mogelijkheid die de meeste begijnhoven niet bieden. ‘Racisme en vooroordelen vind je overal’, vatte Marijke Libert het samen. ‘Er wordt wel eens gescholden op Turkse jongeren die hier in groepjes komen hangen. Het kerkportaal is trouwens een prima plek om te vrijen, buiten het alziende oog van de familie. Maar door de bank genomen? Dit is een behoorlijk progressieve gemeenschap, ik denk dat hier vooral groen en rood wordt gestemd’.

Daarmee rijst de vraag: bestaat er zoiets als een Begijnhofvlaming? En onderscheidt dat specimen zich van de gemiddelde Vlaming van wie analisten na de voorbije verkiezingen een robotfoto maakten? Erg veel verschilde die niet van eerdere versies, alleen werden de potloodlijnen wat dikker aangezet. Economisch rechts, ethisch liberaal, in toenemende mate gecharmeerd door een nationalistisch discours. De 30 % links stemmende Vlamingen zorgden alleen voor het contrast op de achtergrond. Over afwijkend stemgedrag spreekt de Lierse stadsgids Eddy Klynen zich niet uit. Het begijnhof van Lier, waar de poort dag en nacht open blijft, is in verkiezingstijd een wijk als alle andere. ‘Maar er heerst wel degelijk een sociologisch microklimaat’, stelt hij als bewoner vast. ‘De spreekwoordelijke Vlaming met de baksteen in de maag ga je hier niet vinden, want in het begijnhof kun je geen huiseigenaar worden. Ook wie belang hecht aan autobezit heeft hier weinig te zoeken. Met zo’n filters trek je onvermijdelijk een eerder progressief publiek aan’.

Een groen-rood stemmende huurder met een Cambio-abonnement? De 81-jarige Liliane Dennen zal zich in dit profiel niet herkennen. 175 euro huur betaalt ze aan de kerkfabriek, tot voor kort eigenaar van een derde van het Lierse begijnhof. Binnenkort moet ze weg uit haar appartement in Sint-Margaretastraat waar ze al 25 jaar woont. Het begijnhof, intussen volledig eigendom van het OCMW, wordt gerenoveerd. Vlaanderen, niet langer vroom maar wel rijk, investeert 13 miljoen euro. De eerste kasseistraat ligt al open, want ook begijnhofbewoners hebben recht op deugdelijke nutsvoorzieningen en snel internet. De werken zijn noodzakelijk, maar net als in Antwerpen wordt gevreesd voor gentrificatie. ‘Het OCMW heeft altijd de sociale mix bewaard’, zegt Eddy Klynen. ‘Huizen werden verhuurd via een systeem van opbieden. Niet goedkoop weet ik uit eigen ervaring, maar de opbrengst diende om een aantal sociale woningen te financieren. Ook de kerkfabriek, die enkele maanden geleden alles aan het OCMW heeft verkocht, hanteerde sociale tarieven. Ik houd mijn hart vast voor die sociale mix. Na de renovatie dreigt het begijnhof voor vele bewoners onbetaalbaar te worden. Straks wordt het echt een reservaat voor hoogopgeleide tweeverdieners’.

Volgend jaar gaat Liliane’s huis op de schop. Terugkeren na de renovatiewerken? ‘Onmogelijk’, zegt de krasse bejaarde.  ‘Ze gaan de huur opslaan tot 1.000 euro. Ik denk dat ik de straat oversteek. Naar het Godshuis, daar is het nog goedkoop wonen’. Te arm voor het begijnhof dus. Het kan zomaar in het rijke Vlaanderen.

Gent. Begijnen bij het kapelletje der zien Weeen. Copyright archief Groot Begijnhof

Artistiek eilandhoppen in Japan

Knack Weekend, 29 april 2020

Ondanks het boomende toerisme blijft Japan verrassen. Ver van de begane paden liggen de Kunsteilanden in de Seto Binnenzee. Welkom op Naoshima, Teshima en Inujima, waar kunst, architectuur en natuur een perfecte driehoeksrelatie aangaan.

tekst en foto’s ERIK RASPOET en ANNE ADE

Yayoi Kusama, een van de trekpleisters van Naohsima

Daar zitten we dan, in het pikkedonker in het hart van een kunstwerk. Deuren kwamen er niet aan te pas, twee gangen en één hoek volstonden om de stralende middagzon boven Naoshima helemaal weg te filteren. Are you okay, vraagt een stem op fluistertoon. De bron is onzichtbaar, de stijl herkenbaar. Discreet en vriendelijk maar immer alert, zo hebben we de alomtegenwoordige suppoosten op de Kunsteilanden leren kennen. Nadat het voltallige gezelschap de vraag affirmatief heeft beantwoord, worden we achtergelaten in een volmaakte stilte. Minuten gaan voorbij, ik begin een evocatie van de oerknal te vermoeden. Er volgt echter geen bigbang, maar wel het flauwste schijnsel dat ooit mijn netvlies heeft bereikt. Heel langzaam neemt de intensiteit toe, tot we op een onpeilbare afstand een grote rechthoek in fluweelzacht paars zien ontstaan. De suppoost lispelt dat we mogen opstaan om ons naar het fenomeen te begeven. Schuifelend, met gestrekte armen als schokbrekers, naderen we het gloren. Verrassing: dit is geen videoprojectie, maar de lichtbron blijft een raadsel.

Tadao Ando

Kunst, architectuur, natuur, dat is de heilige drievuldigheid op Naoshima, Teshima en Inujima. Op de kaart van Japan zijn het niet meer dan stippen in de Seto Binnenzee die het hoofdeiland Honshu van Shikoku scheidt. De hele binnenzee is trouwens bezaaid met eilanden, vaak klein en onbewoond. Eeuwenlang stond dit gebied bekend voor exquise vis en schaaldieren, maar ook voor citrusvruchten en olijven die uitstekend gedijen in het mediterrane klimaat. Minder idyllisch is de erfenis van de snelle industrialisering tijdens de voorbije twee eeuwen. Steengroeven, raffinaderijen en fabrieken deden de bevolking groeien en het milieu afkalven. Heel wat van die industrie en tewerkstelling is al lang weer verdwenen, met verontreinigde sites en gepollueerde visgronden als souvenir. Zo’n dertig jaar geleden begon in Naoshima het reveil. De toenmalige burgemeester sloeg de handen in elkaar met Tetsuhiko Fukutake, stichter-miljardair van de Fukutake Publishing Corporation, een grote uitgeverij die internationaal bekend is als eigenaar van taalonderwijsgroep Berlitz. Hedendaagse kunst als motor voor economische wederopstanding, dat kennen we van Bilbao. Verwacht in Naoshima echter geen spektakelarchitectuur. De stichting Benesse Art Site Naoshima ging in zee met Tadao Ando, de grootmeester van het Japanse minimalisme. Bouwen in harmonie met landschap en natuur, zo luidt het credo dat hij hier virtuoos heeft waargemaakt.

Lee Ufan Museum, Naoshima

Een illustratie daarvan is het houten paviloen waar we buitenstappen, knipperend met de ogen na onze duik in het heelal. “Backside of the Moon” heet de installatie van James Turrell, een Amerikaan met een fascinatie voor licht en ruimte. Zijn samenwerking met Tadao Ando vormt een van de zeven art houses in het mooie vissersdorp Honmura. Ze typeren het Benesse-concept: ingebed in de omgeving, met werk van bekende kunstenaars, speciaal voor de locatie gemaakt. De meeste art houses werden ondergebracht in bestaande panden, zoals een voormalige tandartswoning. We lopen langs bij het ANDO MUSEUM, door de meester zelf ontworpen. Onder de houten schil van een honderdjarige woning schuilt een vernuftige structuur in gepolierd beton, materiaal dat de architect weet te kneden als warme was. Ando is een autodidact uit Osaka die alles heeft geleerd uit boeken over architectuur en kunst. Intussen is er over zijn eigen werk een hele bibliotheek geschreven. Je hoeft de verklaring niet noodzakelijk in het museum te zoeken, want op Naoshima staan enkele hoogtepunten uit zijn oeuvre. Zoals het Lee Ufan Museum, gebouwd rond het werk van de Zuid-Koreaanse schilder en beeldhouwer. Het museum ligt ingegraven in een heuvel, het uitzicht over de kust maakt er integraal deel van uit. Ando en Lee regiseren onze blik, de eerste door het landschap met betonnen muren te structureren, de tweede door het met een monumentaal sculptuur te verrijken.

Yayoi Kusama

Niet monumentaal maar speels is de gele pompoen van Yayoi Kusama, beeldend kunstenaar, performer en rebel van 91-jaar. Haar pompoenen _ in de haven staat nog een rood exeplaar _ zijn zowat het visitekaartje van de Kunsteilanden. Hier heeft ze als klankbord niemand minder dan Niki de Saint Phalle, goed ververtegenwoordigd in het beeldenpark voor het Benesse House Museum dat zelf bulkt van de coryfeeën. We noteren Giacometti, Warhol, Rauschenberg, Nauman, Hockney, Richter, naast Aziatische grootheden zoals de Japanse conceptualist Yukinoro Yanagi die ons later op Inujima compleet zal overrompelen. Ook hier heeft Ando getoverd met beton en licht, altijd ten dienste van de geëxposeerde kunstwerken.  

Contact Lens van Haruka Kojin, een van de Art House Projects op Inujima

Bij het Benesse House hoort een exclusief hotel, waar geregeld artists in residence verblijven tijdens de creatie van een nieuw in situ-kunstwerk. Het hele project, veelbesproken tijdens hoogmissen in Venetië en Kassel, blijft immers maar uitbreiden. Tijdens de Art Setouchi Triennale, in 2022 aan zijn vijfde editie toe, is het hier over koppen lopen. Ook zonder tentoonstellingen en happenings is een verkenning van de Kunsteilanden een zaak van minitieus plannen. Na een eerste nacht op Naoshima nemen we de ferry naar Inujima, het kleinste van de drie eilanden. Honderd jaar geleden, tijdens de hoogdagen van de koperraffinaderij, woonden er ruim 3.000 arbeiders. Intussen is de bevolking gekrompen tot vijftig, met een gemiddelde leeftijd van 80 jaar. Toch is het gevaar op uitsterven geweken, Inujima werd letterlijk gered door Kunst. Bewoners krijgen we niet te zien, maar de aangeharkte moestuinen en perfect gesnoeide sinaasappelbomen wijzen op een dorpsleven dat het canvas vormde voor een rist bekende kunstenaars. Onze favoriet: Haruka Kojin die een dubbelwandige, golvende muur in plexiglas bouwde met binnenin lenzen van wisselende grootte, net bubbels in een fles spuitwater. Het effect is wonderbaarlijk, het transparante werk dialogeert met de omliggende huizen en reageert op ieder schapenwolkje dat de zon komt versluieren.

badhuis I Love Yu op Naoshima

De absolute trekpleister van Inujima is echter de koperraffinaderij, een reusachtige fabriek die na amper tien jaar in 1919 definitief werd gesloten. Veel later, in 2007, werd de site als industrieel erfgoed beschermd. Yukinoro Yanagi en architect Hiroshi Sambuichi hadden dus geen vrije hand toen ze de volledige site transformeerden in het Seirensho Art Museum. Het resultaat is er niet minder verbluffend om. We wandelen argeloos de Icarus Cell binnen, een onderaardse gang gemetseld in zwartglanzende karami-baksteen, een afvalproduct van het raffinageproces. Achter ons speelt een video met een intimiderende close-up van de zon als permanente kernreactie, in de verte zien we een raam met een helblauwe hemel. Groot is onze verbazing als blijkt dat deze gang helemaal niet kaarsrecht loopt, maar zigzaggend langs een half dozijn spiegels naar een opening in het dak leidt, de bron van het hemelzicht. De ontregelende trip gaat naadloos over in een reeks installaties opgedragen aan wijlen Yukio Mishima, beroemd als schrijver maar ook omstreden als narcistische dweper met het Japanse militairsme. Het is verwarrend om hier zijn tirade tegen de westerse invloed op Japan te lezen, een extract uit het beruchte slotmanifest dat hij schreef vooraleer seppuku te plegen. Dit is echter geen eerbetoon, Mishima fungeert als medium om te reflecteren over de prijs van de modernisering, in een kader waar die prijs cash werd betaald. Koperraffinage is een vervuilend proces, reden te meer voor Yanagi en Sambuichi om het museum op een  duurzame leest te schoeien. Verbouwen gebeurde uitsluitend met ter plaatse gerecycleerde materialen, afvalwater wordt door planten gefilterd, de onderaardse gangen garanderen winter en zomer een stabiele temperatuur. Zelfs de dreigende score in de Icarus Cell is recyclage, we horen in feite een versterkte opname van de luchtstroom in de imposante schoorsteen.

Les Archives du Cœur

En toch moet volgens onze bronnen het beste nog komen. De boottocht naar Teshima is alleszins veelbelovend, het lijkt wel de Egeïsche zee. We huren batterijfietsen, geen overbodige luxe op dit heuvelachtige eiland. Het Teshima Art Museum is alweer het product van een samenwerking tussen een conceptueel kunstenaar en een architect, beiden met wereldfaam. Rei Naito en Ryue Nishizawa lieten zich elk op hun manier inspireren door water. Het museum heeft de vorm van een uitgerekte waterdruppel, een ruimte van zestig meter lang waar je overal het plafond kunt aanraken. Beton maar toch verderlicht, nergens is de schil dikker dan 25 centimeter. Er staan plasjes op de gepolierde vloer. Afkomstig van de twee ronde openingen, bedoeld om de natuurelementen in de beleving van het kunstwerk te betrekken, denken we. Bij nader inzien zijn het druppels die permanent opwellen uit duizenden gaatjes in de vloer, water opgestuwd door een natuurlijke bron. Je kunt blijven kijken naar het schouwpel. Druppels rekken zich uit en gaan aan het schuiven, sleuren in hun dolle vaart andere druppels mee, komen onverwacht tot stilstand of gooien zich in plassen. Naar verluidt krijgen sommige bezoekers letterlijk tranen in de ogen van deze esthetische topervaring. Ik houd het droog, maar ik kan er me iets bij voorstellen.

baai nabij Les Archives du Coeur, Teshima

Leve de schoonheid, het leek me een passende afscheidsformule. Ik registreer ze samen met mijn hartenklop in Les Archives du Cœur, Christian Boltanski’s poëtische bijdrage aan het Teshima-parcours, enig mooi gelegen in een baai met zandstrand. De Franse kunstenaar, gefascineerd door thema’s als dood, vergankelijkheid en herinnering, heeft wereldwijd al tienduizenden hartslagen gegeristreerd en voor de eeuwigheid opgeslagen. Je kunt ze hier in een loop beluisteren of met de koptelefoon de database raadplegen. Voor een klein extraatje overhandigt de als medicus verklede receptionist je een soort stetoscoop om je eigen hartslag aan de verzameling toe te voegen, met een certificaat als bewijs. Versmelten met een kunstwerk, die kans konden we niet laten liggen.

met dank aan Benesse Art Site Nasohima http://benesse-artsite.jp/en/

en The Setouchi Tourism Authority https://setouchitrip.com/

De Grote Kerkenkrimp in Vlaanderen

Knack Magazine, 28 augustus 2019

“Er komt een tsunami van kerkspullen op ons af

De ontkerkelijking heeft een bakstenen fase bereikt. Zo’n 600 Vlaamse kerken worden op korte en middellange termijn herbestemd. Zoals de verhuizing van een riante villa naar een serviceflat vergt de operatie pijnlijke keuzes. Wat met de inboedel? Knack dook onder in de wereld van kerkfabrieken en experts religieus vaatwerk.


Sint-Martinuskerk – Schelderode. Christusbeeld wachtend op een ongewisse toekomst. (foto: Jonas Lampens)

Het lijkt wel uitverkoop in de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Kandelaars, paaskaarsen, processielantaarns, kerkstoelen, kazuifels, reliekhouders, alles moet weg, zelfs de gebeeldhouwde kruisweg. De 14 staties werden al van de muur gehaald en op de vloer uitgestald. Met respect voor de chronologie, een rondgang begint nog altijd bij de terdoodveroordeling om te eindigen bij de graflegging. Het is natuurlijk geen uitverkoop, noch is er sprake van een faillissement. Wel waar is dat het in plaaster gebeitelde lijdensverhaal van Christus hoe langer hoe minder gelovigen op de been brengt. Niet alleen in Schelderode. Uit een in 2017 gepubliceerd onderzoek van de KU Leuven blijkt dat nog 6 procent van de Vlamingen wekelijks naar de mis gaat. Het verval gaat snel, bij een eerder onderzoek in 1996 scoorde de zondagspraktijk nog 20 procent. Intussen nijpt het priestertekort steeds harder, terwijl roepingen even zeldzaam blijven als sneeuw na Pasen.

Was ontkerkelijking tot dusver vooral een sociologisch begrip, dan heeft het fenomeen intussen een nieuwe, bakstenen fase bereikt. De uitdunnende geloofsgemeenschap is veel te ruim behuisd. Sinds 2013 werden al 62 Vlaamse parochiekerken aan de eredienst onttrokken, maar de plannen voor een veel grotere krimp liggen klaar. Het in Leuven gevestigde CRKC, het expertisecentrum voor religieus erfgoed waarbij ook het bekendere museum PARCUM hoort, houdt de cijfers bij. Een derde van de 1789 kerken krijgt op korte of middellange termijn een neven- of herbestemming: gecombineerd liturgisch en profaan gebruik of een volledige onttrekking aan de eredienst. Katalysator in het proces zijn de voorwaarden die de Vlaamse overheid sinds 2015 koppelt aan het subsidiëren van kerkrestauraties. Alleen steden en gemeenten met een kerkenbeleidsplan komen voor bepaalde subsidies nog in aanmerking. De maatregel, reeds aangekondigd in 2011 door de toenmalige vice-minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in zijn conceptnota “Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerken”, veroorzaakte een schokgolf. Lokale overheden en kerkfabrieken, samen bevoegd voor het beheer van kerkgebouwen, schoten in actie.

Napoleon Bonaparte

De confectie van een deugdelijk kerkenbeleidsplan bleek geen simpele opgave. Het Oost-Vlaamse Merelbeke bijvoorbeeld telt zeven parochies en evenveel gebedshuizen, waaronder de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Iedere kerk heeft een kerkfabriek, een instituut met wortels in het concordaat dat Napoleon Bonaparte in 1801 met paus Pius VII afsloot. Concreet gaat het om vijf onbezoldigde parochianen plus een vertegenwoordiger van het bisdom, meestal de pastoor. Op hun schouders rustte de taak om in samenspraak met de gemeente en het bisdom een strategische visie op het Merelbeekse kerkenpatrimonium te ontwikkelen. Het plan, tot stand gekomen met advies van de regionale erfgoedcel De Viersprong en het CRKC werd in september 2017 door gemeenteraad goedgekeurd. Het oogt behoorlijk drastisch: drie kerken worden op korte termijn aan de eredienst onttrokken en herbestemd, voor twee andere valt de hakbijl mogelijk na 2020. Op termijn kunnen parochianen nog maar in twee kerken terecht, de Sint-Pietersbanden in het centrum en de Sint-Annakerk in Bottelare.

Sint-Martinuskerk – Schelderode. Ontwijd wegens te weinig gelovige zielen. (foto: Jonas Lampens)

Deze oefening wordt in nagenoeg alle Vlaamse gemeenten gemaakt. 2019-2024 zal de geschiedenis van de lokale besturen ingaan aan de legislatuur van de Grote Kerkenkrimp. Daarmee rijst een prangende vraag: wat aanvangen met al die overtollige tempels? De controverse rond de Gentse Sint-Annakerk _ die de stad in erfpacht wil geven aan een vastgoedgroep rond winkelketen Delhaize _ bewijst hoe gevoelig de kwestie ligt. Maar de operatie stelt nog een uitdaging waar zelden over gesproken wordt: wat met de inboedels? Kerkmeubilair, liturgisch vaatwerk, kandelaars, beelden, religieus textiel, onze kerken puilen letterlijk uit van wat met een containerbegrip roerend religieus erfgoed wordt genoemd. Er zit veel rommel tussen, maar ook kunst en artisanaat met grote museale of heemkundige waarde.

In die laatste categorie is geen plaats voor de kruisweg van de Sint-Martinuskerk. Een banaal gipswerk, zo luidde het oordeel van experts van Erfgoedcel Viersprong die de inboedel kwamen inventariseren. ‘Goed voor het containerpark’, zegt Lucie De Moor (63) die als secretaris van de kerkfabriek de boedelbeschrijving bijwoonde. ‘Zo hebben we hier wel meer spullen. Neem nu de kazuifels en koormantels in de sacristie. In perfecte staat, maar niemand wil ze nog hebben’. Ze ontvangt ons samen met Gaby Brain (71), al meer dan dertig jaar penningmeester van de kerkfabriek. Hun bestuursmandaat zit er bijna op. Sint-Martinus verdampt straks in een megafusie van 12 kerkfabrieken en evenveel parochies, verspreid over Merelbeke en buurgemeente Oosterzele. Ook dat is geen unicum, de Grote Kerkenkrimp gaat gepaard met een nog ingrijpender hertekening van het parochiale landschap. Het bisdom Gent reduceert het aantal parochies van 425 tot 48. In andere bisdommen worden gelijkaardige samenwerkingsverbanden opgezet, al gaat het onttrekken aan de eredienst er minder hard.

enkeltje containerpark

Het herbestemmen van de inboedel wordt de laatste missie van de kerkfabriek. Penningmeester Brain neemt het eerder gelaten op, secretaris De Moor heeft er meer moeite mee. Het voelt als een terdoodveroordeelde die zijn eigen graf moet delven, zeker voor een parochiaan die zich niet alleen als kerkbestuurder betrokken voelt. ‘Ik ben in Gent geboren maar in Schelderode getogen’, zegt ze. ‘Dit gebouw betekent veel voor mij. Ik heb hier mijn plechtige communie gedaan, ben hier getrouwd, heb hier mijn beide ouders begraven’. Ze voelt zich als een curator in haar persoonlijk museum. Die twee knielstoelen tussen de rommel bij het koor? Daar heeft ze op gezeten, zij aan zij met haar aanstaande, terwijl pastoor Debruyne hen in de echt verbond. Hun lot is nog niet bezegeld, maar een enkeltje containerpark zit er dik in. Voor de kapel van Sint-Blasius, aan te roepen bij keelontstekingen en brandwonden, staat een verzameling koperen kandelaars van wisselend formaat. Een vondst uit een kast die in geen decennia meer werd geopend. ‘Ik herkende ze meteen’, zegt De Moor. ‘Mijn moeder, een diepgelovig mens, stond altijd klaar voor parochie. In de zomer werd het koper gepoetst, dan ging ik als kind helpen. Ik heb het de laatste maanden vaak gedacht. Moesten mijn ouders weten wat er nu met hun kerk gebeurt, ze zouden zich omdraaien in hun graf’.

Lucie De Moor en Gabie Brain inspecteren de sacristie. “Niemand wil die kazuifels nog hebben”. (foto: Jonas Lampens)

Vrome parochianen van zo’n kaliber zijn zeldzaam geworden. Toch heerste er verslagenheid in Schelderode toen Sint-Martinus in het gemeentelijk kerkenbeleidsplan als prioritair te herbestemmen werd aangewezen. Een centenkwestie, langer wachten had een streep getrokken door een reeds toegezegde restauratiesubsidie. “Je had de laatste zondagsmis twee jaar geleden moeten meemaken’, zegt De Moor. ‘Stampvol, er waren heel veel bezoekers die in geen jaren nog een mis hadden bijgewoond maar persoonlijke herinneringen hadden aan onze kerk. Maandag ben ik de bloemstukken gaan ophalen om ze naar de kerk van Melsen te brengen. Toen pas sijpelde het door: het is nu echt afgelopen. Niet veel later is het decreet van de bisschop is in Kerk en Leven verschenen. Sint-Martinus is ontwijd, er is geen weg terug’.

De geprofaniseerde kerk krijgt een toekomst als polyvalent dorpshuis, met onder meer een afhaalpunt van de bibliotheek en blokruimtes voor studenten. Het is een bestemming waarmee ze zich kunnen verzoenen, zeker omdat het koor als stille ruimte wordt ingericht. Voor introspectie, desgewenst onder de vorm van een gebed. Beter alleszins dan de voorbeelden uit Nederland die tijdens een voorlichtingsavond van het CRKC de revue passeerden. ‘Daar steken ze zwembaden en discotheken in kerken’, zegt De Moor. ‘Ik mag er niet aan denken’. De nakende verbouwing noopt echter tot harde keuzes. Wat hoort in de kerk te blijven? Wat mag weg en waarheen? Er bestaan regels, zowel in het kerkelijk en burgerlijk wetboek als in de uitdeinende Vlaamse erfgoedregulering. Gewijde voorwerpen zoals kelken en monstranzen mogen volgens canoniek recht niet worden vermarkt. Kandelaars of lantaarnhouders daarentegen kunnen wel worden verkocht, en meubilair is een verhaal apart. Attributen zoals lambriseringen, monumentale altaren of kerkorgels zijn onroerend door aard. Die status geldt vaak wel maar niet altijd voor biechtstoelen. In geval van twijfel kan het criterium van nagelvastheid de doorslag geven, een merkwaardig begrip overigens in een kerkelijke context. Roerende goederen kunnen onroerend worden door bestemming, omdat ze bijvoorbeeld speciaal voor de kerk werden vervaardigd, zoals een beeld in een nis of een schilderij van een patroonheilige. In de praktijk is het allemaal nog veel complexer, want er moet ook rekening worden gehouden met een waaier van beschermingsregimes voor kerken en kerkinterieurs. Zo vergt een middeleeuwse kerk een totaal andere aanpak dan een exemplaar uit de 19de of 20ste eeuw. De Moor heeft goede hoop voor een van haar favoriete stukken: een reusachtig doek uit de 16de eeuw, voorstellend de heilige Martinus die de tempel van Jupiter vernielt. Niet echt nagelvast, maar wel een cultuurgoed waarvan de functie duidelijk bij het beschermde kerkgebouw hoort. ‘Ik hoop dat ze die naar de stille ruimte verplaatsen’, zegt ze. ‘Net zoals de biechtstoelen waar ik als kind nog heb in gezeten’.

tsunami

In theorie is het simpel. Het CRKC heeft twee jaar geleden een stappenplan voor het waarderen, selecteren en herbestemmen van roerend religieus erfgoed in parochiekerken opgesteld, in samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Het document staat online ter beschikking van kerkbestuurders en andere erfgoedbeheerders. Overzichtelijk en volledig, maar toch worden instanties zoals het CRKC, bisdommen en erfgoedcellen overstelpt met vragen van radeloze kerkbestuurders. ‘De procedures zijn te complex om het hele traject over te laten aan de  kerkfabrieken’, zegt Bert Van der Veken, consulent religieus erfgoed van de provincie Oost-Vlaanderen. ‘Het gaat om vrijwilligers, doorgaans niet van de jongsten. Met het stappenplan redden ze niet, er moet begeleiding bij’. Jan Klinckaert, senior adviseur bij het CRKC, kan het beamen. ‘De herbestemmingen zijn nog maar goed begonnen, de volgende jaren krijgen we een vloedgolf van roerend religieus erfgoed over ons heen. Er is dringend nood aan meer expertise’. Aan de inspanningen van het CRKC ligt het niet. Medewerkers reizen Vlaanderen rond om herbestemmingstrajecten te initiëren of inventariseringen te begeleiden. Vanaf dit najaar zal extra worden ingezet op de vorming en ondersteuning van regionale adviseurs, een rol die lange tijd door de provincies werd vervuld. Door de zesde staatshervorming echter is de bevoegdheid roerend erfgoed per 1 januari 2018 naar Vlaanderen verhuisd.t

Naar een zusterkerk? Een museum of een opkoper? Of wordt het toch een enkeltje containerpark? Moeilijke keuzes dringen zich op. (Foto: Jonas Lampens)

In feite werd het CRKC in 1997 opgericht _ toen nog zonder museum PARCUM _ om een crisis te bezweren. Het was een periode waarin kloosterkerken, rusthuishuiskapellen en andere niet-parochiale gebedsruimten stelselmatig werden afgebroken of van hun liturgische functie ontheven. Het verschil tussen parochiaal en niet-parochiaal is in deze essentieel. Kerkfabrieken, onderworpen aan een publiekrechterlijk regime, staan onder streng toezicht. Ze zijn verplicht hun rekeningen en begroting aan de gemeente, bisdom en provincie voor te leggen. Daar staat tegenover dat lokale overheden verplicht zijn financiële tekorten bij te passen, meteen een goede reden waarom ze met hun neus bovenop herbestemmingsdossiers zitten. Heel wat oude kerken zijn overigens eigendom van steden en gemeenten, een situatie die aan de Franse revolutie te danken is. Het reeds vermelde concordaat maakte geen einde aan de nationalisering van parochiekerken. De meeste kerkgebouwen bleven openbaar bezit, met die restrictie dat ze verplicht ter beschikking van de eredienst werden gesteld, onder beheer van een kerkfabriek. Dat keurslijf ontbreekt bij kloosters, abdijen of inrichtende machten van scholen of rusthuizen. De ontmanteling van privaatrechterlijke kerken en kapellen was dan ook een feest voor antiquairs en brocanteurs die voor een prikje complete inboedels konden verwerven, in zoverre die niet zonder meer op het containerpark werden gedumpt. Het CRKC kon gelukkig heel wat waardevolle stukken redden en in het eigen depot opslaan. Dat zit intussen bomvol, voor de aanzwellende tsunami van roerend parochiaal erfgoed zijn andere oplossingen aangewezen.

Het zijn vuistregels uit het stappenplan: laat staan wat mag of moet blijven staan. Bestem de rest zoveel mogelijk lokaal, bij voorkeur met een liturgische of religieuze functie. De unieke kandelaar voor paaskaarsen of het fraaie wierrookvat kunnen banale exemplaren in een naburige kerk vervangen. Sommige rusthuizen maken graag een plek vrij voor een mooi Mariabeeld. Uitzonderlijk waardevolle stukken horen uiteraard in een museum thuis. Klinkt logisch, maar Annemie Van Dyck weet beter.  ‘Je moet echt leuren om een stuk geplaatst te krijgen. Vlaamse musea leggen een terminale onverschilligheid voor religieus erfgoed aan de dag. Helaas spoort dat met de houding van onze maatschappij. De huidige generatie heeft geen benul van de waarde van ons religieus patrimonium’. Van Dyck deed tien jaar expertise op bij het CRKC, sinds begin dit jaar werkt ze als freelance erfgoedconsulent. Op haar palmares staat onder meer de inventaris van de veelbesproken Sint-Annakerk in Gent, evenals een gezaghebbend boek over religieus textiel. ‘Misschien is dit een voorbijgaande fase’, zegt ze, ‘Ik heb soms het gevoel dat we ons nog altijd aan het afzetten zijn tegen de Kerk als instituut. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn. We moeten ons religieus erfgoed vrijwaren voor de toekomstige generaties die het wel naar waarde zullen schatten’.

Kerk in Nood

Bij het CRKC leggen ze er de nadruk op: bij herbestemming weegt de lokale en heemkundige betekenis even zwaar als de kunsthistorische waarde. Een beeld van middelmatige kwaliteit kan het voorwerp hebben uitgemaakt van lokale devotie, in de kerk of in de processie. Idem voor een banaal schrijn met een reliek van een patroonheilige. Dergelijke identitieitsbepalende stukken worden bij voorkeur lokaal bewaard. Toch gaat er heel wat religieus erfgoed de grens over, vaak richting Oost-Europa waar een halve eeuw communisme grote gaten in de kerkelijke menagerie heeft geslagen. Een organisatie zoals Kerk in Nood heeft al menige vrachtwagen richting Polen, Hongarije of Slowakije gestuurd. Meubilair, kelken, zelfs kazuifels komen er nog van pas. Verrassend genoeg is ook Frankrijk een afnemer. ‘De wet op de laïcité van 1905 heeft de Franse kerken zowat kaalgestript”, zegt Jan Klinckaert. ‘Nu het parochieleven in enkele regio’s zoals het Zuidwesten een voorzichtige heropbloei kent, kampen ze met tekorten. We hebben zelf onlangs een mooie abdijretabel op transport naar Bayonne gezet’. Voor een deel van de inboedels echter is een herbestemming met liturgische, museale of heemkundige meerwaarde geen optie. Vermarkten valt te overwegen, tenminste als er geen canonieke bezwaren zijn. De vraag naar plaasteren beelden of koperen kandelaars is echter niet onbeperkt. Een tombola of uitverkoop voor het goede doel kan een oplossing zijn voor onverwoestbare maar ongemakkelijk zittende kerkstoelen. Toch kan niet worden vermeden dat grote hoeveelheden kerkgoederen roemloos op het containerpark of bij de schroothandelaar eindigen.

Ook onze kerken hebben vorige eeuw een beeldenstorm beleefd. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) heeft er met zijn aggiornamento stevig ingehakt. De mis, niet langer in het latijn maar in de volkstaal, moest worden opgedragen in een kader zonder tierelantijntjes en klatergoud. In de drang naar versobering vlogen de kroonluchters en beelden met dozijnen tegelijkertijd de kerkdeur uit, in Schelderode werden zelfs de fresco’s van het koor met saai wit overschilderd. Zo’n vaart zal het met de herbesttemmingsgolf niet lopen, maar de Mechelse erfgoedconsulent Patick De Greef is er toch niet gerust op. Door het gebrek aan expertise en de grote tijdsdruk dreigt er volgens hem een erfgoedkundige aderlating. Hij maakt zijn punt bij een plaasteren beeld in de Sint-Albertuskerk in deelgemeente Muizen, reeds aan de eredienst onttrokken en op weg naar een toekomst als wijkcentrum. ‘Kunsthistorisch is dit beeld waardeloos’, zegt De Greef. ‘Toch is het bijzonder, want niemand weet wie het voorstelt. Deze mysterieuze heilige staat in geen enkel iconografisch naslagwerk. Of neem het wierrookvat dat we bij het inventariseren hebben ontdekt. Klein, sober, zwart uitgeslagen, maar wel handgeslagen zilver. Een uniek stuk, we kunnen alleen gissen naar de herkomst. Vermoedelijk komt het uit een Waalse abdij en werd het door de kerkfabriek als welkomsgeschenk aan een pas benoemde pastoor gegeven. Als je even niet oplet, belandt zo’n stuk bij het oud ijzer. Voor topwerken is er geen gevaar, er zal heus geen Rubens of Van Eyck verloren gaan. Het is de categorie daaronder, de minder opvallende parels in de bulk, die me zorgen baart. De verleiding is immers groot om er met de grove borstel doorheen te gaan. Een herbestemming is voor de veelal gepensionneerde vrijwilligers van een kerkfabriek een loodzware opdracht die ze bovendien met frisse tegenzin moeten klaren. Want met of zonder kerkenbeleidsplan, velen zijn boos omdat uitgerekend hun kerk wordt opgedoekt. Heel wat bestuurders geven er de brui aan, het is trouwens bekend dat de bisdommen nauwelijks nog vrijwilligers vinden om de overblijvende kerkfabrieken te bevolken. Geen wonder, want door de megafusies wegen de verantwoordelijkheden veel zwaarder. Kerkfabrieken zouden geprofessionaliseerd moeten worden’.

superpli’s

De ontmanteling van de Sint-Albertuskerk, eigendom van de stad Mechelen, is een pilootproject van CRKC en de provincie Antwerpen. In lijn met het stappenplan werd eerst geïnvesteerd in een lokaal draagvlak. Behalve de stedelijke erfgoeddienst en de kerkfabriek zaten lokale verenigingen en betrokken parochianen mee aan de tafel. Eens de knoop over de herbestemming doorgehakt, verschoof de focus naar de inboedel. De kerkfabriek huurde De Greef in om de inventaris te maken. De historicus en stadsgids heeft zich gespecialiseerd in kerkelijk erfgoed. Koorkappen, stola’s, manipels, dalmatieken en superpli’s, weinigen kunnen zoals hij begeesterend praten over religieus textiel. Maar De Greef is ook beslagen in kerkmeubilair, en over religieus vaatwerk maakt niemand hem iets wijs. Wie het verschil wil kennen tussen een miskelk en een ciborie is bij hem aan het goede adres. ‘We beseffen niet welke schatten er in onze kerken liggen’, zegt hij. ‘Zilversmeden, houtbewerkers, brokaatwevers, hun namen zijn onbekend, maar het waren toppers in hun vak. Ze werkten in opdracht van kerkfabrieken, maar ook van rijke families die wilden bijdragen aan de luister van een kerk en het heil van hun ziel. De productie van kerkgoederen was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke nijverheid. In Mechelen waren tientallen gespecialiseerde ateliers en winkels. Dit is natuurlijk de zetel van het aartsbisdom, maar ook in Antwerpen was er een belangrijke industrie. In deze kerk hebben we op twee mooie heiligenbeelden uit de 19de eeuw de namen van twee verschillende Antwerpse ateliers ontdekt. Het zou zonde zijn dat allemaal weg te gooien, want we weten nog maar bitter weinig af van die hele 19de eeuwse nijverheid. Zelfs de 20ste eeuwse periode, toen er van artisnale naar machinale productie werd overschakeld, is niet te versmaden. Stadelmaier, dat was de Gucci van de religieuze mode. Pokkeduur, een standaardset met een kazuifel, een koorkap en twee dalmatieken kostte een half huis. Sint-Albertus was een arbeidersparochie met een arme kerkfabriek. Toch hebben we in de sacristie een Stadelmaier gevonden. Oudere parochianen kenden het verhaal nog. Pastoor Mollekens had zijn ietwat vermogende parochianen aangepord om te doneren voor zijn Stadelmaier. Hij was dan wel herder op een arbeidersparochie, hij wilde goed voor de dag komen. Geweldig toch? De verhalen zijn even waardevol als de spullen waaraan ze kleven’.

gedenkpenningen van processies die ooit jaarlijkse uitgingen in Schelderode. (foto: Jonas Lampens)

De Greef bouwde met het stappenplan zijn eigen drietrapsraket: inventariseren, waarderen en uitvoeren. Het eerste spreekt voor zichzelf. Opmeten, fotograferen, beschrijven, per object was hij een half uur tot een uur kwijt. Bij de tweede stap boog een gemengde commisie zich over de inventaris, gecomprimeerd tot 150 ensembles. Van depot over museum en rusthuis tot vermarkten en afvoeren naar het containerpark, per lot werd een consensueel besluit genomen dat nog op uitvoering wacht. ‘Het is allemaal ontzettend tijdrovend’, zegt De Greef. ‘De waarderingsronde heeft een tiental vergaderingen gekost. Sint-Albertus is maar een bakstenen kerkje uit 1903 met weinig belangwekkend erfgoed. Binnenkort komen ook middeleeuwse kerken aan de beurt, met erfgoed van voor de Franse revolutie. We staan voor een titanenklus’.

De mysterieuze vuurdood van een Tunesisch journalist

Zelfmoord of slachtoffer van een complot?

uitgebreide versie van een repo die in Knack op 15 mei 2019 verscheen

Vier maanden geleden stierf de Tunesische cameraman Abderrazek Zorgui een gruwelijke vuurdood. Een protest tegen werkloosheid en corruptie, zo klinkt het in een afscheidsvideo die oproept tot een nieuwe revolutie. Maar in Kasserine zijn ze er nog niet uit: wilde de populaire journalist echt als martelaar sterven of werd hij geflikt? Knack ging op onderzoek in het land waar de Arabische Lente begon. Met een zelfverbranding.

Place des Martyrs, waar Abderrazek Zorgui zijn afscheidsvideo opnam (eigen foto)

Abderrazek Zorgui had zijn bühne goed uitgekozen. De Place des Martyrs is de drukste plek van Kasserine, gelegen langs de centrale verkeersader die zoals overal in Tunesië de naam van oud-president Habib Bourguiba draagt, de man die het Maghrebland in 1956 naar de onafhankelijkheid van Frankrijk leidde. Het zijn de martelaren van die strijd die hier met gedenksteen en fresco’s worden geëerd. Daar, bij dat monument, verwerkt in de omheining van het onder Frans bewind gebouwde en reeds lang gesloten treinstation, heeft de 32-jarige cameraman-journalist zijn eigen martelaarschap aangekondigd en voltrokken. Het was op 24 december om 11u40 dat zijn livestream, nog altijd terug te vinden op YouTube, begon. https://www.youtube.com/watch?v=ALaxaOL5g6UVoor een professionele cameraman ziet het er wat klungelig uit. Zorgui houdt een microfoon voor zijn mond, een prul verwerkt in de kabel van de oortjes die hij doorlopend ingeplugd houdt. Zijn boodschap is er niet minder pertinent om. Zorgui houdt een striemende aanklacht tegen de armoede en werkloosheid die jongeren in Kasserine treffen. Wat heeft acht jaar revolutie ons opgeleverd, vraagt hij retorisch. Alleen maar corruptie, loze beloftes en aanhoudend gevaar van terrorisme. De bijna vier minuten durende video eindigt met de oproep om een nieuwe revolutie te ontketenen, met brandende autobanden en rondvliegende stenen. Zelf, zo onderstreept hij tot tweemaal toe, zal hij alvast een eenmansrevolutie starten. Binnen 20 minuten zal hij zich overgieten met de oranje vloeistof van de fles die hij in close-up toont. Wie erbij wil zijn, moet zich naar de Place des Martyrs reppen. Nog 20 minuten, herhaalt hij, en dan steekt hij zichzelf in brand. ‘In de hoop dat de autoriteiten zich dan wel voor Kasserine zullen interesseren’.

Gsm-beeld van de zelfverbranding. Een dag later zal Zorgui aan zijn brandwonden bezwijken (still YouTube)

Het zou uiteindelijk geen 20 maar 45 minuten duren vooraleer de dreiging werd uitgevoerd. Ook daarvan circuleren beelden op de sociale media. Erg scherp zijn die niet, huiveringwekkend des te meer. Vanuit de verte valt te zien hoe een man, omgeven door een hoop omstaanders, ineens vuur vat. Schreeuwend van de pijn zet hij het op een lopen, terwijl de vlammen steeds feller oplaaien. Na tien meter zakt hij in elkaar, waarop omstaanders vergeefs proberen het vuur met hun jassen te doven. Abderrazek zal een dag later in het plaatselijke ziekenhuis aan zijn verwondingen bezwijken. Een van zijn wensen kwam meteen uit. Drie dagen op rij werd Kasserine het toneel van zware onlusten. Betogingen, plunderingen, alleen met veel traangas en massa-arrestaties slaagde de oproerpolitie erin de orde te herstellen. Ook in verschillende andere steden bracht de dood van journalist woedende betogers op de been.

Mohamed Bouazizi

Dat de schokkende beelden in Tunesië extra hard binnenkwamen, komt omdat ze een berucht precedent oprakelden. Acht jaar eerder, op 17 december 2010, stak in Sidi Bouzid een 27-jarige straatverkoper zichzelf in brand, kort nadat de lokale politie voor de zoveelste keer zijn handelswaar in beslag had genomen. De vernedering was er teveel aan voor Mohamed Bouazizi die met zijn daad protesteerde tegen de corruptie van de autoriteiten en de uitzichtloosheid van zijn bestaan. Hij stierf na een agonie van ruim twee weken, zonder te beseffen dat hij de geschiedenis zou ingaan als de aanstoker van de Arabische Lente, zelfs onwetend van de regimewissel die hij in eigen land had teweeg gebracht. Dictator Zine El Abidine Ben Ali vluchtte op 14 januari 2011 naar Saoud-Arabië, onder druk van straatprotest dat na Bouazizi’s overlijden tot een ware volksopstand was geëscaleerd.    

De Tunesische Jasmijnrevolutie wordt het enige succes van de Arabische Lente genoemd. 330 doden zijn geen detail, maar het is niks vergeleken met het bloedvergieten in Syrië, Libië of Jemen. Anders dan in Egype heeft de val van de dictatuur bovendien tot een effectieve democratisering geleid. De vrijheid van meningsuiting is verworven, het land kreeg na een woelige overgansperiode in 2014 een democratische grondwet. De huidige regering van Youssef Chahed is een wankele coalitie waarin vijf partijen plus een resem onafhankelijken de dienst uitmaken. Grofweg vallen er twee blokken te onderscheiden, de seculiere centrumpartijen versus de islamistische Ennahda. De rol van die laatste partij, ideologisch verwant met de Egyptische Moslimbroeders, is omstreden. Ennahda ondernam tussen 2011 en 2014 verwoede pogingen om de revolutie te recupereren en het van oudsher seculiere Tunesië in een islamitische republiek te transformeren. In het najaar vinden er zowel parlements- als presidentsverkiezingen plaats, de tweede stembusgang sinds de val van de dictatuur. Weinig waarschijnlijk dat de monstercoalitie, een kibbelkabinet ondermijnd door onderling wantrouwen, voor herhaling vatbaar is. Erg stabiel is het allemaal niet, maar ook politieke stabiliteit is deze regio een relatief gegeven. Terwijl we door Kasserine struinen, wordt in buurland Libië de zoveelste ronde van de burgeroorlog met zware wapens uitgevochten. De stad van 100.000 inwoners ligt vlakbij de grens met Algerije, dat andere buurland waar het straatprotest ook na het aftreden van president-voor-het-leven Bouteflika voortduurt.

De Jasmijnrevolutie _ de zoetsappige term wordt hier net zoals het begrip Arabische Lente als een verzinsel van Westerse persagentschappen uitgespuwd _ een succes? Waarom heeft een jonge journalist zich dan in brand gestoken uit protest tegen armoede, werkloosheid en corruptie, exact dezelfde motieven die Bouazizi acht jaar eerder tot zijn wanhoopsdaad aanzetten? In zijn videoboodschap legt Zorgui zelf nadrukkelijk de link. Dat de revolutie niets heeft veranderd, en dat hij geen zin heeft om zijn actie uit te stellen tot de herdenking in januari. In tegenstelling echter tot Boazizi’s zelfverbranding, bleef de impact van zijn vuurdood relatief beperkt. Na een paar dagen rellen was de rek er uit. In Tunis konden we vaststellen dat Zorgui’s naam amper nog een belletje deed rinkelen. De tijd is niet blijven stilstaan, het drama is zoals in een palimpsest door recentere verhalen overschreven. Door de dood ondermeer van 12 landarbeidsters, omgekomen in het weekend voor 1 mei in een vreselijk verkeersongeval vlakbij Sidi Bouzid. In Tunis stond het Feest van de Arbeid helemaal in het teken van het ongeluk dat niet alleen door een jammerlijke stuurfout werd veroorzaakt. Meer dan 30 arbeidsters stonden opeengepakt in de laadruimte van een bestelwagen op weg naar hun werk. Onverantwoord, maar tekenend voor de uitbuiting in de landbouwsector. Vrouwen krijgen voor een dag labeur 13 dinar (4 euro), een vierde van dat belachelijk lage bedrag gaat op aan transportkosten. In Kasserine daarentegen is Abderazzek Zorgui nog niet vergeten, al was het maar omdat er vier maanden na datum nog altijd grote onduidelijk bestaat over de precieze toedracht van zijn dood.

Le Triangle Détesté

Over een ding is Med Tahar Kadraoui alvast zeker: het is geen toeval dat het drama zich in Kasserine heeft afgespeeld. Kadraoui heeft een verleden bij de PDP, een linkse oppositiepartij die al onder Ben Ali actief was. We spreken hem op het kantoor van AMAL SDS, een door hemzelf opgericht burgerplatform dat onder meer inspraak bevordert, vorming geeft in scholen en jongeren in probleemsituaties ondersteunt. ‘Kasserine is de koortsthermometer van Tunesië’, zegt hij. ‘De opstand tegen Ben Ali is hier echt begonnen, op 5 januari 2011. Drie dagen lang was het hier oorlog, in het centrum en de cités zijn er 21 martelaren gevallen. We hebben een hoge prijs betaald en weinig terug gekregen. Natuurlijk is vrijheid van meningsuiting belangrijk, ik heb geen heimwee naar de dictatuur. Maar de corruptie en armoede zijn niet verbeterd, integendeel zelfs. Officieel bedraagt de werkloosheid hier 24 procent, 9 procent boven het landelijke gemiddelde. Een onderschatting, het echte cijfer ligt een stuk boven de 40 procent. Diploma of niet, voor jongeren is er geen werk. Iedereen droomt van Europa, vorig jaar zijn er meer dan 200 Tunesiërs in de Middellandse zee verdronken. Veel van die jongens kwamen uit deze streek”. Hij haalt er een landkaart bij. Kasserine, Sidi Bouzid, Gafsa, het zijn drie hoofdsteden van gelijknamige provincies die aan elkaar grenzen. Samen vormen ze het centraal-westelijke binnenland, de meest verpauperde, minst ontwikkelde regio van Tunesië. ‘De achterstelling is historisch gegroeid’, legt Kadraoui uit. ‘Bourguiba of Ben Ali, alle investeringen gingen naar de kustprovincies en de hoofdstad. Ondanks alle beloftes is dat na revolutie niet veranderd. Kasserine, Sidi Bouzid en Gafsa worden le triangle détesté genoemd. Dat zegt precies hoe we ons voelen, vergeten en geminacht door de overheid’.

Groezelig is een mild adjectief voor Kasserine. Die is een stad waar armoede en werkloosheid van het straatbeeld vallen af te lezen. We zijn er vlak voor het begin van de ramadan. Cafés en theehuizen zitten de hele dag vol. Uitsluitend mannen, al bestaan er volgens onze tolk ook discrete plekken voor koppels en gezinnen. Alle leeftijden zijn vertegenwoordigd, maar het overwicht van twintigers en dertigers is manifest. Ze roken, drinken thee, tokkelen op smartphones en kijken naar de zoveelste herhaling van een voetbalmatch. De Europese of Afrikaanse Champions League, de Tunesische of Engelse competitie, Koning Voetbal rijgt hier de dagen zonder werk aan elkaar. Kasserine lijkt een paradijs voor geheelonthouders, maar schijn bedriegt. Achter de schermen wordt volgens ingewijden stevig gedronken. Ook drugsverslaving is een bekend fenomeen. De stad is een draaischijf op de smokkelroute tussen Algerije en de Middellandse zee. Vooral hasj en xtc van onbestemde kwaliteit richten ravages aan in de cités.

memoriaal voor Ridha Yahyaoui die zich verhing uit frustratie over werkloosheid. (eigen foto)

Werkloosheid is ook wat Ridha Yahyaoui tot zeldmoord dreef. In 2014 knoopte de jonge man zich op nadat hij voor de zoveelste keer naast een baan had gegrepen. Zijn vergeelde foto prijkt op een memoriaal, niet ver van de residentie van de provinciegouverneur. Ook Yahyaoui’s dood gaf aanleiding tot hevig protest in Kasserine. Het probleem is er intussen niet minder accuut op geworden. Voor de imposante entree van het Gouvernorat is een geïmproviseerd tentenkamp van kartonnen dozen en paardendekens ontstaan. Een groep jonge werklozen kampeert er sinds februari vorig jaar op de trappen. ‘In het begin stonden we hier met een duizendtal’, zegt Mohamed Omri, al zeven jaar werkloos ondanks zijn masterdiploma economie. ‘Nu schieten er nog zo’n vijftig over. De autoriteiten blazen warm en koud. In het begin stuurden ze de politie om ons te intimideren, de gouverneur heeft als voorzorgsmaatregel de muur rond zijn residentie laten verhogen. Na een poosje werd er toch onderhandeld, maar behalve loze beloften heeft dat niets opgeleverd. Het is een uitputtingsslag, maar we geven niet op. Het kamp wordt dag en nacht bewoond. Ook in de winter zijn we hier blijven slapen, ondanks de barre koude’.  Vandaag zijn ze met vijftien op post, op drie na allemaal vrouwen. De gemeenschappelijke noemer: ze zijn allemaal hoog gediplomeerd en langdurig werkloos. En ze eisen niet zomaar werk, maar een baan bij de overheid. ‘In de privé-sector is nauwelijks werk’, zegt Samia Messoudi die zich als woordvoerdster opwerpt.  ‘Bovendien word je er als een wegwerpproduct behandeld. Wij eisen decente jobs’. Ze heeft een masterdiploma Arabische taalkunde, haar recentste werkervaring dateert uit 2001.

Gediplomeerde, langdurig werklozen kamperen al meer dan een jaar voor de residentie van de gouverneur om werk te eisen. (eigen foto)

intriganten

Abderrazek Zorgui hekelde in zijn videotestament het contrast. Arrogante politici drukken miljoenen dinars achterover, terwijl de zonen van Kasserine bij hun moeders om 500 millimes (een halve dinar, 15 eurocent) moeten bedelen als ze met hun vrienden een koffie willen drinken. Heeft hij zijn leven geofferd om dat onrecht aan te klagen? Hamma Zorgui gelooft er niks van. ‘Mijn broer zou nooit zelfmoord plegen’, zegt hij fel. ‘Hij hield van het leven, hij was kunstzinnig aangelegd, zoals de hele familie. Dat hij depressief was, zoals sommigen bewegen, daar is niks van aan. Hij had werk, verdiende zijn kost, kwam niks te kort. Ja, hij was gescheiden en hertrouwd, zijn vrouw was trouwens zwanger van zijn tweede kind. Stel je voor, hij heeft niet eens een afscheidsbrief achtergelaten. Tegen moeder heeft hij die ochtend alleen gezegd dat hij in het centrum een koffie ging drinken’.

Hamma, een forsgebouwde dertiger, is fotograaf. Specialiteit trouwfoto’s, zijn kleine studio in cité Ennour puilt uit van de witte plastic rozen, nepvogels en andere gelukzalige accessoires. Het leven gaat voort, de klanten blijven komen, maar die fatale dag in december heeft alles veranderd. Op zijn computer heeft hij foto’s verzameld die zijn vermoedens moeten staven: Abderrazek is in een val getrapt die onbekenden hebben gespannen. ‘Kijk naar de videoboodschap’, zegt Hamma. ‘Waarom houdt die oortjes in? Het lijkt alsof hij de woorden herhaalt die anderen hem influisteren’. Op een foto zie je Zorgui op een terras zitten, vlakbij  de plek waar hij even voordien zijn videoboodschap heeft opgenomen. Hij houdt de fles met brandstof op zijn schoot en kijkt omhoog, geconcentreerd alsof hij een overvliegende jet probeert te determineren. Niet de pose die je verwacht van iemand die op het punt staat zichzelf een afgrijselijke dood in te jagen. Op andere foto’s met een breder kader zie je dat hij gezelschap heeft. Drie jonge mannen, ze glimlachen naar de camera. Niks te verbergen, zo lijkt het wel. Volgens Hamma zitten ze nochtans mee in het complot. ‘Niemand weet wie ze zijn’, zegt hij. ‘Ze komen alleszins niet uit Kasserine, want hier kent iedereen iedereen’.

De Tunesische justitie geeft geen commentaar op lopende onderzoeken. Bekend is wel dat de speurders de piste van een complot napluizen. Een verdachte zit al maandenlang in de cel. Niet de mannen die Zorgui gezelschap hielden op het terras, wel een 18-jarige jongen die enkele straten verder in deze cité woont. Hij zou de man met de aansteker zijn, de protagonist van een verhaal dat we meermaals, ook in Tunis, optekenden. Telkens werd verwezen naar videobeelden van het gebeuren: wie goed kijkt, zou kunnen zien hoe een jongen in een blauw t-shirt achter Zorgui’s rug een aansteker opraapt en activeert. Daarom de paniekerige reactie van de cameraman die even onverwacht als ongewild in een levende toorts veranderde. Het klinkt aannemelijk, maar we hebben het tafereel met de beste wil van de wereld niet uit de schokkerige beelden kunnen distilleren. De arrestant zelf schreeuwt bij monde van zijn moeder en zijn advocaat zijn onschuld uit. Hij zou zijn buurman alleen hebben willen helpen in zijn hoge nood.

Hama Zorgui bewaart het beeld van zijn broer met de fatale fles. Zelfmoord? Ondenkbaar! (eigen foto)

Hoe, waarom en door wie zijn nochtans pientere broer zich liet manipuleren, daar heeft Hamma nog altijd het raden naar. Hebben ze hem geld geboden? Hebben ze hem wijsgemaakt dat hij als journalist de geknipte man was om een politiek statement te maken, uiteraard zonder hem te vertellen dat hij daarbij echt zou sterven? Het zijn vragen die zowel hem als zijn moeder uit zijn slaap houden. De oude vrouw woont ons gesprek zwijgend bij. ‘Ze is er nog altijd kapot van’, zegt Hamma. ‘Soms praat ze hardop tegen Abderrazek. Maar jongen toch, waarom heb je dat gedaan?’

AQMI en Daesh

Het raadsel wordt er niet minder op als we diezelfde avond Borhen Yahyaoui spreken, de correspondent van radio Mosaïque, het populairste station van Tunesië. Hij verontschuldigt zich voor het eerdere uitstel. Eergisteren heeft de Garde Nationale in de bergen rond Kasserine een terrorist gearresteerd. Groot nieuws, want het is zelden dat er zich eentje levend laat vangen. Het gaat zelfs om een uitzonderlijk interessante vangst, een 25-jarige die zich bij de AQMI, het Maghreb-filiaal van Al Qaida, had aangesloten. Betrokken bij alle grote terreuraanslagen die de voorbije jaren in de regio werden gepleegd, zoals de aanval tijdens de ramadan van 2014 op twee legerposten waarbij 24 militairen werden afgemaakt. Of de stoutmoedige raid op de privéwoning van een minister in hartje Kasserine die aan vier politieagenten het leven kostte. Begrijpelijk dat hij daarmee de handen vol had. Yahyaoui heeft zich gespecialiseerd in terrorisme, zijn recente boek over de vuile oorlog in de bergachtige grensstreek van Kasserine is een nationale bestseller. KalashSteyr, de titel verwijst naar de twee types aanvalsgeweren waarmee terroristen en militairen elkaar bekampen. ‘Behalve AQMI heeft ook Daesh (IS) actieve cellen in de bergen’, zegt Yahyaoui. ‘Toch gaat het om een beperkt fenomeen, ik schat een stuk of 70 terroristen. Te weinig om de staat echt te bedreigen, maar genoeg om veel onheil te stichten. Er zitten Algerijnen tussen, geharde jihadi’s. De meesten echter zijn Tunesiërs, afkomstig uit arme regio’s zoals Kasserine, Gafsa en Sidi Bouzid. Vooral tussen 2011 en 2014 hebben velen de overstap gemaakt, in de periode toen de islamisten van Ennahda van Tunesië een sharia-staat probeerden te maken. Ze hebben toen de deuren opengezet voor buitenlandse jihadisten, en tegelijkertijd jongeren geronseld om zelf de strijd te vervoegen. Honderden zijn toen naar Syrië en Irak getrokken, terwijl anderen in Tunesië bleven om hier te vechten’.

Dat is dus waar Zorgui in zijn finale livestream meermaals op alludeerde: we hebben de politici om werk gevraagd, maar in de plaats daarvan sturen ze ons terrorisme. Die verdachtmaking greep hij niet uit de lucht. Het gonst in Kasserine van de samenzweringstheorieën. Aanslagen worden gestuurd vanuit Tunis om op kritieke momenten de aandacht af te leiden, zoals in 2017 toen een amnestiewet voor corruptie werd goedgekeurd. Sommigen vermoeden de hand van het ancien régime. Terreur zou een middel zijn om heimwee naar het tijdperk Ben Ali op te kloppen, toen orde en rust in het land heersten, de dinar sterk stond en jaarlijks 11 miljoen toeristen de badplaatsen van Sousse, Monastir en Djerba overspoelden. Onzin volgens Yahyaoui die benadrukt dat Al Qaida en Daesh hun eigen agenda’s volgen. De radiojournalist mag het dan oneens zijn met Zorgui’s terrorisme-analyse, hij is nog altijd diep onder de indruk van de dood van de dierbare collega met wie hij vaak sigaretten rookte, koffie dronk en lol trapte. ‘Eerst dacht ik zelf aan een complot’, zegt hij. ‘Maar hoe vaker ik naar zijn afscheidsvideo keek, hoe meer ik van het tegendeel overtuigd raakte. Zijn boodschap komt erg authentiek over. De werkloosheid en armoede in Kasserine maar ook de corruptie vraten hem echt aan. Omdat hij er als journalist dagelijks mee geconfronteerd werd, en omdat hijzelf als hardwerkende dertiger nauwelijks de eindjes aan elkaar kon knopen. Ik keur zijn daad niet goed, maar ik breng wel respect op voor zijn idealisme. Dat zijn familie een andere verklaring zoekt, begrijp ik anderzijds volkomen. Vergeet ook niet dat in deze conservatieve maatschappij zelfmoord een enorm taboe vormt’.

appelsap

Samah Gharsalli was meer dan een collega van Zorgui, ze was een van zijn beste vriendinnen. We spreken de jonge hoofdredactrice van de lokale radio Cillium FM in café Diesel, een van de zeldzame gemengd theehuizen van Kasserine. Modern ingericht, het zou niet misstaan als brasserie aan de Belgische Noordzeekust. Gharsalli’s versie spoort aanvankelijk met die van Yahyaoui. ‘Abderrazek was altijd vrolijk in de omgang’, zegt ze. ‘Als hij thuis problemen had, dan kropte hij die op. Dat deed hij ook met de frustraties die hij als journalist ervoer. Hij werkte eerst als reporter bij radio Kasserine FM, de voorbije jaren was hij cameraman bij Telfza TV. Nu ja, cameraman, hij trok er vaak alleen op uit. Filmen, interviewen, monteren, hij kon alles. Abderrazek was de vliegende reporter die tot in de meest afgelegen dorpen doordrong. Hij zag de miserie van de mensen, en beschouwde zich als hun spreekbuis. Daarom heeft zijn dood zoveel emoties opgewekt. Abderrazek was in heel Kasserine bekend en geliefd’.

Net wanneer we denken dat de mist optrekt, neemt haar relaas een scherpe bocht.  Ja, ze is ervan overtuigd dat zijn ultieme livestream authentiek is. Hij wilde een politiek statement maken, het script lag klaar. Maar het martelaarschap stond daar volgens Gharsalli niet in. Haar theorie: Zorgui wilde zijn boodschap kracht bijzetten met een gefingeerde zelfverbranding. Het gefilmde resultaat zou viraal gaan op de sociale media. Hij voerde de regie en speelde de hoofdrol, maar er waren nog andere betrokkenen. De foto’s op het terras, tussen aankondiging en uitvoering, stralen de rust uit van een filmploeg tijdens een koffiepauze. Extra aanwijzing: een week voor de feiten werd op Facebook al druk gespeculeerd over Abderrazek die zichzelf in brand zou steken. Waarom de als mediastunt opgezette onderneming dan uitliep op een effectieve zelfverbranding? Iemand heeft hem geflikt, zegt Gharsalli, daarin bijgetreden door twee plaatselijke burgeractivisten die het gesprek bijwonen. Naar het wie en waarom hebben ze het raden. C’est l’état parallel, klinkt het vaag.  

Er is nog een vraag waarvoor ze moeten passen. Waarom heeft de door iedereen als intelligent omschreven cameraman zich met echte benzine _ het zou gaan om een mengsel voor mobylettes _ overgoten? Als het om een geveinsde zelfverbranding ging, dan was appelsap een even geloofwaardig maar beslist veiliger rekwisiet geweest. Hamma Zorgui snapte het niet, en ook aan deze tafel kunnen ze er niet bij. ‘Dat zal altijd een mysterie blijven’, zegt Gharsalli.

Denderleeuw, zwart én divers

verschenen in Knack Magazine, 21 november 2018

“Het oude Denderleeuw komt nooit meer terug”

foto: Franky Verdickt

Zwarte Zondag zindert na in Denderleeuw. In enkele centrumscholen met een grote Afro-gemeenschap is de triomf van extreemrechts hard aangekomen. Met vallen en opstaan hadden ze van diversiteit een troef gemaakt, en nu dit. Zelfs een afgeschaft Halloween-feestje wordt als soumission geframed. Knack polst de temperatuur in de laboratoria van Denderleeuw 2.0.

Gemeenteplein, Denderleeuw. Met een honderdtal zijn ze naar de betoging gekomen, mannen en vrouwen van verschillende leeftijden. Ze zwaaien met Vlaamse Leeuw-vlaggen, de rechtse strijduitvoering zonder rode klauwen en tong. Slogans zoals ‘Red de democratie’ en ‘Wij zijn het volk’ weerkaatsten tegen de gevel van het stadhuis. Bedoeling is dat ze doordringen tot de zaal waar straks de eerste gemeenteraad sinds de verkiezingen plaats vindt. Vlaams Belang-fractieleider Kristof Slagmulders warmt zijn achterban per megafoon op. Zijn partij, die op 14 oktober van drie naar negen zetels sprong, wordt buiten de formatiebesprekingen gehouden. ‘Denderleeuw dreigt weer een linkse coalitie te krijgen’, toetert hij. ‘De wil van de kiezer wordt verkracht’. Een van die kiezers is Kamiel Van den Borre. Gedrapeerd in een leeuwenvlag verklaart hij tegenover de correspondent van een regionale krant zijn aanwezigheid. ‘Ge kunt hier ’s avonds niet meer buitenkomen, het is hier precies Zuid-Afrika’.

We laten in het midden wat een gepensionneerde Belang-stemmer zich bij Zuid-Afrika voorstelt. Feit is dat de aanwezigheid van een aanzienlijke groep nieuwkomers met een Afrikaanse achtergrond op de verkiezingsuitslag heeft gewogen. Niet alleen in Denderleeuw waar het Vlaams Belang met 26,2 procent ruimschoots de grootste partij werd. Een boogscheut hiervandaan ligt het intussen veelbesproken stadje Ninove, waar de extreemsrechtse Forza Ninove net geen volstrekte meerderheid behaalde. Lijsttrekker Guy D’haeseleer, Vlaams parlementslid voor Vlaams Belang, draait zijn hand niet om voor wat stemmingmakerij omtrent gekleurde medeburgers. Zijn ‘chocomousse-meme’ met Afrikaanse kinderen werd zelfs door N-VA-voorzitter Bart De Wever als “walgelijk” bestempeld. In Aalst nestelde het Vlaams Belang zich met 17 procent stevig op de tweede plaats, weliswaar op respectabele afstand van de ongenaakbare burgemeester Christophe D’haese die met een opvallend homogene lijst uitpakte. Geen spoor van diversiteit bij de Aalsterse N-VA, onder de 43 kandidaten figureerde wel gewezen Belang-boegbeeld Karim Van Overmeiren die een sterke persoonlijke score neerzette. Het regende de voorbije weken analyses over de nieuwe Zwarte Zondag aan de Dender. Telkens werd de olievlek Brussel geëvoceerd, een niet te stuiten sociologisch fenomeen dat via het spoor en de Ninoofse Steenweg diversiteit en verfransing over deze hoek van Oost-Vlaanderen verspreidt. Even onvermijdelijk werd ingezoomd op  een welbepaalde categorie van nieuwkomers die met de interne migratiegolf in de Denderstreek kwam aanspoelen. Zowel in Aalst, Denderleeuw en Ninove als in Liedekerke en Erembodegem ontstonden de voorbije jaren grote gemeenschappen met roots in Sub-Saharaans Afrika.

Halloween

De snelheid waarmee deze ontwikkeling zich voltrok, blijkt nog het best uit cijfers van de Katholieke Centrumschool Denderleeuw. In het jaar 2000 telde de basisschool 4 procent kleuters en leerlingen met een niet-Nederlandstalige achtergrond. In 2005 was het aandeel al tot 18 procent opgelopen, dit schooljaar werden 52 procent allochtonen ingeschreven. ‘Die groep is heel divers’, zegt Joris Breynaert. ‘We hebben een tachtigtal moslims, meestal van Marokkaanse en Turkse afkomst. Je vindt hier ook Oost-Europeanen, Latijns-Amerikanen en zelfs enkele Walen. Maar veruit de grootste groep heeft roots in Centraal Afrika, vooral in Congo. 200 kinderen in totaal, dat is haast een school op zichzelf’. Breynaert, jarenlang directeur van het KCD, momenteel coördinerend directeur van de overkoepelende scholengemeenschap De Zevensprong, is nog niet bekomen van de verkiezingsuitslag. ‘Draai of keer het zoveel als je wilt’, zegt hij, ‘maar ruim een kwart van de kiezers heeft op 14 oktober een veto tegen diversiteit uitgesproken. Stuur die Afrikanen terug, was de impliciete boodschap, als het niet naar Congo is, dan tenminste naar Brussel waar ze vandaan komen. Absurd, alsof de lokale politiek enige invloed heeft op sociologische realiteiten zoals interne migratie. Maar dat besef sijpelt bij deze kiezers niet door. Ze hebben massaal gestemd op een partij die hen met populistische slogans laat geloven dat de verkleuring van Denderleeuw echt kan worden omgekeerd’.

Griet Daem, directrice van basisschool ’t Landuiterke, net als KCD onderdeel van De Zevensprong, deelt het onbehagen. De maandag na de verkiezingen zag ze de mails binnenlopen. Enkele ouders maakten hun beklag over het schrappen van het jaarlijkse halloweenfeest. ‘Een beslissing die al in de zomer, bij de planning van het schooljaar, werd genomen’, zegt Daem die we bij de collega’s van KCD ontmoetten. ‘Gedragen door het team, nogal wat leerkrachten vinden Halloween maar een commercieel nepfeest dat bovendien heel wat kleuters angst aanjaagt. En ja, er was nog een bijkomende reden. Een kleine minderheid van onze Afrikaanse ouders houdt zijn kinderen thuis tijdens halloween. Om religieuze redenen, het gaat om leden van bepaalde evangelische kerken waar een taboe geldt voor alles wat met de dood te maken heeft’. Het was op die bijkomende reden dat de klagers in hun gecoördineerde en opvallend getimede schrijfactie focusten. Halloween mag dan Amerikaanse import zijn, het schrappen van het feest werd één dag na de verkiezingen anders geframed: het was een kaakslag voor de Vlaamse identiteit en een zoveelste knieval voor de vreemdelingen die de school en bij uitbreiding heel Denderleeuw overspoelen. Een schoolvoorbeeld van identitaire recuperatie, vergelijkbaar met de heisa die de Brugse N-VA-senator Pol Van den Driessche enkele weken eerder maakte over omdopen van de Kerstmarkt tot Wintermarkt.

De anekdote speelt zich niet toevallig af in de Kruisstraat waar basisschool ’t Landuiterke een tweede campus heeft. De diversiteitsindex ligt er nog hoger dan bij KCD, waarmee het schooltje overigens een getrouwe afspiegeling biedt van haar omgeving. De wijk Leeuwbrug vlakbij het station is erg in trek bij nieuwkomers, vaak mensen uit de Afrikaanse gemeenschap in Brussel die door de lage vastgoedprijzen worden aangetrokken. Hier vind je nog een royaal rijhuis voor 150.000 euro, huurprijzen liggen de helft lager dan in de hoofdstad. Met de trein is het bovendien maar een kwartier sporen naar het werk of de familie in de hoofdstad. Maar er is nog een pull factor: onderwijs. ‘Afrikaanse ouders zijn net zoals alle ouders’, zegt Breynaert. ‘Ze willen het best mogelijke onderwijs voor hun kinderen, bij voorkeur in Vlaanderen. Niet dat het voor kinderen altijd een cadeau is. We schrijven soms leerlingen in het vijfde of zesde leerjaar in die recht uit Franstalig onderwijs komen en een grote achterstand voor Nederlands en wiskunde hebben. Niet simpel, voor het kind noch voor de school’.

’t Landuiterke voert een eigen spreidingsbeleid. Een twaalftal kinderen neemt ’s morgens bij het station de bus naar de veel wittere hoofdschool in de Landuitstraat. ‘Een confronterende ervaring”, zegt Daem die de kinderen vaak begeleidt. ‘Zwarte kinderen die luid praten, en dan soms nog in het Frans. Voor sommige busgebruikers is dat een brug te ver. Ze spuwen hun gal, zonder te beseffen dat onze leerlingen hen wel begrijpen. Heel wat van die kinderen zijn echte polyglotten, we zijn hier trouwens een perfect tweetalige generatie aan het klaarstomen’.

jobs, jobs, jobs

De ‘invasie’ terugdraaien? Een blik op de speelplaats van de KCD zou moeten volstaan om die illusie te kelderen. Kinderen ravotten als vanouds, zichtbaar kleurenblind. ‘In het begin registreerden we wel eens een ongepaste opmerking’, zegt Ann Van Durme die Breynaert als directeur is opgevolgd. ‘Dan klonken er kreten zoals ‘vuile zwarte’. Ik ben niet zeker of het racistisch bedoeld was, het blijven tenslotte kinderen. Maar de jongste jaren horen we helemaal geen wanklanken meer. Het zijn volwassenen en gepensionneerden die moeite hebben met de veranderingen, voor deze kinderen is diversiteit vanzelfsprekend. Ze zijn de toekomst van Denderleeuw, een toekomst die we hier zo goed mogelijk voorbereiden. Natuurlijk heeft onze school wat heet een moeilijk publiek. We scoren erg hoog in de SES-cijfers, vooral door de anderstalige thuissituatie. Dat heeft ook een voordeel in het Vlaamse onderwijssysteem, want het geeft ons recht op negen extra zorgleerkrachten die we inzetten voor doorgedreven differiëntering en taalondersteuning. Met resultaat: de meeste van onze leerlingen stromen door naar A-richtingen in het middelbaar’.

Foto: Franky Verdickt

Van Durme, opgegroeid in de wijk Leeuwbrug, zelf 27 jaar voor de klas gestaan, doet er niet hypocriet over. De verkleuring is haar en haar collega’s overvallen. ‘Het is heel snel gegaan. We hebben met het hele team een nieuwe aanpak gezocht, een proces van vallen en opstaan. Voor Nederlandse taalverwerving en ouderbetrokkenheid moesten we het bord helemaal afvegen en van nul herbeginnen. We hebben pilootgroepen opgericht, voortrekkers die nagenoeg iedere woensdag nableven om te brainstormen. Niet iedereen in het team was daar klaar voor, zo’n transitie gaat met een rouwproces gepaard. Gelukkig viel de omslag samen met de instroom van heel wat jonge leerkrachten’. Dat mag geen toeval heten. Samengeteld steeg de populatie van KCD en ’t Landuiterke sinds 2006 van 600 naar 1.000 leerlingen, een winst die volledig op het conto van intene migratie valt te schrijven. ‘De verkleuring heeft onze centrumscholen een nieuw elan gegeven’, zegt overkoepelend directeur Breynaert. ‘Jobs, jobs, jobs, is dat niet wat de regering Michel wil? Wel dan, diversteit creëert jobs’. 

Niet dat alles rozengeur en maneschijn is. KCD krijgt geregeld leerkrachten van landelijk gelegen zusterscholen op werkbezoek. ‘Die zetten grote ogen’, zegt Van Durme. ‘Ik heb  er nog niet één gekend die wilde ruilen, ook al omdat leraren op deze school harder moeten werken dan collega’s die een homogeen Vlaams publiek bedienen. Maar het omgekeerde is evenzeer waar: niemand van mijn team wil naar een school op het platteland verhuizen. Het is misschien hard werken, maar we krijgen veel terug. Ik ben er trouwens van overtuigd dat we nu veel beter onderwijs bieden dan pakweg twintig jaar geleden. Ook aan de Vlaamse kinderen’.

Vlaamse ontvoogding

2006, het jaar waarin de kaap van 20 procent anderstaligen werd genomen, was een kantelpunt. Samen met de even diverse basisschool van het GO!-Atheneum trokken KCD en ’t Landuiterke bij het gemeentebestuur aan de alarmbel. Deze uitdaging ging hun krachten te boven, de scholen vroegen ondersteuning. De démarche leidde onder meer tot het benoemen van een gemeentelijke schoolopbouwwerker, een ervaren kracht die in Gent werd weggeplukt. ‘Daar hebben we veel aan gehad’, zegt Van Durme. ‘Ze haalde experts onderwijs en diversiteit naar Denderleeuw. Mensen zoals Piet Van Avermaet, de Gentse professor taalkunde die ons nieuwe inzichten over de verwerving van Nederlands heeft aangebracht. We hebben daar echt mee geworsteld: moeten we kinderen straffen als ze onder elkaar op de speelplaats Frans spreken? Die piste hebben we gelukkig snel verlaten. Het is wetenschappelijk onderbouwd: als kinderen hun thuistaal mogen hanteren, voelen ze zich beter in hun vel waardoor ze ook sneller Nederlands leren’.

Toch ontstond er opschudding toen het nieuwe speelplaatsreglement in de streekpers uitlekte. Frans spreken op de speelplaats van de Kruisheren, waar ging dat naartoe? De naam van de stichtende congregatie, tevens verbonden aan het aanpalende IKSO-college, rijmt in de streek met Vlaamse ontvoogding. Zowel Van Durme als haar collega Daem pleiten voor pragmatiek. Ja, brieven aan ouders worden ook in het Frans verstuurd. Tijdens oudercontacten staan vrijwilligers-tolken klaar. De onthaaldag wordt voor Nederlandsonkundige ouders in een aangepaste en meertalige formule overgedaan. ‘Natuurlijk moedigen we de ouders aan om Nederlands te leren’, zegt Van Durme. ‘We organiseren zelf cursussen in samenwerking met het Centrum voor Basiseducatie. Maar we moeten realistisch blijven. Van ouders die pas vanuit Brussel zijn verhuisd, kun je niet verwachten dat ze de Nederlandstalige uitleg tijdens de onthaaldag of het oudercontact snappen. Voor ons primeren altijd de onderwijskansen van het kind’.

Van Durme overweegt nog een stap verder te gaan. Thuistaal toelaten in de klas, ook dat is volgens onderwijsexperts heilzaam voor welbevinden en leerwinst. Voorlopig blijft dat nog toekomstmuziek, want niet alle teamleden geloven in deze vorm van pedagogisch driebanden. Het toont echter aan hoe ver ze gaat in het omarmen van de diversiteit, al knagen er soms twijfels. Ze kent kinderen die letterlijk in de schaduw van de KCD wonen en toch in deelgemeente Welle school lopen. Het zijn uitzonderingen, de gevreesde witte schoolvlucht is uitgebleven. ‘Toch mag het hier stoppen’, zegt Van Durme. ‘Onze nieuwe aanpak werkt goed, maar wat als de verhouding naar 70/30 doorschiet? Pas op, ook dan zullen we er het beste proberen van te maken. Maar simpel is het allemaal niet’.

ouderbetrokkenheid

Peter Van Hove, directeur van de GO!-basisschool in de De Nayerstraat, maakt er een erezaak van: bij nieuwe inschrijvingen verwelkomt hij de ouders in hun thuistaal. Soms is dat Italiaans of Roemeens. ‘Dat gaat niet altijd even vlot’, geeft hij toe, ‘maar het wordt geapprecieerd door zowel ouders als kinderen’. Meestal echter bedient hij zich van de taal van Molière. ‘Meer dan de helft van onze kinderen spreekt thuis Frans’, zegt Van Hove. ‘Vooral moslims en Afrikanen, al zitter er daar ook tussen die Engels spreken. Op de speelplaats klinken alle talen door elkaar, maar Nederlands is de bindtaal. Logisch, want we hebben hier nog altijd een aanzienlijke groep Vlaamse kinderen’. Ook Van Hove spreekt over diversiteit als een kans. Sinds zijn aantreden in 2012 kent de school na een moeilijke periode weer een forse groei: van 416 naar 600 leerlingen, overwegend kinderen van nieuwe Denderleeuwenaars. De pragmatische taalpolitiek is niet het enige raakvlak met de katholieke centrumscholen. Onder impuls van de gemeentelijke schoolopbouwwerker ontstond een officieus, netoverschrijdend samenwerkingsverband. In de drie scholen werd een video opgenomen om de usances van het Vlaamse basisonderwijs te verduidelijken. De film, voorzien van Franse en Engelse ondertitels, liep helaas twee jaar vertraging op, een gevolg van de bestuurscrisis die Denderleeuw verlamde nadat N-VA-burgemeester Jan De Dier in november 2014 zijn meerderheid verloor.

Ook Van Hove en zijn team hebben met zoeken en tasten een nieuwe onderwijsmethode ontwikkeld. GOVA, heeft hij het genoemd, gedifferentieerd onderwijs met vakankers. ‘Van de jongste kleuters tot en met de kinderen van het vierde leerjaar hebben we voor alle vakken een referentieleraar aangeduid, een vakspecialist die zijn collega’s helpt met de lesvoorbereidingen. In de graadklas van het vijfde en zesde leerjaar passen we het systeem van het secundair onderwijs toe, met gespecialiseerde leerkrachten die alleen hun vak geven in alle klassen. We scoren dankzij dit systeem flink boven het Vlaamse gemiddelde op de OVSG-eindtoetsen. Straf, met ons publiek’.

Foto: Franky Verdickt

Ouderbetrokkenheid blijft zijn grootste kopzorg, al heeft voortschrijdend inzicht al veel  beterschap gebracht. Briefjes in de agenda, zelfs in het Frans gesteld, blijven vaak ongelezen. Dus belt de school ouders persoonlijk op om afspraken voor bijvoorbeeld het oudercontact te maken. Dat werkt goed, net zoals de oudergroepen waarin mama’s en papa’s uit de Afrikaanse gemeenschap een brugfunctie vervullen. Ze wijzen andere ouders op het belang van betrokkenheid, er wordt geëxperimenteerd met thema-avonden rond schoolse onderwerpen waarbij de ouders tegelijk vakjargon  leren in het Nederlands. Vooral bij de oriëntatie richting secundair ontstaan er wel eens misverstanden. Met name Congolese ouders, zo vernamen we meermaals, mikken erg hoog. Zoon- of dochterlief wordt advocaat of dokter, andere uitkomsten worden minderwaardig geacht. Dan valt er wat uit te leggen als het studieadvies richting TSO of BSO wijst. Administratieve rompslomp in een orale cultuur, het is een van de thema’s waarmee de schoolopbouwwerker hier aan de slag ging. Goed initiatief van het gemeentebestuur, vindt ook Van Hove. Jammer alleen dat de schoolopbouwwerker al na twee jaar in een andere functie werd benoemd, en dat het daarna nog eens twee jaar duurde vooraleer een opvolger werd aangesteld. ‘Ik heb nog in Gent gestaan’, zegt Van Hove. ‘Daar financiert de stad per school van deze omvang een voltijdse  opbouwwerker. Dat zou hier echt geen overbodige luxe zijn’.

Pierre Kompany

Half vier. Ouders stromen in al hun diversiteit binnen om hun kroost op te halen, onverschillig voor de Vlaamse strijdvlag die aan de overkant van de schoolpoort wappert. Ooit was het cachet van Vlaams Belang een sociaal stigma. Dat is voltooid verleden tijd, althans in de Denderstreek. Ook anderhalve week na de verkiezingen glunderen de extreemrechtse kandidaten van achter ramen en op plakaten in voortuintjes. ‘Eerst onze mensen’, de boodschap is hier aangekomen. Maar even opvallend: verschillende lijsten pakten uit met gekleurde kandidaten. Zelfs de N-VA, waar Jean Liwoke zijn Afrikaanse oorsprong met een originele flamingantische pedigree wist te rijmen. Zijn vader, zo presenteert hij zich op de website, was een wees die door Vlaamse priesters werd opgevoed, vandaar zijn gevoeligheid voor het V-ideaal. Hij werd niet verkozen, in tegenstelling tot Chancelvie Okitokandjo die voor CD&V in de nieuwe gemeenteraad mag gaan zitten. Twee andere kandidaten uit de Afrikaanse gemeenschap, van Groen en CD&V, grepen nipt naast een zetel. En zo wordt een 26-jarige rechtenstudente uit de wijk Leeuwbrug de enige stem van divers Denderleeuw. Zwaar ondervertegenwoordigd, want intussen heeft al een vijfde van de 20.000 inwoners een niet-Europese afkomst. ‘Afrikanen’ vormen met zowat 3.000 zielen veruit de grootste groep niewkomers. ‘Het had op 14 oktober anders kunnen lopen’, zegt Okitokandjo. ‘Heel wat Afrikaanse mensen hebben niet gestemd, vooral diegenen die nog geen Belgische nationaliteit bezitten. We hebben die groep nochtans sinds april actief aangespoord om zich als kiezer te laten registreren, maar velen generen zich voor hun Congolese, Rwandese of Kameroenese identiteit’.

Aan strijdlust ontbreekt het Okitokandjo niet. De coalitiebespreingen zijn nog in volle gang, maar ze wijst een schepenmandaat niet a priori af. Na de stembusuitslag regende het felicitaties, zowel van de Afrikaanse gemeenschap als van Vlaamse vrienden. Vergelijkingen met Pierre Kompany, straks burgemeester van Ganshoren, waren niet van de lucht. Okitokandjo scoorde onder meer met een Facebook-filmpje waarin ze in vlekkeloos Nederlands haar geloof in een divers Denderleeuw belijdt. Grootmoedig voor iemand die in haar heimat geregeld met plat racisme werd en wordt geconfronteerd. Tegenliggers die abrupt van stoep wisselen alsof ze een besmettelijke ziekte vrezen, treinreizigers die liever rechtstaan dan naast haar plaats te nemen, zieke commentaren aan de kassa van de Delhaize, het zijn ervaringen die ze met vele Afro-Denderleeuwenaars deelt. ‘Vaak wordt er agressief gereageerd als je Frans spreekt’, zegt ze. ‘Nu ken ik de gevoeligheden wel van de taalkwestie in Vlaanderen, maar dit snap ik niet. Wat is er mis met tweetaligheid? Ik zie daar alleen een troef in’.

Als ze desondanks optimistisch blijft, dan komt dat onder meer door haar ervaring op school. ‘Ik heb op het katholieke IKSO gezeten’, zegt Okitokandjo die tot haar elfde in Nederland woonde. ‘Een goede school, nooit racisme of discriminatie ervaren. Hetzelfde verneem ik van mijn Belgisch-Rwandese vriendin die op het Atheneum heeft gezeten en nu als advocate werkt. Toegegeven, de scholen zijn sindsdien nog veel diverser geworden. Ik kom nog geregeld in het IKSO waar mijn jongste zusje zit. Ik sta soms zelf versteld van de verkleuring. Het is erg snel gegaan, en ik begrijp dat oudere Denderleeuwenaars het daar moeilijk mee hebben. Maar ze moeten de realtieit onder ogen zien. Het Denderleeuw van vroeger komt nooit meer terug’.

Ooit komt het allemaal wel goed. Bij het GO! in de De Nayerstraat kaarten leerkrachten na over het voorbije Halloweenfeest. Het was heel eng, erg donker en vooral een groot succes. Zo’n 250 kinderen en ouders waren door tot griezeltunnel verbouwde gangen op de eerste verdieping gelopen. Onder hen kinderen die met de zegen van hun ouders religieuze en culturele taboes opzij hadden gezet. ‘Typisch’, zegt een lerares. ‘Alle reden zijn goed voor een verkleedpartijtje. Karnaval, dat zit hier in ‘t bloed’.  Ook bij nieuwe Denderleeuwenaars.

Barcelona, gedeelde hoofdstad van een verdeelde regio

Knack, 13 juni 2018

“Net zoals in het voetbal volstaat het in de Spaanse politiek niet de tegenstander te overwinnen, het is de bedoeling hem te vernederen en in de grond te boren”

De vlaggenstrijd in Barcelona staat op een laag pitje, maar de politieke verdeeldheid blijft pieken. Catalaanse separatisten en Spaanse constitutionalisten bekijken de wereld door een verschillende bril. De eersten spreken van politieke gevangenen, de anderen van criminelen die hun verdiende loon krijgen. Knack zocht beide kampen op. “Pas als de ratio terugkeert, kan er worden onderhandeld”.

Plaza de Catalunya.  Permanent protest 'tot president Puigdemont terugkeert' (eigen foto)

Plaça de Catalunya. Permanent protest ‘tot president Puigdemont terugkeert’ (eigen foto)

Er zijn slechtere plekken voor politieke activisten om hun tenten op te slaan dan de Plaça de Catalunya. Het meest centraal gelegen plein van Barcelona is naar dagelijkse gewoonte volgestroomd met toeristen. Zeggen dat het ook stormloopt bij de stand met geel-rode vlaggen zou de waarheid geweld aandoen. De meeste passanten hebben vooral oog voor de imposante fontein, als ze al niet vertwijfeld op zoek zijn naar de goed verstopte ingang van het ondergrondse metro- en treinstation. Maar tevergeefs kun je de moeite van de independentistes niet noemen. Een Japans koppeltje maakt selfies bij de portrettengallerij van verbannen en opgesloten Catalaanse leiders, moeilijker dan je denkt met een ijsje in de hand. Op de tafel liggen geel-rode pins en andere prullaria, zoals sleutelhangers in de vorm van de onafhankelijke republiek Catalonië. Er zijn gegadigden voor, zowel toeristen als Catalanen die doorgaans gretig hun handtekening plaatsen op de petitie ter vrijlating van de ‘presos politics’ , de politieke gevangenen.

In de schaduw van een grote luifel zijn vrouwen met breipriemen en rood-gele wol in de weer. ‘Een symbolische actie’, zegt Philippe Carton grijnzend. ‘Ze breien aan de onafhankelijke republiek’. Carton is het perfecte aanspreekpunt achter de toonbank. Catalaans, Spaans, Frans of Engels, hij kan in alle talen even vlot uitleggen waarom dit bivak al meer dan een half jaar stand houdt. ‘We zijn hier neergestreken na het afzetten van Carles Puigdemont’, zegt hij. ‘Hij is en blijft onze wettelijk verkozen president. We blijven hier staan, totdat hij in zijn functie wordt hersteld en alle politieke gevangenen worden vrijgelaten’.

Jordi Pujol

Carton, een prille zestiger, blijkt een geboren Brusselaar te zijn. Als kind verhuisde hij naar Barcelona, mee met zijn vader die door werkgever Agfa-Gevaert werd uitgestuurd. Hij liep er school, werkte er zijn hele carrière als bedrijfseconoom voor verschillende multinationals, totdat hij door gezondheidsproblemen thuis kwam te zitten. De vrijgekomen tijd gaat op aan de strijd voor de Catalaanse zaak waarmee hij een passioneel huwelijk heeft gesloten. ‘Ik ben altijd al een nationalist geweest’, zegt hij. ‘Al van toen ik op het Lycée Français zat, samen overigens met de vorige Catalaanse president Artur Mas. Nationalisme heeft hier niks met etniciteit te maken, er zijn heel wat “nieuwkomers” zoals ikzelf die zich met de Catalaanse zaak identificeren. Ook ideologisch gaat het erg breed. Historische leiders zoals Jordi Pujol en Artur Mas zijn eerder conservatief-liberaal. Niet mijn strekking, ik noem mezelf een radicaal-linkse republikein’. Toch heeft hij de volgende stap naar het separatisme pas recent gezet, op 01-10. De tijdstempel verwijst naar het door de Spaanse overheid verboden en gesaboteerde onafhankelijkheidsreferendum. ‘Die dag ben ik independentist geworden’, zegt hij. ‘Ik heb ganse dag piket gestaan om mijn stembureau tegen het extreme politiegeweld te beschermen’.

De Belgische Catalaan en pro-independentist Philippe Carton. Op de achtergrond zitten vrouwen te 'breien voor de republiek'. (eigen foto)

De Belgische Catalaan en pro-independentist Philippe Carton. Op de voorgrond zitten medestanders te ‘breien voor de republiek’. (eigen foto)

Terwijl we staan te praten wordt een paar huizenblokken hiervandaan een nieuw hoofdstuk geschreven van de politieke soap die de Catalaanse crisis is geworden. Het Parlament zal de 55-jarige advocaat en radicale nationalist Quim Torra als nieuwe president van de tot nader order Spaanse deelstaat Catalonië benoemen. Eerdere pogingen om Carles Puigdemont vanuit zijn ballingoord als president te installeren, werden door Madrid met grondwettelijke en strafrechterlijke banbliksems verijdeld. Ook andere kandidaten, allemaal vervolgd of zelfs opgesloten door de Spaanse justitie, sneuvelden na uitputtende procedureslagen. Tegen Quim Torra kon Madrid geen bezwaar maken, de gewezen voorzitter van de Catalaanse cultuurbeweging Òmnium is een nieuwkomer in de politiek. Toch verliep de stemming kantje boord. De nationalistische regeringspartijen JxCat en ERC, die bij de verkiezingen van 21 december in gespreide slagorde opkwamen, hingen af van de gedoogsteun van de CUP. Deze radicale, anarcho-marxistische beweging is behalve uitgesproken republikeins erg tegendraads. Voor de CUP is en blijft Carles Puigdemont de enige wettige president.  Pas na een woelig partijcongres, tussen twee benoemingsdebatten door, werd besloten dat de vier CUP-vertegenwoordigers zich zouden onthouden zodat Torra met één stem overschot kon worden geïnstalleerd.

Ook Torra, die tijdens zijn aanvaardingsspeech zijn vaste voornemen uitsprak om van Catalonië een onafhankelijke republiek te maken, erkent Puigdemont als de morele president. Uit piëteit weigert hij het kantoor van zijn afgezette voorganger te gebruiken. Belangrijker nog: hij vloog onmiddellijk naar Berlijn voor topoverleg met Puigdemont die geen enkele moeite doet om te verbergen wie er in Catalonië aan de touwtjes zal trekken. Puigdemont zit nog altijd vast in Duitsland, in afwachting dat een plaatselijke rechter zich over het Spaans uitleveringsverzoek tegen zijn persoon uitspreekt. Die onzekerheid belet hem niet om alvast de leiding te claimen van de Consell de la República, een nog op te richten schaduwregering in ballingschap.

polarisering

Merkwaardig genoeg heeft Philippe Carton de veelbesproken tweets van de nieuwe president niet gelezen. De oppositie, het plaatselijke Cíudadanos-boegbeeld Inés Arrimadas op kop, heeft er nochtans een enorm drama van gemaakt. De fragmenten, opgegraven uit Torra’s Twitter-feed en bijdragen aan diverse nationalistische fora, gemiddeld vijf tot tien jaar oud, waren dan ook op zijn minst aangebrand. Of wat te denken van metaforen waarin Spanjaarden met dieren en genetische afwijkingen worden vergeleken, of beschouwingen over het Castilliaans dat zich als een plaag in Catalonië verbreidt? Torra’s excuses werden door Cíudadanos (Cs) niet aanvaard. De liberale partij, grote overwinnaar van de Catalaanse verkiezingen van 21-12, maakt zich op voor een keiharde oppositiekuur. Zo is ze fel gekant tegen het opheffen van het beruchte artikel 155, een noodwet die na de referendumcrisis door Madrid werd geactiveerd om Catalonië onder bestuurlijke en budgettaire voogdij te plaatsen. Met het aantreden van de regering Torra houdt de uitzonderingstoestand in principe op. Nationale ambities zijn niet vreemd aan de onverzoenbare opstelling van Cs. De partij van Albert Rivera, gesticht en groot geworden in Catalonië, scoort intussen in heel Spanje en is volgens recente peilingen de Partido Popular (PP) van premier Rajoy voorbijgestoken. De Catalaanse crisis, die buiten de regio tot een opstoot van Spaans nationalisme heeft geleid, is één van de voornaamste groeifactoren. Voorts toont Cs zich als maagdelijke partij erg bedreven in het verzilveren van de corruptieschandalen die vooral de PP en in mindere mate de socialistische PSOE teisteren. ‘Ik heb niks met Quim Torra’, zegt Philippe Carton na een wat ongemakkelijke stilte. ‘Carles Puigdemont blijft in mijn ogen de echte president. Ik heb hem persoonlijk leren kennen. Puigdemont is intelligent en beginselvast, ik zie niemand van zijn niveau in Catalonië’.

Jordi Cantavela, een overtuigd republikein die in december voor de CUP stemde, is al evenmin fan van Quim Torra.’Konden ze echt geen jong en fris gezicht vinden?’, moppert hij. ‘Bij voorkeur een vrouw die het in de media of het parlement tegen Inés Arrimadas kan opnemen. Heb je die al eens bezig gezien? Ik heb een hekel aan haar partij en haar standpunten, ze haat alles wat Catalaans en nationalistisch is. Maar ik moet toegeven dat ze er goed uitziet. En wat erger is, ze is slim en welbespraakt’. Cantavela, auteur van onder meer een succesroman over de Spaanse burgeroorlog, woont met zijn Franse vrouw en twee zonen in Sants, hartje Barcelona. Een republikeins bastion, had hij aan de telefoon gezegd. En inderdaad, er hangen iets meer vlaggen dan gemiddeld, en de balans slaat nog meer dan elders door naar de republikeinse kant. Gele stroppen, symbool voor de poltieke gevangenen en ballingen, flankeren republikeinse standaarden die zich met hun ster van de gewone Catalaanse banier onderscheiden. Die laatste zorgen voor een contrapunt, net zoals de Spaanse vlaggen die evenmin ontbreken. Toeristen echter kunnen perfect van een citytrip terugkeren zonder erg te hebben in de politieke crisis. De echte polarisering speelt zich op een ander niveau af.

Cantavela heeft de beelden op zijn smartphone staan. Een verwoest cultuurcentrum in de Barcelonese buitenwijk Sarrià, gevolg van een brandstichting door onbekenden die een vistitekaartje achterlieten. Op de muren werden hakenkruisen gespoten, naast slogans tegen de CDR, een militante, republikeinse burgerbeweging die na 1-O werd opgericht en waarvan een afdeling een onderkomen in het uitgebrande centrum had gevonden. ‘Geen alleenstaand geval’, weet Cantavela. ‘Het maakt deel uit van de Spaanse strategie, net zoals het systematisch vervolgen en opsluiten van nationalisten. Ze proberen ons te provoceren, om het imago van de geweldloze onafhankelijkheidsbeweging onderuit te halen. Ik heb er geen goed oog in. Als we op deze weg verder gaan, eindigt het in bloedvergieten. Ook aan onze kant zitten immers heethoofden’. Cantavela, even vloeiend in het Spaans als in het Catalaans, mag dan volbloed republikein zijn, hij kan de situatie van een afstand bekijken. Polarisering is geen regionale, Catalaanse specialiteit, aldus de schrijver die de term futbolisación laat vallen. Net zoals in het voetbal volstaat het in de Spaanse politiek niet de tegenstander te overwinnen, het is de bedoeling hem te vernederen en in de grond te boren. Symbolisch en ander geweld worden daarbij niet geschuwd. ETA maakte er een sport van tegenstanders dood te wensen door schietschijven met hun naam op muren te kalken. Vandaag lenen sociale media zich voor dat soort psychische terreur. Met effect: geen enkele Spaanse politicus van betekenis waagt zich zonder lijfwacht buiten zijn deur. Volgens Cantavela zet de futbolisación zich nu ook in de Catalaanse samenleving door. Verhalen over families, vrienden en collega’s die door slaande ruzies over de crisis worden uiteengerukt, kan hij alleen maar bevestigen. ‘De kloof loopt zelfs door mijn eigen familie’, zegt hij. ‘Een van mijn tantes is tientallen jaren geleden naar Alicante verhuisd. Ze volgt het nieuws uitsluitend via Spaanse media die virulent anti-Catalaans zijn. Carles Puigdemont, dat is in haar ogen een misdadiger die in de gevangenis hoort. Het zal je niet verbazen dat we bij familiefeestjes niet over politiek praten’.

lekke autobanden

Of ik een kijkje wil nemen in het halfrond? Héctor Amelló opent de dubbele, gecapitonneerde deur waarachter zich een fraai decor van pluche en schermerlicht openbaart. Daar, aan de rechterkant van het tot op het bot verdeelde parlement, heeft hij tot twee keer toe nee gestemd tegen de kandidatuur van Quim Torra. Amelló, gemeenteraadslid voor Cs in Figueras, raakte op 21 december voor het eerst verkozen. ‘Figueras ligt in de provincie Girona, bekend als een nationalistisch bastion’, vertelt hij. ‘Toch is onze partij van twee naar vier zetels gesprongen, een onverhoopt succes’. De jonge dertiger is een hybride geval. Zijn ouders komen uit Aragon, een aangrenzende regio waar in vele dorpen Catalaans als voertaal wordt gebruikt. Hij spreekt de taal wel, ook al werd hij in Figueras in het Spaans opgevoed. In 2009 sloot hij zich bij Cíudadanos aan, een partij die nauwelijks vier jaar eerder werd opgericht met als hoofdobjectief een dam opwerpen tegen het Catalaans nationalisme. ‘Ik besefte meteen dat die stap een onuitwisbare stempel zou drukken’, zegt hij. ‘Die verwachting is ook uitgekomen, al viel het aanvankelijk nog mee. Vrienden maakten grapjes. Plaagstoten, maar niet geheel onschuldig. De sfeer is beginnen verslechteren toen de nationalisten in 2014 hun Procés lanceerden, het stappenplan naar de onafhankelijkheid. Discussies werden bitterder, jeugdvrienden staken de straat over als ze je tegenkwamen of weigerden een hand’. Volgens Amelló is die polarisering inherent aan nationalisme, een woord dat bij zijn partij haast altijd door het adjectief identitair vergezeld gaat. ‘Al wie niet voor onafhankelijkheid is, wordt als een vijand van het Catalaanse volk gezien’, zegt hij. ‘Ik kreeg zelfs het verwijt dat ik tegen Catalonië ben. Absurd, ik ben hier geboren en getogen, hoe kan ik dan tegen mezelf zijn? Ook mensen die hier veertig jaar geleden zijn aangekomen en hun leven lang aan de welvaart van Catalonië hebben bijgedragen, krijgen nu te horen dat ze niet meer welkom zijn. Dat vind ik even erg’.

Van de brandstichting in een nationalistisch cultuurcentrum in Sarrià heeft hij nooit gehoord. Intimideren van independentistas? ‘Ik beweer niet dat het niet gebeurt’, zegt hij. ‘Maar het gaat om geïsoleerde gevallen. Daar zit het verschil met de andere kant. Het intimideren van onze mandatarissen wordt door de nationalistische partijen aangemoedigd. Zelf mag ik niet klagen, als ik de bagger en bedreigingen op de sociale media buiten beschouwing laat. Girona is een provincie met twee gezichten. In de hoofdstad en aan de kust wonen veel nieuwkomers, vooral arbeidsmigranten uit Spanje, maar ook expats en toeristen die hier blijven plakken zijn. Op het platteland en in de bergen staan de nationalisten veel sterker. Onze mandatarissen hebben het daar erg zwaar. Ze worden op straat uitgescholden, hun gevels worden beklad en hun autobanden lek gestoken. Van de plaatselijke autoriteiten, allemaal in handen van de nationalisten, moeten ze geen hulp verwachten. In die dorpen hangen de republikeinse vlaggen gewoon aan gemeentehuizen en schoolgebouwen, naast slogans over politieke gevangenen. Dat kan eigenlijk niet. Openbare gebouwen moeten neutraal zijn, ze horen geen propaganda uit te dragen die de helft van de Catalanen als een provocatie ervaart’.

gevelprotest tegen opsluiting nationalistische leiders (eigen foto)

gevelprotest tegen opsluiting nationalistische leiders (eigen foto)

karate

Het is een lange metrorit naar Santa Coloma de Gramenet. Ooit een zelfstandige gemeente, intussen opgeslokt door de grootstad. Ik word er opgewacht door Pedro Hidalgo, een kalende man van 49 met een energieke handruk. Hij werkt na zijn uren als karate-instructeur en schrijft boeken over martial arts die ook in België aftrek vinden. Politiekorpsen, zowel de Catalaanse Mossos als de Spaanse Guardia Civil, huren hem in voor oefensessies. Misschien verklaart dat zijn cassante visie op het lot van de intussen al negen Catalaanse leiders die achter de tralies zitten. ‘Ik noem hen geen politieke gevangenen’, zegt hij. ‘Als je politiewagens beschadigt en openbare oderhandhavers belemmert in hun functie, dan moet je daar maar de gevolgen van dragen. Waarmee ik niet zeg dat het politiek verstandig is hen zolang op te sluiten. Neem van mijn aan dat premier Rajoy daar zelf niet gelukkig mee is. Moest ERC-leider Oriol Junqueras op vrije voeten lopen, dan zou Carles Puigdemont vanzelf een toontje lager zingen. Het verschil tussen de leiders van de twee nationalistische partijen is pijnlijk om aan te zien. Die arme Junqueras kan via zijn advocaat hooguit één tweet per week versturen, en ondertussen heeft Puigdemont in Brussel of Berlijn iedere dag de wereldpers aan zijn voeten liggen’.

Karate is slechts een hobby. Hidalgo leidt een bedrijf dat computers, netwerken en bewakingscamera’s installeert. Gemeentebesturen zijn voorname klanten, wat meteen verklaart waarom hij goede contacten onderhoudt met alle politieke partijen. Het belet hem niet zijn sympathie voor Inés Arrimadas en haar Cíudadanos te bekennen. ‘Ze hebben interessante ideeën’, vindt hij. ‘Meer aandacht voor Spaans in het onderwijs, dat wordt hoog tijd. Thuis spreek ik Catalaans met de kinderen, maar ik ben perfect tweetalig. Vader heeft roots in Andaloezië, langs moederskant ben ik Catalaans. Mijn oma sprak zelf geen woord Spaans, haar dochter mocht op school dan weer geen Catalaans spreken. Het onderdrukken van de streektaal onder Franco, daar worden veel mythes over verkocht. Ja, Catalaans werd niet geduld op school of in openbare diensten. Maar thuis en op straat sprak iedereen Catalaans zoveel hij wilde. Het is een goede zaak dat die discriminatie na de dictatuur werd opgeheven. Ik ben zelf een trotste Catalaan, ik speek de taal met mijn zonen die niet voor niks Catalaanse namen hebben gekregen. Maar mettertijd is de slinger doorgeslagen. In heel wat gemeentebesturen en openbare diensten is het nu zowat verboden om Spaans te spreken. Op school wordt slechts 10 procent van de cursussen in het Spaans gegeven, veel te weinig. Cíudadanos pleit voor onderwijs in drie talen, met een evenredig aandeel voor Catalaans en Spaans, aangevuld met Engels. Daar kan ik me perfect in terugvinden’.

Hidalgo’s aversie voor nationalisme groeide mee op met het procés, het actief nastreven naar onafhankelijkheid dat volgens hem verstikkende vormen aannam. ‘De ondernemers van Santa Coloma hebben een eigen vereniging’, zegt hij. ‘Na het lanceren van het procés werden we uitgenodigd om openlijk onze steun toe te zeggen. We zouden erover stemmen, maar de voorzitter maakte vooraf duidelijk dat we in feite geen keuze hadden. Weigeren zou betekenen dat we de subsidie van de lokale overheid kwijtspeelden. Ik heb uit protest ontslag genomen uit die club’. Neutraal kun je Hidalgo niet noemen, maar hij kent wel zijn Catalaanse geschiedenis en serveert scherpe analyses. Lang voor het procés begon heeft Jordi Pujol, de historische leider van het gematigde Catalanisme die de deelstaat meer dan 20 jaar bestuurde, de bedding voor de separatische stroom uitgegraven. ‘Pujol had een ongeschreven missie’, zegt Hidalgo. ‘Op alle sleutelposten moesten nationalisten worden benoemd, en alle Spaanse symbolen moesten uit het straatbeeld verdwijnen. In de grootsteden had je altijd nog de offiiciële vertegenwoordiging van Madrid, vaak met een paar man van de Guardia Civil voor de ingang. Maar in rurale gebieden? Daar hebben ze al twintig jaar geen spoor van het koninkrijk meer gezien. Spanjaarden kennen ze alleen nog via de Catalaanse media, vaak in de hoedanigheid van corrupte bandieten. Toch vormen de nationalisten geen meederheid in deze regio, ik denk dat hoop en al 20 procent van de Catalanen echt voor onafhankelijkheid gewonnen is. Voor mij was dan ook niet 1-O de belangrijkste dag van het voorbije jaar. De massabetoging pro Spanje van 8 oktober, dat was het echte kantelpunt. Dat nationalisten massaal kunnen mobiliseren, wisten we al lang. Maar voor het eerst kwam de zwijgende meerderheid op straat, Catalanen die niet langer bang zijn om te tonen dat ze zich ook Spaans voelen. Dat was nieuw’. Een oplossing voor de poltieke patstelling is volgens Hidalgo niet meteen in zicht. ‘De emoties aan beide kanten lopen te hoog op. De ratio moet terugkeren, dan pas kan er over een compromis worden gepraat’.

rebellie

Geen politieke gevangenen? Met die boodschap moet je bij Susanna Barreda niet leuren. Ze verschijnt stipt op de afspraak, bij metrostation Guinardó. Klein en onopvallend, al is er één detail dat de aandacht van vele forenzen trekt. Op het revers van haar jasje zit een kleine gele strop, hetzelfde symbool dat in groot formaat de lege stoelen van verbannen of opgesloten parlementsleden siert. Geen vrijblijvend statement: Barreda is de vrouw van Jordi Sànchez die al sinds 17 oktober in de gevangenis zit. De leider van de onafhankelijkheidsbeweging ANC werd gearresteerd samen met Òmnium-voorzitter Jordi Cuixart. Geen politici, maar beiden erg invloedrijk. ANC en Òmnium vormen de motor achter alle vreedzame massabetogingen die de voorbije jaren het vriendelijke imago van het independentisme hebben gevormd. De ten laste gelegde feiten zijn omstreden. Op 21 en 22 september mobiliseerden de twee Jordi’s _ hun namen worden in Catalonië altijd in één adem genoemd _ tienduizenden betogers om de door Madrid georchestreerde sabotage van het referendum te verijdelen. Maar of ze massa hebben opgehitst toen enkele politiecombi’s ingesloten raakten en averij opliepen? Zelf houden ze vol dat ze hun achterban juist hebben proberen te kalmeren, toen de gemoederen verhit raakten door nodeloze provocaties vanwege de zwaar bewapende politie. De openbare aanklager is alleszins niet mals: net zoals Carles Puigdemont en andere politici worden de Jordi’s onder meer van rebellie beschuldigd, een misdrijf waar in Spanje een maximumstraf van 30 jaar op staat.

Susanna Barrida, vrouw van de opgesloten -leider Jordi Sanchez. (eigen foto)

Susanna Barreda, vrouw van de opgesloten ANC-leider Jordi Sànchez. (eigen foto)

Susanna Barreda werkt als psycholoog in een achterstandswijk van Barcelona. Haar cliënten, gezinnen en kinderen met allerlei psychosociale sores, hebben haar de voorbije maanden vaak moeten missen. ‘Mijn man zit in Soto del Real’, vertelt ze als we in een discrete hoek van een cafetaria zijn neergestreken. ‘Het is een reusachtig gevangeniscomplex nabij Madrid, meer dan 600 kilometer van hier. Alle Catalaanse gevangenen zitten zo ver van huis. Een bewuste strategie, ze proberen gevangenen te breken door hen van hun familie en geboortegrond te isoleren. Zo deden ze het ook met de ETA-gevangenen. Alleen: mijn man en de andere Catalanen hebben geen terroristische aanslagen gepleegd. De beschuldiging van rebellie is volstrekt ridicuul. Zie je, rebellie is een misdrijf dat in het strafrecht werd omschreven na de mislukte militaire staatsgreep van 1981. Waar zit in hemelsnaam de vergelijking? Onze strijd voor onafhankelijkheid is altijd principieel geweldloos verlopen. Veel Spaanse magistraten vinden het misbruik van de rebellie-aanklacht zelf onaanvaardbaar, net zoals ze erg kritisch zijn voor de manier waarop de voorlopige hechtenis wordt gehanteerd. Stel je voor, een van de verlengingen werd gemotiveerd met de overweging dat mijn man anders dreigde te recidiveren door opnieuw politieke actief te zijn of zelfs aan verkiezingen deel te nemen. En dan beweren dat het niet om politieke repressie gaat! Helaas wordt de vervolging gevoerd door het Grondwettelijk Hof en de Audiencia Nacional, de hoogste rechtscolleges van Spanje waarvan de magistraten politiek worden benoemd. De Partido Popular heeft ze de voorbije jaren vol gestouwd met reactionaire, aartsconservatieve elementen’.

Het huisreglement van Soto del Real laat één bezoek per week toe. Achter glas, slechts een keer per maand kan er in de familiekamer een knuffel worden gegeven. ‘Jordi wil niet dat de kinderen hem vanachter dat glas zien’, zegt Barreda. ‘Hij zit trouwens opgesloten met misdadigers van gemeen recht, van drugsdealers tot moordenaars. De meeste cipiers gedragen zich correct, ze snappen zelf niet waarom hij daar zit. Het is erg zwaar voor ons. Bezoek mag alleen van maandag tot en met donderdag, wanneer de kinderen op school horen te zitten. Mijn dochter van 17 heeft het erg moeilijk mee. Probeer zo’n puber maar eens uit te leggen waarom haar vader nu al zeven maanden in de gevangenis zit ‘.

Een keer heeft ze een negatieve opmerking gekregen, een zieke vergelijking tussen de gele strik en een Jodenster. Veel massaler is de solidariteit. De families van de negen gevangenen houden permanent contact, in heel Catalonië werden steuncomités opgericht die geld inzamelen om de gevangenen en hun gezinnen financieel en juridisch te ondersteunen. ‘Ze krijgen ons niet kapot’, zegt Barreda. ‘Met de repressie zal Spanje het omgekeerde bereiken van wat het beoogt: de afkeer van Madrid zal alleen groter worden en de roep naar onafhankelijkheid luider. Ik kom zelf helemaal niet uit een nationalistisch nest. Mijn ouders liepen nooit warm voor de Catalaanse zaak, maar nu staan ze 100 procent achter het onafhankelijkheidsideaal. Ze zijn niet de enigen’.

 

Fernand Huts, de Citizen Kane van Vlaanderen

Geschreven in opdracht van Wilfried,  ‘Le magazine qui raconte le pouvoir’. Dit is de oorspronkelijke versie van de (vertaalde) Franstalige publicatie. (Wilfried n°2, oktober 2017)

Karine Huts: “Het verschil tussen God en Fernand? God denkt niet dat hij Fernand is”

Wat Bart De Wever met de N-VA heeft gepresteerd, heeft hij naar eigen zeggen als zakenman gepresteerd door Katoen Natie tot een wereldbedrijf uit te bouwen. Nee, op valse bescheidenheid laat Fernand Huts zich niet betrappen. Ook niet als hij feestjes organiseert, een tijdverdrijf dat hij met Hollywood-allures en dito budgetten beoefent. Flamboyant en flamingant, het zijn eigenschappen die hij zich graag laat aanleunen. Een man van paradoxen bovenal. Welke volbloedkapitalist kan zich een huisvriend noemen van José ‘Pepe’ Mujica, ex-guerrillero, overtuigd marxist en gewezen president van Uruguay? Portret van een Vlaams fenomeen, op smaak gebracht voor de Franstalige lezers van Wilfried.

foto:Tim Dirven

foto:Tim Dirven

Beveren-Kallo. Niet meteen de bestemming waar Japanners selfies gaan maken. Nochtans zou deze plek op Antwerpen Linkeroever in geen enkele toeristische folder van Vlaanderen mogen ontbreken. Alleen al het uitzicht op de esplanade van Katoen Natie is de omweg waard. Voor ons ligt de Schelde te glinsteren in de namiddagzon. De stroom, slechts twee bochten verwijderd van de Nederlands grens, is hier een halve kilometer breed. Niet minder indrukwekkend is het industriële landschap dat zich 360 graden breed openbaart. Tientallen ranke schoorstenen braken vlammen hoog in de lucht. Net een verjaardagstaart, maar dan met de kwalijke geur van petrochemie. BASF, DOW, Solvay, Lanxess, ExxonMobile, alle grote namen uit de scheikundige sector hebben zich aan weerskanten van de Schelde gevestigd. Hier worden miljarden omgezet.

Aardse rijkdommen zijn willekeurig verdeeld. Een strategisch gelegen haven is zo’n geschenk van het lot waar een hele regio wel bij vaart. Port of Antwerp levert niet alleen tienduizenden banen en ettelijke procentpunten aan het bruto binnenlands product op. Ons bezoek aan Katoen Natie legt ook de culturele meerwaarde bloot. We worden verwelkomd door een kunstcollectie waar menig museum jaloers op zou zijn. Wim Delvoye, in Brussel bekend van zijn betonmolen in gotisch smeedwerk, heeft de parking met enkele soortgelijke creaties opgesmukt. Boven, op de esplanade, staat nog meer hedendaags werk. Eenheid in stijl valt niet bespeuren, maar alle stukken zijn spectaculair en monumentaal. Pablo Atchugarry, Hubert Minnebo, Antonio Seguí, Michaël Aerts, het zijn grote namen uit de Belgische en de internationale kunstscene. Het klapstuk is zonder enige discussie een diepblauw gelakte houwitser van 15 meter lang en vijf meter hoog. Jan Zonder Vrees heet dit kunstwerk, niet naar de Bourgondische hertog maar naar een gelijknamige figuur uit de Vlaamse folklore die het tot held van talloze kinderboeken heeft geschopt. Dat hij voor niets of niemand bang is, spreekt vanzelf. Maar Jan Zonder Vrees streed in de middeleeuwen ook tegen onrecht, onder meer in de gedaante van inhalige tollenaars die het volk met hoge belastingen uitpersten. Was het die eigenschap die volbloed-liberaal Fernand Huts voor de naam deed smelten? Feit is dat de baas van Katoen Natie erg in zijn nopjes was toen het kunstwerk op een kille oktoberdag in 2013 werd onthuld. Dat gebeurde tijdens een memorabele show waarbij de 200 genodigden, onder wie heel wat politieke prominenten, een figurantenrol vertolkten. Op verzoek van Huts hadden ze zich allemaal in een blauw pak gestoken, een tooi die ter plaatse met een blauwe werfhelm en een blauwe bezemsteel werd vervolledigd. Voor liberale boegbeelden zoals Annemie Turtelboom of vader en zoon De Croo voelde dit uniform wellicht natuurlijk aan, maar ook verschillende CD&V-politici en Vlaams Belang-kopstuk Filip Dewinter onderwierpen zich gedwee aan de dresscode. Huts, gewezen kamerlid voor de VLD van Guy Verhofstadt, heeft zich van het cordon sanitaire rond de extreemrechtse partij nooit iets aangetrokken.

Strak in het gelid, de bezemstelen als geweren over de schouders, zette de stoet zich onder begeleiding van militaire marsmuziek in beweging. Niemand van de genodigden kon vermoeden wat er onder het dekzeil schuil ging, maar de hooggespannen verwachtingen werden niet bedrogen. ‘Jan Zonder Vrees moet de Schelde en de haven beschermen tegen boze watergeesten’, duidde Huts de symboliek. Aanwezige politici gaven een andere interpretatie. Waarom was het kanon op het centrum van Antwerpen gericht? Huts, zo wisten alle genodigden, lag al jarenlang overhoop met het havenbestuur van zijn geboortestad. Was dit misschien een opgestoken middenvinger naar de gezagsdragers in ’t Schoon Verdiep en het Havenhuis? Huts ontkende met uitgestreken gezicht, maar kon zijn binnenpret niet op. En zo werd het een gezellige namiddag. Het kanon mocht enkele losse flodders afschieten, waarna het hele gezelschap door Huts op een luxueus banket werd getrakteerd.

Inhuldiging Jan Zonder Vrees met vips en marsmuziek (foto: Tim Dirven)

Inhuldiging Jan Zonder Vrees met vips en marsmuziek (foto: Tim Dirven)

flamboyant

Ondernemer, kunstverzamelaar, luis in de pels van de politiek, het zijn alllemaal predicaten die bij de 67-jarige Fernand Huts passen. Als flamboyante enterpreneur moet hij in Vlaanderen alleen farma-baas en sportmecenas Marc Coucke naast zich dulden. Voetbal of wielrennen interesseren Huts niet, maar als organisator van extravagante feestjes geeft hij zelfs Coucke het nakijken. Vorig jaar, ter gelegenheid van de 160ste verjaardag van Katoen Natie, liet hij decorbouwers in Kallo een heuse burcht optrekken. Drie weken lang werd er gefeest door meer dan 6.000 genodigden. Honderden buitenlandse gasten werden op kosten van de zaak ingevlogen, op de afsluitende familiedag kwamen 4.000 Belgische personeelsleden zich vergapen aan de torens en kantelen van de middeleeuwse vesting. Vragen naar de factuur werden weggewuifd. ‘Dat heeft geen belang’, verklaarde Karine Huts, een even groot feestbeest als haar echtgenoot, voor de VTM-camera. ‘Je vraagt op een trouwfeest toch ook niet hoeveel het diner heeft gekost’. Het heeft inderdaad minder belang als je zoals Fernand en Karine Huts met een geschat vermogen van 1,516 miljard euro de 11de plaats bekleedt in rangschikking van rijkste Belgen.

Katoen Natie is dan ook geen KMO. Het Antwerpse havenbedrijf omschrijft zichzelf als een gediversifieerde goederenbehandelaar. Denk aan opslag en overslag van chemicaliën, voedingswaren, grondstoffen, textiel of consumentenelectronica, maar ook aan het ontwikkelen van supply chains en het recycleren van industrieel afval. Met 14.000 werknemers, vestingen in 38 landen en een omzet van bijna twee miljard is Katoen Natie een wereldspeler. Vriend en vijand zal het toegeven: dat is helemaal te danken aan het zakengenie van Fernand Huts. Toen hij het bedirjf in 1981 overnam, was Katoen Natie met zijn 180 medewerkers slechts één van de tientallen naties, een fenomeen waarvan de oorsprong bij de middeleeuwse gilden en ambachten van de haven ligt. Agnes Van Wanseele, burgemeester van Sint-Martens Latem, de gemeente met het hoogste gemiddelde inkomen van Vlaanderen, heeft de spectaculaire groei van nabij kunnen volgen. Ze leerde Huts veertig jaar geleden kennen bij het Gentse Vlerick Instituut, een naam die in Vlaanderen nog altijd klinkt als een klok. Een MBA van Vlerick staat niet alleen hoog aangeschreven vanwege de superieure opleiding, maar ook vanwege het netwerk en het adresboekje die bij het diploma horen. Wat de Ecole Nationale d’Administration is voor de Franse politiek en ambtenarij, is de Vlerick Business School voor het Vlaamse bedrijfsleven: een springplank naar een topcarrière. ‘Fernand was nog niet in de haven actief’, vertelt Van Wanseelse, destijds als assistente aan het Vlerick Instituut verbonden. ‘Hij had een bedrijf voor biologische groenten opgericht, de NV Veldboerke. Heel kleinschalig, op een keer kreeg hij thuis bijna ruzie omdat hij de wasmachine had gebruikt om producten te mengen. Karine kon er niet om lachen, zeker niet met drie kleine kinderen in huis. Ik nodigde Fernand geregeld uit als spreker voor een alumni-lezing. Heel verfrissend, zijn stijl was compleet verschillend van andere managers. Hij sprak voor de vuist weg, en bracht altijd hetzelfde boek mee. Machiavelli, zie hij tegen die jonge aspirant-managers, die moeten jullie echt gaan lezen. Toen hij een paar jaar later naar Katoen Natie overstapte, had hij dringend kaderleden nodig. Of ik bij Vlerick geen studenten kon warm maken, vroeg hij. Ik heb het geprobeerd, maar niemand was geïnteresseerd. Katoen Natie, dat stelde toen niks voor. Al die studenten droomden van een carrière bij KBC, Deloitte of een andere vertrouwde naam uit de financiële wereld’.

Bart De Wever

Haar man heeft de sprong wel gewaagd. Met succes, Dirk Lannoo mag zich nu vice-president van Katoen Natie noemen. Aan zijn rekrutering hangt een anekdote vast die Huts als ondernemer typeert. ‘Hij had net Seaport Terminals overgenomen’, zegt Van Wanseele. ‘Een bedrijf dat in feite veel groter was dan Katoen Natie. Daar had hij zijn handen mee vol. Houd jij je met Katoen Natie bezig, zei hij tegen mijn man op diens allereerste werkdag in Antwerpen, dan doe ik Seaport Terminals. Zo is Fernand: als hij iemand vertrouwen geeft, dan is dat voor het volle pond’. Huts mag dan een alumnus van Vlerick zijn, hij heeft een hekel aan managementboeken vol duur jargon, en aan zelfverklaarde business goeroes. Vijfentwintig jaar geleden, kort na zijn eerste buitenlandse overname in de Franse Vogezen en zijn eerste joint venture in Singapore, heeft hij zijn eigen managementbijbel geschreven. Het boek, rijk geÏllustreerd zodat het in diverse talen en culturen pakt, is nog altijd verplichte kost voor nieuwe medewerkers. Het kan worden gelezen als een ode aan het gezond boerenverstand. Delegeren, werk organiseren in kleine groepen, niet kakelen maar eieren leggen, het is maar  een greep uit zijn tien geboden, net zoals de aansporing om op tijd en stond met de collega’s een pint te pakken. Het waren echter niet deze tegelwijsheden maar wel de groeicijfers van Katoen Natie die hem al in 1987 de felbegeerde titel van Manager van het Jaar opleverden. Hij steekt dan wel geregeld zijn neus in een bierglas, kansen ruikt hij nog altijd als de beste. De overname voor 416 miljoen euro van afvalverwerkingsbedrijf Indaver was volgens alle insiders een meesterzet. Huts haalde het twee jaar geleden in een felle biedstrijd onder meer van het Franse Suez, wat hem schouderklopjes van de Vlaamse regering opleverde. Vlaamse verankering is een ideaal waar hij zelf hoog van opgeeft. Huts is flamingant en iedereen mag het weten. Het blijkt onder meer uit de boeken die hij onder het pseudoniem Jules Van Bochelt schrijft. Niet dat hij zich wil verbergen, zijn naam staat trouwens als alias op de cover. Het pseudoniem is meer een alibi om in de rol van de nar te kruipen en vanuit die favoriete positie vrank en vrij commentaar te geven op de politiek en de zeden van dit land.

Fernand Huts met eregast op receptie Karine Huts (foto: Tim Dirven)

Fernand Huts met eregast op receptie Karine Huts (foto: Tim Dirven)

Het is feest bij Katoen Natie, alweer. Twintig jongens en meisjes in smetteloos wit-zwart krijgen van de maître d’hôtel de laatste instructies. Het zal de 400 genodigden niet aan champagne ontbreken, noch aan exquise hapjes zoals zalm met passievruchtenmarinade. Aanleiding is eens te meer een nieuw boek. Niet van Fernand dit keer, wel van Karine Huts die samen met freelance journalist Ivo Pauwels het levensverhaal van haar joodse oom Géorg Kluger heeft opgetekend. Het leeuwendeel van de biografie gaat over de oorlogsjaren die Kluger als onderduikkind in België wist te overleven, in tegensteling tot zijn familie die in Oostenrijk moest achterblijven. Niemand minder dan Bart De Wever, Antwerps burgemeester en N-VA-voorzitter, komt het boek inleiden. Geen toeval, want De Wever en Huts hebben elkaar in het verleden al meermaals lof toegezwaaid. Vlaanderens populairste politicus heeft de lachers meteen op zijn hand. Het verschil tussen hem en de gastheer? ‘Fernand is een hystericus, ik een historicus’. Toch wordt het geen cabaretnummer. De Wever biedt namens het stadsbestuur nogmaals zijn excuses aan voor de medeplichtigheid van zijn voorgangers bij de vervolging van de Antwerpse joden. Toen hij dat twee jaar geleden voor het eerst deed, werd dat in de Vlaamse media nog als een historische mijlpaal bejubeld. De Wever prijst voorts de solidariteit die de Belgen betoonden door honderden joodse kinderen voor de nazi’s te verbergen. Was dit een politiek debat, dan had een wakkere moderator of opponent een parallel met de hedendaagse migratiecrisis kunnen trekken. Moeten we dan ook niet meer solidaiteit met de nieuwe generatie vluchtelingen aan de dag leggen? Geen gekke vraag op een moment dat een N-VA Staatssecreataris voor Asiel en Migratie met behulp van Soedanese migratieambtenaren het Brusselse Maximilaanpark aan het ‘opkuisen’ is. Maar geen pretbedervers in de zaal, de spreker wordt met een daverend applaus beloond.

Borinage

‘Uiteraard heb ik veel respect voor De Wever’, zegt Huts als we hem even uit de drukte kunnen wegsleuren. ‘Kijk naar zijn parcours. De N-VA is begonnen als een mini-partij, met Geert Bourgeois die moederziel alleen in de Kamer zat. Het is toch indrukwekkend hoe De Wever van de N-VA de onbetwiste nummer één van de Vlaamse politiek heeft gemaakt? In alle bescheidenheid gezegd: hij heeft in de politiek gepresteerd wat wij als ondernemer met Katoen Natie hebben gedaan’. Politiek is Huts een zwerfkei. Als student rechten in Leuven was hij praeses van het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (KVHV), traditioneel een kweekvijver voor christendemocratische en Vlaams-nationalistische politici. Wilfried Martens en Hugo Schilz waren twee van zijn bekendere voorgangers. Toch was het voor de liberale VLD _ toen nog zonder prefix Open _ dat hij van 1995 tot 1999 als Antwerps volksvertegenwoordiger zetelde. Het werd geen succes, Huts schitterde vooral door hardnekkige afwezigheid. Volgens huisvriendin Agnes Van Wanseele was het de partijdiscipline die hem dwars zat, zelf wijst hij vooral op de ondankbare oppositierol die de liberale partij was toebedeeld. Feit is dat hij na dat mandaat uit de partij is gestapt. Zonder bruggen op te blazen, al heeft hij in verschillende interviews gesneerd naar toenmalig partijleider Guy Verhofstadt. “Ik was erg enthousiast over zijn burgermanifesten’, blikt hij daarop terug. ‘Des te groter was mijn ontnuchtering toen hij als premier precies het tegenovergestelde deed van wat hij eerder in zijn boeken had verkondigd’.

Of we hem intussen in het kamp van de N-VA mogen situeren? Huts haalt de schouders op. Hij spreekt wat lijzig, met een Antwerps accent dat zich uitstekend leent voor de mild spottende toon die hij graag aanslaat. ‘Economisch en filosofisch voel ik me nog altijd een echte liberaal. Maar als ondernemer met vestigingen in het hele land moet ik met alle partijen kunnen praten. In Antwerpen is dat toevallig de N-VA, maar ik onderhoud evenzeer uitstekende relaties met het socialistische stadsbestuur van Gent, en met de CD&V-burgemeester van Beveren’. De vraag of hij voor een onafhankelijk Vlaanderen gewonnen, pareert hij met een dooddoener. Antwerpenaar, Vlaming, Belg, Europeaan, wereldburger. Huts, die op een landgoed in Kent woont waar hij ook als fervent jager aan zijn trekken komt, ziet identiteit als de rokken van een ui. Het neemt niet weg dat hij zich in boeken en interviews vaak schamper uitlaat over de NV België. ‘Institutioneel en juridisch zo ingewikkeld dat niemand het nog uitgelegd krijgt.’, betoogt hij ook dit keer. ‘Ik probeer het filosofisch op te vatten. Belgium is art, zeg ik vaak tegen buitenlanders’. Geen separatist dus. Toch ziet hij een Vlaamse natie groeien, terwijl diezelfde dynamiek in Wallonië ontbreekt. De lezers bezuiden de taalgrens mogen hem dat vooral niet kwalijk nemen. ‘Ik kom vaak en graag in Wallonië’, zegt Huts. ‘Ik vind Luik een geweldige cultuurstad, en een van mijn zonen heeft in Namen gestudeerd. Een paar jaar geleden ben ik mijn vrouw tijdens onze vakantie drie weken door de Borinage getrokken. Heel boeiend, het moet niet altijd Italië zijn. Walen zijn erg vriendelijke mensen, en ze hechten meer dan wij belang aan het goede leven. Pas op, je kunt er ook zaken mee doen. Alleen zouden ze wat meer ondernemingszin mogen tonen,  op dat vlak kunnen ze nog wat van de West-Vlamingen leren’.

 wolf in schaapskleren

De obers doen gedisciplineerd hun werk. Champagneglazen worden alert bijgevuld, de schotels met warme en koude snacks gaan vlot rond. Het publiek is een mix van vrienden, familieleden en bonzen uit haven en bedrijfswereld. Ook politici zijn van de partij, we spotten onder anderen gewezen Europees Commissaris Karel De Gucht (Open VLD) en Staatssecretaris voor Buitenlandse Handel Pieter De Crem (CD&V). De afwezigen hebben altijd ongelijk, maar soms hebben ze ook een motief. Zo liet Marc Van Peel, havenschepen in Antwerpen, in een vorig leven voorzitter van de CVP, zijn persoonlijke invitatie onbenut. Niet, zo moeten we aannemen, omdat hij geregeld kop van jut is in interviews van de bekende havenbaas. Huts is al jarenlang verwikkeld in een juridische oorlog met het Antwerps Havenbedrijf waar Van Peel voorzitter van is. ‘Die vendetta is ooit onder een van mijn voorgangers begonnen’, zegt hij. ‘Lang verhaal, volgens insiders heeft het te maken met mislukte zakendeals in de haven waardoor Huts zich te kort gedaan voelt. Enige rancune is hem niet vreemd, en hij is niet zuinig met advocatenkosten om zijn gram te halen’. Nee, als Van Peel het feest aan zich laat voorbijgaan, dan ligt dat veeleer aan een gevoel van verzadiging. ‘Ik bewonder hem als ondernemer’, zegt hij. ‘Maar met zijn monumentale ego heb ik het stilaan gehad. Huts kijkt neer op politici, hij is ervan overtuigd dat de hele wereld functioneert zoals zijn Katoen Natie. Ik heb Patrick De Wael ooit horen vertellen over die eerste keer dat Huts aan een fractievergadering van de VLD deelnam. En Fernand maar lang en breed uitleggen wat er allemaal in dit land moest veranderen. “Fernand”, heeft iemand toen gezegd, “je weet toch dat we in de oppositie zitten? We kunnen helemaal niks veranderen”. Na die ene vergadering hebben ze hem daar nooit meer gezien. Weet je, ik heb van zijn vrouw ooit een geweldige grap gehoord. Ze zei dat ze een boek over haar man zou schrijven, met als titel ‘Mijn leven met God’. En of ik het verschil kende tussen God en Fernand? Simpel, zei Karine, God denkt niet dat hij Fernand is. Haha, grandioos toch! Pas op, ik kom hem graag tegen. Fernand is altijd joviaal, ook tegenover opponenten die hij belaagt met advocaten en deurwaarders. Hij vindt dat men dat niet persoonlijk mag nemen, het is gewoon zijn manier van zaken doen’.

Huts is aaibaar, maar dan zoals een wolf in schaapskleren. We noteerden deze parel bij de socialistische havenbond die met Huts in de clinch ligt over de Wet Major. Dit statuut, een sieraad van de proletarische ontvoogding, verplicht havenbedrijven uitsluitend met erkende dokwerkers en havenarbeiders te werken. Te duur en nefast voor de internationale concurrentiepositie, vindt Huts die magazijnwerk bij voorkeur door flexibele interimarbeiders met een bediendencontract laat uitvoeren. Hij bracht zijn zaak tot voor het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. ‘Met steun van Sim Kallas, in die tijd Europees Commissaris voor Transport’, beweert ABVV-secretaris Marc Laridon. ‘Kallas komt uit Estland, de plek waar Katoen Natie in diezelfde periode een gigantische investering had gedaan. Ik kan niet bewijzen dat er een causaal verband bestaat, maar ik geloof nooit dat het toeval is. Huts heeft een erg lange arm’.

(foto: Tim Dirven)

(foto: Tim Dirven)

Uruguay

Aan strijdpunten geen gebrek in Huts carrière. Neem nu de verkeersknoop rond Antwerpen, hét hoofdpijndossier bij uitstek voor de Vlaamse regering. Ruim twintig jaar na de eerste plannen is er nog altijd geen spade in de grond gestoken, een blamage voor een regio die als baseline ‘wat we zelf doen, doen we beter’ voert. Huts, die met afgrijzen ziet hoe zijn vrachtwagens op de Antwerpse ring vastzitten, legt de schuld bij gewezen sp.a-burgemeester Patrick Janssens. ‘Zonder hem had er al lang een brug over de Schelde gelegen en was het hele probleem opgelost. Janssens echter heeft het project op het laatste nippertje afgeschoten, in de hoop de gemeenteraadsverkiezingen te winnen. En ziet wat er van hem geworden is. Janssens mag nu vrolijk voetbalmanager spelen bij Racing Genk, maar intussen zit het verkeer hier nog altijd muurvast’. Nog zo’n stokpaard is de uitbreiding van de haven op Linkeroever. Het graven van het megagrote Saeftinghedok moet de containercapaciteit in één klap met de helft opvoeren. Huts is radicaal tegen dit prestigeplan van het Havenbedrijf, en werpt zich op als de verdediger van de polderboeren die door deze operatie hun land en boerderij dreigen te verliezen. Die tegencampagne mag wat kosten. Huts is de financier achter ‘Oratorium zonder Doel’, een meeslepende documentaire van filmmaker Manu Riche over de teloorgang van de polders en het dorpje Doel.

Wat ook de titel wordt, zijn biografie wordt een lijvig boek. Een hoofdstuk over Uruguay mag in geen geval ontbreken. In 2000 investeerde Katoen Natie fors in een containerterminal in de haven van Montevideo, meteen de aanleiding voor de echtelieden Huts om er een pied-à-terre te verwerven. De cottage werd zowat hun derde thuisverblijf, na het landgoed in Kent en het kasteel in Sint-Gillis-Waas. Zo ontstond een innige vriendschap met de toenmalige president José Mujica. Het contrast kon niet groter zijn: een liberale miljardair versus een gewezen extreemlinkse guerillero die 14 jaar als politieke gevangene opgesloten zat. Mujica, was dat niet de president die prat ging op zijn titel van ’s werelds armste staatshoofd? ‘So what’, zegt Huts. ‘Ik stap door het leven zonder vooroordelen. Het klikte meteen tussen ons. Ik heb respect voor zijn achtergrond en idealisme, en hij waardeerde mijn ondernemerschap’.

Huts, rad van tong, laat zich niet gemakkelijk in de hoek drummen. Viel zijn naam in het schandaal van de Panama-papers, het datalek over offshore belastingparadijzen? Huts gaf geen krimp. ‘Ik ben altijd binnen de grenzen van de wet gebleven’, verklaarde hij desgevraagd. Subsidieslurper is een verwijt dat hem vaak vanuit progressieve middens wordt gemaakt. In Vlaanderen hoeft daar geen tekening bij. Iedereen kent Huts als de onbetwiste zonnepaneelkoning. 800.000 vierkante meter aan fotovoltaïsche cellen, verspreid over verschillende magazijnen van Katoen Natie. Het levert hem jaarlijks 13 miljoen euro aan groenstroomcertificaten op, als gevolg van een genereuze subsidieregeling die intussen door de Vlaamse regering werd afgeschaft. Voor nieuwe investeerders, want Huts rendement werd voor 20 jaar gegarandeerd. ‘Ik snap dat verwijt niet’, zegt hij. ‘Ik heb die zonnepanelen tien jaar geleden op uitdrukkelijke vraag van de Vlaamse regering gelegd. De technologie was nog onbekend en peperduur, niemand wilde eraan. Kris Peeters is ze als minister-president komen inhuldigen, we zijn nog same met de helicopter over ons magazijn gevlogen’.

 heavy metal

“Mijn vader heeft een olifantenvel”. Het citaat komt van Yves Huts, zelf vooral bekend als gewezen bassist en songschrijver van de Nederlandse heavy metalband Epica. Intussen heeft hij een punt achter zijn rockcarrière gezet. Yves werkt net zoals zijn twee broers bij Katoen Natie, nog altijd een familiedrijf zonder beursnotering. De oudste staat klaar om het roer over te nemen, de jongste vliegt als helicopterpiloot met zijn vader. ‘Niet om op te scheppen’, weet Agnes Van Wanseele. ‘Met zijn drukke agenda is die helicopter geen luxe. Fernand geeft niet om statussymbolen. Auto’s interesseren hem niet, hij rijdt al jarenlang met een Mitsubishi. Alleen als het over kunst gaat, laat hij zich wel eens gaan’.

Dat is een understatement. Vorig jaar legde Huts 670.000 euro op tafel voor een originele Rubens-tekening die in buitenlandse handen dreigde te vallen. De acquisitie werd in brede kringen toegejuicht, want Vlaamse verankering heeft ook een culturele dimensie. De collectie in Beveren-Kallo is overigens maar het topje van de ijsberg. Een vleugel van het hoofdkwartier in het centrum van Antwerpen werd door een toparchitect tot museum omgebouwd. De verzameling archeologisch textiel, met stukken tot 3.500 jaar oud, is absolute wereldtop. Daarnaast is er een permanente tentoonstelling over de geschiedenis  van de Belgische kunst, met onder meer fraaie doeken van kleppers zoals Gustave Van de Woestyne, Jean Brusselmans en Gust De Smet.

Huts zou Huts niet zijn mocht hij als cultureel entrepreneur vrede nemen met een figurantenrol. Vorig jaar kondigde hij aan 0,5 procent van de omzet van Katoen Natie in zijn eigen Phoebus Foundation te investeren, goed voor een budget van 8 miljoen euro per jaar. Projecten worden door hem en zijn vrouw persoonlijk afgewogen. Voor de kandidaten: een link met Vlaanderen strekt tot aanbeveling. Het initiatief heeft voor commotie in het culturele landschap gezorgd, vooral in de wereld van musea die ook in Vlaanderen de broeksriem moeten aanhalen. Er werd voor Amerikaanse toestanden gewaarschuwd. Huts de mecenas die in het culturele gat van de armlastige overheid springt. Nobel op het eerste gezicht, maar nefast voor de artistieke vrijheid.

Zou het? Als hofleverancier hedendaagse kunst bij Katoen Natie ziet Wim Delvoye alleszins geen bezwaar. ‘Ik doe liever zaken met zo’n mecenas dan met een ambtenaar die als een kunstpaus bepaalt wat er wel of niet in een museum thuis hoort’. Ook Delvoye ontbrak op het boekenfeest in Kallo. Onvrijwillig, hij zat op een vlucht vanuit Hong Kong. Na twintig jaar is hij kind aan huis bij de Hutsen.  ‘Karine is een echte vriendin geworden, een warme vrouw met het hart op de tong. Een bon vivant, net zoals Fernand. Dat maakt onze samenwerking zo fijn. Bij ieder werk dat ik opleverde, werd er een feest georganiseerd. Een beetje zoals in de middeleeuwen, toen een nieuw glasraam voor de kerk met een schranspartij voor de hele parochie werd ingehuldigd. Ik vind hun flamboyante karakter geweldig. Die keer dat ze zich als hardrockers hadden uitgedost om anoniem een concert van hun zoon bij te wonen. Ik heb de foto’s gezien, het was hilarisch. Natuurlijk heeft Fernand een ego. Hij wil erkenning, ook in de culturele wereld. Maar wat is daar mis mee? Kijk maar wat voor een imperium die man in zijn eentje heeft uitgebouwd. Fernand Huts, dat is de Citizen Kane van Vlaanderen’.

 

Op stap met Breaking the Silence in Hebron, waar religieuze haat te snijden valt

knack.be,  20 oktober 2017

“Mijn engagement bij Breaking the Silence is een daad van patriottisme”

Nederzettingen zijn er veel op de Westelijke Jordaanoever, maar alleen in Hebron leven joodse kolonisten in het hart van een Palestijnse stad. Van nabuurschap is geen sprake, de kolonisten hebben zich met het behulp van het leger verschanst. Op stap met Breaking The Silence in een stad die kreunt onder de religieuze haat.

Achya Schatz in de ooit bruisende soek van Hebron (foto: ER)

Achya Schatz in de ooit bruisende soek van Hebron (foto: ER)

Zo ziet een steriele straat er dus uit. Aan weerskanten neergelaten rolluiken, geen mens te bespeuren. De dikke laag stof op de tralies doet vermoeden dat hier al lang geen levende ziel meer gepasseerd is. Achya Schatz doet een beroep op onze verbeelding. Ooit was dit de voornaamste souk van Hebron, je kon er over koppen lopen. Alles veranderde toen Joodse kolonisten zich in het hart van de grootste Palestijnse stad na Oost-Jeruzalem kwamen vestigen. Het begon in 1979 kleinschalig, met het kraken van een strategisch gelegen hotel. Intussen telt het historisch centrum al vier nederzettingen. Er wonen zo’n 800 reglieus-zionistische settlers, permanent beschermd door 600 Israëlische militairen. ‘Palestijnen hebben zelfs geen toegang tot deze buurt”, zegt Schatz. ‘In het leger bestaat er een term voor: deze straten zijn gesteriliseerd, vrijgemaakt van Palestijnen. De steriele zone breidt zich steeds verder uit. Een tijdlang waren er twee parallelle toegangswegen, een voor kolonisten en een voor Palestijnen. Na een poosje begonnen kolonisten ook de Palestijnse straat te nemen. De provocatie lukte, jongeren begonnen met stenen te gooien waarop het leger ook die straat heeft gesteriliseerd. Dat is in een notendop de geschiedenis van Joodse nederzettingen in Hebron. De kolonisten scheppen voldongen feiten, en het leger moet volgen. Tegen heug en meug, want deze hun aanwezigheid in Hebron is ook in Israël erg omstreden. Op de Westoever werden al meer dan honderd nederzettingen gebouwd, maar die liggen allemaal afgezonderd van Palestijnse woonkernen. Een nederzetting starten in het hart van een Palestijnse stad, dat is vragen om problemen. Toen een groep vrouwen uit de nabijgelegen nederzetting Kyriat Arba in 1979 Hebron binnendrong en er een hotel kraakte, zorgde dat voor grote verdeeldheid binnen de toenmalige regering. Uiteindelijk werd besloten toch militairen te sturen om hen te beschermen. Het ging tenslotte om joodse levens, op een plek bovendien die voor vele joden een bijzondere betekenis heeft’.

Breaking the Silence

De problemen lieten niet op zich wachten. De eerste grote aanslag in 1980 kostte het leven aan 6 kolonisten. De spiraal van geweld en tegengeweld, met slachtoffers aan weerskanten, zou niet meer stoppen. Uitschieter was het bloedbad dat de extreemrechtse Israëlisch-Amerikaanse dokter Baruch Goldstein op 25 fabruari 1994 tijdens het ramadangebed in de Ibrahim moskee aanrichtte. Balans: 29 doden en 125 gewonden. ‘Die aanslag heeft Hebron voorgoed veranderd’, zegt Schatz. ‘Goldstein werd als een krankzinnige afgeschilderd, maar zijn timing was weloverwogen. De aanslag was een poging om de Oslo-akkoorden te saboteren. Het principe van het vredesproces, land voor vrede, is een gruwel in het oog van religieuze-zionisten. Ze zien Hebron als de bakermat van het jodendom, de plek waar volgens het Oud Testament de aartsvaderen Abraham, Isaac en Jacob zijn begraven, net zoals hun vrouwen. Dat verklaart waarom al begin vorige eeuw een groep vrome joden zich in Hebron heeft gevestigd en er een Talmoedschool heeft opgericht. Die eerste kolonie is uitgestorven na een bloedbad in 1929 waarbij meer dan zestig joden werden vermoord. Om maar te zeggen dat deze stad onder een beladen geschiedenis gebukt gaat’.

Achya Schatz (34) kent die geschiedenis door en door. Nochtans is hij geen stadsgids, maar woordvoerder van de in Israël erg omstreden organisatie Breaking the Silence. Mensenrechten- en middenveldorganisaties die opkomen tegen de bezetting van de Palestijnse gebieden, zo zijn er wel meer. B’Tselem, Peace Now, ze liggen steeds meer onder vuur in een land waar de politieke barometer naar rechts tot extreemrechts uitslaat. Geen enkele organisatie werkt evenwel meer op de zenuwen van regering, rechtse media en publieke opinie dan Breaking the Silence. Het zijn immers geen linkiewinkies die de misbruiken van het militaire bezettingsregime aanklagen. BtS werd in 2004, tijdens de Tweede Intifada, opgericht door afgezwaaide dienstplichtigen uit Hebron die gewetenwsroeging kregen over wat ze tijdens hun tour of duty hadden gezien of zelf hadden aangericht. Meer dan honderd ex-militairen werden al bereid gevonden om, meestal anoniem, getuigenis af te leggen over zowel alledaags als extreem geweld waarmee de bezetting gepaard gaat. Behalve het verzamelen en verspreiden van die getuigenissen organiseert BtS excursies naar enkele hotspots op de Westoever. Hebron is een voor de hand liggende bestemming. Nergens lopen de spanningen tussen kolonisten en Palestijnen hoger op, nergens is de haat zo tastbaar.

blinde etalage in een 'gesteriliseerde' straat. (foto: ER)

blinde etalage in een ‘gesteriliseerde’ straat. (foto: ER)

zelfhatende joden

Baruch Marzel komt dat geheel ongevraagd illustreren. We zien hem van ver komen aansloffen, de baardige, oude man is de enige tegenligger in de uitgestorven winkelstraat. Een oude bekende voor Schatz die meteen enkele biografische details opdist. ‘Marzel is een van de leiders van de kolonisten. Erg fanatiek, hij vindt dat Israël het recht heeft alle Palestijnen uit het land te zetten. Herinneren jullie zich het schandaal van die Palestijn die een aanval met een mes op een Israëlische militair had gepleegd? Hij lag uitgeschakeld op de grond, en toen heeft een van de soldaten hem van dichtbij geëxecuteerd. De beelden zijn de wereld rond gegaan. Erg belastend voor het leger, die soldaat is trouwens veroordeeld. Welnu, deze kolonist was er na de executie als de kippen bij om die soldaat te feliciteren. Vraag het hem zelf maar, hij is er nog altijd trots op’.

Marzel....'Dit land werd ons door God geschonken'. (Foto: ER)

Baruch Marzel.: Dit land werd ons door God geschonken’. (Foto: ER)

Marzel knippert niet met de ogen. ‘Natuurlijk heb ik die soldaat gefeliciteerd’, zegt hij voor een tribunaal van negen Europese journalisten. ‘Waarom niet? He did the right thing’. Dat hij alle Palestijnen eruit wil, spreekt hij dan weer tegen. Ze mogen blijven, zolang ze de joden met rust laten en aanvaarden dat Hebron net als de hele Westoever joods gebied is. ‘Want dit is ons land’, zegt hij op de bedaarde, zelfverzekerde toon van een man die geen twijfel kent. ‘Het is ons door God geschonken, hier is het jodendom ontstaan’. Op deze man pakt geen verf. Een collega van de Tsjechische radio die een kritische vraag stelt, wordt met een tegenvraag afgepoeierd. Waar meneer vandaan komt? Praag, zozo. En of meneer weet wat er in de oorlog met de Praagse joden is gebeurd? En dat hij, als telg van een volk dat de Holocaust moest ondergaan, geen lessen van een stel Europeanen heeft te krijgen. Schatz, evenzeer telg van dat joodse volk, kan zich niet bedwingen om in discussie te gaan. De kolonist negeert hem en waarschuwt ons. Geloof maar niks van wat Breaking The Silence jullie vertelt! Allemaal leugens van een bende zelfhatende joden! Een stel soldaten loopt voorbij, ze kijken geamuseerd naar het tafereel. Schatz maakt een einde aan het dovemansgesprek. ‘Dit valt nog mee’, zegt hij. ‘Soms worden we tijdens een bezoek met eieren of stenen bekogeld’.

 pandemonium

Op de bus heeft hij zijn eigen verhaal gedaan, zodat we zijn engagement beter zouden begrijpen. Er zit stof in voor een langspeelfilm. Schatz groeide op in een orthodox-zionistische familie, in een kleine nederzetting aan de Israëlische kant van Jeruzalem.  Toen hij als kind met zijn ouders Hebron of andere joodse bedevaartsplaatsen bezocht, wist hij niet beter of de hele Westoever was een deel van Israël. Hij werd een enthousiast lid van zionistische jeugdbewegingen, en op zijn 18 stond hij te popelen om zijn driejarige dienstplicht te vervullen. ‘Ik werd geselecteerd voor Duvdevan, een elitekorps dat erg bekend is voor zijn undercover operaties in de bezette gebieden. Dat ging van spionage, opsporingen en arrestaties,  tot en met het liquideren van potentieel gevaarlijke doelwitten. Ik heb er allemaal zelf aan meegedaan. Als een modelsoldaat, ik ben zelfs opgeklommen tot commandant’.

De lange busrit naar Hebron liep voornamelijk door de zogenaamde C-zone van de Westoever. Na de Oslo Akkoorden werden de bezette gebieden in drie categorieën opgedeeld. Zone A, de stedelijke kernen, zou militair en administratief door de nog op te richten Palestijnse Autoriteit worden bestuurd. Zone B werd als bufferzone ingekleurd. In zone C, zestig procent van de Westoever, bleef Israël volledig baas. De regeling was als tijdelijk bedoeld, tot Israëli’s en Palestijnen een definitief, allesomvattend vredesakkoord zouden sluiten. Na het  bereiken van die final status zou Israël de controle over zone C geleidelijk overdragen aan de Palestijnse Autoriteit. Door het ontsporen van het vredesproces, onder meer door de moord op de Israëlische premier Yitzhak Rabin, kreeg de overgangsregeling een permanent karakter. Permanent en onomkeerbaar, zo blijkt als we door het gebied rijden. De hele zone C, meer dan de helft van wat volgens Oslo een onfhankelijke Palestijnse Staat moest worden, is met Israëlische nederzettingen, plantages, militaire installaties, scheidingsmuren en zelfs gesegregeerde autowegen bezaaid.

Schatz moest lachen met de opdeling. ‘Zone A onder Palestijns bestuur? Vergeet het maar, het Israëlisch leger is er heer en meester. Mijn eenheid opereerde haast continu in zone A. Inlichtingen verzamelen deden we undercover, maar voor arrestaties of liquidaties geneerden we ons niet. De doctrine van het leger is nog altijd dezelfde: make your presence felt. Palestijnen moesen beseffen dat we hen kunnen treffen, waar en wanneer we dat maar willen. Het werkte langs twee kanten. We schakelden potentieel gevaarlijjke elementen preventief uit, en intussen werd de overgrote meerderheid geïntimideerd zodat ze geen verzet durfde te plegen. Daar zat een heel systeem achter. We maakten een onderscheid tussen involved en uninvolved targets. De eerstgenoemden werden als gevaarlijk beschouwd en behandeld. Uninvolved targets, dat kon een familie zijn in een Palestijns dorp die helemaal geen uitstaans had met georganiseerd verzet. Toch vielen we er ’s nachts zwaar gewapend en met veel overmacht binnen. De hele familie werd uit bed gelicht, in de woonkamer tegen de muur gezet en gefouilleerd. Ik heb zelf aan zulke operaties meegedaan. Het was telkens een pandemonium, ik heb kinderen letterlijk in hun broek zien doen van de schrik. Om het huilen doen stoppen, snauwden we ze zo hard af dat ze hun mond niet meer durfden opendoen. Na een uur was het voorbij. Natuurlijk hadden we geen wapens of ander belastend materiaal gevonden. Dat was niet bedoeling, de hele actie was een boodschap voor het hele dorp evenals de dorpen in de omgeving’.

landverraders

Misschien was het die ene operatie die de bal aan het rollen bracht. Een hot arrest, werd het tijdens de briefing genoemd. Ze zouden niet op de deur bonzen en dan binnenstormen, maar de deur met een explosievenlading opblazen. ‘Het was een nieuwe techniek’, vertelde Schatz. ‘De man van explosieven had voor de zekerheid een extra lading voorzien. Gevolg: niet alleen de deur maar het hele interieur van de woonkamer vloog in de lucht. We stormden door de rookwolk de trap op naar de slaapkamer. Eerst hebben we de verdachte een pak rammel gegeven, soften the target, heette dat. Op dat moment kwam de man van Shin Bet erbij. ‘Oops’, zei hij, ‘we hebben ons van huis vergist’. We hebben de operatie nog eens overgedaan, bij het correcte adres. Toen al begon er iets te knagen. Dit is niet okay, besefte ik. Toen ik bij mijn superieuren voorzichtig polste of de familie gecompenseerd zou worden voor de geleden schade, kreeg ik een sussend antwoord. Daar moet jij als soldaat niet wakker van liggen. De hele operatie werd trouwens als een succes geëvalueerd. We hadden ons dan misschien van huis vergist, maar die deur was er toch wel mooi uitgevlogen’.

Zoals wel vaker kwam de kater achteraf, tijdens een sabbatsjaar in Zuid-Afrika tussen zijn dienstplicht en zijn studies. Schatz, een van de eersten die voor Breaking the Silence getuigde, is intussen een van de boegbeelden van de organisatie. Aan dat engagement hangt een prijskaartje. ‘De regering en de rechtse pers gaan constant tegen ons tekeer”, zegt hij. ‘We worden als landverraders afgeschilderd. Bedreigingen en verwensingen horen erbij. Ja, ik heb veel vrienden verloren, en ook binnen mijn familie is er veel onbegrip. Maar ik kan iedereen recht in de ogen kijken. Ik beschouw mezelf nog altijd als een zionist én een patriot. Als het moet, ben ik bereid mijn leven voor Israël te geven. Dat doet echter niets af aan mijn vaste overtuiging dat de bezetting moreel verwerpelijk is en op lange termijn schadelijk voor Israël. Mijn engagement bij Breaking the Silence is een daad van patriottisme’.

Saboteur in actie. 'Soms worden we met eieren of stenen bekogeld'. (Foto: ER°

Saboteur in actie. ‘Soms worden we met eieren of stenen bekogeld’. (Foto: ER°

vuile luiers

We zetten de wandeling door de spookstad voort. Op een rechthoekig plein last Schatz een halte in. Dit is een bijzondere plek, en niet alleen omdat het lange tijd het drukste knooppunt van de souk was. In een van de huizen woont nog een Palestijnse vrouw met haar zoon, de laatste anciens die op het ‘gesterliseerde’ plein zijn achtergebleven. Voor hun raam twee hoog hangen tralies: bescherming tegen de stenen die joodse kinderen er constant tegenaan gooien. Steriliseren is immers niet alleen een militaire aangelegenheid, het zijn kolonisten die het voorbereidende werk doen. Schatz citeert uit het bundel met getuigenissen van ex-soldaten die in Hebron gelegerd waren. Hoe ze op de duur meer moeite moesten doen om Palestijnen tegen het geweld van kolonisten te beschermen dan andersom. En dat ze zich verbaasden over de technieken die de kolonisten hanteerden om hun Palestijnse buren het leven zuur te maken. Vrouwen die vuile luiers over de muur of door het openstaand raam gooiden, kinderen van kolonisten die er een sport van maakten Palestijnse kinderen in te sluiten en te molesteren. En hoe ze als soldaten de pest hadden in het provocerende gedrag van diegenen die ze geacht werden te beschermen, ook al deden die kolonisten er alles aan om hun dankbaarheid te manifesteren. Met shabbat was het vaste prik dat iedere kolonistenfamilie een of meerdere soldaten thuis voor het avondmaal uitnodigde.

En dan gebeurt er iets merkwaardigs. En wat plompe man, een dertiger in een zwart t-shirt, sluit zich ongevraagd bij ons gezelschap aan. Niet om te luisteren, maar om het bezoek te verstoren. Zijn methode is even simpel als effectief. Hij gaat vlak achter onze gids staan, en begint hardop in het Hebreeuws tegen zijn smartphone te praten, recht in het oor van Schatz. Beledigingen, bedreigingen, verwensingen, maar dat zullen we pas achteraf vernemen. Vooral Yara, een 22-jarige Palestijnse stagiaire, moet het ontgelden. Het arme kind, al de hele middag doodsbenauwd vanwege de grote concentratie van militairen en kolonisten, wordt getrakteerd op een scheldkanonnade doorspekt met racistische en seksistische vuilspuiterij.

‘Negeer hem’, adviseert Schatz. ‘Ik ken hem, hij probeer altijd stokken in de wielen te steken. Fanatieker ga je ze niet vinden, dit is een man die Baruch Goldstein als een martelaar vereert’. De kwelduivel laat zich niet negeren. Waar we ook gaan, hij volgt ons als een schaduw, aangemoedigd door andere kolonisten. Een combi van de burgerpolitie komt poolshoogte nemen. Schatz doet een wanhoopspoging. Of de agenten zijn belager niet tot de orde kunnen roepen? Nee dus, hij krijgt integendeel het dringende verzoek om met zijn gezelschap op te krassen vooraleer de boel echt uit de hand loopt. En zo wordt ons bezoek aan Hebron voortijdig afgebroken. We hebben niet alles gezien, maar veel geleerd.

 

De Palestijnse Staat: bouwproject zonder vergunning

Knack, 19 oktober 2017

“Je kunt over dit conflict eindeloos discussiëren, maar in wezen is het heel eenvoudig: Israël wil zoveel mogelijk grond met zo weinig mogelijk Palestijnen erop” 

Scheidingsmuur in Bethlehem (eigen foto)

Scheidingsmuur in Bethlehem (eigen foto)

Knack reisde embedded met Europese Vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit door de Westoever. Veel hoop op een tweestatenoplossing werd er niet gevonden, ongelukkige maar voldongen feiten des te meer. ‘Zonder Europa had Israël de Westoever al lang geannexeerd’.

Na vier dagen op de Westoever dringt zich een voorlopig besluit op. De Israëlisch-Palestijnse kwestie? Er is geen nieuws en dat is meteen het slechte nieuws. We hebben met een groep journalisten staan aanschuiven bij checkpoints. We bezochten bedoeïenenclans die door nieuwe of zich steeds verder uitbreidende nederzettingen worden bedreigd. We reden over viervaks-autosnelwegen waar alleen gele of Israëlische nummerplaten zijn toegelaten, terwijl we in de verte de lokale wegen zagen waar auto’s met groene, Palestijnse  nummerplaten lange files vormden voor alweer een volgend checkpoint. We telden zoveel muren, hekken en wachttorens dat we er ons oriëntatiegevoel bij verloren. We ontmoetten niet alleen Palestijnen maar ook Israëlische mensenrechtenactivisten die zich hardnekkig blijven verzetten tegen de al vijftig jaar aanslepende bezetting van de Westelijke Jordaanoever, een engagement dat steeds moeilijker valt in een land waar zowel de regering als de publieke opinie een forse ruk naar rechts hebben gemaakt. Van die regering of publieke opinie konden we geen poolshoogte nemen. We reisden op uitnodiging van de Europese Vertegenwoordiging bij de Palestijnse Autoriteit. Embedded dus, maar dat doet letterlijk noch figuurlijk afbreuk aan de muren die we hebben gezien.

Doel van deze intensieve kennismaking: aantonen waarom Europa in de tweestaten-oplossing blijft geloven, en op welke verschillende manieren het bijdraagt tot het realiseren van deze oplossing die in de Oslo Akkoorden van 1993 werd voorzien. Met veel geld, dat kunnen we nu al zeggen. De Europese Unie en de lidstaten pompen jaarlijks 1 miljard euro in de ontwikkeling van de Palestijnse gebieden. Maar daarmee is het punt niet gemaakt. Na vier dagen hebben we immers ook een leidraad ontdekt: alle Palestijnen, jong of oud, laaggeschoold of hoogopgeleid, spuwden Oslo uit als een slok verzuurde melk. Het geloof in een tweestatenoplossing brandt hier op een zeer laag pitje. Maar ook dat is oud nieuws.

En dan, op de terugweg naar Ramallah: breaking news! Fatah en Hamas hebben in Caïro een akkoord gesloten! Na tien jaar van bittere en bij momenten bloedige broederstrijd wagen Ramallah en Gaza een poging om hun vendetta bij te leggen. Hamas, door de VS en Europa als een terroristische organisatie bestempeld, draagt het bestuur over de strip over aan de Palestijnse Autoriteit van president Abbas. Binnen het jaar zouden er verkiezingen volgen, de eerste in 11 jaar tijd. In Gaza zal de aangekondigde verzoening, die hoop op betere levensomstandigheden biedt, tot een volksfeest leiden. Niets daarvan in Ramallah, we zullen er vooral veel scepsis ervaren. Ook onze Palestijnse reisgezellen, lokale EU-medewerkers en journalisten, zonder uitzondering jong en goed opgeleid, lopen niet warm. Kiezen tussen Fatah en Hamas? Aan religieus fundamentalisme hebben ze lak, het Fatah-regime noemen ze corrupt en autoritair. Vorige maand nog werden zes kritische journalisten opgepakt, vernemen we van fotograaf Alaa Daraghme. ‘Er is een enorm legitimiteitsprobleem’, zegt hij. ‘Jonge Palestijnen, zeg maar de overgrote meerderheid, herkennen zich helemaal niet in de huidige generatie leiders. Ze geloven ook niet in een tweestatenoplossing, al wat ze wensen is een beter leven. Het is erg om te zeggen, maar velen zouden zelfs blij zijn met een statuut zoals dat van de Israëlische Palestijnen. Tweederangsburgers, maar wel in een functionerende staat’.

vluchtelingenkamp Aida, wereldkampioen blootstelling traangas (eigen foto)

vluchtelingenkamp Aida, wereldkampioen blootstelling traangas (eigen foto)

zelfhatende jood

Mohamed Shamasneh (45) heeft andere zorgen aan zijn hoofd. Half september werd hij met zijn achtkoppige familie uit zijn huis in Sheikh Jarrah gezet, een Palestijnse volksbuurt in het hart van Oost-Jeruzalem. “Door de politie’, zegt hij. ‘Terwijl onze inboedel op een vrachtwagen werd geladen, zagen we hoe een Israëlische familie onze plaats innam’. Ook zijn hoogbejaarde ouders verloren de residentie waar ze in 1964, onder Jordaans gezag nog, hun intrek namen. Sinds de Zesdaagse Oorlog in 1967 valt Oost-Jeruzalem net als de Westoever en Gaza onder Israëlisch bestuur. In tegenstelling echter tot die laatste twee gebieden werd Oost-Jeruzalem in 1980 officieel geannexeerd. Het herenigde Jeruzalem werd tot ‘eeuwige en ondeelbare’ hoofdstad van Israël uitgeroepen, een statuut dat niet door de beugel van het internationaal recht kan en lijnrecht indruist tegen Palestijnse claim op Oost-Jeruzalem als toekomstige hoofdstad van hun onafhankelijke staat.

Hoe ver die droom van de realiteit staat, kunnen we in Sheikh Jarrah vaststellen. Zestig jaar van actieve judaïsering heeft zijn doel niet gemist: intussen maken Israëlische kolonisten al 41 procent van de bevolking in Oost-Jeruzalem uit. De regering Netanyahu IV, een uiterst  nationalistische zespartijencoalitie met een grote inbreng van ultra-orthodoxen en extreemrechtse kolonisten, heeft nog een tandje bijgestoken. Complete woonblokken veranderden in nederzettingen of kantoorgebouwen, alleen al in deze buurt werden dit jaar vier grote projecten vergund waardoor 17 Palestijnse families worden bedreigd. Het lot van de Shamashnes is dan ook geen unicum, volgens de Norwegian Refugee Council vechten nog 40 families tegen een nakende uithuiszetting. De Noorse ngo heeft een ploeg advocaten op de been die de families pro deo bijstaat. Namen mogen we niet noemen. Te delicaat in een land waar de regering er alles aan doet om ngo’s met buitenlandse financiering als staatsvijandig te brandmerken. Dat werkt, heeft een Israëlische medewerkster ondervonden ‘Het klimaat wordt stilaan onleefbaar’, klaagt ze. ‘Wie durft opkomen tegen de bezetting, wordt meteen als landverrader of zelfhatende jood weggezet. In mijn familie of op de school van mijn kinderen loop ik er niet mee te koop. Als ze vragen wat ik doe, zeg ik dat ik aan de universiteit werk’.

Behalve delicaat is het werk van de NRC-advocaten vooral moeilijk. ‘Israël heeft een heel arsenaal aan wetten en regels om uithuiszettingen te legitimeren’, zegt een woordvoerder. ‘Zo is er een wet die Israëli’s toelaat eigendommen te claimen die hun familie voor de Jordaanse bezetting (1949-67) in bezit had. Dat gebeurt lang niet altijd spontaan, er zijn organisaties die nabestaanden in de hele wereld opsporen en aanmoedigen om zo’n claim in te dienen. Spreekt vanzelf dat het omgekeerde niet kan, Palestijnen moeten er niet aan denken in Israël eigendommen op te eisen die ze in 1948 zijn verloren’. Ook met het aanvechten van afbraakorders hebben ze de handen vol. Een derde van de Palestijnse woningen werd zonder vergunning gebouwd, ook al omdat het voor Palestijnen haast onmogelijk is om zo’n vergunning te verkrijgen. Volgens de Noorse ngo lopen daardoor zo’n 100.000 Palestijnen het risico hun huis in Oost-Jeruzalem te verliezen. Of hun permanente verblijfsvergunning, want ook die kan op vele manieren verbeurd worden verklaard. .

De oude stad Jeruzalem en aangrenzende wijken zoals Silwan en Sheikh Jarrah zijn erg in trek bij religieuze zionisten. Vaak gaat het om Amerikanen of Fransen die willen aanknopen met de joodse roots en tegelijkertijd fysiek beletten dat Jeruzalem verdeeld kan worden.  Voor het samenlevingsklimaat moeten ze het niet doen, want de invasie zet de relaties tussen diverse bevolkingsroepen op scherp. Woningen van kolonisten worden bewaakt, hun kinderen onder escorte naar school begeleid. Door privé-bewakingsfirma’s, maar op kosten van Israëlische overheid. Ons bezoek heeft Mohamed Shamasneh niet opgevrolijkt. Hij wijst naar de Israëlische vlag bij de poort van wat tot voor kort zijn thuis was. ‘Ik ben een vreemdeling in mijn eigen buurt geworden’, zegt hij bitter.

Area C

We zijn te gast ARIJ, een in Bethlehem gevestigd onderzoeksinstituut dat de nederzettingenpolitiek monitort. Voor de derde keer al deze week krijgen we de kaartenshow te zien. De eerste slide toont traditiegetrouw historisch Palestina, een uithoek van het Ottomaanse rijk waar joden een dikke eeuw geleden geen tien procent van de bevolking uitmaakten. Op de volgende slides zie je de Palestijnse leefruimte slinken als een ijsschots. 22 procent van historisch Palestina zouden ze nog overhouden als Israël de sinds 1967 bezette gebieden teruggeeft. Dat was waar PLO-leider Arafat op hoopte toen hij in 1993 de Oslo Akkoorden onder het motto ‘land voor vrede’ aanvaardde. De 70-jarige Jad Isaac moet er vandaag om lachen. ‘I was one of those Oslo criminals’, zegt de 70-jarige oprichter en directeur van ARIJ. ‘Wat waren we naïef in 1993. In afwachting van een defintieve regeling zou Israël de Westoever alvast in drie zones opdelen. In zone A, de stedelijke kernen, zou de pas opgerichte Palestijnse Autoriteit de volledige controle over veiligheid en administratie krijgen, in de omliggende B-zones alleen de administratieve controle. Area C daarentegen, goed voor 60 procent van de Westoever, zou in afwachting volledig onder Israëlisch bestuur blijven. We zijn nu 25 jaar later, en we wachten nog altijd. Met dit gevolg’. Hij klikt op de laatste slide, een actuele kaart. ‘Bantoestans’, zegt hij. ‘dat is alles wat er voor de Palestijnen overschiet’.

De kaart geeft hem geen ongelijk. De donkere A-gebieden liggen als eilanden in de witte oceaan van area C. Sinds 1967 werden er meer dan honderd nederzettingen gebouwd. Voeg daarbij een kleine 800 kilometer muren en hekwerk, 630 checkpoints, kazernes en militaire oefenterreinen, plus nog wat wegen of archeologische sites die voor Palestijnen off limit zijn. Het resultaat is een op zich al klein gebied waarin de bewegingsvrijheid van 2,5 miljoen Palestijnen op allerlei manieren aan banden wordt gelegd. Een reis van pakweg Betlehem naar Jenin of Jeircho is een sukkelgang van checkpoint naar controlepost. Zonder de juiste papieren komt men niet ver, Israël kan de Westbank naar believen helemaal of deels op slot gooien. Dat gebeurt niet alleen na aanslagen. Ons bezoek viel samen met het joodse Loofhuttenfeest. Gevolg: Kalandia, het voornaamste checkpoint tussen Rammalah en Jeruzalem ging een hele week dicht. Pech voor de duizenden Westoever-inwoners die hun brood verdienen in Palestijnse shops of restaurants in Oost-Jeruzalem.

De geschiedenis van de Oslo Akkoorden is bekend. Onder meer door de moord op de Israëlische premier Yitzhak Rabin in 1994 raakte het sowieso al delicate vredesproces definitief in het slop. De voorlopige opdeling kreeg een permanent karakter. ‘Daar maakt Israël misbruik van om de hele C-zone feitelijk te annexeren’, zegt Isaac. ‘Er wonen al zo’n 700.000 kolonisten, aan het huidige ritme zijn het er in 2020 meer dan een miljoen. (Israël houdt het op een half miljoen, ER) Netanyahu heeft in 2016 meer nederzettingen vergund en gebouwd dan in de vijf voorgaande jaren samen. Met steun van Amerikaanse organisaties die massa’s geld pompen in de nederzettingen waar de levensomstandigheden overigens beter zijn dan in Israël zelf’. Van de Israëlische wet mag het niet, maar ARIJ beschikt over gedetailleerde luchtbeelden van area C. Die brachten niet alleen 885 buitenzwembaden aan het licht, een luxe die vele met waterschaarste kampende Palestijnen de ogen uitsteekt. De satelliet ontmaskerde bovendien de techniek van de buitenpost. Officeel gaat het louter om schakels in de veiligheidsketen die rond alle nederzettingen liggen. Een wachtpost met wat prikkeldraad op een heuvel, meer stelde de outpost van Na’aleh vorig jaar niet voor. Een recente foto toont evenwel een verrassende ontwikkeling. In het verlengde van de buitenpost rijst een nieuwe nederzetting uit de grond, East Na’aleh. ‘Zo zijn er wel 96 buitenposten’, zegt Isaac. ‘Illegaal volgens de Israëlische wet, maar de militaire overheid zorgt wel voor water, elektriciteit en ontsluitingswegen. Op die manier proberen ze nederzettingen te clusteren en nog meer Palestijnse grond met muren of hekwerk in te pikken. Want vergis je niet: al die zogenaamde scheidingsmuren hebben niks met veiligheid voor Israëli’s te maken. Landpikkerij, daar is het om te doen. Slechts 50 van de 775 kilometer van de Muur volgt het tracé van de Groene Lijn (wapenbestandslijn uit 1949 ER), al de rest snijdt diep in Palestijns grondgebied’.

Paus Franciscus

We rijden door de Jordaan-vallei, de ontmoeting met B’Tselem-woordvoerder Amit Gilutz zindert na. De Israëlische mensenrechtenorganisatie, in 1989 opgericht om misbruiken door militairen in bezette gebieden te documenteren en gerechtigheid voor de slachtoffers te eisen, is een van schietschijven van rechts Israël. Gilutz weet er alles van. Scheldpartijen, bedreigingen en ravages in zijn sociaal leven horen bij de job. Vergeleken daarmee was zijn tweejarige dienstplicht als muzikant in het legerorkest een sinecure. ‘Toch heeft die ervaring mijn ogen geopend’, vertelde hij. ‘Ik moest uitzonderlijk een weekend op post in bezet gebied. Het was rustig, business as usual. Toch zag ik soldaten uit verveling stenen gooien naar voorbijrijdende Palestijnen. Een geblinddoekte en geboeide arrestant werd geschopt en geslagen. Wow, dacht ik toen, als dit een doorsnee weekend in de bezette gebieden voorstelt, wat gebeurt er dan allemaal niet in een doorsnee jaar?’. Gilutz gaf ons een update over mensenrechten en straffeloosheid in de bezette gebieden, afgerond met een persoonlijke bedenking.  ‘Je kunt over dit conflict eindeloos discussiëren, maar in wezen is het heel eenvoudig: Israël wil zoveel mogelijk grond met zo weinig mogelijk Palestijnen erop’.

bedoeïenenkamp Westbank. Opkrassen voor uitbreiding Jeruzalem (eigen foto)

bedoeïenenkamp Jabal al Baba. Bedreigd door Greater Jerusalem. (eigen foto)

Het E1-project vormt een perfecte illustratie. Om het helemaal te doorgronden zijn plannen, kaarten en luchtbeelden nodig, maar de essentie is eenvoudig. E1 kan best in het licht worden gezien van de Greater Jerusalem Bill, een door het kabinet Netanyahu gesteund wetsontwerp dat de grenzen en de demografie van de stad grondig moet wijzigen. Bedoeling is 19 illegale nederzettingen met tussen 125.000 en 150.000 Israëli’s in te kantelen. Omgekeerd worden zo’n 100.000 Palestijnen administratief verwijderd. Materieel zullen ze er niet veel bij inleveren, er werd sowieso nog nauwelijks in dienstverlening geïnvesteerd sinds ze jaren geleden door de scheidingsmuur van de kernstad geïsoleerd raakten.

Paus Franciscus noch de Jordaanse koning Hoessein zaliger kunnen er veel aan veranderen. Hun geschilderde portretten prijken op een betonnen gebouw bovenop een heuveltop. Eigendom van het Vaticaan, vandaar de naam die ook op het omliggende vluchtelingenkamp slaat. Jabal Al Baba, de Heuvel van de Paus, is één van de twee bedoeïnenkampen die door het E1-project worden bedreigd. Het probleem: ze liggen in de weg om de 44.000 kolonisten van Ma’ale Adoemim middels een forse uitbreiding fysiek te verbinden met Jeruzalem. Dat ze in de C-zone wonen en bijgevolg onder militair bestuur vallen, helpt hun zaak niet vooruit. Het leger doet er alles aan om de bedoeïnen, veelal vluchtelingen die na 1948 uit de Negev-woestijn werden verjaagd, met hun schapen en geiten te doen opkrassen. Al 48 huizen werden vernield, twee maanden geleden moest een met Europees geld gefinancierde kinderkribbe eraan geloven. De vernieling van Palestijnse infrastrctuur is schering en inslag op de hele Westoever. Zo heeft ons land al geprotesteerd tegen de inbeslagname van zonnepanelen en de afbraak van een school, beide deels met Belgisch belastinggeld gefinancierd. Veel indruk maakte dat niet. Israël behoudt zich in area C het recht voor om alle niet-vergunde structuren af te breken of in beslag te nemen. Het begrip bezette gebieden valt daarbij niet. Israël, dat een eigen lezing heeft van het internationaal recht, spreekt consequent van betwiste gebieden. Geen detail, want op die manier onttrekt het zich aan de Conventie van Genève die bezettingsmachten verplicht verantwoordelijkheid voor de burgers in de bezette gebieden te dragen.

Dat de twee bedoeïnengemeenschappen voorlopig standhouden, is grotendeels te danken aan de guerrillasteun die vier ngo’s leveren onder dekking van de European Civil Protection and Humanitarian Aid Operations (ECHO). Ook hier mogen we geen namen citeren, zelfs niet van de betrokken ngo’s. De angst voor Israëlische repressailles _ geweigerde visa, werkvergunning of uitzetting  _ zit er diep in. ‘Het is een kat en muisspel’, zegt onze bron. ‘Als ze in het kamp een woning afbreken, bouwen we die vijf meter verder weer op. Sluiten ze de stroom af of blokkeren ze de toegangsweg met een groot betonblok? Wij leveren zonnepanelen of sturen een kraanwagen om de weg weer vrij te maken’.

Hebron

Het werd bij wijlen een deprimerende roadshow. We bezochten Aida, een straatarm vluchtelingenkamp in Bethlehem dat onfortuinlijk in een bocht van de scheidingsmuur ligt. Om het nog moeilijker te maken loopt er een baan langs, aangelegd voor joodse pelgrims en toeristen op weg naar de graftombe van Rachel, vrouw van aartsvader Jakob. Het kamp, dat alleen in de hoogte kan groeien, is met 6.000 vluchtelingen schrikbarend overbevolkt. In Aida hoorden we over de VENOM launcher, een tuig dat tot 60 bussen traangas per minuut kan afschieten. Non lethal urban warfare, heet dat. Bij B’Tselem en UNWRA, het VN-agentschap dat sinds 1949 verantwoordelijk is voor de Palestijnse vluchtelingenkampen, denken ze daar anders over. Er zijn al verschillende doden gevallen door slecht gemikte gasprojectielen, andere slachtoffers stikten door een te hoge concentratie. Nergens ter wereld werden mensen aan grotere doses traangas blootgesteld dan in Aida, reden voor UNWRA om een studie naar de langetermijngevolgen voor de gezondheid te bevelen. Aanleidingen om traangas, rubberkogels, en de als niet dodelijk gekwalificeerde .22-munitie te gebruiken, zijn er in Aida genoeg. De frustraties monden geregeld uit in protest en erger. Gemiddeld een keer per week valt het leger binnen voor search and arrest operaties. Kinderen worden niet ontzien, het laatste examen van de vijfde graad werd lelijk verstoord toen een flashgranaat en enkele traangasobussen door het raam vlogen. Ook de Palestijnse ordediensten delen telkens in de schade. Hun machteloosheid tegenover de Israëlische operaties, nota bene in de eigen zone A, ondergraaft hun gezag.

Ook onze halte in Hebron, de grootste stad van de Westoever waar 800 extreem-religieus-zionistische kolonisten zich onder bescherming van 600 soldaten hebben genesteld, maakte indruk. We raakten aan de praat met twee kolonisten die er prat op gingen de soldaat Elor Azaria persoonlijk te hebben gefeliciteerd, vlak nadat hij een reeds uitgeschakelde belager van dichtbij had geëxecuteerd. De jongste van de twee vond het ook nodig om onze Palestijnse begeleidster, een piepjonge stagiaire die hem al kneep toen we een militaire post passeerden, met de grofst denkbare verwensingen te overladen. Geen twijfel dat de haat ook bij sommigen aan de overkant hoog oploopt, maar dit viel toch moeilijk te overtreffen.

Hoopgevende momenten waren er ook. In Tubas, in het Noorden van de Westoever,  financiert de Europese Unie een installatie die het afvalwater van 34.000 mensen moet zuiveren en recycleren. Twee vliegen in een klap, want op die manier raken de kostbare ondergrondse drinkwatervoorraden niet meer door insijpelende smurrie bezoedeld. Ingenieur en projectleider Nael Ali Ahmad sprak woorden van trots en dankbaarheid, maar kon enkele wrange bedenkingen niet onderdrukken. Dat hij alle plannen heeft moeten hertekenen omdat de Israëli’s van oordeel waren dat de constructie zo’n vijftien meter uitstak over de hier ongemarkeerde grens tussen zone A en zone C. 70.000 kubieke meter moest er extra worden uitgegraven vanwege deze administratieve pesterij die met geen enkel veiligheidsmotief kon worden gemotiveerd. Maar dat was niet eens zijn voornaamste ergernis, echt boos werd hij pas toen hij het zonesysteem fileerde. A, B of C, hem om het even, het is allemaal land dat de Palestijnen toekomt. Maar wat is de realiteit? Het is de Palestijnse Autoriteit zelfs verboden om zonder Israëlische toelating in de eigen zone A een waterput te boren! Oslo, meneer! De Palestijnse onderhandelaars, niet gehinderd door veel  hydrologische en geologische kennis, hebben zich in 1993 laten rollen. Gevolg is dat de Palestijnen op hun knieën moeten smeken om een waterput te boren. Dat mag uitzonderlijk in de kleine westelijke aquifer, de veel rijkere oostelijke waterlaag is exclusief voor Israëlisch gebruik. ‘Gevolg is dat we voor de bevoorrading nog altijd volledig afhangen van Israël’, fulmineerde Ahmad. ‘Ze doen ons zelfs extra betalen, voor ons eigen water’.

ingenieur ???(eigen foto)

ingenieur  Nael Ali Ahmad: ‘De Israëli’s doen ons extra betalen voor ons eigen water’ (eigen foto)

De terugweg loopt door vruchtbare Jordaan-vallei, helemaal gelegen in area C. Links of rechts, we zien haast uitsluitend Israëlische nederzettingen, dadelplantages en militaire versterkingen. Moeilijk te geloven dat dit alles ooit onder Palestijnse soevereiniteit zal vallen. Europa krijgt veel kritiek voor zijn ‘naïeve’ geloof in de tweestatenoplossing waaraan de Amerikanen onder president Trump zelfs geen lippendienst meer bewijzen. Volgens de scherpste verwijten maakt Europa zich zelfs medeplichtig aan de bezetting door er de kosten van te dragen. ‘Misschien’ wel’, opperde een anonieme maar hooggeplaatste diplomaat. ‘Maar je kunt het ook anders bekijken. Zonder onze hulp aan de Palestijnen was de Westoever al lang en onherroepelijk geannexeerd’.

Litouwers tanken patriottisme in het Genocidemuseum

Knack, 10 mei 2017

 

Angst voor het Russische gevaar loopt hoog op in de Baltische staten. In het Litouwse Rukla proberen Belgische NAVO-militairen de ongerustheid te bedaren. Vliegtuigen of tanks hebben de Litouwers niet, patriottisme des te meer.

 

NAVO-vliegtuigen patrouilleren in Baltisch luchtruim. Scramble's met Russische Sukhois zijn schering en inslag

NAVO-vliegtuigen patrouilleren in Baltisch luchtruim. Scramble’s met Russische Sukhois zijn schering en inslag (foto: Navo)

Geen school vandaag in Litouwen, de jeugdbeweging mobiliseert. Een groepje tieners met twee volwassen begeleiders staat aan te schuiven bij het Museum of the Genocide Victims.  in Vilnius. Het duurt nog vijf minuten voor de poort open gaat, ze nemen alvast enkele selfies bij het monument op het museumplein dat eveneens aan de ‘genocide victims’ is opgedragen. De naam kan buitenlanders op het verkeerde been zetten. Het gaat niet over de shoah, ook al werd een van de zwartste pagina’s uit die geschiedenis in Vilnius geschreven. Van de 220.000 Litouwse joden werd 96 procent vermoord, hoofdzakelijk in en rond Vilnius. Dit museum is echter gewijd aan een andere misdaad: de onderdrukking door de Sovjet-Unie van het Litouwse volk en zijn streven naar soevereiniteit. Onderaan in het arduin van de neoklassieke gevel staan de namen van tientallen martelaren gebeiteld. Ze vormen slechts het topje van de ijsberg, zal de audiogids ons met veel zin voor detail vertellen. Het vergt uithoudingsvermogen om de ruim 250 fragmenten te beluisteren, maar een authentieke ervaring is het wel. Het museum werd ondergebracht in het voormalige commissariaat van de Sovjet-veiligheidsdiensten, achtereenvolgens bekend onder de afkortingen NKGB, MGB en KGB. De gevangenis in de kelders werd minutieus hersteld in de staat van de jaren veertig en vijftig toen de repressie een hoogtepunt kende. Aan gruwel geen gebrek. Wee de gevangene die in de isolatiecel belandde, in feite een kuip met een halve meter ijswater waar een houten platform ter grootte van een vinylplaat bovenuit stak. Net genoeg om recht te staan, tot men van vermoeidheid of ontbering toch in het water viel. In de wanden van de executie-kamer kun je impact zien van de kogels. Tussen 1944 en 1960 werden er meer dan 1.000 gevangenen met een nekschot afgemaakt.

 

Museum of Genocide Victims - Vilnius: verplicht bezoek voor Lithouwse scholieren (foto: ER)

Museum of Genocide Victims – Vilnius: verplicht bezoek voor Lithouwse scholieren (foto: ER)

deportatie

Gaandeweg raak je bijgepraat over enkele capita uit de recente Litouwse geschiedenis. Hoe het infame Molotov-Ribbentrop Pact in juni 1940 een einde maakte aan de eerste periode van  onafhankelijkheid, pas verworven na de Eerste Wereldoorlog. Bezetting, verzet, repressie, deportatie, het zou een patroon worden tot diep in de jaren vijftig. Het museum gaat niet voorbij aan het intermezzo tussen 1941 en 1944, toen de Nazi’s Litouwen bezette en de Gestapo dit gebouw met zijn aangepaste infrastructuur gretig inpalmde. Helaas, zegt de audiogids, kan niet worden ontkend dat een kleine minderheid van partizanen, vooral gedreven door wrok jegens de bolsjewieken, met de Nazi’s hebben geheuld. En inderdaad, sommigen gingen zelfs zover mee te helpen bij het uitmoorden van hun joodse landgenoten. De waarheid is dat de Duitse SS bij het klaren van zijn vuile werk nogal sterk op locale medewerkers leunde. Dat soort bijzonderheden verneem je een kilometer verderop, in het bescheiden Joods Museum van Vilnius.

Of de naam genocide niet gevoelig ligt? Ramuné Driauciūnaité, leidinggevend historica van het museum, is niet verrast door de vraag. ‘In joodse middens is men er niet gelukkig mee’, erkent ze. ‘Er is al kritiek gekomen vanuit Israël. De vorige directeur heeft overwogen de naam te veranderen in KGB Museum. Daar is hij echter snel van terug gekomen, de kwestie ligt hier erg gevoelig’. Waarom dat zo is, probeert ze met enkele cijfers te verduidelijken. Tussen 1940 en 1953 werden 25.000 verzetsstrijders en politieke gevangenen vermoord. 140.000 Litouwers werden naar Siberië gedeporteerd. Veroordeelden belandden als dwangarbeiders in strafkampen, hele families verdwenen voor tien jaar en langer in gesloten dorpen. Krasnoyarsk, Irkutsk, Kazakhstan, tot tegen de grens van Mansjoerije  waren er Litouwse kampen en dorpen. Het leven was onmenselijk, de mortaliteit schrikbarend. ‘We hebben het berekend’, zegt ze. ‘Een half miljoen Litouwers werd door de repressie geraakt, nog eens een half miljoen is het land ontvlucht. Een miljoen, dat is een derde van de totale bevolking. Spreek om het even wie aan, iedere Litouwer kan minstens één ouder of grootouder noemen die werd vermoord, opgesloten of gedeporteerd’.

 

Rifflemen’s Union

De jongens en en meisjes van de jeugdbeweging zijn klaar met hun bezoek. De helft loopt in een soort battle dress. Toch zijn het geen overijverige scouts. Deze jongeren horen bij de sauliai, een patriottische beweging die in het Engels voluit Lithuanian Rifflemen’s Union heet. We mogen meelopen naar het lokale hoofdkwartier, letterlijk om de hoek van het museum. In de lobby hangen foto’s van gecamoufleerde militairen in de weer met tanks en houwitsers. Toch draait het bij sauliai niet om wapens, zegt medewerkster Viktoria Jaukauskaité wiens kantoor met een kalender van een handvuurwapen-producent wordt opgesmukt.  Patriottisme stimuleren, daar is het deze door de overheid gesubsidieerde vrijwilligersorganisatie om te doen. Sauliai geeft schoollezingen en organiseert vakantiekampen in de bossen waar Litouwen geen gebrek aan heeft.  Okay, jongeren krijgen daarbij ook wapentraining, survival en verdedigingstechnieken aangeleerd. Maar, zegt Viktoria, dat is ondergeschikt aan sport en spel.

Sauliai, opgericht in 1919 tijdens de eerste onafhankelijkheidstrijd, kan op een roemrijk verleden bogen. De riflemen gingen voorop in de guerrilla tegen de Sovjetbezetting. Ondanks een genadeloze klopjacht zou het overigens tot halfweg de jaren zestig duren vooraleer de laatste verzetshaard werd uitgeroeid. Het genootschap werd in leven gehouden door de diaspora in Canada en de Verenigde Staten. ‘Sinds 1989, vlak voor de tweede onafhankelijkheid, zijn we opnieuw actief in eigen land ’, zegt Viktoria. ‘We hebben intussen al 10.000 leden van wie tweederden jongeren’. Ze maakt een uitdraai van de eed die nieuwe leden afleggen, een ronkende tekst met beloften van trouw aan volk, territorium en grondwet waarin een smeekbede aan God niet mag ontbreken. Net als Polen is Litouwen een erg katholiek land waar de Kerk een sleutelrol heeft gespeeld in de weerstand tegen de communistische dictatuur. Vermoorde bisschoppen en priesters hebben een eigen ruimte gekregen in het Genocide Museum dat nauw samenwerkt met sauliai.

Viktoria kent de waarde van patriottisme. Haar eigen grootvader heeft tien jaar in de beruchte goelag van Vorkuta gesleten. Boven de Poolcirkel, kun je nagaan.  Hij overleefde en stierf onlangs op zijn 96’ste, intens gelukkig dat hij het laatste kwart van zijn lange leven in een onafhankelijk Litouwen mocht doorbrengen.  Survival of wapentraining geven zit er vanwege gezondheidsredenen niet in voor Viktoria, maar het beredderen van de ledenadministratie is ook een vorm van vaderlandsliefde. ‘‘De jongste jaren is het aantal leden snel gestegen’, zegt ze. ‘De mensen maken zich grote zorgen over de Russische dreiging. Vooral de annexatie van de Krim in 2014 heeft hier veel indruk gemaakt’.

 

stadhuis Vilnius: boodschap president Bush  (foto: er)

stadhuis Vilnius: boodschap president Bush (foto: er)

Kaliningrad

Vilnius, stad van meer dan 40 barokkerken, hippe koffiebars en alternatieve modeboetieks. Het met Europees geld opgeknapte centrum is een populaire bestemming, een ideaal decor voor vrijgezellenfeesten met dank aan Ryanair en het  bruisende nachtleven.  Weinig toeristen slaan acht op het bord met halfverheven letters op de gevel van het stadhuis. Het is een herinnering aan het staatsbezoek van de Amerikaanse president George W. Bush in 2002. ‘Wie Litouwen als vijand kiest’, staat er, ‘is een vijand van de Verenigde Staten’. De goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Bush’ boodschap was bestemd voor Rusland,  de grote buur waarmee Litouwen een halve eeuw samenleefde in de Unie der Socialistische Sovjetrepublieken.

Ze zijn er geen klein beetje trots op: Litouwen was op 11 maart 1990 de allereerste republiek die zijn onafhankelijkheid uitriep en daarmee de doodstrijd van de USSR in een stroomversnelling deed belanden. Letland en Estland, buren en lotgenoten sinds de Eerste Wereldoorlog, zouden het voorbeeld een jaar laten volgen. De kou is sindsdien nooit helemaal uit de lucht geweest tussen Rusland en de Baltische staten. Moskou moest lijdzaam toezien hoe de voormalige satellieten steeds verder uit de eigen invloedssfeer wegdreven, tot ze in 2004 in één beweging aansloten bij de Europese Unie én de NAVO. De situatie van de Russische minderheden bleef doorlopend voor diplomatieke spanning zorgen. In Estland en Letland vormen Russen respectievelijk een kwart tot een derde van de bevolking. Achterdocht jegens die minderheid als derde kolonne zit diep ingebakken. Verwijten gaan daarbij heen en weer: Russen willen zich niet integreren, Russen worden gediscrimineerd. Voor beide stellingen vallen argumenten te rapen. Litouwen telt slechts 6 procent etnische Russen, minder dan het aantal Polen. Het is een van de vele wezenlijke verschillen tussen de drie Baltische landen die vaak onterecht als één monoliet worden beschouwd. Anders dan Letland en Estland deelt Litouwen ook geen echte landgrens met Rusland, wel met Moskou-bondgenoot Wit-Rusland. Dat het thema van de derde colonne ook hier leeft, heeft veel te maken met Kaliningrad.

De voormalige Pruisische hanzestad Köningsberg is een Russische enclave, ingeklemd tussen Polen en Litouwen. Het strategisch belang is immens: de havenstad biedt Rusland een ijsvrije toegang tot de Oostzee en de Scandinavische wateren. Kaliningrad, in de Sovjetunie een voor buitenlanders gesloten gebied, is de thuisbasis van de Baltische vloot. De gelijknamige provincie, bijna half zo groot als België, is bezaaid met militaire installaties. In 2015 werden er moderne Iskander-raketten geplaatst die steden zoals Berlijn met een kernkop kunnen treffen. De timing is geen toeval. Sinds het uitbreken van de Oekraïne-crisis staan ook de grenzen in Noord-Europa onder hoogspanning. Te water, te land, in de lucht, de militaire wedloop laat zich overal voelen. Russische onderzeeërs spelen kat en muis-spelletjes met Zweedse of Finse fregatten, F16-piloten van de NAVO kijken hun Sukhoi-collega’s tijdens supersonische scrambles letterlijk in de ogen, aan weerskanten van de grens wordt met tanks en artillerie geoefend dat het een aard heeft. Kaliningrad is een speelstad op het WK 2018, een keuze gemaakt in minder overspannen tijden. Bezoekende supporters kunnen toch maar beter oppassen met selfies, het woord spionage is in het huidige klimaat snel gevallen.

Batlle Group Lithuania

Angst spreidt zich als een deken over heel Noord-Europa. Zweden, al twee eeuwen lang gespaard van oorlog, heeft de dienstplicht ingevoerd. Net als in Finland klinkt de roep er steeds luider om toch maar toe te treden tot de NAVO. Ook Litouwen heeft twee jaar geleden de dienstplicht ingevoerd voor mannen tussen 19 en 26 jaar oud. Een verplicht bezoek aan het Genocide Museum moet de miliciens ervan overtuigen dat de negen maanden in uniform welbesteed zijn. Politiek en media herkauwen steeds dezelfde rampscenario’s. Vladimir Putin die zichzelf een alibi verschaft om zijn troepen westwaarts te sturen. Een incident op de grens van Kaliningrad, insubordinatie door Russische minderheden. Het kan allemaal, denk maar aan Oost-Oekraïne, Georgië of Moldavië. Putins uitspraak dat hij niet zal aarzelen om de rechten van Russische minderheden te beschermen, deed de koorts alleen maar oplopen. En dan zijn er  nog de rapporten van militaire thinktanks. De Baltische staten met hun onervaren en slecht uitgeruste legers _ ze hebben geen eigen luchtmacht of pantsers _ zijn geen partij voor Rusland. 60 uur, langer heeft de Rus niet nodig om het hele Balticum te overrompelen. Het Litouws ministerie van landsverdediging publiceerde eind vorig jaar een boek van 75 pagina’s om de bevolking op een invasie voor te bereiden. Behalve beschrijvingen van Russische uniformen en wapentuig, bevat het tips om het verzet te organiseren.

Belgen in Rukla. Niet alleen sterk in catering. (foto: er)

Belgen in Rukla. Niet alleen sterk in catering. (foto: er)

De NAVO is niet blind gebleven voor de ongerustheid van de Baltische lidstaten. Sinds de NAVO-top van Wales in 2014 wordt de beveiliging van de Noord-Europese grens stelselmatig opgedreven. Baltic Air Policing kreeg een upgrade, grootschalige oefeningen op zee en op land volgden elkaar op. Ook het Belgisch leger stuurde al F’16’s, en aan  Baltic Piranha I en II namen Belgische gevechtseenheden met gloednieuwe pantservoertuigen deel. Show of force and capability, heet dat. Goed om de Russen af te schrikken en het vertrouwen van de Balten op te krikken. Het volstond echter niet. Onder druk van de Baltische Staten en Polen besliste de NAVO op de top van Warschau vorig jaar een tandje bij te steken. Het woord enhanced werd toegevoegd aan operaties  zoals  Baltic Air Policing en het marineprogramma BALTOPS. Ambitieuzer nog is de Enhanced Forward Presence (eFP): meer dan 4.000 NAVO-militairen met zwaar materieel worden verspreid over vier battle groups. Het gaat telkens om multinationale operaties, maar iedere battle group heeft een NAVO-zwaargewicht als lead nation. De Amerikanen zijn eerder deze maand neergestreken in Polen, Britten en Canadezen zijn zich nog aan het warmlopen om in Estland en Letland te ontplooien. Alleen de door Duitsland geleide Battle Group Lithuania in Rukla, een militaire basis met oefenterrein in de buurt van Kaunas, is al operationeel. Met dank aan het Belgische detachement: 101 militairen in hoofdzaak geplukt uit het 18de bataljon logistiek Leopoldsburg. ‘We zijn hier sinds eind januari’, zegt de jonge kapitein Jelle Neyt. ‘We hebben alle NAVO-partners in snelheid genomen. Geloof me, hier is de voorbije maanden hard gewerkt. Die moderne containers met airconditioning stonden hier niet, de eerste weken logeerden we in tenten. De Litouwers hebben eerst nog gebouwen moeten afbreken en terreinen nivelleren om ons te kunnen vestigen’.

fake news

We zijn net op tijd in Rukla voor de lunch. Belgen scheppen op,  Duitse en Nederlandse militairen houden hun wegwerpbord klaar. Het cliché is bekend: dat ons leger vooral uitblinkt in het verdelen van spijs, drank en andere logistieke besognes. Makkelijk te logenstraffen, zoals blijkt uit de Belgische deelname aan Baltic Piranha en Baltic Air Policing. Uit het cliché spreekt vooral een onderschatting van de rol die logistiek speelt. Kapitein Neyt zet dat graag recht tijdens een rondleiding. Wisselstukken, brandstofvoorziening, onderhoud van rollend materieel, onderdak en voedsel, er komt veel bij kijken. Zonder zijn zeven imposante diepladers waren Duitse en Nederlandse pantsers nooit in Rukla geraakt. De battle group telt al 850 man.  Op volle kracht, met de Noren erbij, stijgt dat tot 1.400. De hele NAVO-missie is ingebed in een Litouwse brigade. Verveelde dienstplichtigen staan te kijken naar tanks die met oorverdovend gebrul aan en afrijden. Hun eigen wagenpark, een ratjetoe van Sovjeterfgoed en NAVO-occasies, steekt er schril bij af. ‘We voelen ons hier welkom’, zegt Neyt.  ‘Bij burgers oogsten we niks dan positieve reacties. Zelf kom ik niet veel buiten de kazerne, maar als hoogste Belgisch officier word ik opgetrommeld als er een vip passeert. Dat gebeurt zeer vaak, en allemaal benadrukken ze hoe blij en opgelucht ze zich voelen door onze aanwezigheid’.

Ze zijn er niet alleen om te oefenen met de Litouwers.  De battle group moet binnen de 72 uur operationeel zijn voor het echte werk. Niet dat ernstig rekening wordt gehouden met een Russische invasie. Deze Koude Oorlog wordt met plaagstoten uitgevochten. Volgens NAVO zijn het altijd de Russen die beginnen. Ze vliegen net over de rand van de  luchtcorridor naar Kaliningrad, hun fregatten pingen op de radar overvliegende Navo-vliegtuigen. Alles is communicatie in deze zenuwenoorlog. Het mag niet verbazen dat de Russen ook het cyberwapen hanteren. Kapt. Neyt: ‘‘Al in de eerste week dook een anonieme brief op. Een Duitse soldaat zou een meisje hebben misbruikt. Totaal verzonnen, er heeft zich trouwens nooit een slachtoffer gemeld. Maar dat gerucht heeft hier wel de media in rep en roer gezet. Ook de Duitse commandant van onze battle group werd geviseerd. Op sociale media doken foto’s op: de commandant op het Rode Plein in Moskou, de commandant met vrouw en kinderen in een bekend restaurant  in Moskou. Een poging om hem als een Russisch agent af te schilderen. Niet echt geslaagd, ze zijn nogal slordig geweest bij het fotoshoppen’. Zoals gewoonlijk valt niet bewijzen waar de bron van deze stoom fake news ligt, maar weinigen in Litouwen twijfelen eraan dat ze dicht bij Moskou moet worden gezocht.

kapitein Jelle Neyt strijdt ook tegen fake news (foto:er)

kapitein Jelle Neyt strijdt ook tegen fake news (foto:er)

 

NAVO-supporter

Het eFP-programma loopt minstens vier jaar. Zolang hoeven en Neyt en zijn mannen niet te blijven, in juni worden ze afgelost door de collega’s uit Grobbendonk. Vier maanden zonder verlof of vrije tijd, een enkele georganiseerde excursie uitgezonderd. Tijdens de uitstap naar Vilnius kozen nogal wat deelnemers voor het Genocide Museum. Wellicht was Eugenijus Peikstenis niet op de hoogte, anders had hij hen persoonlijk verwelkomd. De directeur van het Genocido Auku Muziejaus is een overtuigd NAVO-supporter. ‘Litouwen besteedt nu al meer dan 2 procent van BNP aan defensie. Welbesteed, voor mijn part mag het budget nog stijgen. Een invasie onwaarschijnlijk? Zeg nooit nooit, leert ons de geschiedenis. Ik heb het niet alleen over wat er op de Krim of in Oost-Oekraïne en Georgië is gebeurd. Deze geschiedenis gaat veel verder terug, de communisten hebben hun methodes trouwens van de tsaren geleerd. In Oost-Oekraïne hebben ze een bekende truc gebruikt: mannen in groene uniformen die zogezegd vrijwillig gingen vechten om hun volksgenoten te helpen. Daar zijn we ook hier bang voor. Vorige week heeft de grenspolitie met het leger een oefening gehouden om infiltranten uit Wit-Rusland te onderscheppen. Een ontnuchterende ervaring, ze bleken niet in staat de groene uniformen tegen te houden. We zijn een klein land, zonder de NAVO staan we nergens. Dat bondgenootschap, daar zit het hele verschil met de eerste onafhankelijkheid. In de jaren dertig stonden we helemaal alleen. Ook Polen was toen een vijand, en nu trekken we aan hetzelfde zeel’.

 

directeur

museumdirecteur  Eugenijus Peikstenis: ‘mijn grootouders hebben zelf in een werkkamp gezeten’  (foto: er)

Als prille zestier is hij een tegen wil en dank een product van de Sovjet-Unie. Peikstenis studeerde geschiedenis met specialisaties archeologie en antropologie, disciplines die hij uitkoos vanwege hun geringe propagandagevoeligheid. ‘De lessen geschiedenis waren een verschrikking’, zegt hij. ‘Op school werd ons geleerd dat het Litouwse volk zelf om inlijving bij de Sovjet-Unie heeft gevraagd. Het verzet, dat was een zaak van nazi-sympathisanten en bourgeois kapitalisten’. Op de gang, waar ooit de voetstappen van Gestapo-officieren en KGB-agenten weerklonken, hangt een bijzondere foto. Burgers vormen een ketting rond het gebouw om te beletten dat de KGB bij zijn aftocht in 1991 archieven en ander bewijsmateriaal zou meenemen.  80.000 bezoekers per jaar trekt het museum. Er komen veel buitenlanders, onder wie nogal wat Russen. De voornaamste klanten zijn echter scholieren. Dit museum wil niet alleen gedenken maar ook sensibiliseren. ‘Mijn grootouders hebben zelf in een werkkamp gezet’, zegt de directeur. ‘Zoals velen van hun generatie. De geschiedenis van de onderdrukking wordt in alle Lithouwe families overgeleverd, daar hebben we zelfs geen museum voor nodig’.