Categoriearchief: reportage

Kaasoorlog in Herve: hysteria over listeria

De Standaard Weekend, 13 juni 2015

‘Alsof er in mijn kaaskelder ebola loerde’ 

Kaasmaker Joseph Munnix blijft ervan overtuigd: van een beetje listeria gaat een mens niet dood. De voedselinspectie zag dat anders en nam de hele voorraad rauwmelkse Hervekaas in beslag. Kroniek van een bewogen zuiveloorlog.

 

Kaasmaker en boer Munnix gebruikt alleen melk an vertrouwde uiers. (foto: Dieter Telemans)

Kaasmaker en boer Munnix gebruikt alleen melk van vertrouwde uiers. (foto: Dieter Telemans)

Joseph Munnix had zijn pensioenplan helemaal klaar. Eind dit jaar zou hij zijn veestapel verkopen. 38 koeien klinkt weinig indrukwekkend, maar voor een zeventigjarige met een kunstheup werd het toch wat zwaar. Kaas maken daartegen, dat zag hij zichzelf nog wel een poosje doen. Zijn grootouders zijn ermee begonnen toen ze na de oorlog deze eeuwenoude hoeve in Battice bij Herve kochten. Hervekaas van Munnix werd een begrip onder gastronomen. Alleen verkrijgbaar op de boerderij, zelfs vanuit Nederland en Frankrijk kwamen liefhebbers ervoor aanrijden. Munnix was dan ook de op één na laatste kaasmaker die zijn delicatesse volgens het traditionele recept bereidde: met rauwe melk, recht uit de uier van de eigen koeien. “Het had ook zonder eigen beesten gekund”, zegt hij. “Boeren genoeg in de omgeving, ik weet waar ik goede melk kan vinden”. `

Die moeite kan hij zich alvast besparen. Zeker, het bordje langs de rue de Maastricht staat er nog, en aan de muur naast de kelderdeur hangen nog de  A’4’tjes met prijzen. 2 euro voor een kaasje, ook boter, eieren en verse melk zijn verkrijgbaar. Van de eieren zijn we niet zeker, maar voor Hervekaas moet men bij Munnix niet meer aankloppen. De boer krijgt tranen in de ogen als hij tafereel beschrijft dat zich hier vorige vrijdag heeft afgespeeld. Vreemde mannen liepen de smalle keldertrap op en af. De hele voorraad, zo’n 1.500 rijpende kaasjes, het product van weken noeste arbeid, werd afgevoerd naar een wachtende koelwagen. “Ze droegen van die witte pakken”, zegt hij schamper. “Alsof er in mijn kelder ebola loerde”.

Munnix is zijn lege kaaskelder (foto: Dieter Telemans)

Munnix is zijn lege kaaskelder (foto: Dieter Telemans)

besmette worst

Het Gevaar in Munnix kelder droeg een andere naam. Listeria monocytogenes, een bacterie met een reputatie. Bij zwangere vrouwen, zuigelingen en mensen met een zwakke weerstand, kan het beestje een listeriose-infectie veroorzaken, met gevolgen die variëren van onschuldige maagdarmklachten over hersenvliesontsteking tot spontane miskramen. Zuivelproducten op basis van rauwe, niet gepasteuriseerde melk zijn een dankbare biotoop, maar listeria kan ook in groenten en vlees opduiken. Vorig jaar nog stierven twaalf Denen na de consumptie van met listeria besmette worst. Zo’n catastrofe is gelukkig erg uitzonderlijk. In België worden jaarlijkse 70 tot 80 gevallen geregistreerd, in 2013 vielen er vier listeria-doden.

De besmetting kwam na een routinecontrole door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) aan het licht. Op 10 april werd er bewarend beslag gelegd: in afwachting van de tegenexpertise was het Munnix ten strengste verboden nog kaas te verkopen. Hij doet er niet flauw over. Klanten bleven komen, en hij heeft ze niet met lege handen weggestuurd. De inspectie kreeg lucht van de verboden handel en schakelde het parket van Verviers in. Het weerhield de gekrenkte boer er niet van luidkeels te blijven verkondigen dat er met zijn kaas niks mis was. Ook voor camera’s en microfoons, want de zaak escaleerde in Wallonië tot een mediasoap. Producenten van artisanale streekspecialiteiten en adepten van kleinschalige, biologische landbouw sprongen in de bres voor Munnix. Eens te meer was het FAVV de gebeten hond. Het agentschap, zo klonk het verwijt, hanteert door Europa gedicteerde normen die op maat van de voedingsindustrie zijn geschreven. Die ultrastrenge hygiënenormen zijn noodzakelijk in een lange keten, als er tussen productie en consumptie veel tijd verstrijkt door opslag en transport. Ambachtelijke producenten zoals kaasmaker Munnix behoren echter tot de korte keten, ze leveren rechtstreeks aan de verbruiker, thuis of op boerenmarkten. Voor hen zijn industriële normen overdreven en onhaalbaar, niet in de laatste plaats omdat ze loodzware investeringen vergen. Steuncomités schoten uit de grond, een tweetalige Facebook-petitie verzamelde in een mum van tijd duizenden likes. De kaasoorlog beleefde een grimmig hoogtepunt toen een FAVV-inspecteur op 15 mei in opdracht van het parket de kaasvoorraad kwam inventariseren. De poging werd noodgedwongen gestaakt, nadat het erf met een inderhaast opgetrommelde schare Munnix-supporters was volgelopen.

levend product

De kelder met de lege schappen biedt een triest aanblik, het aanpalende atelier is een museum geworden. Er is de kuip waarin hij de melk liet stremmen. De uitlektafel, een ingenieus systeem dat 500 kaasjes tegelijkertijd laat zweten. “Ik maakte twee soorten”, vertelt Munnix terwijl hij het rotatiemechanisme demonstreert. “Herve doux moet zes tot acht weken rijpen. De piquant liet ik drie maanden liggen, die werd ook dubbel gezouten”. Het is hem in zijn lange carrière meermaals overkomen: bij het keren van de uitlektafel steeg een bijtende ammoniakgeur op. “Dan kon je de hele lading bij de varkens gooien. Je hebt daar geen laboratorium voor nodig, je ziet het ook als er iets mis is. Gaten door ontsnappende gassen, korsten met donkere vlekken. Dat gebeurt, zelfs al gebruik je altijd dagverse melk. Vooral op onweerachtige dagen was het oppassen geblazen”.

Ammoniak heeft hij niet geroken toen hij zijn laatste productie liet uitzweten. Allemaal kaasjes met een vaste textuur en een lichte, egale korst, appetijtelijker wordt het niet. Maar er zat dus listeria monocytogenes in, wat ook bleek uit de positieve tegenexpertise. Ontkennen wil hij dan ook niet, relativeren des te meer. “Slechts twee van de vijf geteste kaasjes waren positief. En dan nog, het ging om hoop en al tien kolonies per 25 grammen. Dat is verwaarloosbaar, de Europese norm laat 100 kolonies per gram toe. Maar het FAVV past voor listeria nultolerantie toe. Dat is onrealistisch, met zo’n normen kun je geen rauwmelkse kaas maken. Melk is een levend product, daar horen beestjes bij”. De 70-jarige boer heeft zich ingelezen, en niet alleen op Wikipedia. Rauwe melk is gezond, betoogt hij gloedvol, als ze tenminste vers en deskundig wordt verwerkt en afkomstig is van vertrouwde uiers  Verschillende bacteriën houden elkaar in evenwicht, ze vormen een soort ideale samenleving, de Multiflora die het menselijk immuunsysteem heilzaam prikkelt. Waarom lopen er zoveel kinderen met allergieën rond? Omdat tegenwoordig alles wordt gepasteuriseerd, een procedé waarbij ook kostbare mineralen en andere voedingstoffen verloren gaan.

Joseph Munnix blijft erbij: 'Perfect veilige Hervekaas'. (Foto: Dieter Telemans)

Joseph Munnix blijft erbij: ‘Perfect veilige Hervekaas’. (Foto: Dieter Telemans)

zwangere vrouwen

Het is nog niet zo lang geleden: op iedere boerderij in Herve werd kaas gemaakt. Vanaf de jaren zestig ging het snel achteruit. Intensieve veeteelt viel niet meer te combineren met kaasmaken, ook het aanscherpen van de hygiënenormen deed veel fromageurs afhaken. Aanscherpen? “Voor 1995 werd er helemaal niet gecontroleerd”, zegt Munnix met onverholen heimwee. “Nochtans lag de kwaliteit van de melk toen een stuk lager. Koeltanks en melkinstallaties stonden nog niet op punt, in de veestapel kwamen nog ziektes zoals tbc voor. Neem het van mij aan: de kaas die mijn ouders en grootouders maakten, bevatte veel meer listeria en andere beestjes dan mijn product. Iedereen at ervan, kinderen zowel als zwangere vrouwen. Nooit is er iemand ziek van geworden. Weet u, vier jaar geleden had ik ook prijs bij de FAVV-controle. Toen was er geen discussie, ik zat duidelijk boven de Europese norm en heb de hele lading vernietigd. Maar vooraleer de besmetting werd ontdekt, hadden we hier met zijn allen al stevig van dat lot kaas gegeten. Niemand heeft zelfs maar een krampje gevoeld”. Het doet hem nog altijd deugd: tijdens de kaasoorlog kreeg hij steun van een huisarts uit het naburige Aubel. In zijn 25 jarige carrière had dokter Constant geen enkel geval van listeriose gezien, evenmin kende hij collega’s die ervaring met de ziekte hadden. “Het risicio van listeria wordt zwaar overdreven”, besluit  Munnix.

Veel wil FAVV-woordvoerder Jean-Sébastien Walhin niet kwijt, de zaak is in handen van het parket. Maar het verhaal van de nultolerantie wil hij alvast corrigeren. “Meneer Munnix heeft u verkeerd voorgelicht”, zegt hij wat kregelig. “In de productiefase geldt inderdaad nultolerantie. In de commercialisatiefase daarentegen, wanneer het product in de winkel ligt, tolereren we tot 100 kolonies per gram. In dit dossier is er geen twijfel, de besmetting werd tijdens de productiefase geconstateerd”. Verder moeten we het met stellen met een persbericht waarin het FAVV met klem ontkent dat het artisanale producenten viseert. Dat werd ons door verschillende bronnen binnen het Boerenforum, een koepel van duurzame producenten en lokale voedselteams, bevestigd. Inspecteurs schieten wel eens met een kanon op een mug, maar veeleer uit onwetendheid dan uit slechte wil. Wie goede argumenten heeft, vindt bij FAVV vaak een luisterend oor. Toch werd een zekere willekeur betreurd: veel hangt af van de luim of visie van de dienstdoende inspecteur. En ook hier luidde de voornaamste kritiek dat het wapenarsenaal, de industriële normen, niet geschikt is voor de korte keten. Daarom is fromagerie Munnix ook in Vlaanderen een symbool geworden, al zit er een dubieus kantje aan. Tolerantie voor listeria, geen slogan waarmee ambachtelijke producenten willen uitpakken.

hartproblemen

De 1500 aangeslagen Munnix-kaasjes werden niet vernietigd maar naar een traiteur afgevoerd. Na een kiemdodende verhitting zullen ze als gesmolten kaas tot delicatessen worden verwerkt. “Zo hebben we de pil voor meneer Munnix verguld”, zegt burgemeester en Waals MR-parlementslid Pierre-Yves Jeholet. “Transformeren, dat klinkt beter dan vernietigen”. Het verrassende compromis kwam tot stand tijdens een door hem belegde crisisvergadering. Aan de tafel zaten niet alleen het kamp Munnix en het FAVV, ook Waals minister van landbouw Willu Borsus (MR) tekende present. Er vielen harde woorden, maar Jeholet is opgelucht met resultaat. Behalve het zelfbeeld van de 70-jarige kaasmaker stonden ook het imago en de economie van Herve op het spel. Jeholet: “90 procent van alle Hervekaas is gepasteuriseerd. Ook die wordt hier gemaakt, door de Société Herve die 80 mensen tewerkstelt. De voorbije weken kregen ze ongeruste telefoontjes van buitenlandse verdelers. Wat is dat daar met listeria in Hervekaas? Rauwe of gepasteuriseerde kaas, men begon alles op een hoop te gooien”.

Munnix, die aan de heisa hartproblemen overhield en zeven kilo verloor, heeft de handdoek in de ring gegooid. “Om opnieuw te mogen verkopen zou ik eerst drie listeria-vrije loten moeten produceren. Dat zie ik niet zitten, met de nultolerantie als een zwaard van Damokles boven mijn hoofd” . Voortaan zal hij zijn rauwmelkse Herve bij Madeleine Hanssen moeten kopen, de allerlaatste artisanale producent. Ze heeft pas zwaar geïnvesteerd, de omzetstijging door het ongevraagde monopolie komt niet ongelegen. “Maar het zal niet voor meteen zijn”, zegt Munnix. “Ik heb wat van mijn kaasjes ingevroren. Die gaan we eerst met smaak opeten. Perfect veilig”. 

Boswachters 2.0: met Tirolerhoed en digitale meetlat

De Standaard Weekend, 11 mei 2015

De basisopleiding wordt vereenvoudigd, maar dat betekent niet dat de titel van boswachter straks voor het grijpen ligt. De plaatsen zijn duur, de uitdagingen divers. Op stap met het uitdunnende keurkorps van het Agentschap Bos en Natuur.

Schalmen in Bertem Bos: 'Geen genade voor de Amerikaanse eik' (Frederik Buyckx)

Schalmen in Bertem Bos: ‘Geen genade voor de Amerikaanse eik’ (Frederik Buyckx)

Bertem. Je kunt er ’s morgens geweldig in de file staan op de E40. Er zijn evenwel goede redenen om deze buurgemeente van Leuven te bezoeken. Het glooiende landschap behoort tot het mooiste van wat Vlaanderen in deze categorie te bieden heeft, een symfonie van bossen, weilanden en akkers, nauwelijks ontsierd door de radars die Belgocontrol op het hoogste punt van Bertem heeft geïnstalleerd. Het wordt pas echt mooi als je aan de zijde van Marc Struelens (49) over een verlaten kasseiweg het Bertembos mag binnenrijden. De boswachter wijst naar een met grassen en geel bloeiende struiken begroeide heuvel. “Een stukje van de Koeheide”, zegt hij. “Wordt beheerd door onze buren van Natuurpunt. Is het niet prachtig hoe de brem daar in bloei staat? Voor de gaspeldoorn komen jullie helaas te laat, die is al uitgebloeid. Ook een mooie plant, een echte vlindermagneet. De hele Koeheide is een uiterst waardevolle biotoop. De zeldzame geelgors heeft er zijn broedplaats, en je vindt er verschillende soorten wasplaten, een paddenstoelenfamilie”

We slaan een holle weg in, aan weerskanten geflankeerd door metershoge, dichtbegroeide bermen. Een modale stadsbewoner, die het een hele prestatie vindt een boterbloem van een paardenbloem te onderscheiden, ziet een oase van groen. Niet zo Marc Struelens die elkeen van de door elkaar wriemelende plantjes naar soort kan benoemen, met deskundige commentaar over de rol in het ecosysteem er bovenop. Het heeft er altijd in gezeten, zegt hij. “Ik heb tuinbouwschool gedaan in Vilvoorde, mijn droom was om landschapsarchitect te worden. Tijdens mijn specialisatiejaar bosbouw kon ik stage lopen bij Waters en Bossen. Ik wist het meteen: dit is wat ik wil doen”. Doorleren voor landschapsarchitect is er niet meer van gekomen, maar hij heeft wel mijn zijn neus in de boeken gezeten. Twee jaar avond- en weekendonderwijs, afgerond met een vergelijkend examen. “Ik heb mijn titel niet cadeau gekregen”, zegt Marc.

bomen schalmen

 Dertig jaar later is er veel veranderd. Waters en Bossen heet nu Agentschap Natuur en Bos. Opleidingen worden door Inverde verstrekt, een dochter van het Agentschap waarin ook de Vlaamse milieuverenigingen participeren. Het getuigschrift bosbouwbekwaamheid behalen? Dan dient men zich grondig te verdiepen in ecologie, plantkunde, wetgeving, fauna- en visbestandsbeheer, houttechnologie, boseconomie en nog een half dozijn vakken. Zelfstudie kan ook, maar wie zijn slaagkansen gaaf wil houden, kan maar beter de opleiding volgen. Zware kost? Te zwaar, vindt Vlaams minister van leefmilieu Joke Schauvliege die begin deze week een grondige hervorming aankondigde. De lat moet lager, de basismodule natuurmanagement zal in de toekomst een breed publiek bedienen. Vrijwilligers van milieuverenigingen, gemeentelijke milieuambtenaren, terreinbeheerders, maar ook aspirant-medewerkers van het Agentschap zoals milieu-inspecteurs en boswachters die zich pas na hun aanwerving zullen specialiseren. De efficiëntiewinst ligt voor de hand. Het heeft weinig zin een opleiding op maat van professionele boswachters te snijden, als er in Vlaanderen nog amper boswachters worden aangeworven. Het bestand is de voorbije jaren tot 90 geslonken. Vacatures zijn er niet, en gepensioneerden worden zelden vervangen.

Boswachter Marc Struelens en collega's. 'We zijn digitaal geworden' (Frederik Buyckx)

Boswachter Marc Struelens en collega’s. ‘We zijn digitaal geworden’ (Frederik Buyckx)

Marc parkeert de jeep op een landweg, naast twee identieke voertuigen. Collega’s Peter Raeymakers en Dominique De Heyn staan ons al op te wachten. Boswachters zijn solisten, maar vandaag moeten de krachten worden gebundeld. “We gaan schalmen”, legt Marc uit. “Het komt erop neer dat we bomen gaan opmeten en merken voor de kap. Dit stuk bosrand vormt een barrière voor het natuurgebied aan de overkant van de weg. Dat willen we aanpakken, de overgang moet zachter. We gaan licht en ruimte scheppen zodat er meer diversiteit in de plantengroei komt. Ecologische bosranden vormen, daar steken we veel tijd in. Vroeger was bosbeheer een zaak van zoveel mogelijk bomen op een zo klein mogelijke oppervlakte, de houtopbrengst stond centraal. Exploitatie zit nog altijd in ons takenpakket. Als we klaar zijn met schalmen, wordt dit lot openbaar verkocht. De hoogste bieder mag de gemerkte bomen onder ons toezicht vellen. Het is slechts een van de vele aspecten van ons vak”.

Idéfix

Marc was ons aanbevolen als een voorbeeld van de boswachter 2.0. Ook wij cultiveerden immers het cliché. De boswachter in zijn kakigroen uniform. Fluitend met de fiets in zijn bos, speurend naar omgewaaide bomen. Een toonbeeld van gemoedsrust, slechts sporadisch verstoord door een sluikstorter, stroper of illegale motorcrosser. “Zet dat romantische plaatje maar uit je hoofd”, zegt Marc. “Boswachters zijn digitaal geworden. We brengen trouwens meer tijd door op kantoor dan in het bos”. De nodige data worden opgeladen naar de drie digitale meetlatten, volgens Peter het neusje van de zalm in modern bosbeheer. “Vroeger werkten we met de lintmeter. Dan moest je met drie zijn om een stam fatsoenlijk op te meten en de resultaten te noteren. Met deze tuigen doe je het alleen, snel en zonder papierwerk”. Ze beginnen eraan, met drie op een rij. Opmeten is hightech, maar schalmen blijft een ambacht. Met een vlijmscherpe bijl hakken ze een stuk schors weg, vervolgens slaan ze met de achterkant van de bijl een stempel in de wonde. Vooral Amerikaanse eiken moeten eraan geloven. “Exoten”, legt Marc uit. “Die moeten eruit, Europa verplicht ons trouwens om zoveel mogelijk terug te keren naar natuurlijke, inheemse bossen. Komt daarbij dat Amerikaanse eiken erg dominant zijn. Ze overschaduwen hun omgeving en zaaien uit, waardoor andere planten op de benedenetage nauwelijks kansen krijgen. Behalve dan de Amerikaanse vogelkers, nog een exoot die men een eeuw geleden als vulhout in onze bossen heeft aangeplant. Dat is pas een echte pest, ook die moeten eruit”.

We laten Peter en Dominique achter. Marc heeft een programma voor ons in petto. In zijn broekzak zit een opgevouwen A4’tje, recto verso vol trefwoorden die verwijzen naar de vele besognes van zijn vak. Bosarbeiders aansturen, beheersplannen opstellen, de balans tussen natuur, recreatie en exploitatie bewaken, overleggen met gemeenten en terreineigenaars, openbare verkopen van hout organiseren, erop toezien dat de winnende bieder de bospaden met zijn machines niet in de prak rijdt. Teveel om op te noemen, wisten we trouwens dat hij in Bertem zelf een speelbos heeft ontworpen dat naar de Reviaanse naam Het Vossenhol luistert? We stoppen bij een bareel aan de ingang van het 650 hectaren metende Heverleebos. Zijn domein, net als het aangrenzende 1.400 hectaren grote Meerdaalwoud. Er hangt een bordje: raak geen reekalfje aan. Communicatie met het publiek, nog een kerntaak van de boswachter. Het is een manier om klachten door onwetendheid te voorkomen, al blijft het Idéfix-complex een hardnekkig verschijnsel. Heel wat wandelaars reageren zoals het hondje van Obelix dat dieptreurig jankt wanneer in Gallië een boom sneuvelt. “Mensen zijn boos omdat we bomen kappen”, zucht Marc. “Jullie maken het bos kapot, verwijten ze onze arbeiders. Dan moeten wij het gaan uitleggen. Dat we niet willekeurig rooien, en dat hun bos er op termijn alleen maar mooier door zal worden”.

Karel Flipkens, boswachter in Ophovenderheide. 'Voor de cultuur moet je hier niet zijn' (Frederik Buyckx)

Karel Flipkens, boswachter in Ophovenderheide. ‘Voor de cultuur moet je hier niet zijn’ (Frederik Buyckx)

eenzaamheid

Vroeger was het de regel: de boswachter woonde in zijn bos. Intussen zijn boswachters met een dienstwoning een uitstervend ras geworden. In Limburg, bosrijkste provincie van Vlaanderen, zijn er nog drie. “Ik ben hier tien jaar geleden na mijn echtscheiding ingetrokken”, zeg Karel Flipkens (53). “Het heeft voor en nadelen. Je moet niet pendelen, maar je zit wel constant met je neus op je werk”. Zijn kantoor ligt vlakbij, in een wat groter gebouw dat ook als uitvalsbasis voor zijn zes bosarbeiders dient. Samen beheren ze Ophovenderheide, een lap van 1.000 hectaren bossen en vennen die zich over Gruitrode-Meeuwen, Opglabbeek, Maaseik en Bree uitstrekt. “Aangeplant voor de mijnbouw”, vertelt Karel. “Daarom zie je hier vooral naaldbomen. Die groeiden snel, ze werden gekapt zodra ze de juiste doorsnede hadden om er timmerhout van te maken. We zijn het bos nu volop aan het transformeren, het moet een gezonde mix van loof- en naaldbomen worden. Eeuwenoude beuken of eiken ga je hier dus niet vinden, dat wordt iets voor mijn opvolgers”.

Hij neemt ons mee naar het ven. Geen auto of industrieel geluid te horen, alleen het tsjirpen van veldkrekels. “’’s Morgens zie je hier vaak reeën”, zegt hij. “Nieuwsgierige dieren, als je deur openlaat, komen ze in de keuken. Straks zal ik jullie de beelden van mijn cameraval tonen. Die is eigenlijk bedoeld om de everzwijnenpopulatie te controleren, maar ook reeën, vossen en bosmarters lopen al eens voor de lens”. Een lijk heeft hij nooit ontdekt, in tegenstelling tot die ene collega die tijdens het schalmen een verdwaalde bal wegtrapte en vaststelde dat het om een schedel ging. Stropers heeft hij wel al betrapt, en sluikstorters zijn een echte plaag. “We hebben nog altijd de bevoegdheid om een proces-verbaal opstellen”, zegt Karel. “Vroeger straalden we die  autoriteit ook uit, maar sinds de jongste hervorming dragen we geen pistool meer. Ik mis ons oude uniform wel eens, we dragen nu dezelfde sweater als de kantoormedewerkers van het Agentschap”.

nieuwsgierige ree voor de cameraval. (Foto Frederik Buyckx)

nieuwsgierige ree voor de cameraval. (Foto Frederik Buyckx)

Twee ganzen vliegen klapwiekend op uit het ven. De bomen rondom zijn gerooid, een maatregel om slibvorming te voorkomen. Karel klimt op een heuveltje en overschouwt zijn domein. Voelt hij zich nooit eenzaam? Hij lacht. “Bij mijn benoeming werd die vraag uitdrukkelijk gesteld: kun je tegen eenzaamheid en stilte? Ja dus”. Na zijn pensioen moet hij verhuizen. “Misschien wel naar de stad”, komt hij verrassend uit de hoek. “Wie weet wel naar Brussel. Alleszins een plek met wat cultuur, want daarvoor moet je in een bos niet komen wonen”.

Met de politie op mensenrechtenstage in Kazerne Dossin

De Standaard, 11 april, 2015. (passage over zigeuners als code voor rondtrekkende daders heeft een staartje gekregen. Na een groot vervolgartikel van een collega in De Standaard besloot de Federale Politie haar nomenclatuur aan te passen)

Het verband tussen de feestende massa van een zomerfestival en de massamoord in Auschwitz? Politieagenten vinden in de Kazerne Dossin het antwoord. Onze reporter mocht een hele dag mee op HPM-stage in het Holocaust Museum. Verslag vanuit het spanningsveld tussen politie en mensenrechten.

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

Vroege vogels, die van de politie. Vanaf half acht druppelen de eerste cursisten binnen in de Kazerne Dossin. Commissaris Marc Van Gestel zet ze op weg naar een kop koffie, zijn collega Isabelle Diependaele streept de namenlijst af. Veertig worden er vandaag verwacht, op te tellen bij de 1.800 die het afgelopen jaar de eendaagse opleiding Holocaust, Politie en Mensenrechten (HPM) hebben gevolgd. “We liggen op kruissnelheid”, zegt coördinator Van Gestel tevreden. “Twee dagen in de week palmen we het museum in. Bedoeling is het volledige korps, meer dan 40.000 mannen en vrouwen sterk, door dit bad te jagen. We zijn hier dus nog niet weg, in een volgende fase willen we trouwens ook de aspiranten van de politiescholen naar Dossin halen”.

Het concept komt uit Amerika. Tijdens een stage bij de FBI in Washington beleefde hoofdcommissaris Dirk Allaerts zijn ping-moment. Het verplichte bezoek aan het holocaustmuseum, was dat geen idee voor de Belgische politie? Commissaris-generaal Catherine De Bolle was meteen enthousiast, en ook in Kazerne Dossin viel het zaadje in vruchtbare grond. Het nieuwe museum, een sober maar indrukwekkend ontwerp van architect Bob Van Reeth, stond nog in de steigers. Conservator Herman Van Goethem en zijn team piekerden zich suf. Het museum moest meer zijn dan een geïllustreerd exposé over het nulpunt van de Westerse geschiedenis. Herinneringseducatie, werd het toverwoord. Het verhaal van de holocaust moest als casus dienen waaruit lessen voor heden en toekomst vielen te trekken. Het voorstel van de politietop kon dan ook niet beter getimed zijn. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum sprong als derde partner op de kar. Eind 2013 stond het project Holocaust, Politie en Mensenrechten in de steigers, vier maanden later gingen de cursussen van start.

Bende van Nijvel

Een delegatie uit Luik waait binnen, mopperend over de files op de Brusselse ring en de moeilijke zoektocht naar een parkeerplaats. “Dit is een verplicht nummer”, zegt een van de agenten. ‘Van onze korpschef moeten we allemaal naar Mechelen, wij zijn zowat de laatsten in de rij. Wat de anderen erover vertellen? Niks bijzonders, er zijn tegenwoordig ook zoveel opleidingen. Ach ja, zo ziet een mens nog eens een stukje van zijn land”. Scepsis is veeleer uitzonderlijk, stellen we tijdens de briefing vast. Nagenoeg alle cursisten in onze groep hebben zelf het initiatief genomen om in te schrijven. Negen mannen en drie vrouwen, wetsdienaren van zeer divers pluimage. Speurders van de federale gerechtelijke politie zitten naast agenten van lokale korpsen. Een deelnemer stelt zich voor als instructeur op de schietbaan van de Nationale Politieacademie, een andere als coördinator bij de cavalerie in Etterbeek. Ook Robert Watzeels doceert aan de Nationale Politieacademie. Geweldbeheersing, een vak waarbij hij aspiranten inpepert dat hun tong hun beste wapen is. Een vijfde van zijn diensttijd besteedt hij in Kazerne Dossin, als een van de anciens onder de 54 HPM-opleiders. Vandaag vormt hij een tandem met Danny Debersaques van de wegpolitie Gentbrugge. Ook de andere groepen, twee Nederlandstalige en een Franstalige, worden door een duo begeleid. “Alleen zou dit te vermoeiend zijn”, zegt Robert. “Het is telkens een lange en intensieve dag”.  Een cursist is extra gemotiveerd. Pieter, negen jaar verbindingsofficier in Parijs, staat op een zucht van zijn pensioen. “Ik zoek een nuttige tijdsbesteding”, zegt hij. “Misschien kom ik hier zelf opleiding geven”.

We overlopen de Vier Hoofddoelen van HPM. Een beter begrip van de  mechanismen achter discriminatie en uitsluiting. Stimuleren om kritisch na te denken, en te handelen in overeenstemming met hun persoonlijke overtuiging. “Bovenal proberen we de cursisten bewust te maken van de marge om nee te zeggen”, zegt Robert. “Ook tegen een bevel van hogerhand. Als politieman sta je vaak voor ethische dilemma’s, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de hoogdagen van de Bende van Nijvel moest ik als jonge rijkswachter een bank bewaken. Ik had van mijn overste een duidelijke opdracht gekregen. Als ik iemand van de bende in het vizier kreeg, moest ik schieten zonder waarschuwen. Stapte hij uit een auto zonder een directe bedreiging te vormen? Niet aarzelen, direct schieten. Vandaag klinkt dat schokkend, maar het hele land was toen in de greep van de Bende-terreur. Ik zou er wellicht applaus voor gekregen hebben”.

Jonathan Jacobs

Het staat niet in het rijtje met doelstellingen, maar HPM moet ook een preventief medicijn tegen politionele uitschuivers vormen. Recente voorbeelden worden hier openlijk besproken. De zware mishandeling van daklozen door leden van de federale spoorwegpolitie in een lokaal onder het Zuidstation? Onze eigen rondvraag zal uitsluitend scherpe veroordelingen opleveren. Een staaltje van ongezonde kuddegeest, wordt het genoemd. Een leidersfiguur die over de schreef gaat, en de anderen die hem volgen veeleer dan in te grijpen. Over Jonathan Jacobs, doodgeslagen in een cel door leden van het Bijzonder Bijstandsteam van de Antwerpse politie, zijn de meningen genuanceerder. “Absoluut verwerpelijk”, vindt Robert. “Voor mijn part mogen die agenten streng gestraft worden. Maar wat met de psychiatrische kliniek die tot twee keer toe heeft geweigerd om Jacobs op te nemen? De directie is even schuldig als de betrokken politiemannen”.

Groepsdenken, ontmenselijken van medeburgers, bureaucratische lafheid, bereidheid tot het plegen van geweld. Allemaal thema’s die als vlechtdraad doorheen de opstelling in het museum lopen. Robert en Danny nemen ons  mee naar het memoriaal in de kazerne, het zwarte gat waarin 25.484 joden en 352 zigeuners verdwenen. 1.200 keerden uit de vernietigingskampen terug, geen 5 procent. Nadia, van politiezone Brussel-Noord, verbaast zich over de luxeappartementen rond het als park aangelegde binnenplein. “Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze. “Niet op een plek met zo’n verleden”. Het wordt geen klassieke rondleiding, we houden alleen halt bij de HTM-relevante onderdelen. Zoals het kunstwerk dat Philip Aguirre voor het memoriaal maakte. ’15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen’, de naam verwijst meteen naar een van donkerste pagina’s uit de geschiedenis van de Belgische politie. Op 15 augustus 1942 werden in de Antwerpse stationsbuurt meer dan 800 joden opgepakt en naar de Dossinkazerne afgevoerd. Aan de razzia, bevolen door de bezetter, dociel uitgevoerd door burgemeester Delwaide en zijn korpschef De Potter, namen een vijftigtal agenten deel. Het kunstwerk, een gedekte tafel waaronder een drieledig gezin zich, plat op de grond liggend, verscholen houdt, stelt het morele dilemma op scherp. “De agenten stonden voor de keuze”, legt Danny uit. “Ze konden het bevel naar de letter opvolgen en de familie van onder de tafel vandaan halen. Maar ze konden ook stil verzet plegen. Hun kop binnen steken, ‘hallo is daar iemand’ roepen, en vooral niet onder de tafel kijken”.

Artistieke impressie van de razzia van 21 augustus 1942, een zwarte pagina in de geschiedenis van de politie (Foto: Geertje De Waegeneer)

Artistieke impressie van de razzia van 15 augustus 1942 (Foto: Geertje De Waegeneer)

We steken opnieuw over naar het museum, voor een hinkelparcours doorheen de geschiedenis van de holocaust. Danny trekt onze aandacht op de fotowand. Een uitgelaten menigte van jonge mensen, dansend op de beats van Tomorrowland. Welke indruk maakt dit beeld? De begeleider kijkt zijn cursisten vorsend aan. Vinger opsteken hoeft niet, maar de sfeer van de schoolreis is helemaal terug. Vrolijk, zomers, jeugdig, de rondvraag levert vooral vrijblijvend gemompel op. Tot een van de speurders _ foto’s en namen zijn taboe, anonimiteit is hun levensverzekering _ zijn bril van ordehandhaver opzet. “Ik vind massa’s intimiderend”, zegt hij. “Groepen zijn manipuleerbaar. De sfeer kan zo omslaan, van vrolijk naar grimmig”. Was dit een toets, dan kreeg hij een tien. Van massa naar massamoord, daar gaat de hele tentoonstelling over. In onze werkmap staan ze netjes uitgespeld, de tien stappen die de Amerikaanse genocide-specialist Gregory Stanton onderscheidt, van classificatie en polarisatie naar uitroeiing en ontkenning.

Einsatzgruppe

De klas is nu helemaal bij de les. De spotprent van Joden op insectenpoten, sprinkhanen die Antwerpen overspoelen? Ontmenselijking, luidt het antwoord, stap 4 in het schema van Stanton. Precies wat in Rwanda is gebeurd, laat iemand pienter opmerken, daar werden de genocideslachtoffers als kakkerlakken bestempeld. We staan lang stil bij een beroemde foto van een lynchpartij in het Amerika van de jaren dertig. Wat zien we? Twee sukkelaars die aan een boom bengelen. Robert nodigt ons uit om beter te kijken, en scherp te stellen op de omstaanders. Sommigen blikken in de lens alsof ze zich betrapt voelen, bij de meesten spat het enthousiasme over het schouwspel van het beeld. Niemand die een vinger uitstak om de lynchpartij te voorkomen, net zomin als dat er iemand van de Rijkswacht tijdens de eerste pogrom in april 1941 iets ondernam om de relschoppers tegen te houden. We zijn intussen al bij stap 6, de polarisatie, aanbeland. Joden en zigeuners zijn al geregistreerd, gelabeld en geïsoleerd. Met medewerking van Belgische autoriteiten, vaak lokale administraties die de Duitse verordeningen ijverig uitvoerden, uit defaitisme of opportunisme. “Ze hadden nochtans een marge om te weigeren”,  zegt Robert. “Belgische instanties mochten van de bezetter gewetensbezwaren inroepen om niet aan de Jodenvervolging deel te nemen. De Brusselse burgemeester heeft geweigerd een jodenregister aan te leggen, en werd daar niet voor gestraft”.

Waarom lieten de Joden zich zomaar oppakken en uitmoorden? Het was Agnieszka, ondersteunende dienst FGP Brugge, die de vraag tijdens de briefing had opgeworpen. “Ik zou vechten als ze aan mijn kinderen raakten”, zei ze fel. En ineens staat ze daar op de derde verdieping van het museum, bij een van de beruchtste foto’s van de Holocaust. Een soldaat van een Einsatzgruppe legt van dichtbij aan op een naakte vrouw die wanhopig haar kind in de armen klemt. Twee joden met een kogel afgemaakt, daar kon je bij de SS trots op zijn. De hele verdieping is gewijd aan deportatie en uitroeiing. Met spaarzame middelen, zonder effectbejag.  De beelden en citaten komen des te harder binnen. Tekeningen van gaskamers en crematoria in Birkenau hangen tegenover een selectie uit het befaamde Höcker Album, foto’s van kampbeulen tijdens hun vrije tijd, aan de borrel op het zonnedek, even weg van de sleur van de industriële volkenmoord.  We houden het kort, Agnieszka heeft het trouwens al lang gesnapt. Er viel in deze fase niks meer te vechten, de strijd werd verloren op de eerste en de tweede verdieping.  Het is stil als we naar de kantine op de min-1 afdalen. “Ik had al een en ander over de Holocaust gelezen”, zegt Nadia. “Maar dit maakt toch indruk”.

Vinci Park

Lunchtijd. Een milde vorm van collectieve haat jegens Vinci Park steekt de kop op. Het SMS-parkeren draait in de soep, er moeten dringend parkeertickets worden vervangen en auto’s verplaatst. Als er straks maar geen bon onder de ruitenwisser steekt! Robert en Danny zijn intussen druk doende met de voorbereiding van de workshop mensenrechten. “Meestal is de sfeer constructief”, zegt Robert. “Maar soms krijg je onverwachte reacties. Jaja, zei er eentje, de Holocaust was erg. Maar wat doen de Joden met de Palestijnen? Dan moet je als moderator ingrijpen, want daar gaat het natuurlijk niet over. Op een keer had ik enkele agenten van een interventieteam uit een grootstedelijke probleemwijk. Ze hadden moeite met bepaalde stellingen over de rechten van arrestanten. Fysiek en verbaal geweld tijdens interventies? Moest kunnen, vonden ze, ze hadden hun eigen codes. En dat het gemakkelijk was om dat van achter een bureau af te keuren. Want je moest het maar doen, orde handhaven in een kansarme buurt die wemelt van drugscriminelen en mensen zonder papieren. Hun korpschef zat er bij, zijn mond viel open van verbazing. Die sessie is niet zonder gevolgen gebleven”.

We vormen een halve cirkel. Robert steekt van wal met een exposé over het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Wisten we dat Duitsland in Straatsburg ooit werd veroordeeld tot een zware schadevergoeding, te betalen aan een bewezen kindermoordenaar? Speurders hadden tijdens het onderzoek met geweld gedreigd om hem te dwingen te verklappen waar hij het slachtoffer _ op dat moment nog in leven gewaand _ had verborgen. Het argument van de tijdsdruk maakte voor de rechters in Straatsburg geen verschil. Dura lex, sed lex, mensenrechten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Na deze opwarmer krijgen we een primeur: de case Claeys en Vermuyten, uitgewerkt als toetssteen voor ethisch politiehandelen. We worden uitgenodigd om in de schoenen te gaan staan van de enige twee agenten die op 15 augustus 1942 weigerden aan de jodenrazzia deel te nemen. Vandaag worden Claeys en Vermuyten als helden vereerd, destijds als dienstweigeraars gestraft. Mild gestraft, weliswaar, met verlies van drie verlofdagen. Waarom waren ze dan de enige agenten die de marge om nee te zeggen hebben benut? Danny stelt de vragen, Robert noteert de antwoorden in een raster. De verschillende actoren, de opties, de geanticipeerde en de reële gevolgen, ethisch politiehandelen is even complex als de tabellen van Mendeljev.

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

Andy de homo

De marge om nee te zeggen? Agnieszka pikt het thema graag op. Is het normaal, vraagt ze zich luidop af, dat ze bij het invullen van persoonsgegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank een vakje met ‘Zigeuner’ kan aanvinken? “Ik weiger dat te doen”, zegt ze. “We hebben niet het recht om mensen op basis van hun etnische achtergrond te labelen”. Twee Leuvense speurders steigeren. Wat is het probleem? In dezelfde databank wordt toch ook genoteerd of iemand als veelpleger bekend staat of betrokken was bij drugsfeiten? Het stempel zigeuner is gewoon relevante informatie voor de strijd tegen rondtrekkende daderbendes. Robert kan het nauwelijks geloven. Hier, op deze plek, vernemen dat zigeuner anno 2015 codetaal is voor rondtrekkende daderbende. Hij pleegt een telefoon naar de bevoegde dienst, het blijkt te kloppen. “Dit kan absoluut niet”, zegt hij. “We mogen minderheden niet reduceren tot een crimineel fenomeen”.

De commotie luwt, we besluiten met een hedendaagse casus. Agent Andy out zich tegenover de collega’s als homo en wordt nadien met steeds ergere pesterijen geconfronteerd. Hoe zouden ze reageren? Heulen met de pesters? De andere kant opkijken? Openlijk partij kiezen voor Andy? De hiërarchische oversten inschakelen? De laatste twee opties worden met een geruststellende unanimiteit verkozen, maar één dissident draagt een pragmatische oplossing aan. “We kunnen Andy ook gewoon overplaatsten”. Robert kijkt naar zijn raster. Daar heeft hij geen vakje voor.

Carnaval in Aalst: spot en satire in tijden van terreur

De Standaard, 7 februari 2015, één week voor de carnavalstoet 

In Aalst tellen ze de uren af. Volgende zondag gaat voor de 87ste keer de carnavalstoet uit. Geen heilig huis is veilig voor de spot der Ajuinen. Maar wat met de moskee? IS, Charlie Hebdo, Jejoen Bontinck, inspiratie zat voor de 195 losse groepen die zich aan de brandende actualiteit laven. Hoe ver durven ze te gaan in het ridiculiseren van radicalen? “We willen niet provoceren maar ons amuseren”.

driemansgroep NOIG: lachen met Fidel (foto: Frederik Buyckx)

driemansgroep NOIG: lachen met Fidel (foto: Frederik Buyckx)

OS heet de nieuwe terreurgroep die ons vanuit de goede stede Aalst met zwarte vlaggen en donderpreken bang wil maken. Voorlopig moet Oilsjterse Stoot het qua impact afleggen bij groot voorbeeld Islamitische Staat. Woensdag, luttele uren nadat de carnavalisten van Eftepië hun thema voor de stoet hadden bekend gemaakt, werd de videopost alweer van Facebook gehaald. De gezochte media-aandacht had ongezonde proporties aangenomen. “We willen vooral niemand beledigen”, verklaarde de voorzitter ietwat bedremmeld. Eftepië, lokaal wereldberoemd sinds de groep twee jaar geleden de Aalsterse N-VA’ers als SS’ers met een deportatiewagen opvoerde, riskeert nu zelf het voorwerp van spot te worden. Het kind dat boe roept en dan zelf schrikt, het is een geknipt thema voor een van de vele losse groepen die een week voor carnaval nog dringend op zoek zijn naar inspiratie.

Natuurlijk zijn het de zowat  80 ‘vaste’ groepen die met hun indrukwekkende praalwagens, hun reuzengrote poppen en tot de puntjes verzorgde kostuums de carnavalstoet domineren. Het zijn echter losse groepen die tussendoor voor de ambiance zorgen. Naast Eftepië hebben zich voor deze editie nog 194 van die losse groepen geregistreerd. Volgens het reglement mogen ze met maximaal 14 leden uitpakken. Meestal echter zijn ze met veel minder, in de stoet lopen ook duo’s en zelfs solisten als ‘losse groep’ mee. Beginnen grote gezelschappen al in september of oktober aan hun wagens te sleutelen, losse groepen schieten pas op het laatste nippertje in actie. Hun thema’s pikken ze bij voorkeur uit de brandende actualiteit. BV’s, politici, schandalen of burleske toestanden, de saus wordt altijd met Aalsterse humor en satire gekruid. Geen heilig huisje blijft overeind, er bestaat trouwens geen enkel reglement dat de spotlust aan banden legt. Toch stelt iedereen zich aan de vooravond van de 87ste carnavalstoet dezelfde vraag: hoever zullen de carnavalisten gaan in deze barre tijden van terreur en aanslagen op de vrije meningsuiting? Het bloedbad bij Charlie Hedbo is in Aalst nog net iets harder aangekomen dan in de rest van Europa. Wat zijn carnavalisten immers anders dan wandelende 3D-cartoons? Het is geen toeval dat anti-terreurdienst  OCAD de voorbije dagen in Aalst een ultieme risicoscan maakte. De stoet gaat twee keer uit, zondag en maandag. Telkens staan er langs het parcours tussen de Pierre Corneliskaai en de Grote Markt tienduizenden toeschouwers onder wie heel wat enthousiastelingen die zich onherkenbaar verkleden. Een nachtmerrie voor de publieke  veiligheid. In de Duitse carnavalsstad Keulen werd een wagen met Charlie Hebdo-tafereel preventief uit de stoet verbannen. Zover wil het Aalsterse gemeentebestuur niet gaan. “Controversiële thema’s mogen aangesneden worden”, liet burgemeester Christophe D’Haese (N-VA) optekenen. “Aalst is nu eenmaal de hoofdstad van humor, spot en satire”. Ook schepen van carnaval Ilse Uyttersprot (CD&V) wil niet van censuur weten. “Maar”, voegde ze er veelbetekenend aan toe, “we rekenen erop dat iedereen zijn gezond verstand gebruikt”.

Dampende Proim

“We hebben geen enkele beperking gekregen”, zegt Pieter Kiekepoos van de losse carnavalsgroep De Dampende Proim. “De stad heeft zelfs niet gereageerd toen we ons thema registreerden: Jeisbujo Bontinck, over de Belgische Syriëstrijders”.  De Dampende Proim _ de naam verwijst niet  noodzakelijk naar een ingrediënt voor jam  _  loopt al 20 jaar mee in de stoet. Vorig jaar hekelden ze met Den Bucht van De Gucht de oenologische kwaliteiten van een bekend Open VLD-politicus. “En het jaar daarvoor was het Maggie De Block”, zegt Kiekepoos. “Toen hebben we ons alle vier in een bouillonblokje verkleed”. Spotten met liberalen is een zaak, iets anders is het ridiculiseren van geradicaliseerde moslims. Dat beseffen ze ook bij De Dampende Proim. “We wilden ons eerst als toeristen met tulbanden verkleden”, zeg Kiekepoos. “Maar daar zijn we van teruggekomen. Meelopen als Arabieren, dat gaat misschien wat te ver. Toch in deze periode, het is niet om mee te lachen wat er de laatste tijd allemaal gebeurt. We gaan ons nu als airhostessen verkleden”.

Airhostessen? Als dat satire is, dan moeten we ook het parochieblad met andere ogen gaan lezen. Wie doet volgende week beter? Kandidaten genoeg, zo blijkt uit de lijst van losse groepen. De Verrozjekes, De Gaa Mizjollen, Zwoor Geschaupen en Goe Geloin, aan de uitspraak van de namen is geen beginnen. Nogal wat groepen gaan de inspiratie in dezelfde hoek zoeken. Oilsjt oon zjie, verwijzend naar een grootscheepse klimaatcampagne van het stadsbestuur, springt er numeriek uit. Ook de schaarste aan toiletpapier in de Aalsterse brandweerkazerne zal meermaals aanschouwelijk worden gemaakt, en het verscheiden van Luc De Vos en koningin Fabiola krijgt gepaste aandacht. Maar het moet gezegd: de carnavalisten gaan ook het thema moslimterreur niet uit de weg. Je suis Charlie prijkt in verschillende varianten op de lijst, en De Dampende Proim moet de familie Bontinck met de lolbroeken van ’t Reigert delen. We pikken er Al Egheshegedree uit, een groep die zonder omwegen IS als thema opgeeft. Wat gaan ze er van bakken? “Dat gaat u niks aan”, scheept Danny Van der Cammen ons  af. “De media hebben in Aalst niks te zoeken. Jullie zijn buitenstaanders, en buitenstaanders begrijpen niks van Aalsterse humor”.

copulerende konijnen

Michel Van Brempt van De Moikes wil ons wel te woord staan, we krijgen zelfs koffie toe als we hem in zijn verf- en interieurzaak opzoeken. Toch is hij niet verbaasd over de norse afwijzing die we eerder incasseerden. “Carnaval is een feest van en voor Aalstenaars”, zegt hij. “Ik hoop altijd dat het met carnaval sneeuwt of regent. Hoe slechter het weer, hoe minder toeristen en hoe gezelliger het hier wordt.” Het zou wat te gemakkelijk zijn hier een bruggetje te leggen naar het verschijnsel xenofobie. Iedereen in Aalst kent Van Brempt als lijsttrekker en gemeenteraadslid van Vlaams Belang. “Maar”, zegt hij, “dat speelt niet tijdens Carnaval. De Moikes telt zes leden. Een is een notoire CD&V’er, een andere een gestampte liberaal. Met carnaval zijn we allemaal van Oilsjt, en al de rest is bijzaak. Je moet hier niet geboren zijn, ik kom zelf uit Wieze. Wat telt, is de mentaliteit. Een vriend uit Poperinge is hier na zijn studies komen wonen. Hij kon hier niet aarden. ‘Ze lachen mij uit’, kwam hij op een keer klagen. ‘Proficiat’ zei ik,  ‘dat is teken dat je erbij hoort’.  Na twee jaar is hij naar Gent verhuisd”.

Michel Van Brempt van De Moikes hoopt op slecht weer (Foto: Freddy Buyckx).

Michel Van Brempt van De Moikes hoopt op slecht weer (Foto: Freddy Buyckx).

De Moikes bestaan als sinds 1976.  Begonnen als ‘vaste’ groep met praalwagen en grote bezetting, na vijftien jaar vrijwillig teruggeschakeld tot het formaat van een half dozijn carnavalisten rond een karretje. “Dat zie je wel vaker”, zegt Van Brempt. “In het begin ben je jong en ook ambitieus, want als vaste groep ding je mee naar de prijzen die de stad uitlooft. Plezierig maar ook opslorpend, je hele sociale leven draait rond carnaval. Ieder weekend is er wel een etentje van een bevriende groep, dé manier waarop ze hun peperdure wagens financieren. Als je wat ouder wordt en kinderen krijgt, is een losse groep een verademing”. De zes Moikes lopen helemaal vooraan in de stoet. Een bewuste keuze, want zodra ze de Grote Markt bereiken, vervellen ze tot juryleden die met kennersblik de kandidaten voor de met 2.000 euro begiftigde Groete Prois de Moikes nomineren. De koppositie heeft nog een voordeel: ze mogen straks als eersten het publiek vermaken met een thema dat wel meer groepen aansnijden: paus Benedictus en de als konijnen copulerende Christenen. “We spotten graag met religie”, zegt Van Brempt. “Tenminste met een religie die spot niet met geweld beantwoordt. We moeten er niet flauw over doen: er is geen censuur, maar des te meer zelfcensuur. Lachen met de profeet of de koran? Ik kan me vergissen, maar ik denk niet dat iemand het zal aandurven. Jammer, want ik vind dat je als carnavalist met alles moet kunnen lachen”.

Wat houdt hem dan wel tegen om de Profeet in zijn hemd te zetten? “In mijn eentje zou ik het doen”, zegt hij stoer. “Maar de anderen willen niet. De Moikes hebben nochtans al gespot met onze moslimvrienden; In 2006 hebben we 10.000 Deense vlaggetjes uitgedeeld, uit solidariteit met de tekenaar van de Mohammed-cartoons. Daar hebben we felicitaties van de Deens ambassade voor gekregen. Boze reacties? Die hebben we gekregen toen we ons in een boerka hadden gestoken om te lachen met de heisa over het migrantenstemrecht. ’s Avonds, na de stoet, kregen we het met een paar allochtonen aan de stok, ze namen het niet dat we in religieuze kledij pinten stonden te pakken. Geen fijne ervaring, mijn vrouw durfde maandag haar boerka niet meer aan te trekken. Dat is tien jaar geleden, en intussen is het klimaat er niet op verbeterd”.

Claudia Schiffer

Een huisnummer konden we niet krijgen. We zouden het zo wel vinden, de grote poort naast de Carrefour in de Molenstraat. We betreden een prachtige ruimte, een verlaten atelier dat door de Aalsterse jeugd als feestzaal wordt benut. “Behalve in de carnavalsperiode”, zegt Jan Moens. “Boven zit een vaste groep. Nog een dikke week, ze zijn daar dag en nacht kostuums aan het naaien”. Ook Erremet, vrij te vertalen als ‘opnieuw’, heeft hier zijn stek. Van stress is bij deze losse groep echter weinig te merken.  “Meestal beginnen we pas na nieuwjaar”, zegt Moens. “Alleen als carnaval uitzonderlijk vroeg valt, durven we al eens in de kerstvakantie te vergaderen”. Twee van de drie Erremetters tekenen present. Jan Moens is archeoloog, Nicolas Dons aannemer van tuinwerken, de afwezige werkt als kaderlid in een bank. Carnavalist tot in de kist, ooit waren ze met acht. “Klein maar fijn”, zegt Dons. “Ons budget bedraagt minder dan 100 euro. Dat karretje gaat al twintig jaar mee. Straf spul, als je weet hoe de straten van Aalst erbij liggen”.

We lopen naar de achterkant van het werkhuis om hun nieuwste worp te bewonderen.  Een bushokje op wielen, ze moeten het alleen nog wat bijschilderen en van plakkaten met Oilsjterse commentaar voorzien. “Dit keer hebben we de mosterd bij De Lijn gehaald”, zegt Moens. “Zestigplussers moeten voortaan betalen op de bus. We gaan ons als gepensioneerden verkleden en met een collectebus rammelen”.  Origineel maar een beetje braaf, ze geven het zelf toe. De vraag is dan ook of ze even goed zullen scoren als vorig jaar, toen ze de Aalsterse straatnaamborden met Vlaamse leeuwen pimpten. “Een Vlomse ploot op de hoek van elke stroot”, was de slogan die door alle Aalstenaars feilloos werd begrepen. Erremet realiseerde de droom die N-VA-schepen en gewezen Vlaams Belang-topman Karim Van Overmeire niet kon waarmaken. “Onze foto heeft in alle kranten gestaan”, zegt Moens trots. “Erkenning door de media, daar doen we het als losse groep voor. En voor het applaus van het publiek. Op het Koningin Astridplein staat ieder jaar een familie klaar met bordjes om punten te geven. Dat is carnaval, het publiek laat je meteen voelen of het goed zit”.

Brave Hendrikken? Daarmee doen we Erremet, viervoudig winnaar van de prijs Willy Van Mossevelde voor origineelste losse groep, onrecht. Ooit liepen ze mee als vrouwen in met koranverzen bedrukte jurken, net zoals het Duitse supermodel Claudia Schiffer die in 1994 de modewereld op stelten zette. De diep ingesneden creatie van Karl Lagerfeld was destijds een artistiek protest tegen het fatwa dat de Iraanse leider Khomeini over Salman Rushdie had uitgesproken. De boodschap van Erremet? ‘Geen Arabisch op haren décolleté, want Mohammed lacht er niet en mee’. Moens en Dons zijn het roerend eens. “Dat zouden we vandaag echt niet meer durven”.

Jan Moens en Nicolas Dons van Erremet nemen De Lijn op de hak.  (foto: Freddy Buyckx)

Nicolas Dons en Jan Moens van Erremet nemen De Lijn op de hak. (foto: Freddy Buyckx)

borsten van piepschuim

Er zal volgende zondag dan toch geen Lampedusa-wagen meerijden. De Loge, een vaste groep met een stoute reputatie, had het allemaal op een rijtje. De gammele boot met Afrikaanse vluchtelingen, de choreografie op het ritme van de Marie-Louise. Begin januari, rijkelijk laat voor een vaste groep, werd het plan afgeblazen. Onder druk van het stadsbestuur, werd gefluisterd. Ten onrechte, staat intussen vast. Het was zelfcensuur, na een interne discussie over de grenzen van de goede smaak. En zo blijven de carnavalisten van NOIG vooralsnog de enigen die zich met recht en rede slachtoffers van censuur mogen noemen. “Het was in 1984”, vertelt Jan Louies met pretoogjes. “We deden toen nog mee als vaste groep. Ons thema was ‘Het Land van Coitha’, de titel van een bundel met erotische verhalen uit Scandinavië. Zie je, dat boek was het voorwerp van een Aalsterse klucht. Een scholier had het in stadsbibliotheek geleend, en toen zijn moeder het op zijn kamer vond, was ze in alle staten. Zedenbederf! Ze is naar de politie gestapt, en van het een kwam het ander. Uiteindelijk heeft de bevoegde schepen beslist dit erotische boek in een glazen kast te bergen. Gesneden koek natuurlijk voor carnavalisten. We hebben het er dik op gelegd, met reusachtige penissen en borsten van piepschuim. Het toppunt is dat ze ons pas maandag, helemaal op het einde van het parcours, uit de stoet hebben gehaald. Zondag hadden ze blijkbaar niks gemerkt”.

NOIG is intussen afgeslankt tot een trio, naast Jan doen zijn jongere broer Piet en schoonbroer en beider jeugdvriend Jacquy mee. Het is bij Piet thuis dat we de avant-première van NOIG 2015 mogen meemaken. Op het onderstel van een kinderwagen rust een doodskist met een Cubaanse vlag. Fidel dood of levend?, een mondiaal thema zowaar. “Vorig jaar hebben we het minder ver gezocht”, zegt Piet. “We lieten OCMW-schepen Sarah Smeyers met een geweer jacht maken op steuntrekkers. ‘Werken begot of augel in uw prot’, was de boodschap”. Islamitische Staat, Jejoen Bontinck, Je suis Charlie, ze hebben er wel aan gedacht bij NOIG. “Maar het is allemaal te vanzelfsprekend”, vindt Jan. “We willen geen thema dat al door tien andere groepen wordt uitgemolken. Lachen met de Profeet? Moet kunnen, maar het inspireert ons niet direct. Provoceren is geen doel op zich, we willen ons vooral goed amuseren. Dat is ook het mooie van losse groepen. Bij vaste groepen draait het om pracht en praal. Ze proberen elkaar de loef af te steken, met de grootste wagen, de meeste LED-lampjes, de zwaarste  luidsprekers. De humor schiet er bij in, terwijl dat onze voornaamste troef is. Wij zijn de narren van de carnavalstoet, de zotskappen die tussen de shownummers door het publiek vermaken”.

Jan Louies, leraar zedenleer, is zelf een stuk Aalsters erfgoed. Hij is de auteur van de in carnavalstijden druk geraadpleegde Oilstersjen Diksjoneir, en kan geestdriftig vertellen over de oorsprong van het vastenavondfeest. Een drie dagen durende omkering van alle waarden, dat is volgens hem de essentie. “Mannen dragen vrouwenkleren en worden voil jeanetten. De zot gaat de straat op met een stoel op zijn hoofd, een spiegelbeeld van de normaliteit. Wist je dat ze in de middeleeuwen achterwaarts gezeten op de rug van een ezel naar de kerk gingen? Niet om er te bidden, maar om er te vloeken”. Dat wisten we dus niet. En die van Islamitische Staat wellicht ook niet.

 

 

Referendum Schotse onafhankelijkheid: going it alone or stay in the Union?


(reportage vanuit Glasgow, verschenen in Knack, 6 augustus 2014)

Op 18 september trekken vier miljoen Schotten naar de stembus voor een historisch referendum. Yes or No, luidt de simpele maar verscheurende keuze. Wordt Schotland onafhankelijk of blijft het een deel van Groot-Brittannië? Verslag van een verbeten campagne in Glasgow.

Mary McGabe en haar Scotland Yes canvassers (eigen foto)

Mary McGabe en haar Scotland Yes canvassers (eigen foto)

Mary McGabe geeft het graag toe: oriëntatie is niet haar grootste kwaliteit. Al een half leven lang woont ze in Glasgow East End, en nog steeds rijdt ze verloren in wat een van de armste stadswijken van Groot-Brittannië is.  Met enige vertraging bereiken we het verzamelpunt, de anderen staan al  te wachten. Mary, coördinator van Yes Scotland in dit kiesdistrict, is in haar nopjes. Zeven vrijwilligers om de boodschap te verspreiden dat Schotland een onafhankelijke staat moet worden, niet slecht voor een regenachtige donderdagmiddag. Allemaal gepensioneerden, het is ons niet ontgaan. “Maar ook jonge mensen zetten zich voor Yes Scotland in”, haast Mary zich te benadrukken. “In het weekend kunnen we zelfs twee 17-jarigen optrommelen”.

Ze haalt haar namenlijst boven, alleen inwoners die zich voor de Schotse parlementsverkiezingen van 2011 registreerden, krijgen straks bezoek. Die stembusgang bracht destijds een politieke aardverschuiving teweeg. The Scottish National Party (SNP) behaalde een verpletterende overwinning, ruim voldoende om in haar eentje in Edinburgh een regering op de been te brengen. Conservatieven en LibDems, traditioneel kleine partijen in Schotland, werden van de kaart geveegd, en ook machtspartij Labour moest zeven parlementszetels inleveren. De bijeenkomst op deze parking in East End is een rechtstreeks gevolg van die landslide.  Alex Salmond, SNP-leider en first minister van Schotland, was er als de kippen bij om zijn voornaamste kiesbelofte, een referendum over onafhankelijkheid, hard te maken. Donderdag 18 september is het zover: vier miljoen kiesgerechtigde burgers staan voor een heldere maar verscheurende keuze. Yes or No? Going it alone of lid van het Verenigde Koninkrijk blijven? Niet alleen in Edinburgh en Londen zal het resultaat met klamme handen worden afgewacht. Een meerderheid voor Yes zou een schokgolf door de Europese Unie jagen. Vooral de Spaanse premier Rajoy is doodsbenauwd voor een precedent dat Catalaanse en Baskische nationalisten in hun streven naar onafhankelijkheid zou sterken.

lobbymachines

Lange tijd leek het perspectief van een onafhankelijk Schotland te gek voor woorden.  Aanhangers van Yes raakten in de peilingen nauwelijks aan dertig procent. De kentering kwam er in de tweede helft van vorig jaar. Puntje na puntje won het Yes-kamp terrein, tot een peiling in april de kloof tot 3 procent reduceerde. Het regent polls in Schotland. Hoe denken vrouwen en studenten erover? Wat de kiezers van buitenlandse origine? En hoe zit het met de 16- tot 18-jarigen die zich eveneens over de toekomst van hun land mogen uitspreken? Een dikke twee maanden voor het referendum spelen de peilingen accordeon, met een voorsprong voor No tussen de 5 en de 20 procent. Zaak gewonnen? Allerminst, want ruim een op de vijf kiezers is nog onbeslist. Dat is dus waar de race tussen Yes Scotland en Better Together om draait: onbesliste kiezers overtuigen en de eigen achterban mobiliseren om hun kiesrecht metterdaad uit te oefenen. Beide lobbymachines doen zich voor als platform voor burgers, middenveldorganisaties en bedrijven. In werkelijkheid staan ze onder politieke curatele. Labour, Tories en LibDems hebben een unieke coalitie gevormd om de Schotten bij de Unie te houden . Achter Yes Scotland schuilt uiteraard de SNP, maar ook de Schottish Green Party steunt het onafhankelijkheidsstreven.

De taken zijn verdeeld, de canvassers trekken per twee de wijk in. We vergezellen Mary die onderweg haar overtuiging belijdt. “Ik ben nationalist geworden door als tiener televisie te kijken. BBC, ITV, de desinteresse voor Schotland spatte van het scherm.  Grove clichés bij de vleet, maar informatie? Ik herinner me de berichtgeving over een grote bakkersstaking. Mensen in Glasgow begonnen in paniek brood te hamsteren, terwijl de Schotse bakkers niet eens mee staakten. Dat hadden ze op de BBC niet eens verteld” . Mary, een bruggepensioneerde studiebegeleidster, voerde ook al campagne in 1979, toen de Schotten de kans kregen om over de oprichting van een eigen parlement te stemmen. “We hebben dat referendum gewonnen”, zegt ze, “maar Londen heeft vuil spel gespeeld. De opkomst was zogezegd te laag, en thuisblijvers werden automatisch als tegenstanders beschouwd. Drogredenen, ze gunden het ons niet”.

The White Paper

Olie was bij dat eerste referendum een cruciaal thema. In de jaren zestig en zeventig werd voor de Schotse kust het ene na het andere petroleumveld ontdekt. It’s Scotlands oil, werd de slogan waarmee de in 1934 opgerichte SNP zijn lange mars naar autonomie nieuw leven inblies. Met succes, want ondanks de mislukking van 1979 viel devolution, zeg maar de Britse variant van onze staatshervorming, niet tegen te houden. Na nieuwe volksraadplegingen in 1997 en 1998 kregen zowel Schotland, Wales als Noord-Ierland een eigen parlement en regering, bevoegd voor onder meer onderwijs, landbouw en visserij, economie, gezondheid en lokale besturen. De Schotse regering kan dit jaar zo’n 37 miljard euro besteden. Zelf belastingen heffen of geld lenen mag ze echter niet, ze hangt volledig af van een dotatie uit de Britse schatkist.

Fiscale autonomie en olie zijn dan ook twee speerpunten in de huidige Yes-campagne. De hamvraag blijft immers: kan een onafhankelijk Schotland op eigen benen staan?  Een overtuigend ja valt te distilleren uit The White Paper, het vuistdikke stappenplan dat de Schotse regering afgelopen november publiceerde. Schotland buiten het Verenigd Koninkrijk wordt een welvarender, socialer, transparanter  en groener land. Vredelievender bovendien, want Scotland wordt een kernvrij land, wat betekent dat de Britse Navy zijn nucleaire onderzeeërs uit Faslane moet terugtrekken. De overgang naar onafhankelijkheid zal voor een groot stuk worden gefinancierd met olie-inkomsten die rechtstreeks en exclusief naar de Schotse schatkist zullen vloeien. Vloekt dat met het groene imago? Fossiele brandstoffen zijn maar een tijdelijke oplossing, op termijn wordt Schotland een exporteur van wind- en getijdenenergie. Overtuigend? Even stellig klinken de tegenargumenten van Alistair Darling. Geboren Schot, gewezen Labour-minister van financiën onder Gordon Brown, de voorzitter van Better Together is niet de eerste de beste. In zijn Case for a United Kingdom  goochelt hij met cijfers en statistieken om aan te tonen dat afscheiding een zware klap voor de Schotse economie en levensstandaard dreigt te worden.

JK Rowlings

Geen dag gaat voorbij of beide kampen pakken uit met nieuwe rapporten die hun gelijk onderstrepen, liefst steunend op ronkende namen uit de Schotse academische wereld die zelf tot op het bot verdeeld is. Tegelijkertijd wordt de zwevende kiezer met weinig academische slogans gebombardeerd. 5.000 £ (6.265 euro) extra koopkracht per jaar per gezin, dat is wat de Schotten volgens een Yes-brochure op 18 september kunnen winnen. De website van Better Togehter voorspelt dan weer dat onafhankelijkheid de portefeuille van de gemiddelde Schot jaarlijks 1.400 £ (1.743 euro) lichter zal maken.  Beide campagnes spannen VIP’s van Schotse en andere, Britse origine voor hun kar. Acteur Sean Connery, regisseur Ken Loach en protestzanger Billy Bragg zijn bekende voorstanders, rocklegende David Bowie en de eveneens Engelse maar in Edingburgh residerende JK Rowlings zijn tegen. De schrijfster van Harry Potter maakte haar engagement hard met een donatie van een miljoen pond aan Better Together. Genereus, maar de grootste gift werd door Yes Scotland binnengerijfd, 2,5 miljoen pond afkomstig van een koppel lottowinnaars.

Terwijl Scotland Yes vooral steun van KMO’s en de actoren uit de welzijnssector geniet, spraken enkele van de grootste werkgevers zich tegen separatisme uit. Scheepsbouwer BAE Systems  waarschuwt voor massaal banenverlies als straks de bestellingen van de Britse Navy opdrogen. Shell en British Petroleum vrezen hardop voor de impact van financiële en economische instabiliteit op de Schotse oliewinning. Verzekeringsgigant Standard Life, in Schotland goed voor 5.000 banen, dreigt ermee zijn hoofdzetel zuidwaarts te verhuizen. Als het over machtige sympathisanten gaat, is Better Together zonder meer onklopbaar. Niemand minder dan paus Franciscus sprak al zijn bezorgdheid over een Schotse soloslim uit. Europees commissievoorzitter Barosso deed een duit in de zak door in februari openlijk te betwijfelen of Schotland zomaar lid van de Europese Unie kan worden.  Buikspreker van de Britse premier David Cameron en zijn Spaanse collega Rajoy, hoonden de nationalisten. De klap kwam echter aan, net zoals de mededeling van de Britse minister van financiën Osborne dat een onafhankelijk Schotland vaarwel moet zeggen tegen het Britse pond.

linkse nationalisten

Het Europese lidmaatschap, het behoud van de muntunie , de verdeling van de openbare schuld, het zijn gewichtige thema’s waarmee Better Together de nog onbesliste kiezer van het Yes-kamp probeert weg te houden.  “Paniekzaaiers”, fulmineert Mary. “Londen laat ook uitschijnen dat de Schotse pensioenen misschien in het gedrang gaan komen.  Onzin, de pensioenen zijn gegarandeerd”.  We slaan Earnock Street in, een sociale woonwijk uit de jaren vijftig. Een gezinswoning kost hier slechts 100.000 euro, de grauwe appartementsblokken zijn voor armlastige huurders gereserveerd. Een blonde vrouw doet open met een kop thee in de hand. Only God can judge me , staat op haar onderarm getatoeëerd. Mary hanteert bij ieder contact dezelfde binnenkomer. Als No en Yes de uitersten op een schaal van 1 tot 10 vormen, welk cijfer kiest u dan?  “One”, zegt de vrouw die er de uitleg voor haar Nee-stem gratis bij geeft. Dat ze altijd Labour heeft gestemd, en dat ze niet moet weten van Alex Salmond, een arrogant politicus die zichzelf tot King Alex wil kronen.  Mary geeft zich niet zomaar gewonnen. Ze werpt tegen dat het niet over de ambities van Alex Salmond maar over de toekomst van Schotland gaat. En dat mevrouw, met haar van een beroerte revaliderende man en zwaar gehandicapte zoon, juist alle belang heeft bij een YES-stem. Een onafhankelijk Schotland staat immers garant voor betere welfare. Wel tien keer zal ze vanmiddag de onderliggende redenering toelichten. Scottish Labour is geen linkse partij meer, ze is naar het centrum opgeschoven onder druk van de Britse moederpartij die al sinds Tony Blair een ruk naar rechts heeft gemaakt om conservatieve kiezers te behagen. Voor Labour is dat de enige manier om de macht te veroveren, want meer dan tachtig procent van het Lagerhuis wordt in het door en door conservatieve Engeland verkozen. Daar ligt dus de knoop:  Schotland stemt traditioneel links, maar weegt met 59 MP’s niet zwaar genoeg om in Westminster de balans te doen overhellen. Stem daarom Yes, de enige manier om ervoor te zorgen dat de Schotten nooit meer worden geregeerd door conservatieve regeringen voor wie ze niet hebben gekozen. Geen Tatcher meer met haar privatiseringspolitiek en haar poll tax, twee rechtse wapenfeiten die in Schotland nog meer dan elders op verzet stuitten. En ook geen David Cameron meer, de huidige premier wiens coalitie van Tories en LibDems slechts door 12 Schotse MP’s wordt gesteund. Het betoog maakt indruk, de getatoeëerde vrouw laat zich een stapel YES-drukwerk in handen stoppen. Tevreden trekt Mary het poortje van het hek achter zich dicht, ze heeft een No-kiezer aan het twijfelen gebracht.

Mary McGabe probeert No-stemmer voor Yes te winnen (eigen foto)

Mary McGabe probeert No-stemmer voor Yes te winnen (eigen foto)

Er is dus een wezenlijk verschil tussen Vlaams en Schots nationalisme: de SNP profileert zich als een progressieve beweging, een links alternatief zelfs voor Labour. Op haar deurenronde legt Mary het er dik op. Willen we voorkomen dat Schotse National Health Service naar Engels voorbeeld wordt geprivatiseerd? Ervoor zorgen dat hoger onderwijs gratis blijft, terwijl in Engeland de tuition fees de pan uitswingen?  Dan is een Yes voor onafhankelijkheid het enige antwoord. Zelfs een soepeler migratiebeleid wordt als troefkaart uitgespeeld. Schotland vergrijst sneller dan de rest van het VK, Poolse en andere inwijkeling zijn meer dan welkom om het welvaartsmodel te schragen. “Schots nationalisme is niet etnisch”, zegt Mary. “Kijk naar het referendum. Al wie in Schotland woont en hier een toekomst uitbouwt, mag stemmen. Ook de 400.000 Engelsen die hier wonen. Die zullen overwegend tegenstemmen, maar niet allemaal. Een van mijn fanatiekste canvassers komt uit Wigan, een rasechte Engelsman. Omgekeerd hebben de 800.000 Schotten die in de rest van de UK wonen, geen stemrecht ”. Vijftien huizen en evenveel pleidooien later is de lijst afgewerkt. Vier Yes-toezeggingen, drie overtuigde No’s , de rest nog onbeslist. Vanavond nog zal Mary een verslag naar het hoofdkwartier sturen, en morgen breekt een nieuwe campagnedag aan. “Het is nu of nooit”, zegt ze. “Een kans als deze krijgen we in geen honderd jaar meer”.

Vlaamse Volksbeweging

Op de terugweg van East End botsen we in Sauchiehallstreet op een promotieteam van Better Together. Verrassend, want gisteravond nog had de woordvoerder ons moeten teleurstellen. Ondanks eerdere beloftes kon hij ons niet helpen, in Glasgow en wijde omtrek stonden geen activiteiten gepland. Vanmiddag echter heeft de Amerikaanse president Obama in Brussel de wens uitgesproken dat Groot-Brittannië een sterke en vooral  verenigde partner zou blijven. Geen uur na de uitspraak staat Better Together in deze drukke winkelstraat te flyeren. NOPE, prijkt in grote letters onder een pop-art portret van Obama. Lang duurt de actie niet. De militanten _ bij navraag blijken het betaalde medewerkers van Better Off _ verdwijnen zodra de duidelijk getipte ploeg van BBC Scotland de nodige beelden voor het avondjournaal heeft gedraaid.

Het stijlverschil met Yes Scotland is opvallend. Grassroots versus establishment, zo stellen Mary en co het graag voor. Subjectief, maar er is iets van. Better Together kreeg de voorbije weken bakken kritiek uit eigen rangen. De campagne was te gemakzuchtig en te negatief, in feite deed Better Together weinig meer dan het weerleggen van Yes-uitspraken en het voorspellen van de rampspoed die na de onafhankelijkheid over Schotland zou neerdalen. Niemand minder dan Gordon Brown keerde op het voorplan terug om een andere aanpak te bepleiten. Better Together moet vooral de voordelen van de Union in de verf zetten. De kritiek miste zijn effect niet. Better Together heeft intussen zijn toon veranderd, het tempo van zijn campagne drastisch opgevoerd en een nieuwe politieke strategie omhelsd. Labour, Tories en Lib Dems beloven eensgezind meer devolution als de Schotten voor het behoud van de Union Jack kiezen. Opportunistisch? Zeer zeker,  maar voor de Tories, in het verleden hardnekkig gekant tegen autonomie voor de deelstaten, blijft het een opmerkelijke bocht.

Het wordt sowieso een spannende zomer. Niet alleen is Glasgow de thuisstad voor de prestigieuze Commonwealth Games. Op 24 juli wordt 700 jaar Bannockburn herdacht, de mythische veldslag nabij Stirling die een periode van vier eeuwen Schotse onafhankelijkheid inluidde. De timing is toeval, valt bij Yes Scotland te vernemen. De nationalisten willen in geen geval voor romantische dwepers worden versleten. Voorzitter Guido Moons van de Vlaamse Volksbeweging mocht het ondervinden toen hij in 2012 als gastspreker het woord nam op een SNP-meeting. Zijn uitsmijter over William Braveheart Wallace, de Schotse Jan Zonder Vrees, viel bij de gastheren op een koude steen. Onafhankelijkheid is vooral een rationele keuze, benadrukt Yes Scotland.

Quebec

Wie dat met klem tegenspreekt is Anne McGuire, Labour MP in Westminster voor Stirling. Vier dagen per week vertoeft ze in Londen, maar vandaag heeft ze zitdag op kantoor in haar kieskring. “Ik krijg steeds meer vragen over het referendum”, zegt ze. “Heel wat mensen maken zich zorgen. Onze landbouwers leven zowat van Europese subsidies. Wat als Schotland straks geen lid meer is? Het opdrogen van de subsidiestroom kan voor vele boeren het faillissement betekenen. De financiële sector is goed voor 200.000 Schotse banen. Hoeveel gaan er daarvan sneuvelen als Yes wint? Die banen zijn hier tenslotte omdat er geen grenzen bestaan tussen Schotland en de Londense City. Heel wat kleine bedrijven leveren aan de overheid. In heel Groot-Brittannië, en precies die eengemaakte markt dreigen ze te verliezen. Ik beweer niet dat Schotland niet op eigen benen kan staan, maar ik erger me aan de separatistische propaganda die de Schotten gouden bergen voorspiegelt”.

standbeeld William 'Braveheart' Wallace in Stirling (eigen foto)

standbeeld William ‘Braveheart’ Wallace in Stirling (eigen foto)

Voert Better Together een zoutloze campagne? Aan Anne McGuire ligt het niet. Ze heeft al heel wat deurbellen laten klingelen,en ook de komende weken zal ze haar schoenzolen verslijten. Dat je geen slechte Schot bent als je tegen onafhankelijkheid stemt, is haar mantra. Stemmen nationalisten Yes, Schotse patriotten stemmen No. McGuire, een historica die erg thuis is in de Schotse geschiedenis en Gaelic spreekt, wordt niet overal even vriendelijk ontvangen. Westminster MP, in nationalistische kringen klinkt het haast als een scheldwoord. “En dan de verdachtmakingen”, zucht ze “ Dat we tegen onafhankelijkheid zijn omdat we anders ons vetbetaalde mandaat in Londen verliezen. Ik wou dat het referendum morgen al kon plaats vinden, hoe eerder hoe liever. De Schotse regering is al twee jaar met niks anders bezig, terwijl dit land ook echte problemen kent. Vraag maar aan de urgentieartsen in Aberdeen die gisteren aan de alarmbel trokken omdat ze niet genoeg middelen hebben”.

Wat ook de uitkomst wordt op 18 september, vast staat dat het referendum sporen zal laten. “De sfeer is nu al gespannen”, zegt McGuire. “Bosnische toestanden moet je niet verwachten, maar ik vrees dat er bitterheid in onze maatschappij sluipt”. De Labour-politica put hoop uit het voorbeeld van Quebec, de Canadese provincie waar separatisten het referendum van 1995 met één procent verloren. “Een fotofinish”, zegt McGuire. “Maar sindsdien is de steun voor onafhankelijkheid verkruimeld. Vooral jonge mensen willen er niet van weten. Grenzen optrekken terwijl we steeds globaler gaan leven, dat is een regressie”.

Terug in Glasgow. Seetha serveert in de Kama Sutra in Sauchiehallstreet, ondanks de suggestieve naam een gewoon tandoori-restaurant. “Ik denk dat ik No ga stemmen”, zegt ze. “Schotland is te klein om alleen te staan. Probleem is dat ik met een Schot ben getrouwd, een overtuigd nationalist. If you vote NO, heeft hij gezegd, consider yourself divorced. Ik ben niet zeker dat hij het als grap bedoelde”.

 

 

Tiki-taka in Brussel

(verschenen in De Standaard Weekblad, 24 juni 2014)

Brussel is een supermarkt van jeugdtalent waar topclubs permanent op koopjesjacht gaan

De Rode Duivels zijn het levende bewijs: voetbaldromen komen soms uit. Nergens wordt er harder aan gewerkt dan tussen het zwerfvuil in de Brusselse volkswijk La Roue- Het Rad. Op een boogscheut van het grote Anderlecht strijken iedere zondag privécoaches met pupillen neer. Spécifiques heet het Brusselse fenomeen dat zich volledig buiten het blikveld van de voetbalbond afspeelt. “Privétrainingen zijn big business geworden”. 

foto's Frederik Buyckx, www.frederikbuyckx.be

foto’s Frederik Buyckx, www.frederikbuyckx.be

Coach Ben schudt het hoofd. Jongens toch, wat een geknoei. Zal hij nog één keer voordoen? Hij gooit de bal op en houdt hem in de lucht. Linkerbeen, rechterbeen, het lijkt wel de French Cancan. Zo moet het dus. Per twee, gezichten naar elkaar gewend, niet meer dan een halve meter afstand. De ene achteruit, de andere vooruit. En lopen maar, terwijl de bal van de ene zijn linkerdijbeen naar de andere zijn rechterdijbeen stuitert. Zes koppels trekken zich op gang. Een keer, twee keer over en weer, de ballen vliegen alle kanten op. “Amateurs”, foetert de coach. “Is dat nu zo moeilijk?”.

Ben Tahiri kent het geheim van het voetbalspel. Techniek, techniek en nog eens techniek. “Il faut manger le ballon”, betoogt hij tussen twee oefeningen door. “Balgevoel ontwikkelen, daar komt het voor jonge spelers op aan. Het leer moet aan hun voet kleven. Bij de opwarming zie je meteen wie het in zijn mars heeft. Per twee het veld op en af, en kaatsen maar. Technisch vaardige spelers kunnen het zonder naar de bal te kijken, die vertellen elkaar hun hele weekend terwijl ze aan het tiktakken zijn”.

honger naar de bal

We staan op een juweel van een voetbalveld in La Roue-Het Rad, een wat groezelige buurt in de rand van Anderlecht. Kunstgras, van de jongste generatie. Geen schuurpapier zoals vroeger, toen een onstuimige sliding met brandwonden werd bestraft. Aan het hek hangt nog een bordje van Milan Anderlecht, een derde provincialer die hier ooit zijn thuismatchen speelde. Vermoedelijk zijn met de club ook de doelen en de kleedkamers verdwenen. De hele omgeving steekt schril af bij de onberispelijke grasmat. Overal hoopt zwerfvuil zich op, tot afgedankte wc-potten en gestolen winkelkarretjes toe. Slordig van de eigenaar, de gemeente Anderlecht. Toch hoor je hier niemand klagen.“Zolang ze ons maar gerust laten”, zegt Ben. “We betalen niks, vragen niemand om toelating. C’est un terrain sauvage, vrij toegankelijk voor iedereen. Een zegen voor de Brusselse jeugd, want er is een nijpend tekort aan speelruimte. Velden genoeg, maar ze blijven onderbenut. Sportcomplexen, scholen, voetbalclubs, ze sluiten hun infrastructuur af voor buitenstaanders. Onbegrijpelijk, nu Brussel een bevolkingsexplosie kent en voetbal populairder is dan ooit. Kijk maar eens rond in de stad. Overal waar een paar vierkante meter publieke ruimte is, wordt gesjot. De honger naar de bal is enorm”.

Honger naar de bal? De spelers die deze zondag naar Het Rad zijn afgezakt, zijn eraan verslaafd. Het zijn immers geen straatvoetballers die hier samentroepen. De tweelingbroers Steve en Loïc spelen bij de U15 van eersteklasser Mons, Esad bij de U-17 van Zulte Waregem, de 12-jarige Soufrian en zijn vier jaar jongere broer Mehdi bij de elite van het grote Anderlecht. Twee laatkomers schudden Ben de hand. Opgeschoten jongens met Afrikaanse roots, zoals de kleine helft vanmorgen op het veld. Een speelt bij de beloften van tweedeklasser Antwerpen, zijn vriend is het nog verder gaan zoeken. “Virton”, zegt hij. “Helemaal in Luxemburg, Ik zit er op internaat”. Verhalen als deze zijn hier legio. Brussel is een supermarkt van jeugdtalent waar Belgische en zelfs buitenlandse topclubs permanent op koopjesjacht gaan. De meesten van deze jongens trainen vijf keer per week, om zaterdag een match te spelen. Voetbalschoenen aan de haak op die enige dag zonder clubverplichtingen? Geen sprake van, zondag is de dag van ‘les spécifiques’, extra oefensessies onder begeleiding van een resem onafhankelijke, zelfverklaarde trainingsexperts.

50 euro per uur

Hassan is er ook vandaag. Ballennet over de schouder, verkeerskegels in de hand, in zijn kielzog zes jongens van een jaar of twaalf. Hij bakent zijn oefenveld af, veel meer dan tien bij tien neemt het niet in beslag. Spurtjes zonder bal, slalommen rond kegels, driehoekjes met wisselende posities, hier wordt de basis gelegd voor het tica taca à la Barcelona. Bij elk bezoek aan Het Rad is het een komen en gaan van coaches, maar Doba is een certitude. De vriendelijke Ivoriaan met rastakapsel staat iedere zondag als eerste op het veld. Vanaf negen uur het kleine grut, daarna een sessie voor de u 12 tot en met u16. Hij legt er de pees op, zonder evenwel te bullebakken. Ervaring zat, Doba is doordeweeks jeugdtrainer bij de pas gedegradeerde tweedeklasser FC Brussels. De jonkies spelen vanmorgen op blote voeten. “Zoals in Afrika”, zegt Doba. “Ideaal om techniek te leren. Op dat punt schieten onze clubs tekort. Teveel spelers en te weinig trainers om aan individuele begeleiding te doen. Daar maken spécifiques het verschil”.

Over de financiële kant van zijn bijverdienste praat hij liever niet, maar het vergt weinig detectivewerk om te achterhalen dat een sessie tien euro per speler kost. “Een van de goedkopere in het vak”, zegt Abdel Malik terwijl hij het passenspel van zijn tienjarige zoon Momo nauwlettend volgt. “Er zijn ook coaches die inviduele trainingen aanbieden. Mannen zoals Steve of Ibrahim, die vragen gemakkelijk veertig tot vijftig euro per uur”. Abdel is het prototype van de betrokken voetbalvader. Momo, twee jaar jeugdacademie Anderlecht, intussen bij derdeklasser Zaventem-Woluwe, staat iedere weekdag in clubkleuren op het veld. Ze wonen in Sint-Joost, uren hebben ze al in de file gestaan op weg naar de training. Toch is Abdel iedere zondag op de afspraak in Het Rad. “Momo heeft een droom: hij wil voetballer worden”, zegt Abdel. “Hij is nog erg jong, misschien wordt het helemaal niks. Maar ik wil later kunnen zeggen dat ik er alles aan gedaan heb”.

coach Ben Tahiri, zelf virtuoos met woord en bal

coach Ben Tahiri, zelf virtuoos met woord en bal

Koning van het Rad

Ben Tahiri, de man die als geen ander de French Cancan danst met een voetbal, is de ongekroonde koning van Het Rad. Zijn gsm-nummer gaat viraal, trainingen lokken zelfs ouders en spelers uit Aalst, Gent of Antwerpen. De rijzige Brusselaar is dan ook een figuur. Charisma te koop, even virtuoos met de tong als met de bal. Passen met links of rechts, controles met het hoofd of borst, het gaat hem allemaal even gemakkelijk af. We geloven hem als hij zegt dat hij door passie wordt gedreven. “Er gaat in België veel talent verloren”, maakt hij zich druk. “Topclubs zoals Anderlecht hebben geen geduld, ze willen hun talent plukrijp. Jongens zoals Thielemans, Bruno of Mbemba, van wie zelfs een blinde ziet dat ze het zullen maken. Maar er zijn ook gasten die meer tijd nodig hebben om te rijpen, of die een wat moeilijker karakter hebben. Voor hen sta ik hier, zelfs in het putje van de winter. Vorig jaar moesten we met zijn allen sneeuw ruimen vooraleer we aan de training konden beginnen”.

Ben hanteert geen tariefschaal, maar een tientje als bijdrage in de kosten is altijd welkom. Niet dat hij helemaal belangeloos zijn zondag opoffert. Belangeloos bestaat niet in jeugdvoetbal, waar tientallen makelaars en scouts velden afschuimen op zoek naar de volgende Hazard of Lukaku. Aasgieren, noemt Ben hen, waarmee hij de specimen bedoelt die jongens en ouders het hoofd op hol brengen. Hier een handtekening graag, en de weg naar Chelsea of Manchester ligt wijd open! De schampere toon belet niet dat Ben zelf de nummers van alle makelaars op zak heeft. En wie kan het deze magazijnier met ziekteverlof kwalijk nemen dat hij zelf wat scouting doet, vroeger voor Standard, tegenwoordig voor Club Brugge? Het draagt allemaal bij tot zijn prestige, net zoals het feit dat hij zijn eigen zoon met vaste hand naar een profcontract bij SK Lierse heeft begeleid. Waarom is hij zelf nooit prof geworden? “Marokkanen van mijn generatie kwamen niet aan de bak”, zegt Ben. “Racisme van de clubs, maar ook gebrek aan ondersteuning thuis. Ik had niemand die me vijf keer per week naar de training kon voeren. Vandaag is alles anders. Racisme? Dat kunnen de clubs zich niet meer permitteren. Kijk naar het succes van de Rode Duivels, of naar deze jongens hier. Er zit van alles tussen, maar ik zie toch vooral Maghrebijnen en Afrikanen”.

Steve & Loïc

Steve & Loïc

Aan ondersteuning van thuis ontbreekt het die nieuwe Belgen niet meer. Alain Nkeng, vader van tweeling Steve en Loic, is een habitué van Het Rad. Het voorbije seizoen speelden zijn zonen bij de U14 van Mons. “Ik heb ze ginder op internaat gezet”, zegt de Kameroenees uit Schaarbeek. “Sports-Etudes, een combinatie van school en voetbal. Peperduur, volgend seizoen haal ik ze terug naar een kleinere club in het Brusselse, ook al omdat Mons intussen naar tweede klasse is gezakt”. Terwijl Steve en Loïc hun kopspel perfectioneren, vertelt hij over zijn eigen voetbaljeugd in Kameroen. Ook zijn vader stond soms aan de zijlijn, maar niet om te supporteren. “Papa wilde niet dat ik voetbalde”, vertelt hij met een grijns. “Hij is me meer dan eens van het veld komen sleuren. In de ogen van zijn generatie was voetbal een spelletje voor leeglopers, un sport de voyous. Vandaag is voetbal in Kameroen alomtegenwoordig. Ouders betalen zich blauw aan voetbalacademies en privétrainers, in de hoop dat hun zoon het ooit in Europa zal maken”. Zelf is hij niet zo naïef. Zeker, ook hij wil zijn zoons alle kansen geven om hun droom na te jagen. “Maar de school komt altijd op de eerste plaats. Steve en Loïc kennen de afspraak. Huiswerk klaar en les leren, anders zondag geen spécifiques. Pas op, ik ben blij met hun passie. Wat zouden ze zonder voetbal in deze stad beginnen? Met slechte vrienden rondhangen op straat. Bovendien, zonder sport zouden ze zeker tien kilo te zwaar staan”.

Van de bond los

Ook de 17-jarige Esad Guler uit Dilbeek zit op voetbalinternaat. Bij Zulte-Waregem, zijn ouders dokken er 350 euro per maand voor. Esad, zoon van een vader met gemengde Turkse-Macedonische-Albanese roots, is perfect tweetalig. Een verstandige kerel, maar studeren is geen prioriteit. “Ik zet alles op voetbal”, zegt hij. “Er is geen plan B, ook al besef ik hoe smal de weg naar de top is. Je moet er helemaal voor gaan “. Esad heeft een grillige loopbaan achter de rug. Jeugd Dilbeek Sport, potjes zaalvoetbal, niks wees in de richting van een echte roeping. De grote sprong voorwaart kwam er na een tweejarig verblijf bij Seth Nkandu, de jeugdtrainer die in Brussel het concept van de voetbalacademie op de kaart heeft gezet. We treffen hem in het gemeentelijk sportcomplex van Sint-Agatha Berchem. In 1994 verkaste Seth met een studiebeurs van Lubumbashi naar Brussel. Van een ingenieursdiploma kwam weinig in huis, maar hij voetbalde zich wel een weg naar de vierde nationale. En haalde alsnog een bul: een UEFA-trainersdiploma waarmee hij bij het prestigieuze opleidingscentrum van Sporting Anderlecht aan de slag ging. “Mijn grote voorbeeld is Frankrijk”, zegt hij. “De Franse voetbalbond heeft scholen opgericht waar de beste jeugdspelers van de regio worden klaargestoomd voor een carrière op het hoogste niveau. De nadruk ligt op techniek. Eindeloos oefenen met de bal, tot alle bewegingen volledig geautomatiseerd zijn. Ik heb dat concept bij Anderlecht proberen aan te kaarten, maar vond geen gehoor. Daarom ben ik in 2007 met mijn eigen academie begonnen”. De vergelijking is wat geflatteerd, de Franse académies legden de grondslag voor het succes van de Les Blues die in 1998 wereldkampioen werden. Niettemin, NSeth Academy oogt als een professionele organisatie met een drietalige website. Op deze woensdagmiddag bezetten een vijftigtal spelers de twee oefenvelden die de privéschool dagelijks afhuurt. Hummels van acht en beren van achttien, voor elke leeftijdsgroep staan twee door Seth geselecteerde of o pgeleide coaches klaar. Ook de Brusselse Congolees is discreet over geld, maar uit goede bron vernamen we dat aansluiten 125 euro per maand kost. “Eerst testen we het potentieel”, zegt hij . “Wie slaagt, staat voor een keuze. Aansluiten betekent dat ze hun club verlaten en geen competitie meer spelen, want we opereren volledig los van de voetbalbond. Natuurlijk organiseren we oefenmatchen, maar wedstrijden zijn niet de essentie. Oefenen in kleine groepen, schaven aan de houding en de techniek, zo kneed je toppers. Ik geef trouwens ook individuele trainingen. Vorige zondag heb ik hier een Vlaams toptalent van PSV onder handen genomen, hij zat in de knoei met zijn kopspel”.

voetbalvaders op Het Rad

voetbalvaders op Het Rad

nieuwe Batshuayi

Middelmatige spelers veranderen in goede spelers, goede spelers in nog betere spelers, zo zou de de baseline van NSeth Academy kunnen luiden. “In twee jaar tijd stomen we ze klaar voor een hoger niveau”, maakt Seth zich sterk. “Zie je ginder die groep U19’s? Die trainen zes keer per de week, telkens twee uur. Als die hier weggaan, kunnen ze zo meedraaien in eerste of tweede klasse”. Bij oefenmatchen zijn ouders niet toegelaten. Tierende voetbalvaders, hij heeft er een hekel aan. Feedback voor hun lieve geld? Ze krijgen op geregelde tijdstippen een vorderingsrapport over hun zoon. Ook scouts en managers worden geweerd, zij het om een heel andere reden. De academie is een kweekvijver waar zonder vergunning wordt gevist. Académiciens kunnen van de ene dag op de andere naar een club vertrekken. Zonder opleidingsvergoeding, want die is enkel van toepassing bij transfers tussen erkende clubs. De regelgeving daaromtrent is een kluwen van federale, Vlaamse, FIFA en KBVB-oekazes. Feit is dat een opleidingsvergoeding aardig kan aantikken als een speler echt doorbreekt en later een buitenlandse miljoenentransfer versiert. Zoals Michi Batshuayi, de topscorer van Standard die wellicht nog deze zomer naar de Premier League verkast. Een pupil van Seth in zijn periode bij Anderlecht, hij koestert de foto’s op zijn iPad.

Als morgen onder zijn handen een nieuwe Batshuayi ontbolstert, wil hij zijn deel van de koek. Maar hoe? Seth heeft twee jaar lang op de loonlijst van Club Brugge gestaan. Zijn academie diende de facto als Brussels filiaal van de West-Vlaamse club, niet de enige eersteklasser overigens die watertandend naar het onontgonnen potentieel van de hoofdstad kijkt. Hij heeft een dozijn talentjes naar Brugge doorgesluisd, maar na twee jaar liep de samenwerking dood. Partnerschappen met Anderlecht, Genk of Standard? Alle pogingen zijn op niets uitgedraaid. Enkele weken na ons eerste bezoek heeft hij verrassend nieuws. “Ik heb bij de bond een stamnummer aangevraagd. Ik ga toch maar een club oprichten. FSI wordt de naam, Football Street Intelligent. Dan kunnen we toch competitie spelen, en onze spelers vanaf zestien onder contract leggen. Als er dan eentje een toptransfer versiert, krijgen we tenminste een opleidingsvergoeding ”.

Alweer een Brusselse club erbij, nadat Vincent Kompany vorig jaar vierdeklasser BX Brussels uit de grond stampte. Het hoofdstedelijk gewest is ermee bezaaid. Acht clubs in de nationale reeksen, liefst 41 in de provinciale reeksen. Blijkbaar volstaat het allemaal niet, want het parallelle circuit groeit als kool. Voetbalacademies? De tips stromen binnen. Steve, de dure coach spécifiques over wie we op Het Rad al hoorden, is op een korfbalterrein aan het Westland Shopping Center in Anderlecht met een academie begonnen. In het Chazalstadion bij het Josaphatpark is dan weer de Académie de Foot de Schaerbeek neergestreken. 150 leden, de helft was nooit eerder bij een club aangesloten. De 220 euro lidgeld doen volgens secretaris Abdellatif Ettabaa geen afbreuk aan het sociale karakter.“We weigeren geen kinderen omdat hun ouders het niet kunnen betalen”, zegt hij. “Dat zou vloeken met ons ideaal. We zijn twee jaar geleden precies begonnen omdat we constateerden dat honderden jongens in Brussel geen club vonden. De kleintjes kampen met capaciteitsgebrek, en de grote zijn alleen geïnteresseerd in talent dat ze overigens bij de kleinere clubs gaan wegkapen. Bij ons mag iedereen aansluiten”. Idealisme? De academie, een zuiver privé-initiatief zonder enige band met de KBVB, heeft een partnerschap met de soccerschool van… Zulte Waregem. “Ze geven ons materiële steun”, zegt Ettabaa. “In ruil sturen ze af en toe een scout, er zijn trouwens al enkele beloftevolle jongens naar Zulte Waregem vertrokken”.

Emilio & Xhulio

Emilio & Xhulio

40 % jeugdwerkloosheid

Er zijn vele verklaringen voor het capaciteitsgebrek. De bevolkingsexplosie _ prognoses gewagen van anderhalf miljoen inwoners in 2030 _ is zeker niet de geringste. Maar er is meer. Nergens spreekt het succesverhaal van Rode Duivels zozeer tot de verbeelding als in Brussel. Het pad naar de top is smal en glibberig, jazeker. Maar ketten zoals Vincent Kompany, Romeo Lukaku, Marouane Fellaini, Michi Batshuayi en Adnan Januzaj bewijzen dat voetbaldromen soms uitkomen. Het is een troostrijke gedachte, zeker in achterstandswijken waar de jeugdwerkloosheid tot 40 procent oploopt.

Het Rad, een snikhete zondag later. André Kona, gewezen international van wat ooit Zaïre heette, ex-topscorer in de Turkse competitie, komt met een busje spelers aanrijden. Coach spécifiques of bezieler van een voetbalacademie, de grens is in zijn geval vaag. Nzonza legt zich toe op ambitieuze clubspelers. U16 en u19, de leeftijd waarop het moet gebeuren. De sprong naar de het A-team of de beloften, een transfer, zestien is de leeftijd waarop de carrière echt begint. Kona biedt vier extra trainingen per week. Techniek op een terrein in Vorst of op het Rad. Voor het trappenlopen, bevorderlijk voor de explosiviteit, trekken ze naar een park in Ukkel. Prijs op bestek, naargelang de service. “We volgens onze spelers desgewenst ook tijdens hun clubwedstrijden”, zegt hij. “We filmen alles met de iPad, zodat we hun positiespel nadien kunnen analyseren”.

Ben Tahiri ziet het zelf met verbazing aan. “Vijf jaar geleden was ik zowat de enige die spécifiques gaf”, zegt hij. “Intussen struikel je over de coaches. Er zijn zelfs voetbalvaders die trainingen geven, terwijl ze zelf nooit op een bal hebben getrapt. Het is big business geworden”. Voor een man die voetbal uit al zijn poriën ademt, kan hij erg somber doen over de hoogconjunctuur van zijn favoriete sport . “Waarom lopen hier vooral Marokkanen en zwarten rond”, vraagt hij retorisch. “Omdat die groepen oververtegenwoordigd zijn in de kansarmoede in Brussel. Ze dromen zich al voetballend een weg uit de miserie. Niet alleen de spelers, het zijn vaak de ouders die het hardst aan de kar duwen. Een zoon die het maakt als prof kan een hele familie uit de armoede tillen”.

Intussen lopen twee nieuwe pupillen zich warm. Emilio en Xhulio Cunaj zijn helemaal uit Antwerpen gekomen. Kansarmoede is niet wat hen drijft, de broers hebben allebei een baan bij busbouwer Van Hool in Grobbendonk. Als identieke tweeling doen ze alles samen. Samen in de spuitafdeling bij Van Hool, samen voetballen bij Berchem Sport, nadat ze ook al een jaartje samen bij een Zwitserse club hebben gespeeld. Ze beseffen het zelf wel, 23 jaar is niet bepaald jong voor een voetballer. “Het is nu of nooit”, zegt Xhulio. “We hebben een makelaar gevonden die zegt dat hij misschien een club in Engeland kan vinden. Hij is het die ons vandaag heeft gestuurd. Coach Ben gaat ons beter maken”.

XTC-bendes vergiftigen ons milieu

(Knack; 7 juni 2014)

“Soms steken ze een oplegger vol giftig afval gewoon in de fik”

Xtc en speed zijn helemaal terug. De productie boomt, dank zij nieuwe technieken en grondstoffen. Tegelijk piekt ook de afvalproductie. Sluikstorten is de oplossing van de bendes. In Nederland is het een echte plaag, en ook de grensprovincies Antwerpen en Limburg zijn besmet. Tientallen tonnen hoogtoxisch afval belanden jaarlijks in het milieu. De politie slaat alarm. “Dit is een zwaar onderschat probleem”.

toxisch restafval van synthetisch drugslabo. Opruimen is peperduur. (foto: federale politie)

toxisch restafval van synthetisch drugslabo. Opruimen is peperduur. (foto: federale politie)

Het was een ongewone maatregel waarmee twee Nederlandse gemeenten begin maart uitpakten. 5.000 euro beloning voor een gouden tip die kan leiden naar de daders van een reeks xtc-afvaldumpings in Peel en Horst aan de Maas, landelijke gemeenten in Nederlands Limburg.  In een jaar tijd werden er negen storten ontdekt, telkens goed voor duizenden liters gevaarlijke afvalstoffen. “We willen een signaal geven”, zegt Martin Vries, beleidsmedewerker veiligheid in Horst aan de Maas. “Het probleem van de xtc-dumpings loopt uit de hand. Meestal vinden we de vaten in de publieke ruimte, langs een afgelegen weg, in een greppel of in een bos. Gevaarlijk voor het milieu, en het verwijderen kost de maatschappij handenvol geld. Brandweer, politie, staalneming door het Nederlands Forensisch Instituut, opruimen en saneren door gespecialiseerde firma’s, er komt veel bij kijken. We schatten de totale schade op 10.000 euro per dumping. Zo kan het niet verder, dit moet dringend worden aangepakt”. Peel en Horst aan de Maas staan met hun frustratie niet alleen. Vorig jaar werden in Nederland 170 dumpings ontdekt, een absoluut record. In de wandel spreekt men van xtc-dumpings, maar het gaat even vaak om restproducten van amfetamines, zeg maar speed.

Als het regent bij de noorderburen, druppelt het in België. Benny Van Camp, commissaris bij de Centrale Dienst Drugs van de Federale Gerechtelijke Politie, kan het met cijfers staven. In 2012 werden in ons land slechts twee dumpings ontdekt, maar eind vorig jaar viel de teller op 17 stil. “Dat lijkt nog altijd minder dan het is”, zegt Van Camp. “Het gaat immers niet om een vaatje hier en een emmertje daar, we spreken over industriële hoeveelheden. Ruw geschat hebben we vorig jaar honderd ton afval van synthetische drugs opgeruimd”.  Hoe dat er in de praktijk uitziet? Erg divers, blijkt als Van Camp de foto’s op zijn laptop toont. Tientallen identieke blauwe vaten in het groen, het effect is bijna kunstzinnig. “Een propere dumping”, zegt hij. “Zolang er niks gaat lekken natuurlijk. Het blijft hoe dan ook een gevaarlijke toestand, want niemand weet wat er precies in zo’n ton zit. Vaak een cocktail van chemische restproducten. Erg toxisch, om nog te zwijgen van mogelijk brandgevaar bij verkeerde behandeling. Na zo’n vondst wordt meteen een perimeter ingesteld. Alleen de specialisten van het Labo Interventie Team, een multidisciplinair samenwerkingverband van politie en brandweer, komen in  de buurt, met beschermende pakken en gasmeters uiteraard”.

toxisch rampgebied

Voorbeelden van minder propere dumpings zijn er ook. Tussen de herfstbladeren ligt een ratjetoe van vaten, vuilnisbakken en gemengde rotzooi zoals opgebruikte koolstoffilters, met een defecte industriële weegschaal als absolute blikvanger. “Bendes hanteren verschillende methodes”, zegt Van Camp. “Een oplegger stelen, vol laden en op een verlaten plek achterlaten, ook dat komt voor”. Als oude rot in de drugsbestrijding wil hij geen details vrijgeven, maar bij zo’n vondst wordt alles uit de kast gehaald om de herkomst van de lading te achterhalen. “Ze maken het ons niet gemakkelijk”, zucht hij. “Labels worden verwijderd, serienummers uit vaten gebrand. Soms gaan ze nog een stap verder, en steken ze de boel in de fik. Dan krijg je zoiets”.  Met een muisklik haalt hij het beeld op. Twee uitgebrande opleggers, de hele parking oogt als een toxisch rampgebied. “Vergelijk het gerust met een brand of explosie in een chemische fabriek”, zegt Van Camp. “Er komen giftige dampen vrij, chemicaliën en besmet bluswater sijpelen weg. Los van de milieuschade loopt de economische kostprijs hoop op. Opruimen en stockeren gebeurt door een supergespecialiseerde firma, peperduur. En dan moet de bodem soms nog worden gesaneerd”.

Veel blijft onder de radar. Kleinere hoeveelheden worden in een gat in de tuin achter het labo gekiept, met alle gevolgen van dien voor het grondwater. Doorspoelen via het riool gebeurt ook, en niemand weet hoeveel hectoliters er al in sloten, kanalen of rivieren werden gepompt. Luc Valkenborg blijft zich verbazen over de creativiteit die bendes aan de dag leggen in hun afvalverwerking. “Bij het opdoeken van een lab in Bilzen hebben we de techniek van de mestkar ontdekt”, zegt de directeur van de FGP Hasselt. “Uit onderzoek achteraf bleek dat de bende een aanhangwagen gebruikte waarvan de bodemplaat was geperforeerd. Als het flink regende, reden ze ermee over de autosnelweg. Kraantje van het vat opendraaien en laten weglekken, geen mens die er wat van merkte. Een andere bende gebruikte een tractor om het spul uit over veldwegen en akkers uit te sproeien. Alles de grond in, de boeren wisten van niks”.

Vorig jaar kon Valkenborg met zijn team drie xtc-lab’s opdoeken. “Soms niet groter dan een garagebox”, zegt hij. “Maar de capaciteit is enorm, en de afvalstroom navenant. Dat betekent nog niet dat de ontdekte dumpings uit diezelfde periode van die labs afkomstig waren. Bendes storten hun afval bij voorkeur ver weg uit de buurt. Heel wat van ons afval is wellicht uit Nederland afkomstig. Van sommige labs die we in Limburg konden opdoeken, is gebleken dat ze hun tonnetjes in het Antwerpse gingen deponeren”. Dweilen met de kraan open, het is een gezegde dat Valkenborg goed kent. Niet alleen de xtc-problematiek vraagt zijn aandacht. Wekelijks worden in Limburg vier tot vijf plantages ontdekt, enkele weken geleden waren het er zeventien op één dag.  “Een gecoördineerde actie met de Nederlandse politie”, zegt hij. “35 huiszoekingen en 20 aanhoudingen, we hebben de hele organisatie ontmanteld. De meeste arrestanten in de plantages waren Belgen, de organisatoren Nederlanders. Typisch, we zien dezelfde verhoudingen bij xtc-bendes. Cannabis en synthetische drugs zitten van oudsher in gescheiden milieus. Niettemin: we hebben al labs ontdekt in een loods waar eerder een cannabisplantage werd opgedoekt. Dat kan toeval zijn, want beide milieus hebben dezelfde locaties op het oog, een schuur van een afgelegen boerderij, of een leegstaand pand in een industriezone. Toch is er een trend naar polydrugscriminaliteit. Bendes die in cannabis handelen, durven er ook wel eens synthetische drugs en zelfs cocaïne bijnemen”.

megadumpings

De reputatie van Limburg als narcoprovincie valt gemakkelijk te verklaren. Het rurale, dunbevolkte  landschap is niet alleen een lust voor het oog, het is ook bezaaid met discrete locaties. Perfect voor Nederlandse drugsbendes die het Europese ideaal van vrij verkeer van goederen en diensten op eigen manier in de praktijk brengen. Valkenborg: “We hebben 138 kilometer landgrens met Nederland, Duitsland ligt op een boogscheut. Bendes maken daar handig gebruik van. De voorbije jaren hebben ze de xtc-productie in stappen opgedeeld. Dat heeft met schaalvergroting en specialisatie te maken, maar evenzeer met risicospreiding. Ze doen een eerste bewerking in België, een tweede in Nederland, het tabletteren gebeurt in Duitsland. Of andersom, dat kan even goed. Voordeel: een inbeslagname van één lab hoeft geen fatale klap voor de organisatie te betekenen. Tenzij we vanuit dat ene lab het hele netwerk kunnen oprollen, maar dat is aartsmoeilijk, want ze doen er alles aan om de connecties te verdoezelen, onder meer door zich achter landgrenzen te verstoppen. Pas op, politie en justitie werken grensoverschrijdend samen. Er is overleg binnen de Euregio, met Nederlands Limburg, Noordrijn-Westfalen en Luik-Verviers. Dat werkt goed, maar het neemt niet weg dat ieder land zijn eigen wetgeving en prioriteiten heeft. Een huiszoeking in Nederland of een telefoontap in Duitsland krijg je niet op één dag geregeld. Dat beseffen de bendes maar al te goed”.

Grenzen spelen in de kaart van de drugbendes, weet ook Rudi Schellingen. “Als ik in de criminaliteit ging”, steekt de commissaris van wal, “dan zou ik ook niet twijfelen. Werken in België, wonen in Duitsland, en dat alles met een Nederlandse identiteitskaart. Drie verschillende landen, lekker lastig voor de politie”. Schellingen is hoofd recherche van Midlim, de politiezone die Genk, As, Opglabbeek, Zutendaal en Houthalen-Helchteren bestrijkt.  Het waren zijn mannen die op 18 oktober vorig jaar bij het krieken van de dag een omgebouwde varkensstal in de Reyndersstraat in Opglabbeek binnenstormden. Vijf slaapdronken laboranten werden van hun bed gelicht, vier Nederlanders en een Belg. Een van de grootste labs ooit in Europa, kopten de kranten. Honderden vaten en butaanflessen werden meteen geëvacueerd. Gelukkig maar, want drie dagen later vloog de stal, gelegen tegenover de woning van de burgemeester, in brand. Aangestoken om sporen uit te wissen, wordt vermoed. “Het onderzoek is nog niet afgerond”, zegt Schellingen. “Maar er zijn sterke aanwijzingen dat het lab in Opglabbeek verantwoordelijk is voor minstens drie megadumpings. Gestolen opleggers, blijkbaar de specialiteit van het huis”.

nieuwe dumpingtechniek:  oplegger vol gevaarlijk afval laten, in de fik steken en weg wezen (foto: Federale Politie)

nieuwe dumpingtechniek: oplegger vol gevaarlijk afval laten, in de fik steken en weg wezen (foto: Federale Politie)

precursoren

Die megadumpings werden in het Antwerpse ontdekt. Niet toevallig, want behalve Limburg wordt ook Antwerpen royaal voorzien van illegaal xtc-afval.  Het uitgestrekte en moeilijk controleerbare havengebied biedt kansen zat voor snelle dumps en lozingen. Maar ook de Noorderkempen krijgen meer dan hun part. Aan gene kant van de 203 kilometer lange rijksgrens ligt immers Noord-Brabant, ’s werelds nummer één in xtc en amfetamine. “We zijn helaas goed voor negentig procent van alle dumpings in Nederland”, zegt Jean-Louis Kop, woordvoerder bij provincie Noord-Brabant. “En het wordt steeds erger, het ziet er nu al naar uit dat het record van 170 dumpings dit jaar zal sneuvelen. Kijk, het opsporingsbeleid is in Nederland een zaak van de politie en het Openbaar Ministerie. Maar het probleem van de dumpings is intussen zo acuut geworden, dat de provincie op dat punt zelf het voortouw heeft genomen. We hebben alle betrokken instanties bijeen geroepen, politie, brandweer, OM, gemeenten, terreinbeheerders en waterschappen. Samen hebben we een draaiboek gemaakt, zodat in de toekomst alle instanties overal op een uniforme manier kunnen reageren op een dumping ”. 10.000 euro voor het gerechtelijk afhandelen en opruimen van een stort? De raming van Horst aan de Maas blijkt aan de voorzichtige kant. “Bij hele grote dumpings loopt het gauw in de tienduizenden”, zegt Kop. “Volgens de Nederlandse wet vallen de kosten voor ruiming en bodemsanering ten laste van de eigenaar. Rampzalig voor natuurverenigingen zoals Staatsbosbeheer en Brabants Landschap, die betalen zich blauw aan xtc-dumpings. Als provinciebestuur pleiten we voor een waarborgfonds om de kosten te dragen. Idealiter wordt dat gespijsd met plukse gelden, inbeslagnames van criminele winsten die met synthetische drugs worden geboekt. Helaas overstijgt dat onze bevoegdheid, het vergt wetgevend werk van Den Haag”.  In Vlaanderen is de wetgeving milder voor grondbezitters die met een xtc-dumping worden geconfronteerd. Meteen melden bij de politie, is de boodschap. Mocht er bodemsanering nodig zijn, dan kan men via het bodemdecreet het statuut van ‘onschuldig eigenaar’ bekomen. In de praktijk is het vaak de OVAM die de opruiming en eventuele sanering organiseert. En de factuur betaalt, in de hoop de kosten ooit te recupereren als de verantwoordelijken worden opgepakt en voor de rechtbank gesleept.

Afval fungeert als barometer: de scherpe toename van het aantal dumpings wijst op een escalatie van de productie. “We zien het jaar na jaar aanzwellen”, beaamt Benny Van Camp. “De curve is beginnen stijgen vanaf 2010-2011, en vorig jaar is het echt ontploft, we hebben in België 17 grote labs ontdekt. Topje van de ijsberg? Dat zou ik niet zeggen, maar het staat vast dat er veel meer zijn. En dan is België nog klein bier naast Nederland waar ze wekelijks enkele labs opdoeken. Blijkbaar hebben we te vroeg gejuicht. Pakweg vijf jaar geleden leek het fenomeen onder controle. De productie was gekelderd, vooral door gebrek aan grondstoffen. Zie je, lange tijd waren PMK en BMK, precursoren voor respectievelijk xtc en amfetamine, gemakkelijk verkrijgbaar, de producten werden met containers tegelijk vanuit Oost-Europa en Rusland geïmporteerd. Door die handel aan banden te leggen, vielen heel wat labs letterlijk droog. Helaas, we hebben de knowhow en creativiteit van het milieu onderschat. Ze hebben er wat op gevonden”.

1,3 miljard straatwaarde

Conversielabs, dat was het antwoord van de xtc-bendes. Het komt er op neer dat ze een schakel toevoegen aan het begin van het productieketen. Ze maken hun precursoren zelf, op basis van pre-percursoren. Apaan voor BMK,  safrol voor PMK, producten die vrij verkrijgbaar zijn. “Eerst was het alleen amfetamine”, zegt Van Camp. “Dat viel nogal op. Apaan heeft geen enkele legale toepassing, tenzij heel uitzonderlijk voor een experiment in de farmaceutische industrie. Ineens zie je dat spul met tonnen tegelijk vanuit China binnenkomen. Die poort werd intussen gesloten, apaan staat nu op de lijst van vergunningplichtige stoffen. Maar maak je geen illusies, binnen de kortste keren hebben de experts van het milieu wel een alternatief gevonden”.

Hij praat erover zoals een boswachter over een ongrijpbare stroper. Zonder sympathie, maar met een zeker respect. “Synthetische drugs is een klein en gesloten wereldje. Heel anders dan cannabis waar de drempel voor nieuwkomers een stuk lager ligt. Er komt veel organisatietalent bij kijken, want de logistieke keten is erg zwaar. Het smokkelen van grondstoffen en verboden chemicaliën, het transport tussen de verschillende productiestappen, de distributie naar alle hoeken van de wereld. Indonesië, Australië, Zuid-Afrika, overal is er vraag naar Nederlandse pillen. Ook in Polen worden xtc en amfetamines gedraaid, maar dat stelt weinig voor naast de hoeveelheden waarmee de Nederlandse bendes de wereldmarkt overspoelen. Nu ja, Nederlandse bendes. In feite zouden we beter van een Nederlands-Belgisch milieu spreken. In alle bendes zit wel een Belg, als het er geen twee of meer zijn. Ons land heeft blijkbaar uitstekende experts. Cooks, mannen die instaan voor de mix en de synthese. Of installateurs die labs inrichten. Doorgedreven specialisatie, dat is eigen aan synthetische drugs. Ook afval dumpen is een specialiteit, met experts die voor verschillende bendes werken. En inderdaad, de landgrens is hun bondgenoot. Het lijdt geen twijfel dat heel wat van onze dumpings van Nederlandse labs afkomstig zijn, maar de stroom gaat evengoed in de omgekeerde richting”.

Stroom mag hier vrij letterlijk worden geïnterpreteerd. Een kilo amfetamine genereert 15 kilo vloeibaar restafval. Een kilo MDMA, de werkzame stof van xtc, levert 8 à 10 kilo smurrie op. Dat is zonder de conversie gerekend. Het omzetten van safrol naar PMK voegt per kilo eindproduct nog eens 10 tot 15 kilo aan de afvalstroom toe. Met deze cijfers in het achterhoofd krijgt de dubbelslag in Chimay en Vilvoorde een extra dimensie. Het gebeurde in augustus 2013. Sprak men in Opglabbeek nog van een van de grootste labs van Europa, dan stond de status van deze ontdekking buiten kijf. Het lab in Chimay was het grootste dat ooit werd opgerold. Bijna twee ton MDMA in poedervorm. Geschatte straatwaarde na tablettering: 1,3 miljard euro. De ontdekking leidde de speurders naar een haast even groot conversielab in Vilvoorde. Twee ton zuivere MDMA, dat is volgens bovenstaande tabellen goed voor 30 ton chemicaliën die wellicht in de natuur werden gedumpt. Tijd om aan de alarmbel te trekken, vindt Van Camp. ““De strijd tegen xtc is een prioriteit in het Nationaal Veiligheidsplan van de Federale Politie, maar tot dusver ging er te weinig aandacht naar de dumpingproblematiek. Dat moet veranderen, nog voor het einde van het jaar lanceren we een actieplan. We willen geen paniek zaaien bij de bevolking, maar de betrokken instanties sensibiliseren. Ik ben er namelijk zeker van: heel wat xtc-dumpings worden niet als zodanig herkend. Men ziet een paar blauwe vaten in een greppel liggen, en denkt dat het om een gewoon sluikstort gaat. Gevaarlijk, want vaak laat met de boel door gemeentearbeiders opruimen die geen idee hebben wat voor giftig en brandbaar spul ze behandelen”.

Intussen wachten ze in  Peel en Horst aan de Maas nog altijd op een winnende tip. 5.000 euro om de tongen los te maken? Misschien niet iets te mager voor het xtc-milieu waar winstcijfers met heel nullen worden geschreven.

De Guinese golf in Brussel

(Knack, 30 april 2014)

“Reizen en plantrekken zit ons in het bloed”

Brussel, meer dan ooit stad van aankomst, wordt door een migratiegolf uit West-Afrika overspoeld. Vooral de Guinese gemeenschap groeit als kool. Diallo, Bah, Barry, Sow, straks spelen ze Dubois, Janssens en Peeters uit de hitparade van populaire familienamen. Allemaal Peul, een volk dat reizen en plantrekken in het bloed heeft. Inburgering? Op 25 mei pakken zowat alle Franstalige partijen met een Peul-kandidaat uit.

(foto’s: Franky Verdickt, www.frankyverdict.be)

 

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Een verrassend cijfer uit een recente studie van de FOD Economie: in Brussel wonen niet minder dan 2.155 Diallo’s. De West-Afrikaanse familienaam is daarmee met voorsprong de populairste van de hoofdstad.  Ook de nummer twee komt uit West-Afrika: 1.244 nieuwe Brusselaars luisteren naar de naam Bah. Janssens, Peeters en Dubois, oer-Belgische achternamen die decennialang het peloton aanvoerden, bezetten plaatsen drie tot vijf. De vraag is hoe lang nog, want Dubois wordt op de hielen gezeten door de Vietnamese Nguyen, terwijl op plaats zeven alweer een West-Afrikaanse naam staat te dringen. De Barry’s zijn intussen ook al met 847, volk genoeg om in de Brusselse nomenclatuur traditionele sterkhouders als Jacobs, Mertens en Martin achter zich te laten.

Diallo, Bah en Barry zijn typische namen van Peul,  een van oorsprong nomadisch volk uit de Sahel. Peul, ook wel Fula of Fulbe genoemd, leven verspreid over een dozijn landen, van Mauretanië over de CAR tot Noord-Soedan. Er zijn aanzienlijke gemeenschappen in Nigeria, Mali, Burkina Fasso en Senegal.  De overgrote meerderheid van de Brusselse Diallo’s, Bahs en Barry’s is echter afkomstig uit Guinée-Conakry, het enige land waar de Peul op een numeriek overwicht kunnen bogen. Dat de Guinese kolonie in het hoofdstedelijk gewest een spectaculaire groei kent, blijkt ook uit de gedetailleerde bevolkingstabellen die we van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse ontvingen. In 2000 werden in de negentien gemeenten amper 220 Guineërs geregistreerd. Dertien jaar lager vormen ze met 4.214 de op een na grootste gemeenschap uit Subsaharaans Afrika, na de Congolese diaspora die om historische redenen in de voormalige metropool verankerd is. Het is in deze materie echter oppassen geblazen met etiketten. Lang niet alle Guinëers zijn Peul,  dat zullen we tijdens onze reportage ondervinden. In het algemeen kan men in Brussel trouwens beter van een West-Afrikaanse boom spreken. 3.589 Kameroenezen, dat is een dorp in de grootstad. Over Nigerianen, Ghanezen en Togolezen ontvingen we geen aparte cijfers, maar vast staat dat ze zwaar wegen in de restgroep van 10.189 Afrikaanse Brusselaars. In deze cijfers tellen genaturaliseerde immigranten niet mee, net zo min als illegalen. Die laatste groep is zeer omvangrijk, menen insiders die bij gebrek aan data op hun buikgevoel afgaan.

Maggie De Block

Feit is dat Guinëers eruit springen. Nergens weten ze dat beter dan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De asielinstanties worden overstelpt met dossiers uit Guinée-Conakry, een vaste waarde in de top drie van herkomstlanden. 2011 was een uitschieter, met 2.134 asielaanvragen. Vorig jaar waren het er 1.247, nog altijd goed voor een tweede plaats na Afghanistan. Het is geen toeval dat staatssecretaris voor asiel- en migratie Maggie De Block (Open VLD) begin februari op ontradingsmissie naar Conakry vloog.  Zoals bekend kreeg de expeditie een staartje. De Block, die ook president Alpha Condé mocht ontmoeten, keerde terug met afspraken over gedwongen, collectieve repatriëring van uitgeprocedeerde asielzoekers. Op 17 maart zou een eerste beveiligde vlucht met 27 rapatriés, eerder verzameld in verschillende gesloten asielcentra, uit Melsbroek vertrekken. Zou, want de Guinese autoriteiten weigerden op het allerlaatste nippertje hun toestemming tot landing, tot grote woede van De Block die zich voor schut gezet voelde.

Het effect van de hele ontradingsmissie valt overigens af te wachten, zeker omdat Guinese asielzoekers allesbehalve kansloos zijn. “Het beschermingspercentage schommelt rond de 20 procent”, zegt Commissaris-Generaal Dirk Van Den Bulck. “Tussen 2009-2011, de woelige periode van de eerste democratische presidentsverkiezingen, liep het zelfs tegen de 30 procent. Massale politiek vervolging zien we intussen niet meer, maar er zijn nog altijd problemen voor bepaalde categorieën zoals kritische journalisten. Typisch voor Guinëers is de veelheid van factoren die ze inroepen, waarbij ze politieke vervolging en etnische discriminatie door elkaar mengen. Vrouwen halen meestal andere vluchtmotieven aan. Vrees voor een gedwongen huwelijk, of voor genitale verminking van hun dochter. Ook discriminatie van homo’s horen we de jongste jaren steeds vaker”.

Ook de economische migranten, viervijfden van het totaal dus, putten uit deze opties. Armoede is immers geen vluchtmotief, maar wel een realiteit in Guinée-Conakry. Het West-Afrikaanse land, de voorbije weken geteisterd door een dodelijke ebola-epidemie, bengelt onderaan in alle ontwikkelingsindexen.  De migratiedrang is groot, constateert Van Den Bulck. “Guinéers zien migratie haast als een vanzelfsprekend recht, ze zijn ervan overtuigd dat ze een kans verdienen op een nieuwe toekomst in een nieuw land. Behalve Frankrijk komt België daarbij prominent in beeld. Vanwege de taal, uiteraard. Maar bij asielstromen spelen altijd verschillende elementen. De aanwezigheid van een eigen gemeenschap is cruciaal, ze vergroot de kansen om economisch te overleven. Echte filières zoals bij Afghanen en Pakistani zien we niet, al zijn er gevallen van identiteitsfraude bekend. We stellen trouwens vast dat vele Guineërs de strenge controles op Zaventem vermijden en via de buurlanden binnenkomen. Ook de economische crisis speelt mee. Guineërs die tot 2010 in de Spaanse en Portugese landbouw werkten, zijn de voorbije jaren naar Frankrijk en België afgezakt”.

Afdankertje op weg naar Conakry

Afdankertje op weg naar Conakry

Autoland

Guineërs in Brussel? Je vindt ze in de omgeving van het Klein Kasteeltje, het oudste en bekendste opvangcentrum voor asielzoekers. De buurt valt niet meer weg te denken uit de informele economie van de hoofdstad. Iedere dag staan de stoepen er vol asielzoekers en illegalen met schijnbaar niks om handen. In feite staan ze te wachten tot een bestelwagen hen oppikt voor een onderbetaalde en vaak ongezonde klus. Alle herkomstlanden zijn vertegenwoordigd, maar Guineërs spannen de kroon. Zijn dat nu de economische overlevingskansen voor nieuwkomers in Brussel? Er zijn betere plekken, zo blijkt als we het kanaal richting Anderlecht volgen. Vergeet Matongé, voor Afrikaanse sfeer moet men op het kruispunt van de Heyvaert- en de Liverpoolstraat zijn. De oude fabrieksbuurt vlak bij de slachthuizen van Anderlecht is intercontinentaal berucht. Industrie is er al lang niet meer, fabrieken en depots dienen als parking of garage. Dit is Autoland, de grootste occasiemarkt van Europa. Ook op deze donderdagmiddag gonst het er van de bedrijvigheid. Koetswerken worden op verborgen roestplekken gekeurd, motoren in vrijloop brullen, er wordt gepingeld en gesjacherd dat het een aard heeft. Intussen rijden de opleggers af en aan, verkochte auto’s op weg naar Antwerpen. Op de voorruit kleeft een papier met de bestemming. Douala, Libreville, Cotonou, Dakar, Lomé, Lagos, Abdijan, alle havens op de Afrikaanse Westkust worden bediend. Een naam komt opvallend vaker voor dan alle andere: Conakry.  “De belangrijkste haven voor auto’s in West-Afrika”, zegt Adam Traoré trots. “Conakry is een transitbestemming, heel wat auto’s gaan over land de grens over. Zie je, de voorbije jaren hebben de meeste Afrikaanse landen het voorbeeld van Marokko gevolgd en kwaliteitsnormen opgelegd. Senegal bijvoorbeeld laat geen auto’s van voor 2006 meer binnen, en ook in Liberia en Angola geldt een maximumleeftijd. Guinée kent geen beperkingen, bovendien liggen de invoertaksen nergens lager”.  Adam staat in de open poort van Belgo-Malienne, een Antwerps expeditiebedrijf gespecialiseerd in West-Afrika. Het filiaal in de Liverpoolstraat is de drukste plek van Autoland,  op de stoep is het een permanente samenscholing. Met een schuin oog superviseert Adam het laden van zijn laatste deal, een Nissan jeep van nauwelijks vier jaar oud. “Ik kom hier dagelijks”, zegt hij. “Ook als ik niks in te klaren heb. Belgo-Malienne, dat is het vaste rendez-vous van de Guineërs, hier hoor je alle nieuwtjes ”. Dertien jaar geleden kwam Adam naar België, hij had als student tegen de militaire dictatuur van Lansana Conté betoogd. Asiel heeft hij nooit gekregen, maar hij kon zijn verblijf lang genoeg rekken om een regularisatiegolf te verzilveren.  Moeilijk doet hij er niet over. Die stenen tijdens de studentenbetoging in Conakry waren echt, maar dat belet niet dat hij zich een fortuinzoeker noemt, een economische migrant die in België zijn draai heeft gevonden. “Zoals de meeste Guineërs die je hier ziet”, zegt hij.

Futa Jallon

Toch is de politiek in Autoland nooit ver weg. Op deze donderdag ligt de Europees-Afrikaanse top nog in het verschiet. Ook de Guinese president Alpha Condé komt naar Brussel, een vooruitzicht dat de gemoederen verdeelt. De 76-jarige Condé, een in Parijs opgeleid jurist, politiek gevangene onder de militaire dictatuur, jarenlang balling in Frankrijk, werd in 2010 de eerste democratisch verkozen president van Guinée. De stembusslag werd echter gecontesteerd, net zoals de parlementsverkiezingen die vorig jaar met veel vertraging en een golf van bloedig straatprotest gepaard gingen. Dat scenario dreigt zich te herhalen, in de aanloop naar de locale verkiezingen die nog dit jaar moeten plaats vinden. De oppositie blijft op dezelfde spijker hameren: Waymark Infotech, het Zuidafrikaanse IT-bedrijf dat kiezers registreert, zou met de president onder een hoedje spelen om de uitslag te manipuleren.

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Zonder scherp te stellen op de nuances in de Guinese politiek springen de etnische tegenstellingen in het oog. De Peul, goed voor 40 procent van de bevolking en dominant in economie en handel, voelen zich al van bij de onafhankelijkheid in 1958 politieke tweederangsburgers. Ondanks hun numeriek overwicht mochten ze nooit het presidentschap claimen. Ook na de democratisering botsten hun kandidaten op een coalitie van Malinké en Susu, de andere twee zwaargewichten onder de volkeren die de etnische lappendeken stofferen. Een snelle enquête in de Liverpool- en Heyvaertstraat bevestigt de kloof.  Schiet een Peul aan, en hij brandt Condé af als een corrupte usurpator die zijn land recht naar de afgrond voert.  Vraag het een Malinké zoals Adam Traoré, en hij zingt de lof van zijn volksgenoot die eerbiedig le Vieux of le Professeur wordt genoemd.  Goed bezig, alleen heeft hij meer tijd nodig om de corruptie uit te roeien en de wantoestanden uit het verleden recht te trekken.  De uitbater van het koffiehuis naast Belgo-Malienne, een Marokkaanse Molenbekenaar, kent zijn pappenheimers. “De Peul zitten bij voorkeur aan de straatkant, de anderen kiezen voor de tafels dichter bij de toog. Ca discute fort, maar alleen als het over politiek gaat. Door de bank genomen zijn Guineërs rustige klanten”. Moussa Diallo, een 63-jarige Hadj-veteraan met een grijze baard, drinkt zijn thee aan een tafeltje dicht bij de deur. Peulgebied, we konden het ook uit zijn naam afleiden. Van Moussa vernemen we de alternatieve benaming voor het kruispunt Liverpool-Heyvaert, de pleisterplaats van de Peul. Dat is dus de Futa Jallon, naar het gelijknamige gebergte in centraal Guinee dat het hartland van de Peulgemeenschap vormt. Etnische balkanisering op microniveau? Net wanneer de conclusie zich opdringt, schudt Moussa volgende anekdote uit de mouw. “Gisteren probeerden enkele jonge Arabieren een fiets van een Guineër te stelen. Hun plannetje is mislukt, want we zijn er allemaal achteraan gegaan. Als één man, Guineërs onder elkaar. Trouwens, ook de Congolezen en de Nigerianen deden mee. Als het er op aankomt, trekken Afrikanen aan een zeel”.

nomaden

Enkele dagen later. Betoging op het Schumanplein. Routine, het kantoorvolk uit de buurt slaat er geen acht op. Ook de politieagenten staan er ontspannen bij. Geen verkeershinder, de hele betoging past op een forse vluchtheuvel. Met een zestigtal zijn ze, Guineërs bewapend met spandoeken. ‘Condé Assasin!’, luidt de boodschap die ze aan de vooravond van de Europees-Afrikaanse top brengen.  We krijgen pamfletten in handen gestopt, iemand komt met vuur betogen dat de oppositie niet als een loutere Peul-aangelegenheid kan worden afgedaan. Toch is het al Diallo, Bah en Barry dat de klok slaat. Peul, net zoals Salam Sow wiens familienaam slechts nipt buiten de top tien van FOD Economie is gevallen. Driekwart van alle Guinëers in Brussel is Peul, Salam noemt het een voorzichtige schatting. Hij woont hier zelf al achttien jaar, een afgewezen maar geregulariseerde asielzoeker met twee kinderen die als echte Zinnekes in de Marollen opgroeien. Salam geldt als een spilfiguur in de Peul-gemeenschap die verrassend sterk georganiseerd is. “Iedere stad in de Futa Jallon heeft hier een eigen vereniging”, legt hij uit. “Kindia, Gaoual, Labé, Dalaba, Mamou, Mali, ze hebben allemaal een vertegenwoordiger, ik ben trouwens zelf de verantwoordelijke voor de gemeenschap uit mijn geboortestad Télimélé. Onze rol is vooral ceremonieel, we treden op bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen. Maar we organiseren ook een eigen voetbalcompetitie. De finale vorig jaar heeft meer dan 500 toeschouwers gelokt, allemaal Guineërs”.

betoging tegen president op Schumanplein

betoging tegen president Alpha Condé op het Schumanplein

De betoging loopt zonder incidenten af, we duiken samen de metro in. Salam geeft tijdens de rit een eigen visie op een zaak die de hele gemeenschap beroert, de geaborteerde poging om 27 uitgeprocedeerde asielzoekers met een beveiligde vlucht te repatriëren. “Paniekvoetbal van de president”, zegt hij schamper. “Hij heeft in februari toezeggingen gedaan aan De Block, maar hij was toen te laf om dat aan de bevolking te vertellen. In de plaats daarvan heeft hij mist gespoten. Guinée zou toelating hebben geven voor gedwongen repatriëringen, maar alleen voor criminelen. Blijkbaar had hij niet verwacht dat De Block er zo’n haast zou mee maken. De poppen gingen aan het dansen toen bekend raakte dat de eerste 27 rapatriés helemaal geen criminelen waren, maar onschuldige landgenoten onder wie ook vrouwen en kinderen. Daarop is een storm van protest opgestoken, in Guinée maar ook in België. Migratie is een geladen thema,  iedere Guinese familie heeft wel iemand in het buitenland zitten. Vooral bij de Peul ligt het gevoelig. We zijn een volk van nomaden, reizen en plantrekken zit ons in het bloed”.

Zwarte schepen

Bea Diallo (42) heeft zijn roots in Mali, een stad in de Futa Jallon op de grens met Senegal. Een halve Peul, zijn moeder is een Wolof uit Senegal. De band met de heimat is vooral sentimenteel. Deze diplomatenzoon groeide op in Parijs, tot hij als vijftienjarige naar Brussel verhuisde. In boksmiddens klinkt zijn naam als een klok, Bea Diallo won als halfzwaargewicht verschillende Belgische en internationale titels.  Minstens even trots is hij op een ander exploot:  de eerste Guineër die zich in de Belgische politiek heeft gemanifesteerd. De zwarte PS’er is schepen in Elsene en lid van het Brussels parlement.  “Ik heb de gemeenschap zien groeien”, zegt hij. “Een eerste golf twintig jaar geleden, een tweede in de periode 2009-2010, en vorig jaar is alweer een nieuwe lichting gearriveerd. Altijd gebeurde dat tegen een achtergrond van electorale spanningen, met straatgeweld en repressie. Okay, de meeste Guineërs komen uit economische noodzaak. Maar is dan niet even goed een politiek motief? Guinée is een vruchtbaar land, rijk aan bodemschatten. Hoe komt het dan dat het straatarm is? Wanbeleid door politici, vroeger en nu.  Alpha Condé is geen Peul, maar ik was enthousiast bij zijn verkiezing in 2010. Een Westers geschoold intellectueel, die zou het land uit de slop halen. Drie jaar later ben ik diep ontgoocheld. Condé heeft er niks van gebakken”.

Twee jaar geleden trad hij zelf op de voorgrond toen rellen uitbraken in de Congolese wijk Matongé. Bea Diallo wist als plaatsvervangend burgemeester de gemoederen te bedaren, een exploot waarbij zijn prestige als straatwijze bokskampioen van pas kwam.  Het stoort hem overigens dat nogal wat buitenstaanders Afrikanen in Brussel automatisch voor Congolezen aanzien. “Absurd”, zegt hij. “Alsof je Italianen en Finnen op één hoop zou gooien. Guineërs hebben bijvoorbeeld niks met Matongé. Ze wonen vooral in Schaarbeek, Molenbeek, Anderlecht en bepaalde wijken van Brussel Stad. Buurten waar ook veel Marokkanen wonen en moskeeën staan, we zijn tenslotte moslims onder elkaar”. Bea, vader van vier, is ervan overtuigd. Zijn gemeenschap is wortel aan het schieten. In Brussel waar tweederden van alle Belgische Guineërs wonen , maar ook in steden als Antwerpen en Luik.  “De PS was een voorloper”, zegt hij, “bij de vorige verkiezingen was ik de enige Guinese kandidaat. Met goed resultaat, en dat hebben de andere partijen ook in de gaten. Op 25 mei pakken zowel Ecolo als CdH met een Diallo en een Bah uit. Zelfs de MR heeft een Guinese kandidaat gestrikt, een Diallo”.

Mamadou Bah,  kandidaat  Ecolo voor de Brusselse verkiezingen. .

Mamadou Bah, kandidaat Ecolo voor de Brusselse verkiezingen

Le Doyen

De vraag is of Sansi Bah plaats genoeg vindt om de affiches van al die kandidaten op te hangen. De vitrine van zijn kruidenierswinkel in de Rogierstraat zal alleszins niet volstaan. Het was Salam Sow die ons op weg naar de bescheiden nering heeft gezet. Het precieze adres kende hij niet, maar hij dropte namen als Brabantstraat, Poststraat, Paleizenstraat en Liedtsplein, coördinaten die naar een dichtbevolkte, ietwat verloederde buurt achter het Noordstation leidden. Salam had niet overdreven, naast Autoland is dit een tweede Brusselse buurt waar de Guineërs het straatbeeld kleuren. In de Poststraat is onlangs een nieuwe moskee geopend, de eerste in Brussel waar een Peul als imam voorgaat. Guinese kappers, kruideniers, telefoonwinkels, de concurrentie is groot. Sansi Bah heeft echter een troef: hij is de enige die zich le doyen mag noemen, de ouderdomsdeken van de Brusselse Peul-gemeenschap. “Ik was hier de allereerste”, zegt de 67-jarige die zijn titel van deken cumuleert met die van vertegenwoordiger van het in de Futa Jallon gelegen stadje Pita. “Ik ben in 1992 gearriveerd als asielzoeker. Het statuut heb ik niet gekregen, maar intussen ben ik al lang geregulariseerd”. Voor de deur staat zijn zwarte Mercedes, tweedehands maar glimmend als een spiegel.  “België is een goed land”, mompelt hij tevreden.  De vijf mannen aan de winkeltoog spreken hem niet tegen. Er wordt niks gekocht, ze zijn hier om te babbelen. We brengen het bezoek van de president te berde. Waarom hij als doyen van de Peul niet gaan betogen is op het Schumanplein? Sansi haalt de schouders op. “Er is veel cinema bij”, zegt hij. “Ik ken er die daar tegen de president stonden te betogen, terwijl ze hem volgende week op de luchthaven of op de ambassade persoonlijk gaan begroeten”.

Een frêle man komt binnen, smetteloos in een sportief jasje. Hij stelt zich voor als Mamadou Saliou Bah (43) en bleek naar ons op zoek. Zo maken we kennis met een tweede Guinese kandidaat voor het Brussels parlement. Mamadou, houder van een ULB masterdiploma internationale betrekkingen, komt op voor Ecolo. Hij wou de kans niet missen om via de Vlaamse pers zijn engagement te onderstrepen, ook al omdat de communautaire tegenstellingen in zijn nieuwe vaderland hem als politicoloog erg boeien.  “Inburgering is een werk van lange adem”, betoogt hij. “Ik wil dat proces mee helpen begeleiden, daarom ben ik ook een opleiding gaan volgen bij het Centre Bruxellois d’Action Interculturelle. We moeten op verschillende fronten werken. Vooroordelen bestrijden bij de Belgen, maar ook waakzaam blijven voor onze eigen jeugd. Guineërs belijden traditioneel een gematigde, tolerante variant van de Islam. Dat moet zo blijven, we mogen niet toelaten dat Salafisten of andere extremisten een voet tussen de deur krijgen”.  Hij vist een kaartje uit zijn boekentas, er steekt ook een Franse vertaling van “Tegen Verkiezingen” in, het essay van David Van Reybroeck over het democratisch vermoeidheidsyndroom waarvan hij zelf geen last heeft. “Ik heb bewust voor de politiek gekozen. Ik weet niet hoe het met de andere Guinese kandidaten zit, maar ik voel me geen alibi-kandidaat. Ik ben meer dan lokaas om de electorale vijver van mijn gemeenschap leeg te vissen, ik wil de dingen veranderen”. Afspraak op 25 mei in Brussel. Bah versus Diallo, het wordt een wedstrijd binnen de wedstrijd.

 

WOI: Spokenjagen in het Fort van Walem

(Knack Stedenspecial Antwerpen, 19 maart 2014)

‘Het moet hier een hel zijn geweest’

Vleermuizen liggen er niet wakker van, maar het is er ’s nachts niet pluis.  Welkom in het Fort van Walem, een kiezel in de laars van de Duitsers tijdens hun opmars aar Antwerpen in 1914. De aversie van Antwerpen voor Brussel? Allemaal de schuld van de fortengordels.

foto’s Lies Willaert – www.lieswillaert.be

 

binnenzicht fort van Walem (alle foto's: Lies Willaert)

binnenzicht fort van Walem (alle foto’s: Lies Willaert)

Het spookt in het fort van Walem bij Mechelen. Onderzoekers van de Nederlandse spokenjagersclub The Ghosthunter maken op hun website melding van verschijningen en andere bovennatuurlijke fenomenen. Tijdens hun nachtelijk bezoek aan het fort wisten ze zelfs enkele Entiteiten te filmen. Geesten van de Belgische soldaten die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen, oppert de website. Aan de Entiteiten durven we te twijfelen, het verschijnsel in de video heeft verdacht veel weg van de lichtkegel van een zaklantaarn. Maar de soldaten zijn er wel degelijk, althans hun stoffelijke resten. Hoeveel lijken er onder het puin van de ingestorte gewelven liggen? Filip en Tony, de gastheren van Natuurpunt die ons genereus op hun zelden toegankelijk domein ontvangen, weten het niet precies. “Er zijn bij de belegering zo’n 70 soldaten omgekomen”, zegt Tony. “Maar of die hier nog allemaal liggen? De grote caponnière is ontploft na een voltreffer in een kruitkamer. De explosie en de hitte moeten verschrikkelijk zijn geweest, ik denk niet dat er veel over bleef van de sukkels die er toen inzaten. De luchtverplaatsing ging naar de binnenkant van het fort, zo krachtig dat enorme brokstukken meters ver op het plein werden geslingerd. Ook soldaten werden er langs die kant uit geblazen, zwaar verminkt of morsdood. Die laatsten zijn wellicht elders begraven”.

dikke Bertha’s

Piet Lombaerde (65) kijkt zijn ogen uit. Natuurlijk kent hij dit verhaal, het hele grondplan van het fort zit trouwens in zijn hoofd, net zoals dat van de overige 30 bolwerken die samen de eerste en tweede fortengordel rond Antwerpen vormen. Lombaerde, burgerlijk ingenieur-architect van vorming, professor stedenbouw en ruimtelijke ordening aan de Universiteit Antwerpen van beroep, is al een leven lang gepassioneerd door vestingbouwkunde. Het woord caponnière behoorde vanmorgen nog niet tot onze actieve woordenschat. Een dwars over een droge gracht uitspringende galerij met schietgaten van waar een vestingmuur kan worden verdedigd? We konden er ons weinig bij voorstellen, maar na kennismaking met Lombaerde kunnen we vlot het onderscheid maken tussen halve en volledige caponnières. We leren ook het verschil tussen bastions en polygonale vestigingen, waarvan het in 1878 voltooide Fort van Walem een prachtig voorbeeld is. Nooit zullen we nog een fort verwarren met een schans, de veel kleinere veldversterking waarmee de artillerie de hiaten in het schietbereik tussen de forten van de buitenlinie rond Antwerpen moest afdekken. Technisch en specialistisch? Jazeker, maar Lombaerde ontpopt zich tot een begeesterende verteller die kwistig met anekdotes strooit. Zien we die holle traverse? Alweer een geniale uitvinding van Vauban, de Franse maarschalk uit de 17de eeuw die als de grootste vernieuwer in de geschiedenis van vestingbouw te boek staat.“Vauban had zelf ettelijke versterkte steden belegerd. Hij had ondervonden hoe je met een welgemikte kanonskogel een hele rij vijandelijke batterijen kon uitschakelen, als dominostenen. Daarom bedacht hij de traverse, een aarden of stenen wal die haaks staat op de hoofdomwalling waardoor ricochetvuur wordt geneutraliseerd”. Precies honderd jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staat Lombaerde zelf voor een zware campagne. De professor toert met een lezing over de Antwerpse fortengordel in 14-18  in het Davidsfonds-circuit. De aanvragen stromen binnen.

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

En toch heeft hij nooit eerder een voet gezet in het fort van Walem, waar hij zich reeds als kind aan vergaapte wanneer hij met zijn vader via de N1 naar Antwerpen reed. Hij neemt druk foto’s van de ravage bij de grote caponnière. “Buitengewoon”, zegt hij opgetogen. “Door de ontploffing kun je perfect de opbouw zien.De bakstenen gewelven uit 1878 werden met een laag zand afgedekt. De militaire technologie bleef echter niet stilstaan. Het artilleriegeschut werd steeds zwaarder, en de vestingbouwers probeerden te volgen. De recentere forten van de buitenste gordel werden in beton opgetrokken, in de oudere forten zoals dat van Walem werd begin vorige eeuw een extra laag beton gegoten en met aarde afgedekt. Het geheel was berekend op artillerie van 22 centimeter. Maar dan zie je de Duitsers in 1914 arriveren met hun Dikke Bertha’s van 42 centimeter en hun Skoda-mortieren van 30,5 centimeter. Dat is waar de Belgische legerleiding zich op verkeken heeft. Iedereen wist wel dat er zulke zware kalibers bestonden, statische batterijen die onder meer voor de kustverdediging werden gebruikt. Maar wat niemand had verwacht: de Duitsers waren er in geslaagd die enorme vuurkracht mobiel te maken! De dikke Bertha’s van Krupp waren demonteerbaar, ze werden op drie wagens geladen en via het spoor of met speciale stoomvoertuigen getransporteerd. De stukken die bij het beleg van Antwerpen werden ingezet, hadden al bij Luik en Maubeuge gediend. Ze arriveerden ’s middags per spoor in Vilvoorde, en zes uur later al waren ze schietklaar. De Dikke Bertha’s zijn legendarisch geworden, maar minstens even verwoestend waren de Skoda-mortieren, Walem is overigens uitsluitend met Skoda’s belegerd. Stel je voor, obussen van een halve ton die in een boog werden afgeschoten. Door het benutten van de zwaartekracht was de impact maximaal, ze kwamen binnen met een snelheid van bijna 1000 kilometer per uur. Het moet hier een hel zijn geweest”.

Een hel is precies wat majoor Dewitte beschreef toen hij na de oorlog voor de commissie Deguise zijn bevelvoering over het fort moest verantwoorden. Het verslag, makkelijk te traceren op het internet, leest als een vroege diagnose van shellshock. Op 2 oktober, wanneer het fort al vijf dagen onder vuur ligt, bereikt de beschieting een hoogtepunt. De hoofdcaponnière is al ontploft, zeventig van de 500 artilleristen en infanteristen zijn een vreselijke dood gestorven. Dewitte telt 18 inslagen per minuut, bij iedere explosie ziet hij mannen ineen krimpen en onbedaarlijk bibberen, gek van doodsangst. Officieren hebben de handen vol met het voorkomen van wanhoopsdaden. Voor shellshock – het woord bestond nog niet – was geen begrip. Enkele waanzinnig geworden soldaten worden door de eigen wachters neergeschoten als ze via de brug over de natte gracht trachten te ontkomen. Dewitte beklaagt zich overigens over de kwaliteit van zijn soldaten, voornamelijk oudere reservisten die bij hun wederoproeping vergeten zijn hoe ze een Mauser moeten hanteren. Familievaders, zegt Dewitte smalend waarna hij opwerpt dat voor deze missie alleen onbezorgde jongemannen bruikbaar zijn. De frustratie van de ijzervreter liep hoog op: een na een werden de geschutskoepels uitgeschakeld, zonder dat het fort ook maar iets kon terugdoen. De reikwijdte van het geschut was te beperkt om de in Hofstade en Vilvoorde opgestelde Skoda-batterijen te verontrusten. Twee keer slaagt Dewitte erin een speldenprik uit te delen. Door zich stil te houden wekte hij de indruk dat het fort verlaten was. Twee keer stuurden de Duitsers een ploeg verkenners, twee keer werden die door Belgisch mitrailleurvuur neergemaaid. Op 2 oktober om 17 uur is de veer gebroken. Het fort heist de witte vlag, voor Dewitte en zijn overgebleven mannen breekt een periode van vier jaar krijgsgevangenschap aan.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren. Bovenop werd het monument voor de gesneuvelden van architect Joseph Diongre gebouwd

slapende vleermuizen

En nog steeds wordt het fort belegerd! Niet meer door Duitsers, maar door sportvissers, vandalen en souvenirjager die de heerschappij van Natuurpunt uitdagen. Bij het betreden heeft Filip, bij Natuurpunt verantwoordelijk voor het fort, al een vergunningsloze visser met zijn bootje uit de gracht verjaagd. Tijdens de rondgang stelt hij nieuwe sporen van indringers vast. Een zware ijzeren deur werd kwaadwillig dichtgegooid, in de achterliggende ruimte houdt een zeldzame ingekorfde vleermuis haar winterslaap. Met veel moeite wrikt Filip de deur weer open, het diertje moet meteen kunnen uitvliegen wanneer het straks met razende honger ontwaakt. Aan het welzijn van de vleermuis wordt niet licht getild. Bij de ingestorte koepel boven een van de halve caponnières zal Filip de professor tot fluisterstilte aanmanen. “Dit is de slaapplaats van een meervleermuis, net als de ingekorfde vleermuis een bedreigde soort die onder een Europees beschermingsprogramma valt. Al jarenlang beloof ik bij Natuurpunt een gratis vat als we een van de twee bedreigde vleermuissoorten waarnemen. Nu zijn ze er allebei, het is niet te geloven”.

De omgeving is prachtig. Overal schieten eiken op, relatieve nieuwkomers die er niet stonden toen majoor Dewitte en zijn mannen hun uitzichtloze strijd leverden. De forten werden kaal gehouden, en ook in een zone van 500 meter rondom waren bomen taboe. “Om het schootsveld vrij te houden en vijandelijke infanteristen geen dekking te geven”, zegt Lombaerde. “Rond alle forten van de de Antwerpse stelling gold een non aedificandi-zone. Bouwen kon wel, maar alleen houten of lemen constructies die in geval van nood snel konden afgebroken worden. In 1924 heeft men bij wet de verdedigingsfunctie van de binnenforten opgegeven, de Eerste Wereldoorlog had afdoende bewezen dat ze hopeloos voorbijgestreefd waren”. De buitenforten zouden pas na de Tweede Wereldoorlog hun militaire betekenis verliezen, zoals duidelijk blijkt in Walem.  De holtraverse op het hoofdfront, waar de ontplofte caponnière deel van uitmaakte, werd na 14-18 tot een betonnen bunker omgebouwd. Wanneer precies kan zelfs specialist Lombaerde niet uit het blote hoofd vertellen. Alleszins voor 1930, want in dat jaar werd bovenop de bunker een imposant memoriaal voor de gesneuvelde soldaten van Walem opgericht. De architect is niemand minder dan Joseph Diongre, tevens ontwerper van het Flageygebouw. In de zomer zit het kunstwerk verscholen tussen het bladerdak van de eiken, het moet een van de minst bezochte art deco-monumenten van België zijn.

Filip en Tony willen ons een recente ontdekking tonen. Tijdens beheerswerken kwam de mond van een kanonsloop bloot te liggen. 12 centimeter, schat de professor het kabiler op zicht. Geen spek voor de bek van souvenirjagers, het stuk ligt onwrikbaar onder het puin bedolven. Maar verzamelaars van militaira kennen wel degelijk de weg naar Walem. “Voor de gasmaksers”, zegt Tony. “Tussen de twee oorlogen was dit een depot. In 1939 lagen hier gasmaskers voor burgers gestockeerd. 500.000, sommigen zeggen zelfs twee miljoen stuks. Alleszins heel veel, het ligt hier nog vol. Rubberen maskers, maar ook ijzeren dozen en koolfilters”. Verzamelaars en vandalen zijn vaste klanten, maar de nachtelijke rust wordt nog door andere inbrekers verstoord. “Spokenjagers”, zegt Filip. “Vooral Nederlandse ghost hunters zijn een plaag.We geven geen toelating meer, maar ze steken ’s nachts de gracht over met apparaten waarmee ze zogezegd paranormale waarnemingen kunnen doen. Het probleem is er niet minder op geworden na een uitzending over Walem op de Amerikaanse zender Scifi. Die heeft Natuurpunt daar stevig voor betaald, geld dat goed van pas kwam na de aankoop van het fort. Fijn, maar niet voor herhaling vatbaar”.

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkend fort

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkende fort

De Meetingpartij

We lopen langs het officierskwartier, een gebouw waarvan de tragische geschiedenis niet is gestopt na  14-18. Tot de val van het Ijzeren Gordijn was dit in handen van de Civiele Bescherming, het was de plek van waaruit de reactie op een nucleaire aanval zou worden gecoördineerd. Het kwartier, nagenoeg intact uit twee oorlogen gekomen, werd daartoe verbouwd en met conferentiezalen, communicatieapparatuur en slaapzalen uitgerust. Op het domein was ook een helikopterplatform, bedoeld voor hoge NAVO-officieren die vergaderingen of nucleaire rampenoefeningen kwamen bijwonen. Er schiet niets meer van over, het interieur werd door een brand compleet verwoest. “Aangestoken door asielzoekers”, zegt Filip. “In de jaren negentig heeft het fort een tijdlang als gesloten asielcentrum gefungeerd. Buiten was een kooi gemaakt om ze te luchten. Op een keer zijn er twee ontsnapt, eentje is verdronken in de gracht. Kort nadien hebben ze de boel in de fik gestoken”.

We eten met de professor een broodje in Walem. Café ’t Hoekske, misschien wel het meest deprimerende etablissement van groot Mechelen, waar mannen al ’s middags aan de toog plakken met een glazen boterham, hun aandacht verdelend tussen de bingokast en de niet onknappe waardin. Piet Lombaerde is in zijn nopjes met het afgelopen bezoek. Met dank aan Natuurpunt, een instantie nochtans waarmee hij als minnaar van militair erfgoed niet altijd dezelfde golflengte deelt. “Ze  bedoelen het goed maar zijn soms te fanatiek”, zegt hij. “De natuur gaat boven alles, voor een paar vleermuizen laten ze een historische site teloor gaan. Spreek het woord restaureren uit, en ze gaan door het lint. Ze hebben ook Fort 7 in Wilrijk in beheer, een schakel van de binnenste gordel. Als men de natuur de vrije baan geeft, schiet er binnen een paar decennia van deze forten niets meer over. Ik vind dat we naar een evenwicht tussen natuur en patrimonium moeten streven. Zoals in het fort van Stabroek dat in privé-handen is. Daar organiseren ze evenementen, van paint-ball tot recepties en congressen. Dat draait goed, en zowel het patrimonium als de natuur blijven gevrijwaard”.

 

Waar spoken en vleermuizen thuis zijn
Waar spoken en vleermuizen thuis zijn

Een paar honderd meter verderop gaat de N1 over de Nete, een van de natuurlijke hindernissen die samen met de dubbele fortengordel de stelling van Antwerpen vormde. “De Belgen namen ook hun toevlucht tot inundaties”, legt Lombaerde uit. “Hier stond alles blank, maar de Duitsers hebben zich in Duffel een weg over de Nete gevochten. Ze hadden hun sector goed gekozen. De buitenste gordel is 95 kilometer lang, van fort De Perel op Linkeroever tot Stabroek. De belegering concentreerde zich echter op drie forten, die van Walem, Sint-Katelijne Waver en Koningshooikt. Als ze die konden uitschakelen, redeneerden ze, dan konden ze de Nete oversteken waarna Antwerpen gauw zou vallen. Dat was hun doel, het neutraliseren van het Belgische leger dat zich in het nationaal reduit had teruggetrokken. De Duitsers gingen er van uit dat de binnenste gordel, de acht Brialmontforten van voor 1870 die de veiligheidsomwalling vormden, geen noemenswaardig verzet zou bieden. Het klopt dat die forten hopeloos verouderd waren, maar ze hebben weerstand geboden. De overmacht was totaal, maar de soldaten hadden geen keuze. Commandanten lieten de brug over de gracht opblazen om te beletten dat hun manschappen zouden vluchten. In feite werden ze allemaal opgeofferd. Het Belgische opperbevel besefte al vroeg, na de val van Luik begin augustus 1914, dat ook Antwerpen niet verdedigbaar was. Dat bleef echter staatsgeheim. De bevolking en vooral de vijand moesten blijven geloven in de mythe van het onneembare reduit. Het was zaak zoveel mogelijk tijd te winnen om het Belgisch leger uit Antwerpen te evacueren. Dat is ook gelukt. Het Belgische veldleger is kunnen ontsnappen, dank zij 60.000 soldaten die achterbleven om de Duitse opmars te vertragen”.

We bestellen koffie, verrassend goed in ’t Hoekske. Vooraleer koers te zetten naar zijn thuisstad Antwerpen, werpt professor Lombaerde een verrassend licht op een breuklijn in de nationale politiek. “De fortengordel verklaart de Antwerpse aversie voor Brussel”, zegt hij. “Kort na de Belgische onafhankelijkheid rees de kwestie van het nationaal reduit, een kerngebied rond een stad dat bij een buitenlandse invasie met man en macht zou worden verdedigd. Waar moest dat reduit komen, was de vraag. De liberale minister Frère-Orban liet een rapport opmaken, een soort nationaal plan van aanleg waarin verschillende steden een functie kregen toegewezen. Brussel zou zich als hoofdstad residentieel ontwikkelen, Gent, Luik en Bergen kregen een industriële inkleuring, Oostende, Namen en Spa zouden plekken worden om te villégiaturen, zich te ontspannen. En het nationaal reduit? Die rol was voor havenstad Antwerpen weggelegd. Voor Antwerpen was het een ramp. De stad en de haven waren in volle expansie, maar hun groei werd belemmerd door acht Brialmontforten, allemaal omgeven door een bouwvrije zone. Bovendien besefte men in Antwerpen heel goed het riscio bij een conflict. Het nationaal reduit wordt per definitie belegerd. Dat is ook gebleken in 14-18: in Brussel viel geen schot, Antwerpen werd wekenlang bestookt. De onvrede heeft zelfs aanleiding gegeven tot het ontstaan van een protestpartij”.

Inderdaad, zo is de Meetingpartij ontstaan die later zou opgaan in de katholieke partij. Tussen 1864 en 1872 mocht de flamingantische en pacifistische protestformatie zelfs het stadhuis opeisen. Een Antwerpse burgemeester met een Brussel-aversie. Niks nieuws onder de zon in de koekenstad.

WOI: De dodendraad in Baarle-Hertog

(Knack, maart 2014)

Een grensgemeente onder hoogspanning

Niet alleen de Westhoek bood in 14-18 dapper weerstand. Het kleine Baarle-Hertog schreef een fraai hoofdstuk in het verzet tegen de Mof. Grensgehucht Zondereigen verdween achter de Dodendraad, maar Hertog gaf zich niet over. Brievensmokkel, spionage, Zeppelins afluisteren, het kon allemaal in deze enclave. De Duitsers waren woedend, de neutrale Nederlanders wisten niet naar welke kant weg te kijken. Getuigenissen uit eerste en tweede hand over een vergeten zenuwoorlog.

 foto’s: Franky Verdickt – www.frankyverdickt.be

replica schakelhuisje grens Zondereigen (foto Franky Verdickt)

replica schakelhuisje grens Zondereigen

 

Dina Van den Heuvel kan tijdreizen. Denkend aan haar kinderjaren in Zondereigen ziet ze beelden in haar hoofd. “Precies zoals in de film”, zegt ze. Een hele eeuw kan ze zo overbruggen, zonder op te staan uit haar luie zetel in Woon-en Zorgcentrum Binnenhof in Merksplas. De 104-jarige vroedvrouw in ruste moet een van de allerlaatste ooggetuigen zijn van een vergeten episode uit 14-18, de zenuwoorlog die Duitsers, Belgen en Nederlanders op de grens tussen de Lage Landen voerden. Die 450 kilometer lange scheidslijn tussen het bezette België en het neutrale Nederland was de Duitsers een constante kopzorg. Ondanks patrouilles en wegversperringen bleef de grens lek als een mandje. Om een einde te maken aan de gestage stroom van rekruten, smokkelaars, spionnen en deserteurs, begonnen ze in april 1915 met de bouw van een elektrisch hek. De heining, permanent onder 2.000 volt hoogspanning, zou de geschiedenis ingaan als de Dodendraad.

Dina was vijf toen in Zondereigen, een binnen de rijksgrenzen gelegen gehucht van enclavegemeente Baarle-Hertog, de eerste paal in de grond ging. “Op school werden we gewaarschuwd”, zegt ze. “Dat we van de draad moesten wegblijven, en hem vooral nooit mochten aanraken. Ook onze ouders hebben het ons dat ingeprent, we waren thuis met tien. Natuurlijk zijn we wel eens gaan kijken, van op een afstand. Elektriek, dat kenden we toen helemaal niet, boeren hadden thuis alleen een petroleumlamp”.  Misschien ligt het aan de rozige kinderblik waarmee ze achterom kijkt. Dina is alleszins niet de getuige die er de gruwel dik oplegt. Wel vier keer legt ze het uit, met weidse gebaren voor de slechte verstaander. Je kon niet zomaar geëlektrocuteerd worden, de gevaarlijke draad werd aan weerskanten door een stroomvrije prikkeldraad afgeschermd. Meer nog, het drieledige hek liep door een niemandsland, aan weerskanten door gewapende soldaten bewaakt. “Aan de overkant stonden de Hollanders, bij ons marcheerden constant Duitse soldaten. Ze schoten als iemand te dicht bij de draad kwam. Een eerste keer in de lucht, daarna met scherp. Zo is er een boer doodgeschoten, toen hij een afgedwaald koebeest wilde terughalen. Hij had iets tegen de Duitse soldaat gezegd, maar die had het niet begrepen. Een misverstand, in feite”.

Beleg van Antwerpen

Fatale misverstanden aan de dodendraad, zo kent Herman Janssen er wel meer. “Bijzonder tragisch is het verhaal van Jaak Verstraelen uit Zondereigen”, zegt hij. “Duitse grenswachten werden bij boeren ingekwartierd. Ook bij Verstraelen, die goed met zijn twee logés kon opschieten. Op een dag vernam hij dat er in Baarle een brief op hem lag te wachten, van zijn zoon die soldaat aan de Ijzer was. Hij gooide het op een akkoordje met een van de Duitsers. Die zou tijdens zijn volgende wacht een oogje dichtknijpen, zodat hij de brief bij de draad kon ophalen. Toen het zover was, klonk het bevel: ‘Stehen bleiben!’. Boer Verstraelen sloeg er geen acht op, wellicht heeft hij gedacht dat het bij de komedie hoorde die de grenswachter opvoerde. Zeker weten we dat niet, want een seconde later zeeg hij dodelijk gewond neer. Het schot kwam niet van de complotterende grenswachter,  maar van diens makker die eveneens bij de Verstraelens logeerde maar niet op de hoogte was. Achteraf kwam het misverstand uit. De grenswachters gingen uit van de Midden-Europese tijd, het uur van Berlijn dat de Duitsers in bezet België probeerden op te leggen, onder meer door alle kerktorenuurwerken bij te stellen. Verstraelen echter bleef zoals de meeste Belgen zweren bij de gewone tijd. Gevolg: hij is een uur te laat op de afspraak verschenen, na het wisselen van de wacht”.

De anekdote ontbreekt niet in de lezing over de Dodendraad waarmee heemkundigen Herman Janssen en Frans Van Gils parochiezalen en culturele centra afschuimen. De opvoeder en de gepensioneerde onderwijzer vormen een geoliede tandem. Ze ontvangen ons op het oude gemeentehuis in de Kerkstraat van Baarle-Hertog, ingepalmd door heemkundige kring Amalia van Solms. Kaarten vormen een belangrijk onderdeel van de collectie. Baarle telt 22 Belgische enclaves, sommige niet groter dan een bouwperceel. Op hun beurt omvatten die enclaves zeven Nederlandse exclaves. Omdat de landsgrens door straten en huizen loopt, werd  de voordeurregel ingesteld. Ook al liggen woon- en slaapkamers op Nassau, als de voordeur op Hertog uitgeeft, geldt de Belgische wet en int de Belgische fiscus belastingen. Ingewikkeld, en dat hebben de Duitsers in 14-18 geweten.

“Iedereen spreekt altijd van de Ijzer”, zegt Van Gils. “Maar ze vergeten dat er nog een stukje onbezet België was. Zondereigen lag wel achter de dodendraad, maar Hertog bleef buiten schot. Om hier te geraken, moesten de Duitsers zo’n vier kilometer over Nederlands grondgebied. Onmogelijk, want dan hadden ze de Nederlandse neutraliteit geschonden”. Het moet destijds een drukte van belang zijn geweest zijn in dit gemeentehuis.  Het beleg van Antwerpen had een massale vluchtelingenstroom op gang gebracht. Belgische soldaten die de grens overstaken, al dan niet in de hoop het Ijzerfront te vervoegen, werden in naam van de Nederlandse neutraliteit geïnterneerd. Burgers troffen een beter lot, ze werden in Belgenkampen ver van de grens ondergebracht. “Maar er was nog een derde categorie”, zegt Van Gils. “Onder de vluchtelingen zaten heel wat vrijwilligers die met het Belgische leger in de Westhoek wilden gaan vechten. Die passeerden massaal via dit gemeentehuis waar ze na medische keuring werden geregistreerd. Alleen al in de eerste oorlogsmaanden waren het er 2.000. Ze kregen hier een overnachting met ontbijt plus een treinticket richting Breda, en van daar stuurde het Belgische consulaat ze via Vlissingen en Engeland naar de Ijzer. Het is precies om die exodus te stuiten dat de Duitsers de dodendraad hebben geplaatst. Patrouilleren haalde weinig uit, en bovendien vergde het manschappen die ze hard nodig hadden aan het front”.

Dodendraad

zwartgeblakerde slachtoffers

 We rijden over Nederlands grondgebied naar de rijksgrens bij Zondereigen, destijds gelegen achter de dodendraad. Lastig, maar het kon erger. Om draad en moeite te besparen hadden de Duitsers enkele shortcuts ingelast. De drie bulten van de provincie Antwerpen, goed waarneembaar op iedere landkaart, werden afgesneden. Gevolg was dat noordelijke dorpen zoals Ravels, Poppel, Essen  en Weelde tussen twee draden vielen, de dodendraad en de door Nederland met prikkeldraad en kippengaas versperde rijksgrens.  We parkeren op die grens, in een oase van groen. Volgens de overlevering hebben de Duitsers burgemeester Henri van Gilse hier aangemaand om de enclaves over te geven. Waarop de burgervader, onverschrokken vanuit het neutrale Nederland, zou hebben geantwoord: “Après vous, messieurs les Boches!’. Onder impuls van Amalia van Solms werd een stuk dodendraad gereconstrueerd. Met flankerende prikkeldraad,  precies zoals onze 104-jarige ooggetuige het had beschreven.  “De dodendraad was spitstechnologie”, legt Janssen uit. “Zelfs in de steden was nog geen netwerk, alleen grote fabrieken hadden een eigen centrale. Voor deze sector haalden de Duitsers hun stroom uit een centrale in Merksem  en een zinkfabriek in Lommel. Om de twee kilometer was er een schakelhuis met wachtpost, zodat ze de draad bij problemen stuk per stuk konden afzetten”. Problemen waren er genoeg, want de afschrikking werkte niet perfect. “Zelfs na de bouw van de dodendraad zijn nog duizenden rekruten via Nederland naar de Ijzer getrokken”, zegt Janssen. “Er ontstond een systeem met passeurs, mannen die de grensstreek als hun broekzak kenden en tegen betaling mensen over de grens smokkelden. Het was goed georganiseerd, met tussenpersonen en verzamelplekken waar konvooien werden gevormd. Er waren oorlogsvrijwilligers bij, maar ook politieke vluchtelingen en hele families die op een beter lot in Nederland hoopten. In totaal schatten we het aantal passages tussen de 20.000 en 30.000, over de hele lengte van de dodendraad”.  Toch bleef het riskant, zo’n 1.000 grensgangers verloren het leven. De herinneringen van Dina Van den Heuvel zijn op dit vlak fragmentarisch. Alleen al in Baarle-Hertog vielen bij de draad veertig doden.

De slachtoffers waren overwegend Belgen, maar ook Fransen, Britten en Russen, vaak ontsnapte krijgsgevangenen. Opvallend: een derde van de slachtoffers waren Duitsers. Neergeschoten deserteurs of slachtoffers van een vuurgevecht met passeurs, al is ook het verhaal bekend van een onvoorzichtige grenswacht die de dodendraad met zijn bajonet raakte, toen hij een geëlektrocuteerd konijntje probeerde te recupereren.  Janssen: “Veruit de meeste slachtoffers werden doodgeschoten in de verboden zone. Toch zijn er ook heel wat aan de draad blijven hangen. Letterlijk, want de stroom was zo sterk dat de sukkelaars er niet meer los van kwamen. Het moet een vreselijk tafereel zijn geweest. Zwartgeblakerde slachtoffers, de tong uit de mond, doorgebrande ledematen die afvielen als men de stroom afzette. We hebben het getuigenis van een boer uit Minderhout die werd opgeëist om een slachtoffer te bergen. Hij was compleet getraumatiseerd. Een keer en nooit meer, heeft hij gezegd”.

dodelijke barrière van 2.000 volt (foto Franky Verdickt)

dodelijke barrière van 2.000 volt

brievensmokkel

Passeurs experimenteerden er op los om langs de draad te komen. Wollen dekens als isolatie over de draad gooien was een beproefde maar gevaarlijke methode. Een paar met dauw doorweekte vezels konden volstaan voor een stroomstoot van 2.000 volt. Iets veiliger was het optillen van de onderste draad met een gevorkte stok, waarvan de basis in een fles werd gestoken om het isolerend effect te verhogen. De spitsvondigheid mondde uiteindelijk uit in het opklapbaar passeursraam, een tuig waarvan Herman Janssen ons de werking graag demonstreert. De gescharnierde opstaande zijden vouwen open en duwen de geïsoleerde lange zijden tegen twee stroomdraden. Zo ontstaat tussen de twee onderste draden een veilige opening, net groot genoeg om zonder acrobatie door te kruipen. Van Gils: “Er werd ook sabotage gepleegd. Na een poosje hadden de passeurs rubberen laarzen en pakken, en geïsoleerde knijptangen om de draad door te knippen. Vaak hadden ze dat materiaal van Britse spionnen die actief bij het Belgische verzet ronselden”.

Passeurs hielpen niet alleen mensen over grens, bij iedere oversteek werden ook brieven gesmokkeld. Het belang van deze missie kan niet worden overschat. Om het moreel van de Belgen te kraken, had de bezetter alle correspondentie met het vrije koninkrijk achter de Ijzer verboden. De honger naar nieuws van de jongens aan het front was dan ook groot. Aanvankelijk ontstond een systeem van driehoekspost. Brieven werden naar een correspondent in Nederland gestuurd, met de bede ze via de Nederlandse post door te sturen. Die piste werd afgesneden na Duits protest tegen deze inbreuk op de Nederlandse neutraliteit. Van de weeromstuit ontstonden clandestiene netwerken zoals Post der Geallieerden, Soldatengroet en Union Belge. “Ze werkten allemaal op dezelfde manier”, zegt Janssen. “De brieven werden in Brussel gecentraliseerd en gecensureerd, alle plaatsnamen of aanduidingen van militair nut moesten eruit. Het waren brieven van flinterdun papier zonder enveloppe, in één leren zak staken er wel  5.000. De bulk van de smokkelpost passeerde via Baarle-Hertog, omdat hier het enige functionerende Belgische postkantoor in de hele grensstreek lag. De brieven werden afgestempeld en vervolgens in Nassau op de Nederlandse post gedaan die ze via Engeland naar de Westhoek stuurde. Het was een gigantische operatie, per maand gingen er 100.000 brieven en pakjes over en weer. Hertog was de draaischijf, alle smokkelorganisaties hadden hier hun hoofdkantoor”.

De sfeer in het dorp moet bijzonder zijn geweest. Behalve van ballingen, smokkelaars en koeriers wemelde het er van de spionnen. Dat waren niet alleen geallieerden op weg naar of terug van bezet België. Ook Duitse spionnen waren erg in Hertog geïnteresseerd, met name in het radiostation dat het Belgisch leger er in 1915 had geïnstalleerd. “Er stonden twee antennes van veertig meter hoog”, zegt Janssen. “Een zend- en ontvangmast waarmee Duitse berichten werden onderschept en versleutelde berichten naar Engeland of de legerleiding in de Westhoek werden verstuurd. Daarnaast stond er een antenne waarmee de communicatie van Duitse Zeppelins en U-boten kon worden gepeild. Voor de geallieerden was dat goud waard. Via ingewikkelde goniometrische berekeningen konden de Belgen de posities van Zeppelins en U-boten bepalen en aan hun bondgenoten doorseinen”. De Duitsers wisten het en waren razend. Het commando in Antwerpen smeedde plannen om het radiostation uit te schakelen. Bombarderen met een Zeppelin, of een inval met een gepantserde trein. Baarle lag op de lijn Turnhout-Tilburg, destijds een onderdeel van de belangrijke spoorverbinding Parijs-Amsterdam. In Weelde was een reusachtig grensstation met liefst 52 rangeersporen, de dodendraad liep er over de perrons en door de wachtzaal. Janssen: “Van daar zou de pantsertrein vol soldaten vertrekken. Zou, want Berlijn heeft Antwerpen teruggefloten. In Baarle lagen 2000 Nederlandse soldaten, van wie er iedere avond tachtig gelaarsd en gespoord in bed kropen, klaar om binnen de minuut uit te rukken. Een aanval op Hertog had Nederland haast zeker in de oorlog gesleurd. Stel dat ze een oogje hadden dichtgeknepen voor een Duitse aanslag op Hertog. Dan was de kans groot dat de Engelsen en de Fransen hen van pro-Duitsgezindheid hadden beschuldigd en de oorlog verklaard. De Duitsers hebben nog geëist dat de Nederlanders zelf militair zouden optreden tegen de Belgische legerpost, maar ook dat werd geweigerd”

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Bericht van generaal Foch

Militair ingrijpen was dan wel uitgesloten, de Duitsers konden Nederland wel onder druk zetten om de Belgen uit te roken. Het centrum van Baarle werd met prikkeldraad afgerasterd, bij de acht poorten tussen Hertog en Nassau verschenen strenge marechaussees. Import van steenkool of petroleum was verboden, zoals alles wat nuttig kon zijn voor de militaire basis. “Zelfs mosterd lieten ze niet binnen”, zegt Jacques Boone. “Omdat het olie bevatte waarmee machines konden worden gesmeerd. Om dezelfde reden was chocolade verboden, want daar zat vet in. Niet dat het veel uithaalde, de Belgen hadden zich op alles voorzien. Er lag genoeg steenkool om het nog vijf jaar uit te zingen”. De 87-jarige Jacques Boone zou kunnen opscheppen over het belang van MN7, de codenaam van het Belgische zendstation. Tenslotte was zijn vader, ingenieur Jos Boone, twee jaar lang commandant van de basis. Maar opscheppen ligt niet in de aard van deze gepensioneerde parketmagistraat met een passie voor geschiedenis en archeologie. Veeleer dan zijn vader te bewieroken, brengt hij hulde aan diens voorganger. Paul Goldschmidt, pionier inzake télégraphie sans fil, werd door koning Albert persoonlijk met de bouw van het zendstation gelast. Dat diezelfde ingenieur veel later aan de wieg van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou staan, is een verhaal apart. We zijn gekomen voor Boones anekdotes over de listen waarmee de Belgen de bouwstenen voor MN7 onder de neus van de Nederlandse douane binnen loodsten. “Burgemeester van Gilse had een grote auto en twee knappe dochters. Die werden dankbaar ingeschakeld. Als de freules even lachten of wuifden, stelden de douaniers en de soldaten geen vragen. Op die manier hebben ze de zender en ontvanger binnen gesmokkeld”. Goldschmidt liet zich in 1916 naar het front overplaatsten. Jos Boone was toen al in Nederland, gevlucht met zijn vrouw en de twee oudste kinderen. Zoon Jacques: “Ook vader wilde naar het front, maar hij werd medisch afgekeurd voor de actieve dienst. Met zijn achtergrond als ingenieur was het haast logisch dat ze hem vroegen om Goldschmidt te vervangen. Als postoverste logeerde hij bij burgemeester van Gilse, een echte patriot die ook zijn privégronden voor de bouw van de antennes ter beschikking heeft gesteld. Twee terreinen die helemaal door Nederlands grondgebied werden omsloten. Slim bekeken, want op die manier konden de Duitsers de antennes niet beschieten zonder de Nederlandse neutraliteit te schenden”. 

Boone’s vader stierf doen hij vier jaar was. Herinneringen heeft hij nauwelijks, maar een recent ontdekte zolderschat heeft hem helemaal in de oorlogsjaren ondergedompeld. Via een oudere broer kwam Jacques Boone in het bezit van een schrift met transcripties van door MN7 onderschepte berichten. “Allemaal uit de laatste weken voor de wapenstilstand”, zegt hij. “Vader heeft ze na de oorlog overgeschreven, wellicht omdat hij het historische belang ervan besefte. Er zitten niet alleen Duitse maar ook Franse en Britse boodschappen tussen. Ik heb ze vertaald en in het Nederlands uitgegeven, binnenkort volgt een Franse editie. Een monnikenwerk, want vaders handschrift is bijna onleesbaar”.  Historisch belang is niet eens overdreven. Zo is er een ongecodeerde Duitse boodschap, bestemd voor de Fransen. Waar en hoe kunnen onze onderhandelaars de Franse opperbevelhebber Foch ontmoeten?  Een Frans bericht voor de eigen troepen gewaagt van een vliegtuig met Duitse officieren dat over de linies zou scheren en vooral niet mag worden neergeschoten. Op 11 november 1918 om 05u40 ving MN7 volgend bericht van generaal Foch op: gelieve om 11 uur, heure française, alle vijandelijkheden te staken.

Wapenstilstand? Dina van den Heuvel ziet het tafereel door de ogen van het negenjarige meisje dat ze toen was. “Er was een groot feest in het dorp”, zegt ze. “De ene bakte pannenkoeken, de andere haalde een fles jenever te voorschijn”. En de dodendraad? “Die werd gauw afgebroken. Ik zie ze daar nog liggen, grote rollen draad op de straat. Ze hebben die aan de boeren verkocht, die konden de draad goed gebruiken om de weiden voor hun beesten af te spannen”.

www.dodendraad.org