Categoriearchief: dossier

De Grote Kerkenkrimp in Vlaanderen

Knack Magazine, 28 augustus 2019

“Er komt een tsunami van kerkspullen op ons af

De ontkerkelijking heeft een bakstenen fase bereikt. Zo’n 600 Vlaamse kerken worden op korte en middellange termijn herbestemd. Zoals de verhuizing van een riante villa naar een serviceflat vergt de operatie pijnlijke keuzes. Wat met de inboedel? Knack dook onder in de wereld van kerkfabrieken en experts religieus vaatwerk.


Sint-Martinuskerk – Schelderode. Christusbeeld wachtend op een ongewisse toekomst. (foto: Jonas Lampens)

Het lijkt wel uitverkoop in de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Kandelaars, paaskaarsen, processielantaarns, kerkstoelen, kazuifels, reliekhouders, alles moet weg, zelfs de gebeeldhouwde kruisweg. De 14 staties werden al van de muur gehaald en op de vloer uitgestald. Met respect voor de chronologie, een rondgang begint nog altijd bij de terdoodveroordeling om te eindigen bij de graflegging. Het is natuurlijk geen uitverkoop, noch is er sprake van een faillissement. Wel waar is dat het in plaaster gebeitelde lijdensverhaal van Christus hoe langer hoe minder gelovigen op de been brengt. Niet alleen in Schelderode. Uit een in 2017 gepubliceerd onderzoek van de KU Leuven blijkt dat nog 6 procent van de Vlamingen wekelijks naar de mis gaat. Het verval gaat snel, bij een eerder onderzoek in 1996 scoorde de zondagspraktijk nog 20 procent. Intussen nijpt het priestertekort steeds harder, terwijl roepingen even zeldzaam blijven als sneeuw na Pasen.

Was ontkerkelijking tot dusver vooral een sociologisch begrip, dan heeft het fenomeen intussen een nieuwe, bakstenen fase bereikt. De uitdunnende geloofsgemeenschap is veel te ruim behuisd. Sinds 2013 werden al 62 Vlaamse parochiekerken aan de eredienst onttrokken, maar de plannen voor een veel grotere krimp liggen klaar. Het in Leuven gevestigde CRKC, het expertisecentrum voor religieus erfgoed waarbij ook het bekendere museum PARCUM hoort, houdt de cijfers bij. Een derde van de 1789 kerken krijgt op korte of middellange termijn een neven- of herbestemming: gecombineerd liturgisch en profaan gebruik of een volledige onttrekking aan de eredienst. Katalysator in het proces zijn de voorwaarden die de Vlaamse overheid sinds 2015 koppelt aan het subsidiëren van kerkrestauraties. Alleen steden en gemeenten met een kerkenbeleidsplan komen voor bepaalde subsidies nog in aanmerking. De maatregel, reeds aangekondigd in 2011 door de toenmalige vice-minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in zijn conceptnota “Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerken”, veroorzaakte een schokgolf. Lokale overheden en kerkfabrieken, samen bevoegd voor het beheer van kerkgebouwen, schoten in actie.

Napoleon Bonaparte

De confectie van een deugdelijk kerkenbeleidsplan bleek geen simpele opgave. Het Oost-Vlaamse Merelbeke bijvoorbeeld telt zeven parochies en evenveel gebedshuizen, waaronder de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Iedere kerk heeft een kerkfabriek, een instituut met wortels in het concordaat dat Napoleon Bonaparte in 1801 met paus Pius VII afsloot. Concreet gaat het om vijf onbezoldigde parochianen plus een vertegenwoordiger van het bisdom, meestal de pastoor. Op hun schouders rustte de taak om in samenspraak met de gemeente en het bisdom een strategische visie op het Merelbeekse kerkenpatrimonium te ontwikkelen. Het plan, tot stand gekomen met advies van de regionale erfgoedcel De Viersprong en het CRKC werd in september 2017 door gemeenteraad goedgekeurd. Het oogt behoorlijk drastisch: drie kerken worden op korte termijn aan de eredienst onttrokken en herbestemd, voor twee andere valt de hakbijl mogelijk na 2020. Op termijn kunnen parochianen nog maar in twee kerken terecht, de Sint-Pietersbanden in het centrum en de Sint-Annakerk in Bottelare.

Sint-Martinuskerk – Schelderode. Ontwijd wegens te weinig gelovige zielen. (foto: Jonas Lampens)

Deze oefening wordt in nagenoeg alle Vlaamse gemeenten gemaakt. 2019-2024 zal de geschiedenis van de lokale besturen ingaan aan de legislatuur van de Grote Kerkenkrimp. Daarmee rijst een prangende vraag: wat aanvangen met al die overtollige tempels? De controverse rond de Gentse Sint-Annakerk _ die de stad in erfpacht wil geven aan een vastgoedgroep rond winkelketen Delhaize _ bewijst hoe gevoelig de kwestie ligt. Maar de operatie stelt nog een uitdaging waar zelden over gesproken wordt: wat met de inboedels? Kerkmeubilair, liturgisch vaatwerk, kandelaars, beelden, religieus textiel, onze kerken puilen letterlijk uit van wat met een containerbegrip roerend religieus erfgoed wordt genoemd. Er zit veel rommel tussen, maar ook kunst en artisanaat met grote museale of heemkundige waarde.

In die laatste categorie is geen plaats voor de kruisweg van de Sint-Martinuskerk. Een banaal gipswerk, zo luidde het oordeel van experts van Erfgoedcel Viersprong die de inboedel kwamen inventariseren. ‘Goed voor het containerpark’, zegt Lucie De Moor (63) die als secretaris van de kerkfabriek de boedelbeschrijving bijwoonde. ‘Zo hebben we hier wel meer spullen. Neem nu de kazuifels en koormantels in de sacristie. In perfecte staat, maar niemand wil ze nog hebben’. Ze ontvangt ons samen met Gaby Brain (71), al meer dan dertig jaar penningmeester van de kerkfabriek. Hun bestuursmandaat zit er bijna op. Sint-Martinus verdampt straks in een megafusie van 12 kerkfabrieken en evenveel parochies, verspreid over Merelbeke en buurgemeente Oosterzele. Ook dat is geen unicum, de Grote Kerkenkrimp gaat gepaard met een nog ingrijpender hertekening van het parochiale landschap. Het bisdom Gent reduceert het aantal parochies van 425 tot 48. In andere bisdommen worden gelijkaardige samenwerkingsverbanden opgezet, al gaat het onttrekken aan de eredienst er minder hard.

enkeltje containerpark

Het herbestemmen van de inboedel wordt de laatste missie van de kerkfabriek. Penningmeester Brain neemt het eerder gelaten op, secretaris De Moor heeft er meer moeite mee. Het voelt als een terdoodveroordeelde die zijn eigen graf moet delven, zeker voor een parochiaan die zich niet alleen als kerkbestuurder betrokken voelt. ‘Ik ben in Gent geboren maar in Schelderode getogen’, zegt ze. ‘Dit gebouw betekent veel voor mij. Ik heb hier mijn plechtige communie gedaan, ben hier getrouwd, heb hier mijn beide ouders begraven’. Ze voelt zich als een curator in haar persoonlijk museum. Die twee knielstoelen tussen de rommel bij het koor? Daar heeft ze op gezeten, zij aan zij met haar aanstaande, terwijl pastoor Debruyne hen in de echt verbond. Hun lot is nog niet bezegeld, maar een enkeltje containerpark zit er dik in. Voor de kapel van Sint-Blasius, aan te roepen bij keelontstekingen en brandwonden, staat een verzameling koperen kandelaars van wisselend formaat. Een vondst uit een kast die in geen decennia meer werd geopend. ‘Ik herkende ze meteen’, zegt De Moor. ‘Mijn moeder, een diepgelovig mens, stond altijd klaar voor parochie. In de zomer werd het koper gepoetst, dan ging ik als kind helpen. Ik heb het de laatste maanden vaak gedacht. Moesten mijn ouders weten wat er nu met hun kerk gebeurt, ze zouden zich omdraaien in hun graf’.

Lucie De Moor en Gabie Brain inspecteren de sacristie. “Niemand wil die kazuifels nog hebben”. (foto: Jonas Lampens)

Vrome parochianen van zo’n kaliber zijn zeldzaam geworden. Toch heerste er verslagenheid in Schelderode toen Sint-Martinus in het gemeentelijk kerkenbeleidsplan als prioritair te herbestemmen werd aangewezen. Een centenkwestie, langer wachten had een streep getrokken door een reeds toegezegde restauratiesubsidie. “Je had de laatste zondagsmis twee jaar geleden moeten meemaken’, zegt De Moor. ‘Stampvol, er waren heel veel bezoekers die in geen jaren nog een mis hadden bijgewoond maar persoonlijke herinneringen hadden aan onze kerk. Maandag ben ik de bloemstukken gaan ophalen om ze naar de kerk van Melsen te brengen. Toen pas sijpelde het door: het is nu echt afgelopen. Niet veel later is het decreet van de bisschop is in Kerk en Leven verschenen. Sint-Martinus is ontwijd, er is geen weg terug’.

De geprofaniseerde kerk krijgt een toekomst als polyvalent dorpshuis, met onder meer een afhaalpunt van de bibliotheek en blokruimtes voor studenten. Het is een bestemming waarmee ze zich kunnen verzoenen, zeker omdat het koor als stille ruimte wordt ingericht. Voor introspectie, desgewenst onder de vorm van een gebed. Beter alleszins dan de voorbeelden uit Nederland die tijdens een voorlichtingsavond van het CRKC de revue passeerden. ‘Daar steken ze zwembaden en discotheken in kerken’, zegt De Moor. ‘Ik mag er niet aan denken’. De nakende verbouwing noopt echter tot harde keuzes. Wat hoort in de kerk te blijven? Wat mag weg en waarheen? Er bestaan regels, zowel in het kerkelijk en burgerlijk wetboek als in de uitdeinende Vlaamse erfgoedregulering. Gewijde voorwerpen zoals kelken en monstranzen mogen volgens canoniek recht niet worden vermarkt. Kandelaars of lantaarnhouders daarentegen kunnen wel worden verkocht, en meubilair is een verhaal apart. Attributen zoals lambriseringen, monumentale altaren of kerkorgels zijn onroerend door aard. Die status geldt vaak wel maar niet altijd voor biechtstoelen. In geval van twijfel kan het criterium van nagelvastheid de doorslag geven, een merkwaardig begrip overigens in een kerkelijke context. Roerende goederen kunnen onroerend worden door bestemming, omdat ze bijvoorbeeld speciaal voor de kerk werden vervaardigd, zoals een beeld in een nis of een schilderij van een patroonheilige. In de praktijk is het allemaal nog veel complexer, want er moet ook rekening worden gehouden met een waaier van beschermingsregimes voor kerken en kerkinterieurs. Zo vergt een middeleeuwse kerk een totaal andere aanpak dan een exemplaar uit de 19de of 20ste eeuw. De Moor heeft goede hoop voor een van haar favoriete stukken: een reusachtig doek uit de 16de eeuw, voorstellend de heilige Martinus die de tempel van Jupiter vernielt. Niet echt nagelvast, maar wel een cultuurgoed waarvan de functie duidelijk bij het beschermde kerkgebouw hoort. ‘Ik hoop dat ze die naar de stille ruimte verplaatsen’, zegt ze. ‘Net zoals de biechtstoelen waar ik als kind nog heb in gezeten’.

tsunami

In theorie is het simpel. Het CRKC heeft twee jaar geleden een stappenplan voor het waarderen, selecteren en herbestemmen van roerend religieus erfgoed in parochiekerken opgesteld, in samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Het document staat online ter beschikking van kerkbestuurders en andere erfgoedbeheerders. Overzichtelijk en volledig, maar toch worden instanties zoals het CRKC, bisdommen en erfgoedcellen overstelpt met vragen van radeloze kerkbestuurders. ‘De procedures zijn te complex om het hele traject over te laten aan de  kerkfabrieken’, zegt Bert Van der Veken, consulent religieus erfgoed van de provincie Oost-Vlaanderen. ‘Het gaat om vrijwilligers, doorgaans niet van de jongsten. Met het stappenplan redden ze niet, er moet begeleiding bij’. Jan Klinckaert, senior adviseur bij het CRKC, kan het beamen. ‘De herbestemmingen zijn nog maar goed begonnen, de volgende jaren krijgen we een vloedgolf van roerend religieus erfgoed over ons heen. Er is dringend nood aan meer expertise’. Aan de inspanningen van het CRKC ligt het niet. Medewerkers reizen Vlaanderen rond om herbestemmingstrajecten te initiëren of inventariseringen te begeleiden. Vanaf dit najaar zal extra worden ingezet op de vorming en ondersteuning van regionale adviseurs, een rol die lange tijd door de provincies werd vervuld. Door de zesde staatshervorming echter is de bevoegdheid roerend erfgoed per 1 januari 2018 naar Vlaanderen verhuisd.t

Naar een zusterkerk? Een museum of een opkoper? Of wordt het toch een enkeltje containerpark? Moeilijke keuzes dringen zich op. (Foto: Jonas Lampens)

In feite werd het CRKC in 1997 opgericht _ toen nog zonder museum PARCUM _ om een crisis te bezweren. Het was een periode waarin kloosterkerken, rusthuishuiskapellen en andere niet-parochiale gebedsruimten stelselmatig werden afgebroken of van hun liturgische functie ontheven. Het verschil tussen parochiaal en niet-parochiaal is in deze essentieel. Kerkfabrieken, onderworpen aan een publiekrechterlijk regime, staan onder streng toezicht. Ze zijn verplicht hun rekeningen en begroting aan de gemeente, bisdom en provincie voor te leggen. Daar staat tegenover dat lokale overheden verplicht zijn financiële tekorten bij te passen, meteen een goede reden waarom ze met hun neus bovenop herbestemmingsdossiers zitten. Heel wat oude kerken zijn overigens eigendom van steden en gemeenten, een situatie die aan de Franse revolutie te danken is. Het reeds vermelde concordaat maakte geen einde aan de nationalisering van parochiekerken. De meeste kerkgebouwen bleven openbaar bezit, met die restrictie dat ze verplicht ter beschikking van de eredienst werden gesteld, onder beheer van een kerkfabriek. Dat keurslijf ontbreekt bij kloosters, abdijen of inrichtende machten van scholen of rusthuizen. De ontmanteling van privaatrechterlijke kerken en kapellen was dan ook een feest voor antiquairs en brocanteurs die voor een prikje complete inboedels konden verwerven, in zoverre die niet zonder meer op het containerpark werden gedumpt. Het CRKC kon gelukkig heel wat waardevolle stukken redden en in het eigen depot opslaan. Dat zit intussen bomvol, voor de aanzwellende tsunami van roerend parochiaal erfgoed zijn andere oplossingen aangewezen.

Het zijn vuistregels uit het stappenplan: laat staan wat mag of moet blijven staan. Bestem de rest zoveel mogelijk lokaal, bij voorkeur met een liturgische of religieuze functie. De unieke kandelaar voor paaskaarsen of het fraaie wierrookvat kunnen banale exemplaren in een naburige kerk vervangen. Sommige rusthuizen maken graag een plek vrij voor een mooi Mariabeeld. Uitzonderlijk waardevolle stukken horen uiteraard in een museum thuis. Klinkt logisch, maar Annemie Van Dyck weet beter.  ‘Je moet echt leuren om een stuk geplaatst te krijgen. Vlaamse musea leggen een terminale onverschilligheid voor religieus erfgoed aan de dag. Helaas spoort dat met de houding van onze maatschappij. De huidige generatie heeft geen benul van de waarde van ons religieus patrimonium’. Van Dyck deed tien jaar expertise op bij het CRKC, sinds begin dit jaar werkt ze als freelance erfgoedconsulent. Op haar palmares staat onder meer de inventaris van de veelbesproken Sint-Annakerk in Gent, evenals een gezaghebbend boek over religieus textiel. ‘Misschien is dit een voorbijgaande fase’, zegt ze, ‘Ik heb soms het gevoel dat we ons nog altijd aan het afzetten zijn tegen de Kerk als instituut. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn. We moeten ons religieus erfgoed vrijwaren voor de toekomstige generaties die het wel naar waarde zullen schatten’.

Kerk in Nood

Bij het CRKC leggen ze er de nadruk op: bij herbestemming weegt de lokale en heemkundige betekenis even zwaar als de kunsthistorische waarde. Een beeld van middelmatige kwaliteit kan het voorwerp hebben uitgemaakt van lokale devotie, in de kerk of in de processie. Idem voor een banaal schrijn met een reliek van een patroonheilige. Dergelijke identitieitsbepalende stukken worden bij voorkeur lokaal bewaard. Toch gaat er heel wat religieus erfgoed de grens over, vaak richting Oost-Europa waar een halve eeuw communisme grote gaten in de kerkelijke menagerie heeft geslagen. Een organisatie zoals Kerk in Nood heeft al menige vrachtwagen richting Polen, Hongarije of Slowakije gestuurd. Meubilair, kelken, zelfs kazuifels komen er nog van pas. Verrassend genoeg is ook Frankrijk een afnemer. ‘De wet op de laïcité van 1905 heeft de Franse kerken zowat kaalgestript”, zegt Jan Klinckaert. ‘Nu het parochieleven in enkele regio’s zoals het Zuidwesten een voorzichtige heropbloei kent, kampen ze met tekorten. We hebben zelf onlangs een mooie abdijretabel op transport naar Bayonne gezet’. Voor een deel van de inboedels echter is een herbestemming met liturgische, museale of heemkundige meerwaarde geen optie. Vermarkten valt te overwegen, tenminste als er geen canonieke bezwaren zijn. De vraag naar plaasteren beelden of koperen kandelaars is echter niet onbeperkt. Een tombola of uitverkoop voor het goede doel kan een oplossing zijn voor onverwoestbare maar ongemakkelijk zittende kerkstoelen. Toch kan niet worden vermeden dat grote hoeveelheden kerkgoederen roemloos op het containerpark of bij de schroothandelaar eindigen.

Ook onze kerken hebben vorige eeuw een beeldenstorm beleefd. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) heeft er met zijn aggiornamento stevig ingehakt. De mis, niet langer in het latijn maar in de volkstaal, moest worden opgedragen in een kader zonder tierelantijntjes en klatergoud. In de drang naar versobering vlogen de kroonluchters en beelden met dozijnen tegelijkertijd de kerkdeur uit, in Schelderode werden zelfs de fresco’s van het koor met saai wit overschilderd. Zo’n vaart zal het met de herbesttemmingsgolf niet lopen, maar de Mechelse erfgoedconsulent Patick De Greef is er toch niet gerust op. Door het gebrek aan expertise en de grote tijdsdruk dreigt er volgens hem een erfgoedkundige aderlating. Hij maakt zijn punt bij een plaasteren beeld in de Sint-Albertuskerk in deelgemeente Muizen, reeds aan de eredienst onttrokken en op weg naar een toekomst als wijkcentrum. ‘Kunsthistorisch is dit beeld waardeloos’, zegt De Greef. ‘Toch is het bijzonder, want niemand weet wie het voorstelt. Deze mysterieuze heilige staat in geen enkel iconografisch naslagwerk. Of neem het wierrookvat dat we bij het inventariseren hebben ontdekt. Klein, sober, zwart uitgeslagen, maar wel handgeslagen zilver. Een uniek stuk, we kunnen alleen gissen naar de herkomst. Vermoedelijk komt het uit een Waalse abdij en werd het door de kerkfabriek als welkomsgeschenk aan een pas benoemde pastoor gegeven. Als je even niet oplet, belandt zo’n stuk bij het oud ijzer. Voor topwerken is er geen gevaar, er zal heus geen Rubens of Van Eyck verloren gaan. Het is de categorie daaronder, de minder opvallende parels in de bulk, die me zorgen baart. De verleiding is immers groot om er met de grove borstel doorheen te gaan. Een herbestemming is voor de veelal gepensionneerde vrijwilligers van een kerkfabriek een loodzware opdracht die ze bovendien met frisse tegenzin moeten klaren. Want met of zonder kerkenbeleidsplan, velen zijn boos omdat uitgerekend hun kerk wordt opgedoekt. Heel wat bestuurders geven er de brui aan, het is trouwens bekend dat de bisdommen nauwelijks nog vrijwilligers vinden om de overblijvende kerkfabrieken te bevolken. Geen wonder, want door de megafusies wegen de verantwoordelijkheden veel zwaarder. Kerkfabrieken zouden geprofessionaliseerd moeten worden’.

superpli’s

De ontmanteling van de Sint-Albertuskerk, eigendom van de stad Mechelen, is een pilootproject van CRKC en de provincie Antwerpen. In lijn met het stappenplan werd eerst geïnvesteerd in een lokaal draagvlak. Behalve de stedelijke erfgoeddienst en de kerkfabriek zaten lokale verenigingen en betrokken parochianen mee aan de tafel. Eens de knoop over de herbestemming doorgehakt, verschoof de focus naar de inboedel. De kerkfabriek huurde De Greef in om de inventaris te maken. De historicus en stadsgids heeft zich gespecialiseerd in kerkelijk erfgoed. Koorkappen, stola’s, manipels, dalmatieken en superpli’s, weinigen kunnen zoals hij begeesterend praten over religieus textiel. Maar De Greef is ook beslagen in kerkmeubilair, en over religieus vaatwerk maakt niemand hem iets wijs. Wie het verschil wil kennen tussen een miskelk en een ciborie is bij hem aan het goede adres. ‘We beseffen niet welke schatten er in onze kerken liggen’, zegt hij. ‘Zilversmeden, houtbewerkers, brokaatwevers, hun namen zijn onbekend, maar het waren toppers in hun vak. Ze werkten in opdracht van kerkfabrieken, maar ook van rijke families die wilden bijdragen aan de luister van een kerk en het heil van hun ziel. De productie van kerkgoederen was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke nijverheid. In Mechelen waren tientallen gespecialiseerde ateliers en winkels. Dit is natuurlijk de zetel van het aartsbisdom, maar ook in Antwerpen was er een belangrijke industrie. In deze kerk hebben we op twee mooie heiligenbeelden uit de 19de eeuw de namen van twee verschillende Antwerpse ateliers ontdekt. Het zou zonde zijn dat allemaal weg te gooien, want we weten nog maar bitter weinig af van die hele 19de eeuwse nijverheid. Zelfs de 20ste eeuwse periode, toen er van artisnale naar machinale productie werd overschakeld, is niet te versmaden. Stadelmaier, dat was de Gucci van de religieuze mode. Pokkeduur, een standaardset met een kazuifel, een koorkap en twee dalmatieken kostte een half huis. Sint-Albertus was een arbeidersparochie met een arme kerkfabriek. Toch hebben we in de sacristie een Stadelmaier gevonden. Oudere parochianen kenden het verhaal nog. Pastoor Mollekens had zijn ietwat vermogende parochianen aangepord om te doneren voor zijn Stadelmaier. Hij was dan wel herder op een arbeidersparochie, hij wilde goed voor de dag komen. Geweldig toch? De verhalen zijn even waardevol als de spullen waaraan ze kleven’.

gedenkpenningen van processies die ooit jaarlijkse uitgingen in Schelderode. (foto: Jonas Lampens)

De Greef bouwde met het stappenplan zijn eigen drietrapsraket: inventariseren, waarderen en uitvoeren. Het eerste spreekt voor zichzelf. Opmeten, fotograferen, beschrijven, per object was hij een half uur tot een uur kwijt. Bij de tweede stap boog een gemengde commisie zich over de inventaris, gecomprimeerd tot 150 ensembles. Van depot over museum en rusthuis tot vermarkten en afvoeren naar het containerpark, per lot werd een consensueel besluit genomen dat nog op uitvoering wacht. ‘Het is allemaal ontzettend tijdrovend’, zegt De Greef. ‘De waarderingsronde heeft een tiental vergaderingen gekost. Sint-Albertus is maar een bakstenen kerkje uit 1903 met weinig belangwekkend erfgoed. Binnenkort komen ook middeleeuwse kerken aan de beurt, met erfgoed van voor de Franse revolutie. We staan voor een titanenklus’.

Sabotage Doel 4 na vijf jaar nog altijd een mysterie

Loopt de saboteur nog altijd rond in de kerncentrale van Doel?

Knack, 31 juli 2019

Hij is even ongrijpbaar als de reus van de Bende van Nijvel: de saboteur van Doel. Al vijf jaar jaagt het federaal parket op de M/V die de stoomturbine van Doel 4 naar de Fillistijnen hielp. De kans bestaat dat de dader nog altijd in de kerncentrale rondloopt, maar geen paniek. Stand van zaken over een onderzoek zonder einddatum.  

foto: Wikimedia Commons

Vijf jaar na datum blijft het een mysterie: wie heeft op 5 augustus 2014 de stoomturbine van Doel 4 gesaboteerd? Het is een vraag van vele miljoenen. De 1.500 ton zware turbine moest helemaal gedemonteerd worden, een grap van 30 miljoen. Daarbovenop slikte eigenaar Engie-Electrabel een exploitatieverlies van ruim 100 miljoen euro. Doel 4, met een capactiteit van 1039 megawatt de grootste van de 7 Belgische kernreactors, kon pas eind december 2014 opnieuw stroom leveren. Het is niet overdreven te spreken van de grootste industriële sabotage in de naoorlogse geschiedenis van dit land. Logisch dus dat het federaal parket, bevoegd voor nucleaire dossiers, alle registers opentrok om de dader te vatten.

De speurders, bijgestaan door experts van Electrabel en het nucleair controleagentschap FANC, gingen uit van een inside job. De sabotage werd gepleegd door in een afgesloten ruimte in de immense turbinezaal een veiligheidsklep te openen. Gevolg: 65.000 liter smeerolie vloeide via een hoogdebietsleiding pijlsnel weg. Ondanks het onmiddellijke stilleggen van de reactor, kon een ravage niet worden vermeden. De 50 meter lange as van de turbine raakte oververhit en smolt zich letterlijk in de kogellagers, met enorme schade als gevolg. De piste van een technisch defect of een menselijke fout werd vrijwel meteen uitgesloten. De dader, zich duidelijk bewust van het feit dat de plaatsdelict zich buiten cameratoezicht bevond, had eerst een ketting met hangslot doorgenknipt. Na het opendraaien van de leiding, manipuleerde hij de stang van de afsluiter zodanig dat die bij een oppervlakkige visuele controle in gesloten positie leek te staan. Daardoor werden operatoren en technici misleid toen ze die dinsdagochtend in paniek op zoek gingen naar de oorzaak van het snel wegzakkende oliepeil.

leugendetector

Op het eerste gezicht was het onderzoek een haalbare kaart. Alleen de zowat zestig  werknemers die op het moment van de feiten in Doel 4 aan het werk waren, konden zich toegang verschaffen tot de ruimte van het oliereservoir. Behalve eigen Electrabel-personeel omvat die groep technici van onderaannemers zoals Alstom, Siemens en Vinçotte, naast medewerkers van bewakings- en onderhoudsfirma’s. Het is dus geen zoektocht naar de spreekwoordelijke speld in de hooiberg, zeker omdat heel wat van die verdachten snel kon geëlimineerd worden als potentiële dader. Eind december 2014 meldde VTM Nieuws dat nog slechts een dertigtal verdachten aan een preventief toegangsverbod tot alle nucleaire centrales bleef onderworpen.

De speurders beschikken over alle instrumenten die ze zich kunnen wensen, van leugendetector tot het arsenaal van observatie- en informatietechnieken voorzien in de wetgeving op de bijzondere opsporingsmethodes (BOM). Een doorbraak leverde dat evenwel niet op. Eind 2016 rapporteerden verschillende media dat het federaal parket op het punt stond het dossier af te sluiten met als conclusie “dader onbekend”. Dat scenario werd voorkomen doordat Electrabel om bijkomende onderzoeksdaden heeft gevraagd. Toch weten we vijf jaar na datum weinig meer dan in februari 2015 toen Knack een eerste stand van zaken opmaakte. Het onderzoek loopt nog altijd, maar er werd nog niemand in staat van verdenking gesteld.

Hoe kan dat in zo’n belangrijke aangelegenheid? Niet alleen de economische schade is gigantisch. De reputatie van Engie-Electrabel als nucleair operator en bij uitbreiding van de hele Belgische kernenergiesector kreeg een dreun, ook al werd de sabotage buiten het eigenlijke reactorgebouw gepleegd. Het federaal parket blijft zoals bij alle vorige verjaardagen zuinig met commentaar. ”Over lopende onderzoeken wordt niet gecommuniceerd’, zegt woordvoerder Eric Van Der Sypt die geen doorbraak of einddatum in het verschiet wil stellen. Discretie is troef, we vissen zelfs tevergeefs naar de bevestiging dat het om sabotage van binnenuit gaat, zoals algemeen wordt aangenomen. Wel pleit Van Der Sypt verzachtende omstandigheden voor het uitzonderlijk lang aanslepen. Het gaat om een moelijk onderzoek. Materiële aanwijzingen zijn schaars, bruikbare tips blijven helemaal achterwege. Er was ook pech mee gemoeid. Een van de leidende speurders werd vorig jaar door een hartaderbreuk geveld, met alle tijdverlies vandien. Toch licht Van Der Sypt een tipje van de sluier op. ‘Wie zegt dat we nog geen verdachten in beeld hebben’, vraagt hij retorisch. ‘Verdenkingen koesteren is echter één zaak, het vinden van bewijzen iets helemaal anders. Zoals ik al zei: het gaat om een heel moeilijk onderzoek’.

Insider threat

Over dat gerechtelijk onderzoek wil ook het FANC zoals verwacht niks kwijt. Wel wenst woordvoerdster Ines Venneman nogmaals te benadrukken dat de nucleaire veiligheid op 5 augustus 2014 op geen enkel moment in gevaar is geweest. Dat het FANC onmiddellijk na het incident een resem extra beveiligingsmaatregelen aan Engie-Electrabel oplegde, is eveneens oud nieuws. Zowel in Doel als Tihange werden massaal camera’s bijgeplaatst. Programmeerbare badges zorgen ervoor dat alleen bevoegden nog toegang hebben tot bepaalde gebouwen of installaties. In een groot deel van de centrales geldt het vierogenprincipe: werknemers moeten altijd door een collega worden vergezeld als ze zich bijvoorbeeld in het reactorgebouw begeven, zodat ze elkaar kunnen controleren. Het zijn allemaal maatregelen gericht op insider threat, een fenomeen dat in de literatuur wordt omschreven als het “misbruik maken van toegang tot kennis of infrastructuur om de eigen organisatie schade te berokkenen”, een noemer waaronder behalve sabotage ook industriële spionage past. Je zou het een lichtpunt in deze zaak kunnen noemen: de sabotage in Doel 4 heeft van het FANC een voortrekker gemaakt in de internationale strijd tegen dit gevaar. In maart was Brussel het toneel voor het symposium ‘Insider Threat Mitigation’, een gezamelijke organisatie van het FANC en zijn Amerikaanse tegenhanger NNSA. 200 experts uit 50 landen staken gedurende drie dagen in werkgroepen en panels de koppen bij elkaar. Voornaamste doel was het vlotter uitwisselen van best practices, zoals voorzien in een omzendbrief van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) waarmee intussen al 28 landen en Interpol zich hebben geëngageerd om insider threat aan te pakken.  

Het Belgische gastheerschap was een ietwat twijfelachtige eer, want de aanleiding was bij alle deelnemers bekend. De sabotage in Doel 4 blijft een veelbesproken case in de wereld van nucleaire operatoren en regulatoren, een relatief kleine maar hechte club. Geen wonder, want het gaat om een incident zonder voorgaande. Harvard-professor Matthew Bunn, gespecialiseerd in topics zoals nucleaire diefstal en terrorisme, kende ons land in zijn keynote lezing een glansrol toe. Opvallend was dat hij niet alleen naar de gesaboteerde stoomturbine verwees. Bunn tilde even zwaar aan de zaak Ilyass Boughalab, een gesneuvelde Syrië-strijder uit Lokeren die drie jaar lang voor onderaannemer Vinçotte in Doel lasnaden mocht inspecteren, ook in de nucleaire delen van de centrales. Dat deed hij overigens naar algemene tevredenheid, Boughalab nam in 2012 zelf ontslag. Pas daarna radicaliseerde hij om in 2014 naar Syrië te vertrekken waar hij al in maart zou omgekomen zijn, wat overigens niet kon beletten dat hij later op het Sharia4Belgium-proces bij verstek tot vijf jaar werd veroordeeld. Dat de timing iedere link met de sabotage in Doel 4 uitsluit, hield Harvard-professor Bunn niet tegen om beide zaken op één en dezelfde slide te presenteren. Het FANC wijst op het ontbreken van enig verband, maar benadrukt tegelijkertijd dat de screening van nucleair personeel de allerhoogste prioriteit geniet. Sollicitanten worden sowieso door politie, Staatsveiligheid, Defensie en de Nationale Veiligheidsoverheid (NVO) tegen het licht gehouden. Dezelfde procedure geldt voor personeel van onderaannemers of eender wie toegang krijgt tot een kerncentrale.  ‘Maar we gaan nog een stap verder’, zegt woordvoerdster Venneman. ‘Momenteel werken we aan nieuwe richtlijnen voor aftercare. We willen meer structuur in de screening, en een betere interne opvolging na de aanwerving’.

complottheorieën

Tom Sauer, professor internationale politiek en expert nucleaire veiligheid en ontwapening aan de Universiteit Antwerpen, speelde op het symposium de rol van panelleider. Hij is niet verrast door de visie van collega’s zoals Bunn. ‘Voor vele buitenlanders is de sabotage van Doel 4 een terroristische daad’, zegt hij. ‘Zeker in Amerika twijfelt niemand daaraan. Ik was op de Nuclear Security Summit van 2016 die in Washington plaats vond, toevallig enkele dagen na de aanslagen van Brussel. Iedereen legde meteen de link met Doel 4, een case waarover trouwens nog altijd druk wordt nagekaart. Ook in de wandelgangen van het symposium werd er volop over gespeculeerd’. Iedereen stel zich dezelfde vragen. Wie was de saboteur? En wat zijn motief? Ze kunnen ook in meervoudsvorm worden gesteld, want het valt niet uit te sluiten dat er meerdere daders waren. De populaire terrorismetheorie spoort op het eerste gezicht met omstandigheden die in feite pas na de sabotage ontstonden. Vanaf begin 2015, de aanslag op Charly Hebdo, raakte ook ons land in de greep van radicalisering en terreurdreiging. Bij het oprollen van de terreurcel achter de aanslagen van Parijs en Brussel, bleek dat kopstukken zoals Abdelhamid Abaaoud een ongezonde belangstelling voor nucleaire doelwitten in België en omliggende landen koesterden. Zo werden computerbeelden ontdekt van de privéwoning van een topman van het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) in Mol, vermoedelijk bedoeld als voorbereiding van een ontvoering. Maar dat alles speelde zich in 2015 en 2016 af, lang na de sabotage.

Zelf hecht Sauer meer belang aan een tweede piste die vooral in de Belgische nucleaire community rondzoemt: sabotage door een of meerdere gefrustreerde werknemers van de kerncentrale. Motieven voor sabotage op het werk zijn in de criminologie goed bestudeerd, ze strekken van wraaklust over hebzucht tot mentale problemen en, jawel, radicalisering. Voor de laatste drie zijn er geen aanwijzingen. Blijft dus over het wraakmotief. Heeft iemand de smeeroliekraan opengedraaid uit frustratie over een gemiste promotie, een nakend ontslag of een onuitstaanbare overste? Speculaties hebben de neiging tot complottheorieën samen te klonteren. De sabotage zou niet los kunnen gezien worden van de context waarin de Belgische kernindustrie in de zomer van 2014 opereerde. De regering Di Rupo had twee jaar eerder besloten de reeds in 2003 voorgenomen kernuitstap deels uit te voeren door alvast Doel 1 en Doel 2 in de loop van 2015 defintief af te schakelen. Was het saboteren van Doel 4 een manier om deze klap voor de nucleaire industrie en de bijbehorende tewerkstelling te verijdelen? Het actiemiddel lijkt absurd radicaal, al sluiten believers van deze theorie niet uit dat de daders de gevolgen van hun al bij al simpele ingreep ietwat hebben onderschat. Dat de sabotage werd gepleegd terwijl de scheurtjescentrales Doel 3 en Tihange 2 al bijna twee jaar stillagen, past dan weer in het denkkader. Het langdurig uitvallen van de grootste Belgische reactor kon niet anders dan de onmisbaarheid van D1 en D2 voor de bevoorradingszekerheid extra te onderstrepen. ‘Ik heb die versie tijdens het symposium door iemand uit de sector horen uiteenzetten’, zegt Sauer. ‘Het werd niet als een complottheorie verteld’.

zwaard van Damocles

D1 en D2 draaien nog altijd. Eind 2015 besloot de regering Michel de levensduur van beide reactoren met tien jaar te verlengen. ‘Klopt’, zegt Nele Scheerlinck, communicatieverantwoordelijke van kerncentrale Doel. ‘Maar dat had weinig of niks met de sabotage in Doel 4 te maken, die beslssing werd ingegeven door bekommernissen omtrent de bevoorradingszekerheid. Er leefden toen toen grote twijfels over het importeren van buitenlandse stroom om eventuele tekorten op te vangen’. Doel 4 saboteren om de toekomst van de Belgische kernindustrie te vrijwaren? Volgens Scheerlinck is het te gek voor woorden. ‘Zo’n dader zou wel erg wereldvreemd zijn geweest’, zegt ze. ‘Wie ook maar een beetje vertrouwd is met de sector kent de negatieve perceptie van de Belgische kernindustrie. Vooral in onze buurlanden staan we op een slecht blaadje, ieder akkefietje in Doel of Tihange wordt er buiten proportie geblazen. Om maar te zeggen: de sabotage was wel de slechts mogelijke dienst die men ons kon bewijzen. Dit heeft niet alleen ontzettend veel geld gekost, de reputatieschade voor Electrabel valt niet te schatten’.

Scheerlinck bevestigt wel wat we uit verschillende bronnen vernamen: de sabotage is in Doel nog niet verteerd. Verschillende medewerkers zijn vertrokken om aan de verziekte sfeer te ontsnappen. Maatregelen zoals het 4 eyes-principe dragen niet bij tot de arbeidsvreugde. Het door het FANC opgelegde en door de vakbonden gecontesteerde verbod op smartphones in de centrale evenmin. ‘Dat speelt ons zelfs parten bij het rekruteren van jonge medewerkers’, zegt Scheerlinck. En dan is er nog het gerechtelijk onderzoek dat als een zwaard van Damocles boven Doel hangt. Een tiental eigen medewerkers gaat nog altijd gebukt onder bijzondere restricties. Ze mogen bepaalde delen van de centrale helemaal niet betreden en worden in tegenstelling tot collega’s permanent aan de vierogenregel onderworpen. ‘Dat zorgt voor frustraties”, geeft Scheerlinck toe. ‘In de ondernemingsraad of tijdens informeel overleg tussen directie en personeel komen al jarenlang dezelfde vragen terug. Hoe staat het met het onderzoek? En vooral: wanneer worden die beperkingen opgeheven? Helaas kunnen we geen antwoord geven. Engie-Electrabel heeft zich uiteraard burgerlijke partij gesteld, maar toch weten we verrassend weinig over de voortgang van het onderzoek. Door allerlei privacyregels hebben onze advocaten maar een beperkte inzage in het dossier. We hebben wel een lijst met medewerkers die nog niet buiten verdenking werden gesteld. Die krijgen we via het FANC, maar in feite komt ze van het federaal parket. Zelf hebben we daar niets aan te zeggen’.

Dat leidt onvermijdelijk tot deze conclusie: het federaal parket sluit niet uit dat de saboteur _ of saboteurs _ nog altijd rondloopt in de kerncentrale van Doel. Scheerlinck beaamt maar relativeert het risico. ‘Veiligheid hangt in onze sector niet af van een individu, zelfs niet als dat individu slechte bedoelingen heeft. Screening, vorming, interne controle, onze procedures worden voortdurend geëvalueerd en bijgesteld. We hebben een robuust systeem’. En toch gebeurde vijf jaar geleden het ondenkbare. Scheerlinck zucht diep. ‘Geloof me’, zegt ze. ‘Niemand is er meer op gebrand de waarheid te kennen dan Electrabel. Wij zijn tenslotte het voornaamste slachtoffer in dit verhaal’.

Brazilië op de schop: de wittebroodsweken van Jair Bolsonaro

Knack Magazine, 30 januari 2019

Jair Bolsonaro heeft zijn start niet gemist. De extreemrechtse president van Brazilië signeert aan de lopende band decreten die schokgolven door zijn land jagen. De beurs van Sao Paulo piekt, mijnbouwbedrijven en agro-industriëlen juichten, verdedigers van inheemse volkeren en landloze boeren zien hun ergste vrees overtroffen. ‘De Trump van de Tropen? Ik zie hem meer als een Braziliaanse Duterte’.

foto: Wikipedia

Niemand zal Jair Messias Bolsonaro een gebrek aan daadkracht verwijten. Nauwelijks drie weken na zijn eedaflegging heeft de extreemrechtse, populistische president al een resem verregaande besluiten genomen. Buitenlandse ngo’s worden aan banden gelegd. De erkenning van reservaten voor inheemse volkeren verhuist van de Fundação Nacional do índio (FUNAI) naar het ministerie van landbouw. Het ministerie van cultuur wordt simpelweg opgedoekt, en vorige week vaardigde hij een decreet uit om de regelgeving op particulier wapenbezit drastisch te versoepelen.

Zonder uitzondering betreft het maatregelen die hij tijdens zijn campagne had aangekondigd. Deze president maakt zijn beloftes waar, is de boodschap voor zijn achterban. De vliegende start doet onvermijdelijk denken aan de wittebroodsweken van zijn Amerikaanse ambstgenoot. Bolsonaro, die eind oktober met 55 procent afgetekend de verkiezingen won van zijn sociaaldemocratische uitdager Fernando Haddad, wordt niet zomaar de Trump van de Tropen genoemd. Qua grof taalgebruik doet de gewezen militair en zakenman niet onder voor de bewoner van het Witte Huis. Schofferen van vrouwen, homo’s, Afro-Brazilianen en andere minderheden is zowat zijn handelsmerk. Hij belijdt openlijk zijn heimwee naar de militaire dictatuur, pleit voor vrij wapenbezit en de herinvoering van de doodstraf, noemt klimaatopwarming een linkse samenzwering en doet kritische journalisten af als leugenachtig gespuis. Economisch staat hij voor een ultraliberale koers. De agro-industrie en mijnbouw, twee sterkhouders van de Braziliaanse export, mogen door niets of niemand worden belemmerd, vooral niet door milieu-overwegingen of rechten van inheemse volkeren. In die zin is het uitkleden van de FUNAI een teken aan de wand. Brazilië telt zo’n 180 inheemse volkeren. Die leven lang niet allemaal in beschermde reservaten, maar toch zijn de terras indíginas, nagenoeg allemaal gelegen in het Amazonewoud, goed voor 13 procent van Braziliaanse grondgebied. Bolsonaro wil morrelen aan de beschermde status. Het openstellen van de inheemse reservaten voor land- en mijnbouw was één van zijn meest omstreden programmapunten.

Dom André

De vraag is of de soep zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend. Presidentiële decreten krijgen pas uitwerking als ze binnen de drie maanden door het parlement worden goedgekeurd. Toch is de ongerustheid van mensenrechtenorganisaties, milieu-activisten en belangenorganisaties van inheemse volkeren de voorbije weken tot paniekniveau aangezwollen. Ook de samenstelling van Bolsonaro’s kabinet belooft immers een extreemrechts, ultra-conservatief beleid. Paulo Guedes, superminister van economie en handel, is een volbloed neoliberaal geschoold aan de befaamde Chicago School of Economics. De evangelische predikante Damares Alves, een intima van Bolsonaro, krijgt behalve familie en vrouwenzaken de gekortwiekte FUNAI onder haar hoede. Nog een opmerkelijke naam is die van justitieminister Sergio Moro, de  voormalige anticorruptie-magistraat die een hoofdrol speelde bij de afzetting van de socialistische president Dilma Roussef. Moro was bovendien de federale rechter die vorig jaar tussenkwam om Dilma’s voorganger, de wegens corruptie veroordeelde maar nog altijd populaire Lula da Silva, achter de tralies te houden waardoor hij geen politieke comeback kon maken. Van de 22 ministerposten worden er liefst zeven door oud-generaals bekleed. Vrouwen moeten het met twee portefeuilles stellen, terwijl het kabinet geen enkele Afro-Braziliaan of andere kleurling telt.

‘Het is nog erger geworden dan ik had gevreesd’, zegt André De Witte, een Vlaamse priester-missionaris die sinds 1994 bisschop is van Ruy Barbosa in de Noord-Oostelijke deelstaat Bahia. ‘Bolsonaro koestert een viscerale haat tegen alles wat progressief is. Ik vrees voor de rechtstaat, al moet ik daar eerlijkheidshalve aan toevoegen dat die al langer onder vuur ligt. Bolsonaro is immers niet uit de lucht komen vallen, je kunt zijn verkiezing beschouwen als het sluitstuk van een rechtse machtsgreep die begonnen is met de afzetting van Dilma. Ze werd niet eens van corruptie beschuldigd, haar enige misstap is het afleiden van fondsen van één departement naar een ander, een budgettaire kunstgreep die alle deelstaatregeringen en lokale besturen wel eens gebruiken. De rol van de nieuwe justitieminister Moro is erg dubieus. Op het moment dat hij als rechter Lula buiten spel zette, was hij al met Bolsonaro zijn politieke carrière aan het plannen’.

André De Witte, naar Bahia vertrokken in 1976, op het hoogtepunt van de militaire dictatuur, is een naam binnen de Braziliaanse kerk. De uitgeweken Oost-Vlaming, agronoom van opleiding, is voorzitter van de Comissão Pastoral da Terra (CPT), een invloedrijke organisatie binnen de Braziliaanse bisschoppenconferentie die opkomt voor kleine en landloze boeren. Dom André haalde zich in september de woede van Jair Bolsonaro en diens aanhangers op de hals, nadat hij een pastorale brief had gepubliceerd met een nauwelijks verholen stemadvies tegen de extreemrechtse presidentskandidaat. ‘Nochtans heb ik die brief geen namen genoemd’, zegt hij. ‘Maar kort nadien werd ik door een Zwitserse webkrant geïnterviewd. Het stuk werd vanuit het Frans naar het Portugees vertaald, met inbegrip van de titel. “Braziliaanse bisschop noemt Bolsonaro een echt gevaar”, stond er. Dat deed veel stof opwaaien, maar ik ben ondertussen niet van mening veranderd. Integendeel, zijn decreet op de verkoop van vuurwapens doet het ergste vermoeden. Vorig jaar vielen 68.000 doden bij schietparijen en bendegeweld, een absoluut record. Maar burgers bewapenen is niet de oplossing, het aantal slachtoffers zal zelfs nog oplopen. Erger nog is dat de nieuwe wapenwet kan leiden tot het criminaliseren van bewegingen zoals de MST en de MTST, ogansiaties die opkomen voor landloze boeren en dakloze arbeiders’.

Hij illustreert het met een voorbeeld uit zijn eigen bisdom: een conflict tussen landloze boeren en een rijke dokter, tevens eigenaar van een onbebouwd stuk land van 1.300 hectaren. We skippen de uitleg over complexe wetten die door de eigenaar en de bezetters verschillend werden geïnterpreteerd. Feit is dat de CPT aan de kant stond van de zowat 40 families die het betwiste land hadden bezet. Grond dient om te bewerken en niet om mee te speculeren, is het credo. ‘In de toekomst kan een eigenaar bij zo’n bezetting meteen naar de wapens grijpen’, maakt dom André zijn punt. ‘ Wettige zelfverdediging, zal hij roepen met de nieuwe wapenwet in de hand’.

Boi, Bíblia en Bala

Luc Vankrunkelsven neemt naar eigen zeggen het woord fascist niet licht in de mond. ‘Maar op Bolsonaro is het van toepassing’, zegt hij. ‘Hoe bestempel je anders een president die verklaart dat je pas een goede politieagent bent als je iemand hebt doodgeschoten? De Trump van de Tropen wordt hij genoemd, maar ik denk dat de vergelijking met de Filippijnse  president Duterte meer steek houdt’. Als Norbertijn van Averbode staat Vankrunkelsven enkele trappen lager in de katholieke hiërarchie dan een bisschop. Hij is echter evenzeer als Dom André  begaan met het lot van kleine boeren en landlozen in Brazilië. De bezieler van Wervel, de beweging voor een gezonde en rechtvaardige landbouw, woonde jarenlang in Brazilië en verblijft er nog geregeld. Hij publiceert aan de lopende band, zowel in het Nederlands als in het Portugees. Zijn jongste boek, ‘De Kikker die zich niet laat koken’ gaat onder meer over de wisselwerking tussen de klimaatverandering, de Braziliaanse agro-industrie en het Europese landbouw- en consumptiemodel.

‘Bolsonaro’s verkiezing bewijst nogmaals hoezeer het cliché van de drie B’s klopt’, zegt hij. ‘Boi, Bíblia en Bala, dat is waar de Braziliaanse politiek om draait.  Bala, kogel, symboliseert de invloed van leger, politie en de wapenindustrie. De B van Bijbel spreekt voor zichzelf. Bolsonaro leunt sterk op de neo-pinksterkerken, zeg maar protestantse secten die uiterst reactionaire ideeën propageren, onder meer over vrouwenrechten, lgbt’s maar ook over inheemse volkeren. Ze krijgen geld en steun vanuit Amerika, een bekend verhaal. Onder Ronald Raegan werden protestantse sekten gezien als bondgenoten om de volgens Washington te linkse Katholieke Kerk te verzwakken. Die sekten hebben vorig jaar een grote rol gespeeld in de vuile oorlog op de sociale media. Vooral via Whatsapp werden tonnen bagger en leugens over Fernando Haddad en andere tegenstanders van Bolsonaro uitgestort’. 

Het is de B van Boi die hem het meest vertrouwd is. Het rund staat in deze voor de macht van de agro-industrie die volgens Vankrunkelsven niet los kan worden gezien van de cruciale grondkwestie. ‘Brazilië is een land waar 1 procent van de bevolking 44 procent van de landbouwgronden controleert. Sommige grootgrondbezitters hebben meer dan 100.000 hectaren in handen, maar hun honger naar areaal voor exportteelten zoals soja, maïs, suikerriet en katoen blijft groot. Ontbossing is het gevolg, een proces dat volgens een vast stramien verloopt. Eerst slepen ze het hout weg, dan plaatsen ze er koeien, en vervolgens komt er soja of maïs. Drie keer langs de kassa, met nefaste gevolgen voor de biodiversiteit en het klimaat. Tussen onze overconsumptie van vlees en de ontbossing in Brazilië loopt een rechte lijn. De echte opmars van de agro-industrie speelde zich de voorbije jaren in de Cerrado af, de Braziliaanse savanne. Daar spreekt hier niemand over, terwijl het wel om een 40 miljoen jaar oud ecosysteem gaat dat zich over elf deelstaten en twee miljoen vierkante kilometer uitstrekt. Met Bolsonaro dreigt de expansie zich nu ook naar het Amazonewoud te verbreiden. De grootgrondbeziiters en agro-tycoons hebben zich nooit neergelegd bij de bescherming van inheemse gebieden, een uitvloeisel van de progressieve grondwet die na het einde van de militaire dictatuur in 1985 werd geschreven. Daarin staat dat inheemse volkeren recht hebben op hun eigen leefgebied, een principe dat vanaf de jaren negentig heeft geleid tot het systematisch erkennen van terras indígenas. Het uitkleden van de FUNAI is dan ook erg verontrustend. Het is Bolsonaro menens met zijn belofte de reservaten open te stellen voor exploitatie. Hij heeft trouwens ook al aangekondigd het Braziliaanse Agentschap voor Milieubescherming (IBAMA) aan banden te leggen, een belangrijke instelling die onder meer satellieten inzet tegen illegale ontbossing en vervuiling’.  

Misschien loopt het allemaal zo’n vaart niet. Brazilië wordt niet per decreet bestuurd. Bolsonaro, wiens partij PSL 51 van de 513 congreszetels veroverde, moet in het parlement meerdere coalitiepartners vinden om zijn drieste plannen door te voeren. ‘Bovendien ligt veel macht bij de deelstaten’, zegt Vankrunkelsven. ‘Al is dat is niet per se een geruststellende gedachte, want ook daar zie je dezelfde ruk naar rechts. Recent nog heeft de gouverneur van Paraná enkele moeizaam bevochten beperkingen op het sproeien van giftige bestrijdingsmiddelen in de soja- en maïsteelt teruggeschroefd, onder druk van de agronegócio’.

Yanomani

Anne Ballester is nog niet bekomen van de verkiezingsuitslag die ze ter plaatste heeft vernomen. De Française is eind november teruggekeerd, na 24 jaar onder de Yanomani-indianen te hebben gewerkt. Eerst als onderwijzeres, de laatste tien jaar als coördinator van Os Rios Profundos, een ngo die overigens door de Vlaamse acteur Dirk Van Dijck werd opgericht. ‘Het Yanomani-reservaat werd al in 1992 erkend’, zegt ze. ‘Het is een van oudste en meteen ook het grootste van de terras indígenas. Liefst 96.000 km2, een derde daarvan op Venezolaans grondgebied. De bescherming aan de Braziliaanse kant is grondwettelijk verankerd, maar dat stelt me niet gerust. Bolsonaro wil niet alleen alle lopende demarcatiedossiers terugdraaien, hij zal ongetwijfeld proberen om ook het statuut van erkende reservaten open te breken. Zijn aanval op de FUNAI is nog maar een begin’.

Volgens Ballester komt de grootste bedreiging niet van de de agro-industrie. ‘De gronden in het Amazonewoud zijn kwetsbaar en weinig geschikt voor landbouw. Dat zie je ook op de plekken waar er werd ontbost. De eerste oogst is een succes, de tweede al veel minder, en na de derde blijft er een woestijn over. Het zijn vooral de mijnbouwbedrijven die likkebaardend naar de reservaten kijken. Diamanten, goud, olie, er valt veel te rapen. Blijkbaar zitten de Yanomani bovenop een van ’s werelds grootste reserves van niobiumerts, een erg zeldzame grondstof voor een metaallegering die in smartphones en batterijen wordt gebruikt. Hoe hoger de prijzen op de wereldmarkt, hoe luider de eis van de mijnbouwbedrijven om die te ontginnen’. Ondanks de arme bodem is er wel degelijk druk vanuit de landbouw, en niet alleen van de agro-industrie. Kleine  en landloze boeren, vissers of quilombos, afstammelingen van gevluchte slaven. Het zijn niet alleen grootgrondbezitters die een begerige blik op de inheemse gebieden werpen. Nogal wat arme Brazilianen hebben oren naar Bolsonaro wanneer die fulmineert dat de bescherming van inheemse volkeren buiten proportie is. Als sluwe demagoog hanteert hij daarbij verheven, humanistische argumenten. Het opsluiten van indianen in reservaten, afgesneden van de zegeningen van de beschaving, is niet meer van deze tijd.

Anne Ballester proeft het cynisme in die redenering. ‘Bolsonaro heeft helemaal geen verheven bedoelingen. Hij beschouwt de inheemse volkeren zelf als een obstakel voor de vooruitgang. Buiten de beschermde omgeving van de reservaten zal hun cultuur letterlijk verdampen, een proces dat al volop aan de gang is. In de favelas van Sao Paulo leven al duizenden straatarme Guaraní. Ze hebben helemaal geen kans om zich in de maatschappij te integreren. De vorige president Michel Temer heeft de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs voor 20 jaar bevroren, ondanks de immense noden die onder meer inheemse bevolkingsgroepen ervaren. Bolsonaro wil nog harder gaan besparen. Onmiddellijk na zijn eedaflegging heeft hij meer dan 8.000 Cubaanse artsen uitgewezen, een slag in zijn ideologische oorlog met Havanna. De meeste Cubanen waren actief in afgelegen, straatarme dorpen, vaak in inheemse gebieden waar Braziliaanse dokters niet willen werken. Daar heeft Bolsonaro natuurlijk lak aan. Humanistische overwegingen? Als hij zijn zin krijgt, eindigen alle indianen als verschoppelingen in de favelas’.

55 procent van de stemmen, dat moet je verdienen. Bolsonaro’s overwinning kan niet louter aan de drie B’s en Whatsapp worden toegeschreven. Zijn populistische stijl en neoliberale discours sloegen aan in brede lagen van de maatschappij. ‘Ik heb moeite met zijn machopraatjes over vrouwen of lgbt’s’, zegt Grace Keli de Aguilar Gomes, een Braziliaanse experte die Belgische bedrijven met export- of investeringsplannen begeleidt. ‘Maar afgezien daarvan ben ik heel enthousiast. Bolsonaro is nog maar drie weken ingezworen, maar we merken nu al de impact in ons bedrijf. Het aantal vragen over exportkansen en investeringen in Brazilië is enorm gestegen. Ook van mijn contacten in Brazilië hoor ik dat er een nieuwe wind waait. Bolsonaro wil de bedrijfsbelastingen en invoerrechten drastisch verminderen. Dat zal tot meer investeringen en banen leiden, een goede zaak voor alle Brazilianen’. Echt verrassend is haar visie niet. Onmiddellijk na Bolsonaro’s verkiezingsoverwinning schoot de beurs van Sao Paulo naar een recordhoogte. Helaas hebben de Yanomani geen aandelen.

Leopold II versus Patrice Lumumba: de koloniale monumentenstrijd

Knack, 15 mei 2018

“Pas als we ons van die koloniale vooroordelen bevrijden, kunnen Afro-Belgen zich echt emanciperen”

Nergens in Europa staan meer koloniale monumenten dan in België. Tot stijgende ergernis van vele vooral jonge Afro-Belgen. Bordjes met context zullen niet volstaan. Sommigen willen Leopold II van zijn sokkel, in schande met de baard naar de grond gekeerd. De nakende inhuldiging van een Lumumbasquare in Brussel doet oud-kolonialen intussen het ergste vrezen. “Tervuren is in handen van gefrustreerde Congolezen gevallen”.

DSCF1019

De Bolwerksquare behoort tot de minder gezellige pleinen van de hoofdstad. Volk passeert er genoeg, de uitgang van metrohalte Naamsepoort zorgt voor een gestage stroom passanten. Zelden echter blijft iemand er langer dan noodzakelijk hangen. Shoppers slaan gezwind de Elsensesteenweg in, pendelaars benen met flukse pas naar de vele kantoren langs de Kleine Ring. Zou iemand de naam van de rommelige transitzone kennen? De kans is klein, maar daar komt binnenkort verandering in. Vanaf 30 juni heet deze plek officieel de Lumumbasquare. Ook wie geen straatnaamborden leest, zal er niet naast kunnen kijken. Op termijn moet er een monument verrijzen ter nagedachtenis van Patrice Emery Lumumba, de eerste premier van de onafhankelijke staat Congo die op 17 januari 1961 door politieke rivalen werd vermoord. Met impliciete maar effectieve Belgische steun, zo weten we sinds ons land op aanbeveling van de parlementaire Lumumba-commissie in 2002 excuses presenteerde aan de nabestaanden en aan het Congolese volk.

Toch zal de Bolwerksquare niet verdwijnen. De naamsverandering beperkt zich tot een hoekje van het plein dat op het grondgebied van Brussel-stad ligt. Bekend is dat de 19 hoofdstedelijke gemeenten niet uitblinken in het coördineren van beleidsmaatregelen. Dat verklaart evenwel niet waarom Elsene, bevoegd voor driekwart van de Bolwerksquare, weigert mee te stappen in het eerbetoon. Jarenlang hebben actiegroepen geijverd voor een Lumumbaplein achter de Sint-Bonifatiuskerk, in het hart van de ‘Congolese’ Matongéwijk in Elsene. Onbespreekbaar voor MR-burgemeester Dominique Dufourny die aan het hoofd staat van een coalitie met de PS, de partij nota bene van de Brusselse burgemeester Philippe Close die twee weken geleden juist uitpakte met zijn Lumumba-initiatief. Kenners van de hoofdstedelijke politiek spreken van een electorale zet. Anders dan algemeen wordt aangenoment telt Brussel-stad veel meer Congolese Belgen dan Elsene, in totaal een dikke 6.000. Potentiële kiezers dus die de PS op 14 oktober hoopt te verleiden. Zeker in Brussel-stad, waar socialisten en liberalen elkaar rauw lusten, telt iedere stem in strijd om het politieke leiderschap.

Che Guevarra

Bij Mireille Tsheusi-Robert heeft Close alvast gescoord. ‘Een uitstekende locatie’, zegt ze. ‘Het monument wordt zelfs zichtbaar vanaf de Kleine Ring. De Lumumbasquare wordt de nieuwe poort van de Matongéwijk’. Tsheusi-Robert is voorzitter van de Bamko, een feministische Afro-Belgische vereniging die met vier gelijkgezinde actiegroepen de campagne voor het Lumumba-eerbetoon trekt. ‘Dat doen we al sinds 2003’, zegt ze. ‘De eerste aanzet kwam van wijlen acteur en muzikant Dieudonné Kabongo. Geen toeval, er zijn veel artiesten die zich achter deze zaak hebben geschaard. Voor ons is dit is een grote stap: eindelijk erkenning van de rol die Congolezen in de geschiedenis hebben gespeeld. Ken je het gezegde? Jachtverhalen worden altijd door jagers en nooit door leeuwen verteld. Zo is het ook met manier waarop België naar zijn koloniaal verleden kijkt. Het perspectief van de de onderdrukten, de Congolese bevolking, ontbreekt volkomen. Dit is slechts een begin, ons doel is België echt te dekoloniseren. Bewustmaking is daarbij de voornaamste opdracht. Vooral het geschiedenisonderwijs moet beter. Een op de vier Franstaige scholieren weet niet eens meer dat Congo ooit een Belgische kolonie was’.

Ook Nadia Nsayi, beleidsmedewerker Centraal-Afrika bij Pax Christi en Broederlijk Delen, gewaagt van een doorbraak. ‘Ik was reeds als student in Leuven actief in deze campagne’ , zegt ze. ‘Natuurlijk is Lumumba omstreden. Veel Belgen houden hem verantwoordelijk voor het geweld dat onmiddellijk na de onafhankelijkheid is losgebarsten. Ook de Congolezen zijn verdeeld, vooral in de Kasai-streek nemen ze hem het bloedig neerslaan van de secessie kwalijk. Dat neemt niet weg dat Lumumba een icoon is van de dekolonisatie-strijd. Tot ver buiten Congo, je kunt zijn status haast vergelijken met die van Che Guevarra. Binnen de Afro-Belgische gemeenschap staat een overgrote meerderheid achter dit eerbetoon’. Nsayi hoopt dat Brussel navolging krijgt, bij voorkeur in steden die zichtbaar van de koloniale rijkdom hebben geprofiteerd. ‘Ik denk bijvoorbeeld aan Oostende en Antwerpen, mijn eigen stad. Het is nog niet zover, zeker onder het huidige stadsbestuur. Brussel, met zijn grote en goed georganiseerde Congolese gemeenschap, loopt vooruit. Maar ook in Antwerpen en andere Vlaamse steden stel ik een groeiende dynamiek vast. Die richt zich niet alleen op de figuur van Lumumba, het gaat om de manier waarop we op ons koloniaal verleden terugblikken’.

geamputeerde armen

Aan actiecomités en burgerbewegingen is er inderdaad geen gebrek. Afro-Belgen trekken de kar, vaak met de hulp van wisselende coalities waarin alle tinten links herkenbaar zijn, van syndicaal en groen over andersglobalistisch tot anarchistisch en klein-links. Niet zelden kristalliseert de locale dynamiek rond een monument of straatnaambord. Zo ook in Mons, het bolwerk van burgemeester en PS-voorzitter Elio Di Rupo die zijn Brusselse collega en partijgenoot Close in feite de loef heeft afgestoken. In september al keurde de gemeenteraad unaniem een motie goed om het portaal van het stadhuis met een Lumumbaplakaat op te smukken, en om alvast uit te kijken naar een geschikte straat of plein die de naam van de vermoorde Congolese premier zal dragen. Het plakaat komt te hangen tegenover een bronswerk met halfverheven figuren, in 1930 geplaatst als hulde aan de Belgische pioniers van Congo Vrijstaat. Bordjes in evenwicht, zo gaat de redenering.

De motie kwam er typisch genoeg na een betoging van dekolonisatie-activisten voor het standbeeld van Leopold II in Mons. Ze bepleisterden het monument met slogans en de intussen welbekende foto’s van werkonwillige rubberkappers met geamputeerde armen, bewijzen van de gruwelen die werden gepleegd toen Congo Vrijstaat nog als een privé-ondermening van de Belgische koning werd gerund. Het draaiboek voor de actie lag klaar. Te paard, ten voeten uit of als buste, standbeelden van de baardige monarch kregen het de voorbijen jaren hard te verduren. In januari werd de buste van Leopold II in het Dudenpark in Vorst door onbekenden ontvoerd en vervangen door een met vogelzaad afgewerkt exemplaar. Antikoloniale, iconoclastische guerrilla heeft intussen een lange traditie. Legendarisch was de actie van het anarchistische collectief De Stoete Ostendenoare dat in 2004 een hand van een beeld uit het monument ‘De Drie Gapers’ afzaagde. Het verminkte beeld stelde een Congolees voor, beaat opkijkend naar een imposant ruiterbeeld van Leopold II die volgens het opschrift de Congolezen van de slavernij der Arabieren heeft bevrijd.

 Pater De Deken

Aan vandalisme of iconoclasme heeft Seckou Ouologuem zich nooit gewaagd. De Antwerpse slam poet en performer met Malinese roots nam wel het voortouw bij een actie om pater Constant De Deken van zijn voetstuk in Wilrijk te halen. De missionaris-Scheutist staat te boek als een ontdekkingsreiziger en antropoloog, een kwalificatie die hem niet belette om zijn reiservaringen in Congo Vrijstaat met gierend racistische clichés te doorspekken. Decennialang had pater De Deken ongecontesteerd op zijn sokkel in zijn geboortestad gestaan. Na een tijdelijke verhuizing als gevolg van openbare werken zou hij naar de Bist terugkeren, zo stond in het bestuursakkoord dat N-VA, CD&V en Open VLD in 2012 voor het district hadden afgesloten. ‘Toen pas viel het ons op hoe flagrant racistisch dat beeld is’, zegt Ouologuem. ‘De missionaris plant zijn knie in de rug van een knielende Congolees, het lijkt wel een symbool van witte suprematie en zwarte onderwerping’. De verontwaardiging leidde tot de oprichting van Decolonizebelgium, een burgerbeweging van dichters, rappers en slammers uit verschillende landen. Het collectief maakte tijdens een sit-in zijn eis bekend: er moest een bordje bij het standbeeld met historisch correcte uitleg over de missionaris en zijn tijdsgewricht. Pas na lang soebatten stond het districtsbestuur een compromis toe. Decolonizebelgium mocht op eigen kosten een bordje maken, in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Midden Afrika in Tervuren. Echt bevredigen doet die uitkomst niet. ‘Het beeld staat nog altijd op een prominente plek’, zegt Ouologuem. ‘Ze hebben er zelfs een spot op gezet zodat het ’s avonds des te meer opvalt’.

bron: standbeelden.be

bron: standbeelden.be

De polemiek, die meer dan een jaar aansleepte, legde een diepe kloof bloot. De actievoerders botsten op een muur van onwil en onverschilligheid. Waarom moeilijk doen over een monument dat in de loop der jaren met het straatbeeld was vergroeid? En mochten ze in Wilrijk alstublieft een beetje trots zijn op die ene telg die ooit geschiedenis heeft geschreven? In 2012 was Pater De Deken de spil van de jaarlijkse Erfgoeddag. Niemand was er over gestruikeld, en ook de bewoners van Pater De Dekenstraat hebben nooit geklaagd. ‘Voor het bordje met context moesten we samenwerken met de plaatselijke heemkundige kring’, zegt Ouologuem, ‘een club met nul diversiteit in de rangen. Ook daar bekeken ze De Deken louter als de onverschrokken ontdekkingsreiziger en bevlogen missionaris die zijn leven had gegeven om de zegeningen van het christelijk geloof op het donkere continent te verspreiden. Die onwetendheid leeft in heel Vlaanderen. Burgemeesters of lokale bestuurders weten niet hoe te reageren als ze met kritische vragen over koloniale monumenten worden geconfronteerd. Ze zijn allemaal universiair geschoold, maar tijdens hun hele onderwijstraject hebben ze geen woord over het kolonialisme gehoord, laat staan over Belgisch Congo’.

Anti-kolonialistische Denkmal

Moeten we koloniale monumenten uit het straatbeeld verwijderen en naar een museum verhuizen? Mireille Tsheusi-Robert en Nadia Nsayi klonken genuanceerd. Verwijderen hoeft niet meteen, maar contextualiseren is een must. Even belangrijk vonden ze aandacht voor de andere kant van het koloniale plaatje. ‘Het mag niet blijven bij één Lumumbaplein’, aldus Tsheusi-Robert. ‘Er moet veel meer publieke erkenning komen voor slachtoffers en tegenstanders van racisme en kolonialisme. Als feministe vind ik dat er ook vrouwen bij moeten. Iemand als Winnie Mandela verdient zeker een straat in België’.

Idesbald Goddeeris, professor koloniale geschiedenis aan de KU Leuven, pleit wel voor een selectieve beeldenstorm. ‘Natuurlijk kun je niet alle monumenten zomaar weghalen, zeker niet als ze in de lokale geschiedenis zijn ingebed. Maar ik verzet me tegen de eenzijdigheid van het straatbeeld. We hebben in België wel erg veel monumenten ter verheerlijking van ons koloniale verleden. De meeste dateren uit het interbellum, het hoogtepunt van de koloniaal-patriottische propaganda. Leopold II had de kolonie in 1908 aan België overgedragen, in een schandaalsfeer nadat internationaal commotie was ontstaan over wreedheden in Congo Vrijstaat. De monumenten moesten helpen om die pijnlijke bladzijde om te slaan en de bevolking warm te maken voor de koloniale onderneming. In een moeite door werden Leopold II en zijn hele Congo Vrijstaat gerehabiliteerd, dankbaar gebruik makend van de gezwollen patriottische sfeer en de monarchistische cultus rond koning-ridder Albert. Daarom staan er zoveel pioniers van de Vrijstaat op een sokkel, voornamelijk Belgische militairen die in feite slechts een klein aandeel hadden in de stichting. Voor de vele buitenlanders en missionarissen die een even grote rol speelden, was er veel minder brons of marmer beschikbaar’.

Niet alleen het aantal koloniale beelden, plakaten en naamborden maakt België uniek. Even frappant is volgens Goddeeris het ontbreken van de koloniale subjecten in de publieke ruimte. ‘In Londen staat Ghandi, nochtans een van de voortrekkers in de strijd tegen het Britse kolonialisme, op Parliament Square. Nederland heeft verschillende monumenten voor de slachtoffers van de slavernij, in Bremen staat een antikolonialistische Denkmal. Wij hebben niks, en precies daarom is het toekomstige Lumumbaplein in Brussel zo’n belangrijk symbool. Overigens, ik vind niet dat alle koloniale monumenten moeten verdwijnen. Laten we geval per geval oordelen, afhankelijk van de plaatselijke dynamiek. Maar gecontessteerde monumenten mogen voor mijn part weg. Gemeentebesturen weten doorgaans niet wat ermee aan te vangen. Waarom dan geen museum van koloniale propaganda oprichten, of een beeldentuin zoals in Boedapest of Moskou, waar ze een collectie communistische beelden in een park hebben gedropt. Het alternatief, de bordjes met context die de voorbije jaren bij verschillende beelden werden geplaatst, is niet efficiënt. De meeste van die teksten zijn wollig, onvolledig en naast de kwestie’.

Veel animo voor een afschot onder de koloniale monumenten heeft Goddeeris nog niet vastgesteld. Integendeel zelfs, er komen er nog bij. In 2008 werd in Deinze een vergeten beeld van Jules Van Dorpe, een houwdegen van de Congo Vrijstaat, prominent op een heraangelegd plein geplaatst. ”Het lokale bestuur zag het louter als een decoratieve opportuniteit’, zegt Goddeeris, ‘ze hadden wellicht geen benul van de bedenkelijke reputatie die aan Van Dorpe kleeft. Erger nog was Genval waar drie jaar eerder een borstbeeld van Leopold II in ere werd hersteld. Dat was geen onwetendheid maar pure symboliek. In koloniale kringen waren ze in die periode erg verbolgen over King Leopold’s Ghost, de bestseller van de Adam Hochschild die definitief het imago van Leopold II als koloniale massamoordenaar heeft gevestigd. Het beeld in Genval was daar een reactie op’.

Jacques de Dixmude

Waarmee meteen de vraag rijst: wie zit in de koloniale monumentestrijd in het kamp van Leopold en co? Identitair rechts lijkt een beredeneerde gok. De aanvallen op het koloniaal erfgoed kunnen gezien worden als de zoveelste veldslag in de sluipende cultuuroorlog. Afro-migranten die net zoals andere minderheden aan de historische grondvesten van onze witte maatschappij knagen. Maar zo eenduidig is het niet, blijkt uit een artikel dat Goddeeris in een historisch vakblad publiceerde. Pakweg tien jaar geleden stond het Vlaams Belang op de barricaden tegen Leopold II en zijn koloniale helden, een manier om de monarchie en de Belgische instellingen in discrediet te brengen. In Wilrijk echter wierp de plaatselijke partijafdeling zich op als onvoorwaardelijke verdediger van ‘onze’ Pater De Deken, belaagd als hij werd door gekleurde nieuwkomers van wie sommigen zelfs een islamitische geloofsovertuiging aankleefden. In Diksmuide voerde de N-VA het verzet aan tegen het pompeuze monument van Jacques de Dixmude, held van zowel de Congo Vrijstaat als van het Ijzerfront. Voor de gelegenheid stonden antikolonialisten en flaminganten schouder aan schouder, zij het niet per se met dezelfde motieven. Voor de N-VA was Generaal Jacques niet alleen een koloniale geweldenaar, maar vooral een franskiljon wiens standbeeld na WOI door het Belgisch establishment werd opgedrongen.

inlander kijkt bewonderend op naar Alphonse Jacques de Dixmude (foto: toerisme West-Vlaanderen)

inlander kijkt bewonderend op naar Jacques de Dixmude (foto: Westhoek.be)

De echte oppositie tegen de koloniale beeldenstormers zit uitgerekend bij datzelfde establishment. Misschien ligt het aan de leeftijd, maar de vertegenwoordigers zijn minder zichtbaar in het debat en vooral minder aanwezig in de sociale media dan de dekolonisatie-activisten. Wie heeft ooit gehoord van UROME-KBUOL, een koepel waarvan de Nederlandstalige afkorting staat voor Koninklijke Belgische Unie voor de Overzeese Landen? ‘We tellen 32 aangesloten verenigingen’, zegt woordvoerder Robert Devriese. ‘Samen zo’n 3.000 leden die banden hebben met Congo, Rwanda en Burundi. Ook twee Congolese verenigingen hebben zich aangesloten, een ervan draagt zelfs de naam van Leopold II. Weinig Belgen beseffen dat, maar vele Congolezen koesteren het grootste respect voor Leopold II als stichter van hun land’.

Devriese is een gepensioneerde diplomaat die in Congo werd geboren en getogen. Als 12-jarige maakte hij in Leopoldstad de onafhankelijkheid mee. Het Brussels eerbetoon aan hoofdrolspeler Patrice Lumumba ligt hem zwaar op de maag. ‘Het is hoog tijd om die figuur te demystifiëren’, zegt hij. ‘Lumumba was helemaal geen staatsman, de meeste Congolezen haten hem als de pest. Lumumba had veel bloed aan zijn handen, vraag dat maar in Kasai of in Katanga. Moet je zo’n man op een voetstuk plaatsen? Ik begrijp dat er een behoefte leeft aan monumenten voor Congolezen. Maar waarom polariseren? Voor mijn part mogen ze de Grote Markt in Brussel omdopen tot Plein van de Belgisch-Congolese Samenwerking. Of als ze per se een standbeeld willen: kies dan voor Etienne Tshisekedi, die heeft echt gestreden voor zijn volk. Ik heb dat allemaal opgeschreven in een open brief aan de Brusselse burgemeester. Niet dat ik me illusies maak, want dat hele Lumumbaplein is in de allereerste plaats een verkiezingsstunt. De stem van de Afro-Belgen weegt veel zwaarder dan de onze, want electoraal stellen oud-kolonialen niks voor’.

Museum van Tervuren

Dat betekent niet dat ze geen invloed hebben. Devriese maakt er geen geheim van dat hij en zijn medestanders politici hoog en laag aanklampen om hun punt te maken. Het verzet van Elsene tegen een Lumumbaplein werd mede door KBUOL ingefluisterd. De grote luisterbereidheid bij de MR hoeft overigens niet te verwonderen. Als het koloniale, koningsgezinde establishment ergens op de ledenlijst weegt, dan is het wel bij de Franstalige liberale partij waar een aristocratische stamboom weinig opzien baart. De overwegend bejaarde KBUOL-bestuurders hebben er intussen een dagtaak aan: reageren op iedere actie tegen koloniale monumenten. ‘Ze gaan echt te ver’, zegt Devriese. ‘In Hasselt wilden ze Leopold II neerleggen, met zijn gezicht naar de grond gekeerd, als teken van schaamte. Daar hebben we gelukkig een stokje voor gestoken, dank zij onze goede contacten met de burgemeester’. Dat koloniale monumenten een doorn in het oog zijn van Afro-Belgen, daar kan de gewezen diplomaat naar eigen zeggen geen enkel begrip voor opbrengen. ‘Daarmee bewijzen de actievoerders alleen maar hun gebrek aan historische kennis. Ja, de kolonisering van Congo draaide in de eerste plaats rond exploitatie en ging gepaard met onrecht en geweld. Dat was in alle kolonies het geval, maar België heeft er wel iets voor in de plaats gesteld. Bij de onafhankelijkheid in 1960 was Congo het rijkste land van Afrika. Kijk waar ze nu staan, drie generaties na de onafhankelijkheid’.

Intussen wordt in Tervuren naarstig gewerkt. In december gaat het vernieuwde Afrika-museum open, na een renovatie van 5 jaar die op 66 miljoen euro werd begroot. Naar de vernieuwde permanente tentoonstelling wordt reikhalzend uitgekeken. Voor de meeste Belgen is Tervuren de eerste en vaak ook enige kennismaking met zowel Midden Afrika als ons koloniaal verleden. Roger Devriese is er niet gerust op. ‘Het gaat de verkeerde kant op’, klaagt hij. ‘Tervuren is in handen gevallen van gefrustreerde Congolezen en fanatieke antikolonialisten. Stel je voor, ook daar wilden ze Leopold in de inkomhall strijk leggen, met zijn gezicht op het marmer. Gelukkig is Tervuren een beschermd monument waar ze zich niet alles kunnen veroorloven’.

Luipaardman

Bambi Ceuppens, als cultureel antropologe verbonden aan het Afrika Museum en nauw betrokken bij de transformatie, voelt zich niet aangesproken. ‘We gaan niet over een nacht ijs’, zegt ze. ‘Zo worden alle teksten door internationale peer reviewers nagelezen. Een permanente tentoonstelling bouwen is een zware verantwoordelijkheid, dat beseffen we heel goed’. Ze kan Devriese geruststellen: het wordt geen beeldenstorm noch een tabula rasa. Het in goudletters gevatte huldebetoon aan het genie van de louter door beschavingsijver gedreven Leopold II? Blijft gewoon zichtbaar in de majestueuze inkomhall.  ‘De stempel van Leopold II blijft nadrukkelijk’, zegt Ceuppens. ‘Niet alleen het gebouw maar ook de inboedel is beschermd. Tervuren blijft wat het altijd al was: het belangrijkste koloniaal monument van ons land. Binnen dat kader moeten we ons verhaal vertellen. Daar zit de breuk met het verleden: we gaan bijvoorbeeld veel meer aandacht besteden aan het hedendaagse Congo, en aan de manier waarop het koloniale verleden daarin blijft doorwegen. En ja, sommige iconische stukken verdwijnen uit de permanente tentoonstelling. Zoals de bekende Luipaardman, een beeld dat zowat alle racistische clichés over zwart Afrika en zijn primitieve bewoners samenvat. Maar de liefhebbers mogen gerust zijn: de Luipaardman blijft in Tervuren. We gaan die samen met soortgelijke beelden in een aparte ruimte ontsluiten’.

Luipaardman in Tervuren (foto: Afrikamuseum Tervuren)

Luipaardman in Tervuren (foto: Afrikamuseum Tervuren)

Ook binnen de Afro-Belgische gemeenschappen weerklinken kritische stemmen over de dekolonisatie-beweging. Volgens sommigen is het een symboolstrijd die de aandacht afleidt van de reële problemen die recent nog door de Koning Boudewijnstichting in kaart werden gebracht. De werkloosheid onder de 110.000 Congolese, Rwandese en Burundese Belgen ligt vier keer hoger dan gemiddeld, ondanks een bovengemiddeld opleidingsniveau. 80 procent van de respondenten noemde zich slachtoffer van racistische beledigingen en allerlei vormen van discriminatie, onder meer op de huisvestingsmarkt. Opvallend: de meesten legden een verband met de koloniale blik die op Afro-Belgen rust. Bambi Ceuppens is de laatste om zich daarover te verwonderen. ‘Zwaren worden in België nog altijd als minderwaardig bekeken’, zegt  ze. ‘Goed in dans en sport, maar onmogelijk serieus te nemen. Die paternalistische blik is sinds de onafhankelijkheid nauwelijks veranderd. Daarom is dit geen achterhoedegevecht. Pas als we ons van die koloniale vooroordelen bevrijden, kunnen Afro-Belgen zich echt emanciperen’.

Blackboard jungle in Vlaanderen: leerkrachten delen in de klappen

Humo, 6 maart 2018

“Ze heeft me tegen de muur geduwd en een paar stompen in de maag verkocht. Ik was te verbouwereerd om te reageren”

Geweld tegen leerkrachten is al lang geen zaak meer van rondvliegend bordkrijt. Karatetrappen en vuistslagen, het gaat er bijwijlen ruig aan toe. De schade is niet alleen lichamelijk, want ook doodsbedreigingen hakken er stevig in. Humo onderzocht een kwaal die veel weg heeft van een taboe. “Ze woog hoop en al 45 kilo, maar ze hebben me met vijf man moeten bevrijden toen ze aan mijn hals hing”.

illustratie: Stijn Felix

illustratie: Stijn Felix

Het beeld blijft Stefaan (*) achtervolgen. De dreigende vuist, klaar om zich vol in zijn gezicht te planten. Naast de vuist het van woede vertrokken gezicht van de leerling die hem luttele seconden eerder was aangevlogen. Vier maanden later weet hij nog altijd niet wat hem het meest heeft getraumatiseerd. De stekende nekpijn na het incident, uitgerekend op de plek waar hij een jaar eerder werd geopereerd? Of toch de vernedering die lang na de aanval bleef nazinderen? ‘Het ging allemaal zo snel’, zegt de leraar metaalbewerking. ‘Ik hield toezicht op de speelplaats, de bel was net gegaan. Een leerling van het derde vertikte het om in de rij te gaan staan. Geen jongen van mijn klas, maar ik kende hem wel. Ik had hem al twee keer aangemaand, zonder resultaat’.

Misschien had hij zijn derde aanmaning beter anders  geformuleerd. “Hang nu eens niet de aap uit en ga op je plaats staan”.  Een beetje cru, geeft hij toe, maar in een TSO-school in Antwerpen hoor je echt wel straffere taal. ‘Ik denk niet dat het woord aap verkeerd is gevallen’, zegt Stefaan. ‘Ik stond op school bekend als een flapuit, iets wat door de leerlingen altijd werd geapprecieerd. Met die jongen had ik trouwens een goed contact, ik snap nog altijd niet waarom hij ineens door het lint is gegaan. De aanval trok natuurlijk de aandacht, zijn klasgenoten kwamen meteen rond ons staan. Potige jongens, terwijl ik zelf nogal klein van stuk ben. Het was erg intimiderend, ik werd ingesloten en als een speelbal heen en weer geduwd. De hele tijd hing die jongen aan mijn nek, terwijl hij me uitdaagde en met zijn vrije hand een vuist maakte. Ook de leerlingen van mijn eigen klas kwamen erbij, zonder een vinger uit te steken om me te helpen. Dat vond ik heel erg’.

Stefaan, die klacht indiende bij de politie, bleef wekenlang arbeidsongeschikt. Zijn ervaring zal op termijn doorsijpelen in de statistieken van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, het  officiële kenniscentrum van het Vlaams onderwijs. In december publiceerde AGODI cijfers over agressie tegen onderwijzend personeel. In het kalenderjaar 2016 werden 81 leerkrachten het slachtoffer van fysiek geweld met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. In driekwart van de gevallen waren leerlingen de daders, maar 11 keer werd die rol door ouders of andere familieleden gespeeld. Veruit de meeste feiten werden in het secundair onderwijs gepleegd, al vielen er ook 19 slachtoffers op de lagere school te betreuren. Omdat sommige dossiers door het parket worden onderzocht, zijn er voor 2017 nog geen definitieve resultaten beschikbaar. De 81 cases uit 2016 gaven alvast aanleiding tot verontrustende krantentitels. Agressie tegen leerkrachten bijna verdubbeld, viel her en der te lezen. ‘Dat klopt niet’, zegt AGODI-woordvoerder Katrien Rosseel. ‘Die conclusie werd getrokken door te vergelijken met 2015, een uitzonderlijk rustig jaar. 81 ligt dicht bij het meerjarig gemiddelde, en alleszins veel lager dan de 120 gevallen die in het topjaar 2007 werden geregistreerd’.

reputatieschade

Geruststellend? Niet als je naar Annie (*), gewezen directrice van een katholieke basisschool in Brussel, intussen rondreizend lerarenbegeleider in Vlaanderen, luistert. ‘AGODI registreert alleen de zwaarste gevallen waarvan een proces-verbaal werd opgemaakt of een dossier voor arbeidsongeschiktheid. Dat is slechts het spreekwoordelijke topje van de ijsberg.  In principe moet elk geval van agressie worden opgetekend, in sommige scholen ligt daarvoor een incidentenregister klaar. Maar dat gebeurt niet systematisch. Onder druk van de directie, die bang is voor reputatieschade. Of door zelfcensuur. Heel wat leerkrachten zien op tegen de administratie of twijfelen aan het nut van zo’n registratie. Sommigen voelen zich bovendien schuldig. Ook al hebben ze geen fout gemaakt, ze ervaren zo’n incident toch als een persoonlijk falen. Het blijft een enorm taboe in het onderwijs’.

Dat hebben we mogen ondervinden toen we op zoek gingen naar getuigen. Verschillende leerkrachten verklaarden zich bereid. Maar geen namen alstublieft, en de school mocht zeker niet herkenbaar worden getypeerd.  Kathleen (*) _  de pseudoniemen en asterisken stonden gelukkig afgeprijsd in de lokale supermarkt _ zit al maanden thuis op doktersvoorschrift. ‘Ik heb nochtans geen letsel opgelopen’, zegt ze. ‘Ik voel me ook niet ziek. Maar als ik alleen nog maar denk aan de school, begin ik al te hyperventileren’. Kathleen gaf in het Stedelijk Onderwijs Antwerpen verschillende horeca-vakken in het BSO en TSO. Op een donderdag in november liep het mis. ‘Het begon met een banale discussie’, zegt ze. ‘Ik vroeg een van de meisje om te stoppen met eten tijdens de les. Dagelijkse kost, iedere lesuur begint bij ons met een worsteling. Stop met gsm’en, frisdranken weg, haal die voeten van de bank. Vooraleer je aan de stof begint, ben je een kwartier politieagent aan het spelen. Eigen aan de schoolpopulatie vrees ik, er zitten haast alleen allochtonen,  vaak met een achtergrond van kansarmoede. Opvoeden begint thuis, luidt een oude wijsheid. Veel van onze kinderen hebben geen thuis, laat staan ouders die begaan zijn met hun opvoeding.  Een moeilijk publiek. Ik heb eerder in het deeltijds onderwijs gestaan waar onder meer jongens met een enkelband zaten. Veel dankbaarder dan zo’n klas meisjes uit het derde BSO schoonmaak of bejaardenzorg’.

‘Misschien had ze een slechte dag, maar dat meisje was na de les nog altijd boos. Toen ik haar gsm wilde teruggeven, snokte ze die uit mijn handen waardoor het ding op de grond viel. Toen is ze ontploft. Ze heeft me tegen de muur geduwd en een paar stompen in de maag verkocht. Ik was te verbouwereerd om te reageren’.

handboeien

Klappen heeft Annie nooit geïncasseerd. Maar als verbale agressie een oosterse vechtsport was, dan droeg haar belager een zwarte gordel. Verwijten, persoonlijke beledigingen tot en met onverholen doodsbedreigingen, hij beheerste het hele repertoire. De demonstratie speelde zich af op de lagere school in Brussel waar ze toen directrice was. ‘Er golden in Brussel strikte inschrijvingsregels’, zegt ze . ‘Tot 31 januari konden broers en zussen worden ingeschreven, daarna werden de resterende plaatsen voor Nederlandstalige kinderen gereserveerd. We hadden alle ouders daarover een brief gestuurd, ook aan de Marokkaanse vader die al twee kinderen op onze school had. Toch heeft hij tot februari gewacht om zijn derde kind in te schrijven. Dat kon ik dus niet, de regels van het Lokaal Overlegplatform (LOP) lieten het eenvoudigweg niet toe.  Hij wond zich op, ook al probeerde ik hem te helpen. Na de voorrangsperiode voor Nederlandstalige kinderen bleven er altijd wel enkele plaatsen over. Een ervan was voor zijn dochtertje, dat kon ik beloven. Hij wilde niet luisteren en werd steeds agressiever, tot we er de politie moesten bijhalen Dat tafereel heeft zich de volgende twee dagen herhaald, het kabaal was in de hele school te horen. De laatste keer heeft de politie hem met handboeien moeten afvoeren, voor het oog van de kinderen op de speelplaats. Het was een verschrikkelijke ervaring’.

Het voorval had nare gevolgen voor het schoolklimaat. Marokkaanse ouders trokken collectief partij voor de vader. Die had klacht neergelegd bij wat toen nog het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding heette. ‘Een teleurstellende ervaring ‘, zegt Annie. ‘Hun onderzoek was totaal partijdig, de medewerker had zijn conclusies al voor ons gesprek klaar. Ik heb geen probleem met diversiteit, ik heb zelf 20 jaar voor de klas gestaan in Brussel, ik zou nergens anders les kunnen geven’.  Het is uiteindelijk nog goed gekomen met die vader, na een herstelgesprek met een bemiddelaar van de gemeente. Dat deze feiten zich bijna tien jaar geleden afspeelden, doet volgens Annie niks af aan hun relevantie. ‘Integendeel’, zegt ze. ‘Ik hoor steeds meer verhalen van agressie, vooral verbaal. Dat laatste wordt vaak onderschat. Bedreigingen komen hard binnen, dat is psychische terreur van het zuiverste water. Denk vooral niet dat het om een grootstedelijk probleem gaat. Als lerarenbegeleider bestrijk ik intussen heel Vlaanderen. Ook in de provincie hoor ik in de lerarenkamer dezelfde verhalen. Leerlingen die hun leerkrachten afdreigen. ‘Wacht maar tot na de school, we zullen je wel weten te vinden! Het is ook zo gemakkelijk geworden, met de gsm trommelen ze zo hun vrienden bij de schoolpoort op’.

zware hernia

Slapstick, zo zou je het kunnen noemen. De setting is een provinciaal gelegen school voor buitengewoon onderwijs. In de scene zien we  Sofie (*) spurten rond een tafel, een Curver box vol gsm’s onder de arm geklemd. Haar achtervolger is een sprietig meisje van 15, bezeten door blinde razernij die werd uitgelokt door een correcte toepassing van het schoolreglement. GSM’s worden tijdens de les door de leerkracht in bewaring genomen, het staat er zwart op wit. Het zou slapstick zijn, ware het niet dat het meisje Sofie te pakken kreeg en van achteren bij de hals greep. ‘Ze woog met moeite 45 kilo’, zegt Sofie. ‘Toch kwamen er vijf opvoeders aan te pas om haar van me af te trekken. Een echte natuurkracht’.  Sofie, al langer rugpatiënt, hield er een zware hernia aan over.  Ondanks intensieve fysiotherapie is ze drie jaar later nog altijd arbeidsongeschikt.  Haar verhaal is geen unicum. Personeel in het buitengewoon onderwijs _ behalve leerkrachten gaat het voornamelijk om opvoeders _ lopen een verhoogd risico. Veel hangt af van de populatie. Het sprietig meisje dat Sofie molesteerde, was niet toevallig een ‘type 3’.

Sofie:  ‘Type 3’s zijn kinderen met zware gedragsstoornissen. Dat zijn probleemgevallen, zeker als er dan ook nog sprake is van een moeilijke thuissituatie. We kenden dat meisje, ze had tijdens het vorige schooljaar de boel al voortdurend op stelten gezet.  De directie had de ouders daarom in juni meegedeeld dat hun dochter na de zomervakantie niet meer welkom was.  Maar ja, hoe gaat dat. Toen de ouders na drie maanden nog geen alternatief hadden gevonden, hebben we besloten haar toch nog een kans te geven. Typisch onderwijs, we laten altijd het belang van het kind primeren’.

Sofie is niet de eerste die het aankaart: het veelbesproken M-Decreet maakt de situatie niet eenvoudiger. Niemand die zich tegen het principe kant. Kinderen met een beperking, handicap of stoornis moeten zoveel mogelijk in reguliere scholen worden opgevangen. Het decreet, in werking getreden op 1 september 2015, heeft een uittocht uit het buitengewoon onderwijs teweeggebracht. Vooral in het lager onderwijs, al laat de impact zich ook in het middelbaar voelen. ‘We zien onze sterkste leerlingen uitstromen’ , zegt Sofie. ‘De licht mentaal gehandicapten van het type 1 en de kinderen met een leerachterstand van het type 8, die stappen over naar het beroepsonderwijs.  Wij blijven achter met een restgroep van zware gevallen. Je kunt die niet allemaal over één kam scheren, maar het is wel die groep die het vaakst overgaat tot agressie’.

M-Decreet

Bij de Broeders van Liefde, marktleider buitengewoon onderwijs in het katholieke net, wordt al wekenlang actie gevoerd tegen de geweldplaag. Kop van jut is zowel onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) als haar partijgenoot Jo Vandeurzen die als minister van welzijn bevoegd is voor de gehandicaptenzorg. Opvallend: zowel de inrichtende macht, de directies als de vakbonden staan achter de actie, een zeldzaam verbond dat van grote urgentie getuigt. Tijdens de actiedag vorige week in Gent noteerden we de voornaamste grief: omdat de uittocht gepaard gaat met een afbouw van het personeelskader, wordt het steeds moeilijker om met agressie om te gaan.

Het M-Decreet zou overigens ook in het reguliere onderwijs voor de nodige overlast zorgen. Het plan voorziet weliswaar in allerlei begeleidingsmaatregelen om kinderen met hun beperking, handicap of stoornis te doen aarden in een gewone schoolomgeving. In de praktijk, zo hoorden we meermaals, werkt dat onvoldoende, zeker omdat de kinderen met hun specifieke noden vaak in klassen belanden waar al heel wat leerlingen  een rugzak vol problemen meesleuren.

Het gevaar op veralgemeningen is groot. Het M-Decreet geldt bijvoorbeeld ook voor slechtzienden en doven, doelgroepen die zelden met agressie jegens leerkrachten worden geassocieerd. Er valt nog heel wat te onderzoeken over dit thema, weet Delphine Franco als geen ander. De jonge pedagoge, deeltijds assistent aan de U Gent, werkt aan een doctoraat over agressiemanagement op school. ‘Ik heb verwoed gezocht naar studies en data’, zegt ze. ‘Met weinig resultaat, ook in het buitenland werd er nauwelijks research gedaan. Betrouwbare cijfers zijn er al helemaal niet, er bestaat zelfs geen eensgezindheid over een definitie. Wat de ene school als agressie beschouwt, wordt in een andere school als een fait divers afgedaan’.

Haar doctoraat is nog lang niet klaar, maar Franco kan alvast enkele handvatten aanreiken, bruikbaar voor zowel leerkrachten, directies als leerkrachten in opleiding. ‘Leerkrachten moeten alerter worden voor tekenen van frustratie. Ook bij zichzelf, want agressie op school speelt zich af in een relatie tussen twee partijen. Het gebeurt dat leerkrachten de klas betreden met vooroordelen tegen een bepaalde leerling, vooroordelen die ze even voordien van collega’s in de lerarenkamer hebben opgepikt’. Kalm blijven als het toch tot een uitbarsting komt, die tip hadden we zelf kunnen bedenken. Maar Franco heeft ook advies voor de nazorg. ‘Natuurlijk moeten zowel de leerling als de leerkracht de correcte opvang en aandacht krijgen. Dat is een opdracht voor de directie en het team. Maar leerkrachten moeten incidenten ook bespreken met de klas. Doen alsof er niks is gebeurd is de slechtste optie. Evalueer waar het is misgelopen, en zoek samen naar manieren om herhaling te voorkomen. Een gezond schoolklimaat is de beste preventie. Geef leerlingen bijvoorbeeld inspraak bij het opstellen van het schoolreglement, dat kan helpen om geruzie over smartphones in de klas te vermijden’.

illustratie: Stijn Felix

illustratie: Stijn Felix

racismeklacht

Die nazorg laat wel eens te wensen over. ‘Ik ben ontzettend teleurgesteld in mijn directie’ zegt Sofie. ‘Ik heb geen enkele steun gekregen na het incident. We zijn intussen drie jaar verder. Nooit laten ze van zich horen of polsen ze hoe het met me gaat. En dan moet je weten dat ik dertig jaar in die school heb gewerkt, altijd met veel goesting. Buitengewoon onderwijs is iets bijzonders. De kinderen kunnen lastig doen, maar je krijgt er zoveel van terug. Voor velen was ik een tweede moeder’.  Ook Sofie heeft de verklaringen van Maggie De Block (Open VLD) gehoord. De federale minister van volksgezondheid wil langdurig zieken zo snel mogelijk opnieuw aan het werk zetten. Als dat niet in hun vorige functie kan, dan moet de werkgever naar een aangepaste job zoeken. Dynamiseren van langdurig zieken, ze moet er bitter om lachen. ‘Ik sta te springen om terug te gaan werken’, zegt ze. ‘Maar de directie houdt de boot af. Risico op discontinuïteit, luidt het,  ze vrezen dat ik een voltijdse opdracht geen volledig schooljaar kan volhouden. Ze zouden natuurlijk aangepast werk kunnen zoeken, maar dat willen ze niet. Het is alles of niks, en dus vindt ook mijn huisarts het beter om me thuis te houden. Ik mis mijn werk verschrikkelijk, en ook financieel wordt het een zware dobber. Een uitkering is niet hetzelfde als een salaris, binnenkort val ik terug op 60 procent van mijn laatste loon. Vrienden die in de privé werken, snappen niet waarom ik zo word behandeld’.

Van heimwee naar hun school hebben Stefaan en Kathleen weinig last. Beiden zijn op zoek naar de uitgang, lichtelijk gedegouteerd. Niet zozeer door de agressie waar ze het slachtoffer van werden, wel door de manier waarop hun respectieve directies ermee omsprongen. Kathleen: ‘Onmiddellijk na het voorval ben ik de trap opgelopen naar de onderdirecteur. Wat stel je voor dat ik doe, vroeg hij. Ik zei dat een schorsing van de leerling wel het minste was. De dag erna heb ik een uitstap van een andere klas begeleid. Vrijdag kwam ik terug op school, en wie zat er in mijn klas? Diezelfde leerling, met een vuile grijns op haar gezicht.  De sfeer was ijzig, ik had de hele klas tegen.  Toen ik ’s avonds eindelijk bij de directeur langs kon, kreeg ik het deksel op de neus. Hij schoof de schuld in mijn schoenen, en waarschuwde dat de ouders overwogen een klacht wegens racisme in te dienen’.  Ze sluit niet uit dat er persoonlijke animositeit meespeelde. De relatie met de directeur was al wat verzuurd als gevolg van een benoemingskwestie waarbij ze het verkeerde kamp had gekozen. ‘Maar het typeert ook de houding van heel wat schooldirecties’, zegt ze. ‘Ze zijn als de dood voor juridisch gedoe met ontevreden ouders.  En vooral: ze willen geen leerlingen kwijt, want iedere kop telt voor de subsidiëring’.

stamp in de rug

Net als Kathleen hoopt Stefaan op een overplaatsing naar het volwassenenonderwijs. ‘Ik ben er al mee bezig’, zegt de leraar metaalbewerking die zes weken arbeidsongeschikt bleef. ‘Als vastbenoemde heb ik al enkele uren kunnen omruilen zodat ik één avond per week in het volwassenenonderwijs sta. Een klas met uitsluitend gemotiveerde leerlingen, wat een verademing’.  Stefaan weet intussen wat hem echt dwarszit. Het spook dat hem ’s nachts wakker houdt, het knagende gevoel dat zijn kinderen in die  eerste weken na het spijtige voorval deed verzuchten dat hij er zo afwezig bijliep. Het heeft een naam en een gezicht, en die horen niet bij de balorige jongen die hem bij de kraag vatte en met zijn opgeheven vuist bedreigde. Het is het gezicht van de directeur dat hem blijft achtervolgen.

Stefaan: ‘Terwijl ik daar ingesloten in een kring stond met die jongen aan mijn nek, zag ik hem in een glimp, tussen twee schouders door. We hadden heel even oogcontact, ik dacht echt dat hij zou tussenkomen om me te helpen.  Niet dus, tot mijn ontzetting draaide hij zich om en liep hij weer weg. Ik heb hem daar later mee geconfronteerd. Eerst ontkende hij dat hij iets abnormaals had opgemerkt, nadien veranderde hij zijn versie. Hij beweerde dat ik hem geruststellend had toegeknikt, als om te zeggen dat het maar een spelletje was, niks ergs aan de hand’.  De rol van de directeur werd een vast gespreksthema, bij de psycholoog die hem van zijn angststoornis probeerde af te helpen, en bij de particuliere preventiedienst waarmee zijn school structureel samenwerkt. Aanzetten tot herstelgesprekken liepen op niks uit, integendeel zelfs. ‘Op de duur trok hij mijn hele verhaal in twijfel’, zegt Stefaan. ‘Die dreigende vuist had ik verzonnen, dat had hij zogezegd van verschillende leerlingen gehoord. Mijn belager heeft trouwens geen schorsing gekregen, noch enige andere sanctie. Ook dat was pijnlijk, het voelde als een stamp in de rug’.

herstelbemiddelaars

Directies die de kop in het zand steken? Zou niet mogen, vernemen we in de Guimardstraat. ‘We nemen agressie tegen leerkrachten heel ernstig’, zegt Marijke Van Bogaert, woordvoerder van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. ‘Als netwerkorganisatie ondersteunen en professionaliseren we onze directies om ermee om te gaan. In de eerste plaats door in te zetten op preventie, door het scheppen van een verbindend schoolklimaat. Daar horen duidelijke regels bij, die consequent worden toegepast. Natuurlijk kun je niet alles voorkomen. Agressie op school kan heel veel verschillende oorzaken hebben, van een  moeilijke thuissituatie tot psychische problemen. Een sanctiebeleid op zich volstaat niet, dat moet kaderen in een bredere opvoedingsstrategie. Vele scholen werken daarvoor samen met het CLB, en doen zo nodig beroep op vertrouwenspersonen die leerkrachten opvangen en een luisterend oor bieden aan alle betrokken partijen. Het KOV heeft trouwens zelf gespecialiseerde herstelbemiddelaars in dienst die op vraag van directies ter plaatse gaan om moeilijke situaties te helpen ontmijnen’.

Op het hoofdkwartier van het GO! noteren we een gelijklopend verhaal. Ook in officiële onderwijsnet zet men maximaal in op preventie, met een sanctiebeleid dat kadert in een globale opvoedingsvisie. ‘Scholen vullen zelf in hoe ze met deze problematiek omgaan’, zegt afgevaardigd bestuurder Raymonda Verdyck. ‘Maar we bieden ze wel een stappenplan aan als houvast. Gaat het om zware of lichte agressie? Is er sprake van frequente of incidentele agressie? Er liggen aangepaste scenario’s klaar naargelang de categorie. Ook voor echte crisissituaties, al is het steeds de directie zelf die beslist of de politie wordt ingeschakeld’.

Dat nogal wat slachtoffers zich door die directies in de steek gelaten voelen? ‘Dat betreuren we ten zeerste ‘, zegt Verdyck. ‘Onze directies worden opgeleid om met ongewenst gedrag en agressie om te gaan, dat hoort bij een gezond psychosociaal schoolklimaat waar we veel belang aan hechten. Maar bij een incident spelen ze een dubbele rol. Natuurlijk moeten ze klaar staan om hun leerkrachten op te vangen en op alle mogelijke manieren te ondersteunen. Tegelijkertijd moeten directies een bemiddelende rol spelen en rekening houden met juridische en procedurele overwegingen, zeker als er politie aan te pas komt. Het is niet meer dan normaal dat ze ook met de dader en andere leerlingen gaan praten, agressie is immers altijd een relationeel gegeven. Soms hebben leerkrachten het daar moeilijk mee, omdat ze  daardoor het gevoel krijgen onvoldoende gesteund te worden’.

machete

We hebben dan toch een leerkracht gevonden die on the record praat: Claudia Urbina. Ze geeft cultuurvakken in het KA Halle, een zuivere ASO-school met een sociaal  tamelijk homogeen, zeg maar overwegend autochtoon Vlaams, publiek. Brave kinderen, vernemen we, agressie stelt op deze school weinig meer voor dan de occasionele brooddoos die door de lucht vliegt. Het ergste dat ze zich kan herinneren was de pint die ze over zich heen kreeg, die ene keer toen ze op de 100 dagen-fuif de toog bemande en een dronken scholier een extra rondje weigerde. De toevoeging ‘sociaal homogeen’ is voor haar rekening. Urbina, in Chili geboren en met haar ouders voor Pinochet naar  België gevlucht, heeft eerder onder meer als directrice in een Brusselse BSO-school gestaan. Het was daar dat een meisje haar in een kwade bui volgende zin toevoegde: ‘ik ga een machete halen en je in duizend stukjes hakken’.

Toch is het niet als ervaringsdeskundige dat ze wil getuigen. Urbina is voorzitter van de commissie secundair onderwijs van de socialistische vakbond ACOD. Ze heeft goede voelsprieten en weet wat er leeft in het middelbaar in Vlaanderen. ‘Er is meer agressie tegen leerkrachten’, zegt ze. ‘Zowel fysiek als verbaal. Ik zie een lineaire verschuiving, in alle geledingen van het secundair onderwijs. Incidenten die zich vroeger haast uitsluitend in het BSO voordeden, komen steeds vaker in het ASO terug. Dat betekent niet dat er een nivellering aan de gang is, want intussen wordt het in het BSO nog erger’. Urbina, gediplomeerd in de rechten en de criminologie, ziet verschillende verklaringen. Groeiende mondigheid van leerlingen die helaas gepaard gaat met een afkalvend respect voor leerkrachten en andere vormen van autoriteit. Sociale vaardigheden die eroderen door overmatig gebruik van sociale media. ‘Het loopt niet alleen fout bij de leerlingen’, zegt ze . ‘Ook ouders gedragen zich steeds agressiever tegenover leerkrachten. De juridisering van het onderwijs is een reëel probleem. Op oudercontacten dreigen met procedures als de punten van zoon of dochter niet worden opgekrikt, dat is een vorm van psychisch geweld. En jawel, het zijn vooral de witte scholen waar dat fenomeen zich manifesteert’.

Falende directies die onvoldoende steun verlenen aan belaagde leerkrachten? Het klinkt Urbina niet alleen bekend in de oren, ze heeft er ook een originele, syndicaal gekleurde uitleg voor. ‘Neem nu mijn school’, zegt ze. ‘700 leerlingen, 90 leerkrachten, 20 schoonmaakster en onderhoudsmedewerkers plus nog een paar opvoeders. Dat is meer dan een KMO, dat is een groot bedrijf. En welk management staat daar tegenover? Een directeur, een onderdirecteur en twee secretariaatsmedewerkers, dat zijn vier mensen voor wie een dag ook maar 24 uur duurt. Sorry, maar met zo’n kader kun je onmogelijk een gezond human resources beleid voeren. Zorgen dat de kapotte verwarmingsketel wordt gerepareerd en achterstallige schoolrekeningen innen, dat soort besognes slorpt alle tijd en energie op. Niet alleen in onze school, en niet alleen in het GO!. Het gebrek aan middelen is een probleem in het hele onderwijs in Vlaanderen’.

Angelo Turconi: het oog van de Congolese brousse

Knack, 28 maart 2017

 

In de luwte heeft de Italiaanse fotograaf Angelo Turconi een uniek oeuvre opgebouwd. Vijftig jaar fotograferen in het Congolese binnenland: niemand deed het hem na. Even rijk als zijn verzameling beelden is zijn voorraad verhalen over het land waarop hij als bij toeval verliefd werd. ‘De mens maakt geen reis, het is de reis die de mens maakt.’

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

 

Sijsele-Damme. Angelo Turconi woont discreet, in een omgebouwde hoeve. Het ontvangst is warm, de handdruk stevig. Het valt de heer des huizes niet aan te zien dat hij 78 is en van een operatie herstelt. Als u dit leest, vertoeft de Italiaanse fotograaf alweer in Congo om het geesteskind voor te stellen dat ons naar Sijsele heeft gelokt. Lunda is zijn vijfde fotoboek, opnieuw gewijd aan het Congolese binnenland met zijn veelheid aan volkeren en culturen. De titel verwijst overigens naar een volk in de provincie Lualaba, nog niet zo lang geleden een onderdeel van de intussen opgedeelde provincie Katanga. Een volk met een roemrijke geschiedenis: het koninkrijk der Lunda was een van de  machtigste in pre-koloniaal Afrika, met uitlopers tot diep in Angola en Zambië.

Er hangt een heel verhaal aan vast, zoals altijd bij Angelo Turconi. Het begint in 1987, naar zijn maatstaven tamelijk recent. Turconi had al tientallen volkeren groot en klein bezocht, de camera gericht op hun rituelen, chefs en genezers, maar evengoed op de dagelijkse beslommeringen van gewone mannen, vrouwen en kinderen. Toch maakte de ontvangst in Musumba, de hoofdstad van het Lunda-rijk op 800 kilometer van Lubumbashi, een diepe indruk. ‘Ik kwam aanvliegen met de Lunda-koning in eigen persoon. De hele stad was uitgelopen om hem te verwelkomen en in een tipoy (draagstoel) naar zijn paleis te dragen. Ik ben tien dagen in Musamba gebleven, het was een intense ervaring. ‘Als de koning ooit overlijdt’, nam ik me voor, ‘keer ik terug om de kroning van zijn opvolger vast te leggen.’

 

hippieparadijs Afghanistan

Kabwit Yisoj Kawel II stierft in 2005. Meteen werd een opvolger gekozen wiens naam ook in België bekend in de oren klinkt: Benjamin Tshombe, advocaat bij het Hooggerechtshof in Kinshasa, is de zoon van de legendarische Moïse Tshombe die zich van 1960 tot 1963 president van het afgescheurde Katanga mocht noemen. Toch zou het nog tot 2012 duren vooraleer Angelo de kans kreeg zijn eed gestand te doen. ‘De kroningsceremonie is een voettocht door het Lunda-gebied’, legt hij uit. ‘Ze duurt een hele week, met als apotheose het overhandigen aan de koning van de rukan, de armband die zijn macht symboliseert. Ik ben Benjamin Tshombe in Kinshasa gaan opzoeken om hem te vragen of hij die traditie zou respecteren. Graag genoeg,  zie hij, maar ik heb er geen middelen voor. Zie je, tijdens zo’n ceremonie moet hij als gastheer een hoop vips ontvangen: Lunda-chefs uit Angola en Zambië, notabelen van zijn vazalvolkeren, de Yaka en de Tshokwe, maar ook ministers, gouverneurs en andere politici. Ik vond het een verschrikkelijk vooruitzicht. Als hij niets deed, dan zou de hele kroningsceremonie bij de volgende troonsopvolging definitief verloren gaan’. Angelo, behalve fotograaf archivaris van tradities en rituelen, sprak zijn netwerk aan. Details hoeven we niet te kennen, maar het is niet zonder belang dat de grootmoeder van president Joseph Kabila een Lunda was. De démarche werkte. Jaren gingen voorbij, maar op een dag ontving hij in Sijsele een uitnodiging voor de kroning. ‘Ik ben op het eerste het beste vliegtuig naar Kinshasa gesprongen’, zegt hij grijnzend. ‘Van die ceremonie heb ik geen minuut gemist’.

Angelo Turconi heeft geen website, zijn naam sorteert geen hits op het internet, enkele bibliografische verwijzingen niet te na gesproken. Toch zijn er geen fotografen die de voorbije vijftig jaar meer hebben gedaan om het Congolese binnenland te documenteren dan deze Milanees. ‘Ik kom uit Inzago, een dorpje op 20 kilometer van Milaan’, preciseert hij. ’Op mijn veertiende ben ik naar de stad gaan werken in een drukkerij. Als oudste van vier kinderen, er moest brood op de plank’. Een autodidact dus met een late roeping: hij was al 24 toen hij voor het eerst een voet buiten Italië zette. Met enkele vrienden had hij een VW Kubelwagen gekocht, een amfibievoertuig achtergelaten door het Duitse leger. Na veel sleutelen zijn ze ermee op expeditie vertrokken naar Libië en de Maghreb. Die eerste reis smaakte naar meer. Angelo ging in Zwitserland voor Le Journal de Genève werken. Voor het geld, maar evenzeer om er de nodige vaardigheden te verwerven voor zijn reisplannen. Frans spreken, fotograferen, printen, lay-out, 16 millimeter films draaien en monteren, hij zoog zich vol als een spons. Weekends bracht hij door in Inzago waar hij met zijn snel groeiende fanclub plannen smeedde voor nieuwe avonturen. Zo ging het in 1965 ging met de Kubelwagen helemaal naar India. Hij kan nog altijd smakelijk vertellen over de passage door het hippie-paradijs genaamd Afghanistan. Na die trip was hij klaar voor het echte werk: een reis zonder einddatum door alle landen van het Afrikaanse continent. Angelo had intussen een heus zakenmodel op punt. Sponsors, van vrienden in Inzago tot bedrijfsleiders in Milaan, sprongen bij om de expeditie te financieren. Hij had een uitgeefcontract voor een boek op zak, werd bezoldigd om kunstvoorwerpen te spotten voor een verkooptentoonstelling in Milaan, Coca Cola Italië bestelde een 16 millimeter reclamefilm over de doorsteek van de Sahara. Op het thuisfront stond de fanclub klaar om de per vliegtuigpost verstuurde pellicule te ontwikkelen en naar klanten te versturen. Waar die commerciële flair vandaan komt? ‘Typisch Lombardije’, zegt hij heel gemeend. ‘Ondernemen, handel drijven, bankieren, dat doen de Lombarden al eeuwen. Het zit me in het bloed’.

 

stoet kroningsritueel Lunda (foto: Angelo Turconi)

stoet kroningsritueel Lunda (foto: Angelo Turconi)

 

 

Congo River

Eind 1967 vertrok hij met een reisgezel per Land Rover. Een dik jaar later stonden ze te twijfelen op de oever van de Oubangi, de rivier die de grens vormt tussen de Centraal Afrikaanse Republiek en Congo. Er heerste chaos in de voormalige Belgische kolonie. President Mobutu had pas de opstand van de Simba’s bedwongen, met de hulp van blanke huurlingen die intussen zelf in opstand waren gekomen omdat ze niet werden betaald. Het ging er grimmig aan toe, op een bepaald moment heeft Mobutu alle huurlingen laten uitmoorden die in Kinshasa waren gelegerd. ‘Congo was een chaos’, zegt Angelo. ‘In Bangui werden we gewaarschuwd: ze gaan jullie voor huurlingen aanzien. Reizigers op weg naar het zuiden kregen de raad om Congo te omzeilen, via Soedan en Kenia. Maar wij hadden geen geld voor zo’n omweg. En bovendien: ik kon toch geen ronde van Afrika maken zonder Congo te bezoeken, het hart van het continent? We hebben de oversteek gewaagd. En jawel, het duurde niet lang of we werden door een militaire patrouille onderschept. Eerst zochten ze wapens. Die hadden we niet. Nooit gehad trouwens. Als je in Congo echt problemen zoekt, dan moet je vooral met wapens rondreizen. De officier had meteen een ander voorwendsel klaar. We stonden links van de weg geparkeerd, een duidelijke overtreding van het verkeersreglement. (bulderlach). Op een piste in volle brousse waar per week twee auto’s passeren!  Absurd, maar er viel niet discussiëren, we moesten mee naar de kazerne’.

Hoe hij zich uit die netelige situatie redde. Praatjes maken met de militair die naast hem in de Land Rover had post gevat, sigaretten delen, ijs breken. En dan staalhard bluffen: dat ze nog diezelfde avond bij le père Eugène in Lisala werden verwacht. ‘Ik kende helemaal geen père Eugène’, zegt hij. ‘Maar die brave militair had die naam al eens gehoord. Hij was zodanig onder de indruk dat hij ons heeft laten gaan’. Achter zijn rug, tijdens de fotosessie, zal zijn vrouw het ons toevertrouwen. Angelo en de Congolezen, dat was een perfecte match. Frans of Lingala, haar man kon met iedereen palaveren. Ze hebben elkaar in Kinshasa leren kennen, de stad waar de ronde van Afrika zou eindigen. Maar dat besefte Angelo niet toen zijn Land Rover in Lisala aan boord van een duwkonvooi werd gehesen, een drijvend dorp vol marktkramers op weg naar Kinshasa, met groenten, fruit, kippen, geiten, gedroogde vis, gerookte antiloop, levende krokodillen en andere specialiteiten uit de Equateur. Wie ooit de documentaire Congo River van Thierry Michel zag, zal begrijpen waarom hij tijdens deze driedaagse, slome bootreis instant verliefd werd op het land en zijn bewoners.

Inga stuwdam

‘Het was nooit de bedoeling in Kinshasa te blijven. Ik zou doen zoals in alle hoofdsteden: ons aanmelden bij de Italiaanse ambassade en een ronde maken langs de ministeries om alle vergunningen te verzamelen voor mijn echte missie, het binnenland verkennen. Dat was helaas buiten de bureaucratie gerekend, ze deden erg moeilijk over de permis minier, een absolute vereiste om de Kasai-rivier richting Lubumbashi over te steken. Drie keer heb ik een aanvraag ingediend, uiteindelijk heeft dat een klein jaar aangesleept. Niet dat ik me verveelde, er viel heel wat te fotograferen in Kinshasa. In die tijd woonden er nogal wat Italianen, naast militaire adviseurs vooral ingenieurs die bezig waren met de bouw van de Inga stuwdam. Slapen deden we in de jeep die we bij Italiaanse vrienden parkeerden. Er waren wel gastenkamers, maar ik vertikte het onze spullen uit te pakken omdat ik mezelf bleef mezelf wijsmaken dat we zo snel mogelijk zouden doorreizen. In die periode heb ik voor het eerst Belgen ontmoet. Ons plan om het binnenland te verkennen vonden ze pure waanzin, levensgevaarlijk met al die Simba’s en huurlingen. Velen waren in tien jaar nooit verder geraakt dan de luchthaven van Ndjlli’.

Het settelen gebeurde zonder dat hij er erg in had. De Kasai was buiten bereik, maar tegen excursies naar Bandundu of Bas Congo was geen bezwaar. Op een dag vroeg de Italiaanse aannemer van het Inga-project hem foto’s te maken van de superwerf op de Congo-stroom. Hij zou de megawerf tien jaar lang blijven fotograferen en filmen, meestal vanuit de lucht. Zijn archief zit overigens vol met luchtbeelden, hij heeft zowat het hele land per petit porteur overvlogen en in beeld gebracht. Het gerucht verspreidde zich snel in Kinshasa: er is een Italiaanse fotograaf in de stad die uitstekend werk aflevert, mede dankzij de superieure labo-kwaliteit waarvoor de back-office in Italië garant stond. Er volgden meer opdrachten, ideaal om de wachttijd te overbruggen. Op een avond landde in Ndjili een jonge, blonde vrouw uit Brugge, op bezoek bij een vriendin in Kinshasa. Bij het ontvangstcomité op de tarmac stond ook Angelo. ‘Ik was intussen bevriend geraakt met de man van haar vriendin’, vertelt hij. ‘In die tijd was de komst van een ongehuwde blanke vrouw naar Kinshasa een sensatie. Als er een huwbaar exemplaar kwam aanvliegen, schoten alle vrijgezellen een schoon hemd aan om zich naar Ndjili te reppen’. Hij heeft de concurrentie in snelheid genomen, door Anne letterlijk van het vliegtuig te plukken. Niet veel later vormden ze ook professioneel een duo, Anne hielp hem bij de productie van een documentaire film die hem definitief in Kinshasa zou verankeren. De minister van landbouw _ Mobutu’s oom Jean-Josepth Lito  _ bestelde een documentaire over zijn beleidsdomein, van plantages tot jacht en visvangst. Werk voor een heel jaar met een onbeperkt budget. Hij mocht overal naartoe vliegen, zelfs op de kleinste broussepiste stond een chauffeur klaar. Twee keer over en weer naar Milaan voor de montage? Geen probleem. ‘De film zit in mijn archief’, zegt hij. ‘Nooit vertoond. Toen de uitnodigingen voor de première klaar lagen, heeft Mobutu zijn regering herschikt. Litho was minister af, waardoor de film meteen onbruikbaar werd’.

In zijn biografie krijgt monsieur Litho een mooie paragraaf. Le parfumé, luidde zijn bijnaam, omdat hij zo kwistig met eau de Cologne omsprong dat je hem van op een afstand kon ruiken. Na de politiek is hij in zaken gegaan: importeren zonder invoerrechten te betalen, daar heeft hij fortuinen mee verdiend. Zuivere corruptie, maar hij geneerde zich niet. Als gewezen minister vond hij het niet meer dan logisch dat hij vrijgesteld was van belastingen en taksen. ‘Zo gaat dat in Congo’, zegt Angelo. ‘Politici staan boven de wet’.

machetes

Machtsmisbruik en corruptie zijn met Mobutu niet uit de Congolese politiek verdwenen. Hoe verklaart hij met een halve eeuw Congo-ervaring achter de rug, de eeuwige paradox? Dat Congo, met zijn onuitputtelijke bodemrijkdommen en vruchtbare gronden, helemaal onderaan bengelt in alle  ontwikkelingsstatistieken? Angelo legt vork en mes neer. ‘De vraag van één miljoen’, zegt hij met een zucht. ‘Er bestaat niet één antwoord, het zijn er tientallen. Om er een uit te pikken: hoe kan een land zich ontwikkelen als het niets produceert maar alles importeert? Intussen zijn Indiërs en vooral Chinezen ook de kleinhandel aan het overnemen. Overal zie je kramen opduiken met goedkope spullen die ze uit hun thuisland importeren. Congolezen kunnen daar niet tegenop. Ze zijn zich scherp bewust van dat onrecht, de wrok tegen Indiërs en Chinezen zit diep. Een gevaarlijke situatie als de boel ooit ontploft’.

Hij heeft zowel wijlen Mobutu als Joseph Kaibla ontmoet en gefotografeerd. Afstand houden was het parool, in figuurlijke zin. Op politieke uitspraken laat hij zich niet graag betrappen. Niet gezond voor de toekomstplannen die hij als 78-jarige koestert. ‘Maar het doet pijn om de ellende te zien waarin de gewone Congolezen leven’, geeft hij toe. ‘Neem nu mobiliteit. De Chinezen mogen dan de hoofdwegen asfalteren, grote delen van het binnenland zijn totaal onbereikbaar voor autoverkeer. Vrienden in Kinshasa missen de begrafenis van hun ouders omdat ze niet naar hun geboortedorp kunnen. Een drama als je weet hoe belangrijk de zorg voor de doden in hun traditie is. Wat ook niet helpt is de bevolkingsexplosie.  Zes à zeven kinderen per vrouw is in de dorpen nog altijd de norm. Iedere familie hoopt er daarvan een of twee naar Europa te smokkelen om voor de rest te zorgen. Dat is niet alleen in Congo. De Europese vluchtelingencrisis is slechts een voorsmaakje, de tsunami vanuit Afrika moet nog komen’.

een weg in de brousse (Foto: Angelo Turconi)

een weg in de brousse (Foto: Angelo Turconi)

En toch wil hij zich niet als de zoveelste Congo-pessimist laten afschilderen. ‘Een van mijn Congolese vrienden is psychiater en antropoloog, een intellectueel met een scherpe visie. Laat alle buitenlanders vertrekken, zegt hij, dan zijn we verplicht de problemen zelf op te lossen. Daar ben ik het mee eens. European, Amerikanen, Chinezen, we moeten ophouden ons met Congo te bemoeien. Ondanks alles heeft de jeugd hoop en ambitie. We  moeten hen de kans geven om die waar te maken. Mijn fotografie is een eerbetoon aan de vitaliteit van het Congolese volk. Met veel aandacht en respect voor vrouwen, want zij zijn het die het land overeind houden’. Dat blijkt wanneer we Infini Congo doorbladeren, een in 2010 verschenen greep uit 40 jaar fotograferen. Gesponsord door Georges Forrest, de Belgisch-Congolese grootindustrieel die een omstreden reputatie geniet. Angelo haalt de schouders op. ‘Ik heb veel respect voor meneer Forrest. Dat hij zaken doet met  de machtshebbers van dienst? Wat een loos verwijt, alsof er in Congo andere manieren bestaan om iets te ondernemen’. Ook zijn jongste boek is gesponsord, door een mijnbouwbedrijf met concessies in Lunda-gebied. De titel Congo-realist vindt Angelo geen verwijt, net zomin als die van fotograaf met zakeninstinct. In Infini Congo zien we veel jeugd en veel vrouwen, vaak met een gulle lach. Hij is geen sluipschutter met een telelens. Altijd eerst contact maken, pas dan komt de camera in actie. De broeierige foto van twee haveloze bengels met speelgoedauto’s van ijzerdraad en conservenblik is hem erg dierbaar. ‘Mijn chauffeur maakte zich druk toen ik hem vroeg om te stoppen, hij vond het tafereel vernederend. In mijn ogen echter symboliseren die twee jongens de veerkracht en creativiteit van Congo’.

tribalisme

Het klinkt verfrissend over een land dat doorgaans associaties met oorlog, vluchtelingenkampen en verkrachte vrouwen oproept. Hoe realistisch ook, die beelden ontbreken in zijn boeken. Bewust, hij is geen oorlogsreporter maar noemt zichzelf un photographe de la paix. Ontbreken even opvallend: foto’s van Kinshasa, de bruisende metropool die hij nochtans als zijn broekzak kent. Angelo en Anne hebben er dik 20 jaar gewoond, tot ze met hun drie schoolplichtige kinderen naar Europa terugkeerden, eerst naar Italië en vervolgens naar België. Kinshasa bleef evenwel zijn tweede thuis, hij vliegt erheen zoals wij de trein naar Oostende nemen. ‘Een fascinerende stad, maar er zijn al fotografen genoeg die er grandioos werk over hebben gemaakt. Mijn missie is het documenteren van het andere Congo, het binnenland waar niemand naar omkijkt. Dat wordt me soms verweten, ook door Congolezen. Je schildert Congo af als een primitief land dat de afspraak met de moderniteit heeft gemist’.

Zijn fascinatie voor etnische kunst en traditiies stemde de criticasters niet milder. Geen wonder, onder Congolese intellectuelen is koketteren met tribalisme taboe. Waren het niet de Belgen die de etnische verschillen graag in de verf zetten? Het was de ideale verdeel-en heers-methode om opkomend nationalisme in de kiem te smoren. ‘Die aversie is compleet doorgeslagen’, vindt Angelo. ‘Het is zo erg geworden dat stedelingen zich schamen voor hun afkomst. Ik ga daarover in discussie. Je wordt niet minder modern of ontwikkeld als je weet waar je vandaan komt’. Congo, met zijn 404 ethniën, blijft voor antropologen en etnografen een hoorn des overvloeds. Angelo heeft er niet voor gestudeerd, maar hij mag zich een kenner noemen. Koningen, chefs, tovenaars, initiatierituelen, dansers in uitzinnige plunjes van luipaardenbont, schelpen en veren, zijn oeuvre puilt ervan uit. ‘Infini Congo is een historisch document’, zegt hij terwijl het boek liefdevol dichtklapt. ‘Er staan beelden in die nooit ofte nimmer meer gemaakt zullen worden. Tradities en rituelen sterven pijlsnel uit, mede onder druk van de protestantse ontwakingskerken die zich als een lopend vuurtje over heel Congo hebben verspreid. Predikanten fulmineren constant tegen voorouderlijke gebruiken, terwijl ze zelf mirakels beloven in de vorm van geld, gezondheid en geluk. Het zijn charlatans die de armoede en onwetendheid exploiteren, maar helaas kennen ze veel succes’.

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

 

Léopold Senghor

Zijn fotoboeken vertegenwoordigen maar een fractie van zijn archief, een schat waar heel wat musea een moord voor willen plegen. Hij wil er dringend orde in scheppen, maar wanneer? Eerst moet zijn volgende project worden voltooid: een boek over de Musées Nationaux du Congo waarvan hij het ontstaan van nabij heeft meegemaakt. Een prestigeproject van Mobutu was het, ontsproten aan het staatsbezoek dat de Senegalese president en cultuurminnaar Léopold Senghor in 1970 aan Kinshasa bracht. ‘Mobutu gaf hem als gastheer een rondleiding’, grinnikt  Angelo. ‘Zijn paleis, het nieuwe parlement, alle monumenten passeerden de revue. Heel mooi Joseph, zei Senghor op een bepaald moment, maar ik zou graag jullie museum zien. Mobutu was van zijn melk. Bleek dat er in heel zijn land geen museum voor Congolese kunst bestond’. Zo raakte Angelo als fotograaf betrokken bij la récolte nationale. Onder leiding van de Belgische broeder-kunsthistoricus Jospeh Cornet werden teams uitgestuurd naar de verste uithoeken van het immense land om kunstvoorwerpen te verzamelen. Maskers, sculpturen, ritualia, in vijf jaar tijd groeide een collectie van 45.000 voorwerpen. Daaronder stukken van onschatbare waarde, zoals de wereldvermaarde koningsbeelden van de Bakuba. ‘Helaas’, zegt Angelo. ‘Na vijf jaar verloor Mobutu zijn belangstelling en droogden de middelen op. Vanaf dan begon het verval. Stukken werden gestolen en het land uit gesmokkeld. Bij de val van Mobutu in 1997 werd het museum geplunderd. Zowat alle waardevolle stukken zijn verdwenen, het enige spoor dat ervan overblijft, zijn de foto’s in mijn archief. In 2003 heb ik er een kalender mee gemaakt, een schreeuw om aandacht voor dit schandaal. Mijn boek gaat niet alleen daarover, het wordt ook een eerbetoon aan mensen zoals Joseph Cornet, Jan Vansina en Daniel Biebuyck. Allemaal Belgische Congo-kenners met wereldfaam die in eigen land weinig erkenning kregen. Veel werk en veel reizen, ik kan alleen hopen dat de gezondheid me niet in de steek laat’.

Zijn vrouw schiet in een lach. Dat alle alibi’s goed zijn om naar Congo te vliegen, zegt ze plagend. Angelo ontkent niet. ‘Zo heb ik altijd geleefd’, zegt hij. ‘Als ik van een reis terugkeerde, begon ik op het vliegtuig al mijn volgende reis te plannen. Zeggen ze dat ook in het Nederlands? Dat je als mens een reis maakt? Bij mij is het andersom, het zijn de reizen die me als mens hebben gemaakt’.

 

manicure (foto: Angelo Turconi)

manicure (foto: Angelo Turconi)

 

 

Brexit-stormloop op Belgische nationaliteit: “Sire, er zijn nog Belgo-Britten!”

Knack, 22 februari 2017

Belg worden om Europeaan te blijven, dat is wat heel wat Britse ingezetenen sinds het Brexit-referendum beweegt. Met tientallen stromen de aanvragen voor de Belgische nationaliteit binnen bij de gemeentehuizen in en rond Brussel. Portret van enkele Belgo-Britten, fiere onderdanen van zowel koning Filip als Queen Elisabeth. ‘Ik wil mijn Europese identiteit niet verliezen’.

Tim Nuthall:

Tim Nuthall: “ik heb veel aan Europa te danken” (foto: Debby Termonia)

Tim Nuthall, directeur internationale communicatie bij de European Climate Foundation in Brussel, heeft  er  geen gras laten over groeien. Op 24 juni, de dag na het Brexit-referendum, is hij naar het gemeentehuis van Elsene gestapt. ‘‘Ik had de overwinning van het leave-kamp totaal niet zien aankomen”, blikt hij terug. “Ik was die avond gerust gaan slapen, de polls zagen er goed uit. Toen ik om vier uur wakker schoot en het nieuws checkte, viel ik letterlijk uit mijn bed. Wat? Hebben mijn landgenoten ons echt uit Europa gestemd? Ik kan het trouwens nog altijd niet geloven, het moet een vlaag van collectieve zinsverbijstering zijn geweest. Mijn dochter was toen zeven maanden oud. Toen ik haar daar in haar bedje zag liggen, stond mijn besluit vast. Ik vraag de Belgische nationaliteit aan, zodat mijn dochter later haar Europese identiteit kan claimen. Zie je, ik heb zelf veel aan Europa te danken. Mijn jaar als Erasmus-student in Wenen, mijn carrière en leven in Brussel, zonder Europa had ik veel minder kansen gekregen’.

vloeiend Duits

De verkorte procedure voor nationaliteitsverwerving, in voege sinds 2013, legt drie criteria op. Het minimum van vijf jaar ononderbroken hoofdverblijf in België was een sinecure voor Nuthall (40) die hier al negen jaar woont en werkt. Maar van aspirant-Belgen wordt ook verwacht dat ze hun sociale en economische integratie bewijzen, plus voldoende kennis van een van de officiële landstalen. Nuthall had er zich schrap voor gezet. Hij zou die dag op het stadhuis van Elsene met zijn vloeiende Duits uitpakken. Het had een interessant en mogelijks zelfs hilarisch experiment kunnen opleveren, maar zover is het niet gekomen. ‘Er werd me helemaal niks gevraagd’, zegt hij wat beteuterd. ‘Blijkbaar volstond het kreupele Frans waarmee ik mijn aanvraag heb toegelicht’. Het verzamelen van de nodige documenten, inbegrepen de beëdigde vertaling van zijn Britse geboortecertificaat, kostte hem drie weken. Op 19 juli werd zijn dossier door de ambtenaar van burgerlijke stand in drievoud naar het Brusselse parket, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Staatsveiligheid verstuurd. Geen van de instanties maakte bezwaar, en sinds 16 december mag Tim Nuthall zich Belg noemen. ‘Het is ongelooflijk hoe snel zo’n hele nationaliteitsaanvraag in België verloopt’, zegt hij nog altijd verwonderd.

Ook al was Nuthall er als de kippen bij, hij was die niet de eerste Brit die zich na het referendum naar het Elsense stadhuis op het Ferdinand Cocqplein repte. ‘Het was hier de eerste dagen een echte stormloop’, zegt Delphine Bourgeois, MR-schepen voor Europa. ‘Sinds de Brexit zijn al 250 Britten zich komen informeren over de nationaliteitsaanvraag. 35 hebben intussen effectief een dossier ingediend, een cijfer dat iedere week nog stijgt’. Weinig steden of gemeenten hebben een schepen voor Europa, maar in Elsene is het geen overbodige luxe. De Brusselse gemeente omvat een groot stuk van de Europese wijk, met de kaasstolp van het Europees Parlement als blikvanger. Niet-Belgische EU-burgers maken een derde van de bevolking uit. Britten zijn daarin goed vertegenwoordigd: met 1.535 vormen ze de op één na grootste gemeenschap in België, nauwelijks kleiner dan het Britse contingent in heel Groot Antwerpen. In België wonen officieel 23.658 Britten. Hoeveel er daarvan sinds de Brexit een nationaliteitsaanvraag hebben ingediend, valt nog niet te achterhalen. Vast staat wel dat de drukte aan het loket in Elsene niet uniek is. Een rondvraag bij de top zeven van steden en gemeenten met een omvangrijke UK community, bracht vorige week 244 effectieve aanvragen aan het licht. De link met de Brexit ligt voor de hand. Antwerpen telde in 2015 welgeteld 5 Britse nationaliteitsaavragen. Vorig jaar werden er 33 geregistreerd, waarvan de helft in de maanden juli en augustus, vlak na het referendum. Nog duidelijker is het verband in Sint-Pieters Woluwe: van 2 aanvragen in 2015 ging het na 23 juni vorig jaar fluks naar 28.

Europese identiteit

Op Antwerpen na liggen alle onder Britten populaire gemeenten in en om het hoofdstedelijk gewest. In de rijke, groene zuidrand springt Tervuren eruit met 1.261 Britse ingezetenen. Het Zoniënwoud en het Afrika Museum met zijn fraaie park zijn natuurlijk reden genoeg om zich in deze Vlaamse gemeente te vestigen. De Angelsaksische concentratie heeft echter veel te maken met de ligging van British School of Brussels (BSB) waar 1.500 leerlingen een Engelstalig curriculum volgen. Ook Ken Woollard (77) is hier door de British School aanbeland. ‘Ik wilde altijd al naar Europa’, vertelt de gepensioneerde leraar. ‘In 1975 zag ik mijn kans: de British School zocht een leraar Engels en literatuur. Na een poosje nam ik er ook toneel bij, ik heb meer dan honderd producties geleid. De school had een eigen theater dat ook door externe verenigingen werd gebruikt, zowel Vlaamse als Franstalige. Dat gebeurt nu helaas niet meer, de steeds strenger veiligheidsmaatregelen laten het niet mee toe. Het zegt iets over het klimaat waarin we leven. Steeds meer angst, steeds minder vrijheid’.

 

Ken Woollard:

Ken Woollard: “Ik had tenminste een interview met de burgemeester verwacht” (Foto: Debby Termonia)

Het is misschien een te grote sprong, alhoewel. Angst is een van de grondstoffen die de propagandisten van de Brexit met succes hebben geëxploiteerd. Ken Woollard wil er liever niet meer op terugkomen. Wat valt er nog over de oorzaken te zeggen dat al geen duizend keer werd gezegd? Het heeft met het Britse eilandgevoel te maken. Met een in nostalgie naar het verloren empire gedrenkte overgevoeligheid voor soevereiniteit. Met rechtse populisten ook, en met zwakke Europese leiders die geen tegengas gaven. Feit is dat de Brexit hem tot een démarche heeft bewogen die hij anders nooit had ondernomen. In november trok hij naar het gemeentehuis om de Belgische nationaliteit aan te vragen. ‘Ik wil mijn Europese identiteit behouden’, zegt hij als we hem in Vossem-Tervuren opzoeken. ‘Dat gevoel zit diep, ik heb verschillende vrienden die eveneens Belg zijn geworden of er lopen over te denken. Het is niet dat we vrezen dat we na de Brexit zullen gediscrimineerd worden of met de nek aangekeken. Dit is ons antwoord op een referendum dat ons van Europa afsnijdt, een onbegrijpelijke beslissing waarover onze mening nooit werd gevraagd. Want zo is het gegaan: wie vijftien jaar of langer in het buitenland verbleef, mocht niet meestemmen. Geen detail als je weet hoe klein de marge was waarmee leave het heeft gehaald. Die gang van zaken heeft vele Britse expats bitter gestemd. We feel disregarded’.

Thuis in Tervuren

In november heeft hij zijn aanvraag ingediend. Zijn nieuwe identiteitskaart en paspoort _ met gegarandeerde controlevrije toegang tot alle landen van de Schengenzone _ zijn nog op komst. De schriftelijke bevestiging heeft hij wel al ontvangen. Voortaan heeft hij de keuze: Belg of Brit, want de nationaliteitsverwerving doet niets af aan zijn erkenning als onderdaan van de Britse Queen. Duur was de stap naar dual nationality niet. 150 euro registratierechten, plus nog wat kosten voor de beëdigde vertaling van het geboortecertificaat. Ook Woollard toont zich verbaasd over de lage drempel. ‘Ik had tenminste een interview met de burgemeester verwacht’, zegt hij. ‘Maar ze deden helemaal niet moeilijk, de medewerkers op het gemeentehuis waren erg behulpzaam en efficiënt’. Ze hadden hem gerust op de rooster mogen leggen. Naar eigen zeggen is hij geen talenknobbel, maar hij kan zich meer dan behoorlijk behelpen in Nederlands en Frans. ‘Na 41 jaar is België mijn thuis’, zegt Woollard. ‘De kinderen van mijn vrouw Dorothy zijn hier opgegroeid, al onze vrienden wonen hier. Veel Britten, onder wie oud-collega’s van de school. Maar we hebben vooral veel Belgische vrienden. Tervuren is heel internationaal, maar in onze doodlopende straat wonen toevallig alleen Vlamingen. Iedereen kent iedereen, ik spreek met de meesten van mijn buren Vlaams. Om maar te zeggen, ze hadden gerust naar mijn sociale integratie mogen polsen. We werken als vrijwilligers bij Samana, het voegere Ziekenzorg. We spelen pétanque met andere gepensioneerden in Leefdaal. Ook zonder Brexit zouden we er nooit over piekeren om terug te keren. Er woont nog wel familie in Groot-Brittannië, maar voor de rest hebben we er niet veel meer te zoeken. Het is trouwens goed leven in België. De gezondheidszorg en voorzieningen voor gepensioneerden, daar kunnen ze ginder alleen van dromen. Voor alle duidelijkheid: op dat vlak maakt mijn Belgische nationaliteit geen verschil. RSZ, pensioen, belastingen, dat viel altijd al onder de Belgische wetgeving. Er was geen enkel materieel belang mee gemoeid’.

Peter Guilford, nog een Tervurense neo-Belg, heeft het referendum zelfs niet afgewacht. In april al diende hij zijn aanvraag in, wat hem na 23 juni ongevraagd in de rol van ombudsman duwde. ‘Ik had mijn initiatief op Facebook gepost’, zegt hij. ‘In de dagen na het referendum werd ik bestookt met vragen: hoe heb je dat gedaan? Hoe werkt de procedure? Hoeveel kost het? Het effect van de de Brexit was onmiddellijk voelbaar’. Guilford (55) een overtuigd Europeaan noemen, is een understatement. Dertig jaar geleden kwam hij als Europa-correspondent naar Brussel, daarna werkte hij vele jaren voor de Europese Commissie. In 2000 richtte hij g+ op, een tweemanslobby die snel uitgroeide tot een kantoor met 50 medewerkers en vier kantoren in evenveel hoofdsteden. Klanten wegwijs maken in regelgeving omtrent mededinging en voedselveiligheid, was een van de specialiteiten van g+ dat intussen door de Amerikaanse reclamegigant Omnicom werd overgenomen. Guilford, thans managing partner bij g+, had zo zijn redenen om op de Brexit te anticiperen. ‘Ik had de bui zien hangen’, vertelt hij. ‘Tijdens de campagne kwamen allerlei verzonken sentimenten bovendrijven. Ik wist wel dat er in Groot-Brittannië zoiets als een onderbuik bestond, een weinig geschoolde en gecultiveerde bevolkingslaag. Hun frustraties werden wakker gekust door het populisme van de rechtse pers en van geboren volksmenners zoals Nigel Farrage en Boris Johnson. Dit kan wel eens misgaan, besefte ik. En wat dan? Als het effectief tot een Brexit komt, kunnen er in Europa wel eens anti-Britse gevoelens opsteken. Ik beeldde me de scènes al in op de luchthaven, hoe je als een melaatse wordt bekeken wanneer je een Brits paspoort toont. Overdreven wellicht, maar ik wilde geen risico lopen. Mijn kinderen zijn hier geboren, ze zijn perfect tweetalig. Ik wil dat ze zich hier thuis blijven voelen, als Europese burgers. Om eerlijk te zijn, ik zag ook weinig redenen om het niet te doen. Je hebt niks te verliezen, want je kunt je Britse nationaliteit behouden. Dat vond ik wel belangrijk, want ik heb vele vrienden en ook een huis in Groot-Brittannië’.

De procedure was een eitje, ook voor Guilford die benadrukt dat de keuze voor een dubbele nationaliteit niet alleen door ongerustheid over de koers van zijn moederland werd ingegeven. ‘Ik voel me hier thuis’, zegt hij. ‘België en Brussel zijn erg genereus voor mij geweest. Ik houd ook van jullie mentaliteit. Gezwollen patriottisme bestaat hier niet, er zijn zelfs weinig of geen Belgen die de tekst van hun volkslied kunnen meezingen. Dat bevalt me, net als het sterk ontwikkelde gevoel voor zelfspot’.

win for life

Guilford is niet de enige Britse lobbyist die voor de dubbele nationaliteit heeft gekozen. ‘Ik werd de voorbije maanden door heel wat medewerkers van lobby-kantoren en Europese denktanks aangeklampt’, zegt de Elsense Euro-schepen Bourgeois die zelf een verleden als  lobbyiste heeft. ‘Maar onder onze nieuwe Belgen zitten ook zakenlui, kaderleden van multinationals, leraars van internationale scholen en gepensioneerden die al heel lang in België wonen. Het is een zeer heterogeen gezelschap’. Opvallende afwezigen in het lijstje zijn de Eurocraten, een begrip overigens dat de betrokkenen ongaarne in de mond nemen. De door ons geconsulteerde specimen prefereerden het neutrale officials, of grepen naar de Franse begrippen ‘administrateurs’ of ‘fonctionnaires’. Niet uit snobisme, maar uit afschuw voor het stigma dat aan de Eurocraat kleeft. Buitensporige salarissen, torenhoge onkostenvergoedingen, fiscale gunstregimes, vederlichte werklast, het statuut van de Eurocraat  is een win for life die vele hardwerkende landgenoten de ogen uitsteekt. Op dat cliché valt veel af te dingen. Europese ambtenaren betalen bijvoorbeeld wel degelijk personenbelastingen. Niet aan België maar aan de Europese Unie, en ook RSZ-bijdragen gaan naar een eigen, Europees fonds. Eigenaars of huurders betalen bovendien zoals iedereen belastingen, taxen en heffingen aan gemeente of gewest, en ook voor de BTW gelden geen privileges. Qua fiscaal beslag, zo heeft de Union Syndicale des Services Publiques Européennes recent becijferd, zitten de Eurocraten erg dicht bij het gemiddelde van de 28 lidstaten.

Peter Guilford:

Peter Guilford: “Er zijn weinig Belgen die de tekst van hun volkslied uit het hoofd kennen. Dat gebrek aan gezwollen patriottisme bevalt me”. (Foto: Debby Termonia)

Toch verklaart precies het bijzondere statuut waarom er nog geen Britse Eurocraten de rangen van de neo-Belgen hebben vervoegd. ‘Ze komen niet in aanmerking’, legt Bourgeois uit. ‘Europese ambtenaren hebben een speciale identiteitskaart, een soort diplomatieke verblijfsvergunnning die door de dienst protocol van Buitenlandse Zaken wordt uitgereikt. Daar ligt de knoop: volgens de wet op de nationaliteitsverwerving moeten buitenlanders vijf jaar aanwezigheid in België kunnen aantonen om van de verkorte procedure gebruik te maken, tien jaar zelfs voor de gewone, lange procedure. De wet somt een hele resem verblijfspapieren op om dat te staven, zoals de bekende identiteitskaart E+ die buitenlanders krijgen wanneer ze permanent in België verblijven. Helaas: de speciale Europese identiteitskaart figureert niet op die lijst en geldt bijgevolg niet als bewijs’.

Irish Escape Route

Die beperking vormde nooit een probleem. Er kwamen nauwelijks aanvragen van Europese ambtenaren. Waarom zou men ook Belg willen worden als men van een gunstig extraterritoriaal statuut geniet? De speciale verblijfskaart valt onder het Protocol van Voorrechten en Immuniteiten dat België met de Europese Unie heeft afgesloten. Daarin wordt onder meer het fiscaal regime van de Eurocraten geregeld, net zoals de mogelijkheid om in België te wonen en te werken zonder zich in het gemeentelijk bevolkingsregister in te schrijven. Velen doen dat overigens wel, zeker diegenen die met schoolgaande kinderen en onroerend goed in België verankerd zijn. Met de wenkende Brexit liggen de kaarten echter anders voor de 681 Britten die zo’n speciale identiteitskaart op zak hebben. Delphine Bourgeois kreeg al verschillende Britse Eurocraten aan de lijn. Of er toch geen manier bestaat om de Belgische nationaliteit te bekomen, klonk het vertwijfeld. Hetzelfde overkwam Félix Geradon, adjunct-secretaris-generaal van Union Syndicale bij de Europese Raad. ‘We krijgen daar vragen over’, zegt hij. ‘Commissievoorzitter Juncker en toenmalig parlementsvoorzitter Schultz hebben in de dagen na het referendum sussende woorden gesproken. Britse fonctionnaires hoeven zich geen zorgen te maken, er zal niks veranderen. Maar Donald Tusk klonk veel terughoudender, en hij is de baas van de Raad die straks tijdens de Brexit-onderhandelingen de echte beslissingen neemt. Tusk houdt graag een slag om de arm, het lot van de Britse Eurocraten maakt deel uit van zijn onderhandelingspakket. Ik begriip de ongerustheid wel. Met de Brexit verliest Europa 12 procent van zijn begroting. Daar moet geen tekening bij, er zal ook op personeel worden bezuinigd. Onze Britse collega’s vrezen dat ze dan vooraan in de vuurlinie komen te staan. Dat is geen paranoia. In de Europese verdragen werd nooit rekening gehouden met de exit van een lidstaat. Paradoxaal genoeg zet dat de deur open om statutaire ambtenaren te ontslaan als hun land eruit stapt, zonder ontslagpremies zelfs en zonder recht op uitkeringen of sociale zekerheid. Bij de Europese instellingen werken ook duizenden contractuelen en stagiairs. Hun positie is nog zwakker. Eens de Brexit voltrokken, worden de Britse contractuelen en stagiairs automatisch ontslagen’.

Alle insiders zijn het erover eens: vertalers en tolken hoeven zich geen zorgen te maken. Engels blijft ook na de Brexit een belangrijke taal in Europa. ‘Maar de anderen? ‘Afwachten is de boodschap’, zegt een hoge official bij de Raad. ‘Alles zal afhangen van de Brexit-onderhandelingen. Er leeft ongerustheid, maar ik stel hier geen exodus vast. Wat ik wel zie: collega’s die creatieve oplossingen zoeken. De weg naar de Belgische nationaliteit is helaas versperd, maar heel wat Britten hebben de Irish Escape Route ontdekt: al wie een Ierse voorouder heeft, kan vlot aan een Iers paspoort geraken’. Er zijn nog meer pistes, weet vakbondsman Geradon. ‘Opvallend veel Britse Eurocraten hebben een gemengde oorsprong. Daar is een goede verklaring voor. Talenkennis is bij de Europese Unie erg belangrijk. Niet het sterkste punt van de Britten, behalve dan van diegenen die bijvoorbeeld een Italiaanse, Poolse of Franse ouder hebben. Die zijn dan ook oververtegenwoordigd in het Britse contingent’.

Delphine Bourgeois heeft als Euro-schepen heel wat aan haar hoofd, zoals het vinden van een passende naam voor het cultureel-culinaire evenement dat Elsene op 7 juni in samenwerking met het Europees Parlement organiseert. De voorbije jaren klonk ‘Les 28 dans ton Assiette’ nog vanzelfsprekend, een jaar na de Brexit niet meer. 27 rijmt natuurlijk met assiette, maar helemaal weg zijn de Britse vrienden nog niet. Die knoop moet nog worden doorgehakt, maar intussen heeft Bourgeois wel al een oplossing bedacht om ook de Britse Eurocraten aan de Belgische nationaliteit te helpen. “Als ze afstand doen van hun speciale, Europese verblijfsvergunning, kunnen ze een identiteitskaart E of E+ aanvragen. Eens ze die op zak hebben, kunnen ze alsnog de Belgische nationaliteit aanvragen. Een hele rompslomp, ik weet het, maar het is de enige manier om de jaren te verzilveren die ze met hun speciale verblijfsvergunning in België hebben gesleten’.

Lange Jojo

Zonder extra wachttijd, maakt Bourgeois zich sterk. Niet iedereen is daar zeker van. ‘Het staat alle buitenlandse Euro-ambtenaren vrij hun speciale identiteitskaart voor een E+-kaart in te ruilen’, zegt Geradon. ‘Zelfs zonder de andere privileges van hun statuut te verliezen. Helaas betekent dat niet dat ze zich op hun verleden in België kunnen beroepen om de nationaliteit aan te vragen. De termijn van vijf jaar begint pas te lopen op het moment dat ze hun E+ kaart ontvangen’. Bij de Raad spreekt onze anonieme official van verwarring. ‘Het verschilt naargelang de woonplaats. Sommige gemeenten nemen de in België doorgebrachte jaren in aanmerking en verklaren de aanvraag ontvankelijk, andere gemeenten weigeren dat’. En zo komt een journalist op het spoor van een goed bewaard geheim: de Brussels Commissioner for Europe. Deze instelling, een kind van de zesde staatshervorming, beijvert zich voor het stroomlijnen van de relaties tussen het Brussels gewest en de Europese instellingen. Aan het hoofd van deze achtkoppige dienst staat de PS’er Alain Hutchinson, meervoudig gewezen staatssecretaris in Brussel. Onze probleemstelling klinkt er bekend in de oren. ‘De wet is duidelijk’, zegt juridisch adviseur Amélie Bovy. ‘Of het nu de verkorte dan wel de normale procedure is, de termijn begint pas te lopen op het moment dat ze een Belgische verblijfstitel hebben. Een kaart E of E+ bijvoorbeeld, maar geen speciale verblijfsvergunning voor EU-medewerkers’. Geen verwarring mogelijk dus? Aan de telefoon weerklinkt een zucht. ‘Toch wel’, erkent Bovy. ‘Niet alle gemeenten zijn even recht in de leer. Sommige laten toch een aanvraag passeren, maar de parketten zijn wel streng en geven altijd een negatief advies. Dan kan de aanvrager beroep aantekenen bij de rechtbank van eerste aanleg. En jawel, sommigen hebben daar hun slag thuis gehaald, vandaar de verwarring’. Er is nood aan eenduidigheid, commissaris Hutchinson heeft alvast het kabinet van premier Michel op het euvel gewezen. Vooralsnog zonder gevolg. ‘Het is nu ook weer niet het meest urgente dossier van de Brexit’, zegt Bovy droog.

De nationalieitsverwerving is een puur administratieve aangelegenheid, in tegenstelling tot de naturalisatie die minstens twee jaar aansleept en goedgekeurd wordt in een plenaire Kamerzitting. Naturalisatie is overigens geen recht maar een gunst die slechts mondjesmaat wordt toegkend aan buitenlanders die uitzonderlijke verdiensten kunnen inroepen. De door de Brexit uitgelokte hausse van nationaliteitsaanvragen doet in verschillende gemeenten de roep om een soort welkomsritueel weerklinken. Ook in Tervuren, al zal het voor Peter Guilford te laat komen. ‘Het is best wel emotioneel’, zegt hij. ‘Ik was oprecht ontroerd toen ik de enveloppe met mijn Belgische identiteitskaart opende’. Of ze al typisch Belgische trekjes hebben aangenomen? Ken Woollard is een verwoede fietser, een grote fan van jaagpaden en knooppuntenroutes. Tim Nuthall moet de vraag laten bezinken. ‘Ik ben op 21 juli op het Vossenplein naar Lange Jojo gaan kijken’, zegt hij. ‘Dat lijkt me toch al typisch Belgisch’.

.

 

Dossier België en files: a lovestory

Knack, 18 januari 2017

(filedossier, plus interview Egbert Lachaert Open VLD over persoonlijk mobiliteitsbudget)

waar een klein land groot in is: Belgen stonden nooit langer in de file dan in 2016

Het filerecord werd vorig jaar andermaal scherper gesteld, maar het einde is nog niet in zicht. Alle prognoses voorspellen een forse groei van het verkeer. In Vlaanderen, het meest bereden stukje Europa, dreigt de totale stilstand. Werkgevers jammeren over de economische schade en eisen vers asfalt. Maar is dat wel de oplossing? Knack trotseerde de winterfiles en trok op onderzoek.

 

foto: Jonas Lampens

beeldscherm Vlaams Verkeerscentrum op rustige vrijdagochtend (foto: Jonas Lampens)

De mens is hardleers en de Belgische weggebruikers vormen geen uitzondering. Met vele duizenden zakten ze vorige zaterdag af naar de paleizen op de Brusselse Heizel-vlakte voor de opening van het 95ste Autosalon. De stemming bij organisator en beroepsfederatie Febiac kon niet stuk, het was een mooie dag om de puike verkoopcijfers van het voorbije jaar nogmaals in de verf te zetten. Bijna tien procent meer nieuwe wagens afgezet dan in 2015, ver boven het Europese gemiddelde. Weinigen stonden stil bij een ander record dat precies een jaar eerder werd gebroken. Tijdens de door sneeuwbuien geteisterde ochtendspits van vrijdag 15 januari 2016, groeiden de files op de Belgische autosnelwegen aan tot liefst 582 kilometer. Een aanzienlijk deel van die verkeersellende werd op de Brusselse Ring uitgezweet, onder meer ter hoogte van afrit 7a waar ook toen lange rijen stonden aan te schuiven voor de jaarlijkse hoogmis van Koning Auto.

Die 582 kilometer waren goed voor een koppositie in de jaarlijkse filebarometer van Touring Mobilis die Knack in avant-première mocht inkijken. Toch was 15 januari geen echte uitschieter. Ondanks de globaal genomen zachte winter piekten de files op de autosnelwegen vorig jaar 15 keer tot boven de 350 kilometer. Belangwekkender nog dan de lijst met monsterfiles is de vaststelling dat de structurele files, niet veroorzaakt door slecht weer of incidenten, alweer zijn aangegroeid. Vorig jaar registreerde men 1.383 uren met meer dan 100 kilometer file op de Belgische wegen, een kleine 10 % bovenop het record van 2015. De filebarometer bevestigt nog enkele trends. De files verbreden, zowel in tijd als in ruimte. In feite staaft het rapport met cijfers wat iedere weggebruiker aan den lijve ondervindt. Ochtend-en avondspits groeien naar elkaar toe, ook secundaire wegen zitten tjokvol. Vroeger was de E403 Brugge-Kortrijk een anonieme baan waar je haast risicoloos kon op picknicken. Intussen zijn de structurele files bij Ruddervoorde vaste prik in de ook al uitdeinende verkeersbulletins op de radio.

Bocht van Vorst

Touring Mobilis baseert zich op gegevens van Be-Mobile, een commerciële mobility services provider die dezelfde data ook aan de VRT-verkeersredactie levert. De voornaamste grondstof zijn floating car data, de geanonimiseerde gps-gegevens van zowat 300.000 voertuigen. Die mogen dan niet allemaal constant op de baan zijn, de methode is wel fijnmazig en biedt het voordeel dat de verkeersdruk niet alleen op de snelwegen maar ook op het onderliggende wegennet wordt gemeten. Daarin verschilt Be-Mobile met het in Antwerpen gevestigde Vlaams Verkeerscentrum, nog een vertrouwde bron van verkeersinfo op radio, websites en sociale media. De overheidsdienst monitort uitsluitend de snelwegen in Vlaanderen, een territoriale beperking die nauw luistert. Verkeersoperator Ronny Vermeiren wijst op een van zijn schermen een strook van enkele centimeters aan. Vlakbij de bocht van Vorst, daar bevindt zich dus dat stukje van de Brusselse ring dat aan zijn controle ontsnapt. ‘Grondgebied hoofdstedelijk gewest’, zegt hij. ‘Daar hebben we dus geen meetlussen of camera’s. Als daar iets voorvalt, moeten we de collega’s in Brussel bellen’.

Johan Vermeiren, ancien van Vlaams Verkeerscentrum (foto: Jonas Lampens)

Ronny Vermeiren, ancien van Vlaams Verkeerscentrum (foto: Jonas Lampens)

Ronny, een ancien bij het in 2000 opgerichte VVC, was vanmorgen met een bang voorgevoel opgestaan. Weermannen en weervrouwen hadden helse weersomstandigheden met sneeuw een aanvriezende regen voorspeld, het perfecte scenario voor totale chaos. Wie niet absoluut de baan op moest, zo klonk het gisteravond voortdurend, kon maar beter thuis blijven. Komt het omdat het met de aangekondigde blizzard al bij al meeviel? Omdat vele weggebruikers de consignes toch hebben gevolgd en hun auto een snipperdag hebben gegund? Feit is dat Ronny met zijn collega’s, vijf operatoren en twee liaisons van de verkeerspolitie, een uitzonderlijk rustige ochtendshift beleeft. Ik zal ze iets om handen geven, moet de chauffeur van de bestelwagen hebben gedacht. We zien hem op zijn kant liggen, op de A12 in Aartselaar, vlakbij het viaduct ter hoogte van Ikea. Ronny laat met zijn joystick de camera inzoomen. We zien een half dozijn omstaanders discussiëren, ze ademen witte wolken in de vrieskou. ‘Soms zie je een ongeval voor je neus gebeuren’, zegt Ronny die ook zonder statistieken trends kan detecteren. ‘Ik werk hier nu al 14 jaar. Het is ongelooflijk hoeveel verkeer er in die periode is bijgekomen’.

dynamisch verkeersmanagement

1.100 camera’s hebben ze hier onder de knop, de helft zijn zogenaamde slimme camera’s die anomalieën zoals vertragingen, ongevallen of spookrijders herkennen en opdringen aan een van de beeldschermen. Rood omrand, om de aandacht van de operatoren te trekken. Ook VVC koopt floating car data in, maar baseert zich vooral op de input van 4.300 dubbele detectielussen, te herkennen als littekens in het asfalt die discreet verbonden zijn met een computer in de snelwegberm. Aantal wagens, type, snelheid, gegevens worden constant naar de controlekamer gestuurd die dag en nacht wordt bemand. ‘Daarnaast krijgen we ook meldingen van de wegpolitie of via Twitter en andere sociale media’, zegt Ronny terwijl hij met een paar muisklikken de Bevrijdingstunnel richting Brussel afkruist. Filestaartbeveiliging, de eerste prioriteit na een ongeval. Het VVC heeft een heel arsenaal ter beschikking om aan dynamisch verkeersmanagement te doen. RSS-borden om rijstroken af te kruisen en snelheidsbeperkingen op te leggen, dynamische borden om met tekstboodschappen reistijd-info te communiceren en te waarschuwen voor hindernissen op de weg. Ideaal om omleidingen op grote afstand te dirigeren, een noodmaatregel bij zware problemen wanneer in uiterste gevallen heelder segmenten van een snelweg worden afgesloten. ‘Het is hier soms een heksenketel’, zegt Ronny. ‘Zaak is het hoofd koel te houden. Zeker als je de Liefkenshoektunnel moet tolvrij maken, daar komt een hele procedure bij kijken’. Gratis bestaat niet, ook niet in de Liefkenshoektunnel. Als het structureel onderbenutte kunstwerk op Linkeroever van hieruit tolvrij wordt verklaard, betaalt het Agentschap Wegen en Verkeer een compensatie aan de concessiehouder. Schaduwtol heet dat.

‘Wij zijn de onzichtbare co-piloot die naast iedere chauffeur op Vlaamse snelwegen zit’, vat woordvoerder Peter Bruyninckx het samen. ‘Onze operatoren communiceren voortdurend via alle mogelijke kanalen. De eigen website, sociale media, gps-providers, de RDS-meldlngen op autoradio, we doen er alles aan om weggebruikers zo accuraat mogelijk te informeren. We zijn de hele dag in contact met verschillende verkeersredacties, van commerciële en openbare zenders. Floating car data en detectielussen zijn wel handig om snel vertragingen te signaleren. Maar als je echt wil weten wat er aan de hand is en hoe ernstig de hinder is, dan heb je onze camera’s nodig. En als er toch iets buiten camerabereik gebeurt, dan kunnen de collega’s van de wegpolitie een ploeg op verkenning uitsturen’.

Behalve onzichtbare passagier is het 45 koppen sterke VVC vooral een kenniscentrum mobiliteit. Hier worden nieuwe maatregelen ontwikkeld en geëvalueerd, zoals de spitstroken die de voorbije jaren werden ingereden. Een op de E40 richting Leuven, twee ten noorden van Antwerpen, op de E313 tussen Antwerpen Oost en Ranst en een op de E19 tussen Kleine Bareel en St-Job in ’t Goor. Bruyninckx: ‘Het zijn pechstroken die we tijdens de avondspits als volwaardige rijstroken openstellen om het verkeer vanuit de stad vlotter te laten wegvloeien. Normaal gesproken gebeurt dat tussen 14 en 20 uur, maar op vrijdag, traditioneel de drukste avondspits, zetten we ze al om 12 uur open. Tegenwoordig, door het almaar drukkere verkeer, moet het al om 11 uur. Nog maar een bewijs dat de daluren tijdens de werkdagen aan het verdwijnen zijn’.

Afrit Jette

Het VVC heeft een schat aan indicatoren die de groeiende congestiedruk illustreren, online vlot raadpleegbaar. Veelzeggend is de grafiek ‘voertuig verliesuren’. Gingen op een gemiddelde werkdag in 2010 zo’n 42.000 uren verloren aan files op de Vlaamse snelwegen, dan was dat zure tijdverlies in 2015 al tot 70.000 opgelopen. De jaarcijfers 2016 zijn nog niet beschikbaar, maar een vergelijking van de maandresultaten laat er geen twijfel over bestaan dat er vorig jaar nog meer bumper aan bumper werd gereden. Dat twee van de drie spitsstroken in regio Antwerpen liggen, mag niet verbazen. Op de wegenkaart met detectielussen en camera’s kleuren twee gebieden donkerrood, met de Brusselse ring en vooral de Ring van Antwerpen als gepokte uitschieters. De inplanting van het VVC is dan ook niet willekeurig gekozen. De Metropool en bij uitbreiding de hele provincie Antwerpen dienen al 15 jaar als laboratorium om het concept van dynamisch verkeersmanagement te verfijnen. Hier ligt dus de allerdrukste asfaltstrook van Vlaanderen, het stuk van de Antwerpse Ring tussen Berchem-Borgerhout waar gemiddeld 139.000 voertuigen per dag de richting Nederland volgen. De Antwerpse Ring domineert de top 40 van drukste snelwegstroken, de eerste notering voor de Brusselse Ring is de strook Zaventem-Machelen die met 103.000 passanten een tiende plaats scoort. Toch loopt de automobilist nergens meer kans op stapvoets verkeer dan rond de hoofdstad. In de hiërarchie van meest verzadigde snelwegsegmenten is de R0 ongenaakbaar. De strook ter hoogte van het UZ Jette geldt als het meest filegevoelige stuk snelweg van heel het land, binnen- zowel als buitenring. Het verschil met de nochtans veel drukker bereden strook Berchem-Borgerhout? Bruyninckx toont de twee foto’s naast elkaar. Drie rijstroken versus vijf rijstroken, zo simpel is het.

foto: Jonas Lampens

foto: Jonas Lampens

Zo simpel is het ook voor vele moegetergde chauffeurs die steeds luider schreeuwen om meer asfalt. Hun verzuchtingen weerklinken in Stop de Stilstand, de mobiliteitsstudie die de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka vorig jaar presenteerde. Ook daaruit vallen verontrustende cijfers te filteren. Antwerpen en Brussel zijn vaste waarden in de top 5 van Europese filesteden. De avondpits is tussen 2012 en 2015 met een derde aangegroeid, de ochtendspits met 18 procent. Een kentering is niet in zicht, wel integendeel. Het Federaal Planbureau voorspelt tegen 2030 een verdere toename van het wegverkeer met 22 procent, terwijl in diezelfde periode de gemiddelde uursnelheid met 24 kiilometer daalt. Het rapport is veelzijdig, de bekende oorzaken worden geduid en mogelijke oplossingen aangereikt. Ook Voka pleit voor een efficiënter openbaar vervoer, al stemt dat niet noodzakelijk overeen met de idealen van de Bond van Trein-, Tram- en Busgebruikers. Efficiënt moet worden gelezen als meer rendement met dezelfde of liever nog minder middelen. “Bus en tram zijn in Vlaanderen goed voor 3 procent van alle verplaatsingen maar ze slorpen wel één derde op van het budget van het departement Mobiliteit en Openbare Werken”. Het staat er niet als compliment. Sleutelen aan de verkeersfiscaliteit is echter geen taboe, Voka pleit voor een slimme kilometerheffing en een persoonlijk mobiliteitsbudget (zie kader). Over prioriteit nummer één kan evenwel geen discussie bestaan: meer asfalt. België, alle beleidsniveaus samen, investeert veel te weinig in transportinfrastructuur. We bengelen achteraan in het Europees peloton, Nederland investeert dubbel zoveel. Voka berekent dat Vlaanderen op korte termijn 10,5 miljard nodig heeft om de grootste hiaten op te vullen. Spoor en waterwegen worden niet vergeten, maar 60 procent van het geld moet naar wegeninfrastructuur gaan. Voka heeft er zelfs een verlanglijstje aan toegevoegd, met  de Oosterweel-verbinding, de uitbreiding van de Brusselse Ring en de Limburgse noord-zuid-as als dringendste wensen.

vicieuze cirkel

Oosterweel dringend? Het dossier dat al twintig jaar aansleept, liep de voorbije dagen andermaal vertraging op. Als gevolg van Diesel-gate moet een deel van het milieueffectenrapport worden overgedaan, wat wellicht betekent de werken op Rechteroever pas medio 2018 van start kunnen gaan. Ook op Linkeroever, waar de gemeente Zwijndrecht moeilijk doet over een bouwvergunning, dreigt uitstel. Intussen blijven actiegroepen stRraten-Generaal, Ademloos en Ringland handtekeningen verzamelen om desgewenst een volksraadpleging over het BAM-tracé af te dwingen. Peter Janssen, CEO van roomijs-groep Glacio, kan er niet meer mee lachen. ‘Wat houdt hen tegen om eindelijk de spade in de grond te steken?’, vraagt hij zich af. ‘De plannen liggen klaar, er zijn genoeg studies uitgevoerd. Maar nee, in dit land volstaat het dat enkelen een bezwaarschrift indienen om een dossier van zo’n omvang jarenlang te blokkeren. Volksraadplegingen, ik word er ziek van. Waar dienen politici dan wel voor? We gaan toch naar de stembus om hen een mandaat te geven om te besturen? Dat ze dan hun verantwoordelijkheid nemen. Hadden ze in Brussel vroeger een enquête gehouden, dan was er zelfs nooit een metro gebouwd’.

Zijn ergernis staat niet helemaal los van de ligging van zijn bedrijf. Glacio, waaronder het overbekende Ijsboerke sorteert, heeft productievestigingen in Beerse en Tielen. De Noorderkempen dus, een regio die meer dan haar portie van het fileleed krijgt. ‘Behalve richting Nederland en Duitsland gaat als ons transport over de Antwerpse Ring’, zegt Janssen. ‘Het knooppunt Ranst, waar de E34 en de E313 op de Ring aansluiten, is pure horror. Iedere dag kilometers file, gewoonlijk wordt er al aangeschoven vanaf Lille’. Hij heeft de oefening nooit gemaakt, maar met twintig eigen vrachtwagens in de vaart kan het niet anders of de economische schade loopt op. Janssen kent alleszins de vicieuze cirkel die ons eerder door transportgigant Essers werd geduid. ‘Door de files kunnen onze chauffeurs minder klanten per rit beleveren. Dus moeten we meer ritten en vrachtwagens voorzien, waardoor de files nog wat langer worden’. Zelf neemt hij steeds vaker de trein, want je zou wel gek zijn om nog met de auto naar Zaventem of Parijs te rijden. ‘Maar ik maal nog altijd veel kilometers af, vaak richting Nederland en Duitsland. Dan kun je vergelijken. De tijd dat Nederland bekend stond voor zijn gigantische files is voorbij. Onze Noorderburen hebben de voorbije jaren zwaar geïnvesteerd in hun snelwegen. Nieuwe slijtlaag, extra rijstroken, compleet heraangelegde knooppunten. Dat heeft gewerkt, het rijdt nu veel vlotter. In Duitsland zijn ze volop bezig, daar rijd je van de ene Baustelle in de andere. Met alle hinder vandien, maar ik blijf er zen onder. Die werken zijn nodig om de mobiliteit in de toekomst te verbeteren. Ik wou dat ik hier met hetzelfde gevoel in de file kon staan’.

Ook het VVC heeft een rode telefoon voor noodgevallen (foto: Jonas Lampens)

Ook het VVC heeft een rode telefoon voor noodgevallen (foto: Jonas Lampens)

accordeonfile

We contacteerden meer managers en bedrijfsleiders. Allemaal beaamden ze dat het de spuigaten uitloopt met de files. En allemaal hadden ze een coping strategy, een manier om met de kwaal om te gaan. Delhaize deelt fietsen uit aan het eigen personeel en optimaliseert zijn distributie onder meer door trucks met dubbeldek-laders in te zetten. Enersys, een Amerikaanse producent van industriële noodbatterijen, verhuist zijn BeLux-vestiging nog dit jaar naar het bedrijvenpark Mechelen Zuid. De gelijknamige afrit van de E19 is ongeveer de plek waar voor veel medewerkers de ellende begint. Anderhalf uur accordeonfile _ harmonicafile in Nederland _ is heel gewoon tussen Antwerpen en Evere waar Ensersys kantoor houdt. Ninatrans heeft 120 vrachtwagens op de Belgische wegen. Dan ben je niet alleen slachtoffer maar ook dader, zou je denken, lijdend voorwerp maar ook werkwoord. Zaakvoerder Benny Smets, tevens voorzitter van beroepsfederatie Febertra, ziet dat anders. ‘Iedereen wijst ons met de vinger, terwijl vrachtwagens slechts twee procent van het Belgische wagenpark uitmaken. Natuurlijk is België een transitland. Met de buitenlandse trucks erbij vertegenwoordigen we 16 procent van het wegverkeer. Niet niks, maar het is duidelijk dat het echte probleem bij personenwagens ligt. Ik zie maar een oplossing: een veralgemeende kilometerheffing voor alle weggebruikers. Geen halve maatregelen meer zoals de kilometerheffing voor vrachtwagens die we sinds april moeten betalen. Met de opbrengst zouden ze investeren in infrastructuur, maar daar is nog weinig van te merken. Een platte belasting met een hoop administratieve rompslomp maar zonder impact op de mobiliteit, dat is het in werkelijkheid’.

luchtwegen

Daniël Termont tekende  voor de beste oneliner in het brede mobiliteitsdebat van de voorbije dagen. De belangrijkste wegen zijn de luchtwegen van de Gentenaars, liet de burgemeester zich ontvallen tijdens een nieuwjaarsreceptie die in het teken stond van een omstreden mobiliteitsplan dat de auto uit het stadscentrum verbant. Dirk Lauwers, verkeersdeskundige aan de universiteiten van Gent en Antwerpen, zal het graag beamen. Niet toevallig wordt hij vaak geciteerd door Ademloos, een van de actiegroepen die momenteel ijveren voor een volksraadpleging over de Oosterweelverbinding. ‘Ik ben niet tegen investeringen in infrastructuur’, verduidelijkt hij. ‘Een nieuwe Schelde-kruising in Antwerpen is absoluut noodzakelijk. Maar ik heb me de voorbije dagen toch weer geërgerd aan het Oosterweel-debat. De BAM wil tijdens de werken 25.000 auto’s van de Ring weghalen. Bittere noodzaak, maar waarom zijn ze daar vijf jaar geleden niet aan begonnen? Die ingreep is niet alleen nodig voor de werken, ze is vooral van levensbelang voor de gezondheid van de Antwerpenaars’.

Investeringen zullen volgens Lauwers het probleem echter niet oplossen. Dat Nederland de weg heeft gewezen door miljarden in vers asfalt te pompen? ‘Dat brengt alleen tijdelijk soelaas. Na een jaar of vier slibben die nieuwe wegen en knooppunten onherroepelijk weer dicht. Als je een weg verbreedt, zo leert ons de fundamentele filewet, zuig je nieuw verkeer aan. Dat mechanisme werkt universeel, er zijn grootschalige studies zat die dat bewijzen’. Volgens Lauwers moet het roer helemaal om. ‘Laten we beginnen met automobiliteit niet langer fiscaal aan te moedigen. 3 à 4 miljard euro onrechtstreekse subsidies voor bedrijfswagens, dat is waanzin. Neem een voorbeeld aan Denemarken, waar autobezit actief wordt ontmoedigd met een meerwaardebelasting van 80 procent. De Denen geloven niet in de mythe dat niet het bezit maar alleen het gebruik van de auto problematisch is. Onzin, wie een auto bezit, gaat er ook mee rijden’. Lauwers is gewonnen voor een veralgemeende, slimme kilometerheffing, met variabele tarieven naargelang plaats en tijdstip van het autogebruik. Maar er moet meer gebeuren om het doemscenario van een complete stilstand te ontlopen. Openbaar vervoer moet veel performanter, en het ruimtelijk beleid dient te worden bijgestuurd om een efficiëntere mobiliteit mogelijk te maken. ‘Helaas gebeurt het tegendeel’, stelt hij vast. ‘Antwerpen legt bijvoorbeeld bij nieuwbouw een norm op van 1.2 parkeerplaatsen per wooneenheid. Ze zuigen dus opnieuw auto’s aan, dwars tegen alle internationale trends in. Parijs voert een heel doortastend beleid om de auto terug te dringen. Hetzelfde gebeurt in Amsterdam en Rotterdam, steden die erg vergelijkbaar zijn met Antwerpen. Over Uplace zal ik maar niet beginnen. Jammer genoeg is dat geen unicum, zelfs bij publieke investeringen wordt geen rekening gehouden met mobiliteit. In Mechelen zijn ze een nieuw, regionaal ziekenhuis aan het bouwen, vlakbij een ringweg ver van het centrum. Die site moet drie bestaande ziekenhuizen vervangen, allemaal gelegen vlakbij de stations van Mechelen en Duffel. Het zal wel state of the art zijn, maar qua mobiliteit is dat een ramp’.

Intussen ligt Antwerpen in poleposition voor de vestiging van Plopsaqua. Studio 100 zou aan de Ruggeveldlaan in Deurne, vlakbij het helse knooppunt van Ring en E34-E313, een zwemwalhalla bouwen dat jaarlijks 350.000 bezoekers moet verleiden. Hoe dat spoort met de ambitie om 25.000 voertuigen per dag van de Ring te halen, moet de toekomst uitwijzen.

 

 

Egbert Lachaert (Open VLD) pleit voor een persoonlijk mobiliteitsbudget

foto: website Egbert Lachaert

foto: website Egbert Lachaert

Het persoonlijk mobilieitsbudget staat als een to do in het federale regeerakkoord Michel I. De grote lijnen van het concept zijn helder: het persoonlijk mobiliteitsbudget wil een alternatief bieden voor de fiscaal begunstigde bedrijfswagens. Werknemers krijgen de vrijheid om andere mobiliteitsvormen te kiezen zonder loonverlies te lijden. Idealtiter valt de maatregel ook voor werkgevers en de overheid budgetneutraal uit. Over de modaliteiten hangt evenwel nog veel onzekerheid. We vroegen daarom opheldering aan Egbert Lachaert, Open VLD-kamerlid en auteur van een van de twee wetsvoorstellen over het persoonlijk mobiliteitsbudget.

Lachaert: Bedrijfswagens zijn er ooit gekomen als gevolg van de hoge loonlasten die werkgevers verplichtten om naar alternatieve verloningsvormen te zoeken. Intussen is duidelijk dat die ontwikkeling nefast is voor het milieu en de mobiliteit. Nu ligt de keuze voor de hand: wie van zijn werkgever een wagen met tankkaart krijgt, rijdt vanzelfsprekend met de auto. Dat automatisme wil ik doorbreken, werkgevers moeten vrij kunnen kiezen. De bedrijfswagen inruilen voor andere vervoersmodi, zoals een treinabonnement al dan niet gecombineerd met een fiets. Maar ze kunnen ook opteren voor cash en daarmee zelf hun pendelverkeer organiseren. Een combinatie van beide keuzes moet eveneens mogelijk zijn. Het is erg moeilijk om de hoge waarde van een bedrijfswagen louter en alleen met een treinabonnement of fiets te compenseren. Dat saldo kan met een financiële compensatie worden verrekend. Essentieel is dat de werknemer geen financieel verlies lijdt.

– ook CD&V-kamerlid Jef Van den Bergh heeft een wetsvoorstel klaar. Waarin schuilt het verschil?

Lachaert: In het saldo waar ik zonet over sprak. In het voorstel van mijn collega wordt dat  met een verhoging van het brutoloon gecompenseerd. Geen goed idee, want dan komt de fiscus tweederden afromen terwijl voor de werkgevers de RSZ-bijdragen stijgen. Ik wil het persoonlijk mobiliteitsbudget onderwerpen aan dezelfde  aanslag als bedrijfswagens waarop in hoofdzaak een variabele CO2-taks wordt geheven. Op termijn zie ik het persoonlijk mobiliteitsbudget evolueren naar een simpel concept: een stuk van het nettoloon dat fiscaal wordt vrijgesteld en naar believen kan gebruikt worden om in de mobiliteitsbehoeften te voorzien. ik denk niet alleen aan de huidige bezitters van bedrijfswagens, er is geen enkele reden om andere werknemers van dat systeem uit te sluiten. Groot voordeel: dan zijn we eindelijk verlost van de fiscale koterij die gegroeid is rond fenomenen zoals bedrijfswagens en maaltijdcheques.

– dreigt het persoonlijk mobiliteitsbudget geen extralegaal voordeel te worden, een truc voor werkgevers om patronale bijdragen te ontduiken?

Lachaert: Dat risico bestaat. 2.500 netto veranderen in 2.000 plus 500 euro mobiliteitsbudget. Winst voor zowel werkgever als werknemer, met de overheid als dupe. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn, de nieuwe wet moet grendels bevatten om oneigenlijk gebruik te voorkomen.

 – komt het er deze legislatuur van?

Lachaert: De regering heeft het naar zich toegetrokken. Mijn concept van een cash budget is de voorkeursoptie, maar wellicht draait de wet uit op een mengvorm.  Er wordt nog veel  gediscussieerd, vooral over grendels tegen misbruik. Het is sowieso erg complex, er zitten vier betrokken ministers rond de tafel. Volgens de timing moet het kader tegen 1 april rond zijn. Hout vasthouden dat het lukt. Als ze dit over de zomer tillen, dreigt het ontwerp te sneuvelen door stijgende verkiezingskoorts.

 

 

 

 

 

 

Mohamed Abrini, van draaideurcrimineel tot mislukt zelfmoordterrorist

bijdrage Knack jaaroverzicht 2016, 21 december 2016

8 april: Mohamed Abrini gearresteerd

“Man met het hoedje speelde ook een sleutelrol bij de aanslagen in Parijs”

 

abrini2

Ruim twee uur duurde de ochtendwandeling van de man met het hoedje. Met beelden van bewakingscamera’s kon men nadien zijn traject reconstrueren. Bij het Sheraton hotel recht tegenover de vertrekhall van de luchthaven sloeg hij rechtsaf, liep over de AVIS-parking, doorkruiste het centrum van Zaventem en bereikte zo de Leuvensesteenweg. Ergens op de lange weg naar Schaarbeek, buiten camerabereik, heeft hij zijn bleke regenjas gedumpt. Het vissershoedje daarentegen ging niet af, ook al was het een uitzonderlijke warme lentedag. Na zijn arrestatie zou hij verklaren dat hij zijn weinig flatterende hoofddeksel had verkocht. Het is een van de vele losse eindjes in dit verhaal: bestaat er in Brussel echt een markt voor gebruikte vissershoedjes? Het laatst werd het sjofele hoofddeksel op de hoek van de Brabançonnelaan en de Notelaarstraat gespot, nauwelijks een halve kilometer verwijderd van metrostation Maalbeek waar op dat moment de slachtoffers van een bloedbad werden geborgen. Het tweede al op die vermaledijde dinsdag 22 maart.

klopjacht

We kennen intussen zijn naam. Maar wat speelde door Mohamed Abrini’s hoofd tijdens zijn lange voettocht? En wat dacht hij toen hij uit de luchthaven wegvluchtte, ongedeerd nadat een eerste explosie de vertrekhall in een pandemonium van scherven, rook en bloed had herschapen? Stond hij in de kiss and ride-zone intern te juichen terwijl rondom hem de ontreddering aanzwol en de eerste zwaargewonden werden geëvacueerd? En was hij ooit wel zinnens geweest zichzelf op te blazen, zoals zijn kompanen Ibrahim El Bakraoui en Najim Laacharoui hebben gedaan? Met zijn drieën waren ze die ochtend in een taxi gestapt, bij het appartement in de Schaarbeekse Max Roosstraat waar de aanslagen werden beraamd en de spijkerbommen werden vervaardigd. Een geluk bij een ongeluk: de taxi bleek kleiner dat verwacht waardoor twee met TTAP en spijkers geprepareerde koffers niet kon worden ingeladen. De foto van het trio in de vertrekhall ging de wereld rond. Verkleed als toeristen, elkeen een trolley voor zicht uitduwend met daarop een grote, zwarte reistas. Ze hebben nog een laatste koffie gedronken bij Délifrance, weten we sinds de reconcstructie. El Bakraoui en Laacharoui lopen haast letterlijk schouder aan schouder, beiden gehuld in een zwarte trui. Er gaapt een kleine kloof met Arbini in zjn lichtgekleurde regenjas. Toeval of werd op dat moment de wissel verlegd? Feit is dat Abrini op een ander spoor is beland. Zijn achtergelaten koffer, later die dag door ontmijningsdienst DOVO geneutraliseerd, bleek een nog zwaarder lading te bevatten dan die van zijn ‘reisgezellen’.

Bijna drie weken bleef de meest gezochte man te wereld naamloos en onvindbaar. Tijdens de klopjacht viel een onschuldig slachtoffer. Fayçal Cheffou, burgeractivist en freelance journalist, werd op basis van een vage persoonsbeschrijving als verdachte opgepakt. De gretigheid waarmee de Brusselse burgemeester Yvan Mayeur (PS) het vermoeden van onschuld jegens deze mondige criticaster schond, was een genant dieptepunt. Op 8 april werd dan toch de echte man met het hoedje opgepakt. Mohamed Abrini moet hebben beseft hoe intensief hij werd opgespeurd. Toch had hij zijn schuiladres in Kuregem verlaten om een luchtje te scheppen. Op het Albertplein, een van de desolatere plekken van de hoofdstad, werd hij door en politiecommando overmeesterd. Voor de speurders was het een dubbelslag, want diezelfde dag werd in Laken Osama Krayem opgepakt, de Zweedse medeplichtige van Khaled El Bakraoui. Ook Krayem had een rugzak vol explosieven klaar. In plaats van die in de metro tot ontploffing te brengen, keerde hij terug naar zijn appartement in de Etterbeekse Kazernelaan waar hij het TTAP door het toilet spoelde.

Manchester United

Een procesdatum is nog lang niet vastgelegd. maar nu al is het reikhalzend uitkijken naar de verklaringen van beide kandidaat-zelfmoordterroristen die zich op drempel van de dood bedachten. Dat is tenminste wat Abrini onmiddellijk na zijn arrestatie zelf heeft verklaard. Er circuleert echter een andere theorie, gebaseerd op gelekte smartphone-beelden van de aanslag op de luchthaven. Abrini zou door de kracht van de eerste explosie en het daaropvolgende tumult zijn trolley zijn kwijtgespeeld, waardoor hij niet de kans kreeg om zich zoals gepland als tweede in de rij te laten ontploffen. Misschien komt de ware toedracht niet voor een Belgische maar Franse rechtbank aan het licht. De 31-jarige Molenbekenaar wordt immers ook verdacht van medeplichtigheid bij de aanslagen van 13 november in Parijs. Aanwijzingen zijn er genoeg. Twee dagen voor de feiten werd Abrini in een Frans tankstation langs de A1 richting Parijs gefilmd, samen met zijn medepassagier en jeugdvriend Salah Abdeslam. Doel van de uitstap: een hotelkamer huren in de Parijse voorstad Alfortville van waaruit verschillende kamikazes richting Bataclan zouden vertrekken. De gehuurde Renault Clio was trouwens dezelfde die door Salah Abdeslam op 13 november werd gebruikt om drie medeplichtigen onder wie zijn eigen broer Brahim voor het Stade de France af te zetten waar ze zichzelf opbliezen.

Naar alle waarschijnlijkheid was Abrini op die fatale vrijdagavond niet zelf in Parijs. Toch dichten speurders hem een sleutelrol toe in de voorbereiding. Zo reisde hij eind juni 2015 via Turkije naar Raqqa, de IS-hoofdstad in Syrië. Aan strijden voor het kalifaat kwam hij tijdens zijn korte verblijf niet toe, maar hij had er wel contact met Abdelhamid Abbaoud, een oude bekende uit Molenbeek die algemeen beschouwd wordt als het brein achter de aanslagen in Parijs. In opdracht van Abbaoud reisde hij vervolgens naar Engeland, schijnbaar ongehinderd door Europese buiten- en binnengrenzen. Hij bezocht er Londen, Manchester en Birmingham, de stad waar hij uit handen van een uitgeweken Belg en een Britse medeplichtige een som van 3.000 pond (3.750 euro) ontving. Het geld was ironisch genoeg afkomstig van een frauduleus verkregen huursubsidie, uitbetaald aan een geradicaliseerd, Belgisch koppel dat in feite al naar Syrië was uitgeweken. Werden deze middelen gebruikt om de aanslagen van Parijs te financieren? En waarom maakte Abrini zoveel foto’s van het voetbalstadion van Manchester United? Scouting voor een aanslag op Britse bodem? Voorbereiding voor de raid op het Stade de France? Tijdens zijn eerste ondervragingen, gelekt via VTM, doet Abrini het allemaal af als verzinsels. Zijn betrokkenheid kan hij niet ontkennen, er gloort zelfs enige trots door. Hoe hij na de aanslagen in Parijs onder de neus van de politie in Brussel van het ene naar het andere schuiladres verhuisde. Net als Salah Abdeslam, zijn boezemvriend die hem lange tijd overschaduwde als meest gezochte terrorist ter wereld. Toch probeerde hij zijn rol te minimaliseren. Vechten in Syrië, zichzelf met onschuldigen opblazen, dat was allemaal niks voor hem. Hij was maar een kleine garnaal die zich had laten meesleuren in een complot waar afhaken geen optie was.

brioche

Of dat zal volstaan voor Stanislas Eskenazi om een mild vonnis uit de brand te slepen? De Brusselse strafpleiter vocht de voorbije maanden al een verbeten strijd uit tegen de uitlevering van zijn cliënt aan Frankrijk. Met succes: het Hof van Cassatie verbrak op 6 juli de beslissing van de KI die het licht op groen zette voor de uitlevering. Overigens zou men in deze zaak beter van uitlenen spreken. De Belgische justitie wil Abrini wel zien verschijnen op het Franse proces over de aanslagen in Parijs. Maar uiteraard is het de bedoeling hem later in eigen land als hoofdbeklaagde voor de aanslagen in Brussel voor de rechter te brengen. Met of zonder uitlevering, de Belgische en Franse justitie zullen goed met elkaar moeten overleggen. Tenslotte zijn de aanslagen in Parijs en Brussel het gevolg van één groot complot, gesmeed door een en hetzelfde terreurnetwerk.

Waar zijn proces ook plaatsvindt, het psychosociaal verslag belooft een Aha-Erlebnis te worden.  Mohamed Abrini is het prototype van de draaideurcrimineel die op korte tijd radicaliseerde. Zijn professionele cv vermeldt een korte periode als hulpje in een bakkerij aan Zwarte Vijvers, een intermezzo dat hem in Molenbeek de bijnaam brioche opleverde. De rest van zijn  carrière is een aaneenschakeling van diefstallen, overvallen en drugsfeiten, onderbroken door vijf  periodes van wisselende duur in de gevangenis. Na het uitzweten van zijn laatste celstraf begin 2015 verdween hij van de radar, tot op 24 november zijn signalement internationaal werd verspreid. Een jaar eerder was zijn jongere broer Souleymane in Syrië als IS-strijders gesneuveld. Heeft dat verlies hem in de armen van de jihadterreur gedreven? Dat liet hij zelf uitschijnen in een testament dat werd aangetroffen in een laptop die de kamikazes in een vuilnisbak dumpten vooraleer ze naar de luchthaven vertrokken. Het zou door de verdediging als een verzachtende omstandigheid kunnen worden uitgespeeld. Maar in datzelfde testament juicht Abrini de terroristen van de Bataclan als helden toe en zweert hij net als zijn broer de martelaarsdood te sterven. Het wordt voor meester Eskenazi een lastige klus.

 

ICT’ers over delokalisering: ‘Kennis overdragen is je eigen graf graven’

Knack, 23 november 2016

 

Decennialang vormden ICT en finance een gouden huwelijk. Werk gegarandeerd, aan de beste voorwaarden. Niet meer. ING België wil zijn ICT-divisie halveren, ook bij andere banken sneuvelen de informatici met bosjes tegelijk. Hun werk gaat buitengaats, naar India, Polen of een ander lageloonland met een boomende ict-industrie. Maar niet nadat de Belgische informatici hun functie en knowhow hebben overgedragen. ‘Ze pikken niet alleen ons werk maar ook onze kantoorstoel in’.

(scroll voor interview met pionier ICT-outsourcing Luc Vandergoten)

 

foto: Smartbiz.be

foto: Smartbiz.be

Dimitri kan niet kiezen. Heeft hij met zijn collega’s nu de tak afgezaagd waarop ze zelf zaten? Of is die andere metafoor nog accurater? Dat ze hun eigen graf moesten graven? Vooral dat laatste beeld werd de voorbije maanden bij ING vaak opgeroepen. Precies een jaar geleden viel op het hoofdkantoor aan de Brusselse Marnixlaan de aankondiging: de Master Control Room zou naar ING Polen verhuizen. De MCR is een cruciale schakel in de werking van een bank, de dienst staat in voor detectie en herstel van grote computerproblemen, genre websites of netwerken die plat gaan. Drie maanden later arriveerde de eerste lichting IT’ers uit Warschau. ‘Jonge twintigers’, zegt Dimitri. ‘Goed opgeleid, ze hebben er duidelijk de besten uitgepikt. Zo’n kennisoverdracht verloopt getrapt. Wij moesten de Polen gedurende vier maanden opleiden, zo’n vijftien tot  twintig tegelijkertijd. Daarna keerden ze naar hun land terug om onze kennis aan de anderen door te geven’.

Het hing natuurlijk in de lucht. Twee jaar eerder was ook al de Level 2 Support, de dienst die in actie schiet bij complexere problemen, naar Polen verhuisd. ‘Niet integraal’, zegt Dimitri. ‘Maar belangrijke platformen zoals Unix en Winfel worden nu helemaal vanuit Polen ondersteund, toch wel een transfer van 90 fte’s’. Full time equivalents, het begrip stemt hem bitter. ‘Zolang alles goed ging, spraken ze over ons als medewerkers. Nu er geherstructureerd wordt, zijn we fte’s geworden. Typisch managersjargon. Bij ING vermijden ze bijvoorbeeld angstvallig het woord outsourcing. Dat klinkt slecht, het werk uitbesteden aan een externe partner. Wij gaan de MCR niet outsourcen maar offshoren, luidde het, want het werkt blijft in eigen huis. Dat zal wel, maar evengoed zijn wij hier in België onze job kwijt. De voorbije jaren werden trouwens al  administratieve diensten naar Manilla verhuisd. En op de afdeling naast de onze loopt het vol Indiërs, externen die COBOL programmeren. Om maar te zeggen, echt vies van outsourcing zijn ze nu ook weer niet.’

VervangPool

De terminologie is verwarrend. Outsourcing, een duur woord voor uitbesteding, hoeft helemaal geen delokalisering te impliceren, doorgaans is de externe partner in België actief. Feit is dat er de komende jaren bij ING nog meer zal worden geoffshored en geoutsourced. Op 4 oktober kondigde de Nederlandse bankenreus het wereldwijd schrappen van 7.000 banen aan. De helft van de krimp wordt in België gerealiseerd, het grootste sociale bloedbad sinds de sluiting van Ford Genk. Dat ING Belgium vorig jaar nog  1 miljard euro winst boekte, vormde geen belet. ‘Het dak moet je repareren wanneer de zon schijnt’, luidde de commentaar van Ralph Hamers, de Nederlandse ING-topman die zelf een zonnig jaarsalaris van 1,6 miljoen euro beurt. Het collectief ontslag valt onder de Wet Renault, de vakbonden buigen zich momenteel in het kader van de verplichte raadplegings- en informatieronde over het plan. De grote lijnen zijn evenwel bekend. De meeste banen sneuvelen bij een drastische afslanking van het kantorennet, maar ook de ICT-afdeling wordt bijzonder zwaar aangepakt. ING zou mikken op een halvering tegen 2021, van 1200 naar 600 IT’ers. Een deel van de banen zou naar Nederland verhuizen, bedoeling is België en Nederland op één ICT-platform te schoeien. Maar ook een verdere delokalisering van ICT-diensten naar lageloonlanden staat in de sterren geschreven. Tegelijkertijd kondigt ING een digitale revolutie aan. De bank wil onder meer inzetten op vernieuwende  apps die van een smartphone een mobiel bankkantoor maken. Paradoxaal genoeg zal dat deze transitie zware investeringen vergen… in ICT.

Voor Dimitri maakt het eigenlijk niet veel meer uit, eind december wordt zijn dienst _ zo’n 40 fte’s _ opgedoekt. ‘De overdacht is voltooid’, zegt hij. ‘We zitten hier onze laatste weken te kloppen als back-up. Ik zou eventueel bij ING kunnen blijven, zoals enkele collega’s die een nieuwe functie hebben aangenomen. Maar dat betekent fors inleveren op het variabel deel van je loon. Dat gaat me te ver, bovendien zie ik nog weinig carrièremogelijkheden bij een bank die haar ICT-afdeling  halveert’. Hij wil het benadrukken: zijn Poolse collega’s neemt hij niets kwalijk. ‘Voor hen is het een buitenkans, ik zou in hun plaats ook niet twijfelen. Sommige collega’s hadden het er wel moeilijk mee, de sfeer was bijwijlen grimmig. Zo’n kennisoverdracht verloopt niet één op één, het is niet zo dat iedere Belg een VervangPool moet opleiden. Bij mij verliep het contact vlot, ondanks de de culturele verschillen. Polen hebben het bijvoorbeeld erg moeilijk om hun ongelijk toe te geven. Zelfs als je hun logs met de foute codes printte en onder hun neus wreef, bleven ze discussiëren’.

tandengeknars

Finance en ICT vormden altijd een gouden huwelijk. Werk verzekerd, tegen voorwaarden waar alleen de petrochemie aan kon tippen. Die tijd is voorbij. De financiële crisis van 2009 heeft in België de globale tewerkstelling in de financiële sector met 17 procent doen afnemen. Dat ICT zwaar in de klappen deelt, heeft ook met de voortschrijdende digitalisering te maken. Decennialang was informatica vooral slecht nieuws voor de lagere geledingen van de administratie. Typistes, boekhouders, bedienden, hele legers werden door computerprogramma’s vervangen. Intussen echter is de slang haar eigen staart aan het opeten. Smart apps, financiële robots, zelflerende systemen, het zijn IT’ers die de scalpels ontwikkelen waarmee nu ook banen van andere IT’ers worden weggesneden. Digitalisering is trouwens het argument dat door de ING-top werd ingeroepen om de voorgenomen slachting te verantwoorden. In vakbondskringen echter wordt die uitleg niet zomaar geslikt. ‘Digitalisering schept ook nieuwe banen”, zegt Geert Haverbeke die als adjunct-secretaris BBTK de bankensector in de regio Brussel volgt. ‘ING gebruikt het als drogreden, in feite is dit is een zuiver kostenverhaal. Banken gaan resoluut voor low cost, zelfs de nieuwe banen worden naar lagelonenlanden verhuisd. Dit is sociale dumping op Europese schaal’.

ING is geen trendzetter, die titel valt eerder KBC te beurt. Twintig jaar geleden al is de Vlaamse bankverzekeraar begonnen met het uitvlaggen van ICT-onderdelen. Daarmee volgde de bank het voorbeeld van andere sectoren. Colruyt is een absolute pionier, maar ook Belgacom en Bekaert vonden al halfweg de jaren negentig de weg naar India. Het Zuid-Aziatische land is nog altijd kampioen ICT-offshoring, op verre afstand gevolgd door Filippijnen. Beide landen zijn vooral populair voor volumewerk zoals programmeren en nachtverwerking. Dank zij het tijdsverschil met het Verre Oosten zitten klantendossier de volgende ochtend kant en klaar in de mailbox van de Belgische correspondent.  Binnen een straal van 3.000 kilometer spreekt men van nearshore. Polen is sinds jaar en dag de voornaamste bestemming, maar Roemenië en Bulgarije komen opzetten. Dank zij de geografische en culturele nabijheid biedt nearshoring meer mogelijkheden dan offshoring. Heel wat Europese banken en telecom-operatoren hebben complexe ICT-diensten naar dochterbedrijven of externe partners in Oost-Europa overgeheveld. Niet alleen de privé-sector delokaliseert. Bij de vakbonden van overheidsbedrijf B-Post heerst momenteel grote ongerustheid over plannen om de ict-afdeling naar India te verhuizen.

Al die operaties gaan onvermijdelijk gepaard met een lang en vaak moeizaam proces van kennisoverdracht. Tandengeknars en een occasionele vloek zijn daarbij niet van de lucht. De Belgische IT’ers beseffen maar al te goed dat ze zichzelf overbodig maken. Voor ontwikkelingswerkers is dat misschien het hoogste goed, voor informatici ligt dat helemaal anders.

front office work

‘Je hebt geen keuze’, zegt Jeroen.  ‘Bij ons kwam er protest, maar het management maakte daar korte metten mee. Kennis overdragen was een contractuele plicht, dwarsliggers konden vanwege een zware fout worden ontslagen’. Jeroen werkt bij IS4F, een financiële ICT-dienstverlener met een voorgeschiedenis. IS4F is gegroeid in de schoot van Dexia, de bankengroep die ontstond na de fusie van het Gemeentekrediet, Bacob en Artesia. Na de ontmanteling van Dexia en de doorstart als staatsbank Belfius, ging de ICT-afdeling in 2013 in de uitverkoop. Zo werd IS4F met zijn 390 medewerkers een 90 procent dochter van de Amerikaanse softwaregigant IBM. ‘Het contract bepaalde dat er geen naakte ontslagen zouden vallen’, zegt Jeroen.  ‘We konden blijven, met dien verstande dat we in een ambitieus outsourcingsplan werden ingeschakeld. Meer dan de helft van de activiteiten zijn intussen al naar IBM Polen overgeheveld, goed voor 220 fte’s. Bij de overname werd ons beloofd dat het werkverlies zou gecompenseerd worden. Na een overgangsperiode van twee jaar zou IBM voor ons nieuwe klanten zoeken. Dat is echter niet gebeurd, en de toekomst is één groot vraagteken. Het contract met Belfius, onze enige klant van betekenis, loopt in 2020 af. We beginnen te vermoeden dat IBM een verborgen agenda heeft. Ze hebben ons alleen overgenomen om in te breken in de markt van de financiële ICT-dienstverlening. Misschien is tegen 2020 al het werk naar Polen verhuisd en worden we gewoon opgedoekt’.

Niet alleen IBM maar ook Belfius komt als winnaar uit deze operatie. In het contract met IS4F is een ski slope ingebouwd: de bank betaalt tot 2020 ieder jaar 8 tot 10 procent minder voor de geleverde IT-diensten. ‘Daarmee staat onze rentabiliteit onder zware druk’, zegt Jeroen.  ‘Alleen door maximaal te outsourcen blijven we uit het rood. Voor het Belgisch personeel is het balen, want er is gewoon te weinig werk. Tot 2020 zijn we zeker van onze baan, maar door de malaise zijn er heel wat spontane afvloeiingen. Het managament moedigt dat aan, er is een voluntary leave plan met premies voor vertrekkers. De druk neemt ook subtielere vormen aan. Systeemingenieurs die hun functie al aan de Polen hebben overgedragen, krijgen het voorstel om front office work te doen. Ver beneden hun competentieniveau, maar ze durven niet weigeren uit angst voor ontslag’.

Mechanical Turk

Stephan, een rijpe vijftiger, IT’er bij Beobank, studeerde begin jaren tachtig af. Na een periode ven werkloosheid schoolde hij zich om tot informaticus, een transformatie die vele generatiegenoten ondergingen. ‘De computer beleefde zijn grote doorbraak’, zegt hij, ‘maar er waren nauwelijks gediplomeerde IT’ers. Banken begonnen zoals andere grote werkgevers hun eigen specialisten te vormen. Een gezond stel hersenen en voldoende motivatie, meer had je niet nodig om een goede IT’er te worden. Vandaag leven we in een andere wereld. De impact van digitalisering in de dienstensector moet je vergelijken met die van de automatisering in de industrie dertig jaar eerder. Toen werden ontslagrondes gedeeltelijk gecompenseerd door het scheppen van nieuwe banen. Of door arbeidsduurvermindering, zoals eind de jaren negentig in de bankensector. Dat milderend effect speelt nu niet, precies omdat digitalisering met massale outsourcing gepaard gaat. Okay, er moeten nieuwe apps worden ontwikkeld, maar dat is alleen voor de happy few weggelegd. De bulk van het ICT-werk stroomt weg naar lagelonenlanden. Ik zie een zorgwekkende tendens in de hele dienstensector: steeds meer mini-jobs zonder volwaardig statuut. Freelance programmeren of data-input voor 10 euro per uur, de aanbiedingen staan op gespecialiseerde websites zoals Upwork of _ de naam alleen al _ Mechanical Turk’ .

Beobank ontstond in 2013, uit de fusie van BKPC met de eerder door het Franse Crédit Mutuel overgenomen Citibank Belgium. Ook Stephan komt van Citibank waar hij verschillende delokaliseringoperaties heeft meegemaakt. ‘Op de duur werden alle belangrijke platforms in het buitenland beheerd. De Belgische IT’ers speelden vooral nog een rol als go between tussen de gebruikers en de externe IT-leveranciers. Wij waren het ook die snel ontwikkelingen moesten leveren om in te spelen op nieuwe marktomstandigheden of veranderende wetgeving. Dat was moeilijk, want door de delokalisering gaat veel flexibiliteit verloren. Citibank ging heel ver. Administratieve processen zaten in Manilla en Bangalore, technische controles in Polen, het callcenter voor klanten opereerde vanuit Barcelona’. Ook Stephan heeft meermaals zijn kennis moeten overdragen aan een buitenlandse lagelonencollega. ‘Vooral met Indiërs was dat een aparte ervaring. Vlakaf ‘neen’ zeggen is in hun cultuur ongepast, je moet uit hun toon en lichaamstaal zien af te leiden wat ze bedoelen. Sommigen vertelden wel openhartig over de ellendige werkomstandigheden in Bangalore. Werkdagen van 12 uur, voor 600 euro in de maand. Er zijn special trade zones waar vakbonden worden geweerd, dat zegt genoeg’.

Er zijn niet alleen succesverhalen. KBC heeft een stuk van zijn ICT opnieuw vanuit Polen teruggehaald, geïnscourced heet dat. Teveel technische problemen, teveel klachten van ontevreden gebruikers. Stephan kijkt er niet van op.  ‘Vaak zijn het externe consultants die leuren met delokalisering als mirakeloplossing. Op Powerpoints ziet het er met die lage lonen ook mooi uit, zeker in de ogen van managers die onder druk van de aandeelhouders naar maximaal rendement streven. Wat zo’n Powerpoint echter niet toont zijn de communicatieproblemen, het kwaliteitsverlies en tenslotte de boze klanten. Bij Beobank hebben ze intussen trouwens alle gedelokaliseerde diensten teruggeroepen, naar België en Frankrijk’.

COBOL-programmeur

Delokalisering kan op twee manieren. In de klassieke vorm verhuist het werk naar een lagelonenland. Steeds vaker echter blijft het werk waar het is en komt de laagloon-IT’er naar België. Op de vloer circuleren daarover cynische grapjes. ‘Ze pakken niet alleen ons werk af, nu pikken ze ook nog onze kantoorstoel in’. Vaak zijn het Indiërs die zich voor dit soort uitzendwerk lenen. Het fenomeen kreeg een forse boost toen België en India in 2009 een sociale zekerheidsverdrag afsloten. Indiërs kunnen voor een periode van maximaal vijf jaar gedetacheerd worden. Ze werken onder een Indiaas contract met minimale RSZ-bijdragen, als  voornaamste beperking geldt dat ze niet onder het Belgisch minimumloon mogen duiken. Het bilateraal verdrag was koren op de molen van gespecialiseerde outsourcers. Dat zijn geen kleine jongens, bekende Europese consultants zijn Capgemini en Accenture. Hun voornaamste concurrenten komen uit India. Tata Consultancy Services, Infosys, Cogniscient, Wipro, Tech Mahindra, het zijn zonder uitzondering mondiale spelers met indrukwekkende omzet- en personeelscijfers. TCS claimt 350.000 hoogopgeleide IT’ers in 45 landen, de andere drie schommelen tussen de 100.000 en de 200.000 consultants.

Jef Loos van het in ICT-outsourcing gespecialiseerd onderzoeksbureau  Whitelane Research ziet de markt alleen maar groeien. ‘ICT-outsourcing is in België goed voor 1,5 miljard euro’, zegt hij. ‘Daarvan gaat een derde offshore, vooral naar India. Gemiddeld 50.000 euro per kop, dat maakt 8.000 buitenlandse IT’ers die voor Belgische bedrijven werken. Al onze klanten geven aan dat ze nog meer willen offshoren. Logisch met een gemiddelde kostenreductie tussen 35 en 50 procent. Dat voordeel geldt evenwel alleen voor grote bedrijven. Een helpdesk van 7 man moet je niet naar India offshoren, daar bestaan lokale oplossingen voor’.

Een gewezen medewerker van Atos Worldline, nummer één in bankterminals en electronisch betaalverkeer, getuigt anoniem. ‘In een eerste fase probeerden ze ons te paaien. Dat we ons geen zorgen hoefden te maken. De Indiërs gingen alleen het bandwerk doen, programmeren en back-office. Wij zouden ons voortaan op het betere werk kunnen toeleggen. Dat klinkt goed, een COBOL-programmeur mag zich ineens een analist wanen. Maar na een poosje zie je dat ook het zogenaamd betere werk zoals analyse en testen naar India verhuist’.

pure horror

Soms gaat het goed mis. In april 2014 heeft telecomoperator Mobistar zijn 137 man sterke IT-afdeling aan Tech Mahindra verkocht. Bij een dergelijke bedrijfsoverdracht biedt de nationale cao 32bis waarborgen aan het personeel. Salaris, anciënniteit, ontslagregeling, de overgang moet voor werknemers zo neutraal mogelijk verlopen. Die beperkingen stonden  een drastische delokalisering geenszins in de weg. Hele servicepakketten verhuisden naar India, en tegelijkertijd kwamen tientallen Indiërs naar Brussel en Charleroi om het werk on site over te nemen. Yves, een Franstalige analist met gevoel voor sarcasme, heeft willens nillens aan zijn eigen Kaltstellung meegewerkt. Welke anekdote eerst vertellen? Die van de vrouwelijke consultant aan wie hij als analist met 20 jaar ervaring zijn kennis en verantwoordelijkheid moest doorgeven? Dat ze met twee vingers typte, deed al een alarmbel rinkelen. Na enkele sessies werd haar gebrek aan kennis en inzicht pijnlijk en verdween ze van het toneel. Een andere keer moesten ze een piepjonge Indiër stap voor stap door een handleiding loodsen. Het proces stokte telkens weer omdat hij niet snapte dat hij de commandoregels integraal moest copypasten. ‘Er zijn ongetwijfeld heel veel briljante Indiase informatici’, zegt Yves. ‘Maar die werken niet voor 600 euro in de maand bij Tech Mahindra, een bedrijf dat zelfs in India een bedenkelijke reputatie heeft. Komt daarbij dat Mobistar een verlieslatende account is. Geen detail als je weet dat  Indiërs een stuk van hun verloning uit bonussen op hun account puren. Gevolg: een torenhoog verloop. Zowat de helft van onze Indiërs is na een paar werken spoorloos verdwenen. Dan stuurden ze een paar nieuwe krachten en konden we weer van nul herbeginnen met onze kennisoverdracht’.

Uitputtend is het woord dat het voor hem allemaal samenvat. ‘Vooral communiceren was aartsmoeilijk. Indiërs zeggen altijd yes, maar dat betekent helemaal niets. Als je een probleem rapporteerde, begon het pingpongspel. Niemand wil verantwoordelijkheid dragen, er wordt over en weer gemaild en mist gespoten tot de vraag bij een sukkelaar belandt die echt niet meer kan weigeren. Een simpele kostennota indienen, daar was ik een dag mee kwijt’. Ook Wilfried, een collega met dertig jaar ICT-ervaren op de teller, noemt de communicatie pure horror. ‘Dan zit je daar een uur uitleg te geven over een project waaraan je twee jaar hebt gewerkt. Als je vraagt of het allemaal duidelijk is, zegt die Indiër yes. Een verdiepende vraag, een blijk van interesse, vergeet het maar. Ik kreeg vaak het idee dat het hen geen bal interesseerde. Pas op, ze zijn altijd even vriendelijk. Maar van integratie is geen sprake, ze zitten en eten altijd apart’.

sterfhuisscenario

Zowel Yves als Wilfried hebben recent hun C4 gekregen. Tech Mahindra Belgium heeft in mei het statuut van onderneming in moeilijkheden aangevraagd. Eind deze zomer werden 55 van de resterende Belgische IT’ers collectief ontslagen volgens de procedure Renault. ‘Tech Mahindra heeft zich compleet mispakt’, zegt Wilfried. ‘Door slecht management was de IT van Mobistar een kluwen van systemen en satellieten geworden. Geen probleem, dachten de Indiërs, we gaan alles slopen en door één performant systeem vervangen. Vandaar hun roekeloos bod met een degressief tarief, van 43 miljoen in het eerste jaar naar 6 miljoen in 2020. In ruil daarvoor garanderen ze Mobistar niet alleen business as usual maar ook de nodige innovaties. Veel te hoog gegrepen, is gauw gebleken, ze kunnen de technische uitdaging niet aan. Ook Mobistar komt hier slecht uit. Financieel winnen ze, tenminste op de korte termijn. Maar de weinige IT’ers die ze nog in dienst hebben, staan op de rand van een zenuwinzinking. De onverwerkte tickets, probleemmeldingen en vragen voor aanpassingen, stapelen zich hier op. De bestaande systemen aan de praat houden, lukt nog net. Maar innovaties testen en installeren? Een nachtmerrie, ook voor mezelf en mijn collega’s die het allemaal met verbijstering zien gebeuren. Vanaf de zijlijn, want eens je functie overgedragen, heb je niks meer om handen. Heel wat Belgische collega’s zijn de voorbije maanden gewoon thuis gebleven, op vraag van het management. In feite zaten we van bij de overname in een sterfhuisscenario, het collectief ontslag is gewoon het  sluitstuk’.

De hele toestand ligt hem zwaar op de maag. ‘Hoe kan het dat een Belgisch hightech bedrijf aan een buitenlandse, technologisch inferieure partner wordt verkwanseld, stelt hij een retorische vraag. ‘Vergis je niet, de Indiërs zijn niet de dupe. Tech Mahindra heeft in 2014 wereldwijd 113 telecom- en databedrijven overgenomen. Strategisch slim gezien, data zijn dé grondstof van de toekomst. Eén verlieslatende account in little Belgium, daar malen ze niet om. De echte verliezer, dat is de Belgische staat die belastinginkomsten en RSZ-bijdragen misloopt. Zoals Mobistar zijn er tientallen bedrijven. Doorgaans loopt de delokalisering veel vlotter, maar dat is mijn punt niet. Tech-jobs delokaliseren komt neer op een verarming van onze samenleving. Ga ’s morgens eens in Diegem en Zaventem kijken. Hotels en logementen zitten vol Indiërs, je ziet ze iedere morgen uitzwermen naar de vele ICT-bedrijven in de regio. Dat zijn dus allemaal banen die aan de Belgische arbeidsmarkt worden onttrokken. Maar het ergste van al: als het zo doorgaat zijn we straks een groot stuk van onze knowhow onherroepelijk kwijt. Ook voor de bescherming van de privacy en de strijd tegen fraude is dit erg problematisch. Ik weet wel wat de pleitbezorgers van delokalisering zeggen. Dat er te weinig informatici beschikbaar zijn. Nonsens, dit is geen knelpuntberoep. Met de huidige uitstroom is het leger werkloze Belgische IT’ers snel aan het groeien’.

knelpuntberoep

Analist-ontwikkelaar is nochtans een vaste waarde In de jaarlijks VDAB-top 15 van knelpuntberoepen. Agoria, de federatie van technologiebedrijven, klaagt om de haverklap over de vele ICT-vacatures die niet ingevuld raken. ‘Er zijn inderdaad vacatures genoeg’, beaamt Yves die zelf aan het solliciteren is. ‘Maar waarom raken ze niet ingevuld? Niet omdat er onvoldoende IT’ers zijn, maar omdat ze onredelijke eisen stellen. Drietalig, totale flexibiliteit, minstens vijf verschillende programmeertalen beheersen, en dat alles voor 3.200 bruto in de maand. Okay voor pas afgestudeerden, maar voor ervaren informatici zijn die voorwaarden beledigend. IT’er is een zware job met veel verantwoordelijkheid. Je  moet dag en nacht beschikbaar zijn om problemen op te lossen. Een systeem dat plat gaat, dat is stressen tot je erbij neervalt. Wij IT’ers kennen onze waarde, we gaan niet braderen met onze salarissen’.

Zou het niet kunnen dat die oudere IT’ers de rol hebben gelost? Dat ze niet overweg kunnen met JavaScript, Python, SQL en al die andere talen die onder websites, apps en cloud-toepassingen schuilen? ‘Naast de kwestie’, vindt ervaren rot Stephan. ‘Het punt is dat werkgevers niet meer willen investeren in 40-plussers. Zelf niet IT-ers omscholen tot informatici? Ik ben er langs die weg ingerold, maar vandaag zie ik dat niet meer gebeuren. Werkgevers zijn verwend, IT’ers moeten vanaf de eerste dag renderen. En als ze die in België niet vinden, zoeken ze die wel in India of Polen’.

 

$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$

Luc Vandergoten, pionier ICT-outsourcing

Delokaliseer alleen wat je zelf goed kunt. ICT-problemen delokaliseren is vragen om nog grotere problemen”

Luc in US-1

 

Luc Vandergoten (general manager Contrast Consulting, lid directiecomité Agoria Brussel) mag zich een van de Belgische pioniers in ICT-delokalisering noemen. Zijn allereerste project zette hij eind jaren 80 bij chemiereus DuPont op. Internet of e-mail bestonden nog niet, alles moest via de post worden uitgewisseld. Het project strandde toen bleek dat de respectieve mainframes niet compatibel waren. Vandergoten, lange tijd bij Real Software, richtte een ICT-consultancy bedrijf voor de financiële sector op. Zo was hij nauw betrokken bij de Indiase avonturen van KBC.

– waarom zit het outsourcen van ICT in de lift?

Vandergoten: Noodzaak, er zijn gewoon onvoldoende inzetbare IT’ers op de markt. Probeer in België maar eens tien Java-ontwikkelaars te vinden. Onmogelijk, terwijl je dat in India in twee dagen voor mekaar hebt.

– intussen groeit de pool van voornamelijk oudere IT’ers die bij de vele herstructeringen hun baan hebben verloren. Ze raken nog moeilijk aan de bak, volgens de vakbonden omdat werkgevers niet in 40-plussers willen investeren…

Vandergoten: Dat is kort door de bocht. Omdat ICT zo snel evolueert, is permanente bijscholing een noodzaak. Toch zijn er al te veel IT’ers die vijftien jaar in dezelfde routine blijven hangen. Dan moet je niet verbaasd staan als je op de arbeidsmarkt weinig kansen krijgt. Maar is dat de verantwoordelijkheid van de werkgevers? De inspanningen moeten langs beide kanten komen.

– is het niet gewoon een plat kostenverhaal, zoals bij industriële delokalisering?

Vandergoten: ICT outsourcen is niet per se goedkoper. Er komt heel veel overhead bij kijken, zoals reiskosten en governance. Voor kleine bedrijven heeft het weinig zin, en zelfs grote spelers denken beter twee keer na vooraleer ze eraan beginnen. Een van mijn vuistregels: delokaliseer alleen wat je zelf goed kunt. ICT-problemen delokaliseren is vragen om nog grotere problemen.

 – delokaliseren vergt kennisoverdracht door Belgische IT’ers. Een lastige oefening?

Vandergoten: Het is niet populair, daar moeten we niet flauw over doen. Het gebeurt wel eens dat Belgische IT’ers een deel van hun kennis moedwillig achterhouden. Uit frustratie, of om het ongelijk van het management te bewijzen.

we noteerden horrorverhalen over communicatieproblemen, vooral met Indiase IT’ers. Klinkt dat vertrouwd in de oren?

Vandergoten: Indiërs combineren een grote trots en zelfbewustzijn met een cultureel bepaald onvermogen om neen te zeggen. Een moeilijke combinatie die een speciale aanpak vergt. Om iets gedaan te krijgen moet je heel precieze technische specificaties geven. En dan nog blijven ze discussiëren, je belandt algauw in een wij-zij-tegenstelling. Je moet bovendien korte deadlines opleggen, anders blijft het oeverloos aanslepen. Ik heb zelf een product in Bangalore laten ontwikkelen. Het schoot niet op, ze bleven maar tijd rekken en haarklieven over de specificaties. Het is pas vlot beginnen lopen, toen ik in Brazilië een derde partij vond om de ontwikkelingen te testen. In Rio de Janeiro kostten ICT-testers toen 80 euro per dag, vier keer minder dan in België. Het was een gouden zet, want ineens konden de Indiërs hun problemen niet langer aan de slechte specificaties uit België wijten. Brazilië was bovendien een veel leukere reisbestemming dan India, al moest je er ook enkele culturele bijzonderheden voor lief nemen. Met carnaval waren onze testers dagenlang van de aardbomen verdwenen. (lacht)