Categoriearchief: dossier

De comeback van de burgerdienst

 Knack, 20 september 2016

 

Miliciens en gewetensbezwaarden zijn begrippen uit een ver verleden. Twee decennia na het afschaffen van de dienstplicht maakt het idee echter een opvallende rentrée. Jongeren moeten aan het het voluntariaat, in het leger, het museum, het rusthuis of de sportclub. Goed voor hun persoonlijke groei, heilzaam om kloven in de maatschappij te overbruggen. Verplichten ligt nog moeilijk, maar de vrijwillige samenlevingsdienst kan op een groeiend draagvlak steunen. Ook in de Wetstraat.

Jongeren voor de Samenleving op stage in Lokeren (foto: Wouter Van Vooren)

Jongeren voor de Samenleving op stage in Lokeren (foto: Wouter Van Vooren)

Het causaal verband wordt op zijn website niet toegelicht, maar als bijna dubbele meter ziet Brieuc Van Damme de dingen naar eigen zeggen groot. Zo ook het model voor de samenlevingsdienst dat hij bepleit. De Brugse econoom, in 2014 Open VLD-kandidaat voor Europa, gewezen kabinetsmedewerker van Maggie De Block, wil alle achttienjarige Belgen aan een verplichte leger- of gemeenschapsdienst onderwerpen. Van Damme muntte zijn idee als voorzitter van de Vrijdaggroep, een tweetallige club van jonge talenten die op geregelde tijdstippen bijpraten over strategieën ter verbetering van de samenleving. Zijn opiniestuk, mede ondertekend door de Franstalige econoom en manager Maxime Parmentier, verscheen eind augustus op Knack.be waar het opvallend gretig werd gedeeld. De auteurs hadden dan ook een gevoelige snaar geraakt. Verplicht of vrijwiliig, de samenlevingsdienst is een hot item dat niet toevallig zijn weg heeft gevonden naar de #Bel10-lijst van Radio Eén.

Peace Corps

Het animo is nieuw, het idee allerminst. De eerste wetgevende initiatieven werden al kort na het opschorten van de dienstplicht in 1994 genomen. Alle voorstellen stierven evenwel een stille dood in het parlement, vaak nog vooraleer ze op de agenda van een bevoegde commissie belandden. De enige tekst die ooit het staatsblad haalde, draagt het signatuur van Stef Goris (VLD) en Robert Denis (MR). Typerend voor de algemene desinteresse: de wet van 11 april 2003 ‘tot het instellen van een vrijwillige dienst van openbaar nut’ bleef bij gebrek aan uitvoeringsbesluiten dode letter. Nochtans werden verschillende pogingen ondernomen om de wet in aangepaste vorm te reanimeren. Zo droomde minister van landsverdediging André Flahaut (PS) in 2006 van een contingent van 1.000 ‘dienstvrijwilligers’ binnen het leger. Ook daar kwam niks van in huis, maar de aanleiding en argumentatie zijn interessant. De gegadigden zouden bij voorkeur worden gerecuteerd onder werkloze jongeren die tijdens hun passage in de kazerne ervaring, attitudes en zelfvertrouwen zouden tanken om nadien de arbeidsmarkt te betreden. Tegelijkertijd, zo luidde het destijds binnen de paarse regering Verhofstadt II, zou het organiseren van een vrijwilligersdienst de sociale cohesie versterken, een dringende noodzaak na de schokkende moord op Joe Van Holsbeeck. Niet alleen bij landsverdediging weerklonk de roep om jonge burgervrijwilligers. Minister van ontwikkelingssamenwerking Armand De Decker (MR) trommelde een visioen op van mobiele teams die overal ter wereld konden worden uitgestuurd om de nood te lenigen na rampen en kalamiteiten.

Na de mislukte start is de samenlevingsdienst aan een opvallende comeback begonnen. Niet alleen in België. De state of the union van Europees Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker klonk vorige week misschien weinig begeesterend, maar ze bevatte wel enkele concrete plannen. Veelbesproken is het oprichten van een Europees Solidariteitskorps dat tegen 2020 operationeel moet zijn. Het wordt een legioen van liefst 100.000 jongeren onder de dertig jaar die als vrijwilligers in eigen land of in het buitenland aan de slag gaan. Heropbouwen na natuurrampen, armoedebestrijding, vluchtelingenwerk, ngo’s of lokale overheden, het actieveld is even breed als vaag omschreven. Ook hier kllinken de troeven bekend in de oren. Activeren van jongeren, met krimpende werkloosheidsstatistieken als aangenaam neveneffect. En daarnaast het klassieke argument van de samenlevingsopbouw: jongeren in de gelegenheid stellen elkaar te ontmoeten en over de muren van ethnie, religie, taal en sociale klasse te kijken. De vergelijking werd meteen gemaakt: dit wordt een Europese variant op het Amerikaanse Peace Corps, het bekende vrijwilligersprogramma dat in 1961 door president John Kennedy in het leven werd  geroepen.

Service civique

Het Peace Corps was ook een inspiratiebron toen in 2007 het Belgische Platform Jongeren voor de Samenleving werd opgericht. De koepel verenigt intussen al zo’n 200 leden, veelal locale vzw’s actief in het jeugdwerk en de socio-culturele sector. Tweetalig van opzet, maar de Franstalige origine van het Plateforme pour le Service Citoyen schermert door in het 15-koppige personeelsbestand. ‘We zijn dringend op zoek naar een Nederlandstalige coördiinator’, zegt directeur François Ronveaux vergoelijkend. Het Platform organiseert al vijf jaar een samenlevingsdienst voor jongeren tussen 18 en 25. Gedurende zes tot negen maanden draaien ze mee in organisaties uit vier sectoren, cultuur, zorg, milieu of sport. Tegelijkertijd volgen ze allerlei workshops. Over burgerschap, maar ook rond vaardigheden die hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Aan het einde van hun dienst ontvangen ze een certificaat, overhandigd tijdens een plechtigheid in de Senaat of het Huis der Parlementsleden. 350 jongeren volgden tot dusver het traject, onder wie enkele tientallen Vlamingen. Onder de vorige minister van jeugd Pascal Smet (sp.a) beurde het Platform een bescheiden projectsubsidie, nipt voldoende om vier lichtingen van 15 jongeren door de samenlevingsdienst te loodsen. De subsidie werd onder Bourgeois II geschrapt, en in de praktijk loopt het pilootproject enkel nog in de hoofdstad, met steun van het Brussels Gewest. ‘Maar binnen enkele weken starten we opnieuw in Wallonië’, zegt Ronveaux. ‘En we hopen volgend jaar ook in Vlaanderen te herbeginnen’. Het profiel van de jongeren is divers. Er zitten universitairen tussen, de meesten echter zijn laag opgeleid of regelrechte school drop-outs.  ’Voor hen is de samenlevingsdienst een zegen’, betoogt Ronveaux. ’75 procent van onze jongeren maakt na het afzwaaien binnen de zes maanden een nieuwe start. Ofwel hebben ze een baan gevonden, ofwel zijn ze aan een studie begonnen’.

De directeur heeft er een goed oog. Ook de lobbycampagne, de eigenlijke hoofdmissie waarvoor het Platform werd opgericht, heeft een nieuw elan gekregen. ‘We hebben destijds de krachten gebundeld om een wettelijk statuut voor de samenlevingsdienst te eisen. Een absolute noodzaak, want momenteel zien we ons verplicht de samenlevingsdienst onder het vrijwilligersstatuut te organsieren. Zo krijgen jongeren een vergoeding van maximaal 200 euro per maand, plus nog wat verplaatsingskosten. Veel te krap, en ook inzake sociale zekerheid voldoet het huidige statuut niet’. Inspiratie voor dat nieuwe statuut komt niet alleen uit het Peace Corps, het Platform spiegelt zich vooral aan modellen dichter bij huis. Zoals Frankrijk, waar de Service Civique een instituut is. Vorig jaar stapten 60.000 jonge Fransen in het statuut dat hen een maandelijkse vergoeding van zo’n 500 euro plus sociale bescherming garandeert. Andere voorbeelden zijn Duitsland met zijn Bundesfreiwilligendienst die jaarlijks 80.000 jongeren kan bekoren, en Italië waar vorig jaar 45.000 jongeren een vrijwillige burgerdienst vervulden.

 

Charlie Hebdo

De Service Civique kwam nog onder president Sarkozy tot stand. In Frankrijk staat het statuut bekend als le miracle républicain, omdat de wet in het parlement unaniem door rechts en links werd goedgekeurd. Zo’n draagvlak hoopt Ronveaux ook in België te bouwen. In februari vorig jaar publiceerde het Platform in diverse Vlaamse en Franstalige kranten een Open Brief voor de Samenlevingsdienst. Al in de eerste paragraaf werd verwezen naar de aanslagen enkele weken eerder in Parijs op Charlie Hebdo en een joodse supermarkt.  De samenlevingsdienst, zo luidde het, is het adequate antwoord op de wederzijdse afwijzing van bevolkingsgroepen in de maatschappij. Onderaan de open brief prijkten de handtekeningen van meer dan 100 prominente ondernemers, wetenschappers, opiniemakers en culturele tenoren, naast die van politici van  sp.a, CD&V, Open VLD, PS, Cdh, MR en Ecolo. Wouter Beke is de bekendste naam, naast Laurette Onkelinx. Geen vergeefse moeite dus, maar de open brief bleek onvoldoende om de Wetstraat wakker te schudden. Intussen echter zijn we anderhalf jaar en een reeks schokkende terreuraanslagen verder. ‘Die hebben de noodzaak van een samenlevingsdienst alleen maar urgenter gemaakt’, zegt André du Bus de Warnaffe. ‘Het is zeker geen wondermiddel, maar wel een uitstekende remedie om de gemeenschappelijke waarden in onze maatschappij te verstevigen’. De Brusselse Cdh’er, verkozen in het hoofdstedelijk parlement en tevens lid het Franse gemeenschapsparlement, is een pionier van de samenlevingsdienst die al in 1999 een eerste wetsvoorstel schreef.  In 2011 diende hij als senator een nieuw voorstel in voor een wettelijk statuut en de oprichting van een overheidsinstituut om jongeren en onthaalorganisaties met elkaar in contact te brengen. ‘De rol die het Platform nu speelt’, zegt hij. ‘Ik heb mijn voorstel trouwens met het Platform doorgepraat. Even leek het te gaan lukken, het heeft zelfs de commissie voor sociale zaken gehaald. Uiteindelijk heeft de PS onder impuls van minister van sociale zaken Onkelinx mijn voorstel gekelderd, officieel omdat ze een samenlevingsdienst als concurrentie beschouwde voor laaggeschoolden op de arbeidsmarkt. Grappig, want nu ze in de oppositie zitten, zijn de PS en mevrouw Onkelinx plotseling grote voorstanders geworden’.

Du Bus de Warnaffe staat niet alleen met zijn gevoel van urgentie. Vooral sinds de aanslagen in Brussel zwelt het koor aan: er is nood aan verbinding. De kloof tussen de gemeenschappen, om niet te zeggen tussen de moslims en de anderen, neemt schrikbarende proporties aan. Actief burgerschap is het antwoord op kwalen zoals extremisme en radicalisering, mensen van diverse origine moeten elkaar opnieuw vinden rond gedeelde waarden die de hoeksteen van de maatschappij vormen. Voorlopig neemt het engagement vooral de vorm aan van vrome wensen en ronkende verklaringen door politici en opiniemakers in interviews, debatten, columns en speeches. Het concreetst werd Benoît Lutgen die eind augustus met een spectaculair voorstel uitpakte. De Cdh-voorzitter pleitte voor een parcours citoyen: mannen en vrouwen tussen 18 en 35 engageren zich gedurende 100 dagen voor een maatschappelijk nuttig doel. Verplicht, al bleef Lutgen vaag over de sanctie die op een eventuele weigering staat. Met zijn verplichte variant zit hij op dezelfde golflengte als Brieuc Van Damme, al is het bijna gelijktijdig oplaten van beide proefballonnen toeval. Lutgen haalt de mosterd in Frankrijk, waar het debat over een verplichte service civique al maandenlang woedt.

Arbeidsverdringing

Waarom verplichten? ‘Omdat het de enige manier is om een gezonde sociale mix te creëren’, zegt Van Damme. ‘Het onderwijs schiet op dat vlak hopeloos tekort, en ook jeugdbewegingen en sportclubs scoren vaak slecht inzake etnische en sociale diversiteit. In Molenbeek doen jongeren taekwondo, in Sint-Martens-Latem spelen ze hockey. Contact tussen beide werelden? Nul. Daarom moet de vrijwilligersdienst ook op 18, als jongeren recht van de middelbare school komen. Allemaal gelijk in bad, op dat vlak schoot de militaire dienstplicht vroeger tekort. Wie als 18-jarige aan zijn dienst begon, werd milicien. Met een diploma hoger onderwijs koos men meestal voor een opleiding tot officier of onderofficier. Beide groepen kregen nauwelijks de kans elkaar te leren kennen’. Een verplichte samenlevingsdienst kan voor zijn part perfect bij het leger. Toch kijkt Van Damme vooral naar de burgerij: organisaties uit de non profit sector, culturele instellingen, overheidsdiensten. ‘Waarom hen geen fiscale fraude laten opsporen’, oppert  hij. ‘Na een opleiding bij financiën moet dat mogelijk zijn. Wat mij betreft komen ook privébedrijven als onthaalorganisatie in aanmerking. Natuurlijk moeten we oppassen voor arbeidsverdringing, maar ik zou dat gevaar niet overdrijven. Het wordt voor die bedrijven geen goedkope arbeid, want die jongeren moeten ook worden omkaderd. Dat zal investeringen vergen in human resources’.

Studies of cijfermateriaal zijn nauwelijks voorradig. Toch heeft Van Damme, gastdocent economie in Gent, zich op basis van buitenlandse voorbeelden aan een extrapolatie gewaagd. ‘Ik reken op 10.000 euro per jongere per jaar. De helft daarvan gaat naar de vergoeding, de andere helft naar vorming en omkadering. Met 100.000 jongeren per jaar zou dat ons land een miljard per jaar kosten, welbesteed geld’.

jongeren (foto: Wouter Van Vooren)

de samenlevingsdienst oogst in de Wetstraat verdeelde reacties (foto: Wouter Van Vooren)

 

Directeur Ronveaux van het Platform ziet een verplichte dienst niet zitten. ‘Daarmee ontketen je een debat over de individuele vrijheid, een principekwestie die de kern van de zaak overschaduwt. Zo’n verplichte dienst bestaat hoor, onder meer in Zwitserland, Oostenrijk en Finland. Maar dat zijn landen waar de militaire dienstplicht en de vervangende burgerdienst nooit werden afgeschaft. Ik sluit niet uit dat België op termijn opnieuw met dat systeem aanknoopt, maar dan moet eerst een breed draagvlak ontstaan voor een vrijwillige samenlevingsdienst’. André du Bus de Warnaffe blijft beleefd voor zijn voorzitter, maar ook hij wijst een verplichte dienst resoluut van de hand. ‘Principieel, maar ook om praktische redenen. Honderdduizend jongeren per jaar aan een samenlevingsdienst helpen, daar heb je een gigantische en geldverslindende administratie voor nodig’.

Wetstraat

Hoe valt het idee intussen in de Wetstraat? Een rondvraag leverde gemengde reacties op. Een lauwe reactie bij de N-VA, een regeringspartij die met binnenlandse zaken en landsverdediging in deze materie twee sleutelposten bezet. Ondanks herhaald aandringen bij de twee kabinetten liep er geen standpunt binnen. CD&V noemt een vrijwillige burgerdienst een interessante piste, maar wijst in een summier standpunt vooral op de inspanningen die Vlaams onderwijsminister Crevits levert om actief burgerschap in de eindtermen op te nemen. Burgerschapseducatie op school figureert overigens ook in het kersverse CD&V-veiligheidsplan, als speerpunt in de strijd tegen radicalisering. Groen toonde zich een koele minnaar. ‘Geen prioriteit voor onze partij’, zegt Evita Willaert, kamerlid en OCMW-raadslid in Gent. ‘Op zich is het een goed idee, maar ook geen voldoende reden om een zoveelste wettelijk en administratief kader te scheppen, jongeren doen trouwens zo al veel vrijwilligerswerk. We vrezen bovendien voor arbeidsverdringing, zeker nu er hard gesnoeid wordt in de sociale economie’.

Wel onverdeeld positief is Vlaams Belang. Niet vanwege de sociale cohesie, de extreemrechtse partij ziet in een ‘samenlevingswerkplicht’ voor 18-jarigen een instrument om probleemjongeren te disciplineren en arbeidsethos bij te brengen. Niet zeker of ze daar bij het Platform op zaten te wachten, maar ongetwijfeld zijn ze wel blij met de toezegging van Vlaams minister van jeugd Sven Gatz (Open VLD). ‘Hier wil ik mijn truitje wel nat voor maken’, zegt hij. ‘Ik zie de vrijwillige samenlevingsdienst als een verlengstuk van de burgerschapseducatie in het onderwijs. Nuttiger dan de burgerschapsverklaring voor scholieren waar Kristof Calvo voor pleit. Mensen dingen laten doen die tot burgerschap leiden, dat werkt beter dan ze een geijkte formule van een briefje te laten aflezen. Het is ook een echte win-win: jongeren doen een interessante ervaring op, en de maatschappij krijgt er wat voor terug. Over de details kan ik me niet uitspreken, maar de grote lijnen zijn wel helder. Een samenlevingsdienst kan in de ruime non profit sector, maar ook het leger is als openbare dienst een geschikte structuur. Ik zou niet uitbreiden naar de privésector, want dan bestaat het gevaar op arbeidsverdringing. Een certificaat lijkt me overbodig, we evolueren naar een cultuur waarin verworven competenties op een cv belangrijker zijn dan diploma’s’. Hoe hij zijn truitje nat wil maken? ‘De samenlevingsdienst staat in geen enkel regeerakkoord’, zegt Gatz. ‘Maar niks belet om alvast wetgevende initiatieven te nemen. Als Vlaams minister kan ik weinig doen, maar ik wil graag mijn contacten gebruiken om het idee op federaal niveau aan te kaarten. Hopelijk hoeft het niet zo lang te duren, maar als er nog geen regeling is, nemen we dit mee naar de verkiezingen in 2019’.

Peter Vanvetlhoven klinkt niet minder voluntaristisch. ‘100 procent voorstander’, zegt de sp.a-volksvertegenwoordiger. ‘Een vrijwillige burgerdienst biedt een meerwaarde voor zowel de jongeren als de samenleving. Ik wil  graag meewerken aan dat statuut, ook vanuit de oppositie. Niet evident, maar laten we er vooral geen wedstrijdje om-het-eerst-een wetsvoorstel-deponeren van maken. We staan aan het begin van het begin van het parlementair jaar. Ideaal moment om het met de collega’s van andere partijen op te nemen’.

Monsanto, fusiebruid met besmeurde trouwjurk

Knack, 28 september 2016

GGO’s vs NGO’s: het imago van een agro-gigant  

Met de fusie van Bayer en Monsanto staat een agro-gigant van faraonische omvang in de steigers. Waarnemers voorspellen een naamsverandering. Zaadveredelaar en gewasbeschermingsproducent Monsanto kampt immers met een knoert van een imagoprobleem. Symbool voor de industriële landbouw, zwart beest voor milieuactivisten die het Amerikaans bedrijf volgende maand voor een ad hoc tribunaal hebben gedaagd. Het verhaal van het meest gehate bedrijf ter wereld.

images-3

Olga Mendez Monsanto heeft zelf nooit onder haar familienaam geleden. De Amerikaanse, omstreeks 1870 geboren in een Sefardisch-Joodse famiiie, heeft een al bij al gelukkig leven geleid aan de zijde van ondernemer en chemisch pionier John Francis Queeny. Diens echtelijke liefde was zo groot dat hij zijn levenswerk naar zijn jongere vrouw vernoemde. Monsanto Chemical Works begon in 1901 bescheiden, met de productie van saccharine voor de Coca Cola Company. Toen Olga in 1930 het loodje legde, was de naar haar genoemde firma al uitgegroeid tot een chemiereus met een gevarieerde productenwaaier waarin onder meer aspirine, zwavelzuur en PCB prijkten. Dat het in Saint-Louis-Missouri gevestigde bedrijf de uitvinder van Agent Orange zou zijn, is een mythe. Wel correct is dat Monsanto een van de tien chemiebedrijven was die tijdens de Vietnamoorlog door het Amerikaanse leger werden opgedragen het ontbladeringsmiddel te produceren. Ook waar is dat Monsanto pionierde met hormonen in de veeteelt. Posaline, het eerste groeihormoon voor melkrunderen dat door de Amerikaanse FDA werd toegelaten, droeg het stempel Monsanto. Omstreden praktijken, maar ze volstaan niet om het diabolische imago te verklaren dat aan Monsanto kleeft. Gooi de naam door je browser, en de aversie borrelt op als olie in de woestijn. Het meest gehate bedrijf ter wereld, luidt een populaire kop. Sloganesk uiteraard, maar feit is dat de wervende kracht van die reputatie ongeëvenaard is. De March Against Monsanto bracht in mei 2013 in meer dan 300 steden in 52 landen vele honderdduizenden betogers  _ 2 miljoen volgens de organisatoren _ op de been. De verwijten en aanklachten leenden zich niet alleen tot beschilderen van borden en spandoeken. Vorig jaar puurde Neil Young uit dezelfde bron inspiratie voor een acht minuten durende tirade. The Monsanto Years, titeltrack van het gelijknamige conceptalbum, vertelt een inktzwart verhaal van weerloze boeren, met ketens en wurgcontracten gebonden aan Monsatno dat hen dwingt ggo-gewassen te zaaien en mileuverwoestende bestrijdingsmiddelen te sproeien. Neil Young wordt een van de opgemerkte afwezigen als op 14 oktober in Den Haag het Monsanto Tribunaal van start gaat. De overige usual suspects zullen wel op het appèl verschijnen, milieuorganisaties, boerenactivisten en andersglobalisten uit alle continenten van Moeder Aarde. De aanklacht omvat ecocide, schendingen van mensenrechten en misdaden tegen de menselijkheid. Parallel met het drie dagen durende proces vindt een congres plaats over de agro-industriële landbouw, de gemeenschappelijke vijand waarvan Monsanto de ultieme belichaming vormt.

 Big Six

Strikt genomen moet de naam van het evenement worden aangepast, want in de agro-industrie spreekt men voortaan niet meer van Monsanto. Twee weken geleden werd de overname aangekondig: het Duitse pharma-chemische concern Bayer legt 59 miljard euro op tafel voor de overname van Monsanto. De fusie, het resulltaat van een paringsdans die een half jaar geleden begon, is de grootste ooit in de Duitse industriële geschiedenis. Monsanto is de nummer één in zaden en gewasbescherming, Bayer de nummer drie. Sectorgenoten, maar wel complementair. Zo is Bayer niet actief in maïsteelt, een van de sterkhouders van Monsanto dat tweederden van zijn 13,5 miljard euro omzet uit de verkoop van genetisch gemodificeerde en hybride zaden haalt. De gigant uit Saint-Louis telt wereldwijd 22.000 werknemers, van wie er 750 in Antwerpen hun dagtaak wijden aan de productie van glyfosaat, het meest gebruikte herbicide ter wereld dat beter bekend is onder zijn merknaam Roundup. Onduidelijk is wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor de tewerkstelling. De fusie moet nog worden goedgekeurd door diverse Europese en Amerikaanse mededingingsautoriteiten. De bezorgdheid over oligopolievorming is terecht, want het landschap van de agro-industrie werd recent door een reeks megafusies grondig hertekend. Eind vorig jaar kondigden de Amerikaanse chemiereuzen DuPont en Dow een huwelijk aan, de grootste fusie ooit in de chemische industrie. Bijna tegelijkertijd viel het bericht dat het Chinese ChemChina voor 50 miljard euro  het Zwitserse Syngenta overneemt, de mondiale nummer twee in de bio-tech en agro-industrie. Van de Big Six die de sector traditioneel overheersen, is alleen BASF buiten alle fusies gevallen. De ratio is vergelijkbaar met de schaalvergroting in de aanverwante pharma-sector. Synergie moet middelen vrijmaken om de steeds hoger oplopende kosten voor het ontwikkelen en mondiaal commercialiseren van nieuwe producten te dragen. De lage rentevoeten en het goedkope geld, werken bovendien als viagra in op de overnamelust.

Maar waarom staat in Den Haag uitgerekend Monsanto terecht? Waarom geen BASF, Syngenta of DuPont Tribunaal? Het proces gaat  over de praktijken van de agrobio-industrie. Waarom er dan eentje als pars pro toto uitpikken? Olivier De Schutter, professor internationaal recht en mensenrechten in Louvain-la-Neuve en Parijs, van 2008 tot 2014 speciaal VN-rapporteur voor het recht op voedsel, is een van de initiatiefnemers. ‘Natuurlijk hebben ook andere bedrijven boter op het hoofd’, zegt hij als we hem tijdens een vergadering in Genève bellen. “Maar Monsanto is een categorie apart. In feite is het proces het verlengstuk van het ophefmakende boek van de Franse onderzoeksjournaliste Marie-Monique Robin. In Le monde selon Monsanto legt ze een patroon bloot dat doorheen de hele bedrijfsgeschiedenis loopt. Van de productie van PCB’s over het leveren van Agent Orange aan het Amerikaanse leger, tot het agressief opdringen van GGO-gewassen. Dat laatste doen ze zonder gedegen wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid, terwijl ze anderzijds kritische wetenschapppers op alle mogelijke manieren intimideren’.

farmers little helper...

farmers little helper…

Roundup

‘Monsanto is een symbool’, zegt Bart Staes, Europarlementslid voor Groen en bekend tegenstander van GGO’s. ‘Een beladen symbool, zelfs voorstanders van industriële landbouw zitten er mee in hun maag. Medewerkers van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie reageren altijd defensief als ik tijdens een debat over Monsanto begin, zelfs een biotech-pionier zoals Marc Van Montagu distantieert zich ervan’. Die laatste bewering laten we graag voor zijn rekening. Van Montagu vond het alleszins niet erg om in 2013 de World Food Prize in ontvangst te nemen, gesponsord door een resem mecenassen en bedrijven waaronder alle grote namen uit de voedings- en agro-industrie. Ook Monsanto dus, dat samen met Syngenta als hoofdsponsor geldt. Van Montagu moest de Nobelprijs voor voedsel overigens delen met Robert Fraley, Monsanto’s chief scientist die gelauwerd werd als pionier van genetisch gemodificeerd zaadgoed.

Het verschil met de andere Big Six-leden? ‘Monsanto is natuurlijk de numero uno als het over zaden en gewasbehandeling gaat”, zegt Staes. ‘Daarnaast onderscheidt het zich door zijn agressieve communicatiestijl die bij NGO’s als een rode lap op een stier werkt. Maar vooral: Monsanto is de absolute pionier van transgene  voedingsgewassen, de eerste producent die in de jaren negentig  ggo-zaden op de markt bracht. Intussen hebben ze er de hele wereld mee veroverd, behalve dan Europa waar ze het verzet en de cultuurverschillen zwaar hebben onderschat. Tot dusver heeft Monsanto nog maar één Europese ggo-vergunning gekregen: Mon810, een maïsvariant met een ingebouwd biologisch insecticide dat de plant tegen de stengelboorder beschermt. Zelfs dat succes is relatief, want in feite wordt Mon810 alleen in Spanje geteeld. Naast de ggo’s wekt ook Roundup veel weerstand op. Een commercieel succes zonder weerga, maar tegelijkertijd een symbool dat alles samenvat waarvoor Monsanto wordt gehaat’.

Jarenlang was Roundup alleen maar een buitengewoon efficiënte onkruidverdelger. En een gruwel in de ogen van milieubeschermers. Grondwater raakt bezoedeld, het elimineren van onkruid betekent ook de doodsteek voor allerlei insecten, spinnen en andere nuttige diertjes die op hun beurt levensnoodzakelijk zijn als voedsel voor hogere soorten zoals veldvogels.  Boeren echter waren in hun nopjes. Dankzij Roundup geen distels, boterbloemen, klaver of ander onkruid meer tussen het graan, de maïs of de soja. Gedaan met wieden, bovendien konden de cultuurgewassen op onkruidvrije velden dichter worden ingezaaid met grotere oogsten tot gevolg. Bij ons werd het spul per traktor verneveld, in Amerika, Azië en Australië gebeurde dat met sproeivliegtuigen. De hobbyist deed dapper mee, desnoods met een handvernevelaar. Het gebruik in moestuinen stelt weinig voor naast de miljoenen liters in de landbouw, maar verklaart wel de planetaire naambekendheid die Roundup geniet. Het basisingrediënt is al lang patentvrij, glyfosaat wordt door nog 22 kleinere producenten in allerlei samenstellingen gebruikt. Monsanto heeft echter een geniale zet gedaan: Roundup Ready. In feite is het een combinatie van de twee hoofdactiviteiten, zaadveredeling en  gewasbescherming. Glyfosaat is niet selectief en doodt ook de cultuurgewassen waardoor het enkel preventief voor het zaaien of planten kon worden gebruikt. Met Roundup Ready vervalt die beperking. Transgene soja of maïs zijn biogenetisch gemanipuleerd zodat de planten immuun zijn voor het bestrijdingsmiddel. De innovatie ontketende halfweg de jaren 90 een revolutie in de industriële landbouw die de trend naar nog grootschaliger productie in monoculturen danig heeft versneld. Alweer een horreur voor adepten van kleinschalige, familiale landbouwmodellen, maar vele boeren telden hun zegeningen. Roundup Ready stond voor minder ploegen en zelfs minder sproeien, want de technologie maakte het gebruik van selectieve, erg schadelijke herbiciden overbodig.

 precisielandbouw

Knap gevonden, als ondernemer en wetenschapper is Johan Cardoen wel de de laatste om dat tegen te spreken. Toch maakt ook de algemeen directeur van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) kritische kanttekeningen. ‘Monsanto heeft ook binnen de sector een speciale reputatie’, zegt Cardoen die 25 jaar bij de Vlaamse biotech-bedrijven Plant Genetic Systems en Crop Design heeft gesleten. ‘Bij Monsanto heerst een aparte bedrijfscultuur. Ze weten perfect wat ze willen, en gaan driehonderd procent voor hun doelstellingen. Daarbij stellen ze zich erg monopolistisch op, wat meteen verklaart waarom ze ook binnen de sector een agressief imago hebben. Heel Amerikaans ook, met een scheut arrogantie die hen soms zuur opbreekt. Hoe ze zich hebben miskeken op de ggo-aversie in Europa. Hun sojaschepen lagen bij wijze van spreken al in de haven van Antwerpen, toen ze nog aan een vergunningstraject moesten beginnen. Die voortvarendheid heeft anderzijds ook charmes, van Monsanto wist je dat ze dingen in beweging konden brengen. Het bedrijf is erg innovatief, ook op businessvlak’.

Inderdaad. Boeren die Monsanto-zaad gebruiken moeten een growers licence ondertekenen, met daarin de bepaling dat de vergunning maar voor één oogst geldt. Geen sprake van zaad bij te houden voor het volgend seizoen. Ook andere agro-bedrijven gebruiken die methodes, maar Monsanto is altijd de eerste en gaat altijd het verst. Die growers licenses zijn trouwens omstreden, onder meer in Canada waar veel koolzaad wordt geteelt. Dat is een gewas dat gemakkelijk uitkruist, waardoor binnen de kortste keren problemen ontstonden. Boeren van aanpalende velden werden ervan beschuldigd Monsanto-zaad te hebben gestolen, met rechtszaken als gevolg.

Cardoen betreurt dat Monsanto het imago van zijn sector domineert. ‘Terwijl er door het VIB en andere innovatieve bedrijven ontzettend veel onderzoek wordt verricht dat niks met ggo’s of pesticiden te maken heeft, zoals duurzame oplossingen voor gewasbescherming en  precisielandbouw’. Boeren op de vierkante meter, dat is waar precisielandbouw voor staat. De technologie is er klaar voor: satellietgestuurde traktoren vol elektronica laten de boer toe om per morzel grond het ideale moment voor ploegen en zaaien te bepalen. Weersomstandigheden, soorten onkruid, bodemgesteldheid, alles wordt permanent gescand en geëvalueerd om de gepaste hoeveelheid kunstmest en de ideale cocktail van bestrijdingsmiddelen te lozen. Ook hier speelt Monsanto in de spits. In 2013 kocht het voor één miljard The Climate Corporation, een succesvolle start-up van twee gewezen Google-medewerkers. In ons land heeft Bayer Cropscience, de agro-poot van het Duitse conglomeraat, in een Huldenberg een modelboerderij uitgebouwd om de zegeningen van precision farming te promoten.

Wellicht hebben dergelijke synergieën zwaarder gewogen dan de bedenkelijke reputatie toen Bayers revisoren door de boeken van de begeerde overnameprooi gingen. Wat de due dilligence zeker overschaduwde was de onzekere toekomst van Roundup, de melkkoe van Monsanto. Terwijl Bayer en Monsanto elkaar aan het besnuffelen waren, bogen aan het Brusselse Schumanplein de allerhoogste Europese instanties zich over een hoofdpijndossier. Lange tijd zag het er naar uit dat het verlengen van de toelaatbaarheid van glysfosaat ondanks hevig verzet van milieuorgansaties een routinezaak zou worden. Alles veranderde toen het International Agency for Research on Cancer (IARC) een bom dropte. In het rapport van het VN-onderzoeksinstituut werd glyfosaat als ‘waarschijnlijk cancerogeen’ omschreven. De stelling botste met het gunstig advies van het Europees Agentschap voor Voedselveiligheid (EFSA), dat ook na een nieuw onderzoek bleef volhouden dat glyfosaat veilig is. De Europese Commissie volgde EFSA, maar vond in de Europese Raad geen gekwalificeerde meerderheid om de onder meer door België bepleite verlenging met 15 jaar goed te keuren. Op 28 juni nam de Europese Commissie dan maar een voorlopig besluit. De vergunning wordt voorwaardelijk en met maximaal 18 maanden verlengd, totdat het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA) in Helsinki definitief uitsluitsel geeft over de toxicologische eigenschappen. Dat de fusie Bayer-Monsanto ondanks die onzekerheid toch werd beklonken, wijst er volgens sommige analisten op dat ze in Leverkusen vertrouwen op de gunstige afloop. Een totaalverbod zou miljarden kosten, zeker als het buiten Europa navolging krijgt.

werken aan groen imago

werken aan groen imago

lobbywerk

Nina Holland zat bij de glyfosaat-slag op het puntje van haar stoel. De Nederlandse werkt in Brussel voor Corporate Europe Observatory, een waakhond die de lobbyactiviteiten van bedrijven en multinationals bij Europese instanties in de gaten houdt. Dat er in het glyfosaat-dossier intens werd gelobbyd, hoeft geen betoog. ‘We hebben grote vragen bij de onafhankelijkheid van het EFSA’, zegt Holland.  ‘Zeker in dit dossier waar we de helft van de panelleden in het verleden als onderzoeker voor de industrie heeft gewerkt. Revolving doors, heet dat, een beproefde lobbytechniek. Wetenschappers die die vandaag voor de industrie werken, houden morgen de pen van de regelgevende autoriteiten vast. Of omgekeerd, want het werkt in twee richtingen. Ik spreek geen wetenschappelijk oordeel uit, maar het IARC hanteert veel strengere selectieregels voor zijn panels’.

De identiteit van de voornaamste belanghebbende kan haar wantrouwen niet temperen. Ook als het op lobbyen aankomt, heeft Monsanto een reputatie. ‘Ze blijven altijd onder de radar’, zegt Holland. ‘Andere agro-giganten zoals Bayer of BASF nodigen wel eens Europese parlementsleden of andere stakeholders uit voor een ontbijtconferentie. Dat doet Monsanto nooit, hun strategie bestaat erin wetenschappers te beïnvloeden en regulatoren te infiltreren. Bij het klassieke lobbywerk verbergen ze zich achter allerelei schermorganisaties, koepels en onderzoeksinstituten zoals CEFIC, ILSI of EuropaBio waar ze veel gewicht in de schaal werpen. In het glyfosaat-dossier hebben ze voor één keer hun masker laten vallen. Naar het voorbeeld van de TTIP–onderhandelingen heeft Monsanto in Brussel een reading room geopend. Politici, wetenschappers en journalisten kunnen er data van muizenonderzoek en andere toxicologische trials gaan inkijken. Ze moeten zich dan wel eerst laten registreren en mogen onder geen beding opnames of copies maken, waardoor het voor wetenschappers in feite onmogelijk is om iets zinvols te doen. Die reading room is bij een advocatenkantoor ondergebracht, toevallig in hetzelfde gebouw aan de Meeussquare waar Bayer zijn lobbykantoor heeft’.

Holland is een van de sprekers op het congres dat parallel met het Monsanto Tribunaal in Den Haag loopt. Het wordt een symbolisch proces, met een vonnis zonder juridische gevolgen maar met een groot moreel gezag. Dat hopen tenminste de organisatoren die vijf gepensioneerde beroepsmagistraten bereid vonden de rechtbank voor te zitten. Onder hen ook de Belgische Françoise Tulkens, gewezen voorzitter van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Het tribunaal zal een dertigtal getuigen horen. Het belooft een horrortrip doorheen het mondiale rijk van Monsanto te worden. Amerikaanse boeren zullen vertellen hoe ze failliet gingen nadat Monsanto-advocaten hen in dubieuze patentenconflicten kapot hadden geprocedeerd. Nabestaanden zullen het hebben over de golf van zelfmoorden onder katoenboeren in de Indiase deelstaat Maharastra, waar Monsanto de boeren met zijn monopolie op transgene zaden en bijbehorende meststoffen en bestrijdingsmiddelen in de schulden en de wanhoop drijft. Argentijnse dokters zullen met epidemiologische studies een verband leggen tussen de blootstelling aan Monsanto-bestrijdingsmiddelen en de opvallende toename van kankers en misvormingen in rurale provinciën die de voorbije decennia in ware soja-monoculturen zijn herschapen. Milieu-activisten zullen het over de snelle achteruitgang van de monarchvlinder hebben, een trekvlinder die in de onkruidvrije velden van Amerika en Mexico geen biotoop meer vindt.

Uiteraard werd Monsanto door het Tribunaal gedagvaard. ‘Maar we verwachten niet dat ze zullen reageren’, zegt woordvoerder Tjerk Dalhuisen. ‘Dat hoeft niet, het doel van dit initiatief overstijgt Monsanto. Het is een klacht tegen grote bedrijven die ongestraft de mens en de natuur grote schade aanbrengen. En we hopen op een aanpassing van het internationaal strafrecht. Ecocide moet als misdaad tegen de menselijkheid worden erkend. Daarom hebben we voor Den Haag gekozen, de stad van het Internationaal Strafhof’.

 dark side

De website van de beklaagde vertelt een heel ander verhaal. Monsanto predikt duurzaamheid, Monsanto is de beste vriend van de boer en van Moeder Natuur. Wie kan er op tegen zijn dat GGO-gewassen minder water en meststoffen vergen? Straks vallen er op deze planeet negen miljard monden te voerden. Monsanto staat klaar om de honger te stillen. Wisten we trouwens dat Monsanto zwaar investeert in de gezondheid van de honingbij, onder meer door het ontwikkelen van middelen tegen de varroamijt? Brandon Mitchener, gewezen journalist food safety and agriculture, is een believer. De woordvoerder Europa en Midden Oosten vertelt het graag. Dat hij drommels goed besefte dat hij naar de dark side overliep toen hij drie jaar gelden zijn contract ondertekende. Niet uit pecuniaire overwegingen, maar gedreven door een missie. ‘Ik was erop gebrand de mythes en desinformatie over Monsanto te bestrijden’, zegt de Amerikaan die drie verklaringen voor het imagoprobleem geeft. Ongelukkige timing: de eerste Monsanto-ggo’s werden op de markt gebracht toen de gekke koeienziekte een epidemie van publiek wantrouwen jegens de agro-industrie en regulatoren veroorzaakte. Moedwil van Europese politici, in het bijzonder  van Renate Kunäst die als groene minister van milieu en landbouw in de Duitse regering Schröder de Europese lancering van ggo’s heeft gesaboteerd. Maar bovenal: Monsanto is het slachtoffer van een machtige coalitie die Mitchener als de organic lobby omschrijft, met bekende leden zoals Greenpeace en Friends ot the Earth.

protest tegen Monsanto

protest tegen Monsanto

Enkele weken geleden bekende de manager van de Antwerpse Monsanto-fabriek in De Tijd dat sommige medewerkers op café of tijdens familiefeestjes liever niet over hun werk beginnen. Beducht voor negatieve reacties, het stigma is groot. ‘Weet u’, zucht Mitchener. ‘In 2000 heeft Monsanto al zijn chemische activiteiten afgestoten om zich volkomen op agrobio toe te leggen. Onze CEO Hugh Grant heeft het zich sindsdien al een paar keer on the record beklaagd: hij had die transformatie moeten aangrijpen om een nieuwe naam te kiezen’. Die kans doet zich met de fusie alsnog voor, waarnemers verwachten trouwens dat Bayer de merknaam Monsanto liever kwijt dan rijk is. Niet dat het Duitse blazoen smetteloos is, Bayer is naast Syngenta de grootste producent van neonicotinoïden, een populair insecticide dat verantwoordelijk wordt geacht voor het decimeren van de bijenpopulatie. Mitchener dreigt dus niet meteen zonder werk te vallen. En de varroamijt wordt meer dan ooit de gebeten hond.

 

Guimard meets GO! Schooldirecteurs over de moordende concurrentie in onderwijsland

Knack, 24 augustus 2016

“Ook BSO-kinderen hebben recht op culturele ontplooing”

Schotten in het onderwijs zijn niet wat je denkt. Ze staan onzichtbaar maar zeer effectief tussen ASO, TSO en BSO. Het hoogste schot prijkt evenwel tussen de onderwijsnetten. Knack sprong over de levensbeschouwelijke kloof en bracht twee Gentse schooldirecteurs samen. Hilde Allaert van het Sint-Bavo-humaniora en Pascal Vanhoecke van het Atheneum Merelbeke, samen op zoek naar wat hen bindt en verdeelt. ‘Ik denk wel dat ik je zou kunnen aannemen’.   

 

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

Het Gentse Sint-Bavohumaniora ontwaakt langzaam uit zijn zomerslaap. Klaslokalen krijgen een beurt, onder een afgebladderde dakgoot bengelt een ploeg acrobaten met verfkwasten. Ook directrice Hilde Allaert (56) is op post, recht vanuit haar vakantieoord in Italië. Knipperend met de ogen in het felle zonlicht monstert ze de werkzaamheden. ‘Dakwerken kosten een fortuin’, moppert ze. ‘Ik zou dat geld liever anders besteden, maar je kunt zoiets niet blijven uitstellen’. Onderhoudskosten, ze zijn het kruis van menig schooldirecteur. De meeste gebouwen van ‘het Sint-Bavo’ zijn bijna een eeuw oud, het statige poortgebouw dateert zelfs uit de 18de eeuw. De directrice mag het graag vertellen. Hoe de Zusters van Liefde begin jaren dertig aan de Reep zijn neergestreken, met de missie om ook meisjes de kans te bieden kwaliteitsvol onderwijs te volgen. De term progressief was toen nog niet in zwang, maar als Vlaamsgezinde, emancipatorische onderwijscongregatie liepen de Zusters van Liefde stevig vooruit. Dat imago is intussen geëvolueerd. Sint-Bavo, een zuiver ASO-humaniora met een internaat van 250 bedden er bovenop, is een vaste waarde in het A-segment van de onderwijsmarkt. Niet alleen in Gent, het internaat lokt tradtioneel veel kinderen uit het hinterland, Oost en West-Vlaanderen en sinds enkele jaren ook steeds meer uit Brussel en Wallonië. ‘De groentjes’ worden de leerlingen genoemd, naar de kleur van het verplichte uniform waarmee ze zich onderscheiden van de blauwtjes van het Sint-Pietersinsituut en de grijsjes van het Nieuwen Bosch Humaniora. Een eliteschool? Directrice Allaert zal de reputatie tijdens het interview hartstochtelijk nuanceren.

 Feminist

Haar gesprekspartner is aangekomen. Of hij het gemakkelijk gevonden heeft, polst ze. Pascal Vanhoecke (37) lacht breed. ‘Natuurlijk zegt hij. ‘Sint-Bavo, welke Gentenaar weet dat nu niet liggen? Ik ben hier vroeger nog komen basketten, mijn amateurclub huurde ‘s avonds een turnzaal af. Dat doen wij ook met onze twee campussen in Merelbeke. Voor het geld, want we kunnen iedere extra euro goed gebruiken. Maar het openstellen van onze gebouwen is ook een manier om de buurt en het middenveld bij de school te betrekken. Het Gentse wereldkoor Karibu repeteert bij ons zo goed als gratis, we delen immers dezelfde idealen’. Hilde Allaert aarzelt, maar de Aha-Erlebnis komt er toch. De schotten tussen het GO! en het vrije, katholieke net mogen dan huizenhoog zijn, ze heeft haar jongere collega al eerder ontmoet. Niet in diens hoedanigheid van directeur van het Atheneum Merelbeke, wel als bezieler van de Belgische Filosofie Olympiade. ‘Inderdaad’, verlost hij haar van haar laatste twijfels. ‘Sint-Bavo had vorig jaar trouwens een finalist, ik ben u daar nog komen mee feliciteren’.

Drie uur lang zullen ze elkaar aftasten en uithoren. Luxe voor de interviewer, we hoeven slechts af en toe een vers thema op tafel te gooien om het gesprek te smeren. De verschillen liggen voor de hand, de raakvlakken eveneens. Zoals een gedeelde passie voor filosofie. Vanhoecke is pyscholoog maar studeert in zijn gestolen uren wijsbegeerte aan de Gentse universiteit. Hilde Allaert heeft in Leuven theologie en filosofie gestudeerd, om vervolgens aan een doctoraat in de vergelijkende godsdienstwetenschappen te beginnen. ‘Ik ben ermee gestopt’, vertelt ze als we ons met een thermos koffie in haar bureau terugtrekken. ‘Het werd gauw duidelijk dat ik als vrouw in de faculteit theologie geen kansen zou krijgen. Dat maakte me als overtuigd feminist opstandig. Nog altijd trouwens. Er is al veel veranderd binnen de Kerk, maar vrouwen worden nog altijd niet voor vol aanzien, we worden hooguit geduld’. Vanhoecke pikt er gretig op in. Dat hij thuis een feministische opvoeding heeft gekregen en zichzelf een overtuigd feminist noemt. We zetten een streepje: nog een link tussen de twee schooldirecteurs die verrassend genoeg ook een katholieke jeugd delen. ‘Ik ben nog misdienaar geweest’, zegt Vanhoecke. ‘Mijn ouders waren echte Caritas-katholieken, constant in de weer met vrijwilligerswerk. Ik heb daar warme herinneringen aan, dat is waar mijn engagement vandaan komt. Dat ik reeds als adolescent agnost ben geworden, komt door mijn ervaringen op de broederschool. Seksueel misbruik, het gebeurde in mijn onmiddellijke omgeving. Ik was vooral geschokt door de manier waarop het in de doofpot werd gestopt’. Engagement is in zijn geval een understatement. Vanhoecke lijdt naar eigen zeggen aan een Messiascomplex. ‘Ik wil de maatschappij veranderen. Daarom ben ik gestopt als therapeut. Je kunt wel ieder jaar een paar volwassen patiënten helpen, maar dat brengt weinig zoden aan de dijk. Het onderwijs is een omgeving waarin je nog bakens kunt verzetten’.

 

Foto: Franky Verdickt

Hilde Allaert: ‘Er is niks mis met uitdagen, hard werken en netjes voor de klas in de rij staan’ (foto: Franky Verdickt)

zuster Monica

Vrijzinnig messianisme, het bestaat dus. Af en toe wekt het lichte wrevel aan de overkant van de tafel: de neiging om zelfs de antwoorden van de tegenpartij voor zijn rekening te nemen, in de vaste overtuiging het beter te weten of alleszins beter te kunnen formuleren. Overredingskracht komt natuurlijk van pas als je op je 31ste tot directeur wordt benoemd, als outsider met slechts enkele jaren onderwijservaring op de teller, dwars tegen enkele gedoodverfde kandidaten in. De vacature was overigens geen cadeau. Vanhoecke: ‘‘Het atheneum is ontstaan uit een pijnlijke fusie van twee rivaliserende TSO- en BSO scholen, een van het gemeenschapsonderwijs en een van de gemeente. Toen ik er zes jaar geleden begon, kampte de school met een imagoprobleem. Er was geen visie, niemand wist waar we voor stonden. Het atheneum leek ook losgezongen van zijn omgeving, de meeste leerlingen kwamen uit Gent. Zie je, Merelbeke is een rustige, welvarende gemeente waar je eerder een ASO-school zou verwachten. Die is er intussen: ik heb binnen het atheneum een ASO-afdeling opgericht. Het Popelin Lyceum, genoemd naar een van mijn helden, de Brusselse feministe Marie Popelin. Vanaf september bieden we een volledige cyclys aan, de eerste lichting van vijftien begint aan haar zesde jaar. Het groeit als kool, in het eerste jaar ASO starten we straks met drie klassen’.

Hilde Allaert moet qua gedrevenheid nauwelijks onderdoen. Zeker, ze heeft hier lang als godsdienstlerares voor de klas gestaan. Aangeworven door zuster Monica Van Kerrebroeck, de legendarische directrice die voor de CD&V in de Gentse gemeenteraad en het Vlaams parlement zetelde. Toch heeft ze geen klassieke onderwijscarrière achter de rug. ‘Na tien jaar les geven begon mijn ondernemingszin te kriebelen’, zegt ze. ‘Mijn broer Geert had net het failliete Vorst Nationaal gekocht. Ik ben daar mee in gestapt, het begin van een waanzinnig  avontuur waarmee ik een paar boeken kan vullen. Op een bepaald moment hadden we vier grote zalen in beheer, onder meer  het Antwerpse Stadsschouwburg en het Gentse Capitole waar ik meer dan tien jaar directeur ben geweest. Showbizz, dat is werken van zeven uur ’s ochtends tot een stuk in de nacht, weekends inbegrepen. Ik heb dat doodgraag gedaan, maar toen ik vijftig werd en om me heen keek zag ik alleen twintigers en dertigers. Tijd voor wat anders, dacht ik, zonder concrete plannen. Het was mijn vriendin Marleen Sonneville, vroegere collega en ondertussen directeur, die me vroeg toen ik met haar een koffie ging drinken. Er was een vacature, en of ik niet wilde terugkeren? Lang heb ik niet getwijfeld, de onderwijsmikrobe bleek nog springlevend. Een jaar en een trimester later ging mijn voorgangster onverwachts met vervroegd pensioen. Ik voelde al nattigheid toen de raad van bestuur me voor een gesprek uitnodigde. Ze gaven me tot na de kerstvakantie de tijd om na te denken. Ik heb ja gezegd, en zo ben ik hier begin vorig jaar directrice geworden’.

moordende concurrentie

Ze zien het nieuwe schooljaar allebei met vertrouwen tegemoet. De inschrijvingen, graadmeter voor succes in onderwijsland, maatstaf waarmee subsidies worden toegemeten, lopen goed. Het atheneum tekent jaar na jaar groei op. Meer dan 500 leerlingen intussen, van wie er steeds meer uit Merelbeke komen. ‘We worden stilaan een afspiegeling van onze omgeving’, stelt Vanhoecke tevreden vast. ’15 procent GOK-leerlingen, ook dat spoort met die lokale inbedding’. Hilde Allaert van haar kant heeft een zucht van opluchting geslaakt toen de teller boven de 1.000 steeg. ‘Ik was geschokt toen ik hier in 2013 opnieuw les kwam geven. Een dikke 900 leerlingen, terwijl we er in de topjaren wel 1.500 inschreven. De concurrentie in het ASO-segment is moordend, zeker in Gent waar een half dozijn katholieke scholen in dezelfde poel vissen. Het spel wordt hard gespeeld, en niet alleen tussen de netten. Zie je, Sint-Bavo is net als de andere uniformscholen van oorsprong een meisjesschool. Toen alles gemengd werd, zag je dat jongensscholen veel gemakkelijker meisjes aantrokken dan andersom. Vraag me niet waarom, maar blijkblaar bleef het imago van softe meisjesschool aan ons kleven’.

De manier waarop ze dat wist om te buigen deed in Gentse onderwijskringen veel stof opwaaien. Sint-Bavo pakte in september 2015 als eerste humaniora in Gent en omstreken uit met een nieuw volwaardige optie Science, Technology, Engineering and Maths. STEM dus, een toverwoord dat ouders doet dromen van een rode loper die kinderen recht naar de hoogste strata van de digitale kenniseconomie voert. Slim bekeken: het softe imago bijstellen met harde, mannelijke buzz. Het idee kwam van enkele leerkrachten wiskunde en wetenschappen, maar de kritiek viel haar op de hals. ‘Vanuit andere scholen werd me gebrek aan loyaliteit verweten’, zegt ze grinnikend. ‘Ze trokken zelfs de wettelijkheid van onze STEM in twijfel. De kritiek werd persoonlijk, ik heb in de krant moeten lezen dat ik als directrice goedkope trucs uit mijn showbizz-verleden toepaste. Ach ja, laten we daar niet bij stilstaan, ik houd niet van conflicten. Intussen bieden we trouwens hulp aan andere scholen die dit jaar met STEM starten’.

 

Foto: Franky Verdickt

Pascal Vanhoecke: ‘De onderwijshervomring is in de eerste plaats een besparingsoperatie’. (foto: Franky Verdickt)

Bildung

Zijn gsm gaat over, Vanhoecke excuseert zich voor de zoveelste onderbreking. ‘Ik heb geen adjunct om oproepen over te nemen’, zegt hij na gedane zaken ‘Een bewuste keuze, ik spring erg zuinig om met administratieve en techische omkadering zodat ik meer overhoud om in de leerlingen en het team te stoppen. We schakelen zoveel mogelijk vrijwillgers in, zelfs voor ICT. Pure noodzaak, als je bedenkt dat we de nieuwe ASO-richting volledig uit eigen middelen financieren. Zonder extra subsidies, en zonder te putten uit de reserves van onze scholengroep Panta Rhei. Je moet zelf in het onderwijs staan om te snappen wat voor een heksentoer dat is’. Allaert knikt instemmend, ze kan het exoploot naar waarde schatten. Ook het inrichten van STEM was een eigen investering, laat ze noteren. Vanhoecke legt uit waarom hij wel twee campussen maar geen eigen kantoor heeft. Past in zijn egalitaire, coöperatieve managementsvisie waarin naast leerkrachten ook ouders, vrijwilligers en zelfs buurtbewoners participeren. Hoe hij zijn team meesleurt in zijn vernieuwingsdrang? “Door zelf voorop te lopen als zotste van de hoop’, zegt hij lachend. ‘Ik ben deze zomer niet met vakantie geweest, ik was de hele tijd in mijn school. We organsieerden met vrijwilligers bijlessen voor kinderen met taal- of leerachterstand, er waren activiteiten om de culturele geletterdheid op te krikken. Dat is een van mijn stokpaardjes: een school mag zich niet beperken tot de leerplannen, want dan wordt onderwijs een erg mager beestje. Het gaat erom jonge mensen tot mondige en kritisch burgers te vormen. Bildung heet dat, een woord waarbij je spontaan aan humaniorakinderen denkt. Maar ook BSO-kinderen hebben recht op culturele ontplooing, al is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Heel wat van onze leerlingen groeien op in een huis waar niet één boek in de kast staat. Begin als leraar Frans dan maar eens over Houellebecq uit te wijden’.

Bildung? Het ideaal ligt ook Allaert na aan het hart. ‘Ik jaag mijn leerlingen geregeld naar buiten’, zegt ze. ‘NTG, SMAK, alle cultuurtempels liggen om de hoek, dat is pedagogische luxe. Toen we met STEM begonnen werd ons verweten dat we onze ziel aan het nuttigheidsdenken hadden verkocht. STEM zou een fabriek voor ingenieurs worden, op maat gesneden van de industrie. Onzin natuurlijk, inzetten op wetenschap en technologie sluit passie voor taal en cultuur niet uit. In de wetenschappelijke richtingen hebben we trouwens een verplicht vak wetenschapsfilosofie ingelast’.

GOK-kinderen

Pedagogische luxe is misschien wel het voornaamste verschil tussen beide scholen. Want hoe comfortabel is het om directrice te zijn van een eliteschool die vooral slimme kinderen van hoogopgeleide ouders aantrekt? Allaert zet haar stekels op. ‘Ik word pissig van die reputatie’, zegt ze. ‘Okay, we zijn een ASO-school met een goede faam. Ouders die voor Sint-Bavo kiezen, willen dat hun kinderen later gaan studeren. We leggen de lat hoog. Er is niks mis met uitdagen, hard werken en netjes voor de klas in de rij staan. Maar sociaal elitair? Pardon, we hebben in het eerste jaar wel al 19 procent GOK-kinderen, een categorie waaronder overigens lang niet alleen allochtonen vallen. Minder dan het stadsgemiddelde, okay, maar je moet Sint-Bavo niet als een stadsschool bekijken. Die 19 procent is het resultaat van een christelijk geïnspireerd pedagogisch beleid. Elk kind heeft recht op degelijk onderwijs. We doen er alles aan om kinderen te ondersteunen. Financieel, als de schoolrekening een probleem vormt. Geen geld voor een uniform? We verzamelen gebruikte exemplaren die we in alle discretie gratis ter beschikking stellen. Tussen haakjes gezegd: het is ironisch dat uniformscholen het stempel van elitair dragen. Egalitair zou een beter woord zijn, want uniformen verdoezelen inkomensverschillen en sparen ouders veel geld uit. Maar we investeren ook fors in studiebegeleiding en taalondersteuning, zeker nu we steeds meer leerlingen met een migratieachtergrond hebben die thuis geen Nederlands spreken, vooral uit de Turkse gemeenschap.  Bij de inschrijving hameren we erop: het belang van een goede taalbeheersing. Dat wordt nog altijd onderschat, ze denken dat het volstaat om zich in te schrijven, en dat hun kind dan vanzelf dokter zal worden. Bij de laatste opendeurdag heb ik een mooi tafereel gezien. De laatstejaars stonden in voor het onthaal. Op een bepaald moment kwam een van mijn Turkse leerlingen, een pienter en sociaal meisje uit de Latijn-wetenschappen, met een bijzonder verzoek. Ik weet dat ik op school geen Turks mag spreken, begon ze, maar mag het voor één keer toch? Ik wil me namelijk boos maken, en dat lukt alleen in het Turks. Even later stond ze een Turkse vader de les te spellen. “Jullie willen jullie kind inschrijven? Okay, maar dan moet het thuis gedaan zijn met die Turkse satelliettelevisies, stem voortaan af op Vlaamse zenders”. Ze had gelijk, zonder de volle steun van ouders lukt het zelden om succesvol af te studeren’.

Onderwijshervorming

De reputatie van het secundair onderwijs in Vlaanderen is bekend. Uitmuntend aan de top, wie afzwaait van een goede ASO-school zit gebeiteld. De keerzijde van de medaille: een watervalsysteem met veel schoolachterstand en een ongekwalificeerde uitstroom met weinig perspectieven op de arbeidsmarkt. Dat laaggeschoold vaak met allochtoon rijmt, maakt het plaatje er niet fraaier op. Vlaams onderwijs bestrijdt geen ongelijkheid, poneren we, maar bestendigt ze integendeel. Allaert en Vanhoucke kunnen de stelling alleen maar beamen. Wat eraan te doen? ‘Er zijn geen mirakeloplossingen’, zucht Vanhoecke. ‘Daarvoor is de problematiek veel te complex. Maar het zou helpen als de lasten beter werden verdeeld. Waarom spreken we nog altijd van witte en zwarte scholen? Als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, zijn er alleen nog diverse scholen’. Allaert valt hem bij. ‘Er zijn scholen die selecteren aan de bron, ook in Gent. Natuurlijk bestaan er wetten die dat verbieden, maar met een beetje creativiteit valt daaronder uit te komen’.

Van de met veel poeha aangekondigde onderwijshervorming verwachten ze weinig heil. ‘In de eerste plaats een besparingsoperatie’, oordeelt Vanhoecke, ‘net als het M-decreet, dat is er ook niet gekomen omdat inclusief onderwijs het ei van Columbus is, maar omdat het buitengewoon onderwijs te duur werd’. Allaert klinkt wat genuanceerder. ‘Er zitten positieve elementen in, zoals het schrappen van enkele tientallen richtingen. Soms komen ouders raad vragen als hun kind een B-attest heeft gekregen. Welke richting TSO zou ik aanbevelen? Moeilijke vraag, want ik raak zelf niet wijs uit het kluwen. Er komt ook een concentratiebeweging. In het gemeenschapsonderwijs hebben ze die al achter de rug, nu is het katholiek onderwijs aan de beurt. Op zich geen bezwaar, er valt veel efficiëntiewinst te boeken door administratie, ICT en onderhoudspersoneel te poolen. Zolang ze maar niet aan de autonomie van de directies raken’.

Het plan Crevits, dat in principe vanaf 2017-18 wordt uitgerold, is een flauw afkooksel van het Masterplan Smet dat de ambitie bevatte om de schotten tussen ASO, TSO en BSO te slechten. Een gemiste kans? Allaert haalt de schouders op. ‘Voor mijn part mogen die schotten blijven staan’, zegt ze. ‘Bekijk het ook even praktisch: hoe zou een school als Sint-Bavo er een TSO of BSO-afdeling kunnen bijnemen? Daar is gewoon geen plaats en geen geld voor. Ik zie veel meer heil in het opwaarderen van TSO en BSO. Ook een juiste oriëntering volgens het talent van het kind is essentieel. Gebruik de expertise van de leerkrachten, is mijn boodschap. Helaas worden hun deskundige adviezen vaak niet gevolgd wegens zeer hardnekkige vooroordelen t.o.v. TSO of BSO’ Een brede school? Bestaat al, directeur Vanhoecke kan er een rondleiding geven. ‘ASO, TSO, BSO, dat loopt bij ons door elkaar. We waren van plan het ASO om praktische redenen apart in te roosteren, maar de leerlingen hebben ons zelf teruggefloten. Ze vonden het juist fijn dat ze tijdens de recreatie hun vrienden van het technisch en beroeps konden ontmoeten Ik vind die schotten wel een probleem. Jongeren moeten zoveel mogelijk samen opgroeien, dan zullen ze elkaar als volwassenen beter begrijpen’.

LEF op school

Misschien moeten we de verschillende onderwijsnetten maar afschaffen. Zonder al die geldverslindende overlappingen komen er vanzelf middelen vrij om onderwijsutopieën te realiseren. We hadden hilariteit aan de tafel verwacht, maar beide directeurs nemen het idee ter harte. Eén onderwijsnet? Okay voor Allaert, zolang het geen centraal geleid net is. ‘De autonomie van scholen in het katholieke net is mij erg dierbaar’, zegt ze. ‘Ik denk dat die vrijheid ons ook beter wapent voor de uitdagingen van de toekomst. Ik zou nooit in het gemeenschapsonderwijs kunnen aarden, te star, te bureaucratisch en te veel politieke inmenging’. Dat aan de overkant een GO-directeur zit die het tegendeel belichaamt, brengt haar niet van haar stuk. ‘Jij bent de spreekwoordelijke uitzondering op de regel’, zegt ze, waarna alsnog hilarisch gelach weerklinkt. Als Vanhoecke zijn sérieux herwonnen heeft, pakt hij met een verrassend standpunt uit. ‘Misschien is een monopolie voor vrije scholen wel gezonder dan een overheidsmonopolie. Ik sta voor 200 procent achter het actief-pluralisme zoals het door het GO! wordt gedefinieerd. Maar wat als de politiek verandert en het onderwijs door de nieuwe machthebbers wordt geïnstrumentaliseerd? Dat is al gebeurd, denk aan de nazi’s en kijk naar wat zich nu in Turkije afspeelt. Die vrije scholen hoeven trouwens niet noodzakelijk katholiek te zijn’.

Een net van vrije maar pluralistische scholen, Patrick Loobuyck zou het graag zien gebeuren. De moraalfilosoof pleit al jaren voor het vervangen van lessen godsdienst en zedenleer door LEF, een inleidende cursus Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie die kinderen van diverse gezindten nader tot elkaar brengt. Vanhoecke steekt zijn duim op, Allaert ziet er als gewezen godsdienstlerares geen brood in. ‘Ik pleit integendeel voor een inhoudelijke verdieping van de godsdienstlessen. Niet met een bekeringsagenda, het leerplan godsdienst vraagt trouwens ruime aandacht voor andere levensbeschouwingen.  Het gaat erom onze Europese identiteit, waarden en normen te begrijpen, vanuit een christelijke inspiratie die open staat voor dialoog. Levensbeschouwelijke onwetendheid is vandaag misschien wel het grootste gevaar. Ik trek mijn visie door in mijn personeelsbeleid. Voor interims steekt het wat minder nauw, maar voor een open betrekking vraag ik kandidaten naar hun inspiratie. Ze moeten de zondagspraktijk niet in ere houden, die tijd is lang voorbij. Maar ze moeten wel ons pedagogisch project onderschrijven en niet uitgesproken negatief staan tegenover kerk en religie’. Vanhoecke ruikt zijn kans. Of hij als agnost mag komen solliciteren? Directeur Allaert laat het even bezinken. ‘Een twijfelgeval’, zegt ze. ‘Maar ik denk wel dat ik je een kans zou geven. Vanwege je gedrevenheid en de liefde voor onze jongeren. Helemaal in de lijn van ons project.’

Brusselse terro-advocaten maken overuren

Knack, 13 juli 2016

Brusselse balie is hofleverancier van ‘terreuradvocaten’

Cliënten bij de vleet, complexe dossiers, lange procedures: advocaten hebben een vette kluif aan de jihadterreur. Maar steeds meer strafpleiters weigeren om nog meer terreurdossiers aan te nemen. ‘De aanslagen in Brussel hebben alles in een ander licht geplaatst.’

Xavier Carette:

Xavier Carette: ‘ik verdedig geen verdachten die ideeën propageren die indruisen tegen mijn eigen waarden’. (foto: Debby Termonia)

 

Volgens de meest recente cijfers van justitie zitten er in de Belgische gevangenissen 139 terreurgedetineerden, teruggekeerde Syrië-strijders incluis. De behoefte aan juridische bijstand is groot. Driekwart van hen zit in voorhechtenis en ook de meesten van de 33 veroordeelden hebben nog procedures lopen. Brussel is de broedkamer voor terroristen van eigen bodem, geen wonder dus dat de Franstalige balie van Brussel als hofleverancier van terreuradvocaten fungeert. Het gros van de sterk gemediatiseerde dossiers wordt door een select kransje van strafpleiters ingepikt, even bekend in Brussel en Wallonië als hun Vlaamse tegenhangers in het noorden des lands.

‘Ik ben net terug van de raadkamer’, zegt advocaat Xavier Carette terwijl we een van de séparés in het Brusselse justitiepaleis inpalmen. ‘Voor Ibrahim Farisi, een verdachte in het onderzoek naar de aanslagen in Brussel. Een kleine garnaal, hij heeft gewoon de pech dat zijn oudere broer de huurder was van een van de schuilplaatsen van de aanslagplegers.’

Zo zijn er de voorbije maanden wel meer verstrikt geraakt in de netten van het parket-generaal, de instantie die alle terrorismeonderzoeken coördineert. Kleine garnalen, maar ook grote vissen zoals Mohamed Abrini en Osama Krayem, de twee zelfmoordterroristen die 22 maart hebben overleefd. ‘Voor de aanslagen in Brussel zit al een tiental verdachten vast’, zegt Carette. ‘Het contingent van Parijs is daarentegen aan het krimpen, want de meesten zijn aan Frankrijk uitgeleverd. Gisteren is ook mijn cliënt Mohamed Amri vertrokken, de chauffeur die Salah Abdeslam ’s nachts in Parijs is gaan ophalen.’

Carette heeft hemel en aarde bewogen om die uitlevering tegen te houden. Dat het om een vriendendienst ging, argumenteerde hij, Amri en Abdeslam kenden elkaar van kindsbeen af in Molenbeek. Dat ze tijdens die lange autorit over alles en nog wat hebben gepraat. Over voetbal, meisjes en muziek, maar niet over de meervoudige schietpartijen en de massa-executie in Parijs die de hele wereld die nacht in de ban hielden. En dat je in de schoenen van zo’n gast moet gaan staan om zo veel argeloosheid te begrijpen. Tevergeefs, het Hof van Cassatie heeft eind juni de laatste obstakels tegen de uitlevering weggenomen.

Xavier Carette: ‘Ik doe geen Abdeslams of Abrini’s, mijn cliënten zaten niet in het complot en pleegden geen aanslagen.’

En zo werd het voor Xavier Carette een frustrerende werkweek. Twee dagen eerder hoorde hij in ditzelfde justitiepaleis de correctionele rechtbank ook al ongemeen zware celstraffen uitspreken tegen drie verdachten van de zogenaamde cel Verviers. Zijn cliënt Souhaïb El Abdi, leverancier van valse papieren, om die reden beschouwd als logistiek brein van de cel Verviers, kreeg 16 jaar. ‘Onbegrijpelijk’, fulmineert Carette. ‘Het lijkt alsof mijn cliënt de straf heeft gekregen die was bedoeld voor de twee hoofdverdachten die tijdens de politieraid werden doodgeschoten. Op 15 januari 2015 was dat, vlak na Charlie Hebdo  maar lang voor de aanslagen in Parijs en Brussel. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de rechters Verviers door die bril hebben bekeken. De aanslagen waren de maatstaf, terwijl in het geval van Verviers enkel sprake was van vage intenties zonder concreet doelwit. Dit is bovenal een staaltje van voorbeeldjustitie, bedoeld om anderen af te schrikken zodat ze zich niet met terrorisme inlaten. Maar dat werkt zo niet, integendeel, met zulke buitensporige straffen dreigen ze van de beklaagden martelaren te maken.’

Xavier Carette noemt zichzelf geen terreurspecialist. Drugszaken, inbraken, bankovervallen: dat is wat bij hem brood op de plank brengt. Toch heeft hij al meer dan tien terreurdossiers op de teller. ‘Mijn eerste dateert van 1994’, zegt hij. ‘Een Algerijn in een GIA-dossier. Daarna kwam het GICM-dossier, het Marokkaanse Al-Qaedafiliaal dat achter de aanslagen van 11 maart 2004 in Madrid zat. De cel Maaseik, daar ben ik toen in tussengekomen. De meeste terreurcliënten waren teruggekeerde vrijwilligers. Afghaanse, Iraakse, Somalische en Syrische filières, ik heb het allemaal gezien. Ik zat ook in de affaire-Zerkani, de jihadronselaar die als ‘de kerstman’ bekendstond. Daarna kwamen Verviers en de aanslagen van Parijs en Brussel. Een hele lijst, maar de waarheid is dat ik altijd meelopers heb verdedigd, gasten die zich lieten meesleuren in een zaak waarvan ze de draagwijdte niet beseften. Ik doe geen Abdeslams of Abrini’s, mijn cliënten zaten niet in het complot en pleegden geen aanslagen. Ze raakten er pas zijdelings of achteraf bij betrokken.’

De reacties op het forum van La Dernière Heure liegen er anders niet om. 16 jaar overdreven voor de documentenvervalser van Verviers? Ophangen moesten ze hem, of met gebonden handen en voeten in zee droppen. Carette haalt de schouders op. ‘Ik krijg weleens een boze brief, maar nooit argumenten die me aan het wankelen brengen. Jihadisten de nieuwe volksvijand? Niks nieuws onder de zon, dat zeiden ze ook van de ETA, de IRA en de Rode Brigades. Aan die druk mogen advocaten niet toegeven, anders is het over en uit met de rechtsstaat.’

Ethische vragen

Toch werd enkele weken geleden in de Franstalige media aan de alarmbel getrokken: steeds meer advocaten weigeren principieel terreurdossiers aan te nemen. ‘Dat heeft veel met de aanslagen in Brussel te maken’, beaamt Carette. ‘Rechtstreeks of onrechtstreeks, we kennen allemaal wel een van de slachtoffers. Maar is dat een reden om ons werk niet meer te doen? Uiteraard roepen terreurdossiers ethische vragen op. Maar die rijzen ook als je een beklaagde bijstaat die met voorbedachten rade iemand heeft vermoord. Voor mij is de lijn duidelijk: ik verdedig geen verdachten die ideeën propageren die indruisen tegen mijn eigen waarden, zoals het vernietigen van onze democratische rechtsstaat.’

Is dat dan niet precies wat jihaditerreurcellen beogen, met medeplichtigheid van zijn cliënten-meelopers? Carette valt niet uit zijn rol van advocaat. ‘Iemand die voor het geld documenten vervalst of wapens levert, is wel een crimineel maar daarom geen terrorist’, pareert hij.

Niet alleen principiële redenen verklaren de terughoudendheid van sommige advocaten. Terreurdossiers vreten tijd en energie en worden slecht betaald. Christophe Marchand, een van de bekendste terreuradvocaten, de man die de Belgische Staat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg liet veroordelen in de zaak van de vermeende GICM-aanhanger El Haski, heeft om die reden een stop ingelast. ‘Begrijpelijk’, vindt Carette. ‘Je kunt niet al je tijd in twee of drie terreurdossiers steken en de rest van je cliënteel verwaarlozen, zeker niet als je een kabinet met medewerkers overeind moet houden. Terreurdossiers zijn vaak complexer dan assisenzaken, maar ze worden vergoed als een banale drugszaak: 500 euro per dossier, geld waar je anderhalf jaar op moet wachten. Bij mijn terreurcliënten is het meestal de familie die betaalt. De facto aan verminderd tarief, want het is onmogelijk om alle uren aan te rekenen die je erin steekt. Ik zie het ook als een plicht. Wat is ten slotte de missie van een strafpleiter? Ervoor zorgen dat er geen onschuldigen worden gestraft en dat de rechten van verdachten worden gerespecteerd, los van de feiten waarvoor ze worden vervolgd.’

Syrië-strijders

Dimitri de Béco wordt vaak de rijzende ster van de Brusselse balie genoemd. Een achterhaald cliché, want de 34-jarige, perfect tweetalige strafpleiter heeft zijn plaats aan het firmament al lang veroverd. Onder zijn cliënten bevinden zich publieksvijanden zoals kindermoordenares Geneviève Lhermitte, zuurgooier Roland Remes en Muhammed Aytekin, de doodrijder van de 12-jarige Merel. ‘Ik ben haast vanzelf in de terrorisme-dossiers gerold’, vertelt De Béco in zijn nieuwe kantoor in de Wynantsstraat. ‘Mijn eerste terreurcliënt was Mohamed El Youssoufi, een teruggekeerde Syriëstrijder die ik op het Sharia4Belgium-proces heb verdedigd. Ik kende hem al langer voor feiten van gemeen recht. Zo gaat het vaak in terreurdossiers. Cliënten komen aankloppen omdat ze je kennen van gewone strafzaken, of omdat je ooit een van hun vrienden hebt geholpen. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat er onder mijn terreurcliënten een aantal Tsjetsjenen zitten.’

Dimitri de Béco:

Dimitri de Béco: ‘De terreurdossiers beginnen te wegen op mijn reputatie’. (foto: Debby Termonia)

De meesten van die terreurcliënten zijn Syrië-strijders, een fenomeen waarover de Béco uitgesproken meningen heeft. ‘Vaak gaat het om jongeren die in de periode 2013-2014 vertrokken zijn, sommigen nog als minderjarigen. Van de IS of het kalifaat was nog geen sprake, ze vertrokken toen echt met het ideaal om te gaan strijden tegen de vreselijke dictator Assad. Dan moet je die jongens bij hun terugkeer niet als volwassen IS-aanhangers vervolgen, zoals dat helaas in België gebeurt. Ik word geregeld door wanhopige moeders van Syriëstrijders gecontacteerd. Ze willen hun zoon overtuigen naar huis terug te keren, maar dat lukt nooit als hem hier een zware gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Ik ben daarover al met het parket-generaal gaan praten. Of ze zich tenminste soepel zouden opstellen voor diegenen die als minderjarigen zijn vertrokken? ‘Geen sprake van,’ luidt het antwoord, ‘we onderhandelen niet met terroristen’.

Dimitri de Béco: ‘‘Terreurdossiers zullen altijd media-aandacht trekken, ideaal om een reputatie als strafpleiter mee te vestigen’

 

Over de zittende magistratuur klinkt hij, in tegenstelling tot Xavier Carette, veeleer positief. Druk van de publieke opinie? Invloed van het tastbare angstklimaat? ‘Valt wel mee’, vindt de Béco. ‘Natuurlijk zijn ook magistraten mensen die de krant lezen en televisie kijken. Toch vind ik niet dat ze hun onafhankelijkheid verloochenen. Neem nu de recente terreurprocessen in Antwerpen en Brussel. De rechters hebben de moed getoond om sommige Syrië-strijders een tweede kans te bieden, zonder toe te geven aan de publieke druk om collectieve voorbeeldstraffen uit te spreken. Ik zeg dat niet om hen de mouw te vegen of uit dankbaarheid voor een gunstig resultaat. In Brussel kreeg mijn cliënt een zware effectieve straf aangesmeerd, terwijl andere beklaagden voor vergelijkbare feiten lichtere straffen met uitstel kregen. Motief van de rechtbank: we zijn niet gerustgesteld dat uw cliënt tot inkeer is gekomen. Sneu voor mij en vooral voor mijn cliënt, maar het illustreert wel dat de rechters hun beslissingen ook in terreurzaken individueel afwegen.’

Haatmails

Na de aanslagen in Brussel werd hij door drie verschillende verdachten gepolst. Hij heeft ze allemaal afgewimpeld. Net als Christophe Marchand neemt Dimitri de Béco geen nieuwe terreurdossiers meer aan. Niet vanwege de werklast, maar om persoonlijke redenen. ‘De aanslagen in Brussel hebben alles in een ander licht geplaatst’, zegt hij. ‘Een van de slachtoffers in Maalbeek was een student rechten van Saint-Louis, de universiteit waar ik zelf les geef. Op die manier komt het wel heel dichtbij. Maar dat is niet de enige reden. De terreurdossiers beginnen te wegen op mijn reputatie. Ik heb me de voorbije jaren meer en meer toegelegd op financieel strafrecht. Dat is een ander cliënteel met andere gevoeligheden. Het wordt daar moeilijk aanvaard dat een advocaat ook als raadsman van vermeende terroristen in de schijnwerpers staat. Overigens, mijn voorbehoud geldt alleen de verdachten van de aanslagen in Brussel en Parijs. Ik heb intussen wel toegezegd om enkele slachtoffers te verdedigen.’

Het is bekend dat toppleiters wel eens pro Deo optreden in geruchtmakende assisenzaken. Fikse uurtarieven laten ze voor die ene keer graag achterwege, de media-aandacht compenseert ruimschoots de gederfde inkomsten. Sommigen zien daar het essentiële verschil met terreurdossiers: met het verdedigen van jihadisten valt geen eer te rapen, enkel publieke afkeuring en haatmails. Dimitri de Béco relativeert de dictatuur van de publieke opinie. ‘De scherpste reacties heb ik niet gekregen door mijn optreden in terreurzaken. De zaak-Aytekin, de jongeman die Merel heeft doodgereden en daarna vluchtmisdrijf pleegde, ligt veel gevoeliger. Maar de ergste verwijten heb ik geïncasseerd toen ik een minderjarige had vrij gekregen die werd verdacht in een zaak van zware agressie in de Brusselse metro. Een Bulgaarse student werd door een bende in elkaar geslagen en van zes meter hoog op de metrosporen gegooid. Ik stond recht in mijn schoenen, het bewijsmateriaal tegen mijn cliënt rammelde langs alle kanten. Ach ja, dat is het lot van strafpleiters. Mensen zien ons letterlijk als advocaat van de duivel, ze denken dat we daar alleen voor de eigen glorie en de poen staan. We kunnen alleen maar blijven uitleggen wat onze rol precies is. En de bal terugkaatsen: willen ze dan liever een justitie zonder processen en zonder procedures? Dan moeten ze maar naar het kalifaat van de IS verhuizen, daar wordt justitie op die manier bedreven.’

Veel te repressief

Voor een tekort aan terreuradvocaten hoeven we volgens de Béco niet te vrezen. ‘Voor jonge advocaten liggen er zelfs geweldige kansen voor het grijpen’, zegt hij. ‘Terreurdossiers zullen altijd media-aandacht trekken, ideaal om een reputatie als strafpleiter mee te vestigen’.

Daarvoor hoeft zijn confrater Sébastien Courtoy het niet meer te doen. Als iemand het statuut van terreuradvocaat kan claimen, dan is het deze 41-jarige strafpleiter. Zijn klandizie bestaat voor bijna honderd procent uit vermeende moslimterroristen, Syriëstrijders en andere vertegenwoordigers van de radicale islam. Anders dan Xavier Carette verdedigt hij ook de hoofdrolspelers. Zoals Marouane El Bali, de ‘toevallige’ bezoeker in Verviers die de politieraid heeft overleefd. En Mohamed Bakkali, huurder van een schuiloord in de buurt van Namen waar de aanslagen in Parijs werden beraamd. Zijn meest illustere cliënt is ontegensprekelijk Mehdi Nemmouche, de Franse ex-Syriëstrijder die verdacht wordt van de aanslag op het Joods Museum in Brussel waarbij in mei 2014 vier doden vielen. Courtoy, scherp gebekt, nooit verlegen om een provocatie, wordt in de Franstalige media met Jacques Vergès vergeleken, de legendarische Franse toppleiter die notoire slechteriken zoals SS-beul Klaus Barbie en superterrorist Carlos verdedigde.

 

Sebastien Courtoy: ‘‘Ik heb één criterium om cliënten al dan niet aan te nemen: kan ik hem geloven of niet?’

‘Voor mij is het in 2005 begonnen met een zaak van antisemitisme’, vertelt hij. ‘Mijn cliënt was de zoon van sjeik Bassam Ayashin, de stichter van het salafistische Centre Islamique Belge. Ik heb dat voor mijn cliënt glansrijk gewonnen, en daarmee was mijn naam in kringen van radicale moslims gemaakt. Afghanistan, Irak, Somalië, Syrië, al wie verdacht werd van betrokkenheid bij netwerken wist mij te vinden. Voor Syriëstrijders haal ik een succesrate van vijftig procent. Al acht van mijn beklaagden werden onschuldig verklaard. Daar vallen twee conclusies uit te trekken. Onze magistraten blijven objectief, dat is een geruststelling in deze tijden van terreurhysterie. Anderzijds betekent het ook dat het parket veel te repressief optreedt. Het spel wordt vuil gespeeld. Het dossier-Bakkali is intussen al 140.000 pagina’s dik. Dat is een bewuste strategie van het parket. Het probeert de verdediging letterlijk in het papier te verzuipen.’

Nemmouche

Courtoy heeft weinig begrip voor collega’s die sinds de aanslagen in Brussel bedanken voor terreurdossiers. ‘Is er dan een dubbele standaard als het over terreur gaat’, vraagt hij retorisch. ‘Keren onze jongens terug uit Syrië of Irak waar ze gruweldaden hebben gepleegd, dan zijn ze verdedigbaar. Maar o wee als ze diezelfde gruweldaden op eigen bodem plegen met Belgische slachtoffers, dan ineens vallen ze niet meer te verdedigen.’ Courtoy weigert zelf ook wel eens terreurdossiers. ‘Ik heb één criterium om cliënten al dan niet aan te nemen’, zegt hij. ‘Kan ik hem geloven of niet? Als bij een eerste gesprek blijkt dat ze de waarheid niet vertellen, haak ik af. Kies maar een andere advocaat, zeg ik dan, er zijn er in Brussel een stuk of vijfhonderd.’

Geldt dat ook voor Nemmouche, een verdachte die geen enkele medewerking verleent aan het onderzoek naar de aanslag op het Joods Museum? ‘Absoluut’, zegt hij. ‘Ik ben ervan overtuigd dat hij me de waarheid heeft verteld. En wees gerust, hij zal die waarheid ten gepaste tijde bekend maken, op zijn proces.’

Het zal wel in de strategie passen, maar Courtoy aarzelt niet om alvast een tip van de sluier te lichten. ‘Voor het parket was het lange tijd een uitgemaakte zaak: de aanslag was het werk van een zogenaamde eenzame wolf. Intussen zijn er echter nieuwe elementen die in een totaal andere richting wijzen. We weten nu dat Nemmouche contacten onderhield met verschillende kopstukken van de aanslagen in Parijs en Brussel, onder anderen Abaaoud, Achraoui en Bakkali. Wie is overigens de onbekende man naast Nemmouche op de videobeelden die na aanslag in de buurt van het Zuidstation werden germaakt? Twee jaar na de feiten is die nog altijd niet geïdentificeerd, maar de beelden zijn wel duidelijk: we zien dat hij Nemmouche een draagtas overhandigt die sterk lijkt op de tas waarin na zijn arrestatie in Frankrijk de wapens van de aanslag werden aangetroffen. Kijk, mijn cliënt geeft toe dat hij betrokken was bij het complot. Maar hij ontkent formeel dat hij de schutter was. Dat begint de onderzoeksrechter ook in te zien. Er is trouwens geen enkel materieel bewijs zoals DNA-sporen dat mijn cliënt aan de plaats van de aanslag linkt.’

Grootspraak van een strafpleiter die het stempel beroepsprovocateur als een geuzennaam draagt? ‘Helemaal niet’, zegt Courtoy. ‘Waarom denk je dat het proces Nemmouche met minstens een jaar werd uitgesteld, tot eind 2017? Het onderzoek moet helemaal worden overgedaan. Geloof me, ik kijk dat proces met veel vertrouwen tegemoet.’

 

 

 

 

Rookies in het onderwijs: jonge leerkrachten over hun eerste schooljaar

Humo, 24 mei 2016

Geen onderwerp ligt zo gevoelig als onderwijs. Hoofddoeken op de katholieke school? Het voorstel is amper geformuleerd of er barst een nieuwe schoolstrijd los. Brede eerste graad? Schotten tussen ASO, TSO en BSO afbreken? De aanbevelingen in het Masterplan Secundair Onderwijs zaaien diepe verdeeldheid in de Wetstraat en de lerarenkamer. Om maar te zeggen: leerkracht is een baan die er toe doet. Niet alleen de ziel maar de toekomst van onze kinderen staat op het spel. Wie zijn de jonge vrouwen en mannen die deze gewichtige taak op zich nemen? Humo sprak met de leerkrachten van de toekomst over hun eerste jaar voor de klas.

foto’s: Saskia Vanderstichele

 

 

Lindsay Stoop (islam, 1 & 2de graad Middenschool en KA Zelzate)

Humo2016-061-Lindsay Stoop KA Zelzate

Van je passie je beroep maken, wie wil er niet voor tekenen? Lindsay Stoop (24) ging nog een stap verder en maakte van haar geloof haar beroep. Op het OLVP Sint-Niklaas leerde ze moslimvrienden kennen en ontdekte de Profeet en de Koran. Ze bekeerde zich, ging islamitische theologie studeren en vond vlotjes werk als islamlerares.

Lindsay Stoop: ‘Ik heb sinds september een halftijdse opdracht: vijf klassen in de eerste en tweede graad in de Middenschool en het Koninklijk Atheneum van Zelzate. Dat klinkt als een hele mondvol, maar in feite gaat het om één en dezelfde school, alleen zijn er twee verschillende directies. Bij de levensbeschouwelijke vakken houden islamitische en katholieke godsdienst elkaar in evenwicht, we zijn de nummers twee na zedenleer. Mijn klassen tellen tussen de 3 en de 15 leerlingen, dat valt dus goed mee. Voor mij is een halftijdse opdracht ideaal, want ik volg tegelijkertijd een master islamitische theologie in Leuven’.

HUMO: hoe word je islamleraar?

Stoop: ‘Je moet een lerarenopleiding islamitische godsdienst volgen. Ik ben daarvoor naar Groep T in Leuven getrokken, een van de drie Vlaamse hogescholen die zo’n opleiding aanbieden. Heel praktijkgericht, we moesten al vanaf het eerste jaar stage lopen, in het laatste jaar heb ik zelfs een volledige semester voor de klas gestaan. Werk vinden was geen probleem, er is een grote vraag naar perfect Nederlandstalige islamleerkrachten. Ik was pas afgestudeerd toen ik door de inspecteur islamonderwijs voor deze opdracht werd gevraagd. Vooraleer ik echt kon beginnen, moest ik voor de Belgische Moslim Executieve. verschijnen. Zo werkt het ook bij andere godsdiensten, de leraren katholieke godsdienst worden door het bisdom aangesteld’.

HUMO: hoe verliep de screening door de Moslim Executieve?

Stoop: ‘Ik moest enkele soera’s opzeggen en uitleggen hoe ik in de klas zou reageren op vragen over bijvoorbeeld Charlie Hebdo’.

HUMO: geen gekke vraag, want je hebt in je eerste jaar de aanslagen in Parijs en Brussel meegemaakt. Was dat lastig als beginnend islamleraar?

Stoop: ‘Zelzate is Antwerpen of Brussel niet, jongeren zijn hier wat minder bezig met de oorlog in het Midden Oosten. Maar na de aanslagen in Parijs waren mijn leerlingen wel verontwaardigd. Dat men zoiets kon doen in naam van hun godsdienst, dat vonden ze een schande. Ik noteerde ook ongerustheid: nu gaan ze alle moslims in het verdomhoekje duwen. In de klas kreeg ik ook de vraag waarom de minuut stilte op de speelplaats alleen voor de slachtoffers van Parijs was bedoeld. Waarom ook niet voor de doden die bij andere aanslagen waren gevallen, zoals in Ankara? We hebben dan in de klas nog een extra minuut stilte voor alle slachtoffers gehouden’.

HUMO: snijd je ook heikele onderwerpen zoals de evolutietheorie en man-vrouw-relaties aan?

Stoops: ‘Ik ga geen enkel thema uit de weg. Op een keer kwamen opgewonden leerlingen vertellen dat de collega van biologie seksuele opvoeding had gegeven. Dat mag toch niet van ons geloof, vroegen ze. Integendeel, heb ik hen geantwoord, dat moet zelfs van ons geloof. Ik sta zelf voor een open islambeleving, ingebed in onze Westerse samenleving. In de klas heb ik al eens foto’s van vrouwelijke imams getoond. Die bestaan al een poosje in Amerika, en onlangs is in Kopenhagen de eerste door vrouwen geleide moskee in Europa geopend. Een vrij marginaal fenomeen dus, maar wel ideaal om mijn leerlingen aan het denken te zetten en genderclichés in vraag te stellen. Binnenkort komt er een Joodse vrouw uit Antwerpen in de klas spreken. Op mijn initiatief, ik probeer zo te verhelpen aan de diepe vooroordelen jegens joden die vele jongeren van thuis meekrijgen’.

HUMO: Lieven Boeve, topman van het katholiek onderwijs, wil hoofddoeken toelaten en gebedsruimten voorzien om aan de verzuchtingen van moslimleerlingen tegemoet te komen. Goed idee? 

Stoops: ‘Ja, ik juich dat toe. Zelf ben ik de hoofddoek pas gaan dragen toen ik naar de hogeschool ging, maar verschillende van mijn vriendinnen hebben er op het OLVP mee geworsteld. Het was ook onnozel: hoofddoeken verbieden in een school die vol hangt met beelden van Maria’s met hoofddoek. Ook in het Gemeenschapsonderwijs geldt een totaalverbod, maar als islamleerkracht ben ik daarvan vrijgesteld. In principe mag ik hem alleen in de klas dragen, maar ik draag hem ook in de lerarenkamer en op de gang. Ruimdenkende directie, ik heb het al anders geweten. Tijdens mijn stage op het SISA in Antwerpen mocht ik met mijn hoofddoek niet in de lerarenkamer, en op de gang moest ik een kap opzetten. Absurd’.

HUMO: vijf jaar geleden zat je zelf nog op de schoolbanken. Zie je grote verschillen in de manier van les geven?

Stoops: ‘Ik vond het in mijn tijd allemaal erg voorspelbaar. Als je vooraf je handboek doorbladerde, wist ja meestal perfect wat er in de les zou volgen. Weinig variatie in de werkvormen ook, en dat probeer ik toch anders aan te pakken. Soera’s uitleggen, dat kan ook via spelletjes of zoekopdrachten in het ICT-lokaal. Ik nodig gastsprekers uit en gebruik veel videomateriaal, ook al omdat ik de actualiteit in mijn lessen wil betrekken. Laatst nog heb ik een Vranckx-documentaire over ongewenste kinderen in Pakistan getoond. Confronterend materiaal om in de klas te bespreken’.

HUMO: tevreden met je loon?

Stoop: ‘Ik verdien als bachelor 930 euro netto in de maand, niet slecht voor een halftijdse opdracht. Die 10 uur voor de klas geven wel een vals beeld, met de lesvoorbereidingen erbij werk ik makkelijk 20 uur per week. Misschien ga ik op termijn voltijds werken, zodra ik mijn master heb, mag ik ook in de derde graad staan. Ik zie een carrière in het onderwijs helemaal zitten’. 

 

Filip Moons (wiskunde, 3de graad, ASO Karel Buls Laken)

Humo2016-060-Filip Moons Leerkracht Karel Buls

Roepingen zijn in Jezuïetencolleges al lang een zeldzaamheid geworden. Toch was het op de schoolbanken van het Sint-Jozefscollege in Aalst dat Filip Moons (25) een visioen van zijn toekomst kreeg. Missionaris zou hij worden, niet tot meerdere glorie Gods maar in dienst van de oudste wetenschap der mensheid, de Wiskunde.

Filip Moons : ‘Ik heb zelf wiskunde-wetenschappen gevolgd. Zes uur wiskunde, mijn lievelingsvak. Dat wil later ook doen, dacht ik vaak tijdens de les, jonge mensen leren logisch na te denken. Ik ben aan een regentaat begonnen, maar na een jaar ben ik op aanraden van mijn docent wiskunde toch naar de universiteit overgestapt. Naar de goddeloze VUB nog wel, geen evidente keuze voor een alumnus van de jezuïeten. (lacht)’.

HUMO: word je als universitaire master goed voorbereid op een baan in het onderwijs?

Filip Moons:  ‘Tegenwoordig moet je een extra jaar van 60 studiepunten met een intensieve stage volgen. In mijn geval viel dat wel mee, omdat ik al tijdens mijn masteropleiding voor de specialisatie onderwijs had gekozen. Als enige van mijn lichting, en dat is een groot probleem. Er zijn in Vlaanderen veel te weinig masters die in het onderwijs stappen, waardoor scholen zich in de derde graad moeten behelpen met industrieel ingenieurs, TEW’ers of handelswetenschappers. Niet ideaal voor de leerlingen. Een handelsingenieur redt het wel in richtingen met 2 of  eventueel 4 –uren wiskunde, maar voor de 6-uren richtingen schiet hij hopeloos tekort’.

HUMO: met zo’n schaars diploma was het wellicht geen probleem om een school te vinden..

Moons: ‘Bij mijn eerste applicatie in mei was het meteen raak: het Atheneum Karel Buls in Laken zocht een vervanger voor de lerares wiskunde die met pensioen ging.  Meteen een volledige opdracht: 20 uur in het vijfde en het zesde, zowel in zwakke als in de sterkste richtingen. Die afwisseling sprak me aan, net zoals de schaalgrote. Karel Buls is een kleine school, mijn klassen tellen tussen 10 en 15 leerlingen, ideaal om aan individuele begeleiding te doen. En nog een voordeel: mijn voorganger had in haar 35 jarige loopbaan een kathedraal van een rooster gebouwd. Weinig of geen springuren, met een vrije dag en extra vrije namiddag. Een droom voor iedere leerkracht, en dat kreeg ik als debutant zomaar in de schoot geworpen. Met zo’n schaars diploma kun je ook eisen stellen. Ik wilde per se een beamer in mijn klas. Grafieken op het bord tekenen is niet meer van deze tijd, bovendien vind je op het internet fantastische tools om het wiskundig inzicht uit te diepen. Geen probleem, tegen de eerste schooldag was die beamer geïnstalleerd’.

HUMO: het Atheneum Karel Buls is een zuivere concentratieschool. Geen bezwaar?

Moons: ‘Integendeel, ik zag dat als een buitenkans. Als Vlaming in Brussel blijf je vaak in je eigen kringetje steken. Zelfs als VUB-student heb ik dat ondervonden:  het is erg moeilijk om in contact te komen met de nochtans grote allochtone gemeenschap. Les geven op een concentratieschool leek me de ideale introductie. 80 procent van de leerlingen op onze school zijn moslims, ik heb in mijn klas maar twee ‘echte’ Vlamingen zitten. Maar eigenlijk wil ik die termen niet gebruiken. In een van mijn eerste lessen werd ik door een Marokkaanse leerling op mijn nummer gezet toen ik uit pure nieuwsgierigheid naar zijn herkomst polste. “Ik ben gewoon een Belg meneer”, zei hij heel terecht. Ik haat het trouwens zelf om over witte en zwarte scholen te spreken’.

HUMO: toch moeten we dat even doen. Hoe was het om als groentje in een ‘zwarte’ school te debuteren?

Moons: ‘Er doen wilde verhalen over disciplineproblemen in Brusselse scholen, maar daar heb ik niks van gemerkt. Uiteraard moet je afspraken maken: geen gsm in de klas, niet praten tijdens de les. Dat gaat verrassend vlot, soms heb ik het gevoel dat ze naar me opkijken als pas afgestudeerd universitair. Een generatiegenoot bovendien, want sommige leerlingen hebben al een paar keer gedubbeld en verschillen amper in leeftijd. Er zijn wel pijnpunten: ik moet ze heel hard aanporren om thuis te werken. Meestal doen de ouders dat, maar onze leerlingen staan er vaak alleen voor. Op oudercontacten krijg ik nauwelijks afspraken, een klacht die ik ook van ervaren collega’s hoor. Probleem is dat vele ouders zelf amper geschoold zijn en niet weten hoe ze hun kinderen moeten ondersteunen. Je wil ook niet weten in welke moeilijke sociale en economische omstandigheden vele leerlingen leven. De meesten komen graag naar school, een oase van rust en veiligheid’.

HUMO: beginnersfouten gemaakt?

Moons: ‘Toetsen opstellen en vaststellen dat de hele klas een onvoldoende haalt. Dat brengt me nog aan het twijfelen: ligt het aan mij en waren de vragen te moeilijk? Hadden ze die dag nog een andere toets die voorrang kreeg? Af en toe geef ik een herkansingstoets. Tegen mijn principes, want aan de unief of de hogeschool worden ze ook niet gepamperd. Een keer heb ik een conflict gehad: een meisje had een nul gekregen voor een niet ingeleverde huistaak. Die stok moet je achter de deur houden, anders is het einde zoek. Probleem: door die nul was ze ook gezakt voor wiskunde. Die leerling is me beginnen uitschelden voor rotte vis op Smartschool, het digitaal leerplatform waarmee leerlingen en leraren onderling communiceren. Het werd alleen maar erger toen ik antwoordde om haar verwijten punt voor punt te weerleggen. Die les heb ik dus geleerd: nooit met leerlingen in discussie gaan op Smartschool en zeker niet op sociale media’.

HUMO: leeft het hoofddoekendebat op jullie school?

Moons: ‘Karel Buls is een Brusselse stadsschool, maar we hanteren dezelfde regels als het GO. Geen hoofddoeken op school, we hebben een ruimte met spiegels waar meisjes zich bij het binnenkomen of vertrekken kunnen fatsoeneren. Ik ben zelf principieel voor de totale vrijheid van godsdienstbeleving, maar ik sta achter die maatregel. Het is voor de sfeer op school geen goede zaak als leerlingen hun godsdienstige overtuiging als een bord voor zich uit dragen, bovendien zorgt zo’n hoofddoek voor een opbod tussen goede en minder goede moslims. Er zijn enkele proteststemmen, maar de overgrote meerderheid is stiekem blij met dat verbod. Geen visueel onderscheid op de speelplaats, dat hoort bij de rol van de school als een soort vrijhaven in de stad. We zijn trouwens pragmatisch: tijdens uitstappen laten we de hoofddoek oogluikend toe’.

HUMO: werden de aanslagen van Parijs en Brussel ook in de wiskundeklas gevoeld?

Moons: ‘Zeker, heel wat van de leerlingen wonen trouwens in de buurten waar sinds de aanslagen in Parijs voortdurend huiszoekingen werden verricht. Na zo’n gebeurtenis ga je niet gewoon integralen zitten berekenen. We hebben er een hele dag over gepraat, ik ben trouwens zelf erg geïnteresseerd in islam en islamkritiek. Ook los van die aanslagen laat ik mijn leerlingen wel eens een opiniestuk van Mia Doornaert lezen. Boeiend, zo leren ze omgaan met tegendraadse meningen en met argumenten discussiëren. Dat kan allemaal als je een goede verstandhouding kweekt. Mijn leerlingen weten ook dat ik met een man samenleef. Waarom zou ik daar hypocriet over doen? Als je leerlingen zes uur per week in de klas hebt, dan kun je zoiets toch niet verbergen’.

HUMO: is les geven nu anders dan toen je zelf op de schoolbanken zat? 

Moons: ‘Ik heb het gevoel dat men leraars nu minder vertrouwt. Vroeger volstond een agenda met lesonderwerpen, nu eisen ze gedetailleerde jaarplannen, en de kleinste aanvaring met een leerling moet in het leerlingenvolgsysteem. Scholen willen zich ook indekken tegen de toenemende juridisering, ouders die de attestering van hun kind aanvechten. Gevolg: een enorme berg paperassen. De didactische evolutie is dan weer louter positief. Het ex cathedra lesgeven heeft afgedaan, lessen zijn interactief geworden. Een moderne leraar is een coach die verschillende werkvormen hanteert om zijn klas maximaal bij de les te betrekken. Met de digitale technologie is dat ook mogelijk, al mag je die opdracht niet onderschatten. Het ontwikkelen van interactieve lessen vergt veel meer voorbereiding dan traditionele lessen’.

HUMO: moet je hard werken?

Moons:  ‘Ik geef 20 uur wiskunde op drie verschillende niveaus, dat betekent veel meer dan 38 uur per week werken. Ik gebruik geen handboek maar schrijf mijn cursus zelf. Gelukkig mag ik al het materiaal van mijn voorganger gebruiken, maar ik sta toch iedere dag om vijf uur op om mijn lessen uit te werken. Niet dat ik klaag, we hebben echt wel veel vakantie. En zo’n cursus is een ook een investering in de toekomst, de volgende jaren wordt het al een stuk gemakkelijker’.

HUMO: droom je van een vaste benoeming?

Moons: ‘Ik vervul een openstaande opdracht, dus in principe kan ik al binnen drie jaar benoemd worden. Zo ver kijk ik nog niet vooruit, maar ik vind het systeem van de vaste benoemingen niet goed. Zonder te veralgemenen: met vaste benoemingen zet je leerkrachten aan tot gemakzucht. Voor mijn part mogen ze de vaste benoeming vervangen door arbeidscontracten zoals in de privésector’.

HUMO: tevreden met je salaris?

Moons: ‘Ik verdien nu 1.850 euro netto. Met vakantiegeld, dertiende maand en pensioenrechter erbij vind ik dat heel goed betaald. Natuurlijk kun je in de privé veel meer verdienen. Ik heb ook een master informatica behaald en stage gedaan in een IT-bedrijf.  Als starter zijn daar lonen van 3.000 euro plus een pak extralegale voordelen heel gewoon, maar dat heeft me nooit aan het twijfelen gebracht’. 

 

Freya Broeckhoven (2de graad BSO en TSO Sint-Ursula Instituut OLV Waver)

Humo2016-062-Freya Broeckhoven Ursulinen OLV Waver

In Onze-Lieve-Vrouw Waver speelt het leven zich niet af onder de kerktoren maar in de schaduw van een statig schoolcomplex dat als een magneet blauw ge-uniformeerde leerlingen aanzuigt. Freya Broeckhoven (22) heeft duidelijk niet geleden onder die zeldzame dresscode. Sinds september staat de oud-leerling er zelf voor de klas.

Freya Broeckhoven: ‘Ik ben hier pas vanaf het vierde TSO begonnen. Voor de start zag ik vreselijk op tegen dat uniform, maar ik ontdekte heel snel de  voordelen. ’s Morgens nooit twijfelen over welke kleren je gaat aantrekken, dat is een groot gemak. Ik heb mijn uniform gemist toen ik in Leuven voor regent ging studeren’.

HUMO: was dat een roeping?

Broeckhoven: ‘In mijn geval wel. Op de lagere school al zag ik mezelf als juf voor de klas staan. Maar het was mevrouw Pauwels, mijn wiskundelerares en klastitularis in het eerste middelbaar, die me definitief over de streep heeft getrokken. Ze was ongelooflijk gedreven en altijd opgewekt, een echt rolmodel’.

HUMO: je staat in je oude school. Toeval?

Broeckhoven: ‘Ik heb hier als leerling een geweldige tijd gehad, en ik heb hier ook mijn eindstage als regent gedaan. Eigenlijk wilde ik nergens anders lesgeven, en daarom heb ik nog even getwijfeld. Na mijn studies ben ik twee maanden gaan werken in een optiekketen waar ik eerder als jobstudent had gestaan. Ik speelde met de gedachte een opleiding als opticien te volgen, maar toen kwam het telefoontje van de school. Of ik mijn CV wilde insturen? Ik wist wel dat mijn eindstage goed was verlopen, maar het was toch een fijne verrassing toen ze mij een baan aanboden. 20/21sten,  een bijna volledige opdracht’.

HUMO: hoe ziet die opdracht eruit?

Broeckhoven: ‘In het BSO geef ik naast verschillende verzorgingsvakken  ook PAV. Project Algemene Vakken, dat is een concept waarin wiskunde, Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde samen worden aangeboden. In de sociaal technische wetenschappen geef ik integrale opdrachten, kortweg IO. Dat zijn projecten waarin kennis en vaardigheden worden gecombineerd. Je hoort het al, in het onderwijs wordt met afkortingen gegoocheld’.

HUMO: Sint-Ursula staat vooral bekend als een ASO-school. Wordt er in lerarenkamer neergekeken op de BSO- en TSO-collega’s?

Broeckhoven: ‘Helemaal niet, er wordt geen onderscheid gemaakt. Mijn mentor is een collega latijn, ik mag trouwens zelf les geven in het ASO. Niet dat ik dat als een promotie beschouw, ik zou mijn BSO-leerlingen niet willen missen. Ze zijn soms wat brutaal, maar ik apprecieer hun eerlijkheid en openheid.  Dat verschil merk ik als ik in het TSO sta, daar is de afstand groter. Geen kwaad woord overigens over het TSO. Ik heb zelf TSO gevolgd, een uitstekende voorbereiding om verder te studeren’.

HUMO: is het makkelijk om als rookie de orde te handhaven in een BSO-klas?

Broeckhoven: ‘Ik heb me nog maar een keer echt boos gemaakt, toen een leerling ei zo na de deur in mijn gezicht dichtgooide. Ik was zo kwaad dat ik hypercorrect Nederlands begon te spreken, tot grote hilariteit van de klas.  Meestal echter hangt er een prima sfeer. Je moet je ook als leerkracht durven openstellen en interesse opbrengen voor hun leefwereld. Welke muziek is hot? Wat leeft er op YouTube? En vooral: je moet kunnen meepraten over Temptation Island. Zonder in de val te trappen, want ze proberen natuurlijk een heel lesuur vol te kletsen over hun televisieprogramma’s’.

HUMO: wat moet de leerkracht van de toekomst kunnen en kennen?

Broeckhoven: ‘Temptation Island volgen natuurlijk(lacht). En afgezien daarvan: nieuwe en oude werkvormen creatief gebruiken. Powerpoint is voor mij onmisbaar, een goede presentatie geeft structuur aan de les, wat op zijn beurt cruciaal is voor de sfeer in de klas. Toch maak ik nog veel gebruik van bord en krijt. In de les gezondheid laat ik ze nog altijd een oog met al zijn onderdelen tekenen, dat blijft beter hangen dan een plaatje bekijken. Mensen associëren onderwijs met veel vakantie, maar je moet ook hard werken. Zaterdag is voor mij geen rustdag maar een werkdag”. 

 

Lise  D. (2de graad Nederlands, diverse interims)

Een volledige opdracht voor een heel schooljaar in één en dezelfde school? Alle beginnende leerkrachten dromen ervan, maar de realiteit is meestal anders. Lise D. (24) – pseudoniem om geen carrièrekansen te hypothekeren _ weet er alles van. De Antwerpse heeft na drie interims en een scheervlucht langs een burn-out eindelijk haar draai gevonden. Voorlopig toch, want in september gaat het carrousel der interims weer draaien.

Lise:  ‘Ik heb eerst een paar jaar kinesitherapie gestudeerd, maar dat bleek toch niet mijn ding. Ik was dan ook erg gemotiveerd toen ik aan de hogeschool een lerarenopleiding ging volgen. Dit moest wel lukken, ik was vastbesloten een goede leerkracht te worden. Ik ben afgestudeerd met grote onderscheiding. Ook mijn eindstage op een grote BSO- en TSO-school is goed verlopen. Vlak voor de start van het schooljaar hebben ze me gebeld. De lerares Nederlands in de 2de graad van het BSO was langdurig ziek, en of ik kon inspringen. Ik ben er met ongelooflijk veel enthousiasme aan begonnen, maar het in een nachtmerrie geworden’.

HUMO: oei, wat is er mis gegaan?

Lise: ‘Hoe hard ik me ook uitsloofde, ik kreeg geen respect. Ik had vijf klassen, uitsluitend jongens van 14 en 15 in het BSO. Het is bekend dat op die leeftijd de frontale cortex nog onvoldoende ontwikkeld is om gevoelens als empathie te koesteren. Dat ik jong en onervaren was, en dat ik mijn stinkende best deed, het maakte hen niks uit. Ze hebben me echt het bloed van onder de nagels gehaald: hondsbrutaal antwoorden, vechten onder elkaar, ongevraagd de klas uitlopen, met proppen en sinaasappelschillen gooien. Soms had ik het gevoel dat ik met een roedel bloedhonden opgesloten zat. Ze ruiken je onzekerheid en verscheuren je, zeker als je de leider van de roedel tegen hebt. Die groepsdynamiek speelt in alle klassen, ook in het ASO’.

HUMO: je had een succesvolle stage in die school gelopen. Hoe kon je zo verrast zijn?

Lise: ‘Dat heb ik me zelf vaak afgevraagd. Een stage van 12 uur per week is natuurlijk nog iets anders dan een voltijdse opdracht, met oudercontacten en alles erbij. Ik verzoop vanaf de eerste week in het werk, ook al omdat ik pas op het nippertje was opgetrommeld en niks vooruit had gepland. Ach, ik denk dat het ook een mismatch was. Ik gaf Nederlands, een vak dat hen geen bal interesseerde. Praktijkleraren konden al er al eens eentje uit het atelier wegsturen, dat maakte indruk. Maar extra spellingsoefeningen als straf? Ze zouden nogal gelachten hebben. Ik had ook weinig voeling met hun leefwereld. Muziek, boeken, theater, dans? Hier, op de kunsthumaniora, krijgen ze er niet genoeg van. Maar die jongens in de bouw waren maar in twee dingen geïnteresseerd: auto’s en vrouwen. (lacht)’.

HUMO: hoe lang heb je het volgehouden?

Lise: ‘Ik wilde niet opgeven, het moest en zou lukken. Ik verwaarloosde mijn sociaal leven, al mijn vrije tijd ging op aan lesvoorbereidingen. In feite zat ik heel diep, vooral omdat ik me door de schooldirectie niet gesteunde voelde. In de kerstvakantie heb ik toch maar naar mijn mama geluisterd. Je moet daar weg, zei ze, je gaat eraan kapot. Ik dacht een tijdje uit te blazen, maar toen kreeg ik de kans om een interim in een heel toffe methodeschool te doen. Mijn zelfvertrouwen stond op een laag pitje, maar de klik was snel gemaakt. Zalig gewoon, Nederlands geven aan leerlingen die geïnteresseerd zijn en zelfs verantwoord omgaan met vrijheid. Helaas, een week na de krokusvakantie keerde de vaste leerkracht uit ziekteverlof terug. Ik heb daarna nog een kort interim in een gewone ASO-school gedaan, de derde keer al dat ik dit jaar een leerkracht met een burn-out mocht vervangen. Dat viel mee, alleen krijg je tijdens zo’n korte opdracht geen band met je leerlingen’

HUMO: intussen sta je weer in die methodeschool. Hoezo?

Lise: ‘Ik zat al een poosje thuis toen diezelfde vaste leerkracht opnieuw uitviel. De school vroeg me terug, ik had hier in mijn eerste periode een goede band met de leerlingen en het team gesmeed. Nu heb ik zekerheid tot het einde van het schooljaar, een geweldig cadeau. Het is niet fraai, maar als interim redeneer je op de duur dat de ene zijn dood de andere zijn brood is’.

HUMO: blijf je in het onderwijs na deze wisselvallige start?

Lise: ‘Toch wel, ik heb die lerarenopleiding niet voor niets gevolgd. Maar of ik dit mijn hele leven wil doen? Nee, ik heb al teveel uitgebluste collega’s gezien die routineus hun lesjes aframmelen’. 

 

Kelsey Olefs (Economie, 2de en 3de graad TSO-ASO, Atheneum Boom)

Humo2016-063-Kelsey Olefs KA Boom

Kelsey Olefs (26) nam als master handelswetenschappen een vliegende start in de privésector. Toch keerde ze na vier jaar naar haar eerste liefde, het onderwijs, terug. De gewezen reward en development officer van een grote luchtvaartmaatschappij leverde bedrijfswagen en andere perks in en staat intussen al een jaar met veel goesting voor de klas.

Kelsey Olefs: ‘Ik wou altijd al les geven. Na mijn studies handelswetenschappen aan de Ehsal heb ik nog een lerarenopleiding gevolgd. En toch ben ik eerst een andere richting ingeslagen. Onderwijs leek me te onzeker. Als beginnend leerkracht vlieg je van de ene school naar de andere, en weet je in de zomer niet of je in september wel werk zult hebben. Vervelend als je een hypotheeklening wil afsluiten om een huis te kopen. Ik kon bij Ikea beginnen, een erg positieve ervaring. Personeel coachen en opleidingen geven, in feite een soort onderwijs voor volwassenen. Na twee jaar ben ik naar JetairFly overgestapt. Reward & development officer was een erg uitdagende baan, maar ik raakte in de knoop met de bedrijfscultuur en kreeg heimwee naar het onderwijs. In april heb ik mijn CV rondgestuurd. Het resultaat kwam onverhoopt snel: ik kon na de paasvakantie voltijds in het  Atheneum van Boom beginnen. Het was dringend, mijn voorganger was tot adjunct-directeur benoemd en haar eerste vervanger was een miscast gebleken’.

HUMO: welke vakken mag je als handelswetenschapper geven?

Olefs: ‘Ik geef dit jaar economie, toegepaste economie, bedrijfsbeheer, recht en wetgeving. Vorig jaar gaf ik ook sportmanagement, sport is bij ons een populaire richting. Voorts besteden we twee uur per week aan de Mini-Onderneming: leerlingen richten bij het begin van het schooljaar een eigen bedrijf op. Heel realistisch, ze zoeken aandeelhouders, doen aankopen en verkopen, voeren een echte boekhouding met RSZ en keren zichzelf een loon uit. In feite zouden economie en recht in alle studierichtingen aan bod moeten komen. Een achttienjarige zou tenminste moeten weten hoe banken werken en waar belastingen voor dienen’.

HUMO: iets meegenomen uit de privésector dat van pas komt in de klas?

Olefs: ‘Heel veel zelfs, zoals de cursussen leiderschap die ik bij Ikea kon volgen. Mijn ervaring in de privé heeft me ook leren relativeren. Ja, het is hard werken met al die voorbereidingen en paperassen. Maar buiten ons lessenrooster hebben we veel vrijheid om ons werk te plannen, en we mogen echt niet klagen over het aantal verlofdagen. Ik heb bij mijn overstap stevig ingeleverd, minder salaris, geen extralegale voordelen. Maar het gevoel van vrijheid compenseert dat allemaal ruimschoots’.

HUMO: kon je dat leiderschap meteen laten gelden of werd je als groentje getest?

Olefs: ‘Het begin vorig jaar was moeilijk. Voor een van de vakken was ik al de derde leerkracht in korte tijd. Omdat mijn voorgangster de mist was ingegaan was ik verplicht er de pees op te leggen om de leerplandoelstellingen te halen. De leerlingen klaagden steen en been dat het te snel ging en te moeilijk was. Ik heb daar iets te veel begrip voor getoond. Beginnersfoutje, zal me niet meer overkomen. Tijdens de lerarenopleiding hadden ze het ons ingepeperd: een gezonde sfeer moet je vanaf dag één afdwingen. Probeer niet meteen de toffe uit te hangen. De eerste weken moet je vooral niet te veel glimlachen en ieder incident kordaat aanpakken, dan kun je later de teugels vieren zonder dat het uit de hand loopt. Dit schooljaar ging het al veel beter, maar in een van de klassen heeft toch tot eind oktober geduurd om de juiste toon te vinden. Ervaren collega’s hebben het gemakkelijker omdat ze door hun reputatie worden voorafgegaan. Dat vergt tijd, al schijn ik intussen toch al bekend te staan voor mijn moeilijke toetsen’. (lacht).

HUMO: al aan de noodrem moeten trekken?

Olefs: ‘Ik heb er al wel eens eentje uit de klas gezet. Dat is zowat de ultieme remedie, nadat je eerst al een nota in de agenda hebt gestoken en vervelende koppels uit elkaar hebt getrokken. Echte incidenten? Met een deur slaan of een stoel omgooien, veel wilder wordt het niet. Meestal zijn dat jongens uit het derde of vierde jaar, de leeftijd waarop het haantjesgedrag piekt. In het vijfde gaat dat eruit, dat hoor ik ook van oudere collega’s. Het is haast mysterieus, alsof er in die zomervakantie tussen het vierde en het vijfde een scheut maturiteit over die gasten neerdaalt. Jongens zijn wel recht door zee: na een aanvaring gaat de spons erover en kun je weer verder. Bij meisjes duurt het veel langer om de band te herstellen’.

HUMO: volgens het veelbesproken Masterplan Secundair Onderwijs van de Vlaamse regering moeten de schotten tussen ASO, TSO en BSO verdwijnen. Ben jij gewonnen voor een brede eerste graad?

Olefs: ‘Ik vind het principe wel okay, maar ik heb twijfels over de haalbaarheid. Om BSO- en ASO-leerlingen samen te zetten, moet je wel erg veel differentiëren. Makkelijker gezegd dan gedaan, weet ik uit ervaring. Het is nu al heel lastig om binnen dezelfde klas om te gaan met de verschillen tussen slimme en minder slimme leerlingen’.

HUMO: je bent lang genoeg van de schoolbanken af om achterom te kijken. Wat is er in die tien jaar veranderd?

Olefs: ‘De technologie uiteraard. Smartboards zijn niet meer uit de klas weg te denken, zeker niet voor de theorievakken. In mijn tijd bestonden die niet, net zomin als de smartphones die op onze school alleen op de speelplaats worden toegelaten. Dat is hier dan ook een dagelijkse sport: jacht maken op smartphones in de klas of in de gang. Leerlingen zijn een stuk mondiger geworden, ook dat valt op. Sommige oudere collega’s hebben het daar moeilijk mee, je kunt op dat vlak van een generatiekloof spreken. Voor ons is omgaan met tegenspraak in de klas vanzelfsprekend, dat werd er tijdens de lerarenopleiding ingehamerd’.

 

Nucleaire noodplanning op zijn Belgisch: “Met een serieuze ramp werd nooit rekening gehouden”

Humo, 12 april 2016 

‘‘Fukushima is al vijf jaar geleden, maar de Belgische overheden hebben er nog altijd geen lessen uit getrokken’

Nu Belgische IS-terroristen nucleaire bobo’s bespioneren en kernreactoren meer scheuren vertonen dan een uitgedroogde rivierbedding, dringt de vraag zich op. Wat als er een kernramp gebeurt? Bij het Crisiscentrum van Binnenlandse Zaken liggen de nucleaire noodplannen klaar. Maar werken ze wel? En wat met Antwerpen, de stad met een half miljoen inwoners die tegelijkertijd in de schaduw van een kerncentrale maar buiten de nucleaire schuilzone ligt? ‘Als de wind uit het Zuidwesten waait moet iedereen de Schelde over. Probeer je de taferelen in de Kennedytunnel maar voor te stellen’.

 

humoramp1 illustraties: Kamagurka

Bij de Algemene Pharmaceutische Bond, de beroepsfederatie van zelfstandige apotheken, beleven ze een déja-vu. Sinds de aanslagen van 22/3 stromen de meldingen van leden binnen. Steeds meer patiënten kloppen bij hun apotheker aan voor jodiumtabletten. Kaliumjodide, onder chemici en quizzers bekend als KI, is geen ordinair geneesmiddel. De molecule dankt haar faam aan de Koude Oorlog. Verzadigd jodium stapelt zich op in de schildklier. Bij preventieve inname belet het dat zich in diezelfde klier kankerverwekkend, radioactief jodium 131 opstapelt. Het slikken van stabiel jodium is een van de weinige maatregelen die de brave burger kan nemen om zich te beschermen tegen de gevolgen van een kernaanval. Of tegen de neerslag van een nucleaire catastrofe van civiele makelij. ‘Na de ramp in Fukushima in 2011 hebben we hetzelfde meegemaakt’, zegt apotheker en APB-woordvoerder Koen Straetmans. ‘Paniek, we hebben onze leden toen geadviseerd om geen jodium te verstrekken. Behalve uiteraard wanneer het ging om inwoners van de perimeter voor preventieve distributie. Wie binnen een straal van 20 kilometer rond een kerncentrale of nucleaire site woont, kan ten allen tijde bij zijn apotheek gratis een dosis jodiumtabletten voor het ganse gezin afhalen. Maar na Fukushima gingen in heel het land ongeruste burgers massaal om jodiumpillen. Apotheken buiten de 20 km-perimeter hebben geen tabletten in huis, maar ze zijn wettelijk verplicht 500 gram poeder te stockeren om in geval van nood jodiumbereidingen te maken. Niet doen, is de boodschap die we ook dit keer graag herhalen. Eigen bereidingen zijn minder gemakkelijk te doseren en ook minder lang houdbaar. Bovendien bestaat het risico dat men preventief jodium gaat slikken. Geen goed idee want stabiel jodium heeft serieuze neveneffecten. Innemen mag alleen bij een echte ramp, en dan nog pas wanneer daartoe wordt opgeroepen in het kader van het nucleair noodplan’.

Islamitische Staat

De ongerustheid heeft dit keer niet met een nucleaire ramp in Verweggistan te maken, het gevoel is homegrown. Terreurdreiging houdt ons land al meer dan een jaar in de ban. Op 22 maart werd de collectieve nachtmerrie van een zware aanslag werkelijkheid. Wie hoopt dat daarmee de spanning van de lucht is, dwaalt. Het onweer hangt nog boven ons land, gezagsdragers en veiligheidsexperts roepen in koor op om ons alvast schrap te zetten voor de volgende klap. Dreigingsniveau 3 blijft immers onverkort van kracht, een nieuwe aanslag is niet alleen mogelijk en waarschijnlijk, maar zou ook wel eens een nucleair karakter kunnen hebben. Dat is tenminste wat rondzoemt aan toog en borreltafels, of in treinwagons die bange forenzen naar het gevaarlijke Brussel vervoeren. Slaat de verbeelding op hol? Niet als we binnen-en buitenlandse media mogen geloven die unisono wijzen op de ongezonde belangstelling van Islamitische Staat voor het Belgische kernpark. Veelbesproken is het SCK-incident. In februari raakte bekend dat Belgische speurders bij een huiszoeking in de nasleep van de aanslagen in Parijs een intrigerende videofilm hebben gevonden. Tien uur beeldmateriaal, gedraaid met een verborgen camera gericht op de privéwoning van een topman van het Studiecentrum voor Kernenergie in Mol. De opname kwam boven water in een appartement van terreurverdachte Mohamed Bakkali, een huisvriend van Salah Abdeslam en Bilal Hadfi die kort na de aanslagen in Parijs werd opgepakt. Over de bedoelingen van de spionage wordt druk gespeculeerd. Onze bron, dicht bij het onderzoek door het federale parket, gewaagde van een horror scenario. De terroristen zouden hebben gehoopt om via een tigerkidnapping aan voldoende plutonium te geraken om het Albertkanaal, voornaamste bron van drinkwater in Vlaanderen, voor jaren te besmetten en onbruikbaar voor menselijke consumptie te maken.

humoramp2

De Antwerpse professor Tom Sauer, specialist internationale veiligheid en nucleaire wapenbeheersing, heeft een memorabel werkbezoek aan Washington DC achter de rug. De Amerikaanse hoofdstad was eind maart het toneel voor de Nuclear Security Summit, een tweejaarlijkse hoogmis waar staatshoofden en experten zich over nucleaire dreigingen buigen. ‘België was the talk of the town’, zegt hij. ‘Ons land werd spontaan gelinkt met terrorisme. Logisch met de aanslagen van 23/3 vers in het geheugen en de wetenschap dat we hofleverancier van Syriëstrijders zijn. Maar België kwam ook nadrukkelijk in beeld als een land dat kwetsbaar is voor nucleair terrorisme. Gezaghebbende kranten zoals de New York Times en de Wall Street Journal hebben er lange artikels aan gewijd. Daarin ging het niet alleen over de SCK-spionagevideo, ze rakelden ook eerdere incidenten op, zoals de sabotage van de stoomturbine van Doel 4 in augustus 2014’.

HUMO: wie zegt dat het toen om terrorisme ging?

Tom Sauer: ‘Anderhalf jaar later weten we nog altijd niet wie de daders zijn, het federaal parket rept met geen woord over het onderzoek. Maar de toenmalige OCAD-topman André Vandoren heeft kort na de sabotage in een televisie-interview zelf gewag gemaakt van een terreurpiste. Een bewijs is dat niet, maar ook vele internationale experts gaan uit van terrorisme. Vandaar ook de ophef toen onlangs aan het licht kwam dat een van de Belgische Syrië-strijders tot in 2012 voor een onderaannemer in Doel heeft gewerkt, ook in het reactorgebouw. Misschien was hij toen nog niet geradicaliseerd, maar het blijft een verontrustende vaststelling die wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur’.

HUMO: waar maakt u zich de meeste zorgen over?

Sauer: Inside threat, sabotage van binnenuit zoals in Doel 4. Ook cyber crime is een hot issue. De Amerikanen en Israëli’s zijn er met hun Stuxnet-virus in geslaagd de centrifuges van het Iraanse atoomprogramma te laten doldraaien. Wat als straks terroristen een soortgelijk virus binnensmokkelen in een van onze kerncentrales? Maar ik wil geen paniek zaaien. Onze kerncentrales zijn wellicht nog het best beveiligd, sites zoals Mol en Dessel lijken me kwetsbaarder. Het zal wel geen toeval zijn dat IS uitgerekend de topman van het SCK viseerde. Het grootste risico is een aanslag met een vuile bom. Er zijn wereldwijd nog geen precedenten, maar er wordt steeds meer voor gevreesd.  Een vuile bom is relatief gemakkelijk te maken: je hebt geen splijtstof nodig maar radiologisch materiaal. In plaats van spijkers voeg je aan een conventioneel bompakket producten toe zoals radioactief cesium, iridium of kobalt. Dat zijn geen zeldzame stoffen, ze worden gebruikt voor industriële toepassingen en wetenschappelijk onderzoek en zijn vooral courant in ziekenhuizen. Zeker in België dat een belangrijke producent van medische isotopen is. Het Nuclear Threat Initiative heeft het algemeen veiligheidsniveau van de Belgische kerninstallaties eind vorig jaar als goed omschreven. In het rapport werd echter een belangrijk voorbehoud gemaakt: we zijn kwetsbaar voor cyber crime en de vele transporten van nucleair materiaal over de Belgische wegen houden een groot risico in’.

HUMO: hoe moeten we ons de impact van een vuile bom voorstellen?

Sauer: ‘Daarover bestaat discussie. Sommigen zien een vuile bom vooral als een psychologisch wapen. Het is niet zozeer de rechtstreekse impact die de maatschappij ontwricht, wel de massapaniek die er onvermijdelijk op volgt. Anderen zijn het daar niet mee eens. Naast de massapaniek zal er lokaal wel degelijk een serieus probleem ontstaan, met een zone die voor weken of zelfs maanden onleefbaar wordt’.

Evacuatiezone

Terrorisme of ongeval, bij de geringste nucleaire calamiteit moet het Crisiscentrum van de FOD Binnenlandse Zaken in actie schieten. Het Crisiscentrum, de voorbije weken vol aan de bak met de nasleep van de terreuraanslagen in Brussel, is de Belgische hoop in bange dagen. De dienst stelt de nationale noodplannen op, met daarin de richtlijnen die door provinciale en gemeentelijke overheden in regionale en lokale noodplannen worden vertaald. Het Crisiscentrum organiseert verder ook rampenoefeningen, doet aan voorlichting en verricht via zijn Hoger Instituut voor de Noodplanning wetenschappelijk onderzoek over risicoanalyse en crisisbeheer. Bovenal is het Crisiscentrum in Brussel de plek waar de telefoons roodgloeiend staan wanneer zich ergens in het koninkrijk een ramp van enig formaat voordoet. ‘Noodplanning werkt in principe bottom-up’, legt woordvoerder Benoît Ramacker uit. ‘Bij een incident is het de burgemeester die de coördinatie van de hulpdiensten verzekert, op basis van de gemeentelijke noodplannen. Gaat het om een groter incident met gemeentegrensoverschrijdende dimensies, dan neemt de provinciegouverneur de leiding. Dat gebeurt allemaal in permanent overleg met het Crisiscentrum, maar in principe nemen wij de coördinatie pas over wanneer een ramp het provinciaal niveau overstijgt. Op die regel bestaan echter uitzonderingen, terrorisme en pandemieën vallen altijd rechtstreeks onder het Crisiscentrum. Ook bij nucleaire incidenten werkt de delegatie top-down. Bij iedere melding groot of klein treedt automatisch het federaal noodplan in werking. Wij sturen aan, de gouverneurs en burgemeesters hebben een uitvoerende functie’.

De Belgische noodplanningswetgeving leest even vlot als een notariële akte. Wie er zo nodig wil op promoveren, verwijzen we graag naar de websites van het Crisiscentrum of, voor de nucleaire noodplannen, van het FANC. Wel goed om weten: behalve de drie niveaus federaal-provinciaal-lokaal valt een onderscheid te maken tussen Algemene Nood- en Interventieplannen (ANIP) en Bijzondere Nood-en Interventieplannen (BNIP). ANIP’s zijn passe partout plannen, bestemd voor een waaier van risico’s die niet op een specifieke locatie kunnen worden vastgepind. Denk aan een onvoorspelbare kettingbotsing of aan de treinramp die zich toevallig in Wetteren voordoet. BNIP’s zijn er voor welomschreven en perfect lokaliseerbare risico’s. Gemeenten of provincies stellen tijdelijke BNIP’s op voor evenementen zoals rockfestivals of sportwedstrijden, voor industriële vestigingen zoals Seveso-bedrijven zijn er permanente BNIP’s. Die zijn ook verplicht voor de nucleaire sites, de kerncentrales van Doel en Tihange, het SCK in Mol, Niras-Belgoprocess in Dessel en isotopenproducent IRE in Fleurus. Nucleaire BNIP’s worden echter door het federale Crisiscentrum uitgewerkt, net zoals de noodplannen voor de Belgische buurgemeenten van de kerncentrales in het Franse Chooz en het Nederlandse Borssele. Centraal in die nucleaire BNIP’s staan de door het federaal noodplan opgelegde perimeters. Voor de kerncentrales en de nucleaire sites in Mol en Dessel geldt een noodplanningszone van 10 kilometer. Bij een nucleair lek worden de betrokken inwoners opgeroepen te schuilen en zich via alle beschikbare media over verdere instructies te informeren. Binnen die cirkel geldt een kleinere perimeter van 5 kilometer, de zogenaamde evacuatiezone. Of er daadwerkelijk wordt geëvacueerd en waarheen, zal op het moment zelf door het Crisiscentrum worden beslist, na inwinnen van het advies van het FANC en in functie van atmosferische omstandigheden zoals de windrichting. Maar de perimeter is geen vrijblijvend cijfer, ze verplicht autoriteiten en hulpdiensten om zich voor te bereiden. In principe moeten ze te allen tijde klaar staan om tot een volledige evacuatie over te gaan. Om het nog ingewikkelder te maken: er is ook nog een reflexzone van 3,5 kilometer waar de provinciegouverneur in afwachting van instructies uit Brussel op eigen houtje bewarende maatregelen zoals alarmeren en oproepen tot schuilen mag nemen. Al die concentrische cirkels passen op hun beurt in de ruimere perimeter voor preventieve jodiumverstrekking. 20 kilometer, behalve voor het IRE in Fleurus waar een 10 km-zone voldoende wordt geacht.

humoramp3

HUMO: ingewikkeld allemaal. Wat gebeurt er concreet wanneer zich een nucleair incident voordoet?

Ramackers: ‘Dat hangt af van de aanmelding door de exploitant. Een Niveau 1 is een beperkt incident zonder risico op radioactieve lozing buiten de site. Een N2 betekent een klein en een N3 een groter risico. Vanaf die intermediaire niveaus kunnen er maatregelen worden genomen, ter beveiliging van de landbouw en de voedselketen, bij een N3 ook ter bescherming van de volksgezondheid. Tenslotte is er een NR-melding. Niveau Reflex, dat betekent dat er sowieso onmiddellijke tegenmaatregelen worden getroffen. De waarheid is dat we nog geen enkele aanmelding hebben ontvangen. Het nationaal nucleair noodplan werd nog maar een keer afgekondigd, na een uiterst klein lek in Fleurus in 2008. Maar dat was zonder notificatie door de exploitant, de maatregel kwam er op basis van eigen metingen die enkele grasstalen met licht verhoogde waarden aan het licht hadden gebracht. Het ging om een erg lichte besmetting, maar toch hebben we de omwonenden in een zone van vijf kilometer gevraagd tijdelijk geen tuingroenten te consumeren. Louter preventief’.

HUMO: waarom gebruiken jullie niet de veel bekendere INES-schaal, de International Nuclear and Radiological Event Scale van het Internationaal Atoomagentschap die van 1 tot 7 – niveau Fukushima en Tsjernobyl – gaat?

Ramackers: ‘INES is bij preventieve noodplanning niet bruikbaar, het is een instrument om nucleaire incidenten achteraf, a posteriori, in te schatten’.

Stralingsdeskundige en professor–emeritus Gilbert Eggermont verwijst wel naar de INES-schaal. ‘Nucleaire noodplanning in België steunt op optimistische premissen. Een INES 7 zoals in Fukushima of Tsjernobyl wordt ondenkbaar geacht, het ergste dat men zich kan inbeelden is een Harrisburg-scenario, een INES 5-incident met een gedeeltelijke kernsmelting en een beperkte lozing in de atmosfeer’. Eggermont weet waarover hij spreekt. Hij doorliep een carrière als onderzoeker en directielid bij het SCK, doceerde aan binnen-en buitenlandse universiteiten, en heeft decennialang in alle mogelijke adviescommissies voor nucleaire veiligheid gezeten. Eggermont was ook de voorzitter van de werkgroep die door de Hoge Gezondheidsraad (HGR) met een kritische doorlichting van de nucleaire noodplanning werd gelast. Rampenplannen in het post-Fukushimatijdperk, luidt de titel van het HGR-advies dat begin maart werd voorgesteld. Ondanks de zakelijke, wetenschappelijke aanpak bevat het lijvige rapport striemende kritiek. ‘Het advies is dan ook uit frustratie geboren’, zegt Eggermont. ‘Fukushima is al vijf jaar geleden, maar de Belgische overheden hebben er nog altijd geen lessen uit getrokken. Niet dat ik daarvan opkijk, het is bijna een traditie. Na het ongeluk in Three Mile Island-Harrisburg in 1979 heeft het nog jaren geduurd vooraleer hier aan een systematische noodplanning werd gedacht. Zelfs de veel zwaardere ramp in Tsjernobyl in 1986 bracht geen schot in de zaak. Er werd lang getalmd met preventieve jodiumdistributie. Dat veranderde pas toen cijfers bekend raakten over het aantal kinderschildklierkankers. In Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland hebben ze er 7.000 geregistreerd. In Polen, waar ze preventief stabiel jodium hadden verdeeld, was er geen enkel geval’.

humoramp4

HUMO: Fukushima werd door een verwoestende en in West-Europa ondenkbare tsunami veroorzaakt, Tsjernobyl door een keten van menselijke blunders die alleen mogelijk lijken in een starre Sovjetbureaucratie. Waarom moeten we die rampen als maatstaf nemen?

Gilbert Eggermont: ‘Omdat er nog andere risico’s met zware  gevolgen kunnen spelen. Een goede kwetsbaarheidsanalyse moet  rekening houden met nieuwe dreigingen. Zoals terrorisme, of de verouderde staat van het Belgische kernpark. Ik kan het alleen met lede ogen vaststellen: terwijl de regering er maar niet in slaagt de nucleaire noodplannen te actualiseren, heeft ze wel op een drafje besloten de levensduur van de oudste en minst veilige kerncentrales te verlengen. Dan moet ze ook maar consequent zijn en noodplannen opstellen die op de ergste scenario’s anticiperen. Ik pleit voor realisme: de kans op een zware ramp mag dan erg klein zijn, ze is niet helemaal onbestaand. Het kan ook bij ons gebeuren en de gevolgen kunnen veel verder reiken en veel zwaarder uitpakken dan in de huidige noodplannen wordt voorzien’.

HUMO: wat moet er concreet veranderen?

Eggermont: ‘De perimeters moeten ruimer. 20 kilometer voor evacuatie, 100 kilometer voor preventieve jodiumdistributie. Dat is in feite nog te weinig. In Fukushima werd uiteindelijk een zone van 30 kilometer ontruimd, maar er werden zelfs aanzienlijke besmettingen  tot op 80 kilometer van de centrale vastgesteld. We moeten ook veel meer nadenken over de lange termijngevolgen. De ontruimingszone rond Tsjernobyl is na dertig jaar nog altijd onbewoonbaar. In Fukushima hebben ze met man en macht gewerkt om daken te ontsmetten en tuinen af te graven. Toch aarzelen de meeste mensen om naar hun dorpen terug te keren. Je tuin mag dan ontsmet zijn, je wil ook dat je kinderen veilig in het bos achter het huis kunnen spelen. Ook die psychologische effecten moeten in het langetermijnluik van de noodplanning worden meegenomen, net zoals de problematiek van het radioactief afval. In Fukushima weten ze nu al geen blijf met de bergen besmette aarde’.

Humo: een evacuatiezone van 20 km rond Doel omvat ook de Stad Antwerpen met haar 500.000 inwoners. Daar is toch geen beginnen aan?

Eggermont: ‘De inplanting van Doel is was ze is. Waarom denk je dat Doel wereldwijd als case bekend staat? Geen enkele kerncentrale ligt in zo’n dichtbevolkt gebied: meer dan een miljoen mensen in een straal van dertig kilometer. Makkelijk zal het niet worden om zoiets in noodplannen te vatten. Er is niet alleen de bevolkingsdichtheid, Antwerpen is met zijn haven en zijn oververzadigde ring een logistieke nachtmerrie. Evacueren moet tegen de windrichting in. Aangezien het meestal vanuit het zuidwesten waait, moeten al die Antwerpenaars zo snel mogelijk over de Schelde worden geloodst. Lastig allemaal, maar dat is geen excuus om er niet over na te denken. Wees voorbereid, dat ben ik al twee keer gaan vertellen in de Antwerpse gemeenteraad, na Harrisburg en na Tsjernobyl. Ik wil het gerust nog een derde keer gaan herhalen, liefst preventief. Tenslotte zijn het Antwerpse stadsbestuur en vooral de partij van de burgemeester verantwoordelijk voor de levensduurverlenging van Doel 1 en Doel 2. Dan moeten ze ook maar verantwoordelijkheid durven nemen voor het geheel van de nucleaire veiligheid inclusief de mogelijke gevolgen van een zwaar ongeval’.

humoramp5

De recentste nucleaire rampenoefening van formaat dateert van oktober 2015. De scenaristen van het Crisiscentrum hadden een dubbel incident uit hun mouw geschud. Een nucleair ongeluk in het SCK in Mol, een gekantelde vrachtwagen met gevaarlijke lading bij de buren van Belgoprocess in Dessel. Voor de tweedaagse oefening werden negentig studenten als figuranten opgetrommeld. Bedoeling was de evacuatieprocedure te testen en na te gaan hoe vlot de communicatie tussen Brussel en de verschillende hulpdiensten verliep. De Molse burgemeester Paul Rotthier (CD&V) mocht net als zijn Desselse collega zichzelf spelen in dit drama. ‘Geen hoofdrol’, zegt hij. ‘Als burgemeester heb je bij nucleaire oefeningen een louter uitvoerende functie, alles wordt door het Crisiscentrum in Brussel gedicteerd. Niet dat onze inbreng daarom minder belangrijk is. We moeten de kruispunten afzetten voor de perimeter. Als het Crisiscentrum maatregelen voor de landbouw oplegt, moeten wij nagaan welke boeren binnen het getroffen areaal vallen. En uiteraard is het onze verantwoordelijkheid dat onze eigen politiemensen met de nodige stralingsmeters en jodiumtabletten kunnen uitrukken’.

HUMO: de inwoners van Mol en Dessel, residenten nochtans van de evacuatiezone, werden niet bij de oefening betrokken. Moeten zij zich niet actief voorbereiden op een calamiteit?

Paul Rotthier: ‘Dat werd niet voorzien in het scenario, oefeningen dienen vooral om de samenwerking tussen de verschillende niveaus en hulpdiensten te stroomlijnen. Maar onze burgers zijn sowieso gesensibiliseerd, ze kennen de basisregels. Blijf binnen, laat de kinderen op school, luister naar de radio, dat is er intussen wel ingehamerd. Mol is trouwens een van de pilootgemeenten van Be-Alert, een nieuw waarschuwingssysteem van het Crisiscentrum. Iedereen die in de telefoongids staat wordt automatisch verwittigd, maar we hebben onze inwoners opgeroepen om ook gsm-nummers en mailadressen te registreren. Angst voor een nucleair ongeval? Nee, dat leeft in deze streek niet, den ‘atoom’ is hier een vanzelfsprekend gegeven. Om de drie maanden worden de sirenes getest, dat hoort hier gewoon bij het leven’.

Marc Van de Vijver (CD&V) mag als burgemeester van Beveren opcentiemen en drijfkrachtbelasting uit de kerncentrale van Doel incasseren. Veel verder reikt zijn arm niet in de grootste stroomfabriek van Electrabel. Ook hij laat meteen weten dat nucleaire aangelegenheden door Brussel worden geregeld. Een derde van zijn ingezetenen woont binnen de evacuatiezone, een feit waar volgens de burgervader weinigen de slaap voor laten. ‘De mensen hebben er vertrouwen in, de centrale is goed beveiligd. Ik erger me trouwens aan tegenstanders van kernenergie die angst zaaien over de veiligheid om hun slag thuis te halen’. Hij moet zijn geheugen pijnigen, maar met resultaat. In zijn tien jaar als burgemeester heeft hij één evacuatieoefening met burgerparticipatie meegemaakt. Van de Vijver: ‘Een jaar of zes geleden hebben we de lagere school van Kallo geëvacueerd, met bussen naar het provinciaal domein Puyenbroeck in Wachtebeke. Brussel gaf de instructies, ik stond met de gouverneur in voor de praktische uitvoering. Alles verliep vlot, maar het blijft een oefening. Als het ooit werkelijkheid wordt, zal er wel meer paniek zijn. Of we daarmee op een Fukushima-scenario zijn voorbereid? Nee, maar de kans op zo’n ramp lijkt me nagenoeg onbestaand’.

Hopelijk moet Bart Bruelemans, rampencoördinator van de Stad Antwerpen, de keuze nooit maken. Evacueren naar het provinciaal domein Puyenbroeck in Oost-Vlaanderen? Of toch naar campus Vesta in Ranst, het opleidingscentrum voor brandweer en politie dat door de provincie Antwerpen als opvang voor évacués wordt voorzien? Veel zal afhangen van de windrichting, maar vast staat dat voor geen van beide opties een draaiboek klaar ligt. Behalve een stuk havengebied en de polderdorpen Berendrecht, Zandvliet en Lillo, valt de grootste stadsagglomeratie van Vlaanderen volledig buiten de 10km-schuilzone rond Doel. ‘Maar dat betekent niet dat we er nog nooit over nagedacht hebben’, zegt Bruelemans. ‘Ook in de ANIP’s staan richtlijnen en procedures voor evacuatie. We hebben trouwens ervaring met grootschalige operaties. In 2004 is er in de haven een tankwagen met giftig broom gekanteld, toen hebben we 3.000 mensen geëvacueerd. Ook van de Switel-brand hebben we veel geleerd, vooral voor het medisch urgentieplan’.

HUMO: dat is allemaal klein bier naast de evacuatie van een volledige stad met 500.000 inwoners…

Bruelemans: ‘Klopt, maar ik zie eerlijk gezegd niet goed hoe je zo’n operatie in een plan kunt vatten. Zelf geloof ik meer in een flexibel concept. Een goed noodplan bevat de bouwstenen die je tijdens een crisis in de juiste volgorde legt. 1.000 mensen evacueren is een lastige opdracht. Je kan beter een evacuatie voorbereiden in blokken van 100 personen en die operatie dan tien keer herhalen’.

humoramp6

Zou burgemeester Van de Vijver aan Greenpeace hebben gedacht? Tegenstanders van kernenergie die paniek zaaien over de veiligheid van onze centrales? Eloi Glorieux, energiespecialist bij Greenpeace, zal het niet ontkennen. Hij is een gezworen tegenstander van kernenergie, maar dat doet volgens hem niks af aan zijn veiligheidsbezwaren. ‘De risico’s werden altijd schromelijk onderschat. Om politieke redenen, de mensen mochten vooral niet gaan twijfelen aan de zin of noodzaak van kerncentrales. Daar zijn nochtans goede redenen voor. Een ramp zoals Fukushima in Doel betekent dat je anderhalf miljoen mensen moet evacueren. Probeer je maar even de taferelen in de Kennedytunnel in te beelden. Japanners hebben de reputatie gedisciplineerd en gezagsgetrouw te zijn. Maar geldt dat ook bij ons? Als je een Antwerpenaar iets opdraagt, dan doet hij meestal het tegenovergestelde. Onze nucleaire noodplannen zijn geplafonneerd op een INES 5-ramp, waarbij men gemakshalve uitgaat van een eenmalige of alleszins kortstondige lozing. Onverantwoord, in Tsjernobyl en Fukushima heeft het lekken wel tien dagen geduurd. Dat heeft een grote impact, ook op het verloop van de evacuatie’.

HUMO: hebben de huidige noodplannen en rampenoefeningen dan geen zin?

Glorieux: ‘Beter dan helemaal niks, maar het schiet hopeloos tekort. Vorig jaar hebben we de nucleaire noodplannen door de Franse stralingsexpert David Boilley, een autoriteit inzake Fukushima, laten doorlichten. Hij was geschokt door wat hij ontdekte. Het provinciaal noodplan van Antwerpen vermeldde vier opvangplaatsen voor ge-evacueerden. Het Fort van Borsbeek, de Oude Slachthuizen, de kazerne van de civiele bescherming in Brasschaat en het Sportpaleis. De eerste twee zijn ruïnes, alle vier liggen op minder dan 20 kilometer van de kerncentrale. We zijn met Boilley naar de subcommissie nucleaire veiligheid van de Kamer getrokken. Met resultaat, intussen hebben ze voor campus Vesta in Ranst gekozen, toch al iets meer dan 30 kilometer van Doel. Zelfs binnen de huidige schuil- en evacuatiezones is de paraatheid twijfelachtig. We hebben zelf de test gedaan bij scholen en kinderdagverblijven. Of ze wisten wat hen bij een ramp in Doel te doen stond? Dan viel er aan de andere kant van de lijn een stilte. Jaja, die plannen. Ze moeten hier ergens liggen, maar waar? En of we later konden terugbellen, want dan kwam die ene collega die het misschien wel wist, terug uit verlof’.

De aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad liggen intussen bij het federaal Crisiscentrum ter tafel. Een werkgroep sleutelt er aan een nieuw KB ‘ter vaststelling van het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch Grondgebied’. Of daarin ook de uitbreiding van de evacuatiezone tot 20 kilometer wordt opgenomen? Woordvoerder Ramackers laat niet in zijn kaarten kijken. ‘Dat is een beslissing voor de politiek’. Een lichte beslissing wordt het niet, het omvatten van de Stad Antwerpen zou bijvoorbeeld nieuwe vragen over de verzekerbaarheid van onze kerncentrales kunnen doen rijzen. Het nieuwe KB was eerst voor eind 2015 beloofd, minister van binnenlandse zaken Jambon (N-VA) mikt nu op eind 2016. De Antwerpse gouverneur Cathy Berx kijkt er alvast naar uit. Ze liet vorige week haar ongeduld blijken na alweer een technisch probleem, dit keer in het nucleair gedeelte van Doel 1. Wordt vervolgd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Radicaliseren achter de tralies

Knack, 2 maart 2016

In de nasleep van Charlie Hebdo lanceerde justitieminister Koen Geens een actieplan tegen radicalisering in de gevangenis. Besmettelijke gedetineerden zullen in speciale afdelingen door deradicaliseringsexperts en moslimaalmoezeniers tot betere gedachten worden gebracht. De uitvoering loopt communautaire vertraging op, maar het nut staat buiten kijf. ‘Ons systeem kan wel één Nizar Trabelsi aan, maar geen vijf tegelijkertijd’.

778209

 

Wat, behalve een lemma in het Lexicon Jihadterreur, hebben Mohamed Merah, Mehdi Nemmouche, Amedy Coulibaly en de broers Kouachi met elkaar gemeen? Alle vijf zaten korte tijd voor het plegen van hun aanslagen in een Franse gevangenis voor feiten van gemeenrecht. Vier van de vijf kwamen zelf om, alleen Nemmouche kan op zijn carrière als terrorist terugblikken. Niet dat men daar veel wijzer van is geworden, de man achter de aanslag op het Joods museum in Brussel zwijgt sinds zijn arrestatie als een graf. Toch laten de vele daderportretten die na de verschillende aanslagen verschenen, geen ruimte voor twijfel.  Het verblijf in de gevangenis heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de radicalisering en de dadendrang waarmee deze werd botgevierd. Deden de profielen van Merah en Nemmouche al wenkbrauwen fronsen, het waren de aanslagen op Charlie Hebdo en Hyper Casher begin vorig jaar in Parijs die in heel Europa politie, justitie en inlichtingendiensten wakker schudden. Behalve teruggekeerde Syrië-strijders worden sindsdien ook geradicaliseerde ex-gedetineerden als een risicogroep gebrandmerkt.

Pierre Carette

Ook de Belgische minister van justitie Koen Geens (CD&V) schoot in actie. Een jaar geleden, op 11 maart 2015 om precies te zijn, stelde hij zijn actieplan ‘Radicalisering in de gevangenissen’ voor. De helft van de tien maatregelen zijn preventief. Naast het aanpakken van de algemene leefomstandigheden zal werk worden gemaakt van een betere detectie en een vlottere informatiestroom tussen penitentiaire instanties, politie en staatsveiligheid. De spectaculairste maatregel is zonder meer het oprichten van twee speciale afdelingen voor geradicaliseerde gedetineerden, communautair netjes verdeeld over de gevangenissen van Hasselt en Ittre. In totaal zal er plaats zijn voor 40 risicogevangenen die van de reguliere populatie worden geïsoleerd. Daarnaast komen er tweekoppige satellietteams in de gevangenissen van Brugge, Lantin, Gent, Sint-Gillis en Andenne. Bedoeling is gedetineerden tijdens hun verblijf in de speciale afdelingen of in de satellietteams te deradicaliseren of op zijn minst te de-engageren. Met dat laatste wordt bedoeld dat ze afzien van pogingen om hun radicale gedachtengoed te verspreiden of, erger nog, in terreurdaden om te zetten. Pierre Carette, leider van extreemlinkse terreurbeweging CCC, geldt daarbij als een voorbeeld. Bij zijn vrijlating in 2003 was hij nog even radicaal als voorheen, maar hij vindt het niet meer nodig zijn marxistische idealen met bomaanslagen te bekrachtigen.

Deradicaliseren of de-engageren, het is makkelijker gezegd dan gedaan. Bij de missie zijn dan ook vele actoren betrokken. In het plan is sprake van speciaal opgeleide cipiers, justitiële welzijnswerkers en psychologen. Veel wordt verwacht van externe specialisten en van islamconsulenten, zeg maar moslimaalmoezeniers. Voor de financiering van een en ander wordt onder meer geput uit de 400 miljoen euro die de regering in november voor anti-terreurmaatregelen heeft vrijgemaakt.

Guantanamo

België kiest dus voor concentratie, een van de twee opties waar heel penitentiair Europa momenteel mee worstelt. Moet je geradicaliseerde gevangenen over de algemene populatie verspreiden met het risico dat ze anderen besmetten? Of sluit je ze samen op, met het gevaar dat zo’n speciale afdeling een soort Guantanamo wordt, een terroristische eliteschool waar gelijkgezinden elkaar nog verder opjutten in hun haat tegen de westerse maatschappij ‘Een duivels dilemma’, noemt de Nederlandse radicaliseringsexpert Omar Ramadan het. ‘Besmetting is een reëel risico. Je wilt het niet hebben dat een simpele tasjesdief onder invloed van een geradicaliseerde medegevangene als een fanatiek jihadist in de maatschappij terugkeert. De penitentiaire context kan daarbij als een katalysator werken. Vele gevangenen zijn sociaal geïsoleerd en voelen zich losers zonder enig perspectief. Dat maakt hen vatbaar voor charismatische figuren die hen een heilige missie aanpraten, en de solidariteit van de broeders en zusters als een warm deken aanbieden. Maar ook concentreren heeft nadelen. Want wie zet je allemaal samen? Radicalisering is ook zo’n vaag begrip. Onder de teruggekeerde Syriëstrijders zitten geharnaste jihadisten, maar evengoed vertwijfelde pubers of naïeve idealisten die werkelijk naar Syrië zijn vertrokken om te helpen, maar nooit verder dan de Turkse grens zijn geraakt. Door iedereen op een hoop te gooien, maak je het de leidersfiguren erg gemakkelijk. Ze kunnen constant invloed uitoefenen op hun volgers, gedetineerden die in een ander omgeving misschien gemakkelijk te deradicaliseren vallen’.

radicaliseringsexpert Omar Ramadan

radicaliseringsexpert Omar Ramadan

Omar Ramadan heeft in Nederland een eigen adviesbureau radicalisering en gewelddadig extremisme. Zijn voornaamste opdrachtgevers zijn ministeries en gemeenten, maar hij is ook coördinator van het in 2011 door de Europese Commissie opgerichte Radicalisation Awareness Network. Bedoeling  is penitentiaire terreinervaring en best practices tussen lidstaten uit te wisselen. Screening is volgens Ramadan de manier om aan het hogervermelde dilemma te ontsnappen. ‘Je moet de rotte appels uit de mand halen. Grondig selecteren is dus de boodschap. Niet alleen aan de poort, maar ook tijdens de detentie. Bijzondere regimes moeten voldoende flexibel zijn, wie gunstig evolueert moet terug naar het reguliere systeem kunnen. In feite pleit ik voor een gemengd model waarin zowel concentreren als spreiden een plaats hebben. Al blijft het altijd oppassen met valse modelgevangenen die pas hun ware aard tonen als ze in een open regime belanden’.

Radicalisering achter de tralies. Onwillekeurig denkt men Islamitische Staat of Al Qaeda. ‘Maar het fenomeen bestaat al veel langer’, benadrukt Ramadan. ‘Landen als Spanje, Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië worden er al tientallen jaren mee geconfronteerd. Groot-Brittannië en Spanje hebben overwegend voor het concentratiemodel gekozen. Dat IRA-aanhangers of ETA-leden elkaar verder zouden radicaliseren, was geen punt. Men ging er immers van uit dat men die toch nooit op andere gedachten kon brengen. Frankrijk kent al sinds de jaren negentig moslimterrorisme, naast Corsicaans separatisme en extreemlinkse terreur. Daar opteren ze eerder voor spreiding’.

terro-gedetineerden

In het Frankrijk is het roer echter om. In januari gingen twee afdelingen voor terro-gedetineerden open, tegen eind maart worden nog twee eenheden in gebruik genomen. ‘In Frankrijk is het probleem dan ook veel urgenter dan bij ons’, zegt een anonieme bron binnen het gevangeniswezen. ‘Wij hebben hier nog geen Merah’s of Kouachi’s gezien, terroristen van wie vast staat dat ze in de gevangenis zijn geradicaliseerd. Neem de Belgische daders en verdachten van de recente aanslagen in Parijs. De meesten hebben wel een gerechtelijk verleden, sommigen hebben korte tijd in de gevangenis gezeten. Maar dat heeft geen rol van betekenis gespeeld, hun radicalisering heeft zich buiten de gevangenis voltrokken, via sociale media of andere kanalen’.

Waarom dan een speciale afdeling voor geradicaliseerde gevangenen? ‘Om Franse toestanden te vermijden. Jihadisme is op zich niet nieuw, we hebben in de jaren negentig al het proces tegen de Algerijnse GIA gehad. In een rapport van de Staatsveiligheid uit 2011 staat er geen probleem van radicalisering is. Maar intussen is de context radicaal veranderd, door de aantrekkingskracht van groepen zoals IS en Al Qaeda. Alleen al de instroom van terreurverdachten en teruggekeerde Syrië-strijders heeft het fenomeen een heel nieuwe dimensie gegeven’.

Nizar Trabelsi. De naam klinkt in de Belgische gevangenissen nog altijd als een klok. De Tunesische ex-voetballer werd in 2001 gearresteerd toen hij aanslagen op de luchtmachtbasis Kleine-Brogel en de Amerikaanse ambassade in Parijs aan het beramen was. Toen hij in 2013 aan de Verenigde Staten werd uitgeleverd, had hij er een penitentiaire odyssee opzitten. ‘Erger dan Farid Le Fou’, zegt onze bron. ‘Trabelsi had een geweldig aura. Als hij in een nieuwe gevangenis kwam, voelde men de sfeer omslaan. Na verloop van tijd werd de toestand onhoudbaar en zat er niks anders op dan hem weer te verkassen. Dat is waarom die speciale afdelingen nodig zijn. Ons penitentiair systeem kan wel één Trabelsi aan, maar geen vijf tegelijkertijd. Niet dat we het gevaar op besmetting moeten opblazen. In de Belgische gevangenissen zitten zo’n 4.000 moslims. De overgrote meerderheid is absoluut niet vatbaar voor radicale ideeën, velen zijn zelfs nauwelijks bezig met hun religie. Maar 1 procent van 4.000, dat maakt nog altijd een hoop potentiële terreurcellen’.

halal maaltijden

 Geens’ actieplan viseert zowel actieve als passieve geradicaliseerden, rekruteerders en volgers. In de praktijk valt de doelgroep evenwel moeilijk te omschrijven. Ons land telt momenteel een negentigtal terro-gedetineerden. Versta daaronder veroordeelden van recente terrorismeprocessen tegen groepen zoals Sharia4Belgium, maar ook arrestanten in lopende terreuronderzoeken en teruggekeerde Syriëstrijders die in voorhechtenis zitten. Het laat zich raden dat deze groep op de eerste rij staat om de speciale afdelingen in Hasselt en Ittre te bevolken. Toch is het niet zo simpel, laat het kabinet van justitieminister Geens weten. Woordvoerder Sieghild Lacoere: ‘Terro-gedetineerden die geen besmettingsrisico vormen kunnen in principe in een normaal gevangenisregime verblijven. Omgekeerd is het perfect denkbaar dat ‘gewone’ criminelen radicaliseren, waardoor we ze van de reguliere populatie moeten isoleren. Alles zal afhangen van de individuele risico-taxatie die met de grootste zorgvuldigheid moet gebeuren’.

De wet verbiedt gevangenen naar religieuze of filosofische overtuiging te registreren. 4.000 moslims op 11.000 gedetineerden is dan ook een ruwe schatting, onder meer gebaseerd op de bestellingen van halal-maaltijden. ‘Het varieert nogal’, zegt een ervaren cipier die zijn naam liever niet prijs geeft. ‘’In Sint-Gillis zijn het er wel 75 procent, in Brugge tussen de 30 en de 40 procent’.  De vraag is hoe vatbaar die zijn voor radicalisering. De cipier, een man die verschillende gevangenissen van binnenuit kent, wil niet dramatiseren. ‘We zien inderdaad dat meer moslims hun geloof openlijk belijden. De ramadan wordt intenser beleefd, de voorbidder krijgt ’s avonds meer respons dan pakweg 15 jaar geleden. Daar is niks mee, ze hebben ook niks anders om handen. In een gevangenis zoals Sint-Gillis mag je dat laatste letterlijk nemen. Uit protest tegen de overbevolking en het personeelstekort hebben de vakbonden meer dan een jaar geleden besloten alle extra activiteiten schrappen’.

Fouad Belkacem

Geen vuiltje aan de lucht? Dat zal niemand beweren. De gevangenis van Andenne werd in juni 2013 door woedende moslimgedetineerden kort en klein geslagen. Geen primeur, want in november 2011 brak in dezelfde gevangenis een soortgelijk pandemonium uit. Aanleiding was telkens het uitvaardigen door de directie van interne regels die het bidden tijdens de wandeling en op de gang aan banden legden. ‘Ook in Antwerpen heeft dat al tot problemen geleid’, zegt de cipier. ‘Zoiets wordt altijd aangestoken door een of meerder leiders. Daarom proberen we kort op de bal te spelen. Ik herinner me een jonge gast die ineens zijn baard liet staan en zich anders ging gedragen. Bleek dat hij zich liet opstoken door zijn buurman, een echte fundamentalist. We hebben die twee uit elkaar gehaald, en die jongen is binnen de kortste keren bijgedraaid. Ook een veeg teken: gedetineerden die ineens weigeren om bevelen van vrouwelijke cipiers te krijgen. Radicale elementen sluiten we bij voorkeur niet op in een isoleercel met zicht op de wandeling. Ook al mogen ze zelf niet deelnemen, toch proberen ze de anderen te intimideren. Jij daar, waarom bid je niet mee? Waarom was je niet op het vrijdaggebed? Fouad Belkacem was zo’n geval, die had ook een echte entourage. Intussen is hij gekalmeerd, maar in het begin hebben ze hem een paar keer moeten isoleren’.

Fouad Belkacem had een entourage van epigonen in de gevangenis

Fouad Belkacem had een entourage van epigonen in de gevangenis

Volgens de cipier staan zijn collega’s overwegend positief tegenover het plan Geens. ‘Op voorwaarde dat er voldoende middelen worden vrijgemaakt zodat de werkdruk niet nog meer toeneemt’, nuanceert hij. ‘Maar op zich zijn die speciale afdelingen een goed idee, ook voor onze eigen veiligheid. De toevloed van terro-gedetineerden zorgt immers voor enorme stress. Heel wat   van die kerels zit nu reeds in speciale veiligheidsregimes, wat onder meer inhoudt dat ze individueel moeten wandelen. Iedere beweging gaat meet zware veiligheidsprocedures gepaard, voor sommigen moet de hele vleugel worden stilgelegd als ze uit hun cel worden gehaald’.

islamconsulenten

Het plan Geens kent een grote rol toe aan de islamconsulenten, zowel voor de preventie als het eigenlijke deradicaliseren. Momenteel staan er voor gans België 18 voltijdse equivalenten op de betaalrol van Justitie. In Vlaanderen werken zeven moslimaalmoezeniers, plus twee vrouwen die deeltijds meedraaien in de vrouwengevangenissen van Antwerpen en Hasselt. Ter vergelijking: Vlaanderen telt 23 officieel benoemde katholieke gevangenisaalmoezeniers, plus tientallen vrijwilligers die aan gevangenispastoraal doen. Dat er een tekort is aan islamconsulenten _ er zijn ook nauwelijks vrijwilligers _ staat als een paal boven water. ‘In Brugge bijvoorbeeld zie je ze nooit’, zegt de cipier. ‘Alleen tijdens de ramadan komt er wel eens iemand om het vrijdaggebed te leiden’.

Volgens het plan Geens moest het aantal benoemde islamconsulenten al tegen eind 2015 tot 25 worden opgetrokken, maar de rekrutering loopt vertraging op. Die heeft onder meer te maken met de moeizame hervorming van de Belgische Moslimexecutieve, het orgaan dat de islamconsulenten selecteert en voordraagt aan de minister van justitie die ze, na screening door de Staatsveiligheid, benoemt. Maar ook de lat ligt een stuk hoger. Teveel islamconsulenten zijn immers in hetzelfde bedje ziek als de imams. Laag geschoold, beperkte theologische kennis, sommigen spreken onvoldoende Nederlands of Frans om zelfs maar het interne gevangenisreglement te lezen. Geens wil dat de Moslimexecutieve de reeds benoemde islamconsulenten evalueert  en bijschoolt, en voor de nieuwkomers een strengere selectieprocedure uitdoktert. Op termijn zullen moslimconsulenten, net zoals erkende imams, een diploma Islamitische Theologie moeten voorleggen, bij voorkeur behaald aan een Belgische Universiteit. Bedoeling is de beste krachten nauw te betrekken bij het deradicalisering van zware gevallen in Hasselt en Ittre.

Laatste Oordeel

Saïd Aberkan, hoofd-islamconsulent Vlaanderen, is een van de architecten en tegelijkertijd uitvoerders van het hervormingsplan. Gebrek aan scholing is wel het laatste wat je deze 36-jarige Antwerpenaar met Marokkaans-Berberse roots kunt verwijten. Aberkan behaalde een master aan de Islamitische Universiteit Rotterdam, een tweede masteropleiding interreligieuze dialoog aan de Leuvense faculteit theologie is bijna afgerond. In zijn geval kan men van een roeping spreken. Aberkan, als kind gefascineerd door voorbidders in de moskee, ontpopte zich op jonge leeftijd tot een kampioen Koran-reciteren. Op zijn 16de trok hij naar het befaamde Islamic Institute in het Engelse Dewsbury, daarna heeft hij in verschillende Arabische landen gestudeerd.

Aberkan, lesgever interne vorming bij de Moslimexecutieve, in zijn schaarse vrije tijd rondreizend imam, pleit voor een gematigde, rationele islam. Die visie draagt hij ook als aalmoezenier in de gevangenis van Antwerpen uit. ‘Ik praat met iedereen, ook terro-gedetineerden en teruggekeerde Syrië-strijders. Vaak zijn dat jongens met een heel beperkte kennis van hun religie, ze kennen alleen een paar uit hun verband gerukte verzen die hun radicale overtuiging lijken te ondersteunen. Velen koesteren bovendien een verkeerd concept van berouw. Ze hebben in hun verleden zware misstappen begaan, en zijn bang voor het Laatste Oordeel. Om onze fouten uit te wissen, redeneren ze, moeten we ons leven aan God geven. Een heel kleine minderheid gaat daar erg ver in, tot en met het doden van ongelovigen toe. Als islamtheoloog kan ik die verkeerde denkbeelden gemakkelijk doorprikken. Ik kan de koran en de Hadith wel correct citeren en verzen in hun juiste context plaatsen. Daar win je veel respect mee’.

moslimaalmoezenier Saïd Aberkan

moslimaalmoezenier Saïd Aberkan

nepradicalen

Over concrete gevallen mag en wil hij niet praten, beroepsgeheim. ‘Maar ik heb er al zien bijdraaien in de gevangenis. Een gewezen Syrië-ganger overwoog zelfs na zijn vrijlating als pentiti te getuigen voor jongeren. Uiteindelijk heeft hij dat toch maar niet gedaan. Bang voor zijn kansen op de arbeidsmarkt, maar ook voor represailles’. Aberkan waarschuwt voor overdreven paniek. Niet elke vrome moslim is een salafist, en niet elke salafist een strijdbaar jihadist. ‘Maar ik begrijp de bekommernis over radicalisering’, zegt hij. ‘Directies moeten alert zijn. Als islamconsulent hebben we een vertrouwensrelatie met gedetineerden, we zijn geen informanten. Maar we gaan soms wel op vraag van de directie of de cipiers praten met probleemgedetineerden, een manier om conflicten te voorkomen of te ontmijnen. Neem nu de wrevel over gebedstijden, een oud zeer. Het moet echt niet op de gang of tijdens de wandeling. Van cipiers nemen ze dat niet aan, van mij wel. Ik heb intussen ook ervaring met het ontmaskeren van nepradicalen, gedetineerden die hun religie misbruiken om zich als leidersfiguur op te werpen. Voorbidden tijdens de wandeling is een van de trucs. Ze spreken weliswaar geen Arabisch en kennen niks van de Koran, maar dat weten ze handig te verdoezelen door gebeden te selecteren die niet hardop worden gereciteerd maar half binnensmonds worden gepreveld. Als theoloog is het een koud kunstje om zo iemand op zijn plaats te zetten’.

Nuttig werk, maar slecht betaald. Het plan Geens stelt echter een beter statuut en verloning in het vooruitzicht. ‘Een eis die al meegaat sinds de eerste islamconsulenten in 2007 werden benoemd’, zucht Aberkan. ‘Alle vorige ministers van justitie hebben daar beloftes over gedaan, om die nadien om budgettaire redenen weer in te trekken. Ik hoop dat het deze keer wel gebeurt, want zonder beter statuut is het plan om meer islamconsulenten aan te trekken, tot mislukken gedoemd. Welke hooggeschoolde moslim wil nog werken voor 16.000 euro per jaar, verplaatsingskosten inbegrepen? Mijn collega’s in Nederland verdienen dubbel zoveel’.

maximum security

De rekrutering van moslimaalmoezeniers is niet het enige onderdeel dat stroef loopt. Ook de ingebruikneming van de speciale afdelingen in Hasselt en Ittre, voorzien voor december 2015, laat op zich wachten. De oorzaak is merkwaardig genoeg van communautaire aard. Hasselt is helemaal klaar, de cellen en gemeenschappelijke ruimten zijn ingericht, het personeel aangeworven en opgeleid. Zolang echter Ittre, waar de werving en training aanslepen, niet opengaat, blokkeren de Vlaamse vakbonden de opening van Hasselt. ‘We willen geen herhaling van het scenario Lantin’, zegt Gino Hoppe, justitie-verantwoordelijke bij het socialistische ACOD. ‘In Lantin hebben gevangenen de hoge veiligheidsafdeling tijdens een opstand gesloopt. Ze werd nooit heropgebouwd, en sindsdien zitten nagenoeg alle hoog risico-gedetineerden in Brugge, de enige gevangenis met een maximum security-afdeling in ons land.  Niet ideaal voor Franstalige gedetineerden, maar vooral rampzalig voor het personeel dat  de druk niet meer aankan’.

Daar had Omar Ramadan in zijn adviesverstrekking vast geen rekening mee gehouden. De urgentie van deradicalisering ligt nochtans voor de hand, vindt de coördinator van het Radicalisation Awareness Network. ‘Niets doen is geen optie. Straffen pakken altijd minder lang uit dan het Openbaar Ministerie vraagt en het publiek wenst. Ook ex-jihadisten keren  vroeg of laat terug naar de maatschappij’.

 

(bij dit dossier hoort ook nog volgend kaderstuk)

Advocaat Jürgen Millen: ‘Ik verwacht problemen met Straatsburg’

Niet iedereen is enthousiast over de aanpak van radicalisering in de Belgische gevangenissen. Jürgen Millen, advocaat van verschillende terro-gedetineerden, ziet zowel principiële als legale bezwaren.

Millen: ‘Ik heb grote twijfels bij die speciale afdelingen. Bedoeling is er niet alleen veroordeelden maar ook mensen in voorlopige hechtenis op te sluiten. Dat is op zich al problematisch: wat met het vermoeden van onschuld? Het systematisch isoleren van gedetineerden staat bovendien op erg gespannen voet met de Basiswet die de rechten van gedetineerden vastlegt. Het is overigens zeer de vraag of dit systeem een toetsing door het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg zal doorstaan’.

hoezo?

Millen: ‘Terro-gedetineerden worden in extreme veiligheidsregimes geïsoleerd, zonder dat ze daartegen in beroep kunnen gaan. Dat gebeurt op basis van een niet-publieke omzendbrief die lijnrecht ingaat tegen de bepalingen in de Basiswet. Daar staat immers in dat gedetineerden altijd over een effectief rechtsmiddel moeten kunnen beschikken, maar helaas is die bepaling tot dusver dode letter gebleven. Dat is volgens mij in strijd met het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en de rechtspraak van Straatsburg. België is daar trouwens al een paar keer zwaar voor veroordeeld in Straatsburg, onder meer in de zaak Farid Bamouhammad (nvdr Farid Le Fou)’.

terrorisme is een reëel gevaar. Logisch toch dat men met risico-gedetineerden maximale voorzorgsmaatregelen neemt?

Millen: ‘Als dat de remedie zou zijn, dan vrees ik dat ze de kwaal alleen maar kan verergeren. In principe moet het initiatief om iemand onder een extreem veiligheidsregime te plaatsen, van de gevangenisdirectie uitgaan. In de praktijk echter zien we dat het ministerie van justitie aan de directies verplicht om deze regimes op te leggen. Zodra een verdachte binnenkomt, volgt er meteen een bevel vanuit Brussel om hem te isoleren. Eerst vier keer zeven dagen, nadien telkens voor één of twee maanden, een termijn die routinematig wordt verlengd’.

– is concentreren geen manier om uitbreiding van radicaliseren te voorkomen?

Millen: “Ik denk niet dat het isoleren laat staan concentreren van gedetineerden die het etiket van geradicaliseerd hebben opgeplakt gekregen, het correcte antwoord is. Juist door dialoog en spreiding van dit soort gedetineerden kun je resultaat boeken. Vergelijk het met een leraar op school. Een probleemleerling in de klas, die kan hij nog bijsturen. Maar wat als er twintig van die probleemleerlingen in zijn klas zitten? Daar valt geen land mee te bezeilen. En waar ik me vreselijk aan erger: de focus ligt uitsluitend op terrorisme met een religieuze inslag, terwijl het gevaar ook uit andere richtingen, zoals racistische groupuscules, kan komen aanwaaien’.

 

 

 

hoe ontmantel je een kerncentrales?

dossier van Jan Lippens & Erik Raspoet, verschenen in Knack, 5 februari 2016

Het draaiboek ontmanteling Doel 1 en Doel 2 lag helemaal klaar toen de regering-Michel met ENGIE-Electrabel het nucleair akkoord sloot over de verlengde levensduur van de centrales. Uitstel maar geen afstel voor de grootste sloopoperatie uit de Belgische industriële geschiedenis. Voor 6,2 miljard euro verandert de NV Afbraakwerken Electrabel de nucleaire sites van Doel en Tihange in een greenfield. Vanaf 2022, tenzij er nogmaals uitstel komt. ‘Een kerncentrale kan best tachtig jaar mee’.

 

binnen 20 jaar blijft alleen nog de windmolen over. Tenzij...

Doel: binnen 20 jaar blijft alleen nog de windmolen over. Tenzij…

De torens van Doel, iemand zou er een stadsgedicht moeten over schrijven. Veel meer dan de Boerentoren en de Kathedraal domineren ze hun omgeving. Zeelui begroeten de 170 meter hoge tweeling als oude bekenden. Eens de kerncentrale op Linkeroever gepasseerd, ligt het dok om de bocht. Het wordt wennen, maar straks zijn de imposante koeltorens met hun witte waterdamppluimen weg. Ook de hele centrale met haar vier kernreactoren en bijbehorende installaties zal op een dag niet meer dan een herinnering zijn. Wat er dan precies met de 80 hectaren van de nucleaire site zal gebeuren, daarover kan eigenaar Electrabel nog geen uitsluitsel geven. Misschien wordt het een natuurgebied met slikken en schorren, zoals het aanliggende Verdronken Land van Saeftinhge. Misschien kiest men voor landbouwgrond, of toch weer een industriezone. Het einddoel van de ontmanteling is alleszins duidelijk: de kerncentrale van Doel zal, net zoals die van Tihange, in een greenfield worden herschapen, zonder beperkingen voor herbestemming.

Plutonium

Abrupt zal de overgang niet verlopen. Volgens de huidige stand van zaken, na het nucleair akkoord dat de regering eind november met Electrabel afsloot, valt op 1  oktober 2022 Doel 3 als eerste reactor stil. Een jaar later wordt Tihange 2 definitief afgeschakeld, de overige vijf eenheden volgen in de loop van 2025. Het stopzetten van Doel 3 wordt meteen de start voor een waar ontmantelingsoffensief dat minstens 20 jaar zal duren. Met een beetje meeval zijn beide sites tegen 2045 tot de laatste morzel beton ontmanteld en kan er worden gepicknickt op de plek waar decennialang stroom werd geproduceerd uit uranium en plutonium.

Head of Nuclear Liabilities, staat op het kaartje dat Geert Backaert ons op het Electrabel-hoofdkwartier overhandigt. Zijn dienst was betrokken bij het studiewerk waarmee ENGIE, de nieuwe naam van de Franse moederholding GDF-SUEZ, voor de levensduurverlenging van Doel 1 en 2 lobbyde. Kennelijk stond dat politieke succes toch niet in de sterren geschreven. Backaert was immers ook de man die tegelijkertijd alles in gereedheid bracht om onverwijld aan de ontmanteling van de 40 jaar oude reactoren te beginnen. Ter herinnering: Doel 1 werd op 15 februari vorig jaar stilgelegd, zoals voorzien in de wet op de kernuitstap van 2003 die pas eind november werd herroepen. ‘Normaal gezien waren we nu al volop bezig’, zegt Backaert. ‘Nog niet aan de echte ontmanteling, eerst moesten we alle splijtstof uit de reactor evacueren en de installaties ontsmetten, een klus die toch gauw drie tot vier jaar vergt. In die overgangsperiode moesten we bij het NIRAS een definitief ontmantelingsplan indienen en bij het FANC een ontmantelingsvergunning aanvragen. De ontmantelingsplannen voor Doel 1 en 2 lagen overigens al maanden klaar’.

Toch werden die nooit bij het NIRAS, in België exclusief bevoegd voor stockage en berging van radioactief afval, ingediend. Groen-kamerlid en energiespecialist Kristof Calvo heeft daar meermaals over geïnterpelleerd. Volgens Calvo, daarin bijgetreden door het NIRAS, moesten de plannen uiterlijk drie jaar voor de stopzetting worden ingediend. In 2012 dus, gelet op de voorziene sluitingsdatum van Tihange 1, Doel 1 en 2. ‘Een foute interpretatie van de wet’, zegt Bacquaert. ‘Het FANC heeft onze visie bevestigd: niet het moment van de stopzetting van de stroomproductie is van belang, wel het verstrijken van de exploitatievergunning. Die blijft geldig zolang er nog splijtstof in de reactor aanwezig is. 2019 was altijd onze streefdatum voor de start van de ontmanteling. We lagen dus perfect op schema om onze plannen bij het NIRAS in te dienen’.

 SAFESTORE

Achteraf bekeken lijkt het een storm in een glas water. De levensduurverlenging van Doel 1 en 2 _ Tihange 1 kreeg al in maart 2014 van de regering-Di Rupo uitstel van executie _ maakte een einde aan de interpretatiestrijd. De polemiek illustreert echter perfect dat de ontmanteling van kerncentrales behalve een technische en financiële titanenklus ook een juridisch en bureaucratisch kluwen is. Een halve meter papier plus cd-roms en usb-sticks met powerpoints, zo moeten we ons het ontmantelingsplan voor Doel 1 en Doel 2 voorstellen. ‘Dat werk is niet verloren’, zegt Backaert. ‘Natuurlijk zullen we tegen 2025 moeten actualiseren. In tien jaar kan er veel veranderen. De technologie, maar vooral de regelgeving en de economische realiteit. Actualiseren, dat doen we hier voortdurend. De wet verplicht ons immers om de drie jaar een globaal ontmantelingsplan voor het complete park van zeven reactoren aan het NIRAS voor te leggen, met een kostenraming en technisch stappenplan per site. Dat is al behoorlijk gedetailleerd, maar de definitieve ontmantelingsplannen gaan uiteraard veel verder’.

Aan buitenlandse voorbeelden ontbreekt het niet. Volgens het Wereld Nucleair Forum worden momenteel 110 commerciële kernreactoren ontmanteld, naast een veelvoud van kleine onderzoeksreactoren. Alleen al in de VS zijn op dit moment 19 reactoren van verschillende generaties, types en vermogens in decommissioning. Meestal wordt gekozen voor de SAFESTORE-aanpak: de splijtstof wordt verwijderd en in speciale opslagvaten op de eigen site of die van een andere kerncentrale bewaard. Daarna wordt het gebouw dichtgemetseld en begint het lange wachten. Vermont Yankee, een 620 megawatt kokendwaterreactor (BWR) uit 1972 die twee jaar geleden werd stilgelegd, zal pas tegen 2073 volledig ontmanteld zijn. Ook termijnen van 70 jaar komen voor, zo blijkt uit het overzicht van de US Nuclear Regulatory Commission. Voordeel van deze aanpak: als de ontmanteling echt begint, is de radioactiviteit in het reactorgebouw tot een minimum herleid. Ook in het Nederlandse Dodewaard wordt die strategie gevolgd. De 58 megawatt BWR, in de jaren zestig als onderzoeksreactor gebouwd, leverde tot 1997 stroom. In dat jaar veranderde Dick Kers van functie. In plaats van diensthoofd chemie werd hij site manager, belast met de ontmanteling van de centrale. De 55-jarige ingenieur hoopt het er nog bij te zijn wanneer in 2045 met de definitieve ontmanteling wordt begonnen. Met een beetje geluk maakt hij het nog mee wanneer het terrein nog eens tien jaar later aan de natuur wordt teruggegeven, als weideland in de uiterwaarden van de rivier de Waal. ‘Ik spreek liever niet van SAFESTORE’, zegt Kers. ‘Dat concept komt uit Amerika, waar heel andere regels gelden. Ze bewaren de splijtstof op de eigen site, sluiten de gebouwen af en lassen erg lange wachttijden in. Bij onze aanpak wordt de splijtstof naar een opwerkingsfabriek afgevoerd. Veilige insluiting, zoals dat heet, duurt minder lang maar vergt anderzijds een actiever beheer. Ik heb twee collega’s om het gebouw te bewaken en te onderhouden. Ventilatiefilters vervangen, stralingsniveaus monitoren, er komt heel wat bij kijken. Gras maaien en schoonmaken in de controlekamer laten we aan onderaannemers over’.

Kalkar

zo kan het dus ook: Kalkar-Duitsland, van Kerncentrale tot pretpark (foto: Wikipedia)

Gidsland Duitsland

‘SAFESTORE is niet onze keuze’, zegt ingenieur Backaert. ‘Ons globaal plan gaat al vanaf de eerste versie uit van DECON, zeg maar directe ontmanteling. Al moeten we direct wel met een korrel zout nemen. Met de voorbereiding en vergunningsaanvragen inbegrepen, rekenen we toch op minstens 15 jaar per reactor’. Niet Amerika, wel Duitsland is voor Electrabel het gidsland inzake decommissioning. Ervaring zat bij onze Oosterburen die na de kernramp van Fukushima in 2011 beslisten om tegen 2022 alle nucleaire centrales te sluiten, een koerswijziging die ze hard maakten door onmiddellijk alle voor 1980 gebouwde reactoren stil te leggen. Het gaat om acht eenheden, de vergunningsaanvragen voor de ontmanteling zijn binnen. Vijf andere reactors verkeren in verschillende uitvoeringsstadia, terwijl negen sites al werden vrijgegeven, wat betekent dat er geen stralingsmonitoring meer nodig is op terreinen waar decennialang kernenergie werd opgewekt.

Volgens Gerhard Schmidt, specialist nuclear decommissionning aan het Darmstadt Öko Institut, kost het tussen 8 en 15 jaar om een reactor te ontmantelen. Technische ervaring en kwaliteit van projectmanagement bepalen de snelheid, maar het draaiboek ligt vast. Altijd eerst de fuel, goed voor 99 procent van de radioactiviteit, evacueren. Vervolgens gebouwen decontamineren, installaties afbreken, het binnenwerk van het reactorvat verwijderen, daarna volgen het vat en het betonnen omhulsel, het zogenaamde biologisch schild. Rest alleen nog de afbraak van de gebouwen, wat weinig meer om het lijf heeft dan een routineuze sloopoperatie. ‘Het grote voordeel van DECON is de beschikbaarheid van expertise’, aldus Schmidt. ‘Als je veertig jaar wacht zoals in Amerika, zijn alle ingenieurs die de centrale kennen al lang dood of met pensioen. Bij onmiddellijke afbraak kun je wel de nodige technici en specialisten aan boord houden. In feite zie ik in SAFESTORE niks dan nadelen. De kosten zijn veel moeilijker te beheersen, en zelfs het argument van het lagere stralingsniveau snijdt geen hout meer. Alle stralingsgevoelige afbraakwerken gebeuren tegenwoordig met afstandsbediende robots’.

Duitse operatoren moeten hun ontmantelingsplannen technisch en financieel door een gespecialiseerd ingenieursbureau laten doorrekenen. De bekendste naam is NIS-Siempelkamp, het bureau dat ook door Electrabel wordt ingeschakeld bij de verplichte, driejaarlijkse update van het globale ontmantelingsplan. Er zal aan de volgende versie flink geschaafd moeten worden. In vorige edities zat een gat van tien jaar tussen de ontmanteling van Doel 1 en 2 en de andere reactoren, tijd die Electrabel dankbaar kon gebruiken om ervaring op te doen. ‘Door de levensduurverlenging schuift alles in elkaar’, zegt Backaert. ‘Het wordt secuur plannen. Naast de knowhow binnen de groep zullen we ook hooggespecialiseerde onderaannemers moeten inhuren. Die kunnen niet altijd op twee op drie plaatsen tegelijkertijd werken’. Human resources was een belangrijk onderdeel in het definitieve maar alsnog voorbarig gebleken ontmantelingsplan Doel 1 en Doel 2. Een deel van het personeel zou naar Doel 3 en 4 migreren, anderen werden bij de ontmanteling ingezet. Die tweedeling moet in principe binnen tien jaar niet meer worden gemaakt. ‘Na 2022 wordt ENGIE-Electrabel een ander bedrijf’, zegt Backaert. ‘Op groepsniveau blijft stroomproductie de core business, maar de medewerkers van onze kerncentrales zullen geen elektriciteit meer maken maar installaties afbreken’.

Eurochemic

Zeggen dat er in België geen precedenten bestaan, is overdreven. De BR3, een van de kleine onderzoeksreactoren van het Studiecentrum Kernenergie (SCK) in Mol, werd in 1988 stilgelegd. De ontmanteling begon pas 14 jaar later en duurde tot 2011. ‘Pionierswerk’, zegt vicedirecteur Frank Hardeman. ‘De ontmanteling maakte deel uit van een Europees onderzoeksproject. Snelheid was geen doel op zich. We hebben er veel van geleerd, kennis die we bij projecten in binnen- en buitenland hopen te verzilveren’. Een soortgelijk verhaal tekenen we op bij Belgoprocess in Dessel waar de opwerkingsfabriek Eurochemic werd ontmanteld. De fabriek, in 1966 opgestart als Europees samenwerkingsproject, viel door onenigheid tussen de deelnemende landen al in 1974 stil. In die korte periode werden in Dessel revolutionaire opwerkings- en conditioneringstechnieken voor nucleair afval zoals verglazing, pyrolyse en bitumering op punt gesteld. Die technologie vond vlot haar weg naar het buitenland, maar België bleef met het nucleair passief achter. Belgoprocess, de opvolger van Eurochemic dat op zijn beurt onder de vleugels van het NIRAS opereert, heeft er bijna 25 jaar over gedaan om het dertig meter hoge gebouw te ontmantelen. Kostprijs: 210 miljoen euro, een bedrag dat we met zijn allen via een heffing op onze stroomfactuur aan het afbetalen zijn. Dat zou ons voor de ontmanteling van de kerncentrales van Electrabel niet mogen overkomen. Maar wie zal dan die grootste Belgische sloopoperatie ooit betalen, en vooral: wat zal het kosten?

Synatom moet de factuur betalen. De naamloze vennootschap beheert de zogenaamde nucleaire provisies waarmee ten gepasten tijde de afbraak van de centrales zal  gefinancierd worden. De bijdragen aan dit fonds komen van Electrabel en in veel mindere mate van EDF-Luminus, kleinaandeelhouder in de Belgische kerncentrales. Goed om weten: Electrabel is voor de volle 100% eigenaar van Synatom, één aandeel van de Belgische staat niet te nagesproken. Het geld van Synatom is dus ook het geld van Electrabel. Broekzak-vestzak? Raar. ‘Helemaal niet raar’, zegt Robert Leclère, CEO van Synatom, ‘want dat is zo voorzien in de wet op de nucleaire provisies’.

6,2 miljard

Electrabel heeft een schatting gemaakt van de te verwachten kosten voor de afbraakwerken. Die raming moet als onderdeel van het ontmantelingsplan om de drie jaar geactualiseerd worden en is gebaseerd op het volume afbraakmateriaal, het benodigde personeel, het aantal manuren per soort materiaal, enzovoort. Praktijken zoals in Amerika, waar reactorvaten in hun geheel uit de centrale worden gelicht en diep in de woestijn van Utah worden begraven, zijn hier onmogelijk. Backaert: ‘Bij ons is de vraag meer of je een reactorvat in stukken van een vierkante meter groot snijdt, dan wel of je alles bij Niras in postzegelformaat moet aanleveren. Een detail, maar wel met grote gevolgen voor de kostprijs. De regelgeving daaromtrent is vandaag nog niet helemaal duidelijk. Alleszins komt het erop aan de nucleaire afvalstroom zoveel mogelijk te beperken. Daar bestaan technieken voor, zoals het afschrapen van betonwanden. Alleen de oppervlakte aan de binnenzijde is besmet, de rest hoeft niet in de radioactieve afvalstroom’.

Volgens de jongste raming van Electrabel zal er voor alle centrales samen in totaal 6,265 miljard euro nodig zijn. Dat zou de eindfactuur zijn tegen pakweg 2045. Dat geld is er vandaag niet. Leclère: ‘Indien we vandaag de hele ontmanteling in één keer zouden bestellen en betalen, hebben we 4,7 miljard euro nodig. Dat is uiteraard allemaal fictie, want de centrales zullen nog jaren draaien. Het is de opdracht van Synatom om onze reserves via beleggingen te laten aangroeien tot uiteindelijk 6,2 miljard’.

Of dat zal volstaan, kan eigenlijk niemand voorspellen. In Nederland rekent men voor de centrale van Dodewaard op 180 miljoen euro en in Borssele moet men tegen de sluiting in 2034 zo’n 491 miljoen aan de kant hebben. Het verwerken van de splijtstof is in die bedragen niet begrepen. De ontmanteling van de in 1994 afgeschakelde Duitse Kernkraftwerk Würgassen kostte uitbater E.ON liefst een miljard euro. Tien jaar later kostte de afbraak van de bijna identieke centrale in Stade nog de helft. Technologische vooruitgang en ervaring kunnen dus de prijs drukken. Toch berekenden experts van het Öko-Institut Darmstadt dat ontmanteling altijd rond de 750 miljoen kost, wat ook de omvang van de centrale is.

W-133.06-DW-LG

 

Broekzak-vestzak?

In het Synatom-ontmantelingsfonds zit vandaag ongeveer 3,3 miljard. Daarnaast hebben Electrabel  en EDF al zo’n 4,7 miljard in een tweede Synatom-fonds gestort voor de afvoering en verwerking van bestraalde splijtstof. In totaal dus 8 miljard, een aardig bedrag dat met de nodige voorzichtigheid moet worden belegd. Volgens de wet mag Synatom daarbij tot driekwart van dat geld weer uitlenen om rente te incasseren. Dat gebeurt ook: Synatom heeft 5,8 miljard uitgeleend aan… Electrabel. Wat het bedrijf daarmee doet, is zijn zaak. De lening is niet gebonden aan voorwaarden zoals bijvoorbeeld investeringen in hernieuwbare energiebronnen. Electrabel moet als exploitant van de kerncentrales de miljarden aan Synatom betalen om de latere afbraak te financieren, maar krijgt dus wel driekwart van dat geld meteen terug als lening van Synatom. Ook dat lijkt broekzak-vestzak. ‘Nee’, zegt Leclère, ‘want Electrabel betaalt Synatom elke drie maand 4,8 procent intrest op dat bedrag’.

Die 4,8 procent is de zogenaamde actualisatievoet die om de drie jaar wordt vastgelegd door de Federale Commissie voor Nucleaire Voorzieningen binnen Synatom. Dat rendement heeft Synatom vandaag nodig om haar kapitaal op termijn tot die 6,2 miljard te laten aangroeien. We leven al enkele jaren met historische lage rentevoeten. Waarom betaalt Electrabel dan die torenhoge rente als het veel goedkoper miljarden zou kunnen lenen bij de banken? Leclère: ‘We hanteren vergelijkbare tarieven als in onze buurlanden Frankrijk en Duitsland. Als Electrabel goedkoper zou lenen bij de bank en Synatom daardoor onvoldoende provisie zou kunnen aanleggen, dan moet Electrabel uiteindelijk toch dat verschil bijpassen. Dat is de wet’. De topman van Synatom wijst er nog op dat ook die actualisatievoet geregeld wordt aangepast. ‘Drie jaar geleden was de rente zelfs 5 procent en eind dit jaar wordt ze opnieuw berekend.’

Codenaam Bianca

Experts wijzen er op dat het grote voordeel voor Electrabel is dat het alleen die intrest en geen kapitaal terugbetaalt. Dat kapitaal komt pas aan het einde van de rit, bij de effectieve afbraak van de centrales. Als Electrabel dan nog bestaat, want het gaat niet zo goed in de sector. Engie-topman Gérard Mestrallet wees er eind vorig jaar zelf op dat ‘de elektriciteitsbedrijven tot 2008 tot de meest rendabele in Europa behoorden, maar nu is de situatie totaal omgekeerd‘. Toch is Leclère er gerust op: ‘Een bedrijf gaat niet van de ene op de andere dag failliet. Synatom controleert permanent of alle bedrijfseconomische ratio’s van Electrabel gunstig blijven. Het bedrijf moet ook altijd minstens een rating BBB+ hebben van de internationale ratingbureaus. Als die rating zakt, kan de Federale Commissie voor Nucleaire Voorzieningen de graduele terugbetaling van het kapitaal eisen’. Geruststellend, maar toch. BBB+ is in de financiële sector geen topkwaliteit zoals A-ratings, maar zogenaamd ‘aanvaardbare kwaliteit’ (lower medium grade).

Moederbedrijf ENGIE heeft grote plannen. In de VS zou de groep een aantal centrales afstoten en ook de activiteiten in de Benelux zouden worden afgesplitst en apart naar de beurs gebracht. Met andere woorden, Electrabel zou dan niet meer onder de grote paraplu van multinational ENGIE schuilen. Mestrallet bevestigde dat zo‘n plan, met codenaam Bianca, wordt onderzocht. Experts vrezen dat Electrabel met dat scenario wel eens een heel stuk minder kredietwaardig zou kunnen worden. En wie draait dan op voor de ontmantelingskosten? De belastingbetaler? Leclère is formeel: ‘De belastingbetaler loopt geen risico, ook niet als er lijken uit de kast zouden vallen bij de ontmanteling. Electrabel zal moeten bijpassen.’

nieuwe levensduurverlenging

Intussen heeft het Niras een vergunningsaanvraag  lopen voor de bouw in Dessel van een bovengrondse categorie A-berging voor laag-en middelactief, kortlevend afval. De capaciteit van 70.000 kuub moet volstaan om al het in België geproduceerde afval, uit het verleden zowel als de toekomst, te bergen. 60 procent daarvan is voor het puin van de zeven kernreactors bestemd. Langlevend afval, een tiende van de nucleaire stroom, wordt tijdelijk gestockeerd in afwachting van geologische berging in de Kempense klei. Wat er met de splijtstof moet gebeuren, is nog onduidelijk. Sinds 1993 liggen de opgebruikte, hoogradioactieve uranium en MOX-staven op de sites van Tihange en Doel te wachten op een politieke beslissing. Ondergronds bergen of opwerken tot nieuwe brandstof zijn de opties die het NIRAS na 20 jaar tot op het bot heeft onderzocht. ‘Tegen 2022 moet er écht een beslissing komen’, zucht directeur Jean-Paul Minon. Het mag duidelijk zijn waarom het NIRAS de driejaarlijkse ontmantelingsplannen van Electrabel niet alleen technisch maar ook financieel evalueert. De berging en conditionering van de immense afvalstroom weegt gigantisch zwaar in het totale kostenplaatje.

Het laatste woord ligt evenwel bij het FANC. Pas als de nucleaire waakhond officieel bevestigt dat alle radioactiviteit is verdwenen, worden de ontmantelde sites voor herbestemming vrijgegeven. Dromen van extra natuur of landbouw op Linkeroever mag, maar Niras-topman Minon voorspelt nu al een grote vraag naar industrieterreinen in de haven. Koffiedikkijken, dertig jaar is lang. Best mogelijk dat tegen dan een erfgoedcomité met succes ijvert voor de bescherming van een van de koeltorens. Best mogelijk ook dat al het voorgaande puur speculatief is omdat er tegen 2022 tussen regering en Electrabel een nieuwe nucleaire deal met levensduurverlenging wordt gesloten. ‘In Amerika wordt drievierden van de kerncentrales tot 60 jaar verlengd’, zegt Synatom-baas Leclère. ‘Dat België initieel voor 40 jaar koos, was een politieke keuze. In de Verenigde Staten is kernenergie geen politiek thema, daar is men nu studies aan verrichten om centrales 80 jaar te laten draaien. Technisch is dat geen enkel probleem. De meeste verlengingen worden trouwens niet voor tien maar voor twintig jaar gegeven, zoals ook in het Nederlandse Borssele is gebeurd.’ Het lobbyen kan beginnen.

 

Belgische kerncentrales baren buren zorgen

Knack, 6 januari 2016

De Belgische kernindustrie heeft de voorbije weken geen goed figuur geslagen. Van Roosendaal tot Aken, grensbewoners maken zich zorgen over Doel en Tihange. Vooral in Duitsland lopen de gemoederen hoog op. Flickschusterei zal niet volstaan om het imago van Electrabel te herstellen. 

foto: deredactie.be

foto: deredactie.be

Lang geleden dat er over ons land nog zo’n harde woorden met umlauten en kapitalen vielen. Bröckel-Reaktor, Schrottmeiler en Pannenkraftwerk, het is maar een greep uit de koosnaampjes waarmee de Belgische kerncentrales de voorbije weken in de Duitse pers werden omschreven. Toegegeven, uitbater Electrabel heeft de verbale krachtpatserij over zichzelf afgeroepen. In enkele dagen tijd deden zich drie incidenten voor die telkens tot het stilleggen van een nucleaire reactor noopten. Op kerstavond was het zelfs twee keer prijs: ‘s avonds brand in Tihange 1, ’s nachts een lekkende lasnaad in Doel 3. Afgelopen weekend lokte een haperende alternator dan weer een noodstop in Doel 1 uit.

De incidenten deden zich telkens buiten het reactorgebouw voor, in het secundaire gedeelte van de centrale. Direct stralingsgevaar was er dus niet, maar die overweging kon de Duitse kritiek nauwelijks temperen. Vooral in de dichtbevolkte deelstaat Nordrhein-Westfalen (NRW) lopen de gemoederen hoog op sinds de Belgische nucleaire waakhond FANC op 17 november het licht op groen zette voor het heropstarten van de zogenaamde scheurtjescentrales Doel 3 en Tihange 2. Het Luikse dorpje Tihange ligt in vogelvlucht 70 kilometer van Aken. De Duitse grensstad valt dus binnen de perimeter die bij een majeur kernincident zoals in het Japanse Fukushima moet worden geëvacueerd.

Russische roulette

Duitse media die na de heropstart op reportage naar Tihange trokken, verbaasden zich over zorgeloosheid waarmee de omwonenden in de schaduw van de centrale leefden. Dezelfde vaststelling hadden ze in Antwerpen kunnen doen, de metropool die op amper 11 kilometer van Doel ligt. Ook daar leeft de ongerustheid vooral aan gene kant van de landsgrens, met name in de Nederlandse provincies Zeeland en Noord-Brabant. Na het afschakelen vorig weekend van Doel 3, nauwelijks enkele dagen na de heropstart, was voor de burgemeesters van Bergen-op-Zoom en Roosendaal de maat vol. Ze willen bij het kabinet Rutten aandringen om de kwestie Doel onverwijld met de Belgische buren op te nemen. De malaise geldt niet alleen de scheurtjescentrale Doel 3. Minstens even groot is de Nederlandse verontwaardiging over de beslissing om de oudste kerncentrales Doel 1 en 2 tien jaar langer in bedrijf te houden. Generatiegenoot Tihange 1 kreeg al begin 2014 een levensduurverlenging tot 2025. Het was de brand op kerstavond in deze 40 jaar oude centrale die voor Johannes Remmel, de groene deelstaatminister van leefmilieu in NRW, de emmer deed overlopen. Angela Merkel moet België op het matje roepen, twitterde Remmel die eerder al het heropstarten van Tihange 2 met een spelletje Russische roulette vergeleek. Ook zijn SPD-collega van economie Garrelt Duin eiste het definitief afschakelen van het volledige Tihange-park. Kernenergie ligt gevoelig in Duitsland, waar de regering Merkel na de ramp in Fukushima besloot alle nucleaire centrales tegen 2022 te sluiten. Berlijn heeft over de Belgische kerncentrales nog geen officieel standpunt ingenomen, maar federaal minister van leefmilieu Barbara Hendricks (SPD) reageerde wel cassant op de crisiscommunicatie van Electrabel.

‘flickschusterei’

De Frans-Belgische stroomproducent kwam de voorbije weken woorden te kort om te benadrukken dat er niets aan de hand is. Technische pannes vallen nu eenmaal voor in kerncentrales, zeker als die na maanden stilstand worden heropgestart. Het automatisch stilvallen wijst er juist op dat de veiligheidsprocedures werken. Links en rechts wat hameren en sleutelen, meer moet er volgens Electrabel niet gebeuren. Flickschusterei, zo bestempelde Hendricks die aanpak, oplapwerk van het soort waarmee garagisten een roestbak door de jaarlijkse autocontrole loodsen. De Duitse milieuminister kondigde overigens aan dat ze nog deze maand meer uitleg wil van het FANC. De waakhond voor nucleaire veiligheid zit op een ongemakkelijke stoel, zeker als het over Tihange gaat. In augustus sprak directeur Jan Bens tijdens een hoorzitting in de Kamer zelf nog scherpe woorden. De opeenvolging van incidenten in Tihange _  zeven tussen begin april en eind juli _ wezen op nonchalance en zelfgenoegzaamheid in het veiligheidsbeheer. Die woorden zullen hem ongetwijfeld door zijn Duitse gesprekpartners voor de voeten worden gegooid. De scherpste vragen mag het FANC echter verwachten over de heropstart van Tihange 2.

Niemand kan beweren dat de beslissing om de scheurtjescentrales opnieuw in gebruik te nemen, holderdebolder werd genomen.  Op de website staat een ellenlange chronologie van het onderzoek dat eraan vooraf ging. Alles begon in de zomer van 2012, na een geplande inspectie van de reactorkuipen in Doel 3 en Tihange 2. Ultrasone metingen brachten duizenden scheurtjes in het roestvrij staal aan het licht. Waterstofvlokken ontstaan en uitgewalst tijdens het gieten van de kuipringen door de intussen failliete Rotterdamsche Droogdokmaatschappij (RDM), was de conclusie na een eerste reeks onderzoeken. Geen veiligheidsrisico, oordeelde het FANC dat in mei 2013 toelating gaf beide centrales weer in gebruik te nemen, maar Electrabel tegelijkertijd tot een aantal extra onderzoeken verplichtte. Een onverwacht negatieve breuktaaiheidstest in het SCK Mol liet de twee centrales in maart 2014 opnieuw stilvallen. FANC stak nog een tandje bij, zoals blijkt uit de lijst van actoren die bij het onderzoek werden betrokken. Er kwam een International Review Board met gerenommeerde materiaaldeskundigen, een National Scientific Expert Group met Belgische universiteitsprofessoren, het vermaarde Amerikaanse Oak Ridge National Laboratory werd om een globale evaluatie gevraagd. Nieuwe testresultaten wekten nog meer ongerustheid. Niet alleen bleken er nog veel meer scheurtjes in de reactorvaten te zitten, 13.000 in Doel 3, zo’n 3.000 in Tihange 2. De gemiddelde lengte was ook veel groter dan gedacht, sommige scheuren meten liefst 170 millimeter. Toch kwam het FANC in november tot de slotsom dat beide centrales veilig kunnen opereren. De waterstofvlokken zijn stabiel, langdurige blootstelling aan intensieve bestraling doet de scheurtjes niet groeien waardoor er geen risico is op een fatale breuk in het reactordrukvat.

waterstofvlokken

Dr. Ilse Tweer is een van de onafhankelijke experten die daar twijfels bij heeft. De Duitse materiaaldeskundige, gespecialiseerd in de fysieke integriteit van reactordrukvaten (RPV), was niet bij het onderzoek betrokken. Tweer zit in het kamp van de tegenstanders, ze werd in 2013 als expert ingehuurd door de Europese Groenen om het FANC-onderzoek te evalueren. In Duitsland is ze echter een gezaghebbende stem, haar kritiek wordt overigens bijgetreden door Dieter Majer, voormalig directeur van de Duitse tegenhanger van het FANC.

‘Electrabel en FANC blijven volhouden dat de scheurtjes bij het vervaardiging van het reactorvat zijn ontstaan’, zegt Tweer. ‘Ik begrijp waarom. Als er ook maar het geringste vermoeden bestaat dat de scheurtjes door de werking van de reactor zijn ontstaan of gegroeid, dan moeten de centrales meteen en definitief worden gesloten. Bewijzen voor hun stelling leveren ze echter niet. We vinden geen andere verklaring, luidt de redenering, dus moet het wel met aan het fabricageproces van de RPV’s liggen’. Een sluitende verklaring heeft Tweer evenmin, maar ze wijst wel op inconsistenties in het FANC-dossier. ‘Waarom werden de scheurtjes bij de oplevering in 1983 niet opgemerkt? De uitleg dat de beschikbare technologie dat destijds niet toeliet, klopt niet. Een van de kuipringen werd toen afgekeurd, precies omdat men waterstofvlokken had ontdekt. Hoe dan ook, een reactorvat met zoveel gebreken zou volgens de huidige standaarden onmiddellijk worden afgekeurd’.

Tweer stelt zich ook vragen bij de schaalvergroting van de scheurtjes. ‘In 2013 ging het om foutjes tussen 10 en 24 millimeter, de tweede onderzoeksfase bracht scheuren tot 170 millimeter aan het licht. Omdat we performantere meetinstrumenten hebben gebruikt. luidt de verklaring. Merkwaardig toch, dat je betere instrumenten nodig hebt om scheuren vast te stellen die veel groter en dus ook veel opvallender zijn. Waarmee ik niet beweer dat die scheurtjes zo hard zijn gegroeid tussen mei 2013 en maart 2014, de tussenperiode van tien maanden waarin de centrales hebben gedraaid. In het onderzoek van het FANC wordt dat uitgesloten. Ik wil dat wel geloven, maar dat wil helemaal niet zeggen dat er tijdens de voorbije dertig jaar helemaal geen effect was’.

Tweer, die naar eigen zeggen geen debat wil openen over de onafhankelijkheid van de onderzoekers, doet enkele merkwaardige vaststellingen. ‘Oak Ridge National Laboratory heeft de invloed van de fouten op de structurele integriteit bij een noodstop berekend. Voor sommige scheuren hebben ze de rekenmodellen gemanipuleerd om binnen de veiligheidsnormen te blijven. Helemaal gerust is men blijkbaar niet. Het noodkoelwater, dat bij een noodstop in het reactorvat wordt gepompt, moet permanent tot veertig graden worden verwarmd om de thermische schok te beperken. En wat te denken van de breuktaaiheidstest? Het geteste stuk metaal kwam uit een Franse stoomgenerator die vanwege teveel waterstofvlokken was afgekeurd. Bedoeling was na te gaan of intense bestraling tot verbrossing zou leiden. Blijkbaar ging men ervan uit dat het resultaat negatief zou zijn. Toen het tegendeel bleek, trokken de onderzoekers de conclusie dat het geteste stuk niet representatief was voor een RPV. Dat ruikt naar opportunisme’. Sluiten is volgens Tweer de enige optie. ‘Uit voorzorg’, zegt ze. ‘Er zijn teveel onzekerheden in dit dossier’.

 

 

E-learning op zijn Vlaams: stoelendans in de aula’s

Knack, 14 oktober 2015

Kenners wereldwijd zijn het eens: de toekomst van het hoger onderwijs is digitaal.  Ook in Vlaamse rectoraten zoemen buzzwords zoals Mooc’s, e-learning en flipped classroom. Maar een disruptieve revolutie? Tijdens hoorcolleges in bomvolle aula’s van Gent, Leuven en Antwerpen valt er nog weinig van te merken. Plaatsgebrek? ‘Dat probleem lost zich na een paar weken vanzelf op’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Vrijdagochtend, half negen. Plastieken bekers en rotzooi alom, het was weer feest in de Gentse Overpoortstraat. Terwijl de laatste fuifnummers zich op wankele benen naar hun kot slepen, reppen andere studenten zich naar het UFO in de Sint-Pietersnieuwstraat. Met zo’n duizend hebben ze het onchristelijke aanvangsuur getrotseerd om het tweede college ‘Inleiding tot de historische kritiek’ bij te wonen. Veel opgeschoten pubers, dit is dan ook een plichtvak voor alle eerstejaars aan de faculteit letteren en wijsbegeerte. Laatkomers nestelen zich op het gangpad in de nok van het gigantische auditorium Leon De Meyer, het vlaggenschip van de Gentse universiteit. Er zijn nog enkele stoelen vrij, helaas onbereikbaar in de massa. Dan maar rechtstaan en reikhalzend kijken naar de twee immense beeldschermen vooraan in de aula.

Marc Boone, hoogleraar en tevens decaan van de faculteit, laat een nieuw videofragment aanrukken. Soldaten marcheren op de tonen van Wagner, strak in het gelid, de linkerarm gestrekt. Triumph des Willens van Leni Riefenstahl, precies 80 jaar oud maar nog altijd verbluffende cinema. Straf genoeg alleszins om zelfs de op de achterste rijen de aandacht van de tablet of smartphone naar de cursus te verleggen. ‘De moeder van alle propagandafilms’, houdt Boone zijn duizendkoppig publiek voor.

flipped classroom

Massale hoorcollege in reusachtige aula’s? Niet meer van deze tijd, zei Robert Stouthuysen onlangs in dit magazine. De gewezen topman van Janssen Pharmaceutica en bestuurder aan de KU Leuven, hekelde het conservatisme van de Vlaamse universiteiten. De toekomst van het hoger onderwijs is digitaal, vindt de hoogbejaarde maar nog erg actieve baron. Zijn stelling dat onze universiteiten en hogescholen de trein van e-learning en afstandsonderwijs missen, is licht gechargeerd. Tijdens onze bevraging viel om de haverklap het begrip blenden learning, contactonderwijs gecombineerd met diverse vormen van digitale kennisoverdracht. Leuven, Gent, Antwerpen, Brussel, Hasselt, er wordt aan alle faculteiten mee geëxperimenteerd. Vaak onder de vorm van de flipped classroom: studenten bereiden online aangeleverde nieuwe stof op eigen houtje voor, lessen dienen alleen nog om de kennis te verdiepen, oefeningen te maken en knelpunten te bespreken. Het beweegt dus, maar te traag naar de smaak van de Gentse professor onderwijskunde Martin Valcke. Volgens deze internationaal erkende expert innovatie hoger onderwijs, zweren nog teveel Vlaamse docenten bij traditionele hoorcolleges. Vooral algemene, inleidende vakken kunnen perfect online worden gezet. Luc Soete, de Vlaamse rector van de op Angelsaksische leest geschoeide Universiteit Maastricht, zit op dezelfde golflengte. Hoorcolleges zijn een voorbijgestreefd concept, verklaarde hij onlangs in De Tijd.

Voorbijgestreefd concept? Aan de opkomst in Aula Rector Dhanis, de grootste van de Universiteit Antwerpen, valt het niet te merken. Een dikke 700 studenten tekenen present voor de inleidende cursus accountancy, een verplicht en geducht vak voor eerstejaars in de bachelor-opleidingen TEW en handelsingenieur. Vooraleer ze het verschil tussen activa en passiva aansnijdt, neemt professor Lybaert ruim de tijd voor preventieve vermaningen. Wie zijn stof niet bijhoudt, kan volgende keer beter thuisblijven. Zelf oefenen is de boodschap, de tijdens het hoorcollege behandelde toepassingen volstaan niet om met een gerust hart naar het examen te trekken. En dat studenten met voorkennis, een eufemisme voor bissers, dwalen als ze denken dat ze het dit keer met de vingers in de neus zullen halen. Ligt het aan de royaal opengedraaide volumeknop? De speech maakt alleszins indruk op het jonge volkje, alvast één leereffect dat met een online cursus moeilijk te bereiken valt.

krantje lezen

Nadine Lybaert is gastdocent in Antwerpen, haar alma mater ligt in Hasselt. Al 13 jaar verzorgt ze het drukst bijgewoonde opleidingsonderdeel van de UA. ‘Gemiddeld 700 tot 800 studenten’, zegt ze. ‘Ik prijs me gelukkig met deze aula. Prima akoestiek en video, zo is het aangenaam les geven. Natuurlijk is zo’n grote groep niet ideaal, je hebt als docent geen idee of ze op de achterste rijen volgen dan wel of ze hun krant of tablet lezen.  In het algemeen kun je het zo stellen: de studenten die bewust achteraan kruipen zijn niet noodzakelijk diegenen met de hoogste slaagkansen. Maar de drukte vandaag geeft een vertekend beeld. Binnen een paar weken hebben er een aantal afgehaakt en vallen er vanzelf lege plekken’.

Inleidende cursussen online aanbieden? Lybaert voelt zich niet aangesproken. ‘Ik hecht veel belang aan het persoonlijk contact met mijn studenten. Tijdens de pauze blijf ik altijd in de aula, beschikbaar om alle mogelijke vragen te beantwoorden. Daar wordt gretig gebruik van gemaakt. Ik beschouw mijn cursus overigens niet als een traditioneel hoorcollege, ook al bestaat mijn eigen rol uit het droog overbrengen van kennis. Na ieder cursusonderdeel volgt een digitale explosie: de werkzittingen zijn volledig web based, mijn medewerkster is een digital whizzkid die de studenten met blogs, video’s en andere input bestookt. Blended learning, zo kan je het gerust noemen’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

 

Van digitale hocus pocus is in de les van Marc Hooghe weinig te merken, of het zouden de beamer en de wandelmicrofoon moeten zijn. De gewezen VRT-journalist doceert in Leuven het vak politicologie, een cruciaal opleidingsonderdeel in de eerste bachelor politieke wetenschappen en sociologie. Het gaat in deze tweede les over macht en de rol van de staat. Op het scherm verschijnt het beeld van een IS-gijzelaar, vlak voor zijn executie. Dat is dus wat er kan gebeuren als de staat faalt in zijn monopolie op het uitoefenen van geweld. Een dikke 500 studenten maakt ijverig aantekeningen, een kleine helft met behulp van laptop of tablet, de anderen met papier, pen en markeerstift. Aanvullingen zijn het op het handboek politicologie dat op geen enkele klaptafel ontbreekt. Hoorcollege uit de oude doos? Marc Hooghe zal het stempel na de les afwijzen. Hij doceert niet ex cathedra, wandelt voortdurend rond, dringt zelfs diep door in de middengang waar hij niet aarzelt studenten de microfoon onder de neus te duwen. ‘Natuurlijk is interactie met zo’n grote groep niet vanzelfsprekend’, geeft hij toe. ‘Vorig jaar was het nog lastiger. De aula was te klein, mijn college werd naar een tweede auditorium gestreamd. Niet ideaal, je hebt er geen echt contact me je publiek. Dit jaar is er gelukkig geen capaciteitsprobleem, de inschrijvingen in onze richting zijn met 5 à 10 procent teruggelopen’.

digitaal uitstelgedrag

Hij kan het zich wel inbeelden: de hele reeks van hoorcolleges opnemen en uploaden zodat zijn studenten zich thuis, op kot of waar dan ook met de beginselen van de politicologie vertrouwd kunnen maken. Het is geen exacte wetenschap, complexe oefeningen komen er niet bij kijken. ‘Technisch is het perfect mogelijk’, zegt hij. ‘Maar ik ben geen voorstander van digitaal afstandsonderwijs, toch niet in een eerste bachelor met 18 en 19-jarigen van wie de meesten nog niet in staat zijn om zelfstandig te plannen en te studeren. Want wat zou er gebeuren als je alles louter online aanbiedt? Uitstelgedrag, een eigenschap die velen nu al fataal wordt, zou helemaal uit de hand lopen. Ik zie het al voor me: studenten die drie dagen voor het examen vaststellen dat ze nog twintig videocolleges moeten bekijken. Hoorcolleges geven structuur aan het leven. Van studenten, maar ook van proffen. Want ook dat speelt: heel wat proffen staan graag voor de aula. Ik doe het zelf ook nog steeds met plezier, wat niet betekent dat ik principieel tegen nieuwe onderwijsmethodes ben gekant. Een aantal van mijn hoorcolleges in derde bachelor staan online, toetsen en self trainers gaan over het intranet’. 

Blijft de vaststelling dat Vlaamse universiteiten niet bepaald vooroplopen in de digitale onderwijsrevolutie. Als politicoloog zoekt Hooghe de verklaring bij het beleid. ‘Door de keuze voor een brede instroom is er minder druk om te moderniseren. Letterlijk iedereen kan hier naar de universiteit. Behalve in de richting genees- en tandheelkunde zijn er geen bindende toelatingsexamens, en ondanks de recente verhoging blijft het inschrijvingsgeld belachelijk laag. Gevolg; heel wat jongeren komen naar de unief om het eens te proberen of om van het studentenleven te proeven. De helft die je zonet in de aula hebt zien zitten, overleeft de eerste bachelor niet. Die aselecte instroom is uniek in de wereld. Ik kom net terug uit Montreal waar ik een gastcollege aan de McGill University heb gegeven. Een jaartje studeren kost er meer dan 20.000 dollar, bijna even duur als aan de Amerikaanse of Britse topuniversiteiten. In Frankrijk selecteren ze dan weer via toelatingsproeven. In Lille, waar ik soms les geef, laten ze 2 procent van de deelnemers toe’.

aselecte instroom

We mogen hem niet verkeerd begrijpen, hij is geen voorstander van een strenge selectie aan de toegangspoort. Hooghe: ‘In eerste bachelor kan ik ze er zo uitpikken, studenten die door hun kledij of houding verraden dat ze in een ander land nooit naar de universiteit zouden gaan. De meesten redden het niet, maar er zijn er ieder jaar wel enkelen die toch slagen. Dat is op zich al waardevol, een democratische kwaliteit om te koesteren. Maar de brede instroom heeft wel gevolgen voor het soort onderwijs dat we bieden. Een eerste bachelor, dat is in feite een uitgestelde, langgerekte toelatingsproef. De ongelijke kwaliteit van de studentenpopulatie verplicht ons als docenten tot een compromis waarin iedereen verliest. Voor de zwakke helft blijft het sowieso te moeilijk, terwijl sterke studenten onvoldoende worden uitgedaagd. Die laatste groep zou wel gebaat zijn bij e-learning of andere innovatieve methodes die een grote motivatie en inzet vergen. Het is geen toeval dat Angelsaksische universiteiten vooroplopen in de digitale transitie. Als een student 20.000 dollar voor een jaartje universiteit betaalt, dan gaat hij niet freewheelen maar zich schrap zetten om voor ieder vak te slagen. Die sense of urgency ontbreekt bij ons helemaal. Of je nu drie of vier jaar over een bachelor doet, het maakt velen niet uit. Het systeem met studiepunten is er ook voor gemaakt. Je kunt altijd wel enkele vakken meenemen, en de ouders trekken het zich niet aan omdat zo’n jaartje extra niet veel kost’.

Een brede instroom in populaire studierichtingen kan dus niet zonder massale hoorcolleges in grote aula’s. Dat kost een aardige stuiver, maar toch gaat het volgens Hooghe om een koopje. ‘Massale hoorcolleges zijn voor de universiteiten juist spotgoedkoop. Of docenten nu les geven aan bachelors in een bomvolle aula of in een lokaal aan een kransje masterstudenten, aan hun salaris zal je het verschil niet zien, en we krijgen er ook geen extra onderwijsassistenten voor. Neem nu mijn vak politicologie. Eén docent voor 500 studenten, voor die prijs ga je niet veel kunnen investeren in digitale innovatie’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Mooc’s

Per kop berekend is professor Wagemans nog goedkoper. Aula Rector Pieter De Somer, met 842 zitjes de grootste van Leuven, is net niet helemaal volgelopen voor zijn college functieleer, zeg maar een algemene inleiding psychologie. Het is een van die materies die vaak het onderwerp vormen van een Mooc, de veelbesproken massive open online course. Gratis beschikbaar voor iedereen, compleet met selftrainers, feed back- en peer review-modules en (betalende) examensystemen. ‘Geen alternatief voor mijn cursus’, vindt Johan Wagemans. ‘Er is een inhoudelijk verschil. Ik combineer functieleer met een algemene inleiding tot de psychologie. Dat vind je bij geen enkele Mooc, die zijn immers allemaal op Amerikaanse leest geschoeid. Engelstalig dus, en ook dat is een bezwaar. Voor dit soort introducties blijft Nederlands de aangewezen instructietaal. Zeker in een eerste bachelor met een nauwelijks geselecteerde instroom kun je niet zomaar aannemen dat iedereen voldoende Engels kent’.

Ook professor Wagemans is niet afkerig van digitaal onderwijs. In de masteropleiding hanteert hij het flipped classroom concept. Alles gebeurt online, de wekelijkse lessen zijn niet meer dan groepsgesprekken om de digitale kennisoverdracht te evalueren. ‘Dat werkt alleen in kleine groepen met een homogene kwaliteit’, zegt hij. ‘Achttienjarigen hebben nog niet genoeg  discipline en zelfredzaamheid voor e-learning. Ik zet voor mijn eerste bachelors wel eens iets op Toledo, het intranet van de universiteit. Dat kan een verwijzing zijn naar een uitbreidingsartikel, of enkele vragen over de cursus. Als de helft van de studenten er op ingaat, zo wil de afspraak, dan behandelen we die kwesties in het volgende hoorcollege. De respons is bedroevend, vaak halen we niet eens de 50 procent’.

De VUB is de enige universiteit die ook in populaire bachelor-opleidingen geen capaciteitsproblemen kent. ‘Dat is het verschil met de andere Vlaamse universiteiten’, zegt rector Paul De Knop. ‘Ze zijn het slachtoffer geworden van hun eigen succes. Als middelgrote universiteit hebben we alles onder controle, ook al dank zij onze flexibele infrastructuur. Onze Aula Q is een geweldige troef, moduleerbaar van 200 tot 1200 zitplaatsen’.

Niet dat het aan de grote universiteiten de spuigaten uitloopt. Verhalen over uitpuilende aula’s bleken vaak uit het verleden te dateren. Universiteiten hebben dan ook maatregelen getroffen. Auditoria  worden niet meer per faculteit maar centraal beheerd en optimaal benut. Vooral de blue chips, de aula’s met 500 en meer zitjes, moeten renderen. Ze worden tot ’s avonds laat en vaak ook tijdens het weekend volgepland. In uiterste nood worden lessen naar een tweede aula gestreamd, een praktijk die vooral in de Leuvense en Gentse rechtsfaculteiten voorkomt. Niet toevallig, vernamen we van bronnen in beide universiteitssteden. Als één groep studenten het risico op overbevolkte aula’s loopt, dan zijn het wel de toekomstige juristen.

Dat klopt, stellen we vast als we de sasdeur van auditorium NBIII in Gentse Universiteitsstraat openen. Capaciteit 300 zitplaatsen, onvoldoende om de belangstelling voor de in tweede bachelor verplichte cursus goederenrecht te kanaliseren. Pechvogels zitten achteraan in de vensterbanken, anderen hurken tegen de muur en gebruiken hun knieën als schrijftafel. Een van de muurzitters zet zijn tanden in een broodje, het kraken van ovenverse korst is niet echt bevorderlijk voor de concentratie van de buren. Professor Wylleman houdt de zaal scherp met een strikvraag. Is een Mariabeeld in een nis een roerend dan wel een onroerend goed?

massacolleges

Capaciteitstekort? ‘Ach’, zegt Annelies Wylleman. ‘Het was maar de eerste les. Binnen enkele weken schieten alleen de gemotiveerde studenten over, ik schat zo’n 250 tot 300 op een totaal van 460.  Een grote kloof, inderdaad. Komt door de fameuze flexibilisering. Studenten moeten niet meer slagen voor hun eerste bachelor. Als ze een minimum aantal studiepunten behalen, mogen ze het tweede jaar combineren met de onvoldoendes van het eerste jaar. Een slecht systeem als je het mij vraagt. De trajecten worden er alleen maar langer door, vooral de hopeloze gevallen blijven nodeloos plakken. In de tweede bachelor merken we dat vooral bij de herexamens in september. Van de 200 inschrijvingen komt minder dan de helft opdagen. Dat zijn dan vaak de studenten die het in juni al voor de derde keer hebben geprobeerd, met een 7 op 20 als resultaat. Tijdverlies, ook voor de docent’.

Wylleman heeft vele jaren in eerste bachelor de inleiding  tot het privaatrecht gedoceerd. Het UFO bestond nog niet, Auditorium E in de Blandijnberg was het theater voor massacolleges. Tegenwoordig worden Gentse docenten door professionele acteurs gecoacht om massa’s te bespelen, maar professor Wylleman mag zich als performer een autodidact noemen. ‘De eerste keer voor zo’n grote bende was ik wel nerveus’, zegt ze. ‘In mijn dromen zag ik alles in de soep draaien. Ik was mijn cursus vergeten, of de geluidsinstallatie werkte niet. Nodeloos gepieker, het ging me van de eerste keer goed af. Ik probeer het levendig te houden door vragen te stellen en voorbeelden uit mijn notarispraktijk te geven’.

Dat zou ook perfect online kunnen, geeft ze toe. Technisch gezien althans, in de praktijk ziet ze zich nog niet snel op de digitale golf meesurfen. ‘Daarvoor vind ik het persoonlijk contact met de studenten te belangrijk’, zegt ze. ‘Ook voor de studenten lijkt het me niet ideaal. Liever les van een docent van vlees en bloed dan de hele tijd naar een talking head op een scherm kijken. Ik ging als student zelf erg graag naar hoorcolleges. Je leert er mensen kennen, want in zo’n auditorium val je vaak naast een volslagen onbekende’. 

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Toch waait de wind van verandering ook door de faculteit rechten, met de kracht van een lentebriesje. ‘Vorig jaar hebben ze mijn cursus opgenomen en op het intranet gezet’, zegt Wylleman. ‘Dat vond ik prima, er zijn altijd wel werkstudenten die hoorcolleges moeten missen. Maar ook gewone studenten maakten er gebruik van. Ik heb gisteren in bed nog eens naar jou gekeken, kwam er eentje me tijdens de volgende les zeggen. Toch zijn er in onze faculteit ook proffen die niet willen dat hun les wordt opgenomen. Ouderen, jawel, maar ook minder oude collega’s. Angst om zich te verspreken, denk ik.’