Maandelijks archief: april 2009

De euthanasie van een postdetaillist

verschenen in De Morgen (Zeno), 4 april 2009

!cid_C1D196F8-7447-410F-A3BF-4F6886AC2DAC@lan_dn

foto: Stephan Vanfleteren

In de luwte van het euthanasiedebat heeft dinsdag in Mechelen Marc Lauwers op eigen verzoek een dodelijke injectie gekregen. Nauwelijks 46 jaar oud, terminaal ziek noch levensmoe, maar op van de pijn. Rockartiest, stempedagoog, leraar, musicalregisseur, Marc was het allemaal. Geleefd met peper in de kont, geteisterd door een ongeneeslijke ziekte. Twee maanden geleden kreeg hij groen licht voor euthanasie. We mochten hem vergezellen in de laatste rechte lijn, bij nader inzien een parcours met emotionele pieken en dalen en onvermoede zijwegen.

Ja zeggen kan ernstige gevolgen hebben. Ik zei niet nee toen een bevriende schoolpoortpapa een vraag stelde die niets met onderwijs te maken had. Of ik geen verhaal kon schrijven over een kennis die eerstdaags euthanasie zou ondergaan? Het was begin februari, tempore non suspecto. Het immer sluimerende euthanasiedebat zou pas weken later onverhoeds losbarsten. Terwijl het klein grut ons omstuwde, verstrekte de schoolpoortpapa meer details. Het ging om ene Marc Lauwers, de beste vriend van zijn geliefde. Amper 46 oud, niet terminaal ziek, maar wel geteisterd door ondraaglijk pijnen veroorzaakt door fibromyalgie, een kwaal waarvan de naam me op dat moment niets zei. En nog dit: Marc Lauwers was in de jaren tachtig wereldberoemd in Mechelen. Leadzanger geweest van de locale rockband Solid State, daarna als soloartiest onder het onmogelijke pseudoniem van Curt Lawrence verscheidene singels uitgebracht maar nooit echt doorgebroken. De David Sylvian van België, werd hij in die lang vervlogen tijden wel eens genoemd. Het deed geen enkele bel rinkelen, maar ik ben dan ook geen Mechelaar.

mediastorm

Omdat ik niet nee had gezegd, sta ik op maandag 16 februari op een wat desolate plek van de Nekkerspoelstraat, een uitvalsweg die beslist geen gebrek heeft aan desolate plekken. Ik weet intussen dat fibromyalgie staat voor pijn in het bewegingsstelsel, zeg maar spieren en pezen. De oorzaak is even mysterieus en omstreden als die van het bekendere en aanverwante chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).  Ik heb intussen ook de Stem gehoord aan de telefoon, een diep, gelaagd en rokerig geluid, geritmeerd door een hoorbaar moeizame ademhaling.  Marc had me welkom geheten, maar op één voorwaarde. Geen woord publiceren voor het allemaal achter de rug was, want hij mocht er niet aan denken met zijn euthanasieplan in het oog van een mediastorm te belanden. Ik bel aan bij een smalle voordeur, pal naast de vitrine van wat wellicht de kleinste en groezeligste computerwinkel van het land is. Nooit valt er een klant te bespeuren, net zo min als een uitbater die zich wel telefonisch beschikbaar houdt voor dringende herstellingen. Zou de GSM ooit rinkelen? De uitbater, zo zal ik enkele bezoeken later van zijn bovenbuur en huisbaas vernemen, is een 85-jarige gewezen televisiereparateur die zo rond zijn 76ste moest constateren dat het sjouwen met televisietoestellen hem te zwaar viel, en zich van lieverlede op computers en modems heeft gestort. Hoe de bejaarde en volslagen Engelsonkundige IT’er zijn ‘internetakkoent’ kwam installeren, het is een sketch waarmee Marc vaak heeft gescoord.

grootste junk van Mechelen

De gang is opgevat als magazijn. Verfpotten en kampeerspullen prijken naast een looprekje met fietsremmen, er valt een aftakelingsproces uit af te leiden. De trap naar het woongedeelte ontbeert een leuning, afgebroken om een traplift te installeren die er nooit meer zal komen. Als ik de glazen deur openschuif word ik voor het eerst geconfronteerd met het permanente microklimaat dat in dit verrassend ruime en smaakvol ingerichte appartement heerst. Tropische temperaturen met tabaksnevel, ook de sound van Klara hoort onlosmakelijk bij deze plek. “Hoe minder ik beweeg hoe meer ik stook”, zegt Marc terwijl ik me op de bank naast zijn clubzetel installeer. “Roken heb ik altijd al gedaan, tegenwoordig drie pakjes Bastos per dag. Toen ik aan het conservatorium operales volgde, kreeg ik er altijd opmerkingen over van mijn Amerikaanse lerares. Marc, zei ze dan met een vet accent, jij hebt weer veel teveel gerookt, your voice is full of nicotine. We kwamen goed overeen, op het einde van de les begonnen we altijd samen gospel te zingen. Dat ben ik blijven doen, vaak op begrafenissen als goede vrienden erom vroegen, zoals die laatste keer op de uitvaart van Pat Donnez zijn vader. Ik kon toen al niet meer zonder wandelstok, ze hebben me mijn gitaar moet nadragen. Gospel op een begrafenis klinkt heel mooi. Jammer toch dat ik op mijn eigen begrafenis niet kan zingen”.

Hij moet er zelf om lachen, een vertoning in drie bedrijven. Het begint met een monkellach die vrijwel meteen omslaat in een grijns. De finale is een amechtig hoesten waarbij zijn hele gelaat onwillekeurig in een kramp schiet. Studenten aan de toneelschool moeten daar hard op studeren, maar dit is echt. “Pijn”, zegt hij, “het enige gevoel dat je met niemand kunt delen. Ik ben altijd obsessief met taal bezig geweest, maar hier bestaan geen woorden voor. Vergelijk het met de smaak van een tomaat. Hoe kun je dat aan iemand uitleggen die er nooit een heeft geproefd?”. Waar woorden te kort schieten, spreekt het lichaam. Letterlijk in zijn geval, want op geregelde tijdstippen ontsnapt aan zijn lijf een dorre krak, hetzelfde irritante geluid dat sommigen met veel oefenen aan de knokkels van hun hand weten te ontlokken. Het kraken van zijn knieën en voeten manifesteert zich evenwel spontaan en sorteert telkens weer dezelfde echo. Gekreun, de intensiteit en de bijbehorende grimas zijn recht evenredig met het pijnniveau. “Het zijn pezen en spieren die aan mijn botten trekken”, vertelt hij tussen twee scheuten door. “Mijn hele bewegingsstelsel is aangetast. Spieren zijn verkalkt, zenuwbanen raken afgeklemd, mijn lichaam heeft zich naar de pijn gezet, waardoor mijn organen dan weer samengeperst worden. Die halssteun draag ik ook niet voor mijn plezier, zonder dat ding houd ik mijn hoofd niet meer recht. Ik slik pijnstillers aan de lopende band. Geen aspirine of dafalgan, maar morfine en heroïne. Mijn vrienden lachen ermee, dat ik de grootste junk van heel Mechelen ben.  Zonder zeveren, ik zou een handeltje kunnen opstarten. Die heroïne werkt geleidelijk, gedurende twaalf uur. Maar stamp zo’n tablet fijn en snuif het op, je zou nogal een big bang beleven. Pijnstillers onderdrukken veel, maar niet alles. De venijnigste prikkels schieten er los doorheen”.

Belgische New Beat

Aansteker zoek. Marc grijpt onder zijn zetel naar zijn wandelstok. Overeind komen gaat verrassend kwiek, maar het manoeuvre legt de ravage pas goed bloot. Op dit lichaam valt geen rechte lijn te trekken, alsof het onderhevig is aan middelpuntvliedende krachten. Hoe hij trekkebenend over het geboende parket schuifelt, leunend op de stok die het wankele geheel als een stut overeind houdt. Aandoenlijk, te meer omdat onder de puinhoop de tempel nog zichtbaar is. Wat een mooie man moet Marc geweest zijn. Een meter negentig, smal in de heupen en breed in de schouders, donker haar en expressieve ogen in een fraai gezicht. Kreunend zakt hij weer in zijn zetel, de sigaret al aangestoken. Ik was eigenlijk langsgekomen om kennis te maken, maar krijg meteen zijn hele verhaal te horen. Pijn in rug en schouders heeft hij al sinds zijn zestiende, al kon niemand dat vermoeden toen hij als frontman van Solid State het podium vulde met zijn imposante gestalte en dito stem. Wat aanvankelijk spasmofilie heette, kreeg pas op zijn 27ste een definitieve naam. “Fibromyalgie”, zegt Marc. “Dat is geen dodelijke ziekte, meestal zijn de symptomen trouwens veel beperkter. Veel weten de dokters er nog niet over. Het is een containerdiagnose, van toepassing als ze geen andere uitleg hebben. Moesten we de oorzaken van multiple sclerose niet kennen, dan zou ook dat ziektebeeld onder fibromyalgie passen. Op de duur zal die diagnose in een reeks welomschreven aandoeningen uiteenvallen, en wellicht zal dan blijken dat ik aan een of andere spierziekte leed.  Zelf zal ik het alleszins niet meer meemaken. De specialist zei twintig jaar geleden al dat er niets aan te doen was. De ziekte zat overal, in mijn hals, ruggengraat, armen en benen. Hij vergeleek het met een uitgezaaide kanker”.

“Soms denk ik: loontje komt om zijn boontje. Ik krijg de rekening gepresenteerd omdat ik nooit naar mijn lichaam heb geluisterd. Met mijn gestel had ik het beter kalm aan gedaan, maar dat ligt niet in mijn temperament. Ik nam altijd zeven jobs tegelijk aan, het ene project was nog niet klaar, of er stond al een nieuw in de steigers.  Na die diagnose was het niet anders. Ik stond als leraar expressie en sociale vaardigheden in het buitengewoon onderwijs, de helft van de tijd voor kinderen met opvoedingsproblemen, de andere helft voor kinderen met een licht mentale handicap. Op zich een voltijdse baan, maar ik vond het nodig om na mijn uren twee kindermusicals te schrijven en te regisseren. Heb je nooit gehoord van ‘Dag Jules’, een taalontwikkelingsmethode die in negentig procent van de Vlaamse en Nederlandse kleuterscholen wordt gebruikt? Daar heb ik de muziek voor gecomponeerd en de liedjes ingezongen. Ik heb ook als studiozanger bijgeklust. De Belgische new beat, daar heb ik bijvoorbeeld goed aan verdiend. Ik lustte het genre absoluut niet, maar ze wilden per se mijn stem erop. Vooral Franstalige groepen stonden in de rij, die mannen konden zelf geen Engels uitspreken. Het mafste dat ik ooit in een studio heb gedaan: stand-in spelen voor slissende zangers. Ik kreeg alleen de woorden met een s, vaak had ik geen idee voor welke groep of voor welk nummer ik moest opdraven. Zonder opscheppen: in de muziekwereld was ik een bekende naam. Platenmaatschappijen stuurden zangers naar mij om aan hun techniek te schaven. Ondertussen heb ik dit huis eigenhandig verbouwd, terwijl ik als alleenstaande man ook nog de zorg over een pleegzoon had”.

doorwaakte nachten

Of ik hem een cola uit de koelkast wil halen. De indrukwekkende voorraad wijst op een zekere verslaving aan het zwarte spul. Marc grinnikt als ik hem het glas aanreik. “Gisteren zei iemand dat ik minder cola moest drinken. Toch niet voor mijn gezondheid, vroeg ik. Nee, zei hij, om te vermageren en de begrafeniskosten te drukken, want ik wist toch dat ze in het crematorium per kilo factureren”. Weer die lach, weer die hoestbui. Ik zal het nog ondervinden. Hoe zwarter de humor, hoe luider de hoestbui. Zowat een jaar geleden is hij voor het eerst over euthanasie begonnen, in de praktijk van zijn kinesist. Marc zag er toen nog betrekkelijk fit uit, alleen de stok liet enig lichamelijk ongemak vermoeden. Nochtans was het kwaad toen al geschied, drie jaar geleden op de speelplaats van zijn school. Zijn stok werd door een zwaar autistisch kind onderuit getrokken, met een achterwaartse val en twee gebroken ruggenwervels als gevolg. “Het was pure slapstick: ik lag op de grond te kermen en die jongen maar lachen. Ik kon me niet eens kwaad maken, want dat kind besefte niet wat het deed. Na die val heb ik een tijdlang in een rolstoel gezeten, een verhelderende ervaring. Als je echt wilt weten hoe het voelt om letterlijk over het hoofd te worden gezien, ga dan als rolstoelpatiënt met een begeleider shoppen. Verkopers beschouwen je als een zwakzinnige. Al zwaai je met je portefeuille, dan nog negeren ze je en praten ze uitsluitend met je begeleider. Soit, ik heb samen met de kinesist keihard aan mijn revalidatie gewerkt.  Op de duur kon ik weer lopen, maar de pijn is sindsdien alleen maar erger geworden”.

Alles heeft hij geprobeerd, van de Rugschool tot de Pijnkliniek waar ze er niets beters op vonden dan zenuwbanen in zijn ruggengraat door te branden. “Onwaarschijnlijk pijnlijk en delicaat. Een millimeter verkeerd en je bent verlamd of je spraakvermogen kwijt”. Hij trok naar het slaapcentrum van Kortenberg, om een oplossing te zoeken voor de vele doorwaakte nachten. “Niet kunnen slapen van de pijn, dat is om je de haren bij uit het hoofd te trekken. Soms begon ik midden van de nacht met puinzakken te zeulen. We zullen eens zien wie hier de sterkste is, zei ik dan tegen mezelf, ik of mijn pijn. Zo heb ik al die jaren geleefd, op voet van oorlog met mijn eigen lichaam”. Alternatieve therapieën werden niet geschuwd. Een arts stak dikke naalden in zijn lichaam, tot diep in de verkalkte spieren. “Door van binnenuit te wrikken zouden ze weer soepel worden. Ik kan je verzekeren dat zoiets geen deugd doet. Maar helpen deed het wel, helaas nooit langer dan een half uur. Ik ben er na een paar keer mee gestopt, ook al omdat al die peperdure therapieën door de ziekenkas niet worden terugbetaald. Sinds mijn val moet ik het met een voorlopige uitkering stellen, want er loopt een proces over de erkenning als arbeidsongeval. Ik heb verschillende behandelingen door geldgebrek moeten stopzetten”.

zelfmoordpoging

Het moment waarop de vage voornemens concreet werden, staat hem glashelder voor de geest. “Het was bij Steve, de kinesist. Ik beklaagde me erover dat ik geen vooruitgang boekte. Steve is nogal direct, hij windt er nooit doekjes rond. Waar zat ik met mijn gedachten? Vooruitgang boeken was helemaal geen objectief, we mochten al blij zijn als we het aftakelingsproces een beetje konden afremmen. Toen zijn mijn ogen opengegaan. Het kon dus alleen nog maar bergaf gaan, steeds meer pijn lijden en stukje bij beetje mijn zelfstandigheid verliezen. Onder die voorwaarden wilde ik niet meer verder. Ik heb het eerst gevraagd aan de psychiater bij wie ik in behandeling was voor mijn slaapproblemen. Geen sprake van dat ik in aanmerking kwam voor euthanasie, sprak die. Het was veel te vroeg, ik moest nog minstens drie jaar geduld oefenen, en tot zolang kon ik desnoods in een bejaardenhome terecht. Ik ben na die consultatie zwaar depressief thuisgekomen. Het idee alleen al van een bejaardenhome waar je een standje krijgt als je je bord niet hebt leeggegeten.  Op tweede kerstdag heb ik een zelfmoordpoging ondernomen. Ik heb mails en sms’en naar enkele dierbaren gestuurd, een hoop pillen geslikt en ben op een stoel gaan staan, mijn hoofd in een strop. De bedoeling was me te verhangen als ik mijn bewustzijn verloor, maar door de verdoving ben ik verkeerd gevallen. Zo hebben ze me gevonden, onderuitgezakt op mijn stoel, de strop nog om de hals”.

Marc is er alleen maar dankbaar voor. Hoe Karla en Veerle, twee van zijn boezemvriendinnen, hem na die mislukte zelfmoordpoging tot rede hebben gebracht. Dat hij er een streep wilde onder trekken, daar konden ze alle begrip voor opbrengen. Maar kon het alstublieft op een menswaardige manier gebeuren? Karla had een voorstel: waarom niet gaan praten met Wim Distelmans? “Karla en Veerle waren erbij toen ik hem ging opzoeken”, vertelt Marc. “Distelmans is een hele warme man die erg goed kan luisteren. Hij vond dat ik wel aan de wettelijke criteria beantwoordde en heeft me naar een andere psychiater verwezen. Als niet terminaal patiënt is dat een verplichte passage, zo willen ze uitsluiten dat je euthanasievraag door een depressie wordt ingegeven. Pas toen ik daar groen licht kreeg heb ik het aan mijn huisarts durven vragen. Ze had het er aanvankelijk moeilijk mee, ik ben er tenslotte al twintig jaar patiënt. Maar vorige week heeft ze dan toch haar handtekening gegeven. Wat er toen allemaal door mijn hoofd schoot. Eerst de euforie, omdat ik eindelijk had verkregen waar ik zo intens naar verlangde. Maar ineens werd ik bevangen door blinde paniek. Ik wilde helemaal niet dood, ik hield van het leven. Ik heb onmiddellijk Karla gebeld, zij heeft me over mijn angst geholpen. Nu kan ik die paniekreactie beter plaatsen. Ik wil niet dood, nee. Maar wat ik wel wil, kan ik nooit meer krijgen: mijn vroegere leven, zonder die rotziekte. Op dinsdag 10 maart verstrijkt de wettelijk verplichte wachttijd. Voor mijn part kan het daarna niet snel genoeg gebeuren, als het maar thuis is. Het idee dat ik op een morgen mijn koffer pak om in een ziekenhuis te gaan sterven, ik mag er niet aan denken”.

Eurovisiesongfestival

Twee dagen later. Wim Distelmans gebeld. Was Marc onder de indruk van de VUB-oncoloog die aan de wieg van de euthanasiewetgeving stond, dan is dat gevoel wederzijds. “We hebben lang gesproken”, zegt Distelmans. “Ik ben geen fibromyalgiespecialist, maar ik was erg getroffen door zijn fysiek beeld . Om het cru te stellen: dat lichaam is een wrak. Voor mij lijdt het geen twijfel dat zijn geval onder de wettelijke bepaling valt die euthanasie mogelijk maakt voor ongeneeslijk zieke patiënten die ondraaglijk lijden. Ik was ook gefrappeerd door zijn vastberadenheid. Dit is geen bevlieging, wat trouwens ook uit zijn therapeutisch parcours blijkt. Marc heeft er werkelijk alles aan gedaan”. Distelmans toont zich niet verwonderd over het njet dat Marc eerder in Kortenberg incasseerde. “Euthanasie voor niet-terminale patiënten ligt nog altijd moeilijk. Heel wat ziekenhuizen hebben een visietekst waarin het artsen ten stelligste wordt afgeraden aan zo’n verzoek mee te werken. Op die manier zijn al veel patiënten op een nodeloze lijdensweg beland”.

Woensdag, 25 februari. Kurt Van Eeghem op Klara. “Die heeft me ooit nog proberen te versieren”, grinnikt Marc. “Dat was in de tijd toen ik als Curt Lawrence aan de preselecties voor het Eurovisiesongfestival deelnam, met Dani Klein en BJ Scott als achtergrondzangeressen. Wij moeten dringend iets samen beginnen, was zijn openingszin, Kurt en Curt. Mark Uytterhoeven is er toen tussengekomen. Nee, zei hij tegen Van Eeghem, terwijl hij me vastpakte, wij tweeën moeten iets samen beginnen, Mark en Marc. Ach relaties, ik heb het zowel met mannen als met vrouwen aangelegd. Het langst was ik met een vriend die als grimeur in de Muntschouwburg werkte. Bij premières hadden we onze vaste stek, vlak boven de Koninklijke loge. Als het publiek applaudisseerde voor Fabiola gingen wij voor de grap rechtstaan, alsof de honneurs voor ons waren bestemd. Echt veel stelt mijn liefdesleven niet voor, ik ben al zestien jaar single. Goede vrienden zijn in mijn leven veel belangrijker geweest”.

Bastos à gogo

Gisteren is zijn pleegzoon David op bezoek gekomen, voor het eerst in twee jaar. Hoe de breuk destijds is ontstaan, dat is voer voor een tegensprekelijk debat. Feit is dat Marc zielsgelukkig is dat David hem gisteren heeft omhelsd en opnieuw papa heeft genoemd. Zo is het tussen die twee ook begonnen: een tienjarige jongen met een erg problematische thuissituatie die zijn favoriete leraar op school hardnekkig papa bleef noemen. Niettemin blijft het een mirakel: als alleenstaande man met een onverholen homoverleden na een grondig sociaal onderzoek de hoede over een tienjarige jongen krijgen, op het hoogtepunt van de post-Dutroux-hype nog wel. De aanbevelingsbrieven van vrienden hebben geholpen, maar het zegt ook iets over zijn reputatie op school. “Ik was erg gedreven”, zegt hij. “Heel wat kinderen in het buitengewoon onderwijs slepen een zwaar verleden achter zich aan. Voor mij geen probleem, hoe meer hoeken eraf, hoe liever ik ze had. Van leerplannen trok ik me niet veel aan. Drop-outs van het regulier onderwijs moet je niet gaan volstouwen met kennis, je moet eerst hun zelfbeeld herstellen. Voor mijn kindermusicals pikte ik er niet per se de beste acteurs uit, veel liever zette ik de kneusjes op het podium. De autisten, de kinderen die zo erg in zichzelf waren gekeerd, dat je je oor tegen hun mond moest leggen als ze spraken. Die zien open bloeien, dat was voor mij het summum”.

Hij trekt de ladekast naast zijn clubzetel open, ik tel 23 pakjes Bastos. Ruim onvoldoende om de resterende tijd uit te roken, maar gelukkig weten bezoekers waar ze Marc mee kunnen plezieren.  Niet dat hij veel ruchtbaarheid aan zijn plan heeft gegeven. “Het laatste wat ik wil is een afscheidsfeest met toeters en bellen. Ik haat afscheid nemen, en lekker eten of drinken zegt me niks meer”. Maar de tamtam doet zijn werk, met het verstrijken van de tijd gaat het aantal ultieme bezoeken crescendo. Collega’s van de school, medeauteurs en muzikanten van de methode Jules, vertegenwoordigers van de Nederlandse uitgeverij Zwijsen die achter deze succesformule schuilt. Vaak echter zijn het dezelfde mensen die ik hier ontmoet. Zijn ouders, maar ook Karla, Veerle, Ilse, Leo, Mieke en Ward, vrienden van het loyale soort dat eenieder zichzelf toewenst. Ze koken en doen inkopen, knuffelen hem en kruipen voor de warmte en gezelligheid mee in bed. Blij dat ze iets kunnen terugdoen, want ook Marc was genereus in de vriendschap. Relatieproblemen, tijdelijke dakloosheid door slecht geplande verbouwingen, zijn huis was altijd beschikbaar. Chauffeur spelen hoeven ze niet meer te doen, want Marc heeft vanmorgen besloten dat hij geen voet meer buiten de deur zet. “Ik kan het niet meer aan”, zegt hij. “Niet fysiek maar psychisch. Ik krijg angstaanvallen, ik voel me totaal vervreemd van de buitenwereld. Eigenlijk sta ik al met een been buiten dit leven”. Wat nu ook weer niet betekent dat hij onthecht is van praktische beslommeringen. Het overdragen van auteursrechten aan vrienden-muzikanten is een hoop gedoe, de erfenis een loden last die pas na veel gepieker bij notariële actie van zijn schouders wordt gelicht. Zijn huis gaat zonder een euro erfenisrechten naar het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, de opbrengst moet wel dienen om een onderzoeker op firbomyalgie los te laten. Het precieuze doek van Jean Rustin, door de beroemde Franse kunstschilder aan hem persoonlijk opgedragen, mag naar een vriendin. De parallel is te duidelijk om te missen: zijn eigen pijngrimas naast de expressie van een portret dat hoop en illusies opslokt als een zwart gat. “Ik ben dol op Rustin”, zegt Marc. “Die duistere kant, die heb ik ook altijd in mijn muziek opgezocht. Rustin duikt vaak op in tentoonstellingen met pijn als thema, maar bij mij roept hij een gevoel op dat ver voorbij de pijngrens ligt”.

 

Met de begrafenis wil hij zich niet bemoeien. “Sommigen schrijven een heel scenario voor hun eigen begrafenis, maar wat heb je daar aan? Rouwen is het privilege van de nabestaanden, zij zijn het die verder moeten met hun verdriet. Ik heb mijn ouders maar één voorwaarde gesteld: ik wil geen religieuze dienst. Ik ben wel katholiek opgevoed, maar kom bij mij niet aanzetten met fabeltjes over het hiernamaals of leven na de dood. Op dat vlak is de mens niet anders dan de hond: dood is dood”.

Belgische David Sylvian

Een week later, het is al laat op de avond. Aan de telefoon, eerder die dag, was Marc in tranen. Moeizaam _ het ademen valt hem steeds zwaarder _ deed hij de catastrofe uit de doeken. Er is iets fout gelopen met de euthanasieprocedure. De wet schrijft een positief advies van drie artsen onder wie een psychiater voor. Iedereen was er blind van uitgegaan dat Wim Distelmans de derde arts was, naast de huisarts en de psychiater. Quod non: de rol van Distelmans beperkt zich tot die van bemiddelaar en verwijsarts. Niet alleen moet er nu dringend een derde dokter worden gezocht. Erger is dat de verplichte wachttijd van een maand opnieuw moet worden overgedaan. We stappen de rook binnen, Ilse is op bezoek. Marc vormt een hoopje ellende in een zetel. Handen klauwen rusteloos door zijn haar, zijn lichaam is nu één grote kramp.  “Dit is er echt teveel aan”, zegt hij snikkend. “Nog een maand langer afzien, ik word gek van de gedachte”.  Ilse, Stephan, ikzelf, we vinden geen woorden. Voor het eerst vallen er ongemakkelijke stiltes, er wordt naar punten van schoenen gestaard. Het is Marc zelf die de ban breekt. Hij wijst naar de prachtige ruiker die hij van de school heeft gekregen. “46 witte rozen”, zegt hij, “één voor ieder jaar. Straks moet ik mijn collega’s vragen er nog één extra te kopen. Ik verjaar op 18 april, net binnen de nieuwe wachttijd”.

Hoe kan hij zo snel de knop omdraaien? Aan tafel, terwijl hij zijn eten met veel moeite zelf oplepelt, rijgt hij de anekdotes uit zijn popverleden aan elkaar. Zijn live reputatie als frontman van Solid State. Op de duur wilden zelfs gereputeerde bands niet meer na hem het podium op.  The Parking Meters, Jo Lemaire, allemaal waren ze beducht voor Marc en zijn Stem, waardoor het volslagen onbekende Solid State steeds hoger op de affiche klom. Wisten we trouwens dat hij nog op het eerste benefiet voor De Morgen heeft gespeeld? Op tafel slingert zijn portfolio van weleer. Getekend Dany Willems, een puike rockfotograaf die hem nog door Arno werd aanbevolen. Nee, Curt Lawrence was geen gelukkige naamkeuze voor een solocarrière, en de volgens Marc onterechte vergelijking met David Sylvian geen cadeau. “We hoeven de Belgische David Sylvian niet”, zo hebben ze hem ooit bij Virgin afgescheept, ‘wij hebben al de echte’. Maar zijn backing vocals, met de onderling kissebissende Dani Klein en BJ Scott, die mochten er wel zijn. Dat ze hem beiden in roem honderdvoudig zijn voorbijgestoken, het boezemt Marc geen greintje frustratie in.  “Ik was mijn eerste CD aan het opnemen in een Luikse studio”, vertelt hij, “ en ineens was ik het allemaal spuugzat. De interviews, de fotosessies, de platenmaatschappij die me in een hokje wilde stoppen waarin ik niet thuis hoorde. Ze zagen in mij een zanger met looks en star potential, terwijl ik mezelf als een muzikant beschouwde. Als ik een bepaald gevoel beter met een cello kon uitdrukken dan met een zangpartij, dan koos ik voor de cello.  Bij de platenmaatschappij werden ze er gek van: wie koopt er nu een single met een cello erop? Ik heb mijn platencontract uitgekocht, ze konden de boom in met hun CD. Denk nu niet dat ik mij een gemankeerde rockster voel. Ik heb nooit achterom gekeken, Curt Lawrence is slechts een van de vele afgesloten hoofdstukken uit mijn leven. Ik ben trouwens muziek blijven maken, voor Jules, voor een kindermusical of gewoon voor mijn plezier. Weet je waar ik echt trots op ben? Niet op dat handvol singles, maar op mijn aandeel in de methode Jules. En vooral: op de brieven van oud-leerlingen die me bedanken omdat ik iets heb betekend in hun leven”.

 

Marc hijst zich overeind, pikkelt naar zijn slaapkamer. “Zonde toch”, zegt Ilse terwijl ze hem nakijkt. “Altijd zo’n spetter geweest. We gingen samen dansen, het is niet eens lang geleden. Hij was al ziek, maar te trots om iets te laten merken. De hele nacht het beest uithangen, om dan drie dagen de trap niet op of af te kunnen van de pijn”. Het is al half twaalf als de laatste gast, een kolos van bijna twee meter, komt binnenwaaien. Steve een toegewijde kinesist noemen, dat is pas een understatement. Al drie jaar staat hij in voor onderhoud en reparaties. Sinds Marc zichzelf uit de buitenwereld heeft verbannen, komt hij na het sluiten van zijn praktijk aan huis. Minstens drie keer per week, dagelijks indien Marc het wenst, maar alleszins nooit voor tien uur ’s avonds. We verhuizen met zijn allen naar de slaapkamer. Handen als kolenschoppen kneden schouders en rug, de patiënt kronkelt van pijn en genot. Steve heeft nog een wapen om Marc aan het kreunen te brengen: humor als korrel 20 schuurpapier. “Waarom laat je die kransen en bloemstukken nu al niet bezorgen? Dan heb je er tenminste zelf wat aan”. Goed voor een notering in de Cynische Top 3 waarin ook Karla figureert. Of het niet wat minder kon met dat kraken van zijn botten, vroeg ze op een keer, hij leek wel een knetterend haardvuur. De absolute uitschieter is evenwel geen wits maar een doodernstige vraag van zijn zestienjarige petekind, ook al een oud-leerling. Waarom wilde hij zich per se laten cremeren?  Omdat, zo legde Marc hem uit, hij die euthanasiespuit toch niet helemaal vertrouwde. Stel je maar eens voor dat hij wakker werd, opgesloten in een donkere kist. Waarop de jongen met een fijn stemmetje: maar je kunt toch ook wakker worden in de oven van het crematorium? Ben je daar dan niet bang voor? “Echt waar”, zegt Marc, “daar was ik de eerste minuten niet goed van”.

Hugo Claus

In de keuken, waar de warme was in een kookpan staat te borrelen, laat Steve zijn pantser zakken. “Het zal moeilijk worden, de laatste keer”, geeft hij toe. “Ik heb al patiënten met euthanasie zien vertrekken, maar dat waren oudere mensen die aan een terminale ziekte leden. Marc is een heel ander verhaal, en niet alleen omdat hij zo jong is. Ik zie hem al drie jaar lang een paar keer in de week, dat schept een band. Zeker met Marc, want hij is absoluut geen alledaags persoon”. Het loopt al tegen half één. Marc zit in zijn zetel, warme was op de schouders, sigaret tussen de vingers. Steve heeft afscheid genomen, Klara speelt Indiase muziek. “Sitar”, mijmert  Marc, “op een af andere manier doet me dat altijd aan muggen denken”.

Weer twee dagen later. Marc aan de lijn. Opgelucht, want de paniek van eergisteren bleek nergens voor nodig. Wie de bron van het misverstand is, doet niet ter zake. Belangrijk is dat de zoektocht naar een derde arts dan toch geen verlenging van de verplichte bedenktijd impliceert. Ineens gaat alles snel. Via Leif, het door Wim Distelmans opgerichte LevensEinde Informatie Forum, wordt de vacature ingevuld. Woensdagmiddag 19 maart, dag op dag een jaar na de euthanasie van Hugo Claus, loopt het sms’je binnen. De huisarts en de Leif-arts zijn gepasseerd en hebben een datum geprikt: het zal op 31 maart gebeuren. ’s Avonds betrap ik Marc met alweer een andere vrouw in bed, dit keer is het Veerle die hem van gezelschap, cola en sigaretten voorziet. De emoties van de dag zinderen na. Hoe de twee dokters zijn arm betastten, op zoek naar de ideale plek om de spuit te zetten. En hoe ze daarna hun agenda’s op elkaar afstemden. Of een dinsdag zou passen, vroeg de ene. Ja, zei de andere, maar liefst niet te laat op de middag. De onderhandelingen over modaliteiten en tijdstip werden letterlijk boven zijn hoofd gevoerd. “Het meest onwezenlijke moment uit mijn leven”, zegt Marc die vanmiddag zichzelf is tegengekomen. Was hij niet de man die altijd riep dat het voor zijn part niet snel genoeg kon gaan? Welnu, het kon heel snel gaan, want de twee dokters waren ook op dinsdag 24 maart beschikbaar. “De schrik sloeg me om het hart”, bekent hij. “Vier dagen, dat is veel te kort. Er valt nog zoveel te regelen, ik moet nog rekeningen afsluiten en abonnementen opzeggen. Maar vooral: het maalt nog teveel in mijn hoofd. Ik wil sereen zijn voor ik vertrek”.

Dagen vliegen voorbij. De pijn houdt gelijke tred met de dosis morfine en heroïne die stelselmatig wordt opgevoerd. Zelfs ademen kan niet meer zonder gekreun. “’t Is ver gekomen”, zegt hij, zoals vaak balancerend tussen zelfbeklag en zelfspot. “Ik hoor zelfs de radio niet meer door mijn eigen lawaai. Televisiekijken, dat heb ik nooit gedaan. Het zou nochtans ideaal zijn in mijn situatie, de perfecte manier om mij zinnen te verzetten. Ik heb het een paar keer geprobeerd, maar al na een kwartier was ik het beu. Zelfs in deze omstandigheden blijf ik het zonde van de tijd vinden. Liefst van al wil zou ik willen lezen, maar dat lukt niet meer. De pijnstillers, ik kan me niet meer concentreren”. Op de ladekast ligt de laatste selectie, onaangeroerd sinds mijn eerste bezoek. Een dikke pil van Steven Pinker over het taalinstinct, een bundel van Toon Tellegen die het van Pablo Neruda heeft gehaald als tekstleverancier voor zijn doodsprentje. “Nietzsches tranen” van de Amerikaanse schrijven en psychiater Irvin D. Yalom is geen lukrake keuze. Marc heeft aan de filosoof met de hamer zowat zijn lijfspreuk  ontleend. Hoop doet leven? “Daar moest Nietzsche mee lachen”, zegt Marc. “Hoop, zo schrijft hij, is het ergste kwaad, omdat het de marteling langer laat duren. Dat is pas een waarheid als een koe”.

grondlegger van het postdetaillisme

Ondanks Nietzsche gaat het met de sereniteit de goede kant op. Op een keer laat hij zijn gitaar aanrukken voor een bedconcert. Hoe ging ook weer dat scabreuze liedje over het ontwaken van een meisje waarmee hij als puber een heel Chiro-kamp heeft geanimeerd? Marc zet een akkoord aan, de woorden komen vanzelf. ‘De eerste keer, het deed zo’n zeer…”. Wat er allemaal meetrilt met die stem, Tom Waits zou er jaloers op zijn. Bij een andere gelegenheid dist hij nog enkele kostelijke anekdotes uit zijn artiestenverleden op. Aan interviews had hij een bloedhekel, altijd weer diezelfde stomme vragen. Hoe zou u zelf uw muziek omschrijven? De radiopresentator wist niet waar hij aan begon toen hij Marc de kans gaf hierover live door te bomen. “Ik zou mezelf situeren in de stroming van het Postdetaillisme”, begon hij met een uitgestreken gezicht. Waarna hij een kwartier lang doorging over de finesses van deze weinig bekende want geheel fictieve kunsttraditie, zonder uiteraard te vergeten het Postdetaillisme in perspectief te plaatsen tegenover het Detaillisme. “Het was sterker dan mezelf”, zegt hij. “Yves Desmet heeft me voor Radio Reflex ooit gevraagd waarover mijn song ‘Vision in Red and Blue’ ging. Simpel, flapte ik eruit, over de politieke en sociale toekomst van België. Lulkoek natuurlijk, die song gaat over Weltschmertz. Uw antwoord klinkt tamelijk utopisch, zei Desmet nog. Maar ziet , Paars is er toch van gekomen”.

Het tamtamgeroffel is intussen tot een fanfaredreun aangezwollen. Vrienden en kennissen staan erop afscheid te nemen, ultieme bezoeken worden door nog ultiemere gevolgd. “Het is vreemd”, vertrouwt hij me een van de laatste middagen toe, “ondanks de drukte voel ik me eenzamer dan ooit. In de laatste rechte lijn sta je er altijd alleen voor. Alleen met mijn alter ego, de Pijn. Het is tijd om dat alter ego voorgoed het zwijgen op te leggen”. Of hij dan nooit verbittering voelt? “Ik heb er tegen gevochten”, geeft hij eerlijk toe. “Een paar werd ik overvallen door een vlaag van pathos. Waarom moet dit mij toch overkomen, spookte het door mijn hoofd. Dan riep ik mezelf tot de orde. En waarom ook niet, Marc Lauwers? Waarom iemand anders en jou niet?”.

Zondagavond 29 maart. Carla en Alexy liggen bij Marc in bed, Steve’s laatste massagebeurt wordt met champagne gevierd. Marc brengt een toast uit, ‘op het leven’. Na de kine laten we hem alleen met zijn favoriete beul. Afscheid nemen, het valt op geen enkele school te leren. Na tien minuten komt Steve de slaapkamer uit. Big boys don’t cry, maar veel scheelt het niet. Het is intussen maandag geworden. Vanmiddag komen nog zijn ouders, Veerle en David, maar vanaf een uur of vijf wil hij niemand meer horen of zien. “Ik wil me terugtreken in mijn hoofd”, zegt hij. “Dat heb ik altijd goed gekund”.

Dinsdag. Het is bijna drie uur als het verslag van de correspondent ter plaatse binnenloopt. De pijn was vanmorgen heviger dan ooit, misschien een laatste stuiptrekking van zijn alter ego dat besefte dat ook zijn rijk bijna uit was. Ondanks, of juist dankzij die kwelling, was Marc een toonbeeld van wilskracht. Geen moment van aarzeling, hij heeft er alles aan gedaan om het de aanwezigen gemakkelijk te maken. Dat ze toch maar zijn bril in de kist moesten leggen. Want mocht er toch zoiets als reïncarnatie bestaan, dan wil hij de volgende keer wel de kleine lettertje van het contract lezen. Omstreeks één uur, zoals afgesproken, zijn de dokters gearriveerd. Terwijl ze spuit prepareerden, heeft Marc de aanwezigen een voor een in zijn slaapkamer ontboden. Het is geen tranenbad geworden, daar heeft hij de pest aan. Komt er nog wat van, schijnt hij naar de dokters in de belendende kamer te hebben geroepen. Om kwart voor twee was het allemaal voorbij. Bastos is een belangrijke klant kwijt, Klara telt een trouwe luisteraar minder. De vader van het Postdetaillisme is niet meer.

!cid_E2D71902-578E-4820-91EF-197A23BDB488@lan_dn

 foto: Stephan Vanfleteren