Maandelijks archief: november 2011

Black Panther Robert King over 30 jaar isoleercel

 

“Ik heb in Angola gevangenen letterlijk krankzinnig zien worden”

verschenen in weekendbijlage Zeno, De Morgen, 12 november 2011

!cid_209B5408-0CA6-486D-A7D6-8609FEC237B9@telenet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

foto Yann Bertrand

Herman Wallace en Albert Woodfox hebben een triest record gebroken. De twee Black Panthers zitten al 39 jaar in eenzame opsluiting in het beruchte gevangeniscomplex Angola-Louisiana. Amnesty International voert wereldwijd campagne tegen deze onmenselijk straf. Boegbeeld is een ervaringsdeskundige die zelf drie decennia isoleercel in Angola heeft overleefd. De Morgen had een exclusief interview met Robert King, een Black Panther die niet zal rusten vooraleer zijn gekooide vrienden worden vrijgelaten.

 

Het kost niet veel moeite om in de 69-jarige Robert King de semiprofessionele bokser te herkennen die hij ooit was. Hij ziet er nog altijd afgetraind uit, er schuilt punch in de bewegingen waarmee hij zijn betoog ondersteunt. En toch. Boxing days are over, hij reageert zelfs ietwat gegeneerd als we dit aspect van zijn autobiografie oprakelen. Ach, wuift hij weg, die hele bokscarrière stelde niet veel voor. Ongelijk heeft hij niet, het valt zelfs mathematisch te bewijzen dat de halfbakken loopbaan als pugelist weinig meer dan een intermezzo was. Toen Robert King in 2001 de gevangenis verliet, had hij immers tweederden van zijn leven als bajesklant doorgebracht. Bijna veertig jaar, waarvan 29 in eenzame opsluiting. Dat is geen Amerikaans record, die twijfelachtige eer komt zijn vrienden Herman Wallace (69) en Albert Woodfox (64) toe. Beide Afro-Amerikanen kreunen intussen al 39 jaar onder het closed cell restriction-regime, tot zeer onlangs  in dezelfde gevangenis waar ook Robert King zijn beste jaren heeft zien verdampen. Lousiana State Penitentiary, beter bekend en berucht onder de naam Angola, het herkomstland van de slaven die eertijds op deze omgebouwde plantage werkten.  

De Angola  3 worden ze genoemd. King, Wallace en Woodfox, samen goed voor meer dan 100 jaar eenzame opsluiting. Genoeg om uit te groeien tot een symbool voor mensenrechtenorganisaties die het onmenselijke karakter van deze straf aanklagen. Maar de aversie voor solitary confinement levert slechts de helft van het campagneverhaal. Er zijn ook ernstige twijfels gerezen over de verschillende processen tegen de Angola 3.  De drie werden telkens zonder materieel bewijs veroordeeld, op basis van hoogst dubieuze getuigenverklaringen. King kreeg in 1974 levenslang voor medeplichtigheid aan moord op een medegevangene, Wallace en Woodfox hoorden dezelfde straf uitspreken voor de in 1971 gepleegde moord op de blanke cipier Brent Miller. De zaak van de Angola 3 doet sterk denken aan andere symbooldossiers zoals dat van de terdoodveroordeelde Afro-Amerikaanse activist Mumia Abu-Jamal en de tot twee keer levenslang veroordeelde Indianenleider Leonard Peltier. Behalve de twijfelachtige bewijsvoering is racisme de gemene deler. Als lid van een minderheid voor een blanke grand jury verschijnen, het was geen cadeau in het door en door racistische deep South van de jaren 70. Zonder de plot meteen te willen weggeven: het is geen detail dat de Angola 3 op het moment van hun veroordeling lid waren van de Black Panther Party, net zoals Mumia Abu-Jamal overigens. De militante zwarte beweging stond destijds bij de FBI helemaal bovenaan de lijst van staatsgevaarlijke organisaties.

Uiteraard is enige scepsis gepast. Zoals overal zitten ook de Amerikaanse gevangenissen vol zelfverklaarde onschuldigen. Maar ook Amnesty International is er van overtuigd dat de Angola 3 er werden ingeluisd. Wallace en Woodfox figureren al meer dan tien jaar op de befaamde watch list met urgente dossiers die om internationale aandacht schreeuwen. En zo komt het dat we Robert King in Clapham ontmoeten, een residentiële wijk in Zuid-Londen waar Amnesty-campaigner Nina Kowalska een rijhuis betrekt. De twee zijn net terug van een vierdaagse in Spanje, gisteravond nog gaf King een uiteenzetting voor rechtenstudenten in Malaga. Straks is hij weer te gast op een studieavond van de Londense balie van strafpleiters, samen met de regisseur van ‘In the land of the free’. De schokkende documentaire, ingesproken door Hollywood-acteur Samuel L. Jackson, is een speerpunt in de campagne van steuncomité Angola 3. Film en comité worden overigens gesponsord door Gordon Roddick, de weduwnaar van Body Shop-stichter Anita Roddick die zich persoonlijk geraakt voelde door het lot van Wallace en Woodfox.

Hoe het staat met hun dossier? De uitleg van King, die zich als autodidact in het Amerikaans strafrecht heeft verdiept, doet ons naar adem doen happen. Complex is dan ook het minste dat men over deze materie kan zeggen. Er is om te beginnen het fundamentele verschil tussen state en federal level. Zeker als het over strafrecht gaat, genieten de vijftig staten een zeer grote mate van autonomie. Het verhaal van de Angola 3 speelt zich niet toevallig in Louisiana af. Nergens in Amerika leven verhoudingsgewijze meer burgers achter de tralies, in overgrote meerderheid zwarte mannen. Nergens anders bovendien maken gevangenisdirecteurs zo gretig gebruik van closed cell restriction, een tuchtmaatregel die normaal alleen wordt gebruikt om gevaarlijke gedetineerden of onruststokers tijdelijk te neutraliseren. Maar Kings relaas vergt nog meer voorkennis. Dat district attorneys, zeg maar de tegenhanger van onze procureurs die het vervolgingsbeleid voeren,  meestal niet benoemd maar verkozen worden en bijgevolg erg vatbaar zijn voor de druk van politiek en publieke opinie. In het systeem zitten nog meer ongezonde dwarsverbindingen. In beroep gaan en geconfronteerd worden met een rechter die tien jaar eerder in dezelfde zaak als prosecutor optrad? It only happens in America, zullen enkele Britse strafpleiters vanavond na de film betogen.  

“Niet alle schedelbreuken waren het gevolg van een zelfmoordpoging”

Zowel Wallace als Woodfox voeren intussen beroepsprocedures op federaal niveau, onthouden we uit Kings exposé. “Er is in beide dossiers hoop op een doorbraak”, zegt hij, “maar het sleept allemaal tergend lang aan. In 2008 heeft een federale rechter Alberts veroordeling ongedaan gemaakt, wegens de manifeste schending van zijn grondrechten tijdens het eerste proces. Een overwinning, jazeker. Maar het probleem is dat de DA na ieder gunstige uitspraak beroep aantekent. In 2010 heeft een andere rechtbank de oorspronkelijke veroordeling weer bevestigd. Nu zit de zaak opnieuw bij het Federale Hof, de eerste hoorzitting is pas in januari 2012 gepland”.  Zijn vrienden zitten intussen niet langer in Angola. Wallace verhuisde in 2009 naar Elaine Hunt Correctional Center, een jaar later verkaste Woodfox naar David Wade Correctional Center. “Een poging om zowel hun weerstand als de campagne te breken”, zegt King. “Ze kunnen elkaar niet meer steunen, het is ook veel moeilijker voor familie en sympathisanten om hen op te zoeken. Hun isolement is groter dan ooit, want ze zitten nog altijd in eenzame opsluiting, 23 uur per dag in een cel van 1,8 bij 4,5 meter. Kijk, de campagne is een tweesnijdend zwaard. Hoe groter de druk op Louisiana, hoe groter de verbetenheid waarmee ze Herman en Albert in de cel proberen te houden. Iedereen weet dat ze onschuldig zijn, zelfs de weduwe van Brent Miller is ervan overtuigd. Maar voor Lousiana is dit een politieke zaak. De directeur van Angola heeft dat trouwens toegegeven. Albert moet absoluut geïsoleerd blijven, verklaarde hij, want anders zou hij weer beginnen met het opruiende gedachtegoed van de Black Panthers te verspreiden”.

Na bijna  40 jaar eist het gevangenisregime zijn tol. Claustrofobie, diabetes, hypertensie, slaap- en geheugenstoornissen zijn enkele van de medische klachten die door advocaten werden  gerapporteerd. Robert King is de laatste om zich daarover te verbazen. “Eenzame opsluiting is onmenselijk”, zegt hij als ervaringsdeskundige. “Ik heb in Angola gevangenen krankzinnig zien worden, hen letterlijk met hun hoofd tegen de muur zien bonken. Er waren er die hun cel met de blote hand probeerden af te breken, tot er een scherf afviel waarmee ze hun polsen konden doorsnijden. Hoeveel zelfdodingen en pogingen daartoe ik in die jaren heb meegemaakt, ik zou het niet meer weten. Maar niet alleen het isolement dreef de mensen tot waanzin, we leefden onder constante terreur . Cipiers behandelden ons als beesten, ieder poging tot verzet werd met bruut geweld de kop in gedrukt. Niet alle schedelbreuken waren het gevolg van een zelfmoordpoging”.

Zelf is hij na 29 jaar eenzame opsluiting met opgegeven hoofd Angola buiten gestapt. Ongebroken, sereen, meer bezield door een missie dan verteerd door wraakgevoelens. Het klinkt haast als een zinsnede uit de biografie van Nelson Mandela, al springen de verschillen meteen in het oog. Mandela verdween in de gevangenis omdat hij een idealist was, King werd een idealist omdat hij in de gevangenis zat. De transformatie staat uitvoerig beschreven in ‘From the bottom of the heap’, de zeer lezenswaardige autobiografie waarvan de eerste hoofdstukken in Angola werden geschreven. Robert King is tamelijk letterlijk op straat opgegroeid, nadat hij als baby door zijn alleenstaande, alcoholverslaafde moeder bij zijn oma werd gedumpt. Die mocht suikerriet kappen zoveel ze wilde, het was armoe troef in de met ooms, tantes, neven en nichten gevulde menagerie. Mede dank zij zijn grote mond en snelle vuisten kon hij zijn mannetje staan in de ruige wereld van downtown New Orleans. Gang fights, kruimeldiefstallen, verbeteringsinstituut, King was geen onbeschreven blad toen hij als achttienjarige voor het eerst zwaar in aanvaring kwam met justitie. “I was no angel”, geeft hij grif toe. “Maar met die bankoverval had ik niks te maken, al kende ik wel een van de twee daders. Dat was het toppunt: er waren twee daders, maar op het proces hebben vier beklaagden schuldig gepleit”.  Hoe dat kan? Een grijns verschijnt op Kings gezicht, wie niet beter weet, zou denken dat hij er na al die jaren de humor van inziet. “We waren jong en naïef”, zegt hij. “We geloofden alles wat onze pro-Deoavocaat ons wijsmaakten. Dat we het niet gedaan hadden, deed volgens hem niet ter zake. De blanke jury zou ons toch niet geloven en ons schuldig verklaren waarna we vanzelf de maximumstraf zouden krijgen. Gewapende overval, daar stond toen 30 jaar op. Pleit liever schuldig, zeiden onze advocaten, en aanvaard de plea bargain van de prosecutor die tien jaar aanbiedt. En zo is het gegaan, ze hebben me voor tien jaar naar Angola gestuurd”. Een schokkend verhaal? King haalt de schouders op. “Dat was toen schering en inslag”, zegt hij. “Zwarten werden lukraak van de straat geplukt, het volstond dat je toevallig in de buurt van een gezochte misdadiger vertoefde. Schuldig of onschuldig, daar werd niet naar gekeken. Hoe meer zwarten achter de tralies, hoe beter, ook voor het gevangenissysteem. Angola is niet toevallig een omgebouwde plantage. De slavernij is afgeschaft, maar we werden er als slaven behandeld”.

“De Panthers gaven in de gevangenis onderricht over black consciousness, en over de mechanismen achter slavernij en uitbuiting. Het was een openbaring”

Angola is een fenomeen. 18.000 hectaren vruchtbare landbouwgrond , ingesloten tussen de Mississippi en een ondoordringbare wildernis. Ontsnappen is zo goed als onmogelijk voor de 5.000 gevangenen, overwegend langgestraften van wie 90 procent in Angola sterft. Behalve een gevangenis is Angola een bedrijf met uitzonderlijk goedkope arbeidskrachten die niet alleen katoen, soja, maïs, groeten en fruit verbouwen, maar ook ateliers bevolken waar externe klanten diverse producten zoals nummerplaten, matrassen en speelgoed laten vervaardigen. Niet iedereen is evenwel productief. 1.500 gevangenen zitten effectief opgesloten, onder regimes van variabele strengheid. Closed cell restriction, death row, het leek ver van zijn bed toen King in Angola belandde en er een keukenbaantje versierde. Hij zou negen van de tien jaar effectief uitzweten, ook al omdat een periode van voorwaardelijke vrijheid abrupt eindigde. King werd met een vriend gearresteerd bij een auto waarin een blanke man zijn dronken roes lag uit te slapen. Om te zien of we konden helpen, heeft hij altijd volgehouden. Om de chauffeur te beroven, luidde de verdenking. Na elf maanden voorarrest werd de zaak geklasseerd, er had zich trouwens niemand als slachtoffer gemeld. “Ik zag mezelf al naar huis terugkeren”, zegt hij. “Maar omdat mijn medeverdachte op aanraden van zijn advocaat wel schuldig had gepleit, oordeelde men dat ik door het optrekken met een veroordeelde crimineel mijn probatievoorwaarden had geschonden. Ik moest dus terug naar Angola, ook al was ik intussen getrouwd en was mijn vrouw hoogzwanger. Het heeft twee jaar geduurd vooraleer ik mijn zoontje in Angola mocht zien”.

Hoeveel tegenslag kan een mens verduren? Robert junior stierf op vijfjarige leeftijd aan kanker. Intussen was King een derde keer veroordeeld. Medeplichtig aan een gewapende overval, het klinkt als the story of his life. “Ik was zogezegd de chauffeur”, zegt hij, “ook al ging het volgens de enige ooggetuige om een man van veertig. Die keer ben ik erbij gelapt door mijn medebeklaagde. Door mij aan te wijzen gaf hij de politie wat ze wilde horen, terwijl de echte mededader buiten schot bleef. Tot eenieders verbazing heeft hij dat op het proces ook toegegeven, uit gewetenswroeging. Dacht je dat de jury ernaar luisterde? Guilty as charged, was het verdict”. Recidivist King kreeg 35 jaar, een termijn waar na een ontsnappingspoging uit New Orleans Parish Prison nog eens 8 jaar bovenop kwam. Het was 1970, een jaar later werd hij naar Angola overgebracht. “Ik herkende de plek niet meer”, zegt hij. “Angola was aangestoken door de tijdsgeest. Buiten woedde de burgerrechtenbeweging, in het hele land werd tegen de Vietnam-oorlog betoogd. Ook binnen heerste een revolutionair klimaat. Gevangenen kwamen op voor hun rechten, ze lieten zich niet meer vernederen en mishandelen door de cipiers. Het waren Black Panthers die het verzet leidden, onder hen ook Albert en Herman die ik pas toen heb leren kennen. Ik was erg onder de indruk van hun attitude en sloot me meteen aan. De Panthers gaven in de gevangenis onderricht over black consciousness, en over de mechanismen achter slavernij en uitbuiting. Het was een openbaring, ik werd politiek bewust en begon als een bezetene te lezen, mijn eerste boek was er een van Frederick Douglass”.

De timing is toeval: twee weken voor Kings aankomst in Angola werd cipier Brent Miller in een overbevolkte refter aangetroffen, badend in een plas bloed. Het moordonderzoek spitste zich toe op vier verdachten, allemaal Black Panthers van wie uiteindelijk de twee belangrijkste leiders werden veroordeeld. En zo verdwenen Wallace en Woodfox in eenzame opsluiting, het was 1972. “Ze hebben de moord aangegrepen om het verzet uit te roeien”, zegt King  “Zelfs mij hebben ze aan die zaak proberen te linken, terwijl ik het moment van de moord niet eens in Angola vertoefde”. King had zich intussen zelf tot een leidersfiguur ontpopt, de represailles nam hij voor lief. “Ik zat haast constant in een van de zeven CCR-vleugels, samen met Albert. Ook daar bleven we het verzet organiseren. We zaten wel alleen op cel, maar we konden naar elkaar roepen en geschreven boodschappen doorgeven. Als we het te bont maakten, vlogen we naar Camp J, de overtreffende trap van eenzame opsluiting. In Camp J mocht je maar een kwartier per dag op wandeling, zelfs douchen moest met de handboeien om. Daar heb ik gezien hoe mensen letterlijk werden gekraakt. Ik heb in totaal twee jaar in Camp J gesleten, veel langer dan reglementair toegelaten. Maar mij hebben ze nooit klein gekregen. Mijn sterkte, dat was mijn onwrikbare overtuiging. Ik wist waarom ik in de gevangenis zat, niet als misdadiger maar als politieke gevangene. Zo kijk ik ook op die periode terug. Het is de strijd die betekenis heeft gegeven aan mijn leven”.

 ”I’m free from Angola, but Angola ain’t free from me”.

Vechtpartijen tussen gedetineerden waren dagelijkse kost. Vaak met bloederige gevolgen, want iedereen hield een mes paraat bij wijze van zelfverdediging. King was een van de tien toeschouwers bij een duel met dodelijke afloop. Tot zijn stomme verbazing zou hij luttele maanden later als mededader terecht staan voor een grand jury in Francisville, een nabijgelegen stadje waar nagenoeg alle inwoners in Angola werkten. Veroordeeld worden tot levenslang, het lijkt een detail als je eerder al  42 jaar hebt gekregen. Maar het vonnis maakte wel degelijk verschil. Ook King verhuisde permanent naar de CCR-afdeling, hij zou er 27 jaar verblijven.  Het blijft voor een leek onbegrijpelijk. In 1988, veertien jaar na zijn laatste veroordeling, denkt King goud in handen te hebben. De twee getuigen die hem aan de galg hadden gepraat, hebben intussen wroeging gekregen. Onder ede leggen ze nieuwe verklaringen af, waarin ze toegeven op het proces te hebben gelogen, onder druk van de gevangenisdirectie. Maar de hoop is voorbarig. Ondanks de ontlastende verklaringen lopen demarches voor een herziening van het vonnis of een nieuw proces keer op keer vast op procedurele gronden. “Zo werkt het systeem”, zucht King. “Onschuld is geen wettelijke claim eens je veroordeeld bent. Je mag alleen procedurele argumenten aandragen: dat je grondwettelijke rechten werden geschonden, of dat je geen eerlijk proces hebt gekregen. Het komt er op aan tijdens die procedures je onschuld te laten doorschemeren”. Van mazzel gewagen zou cynisch zijn, maar King beseft dat het nog erger had gekund. Zonder Chris Aberley zat hij wellicht nog in hetzelfde schuitje als Wallace en Woodfox. De jonge advocaat, pro Deo aangesteld door een federale rechtbank, beet zich als een pitbull vast in het dossier van zijn allereerste cliënt. Het heeft hem negen jaar gekost, maar hij vond het gat in de muur van procedures die door de district attorney werd opgeworpen. Ironisch genoeg verliet King Angola met dezelfde kunstgreep die hem 40 jaar eerder in de gevangenis had doen belanden, een plea bargain. Zijn onschuld bewijzen op een nieuw proces werd hem immers niet vergund. De enige garantie op onmiddellijke vrijlating was schuldig pleiten aan de minder zware betichting van aansporing tot moord.

Al tien jaar vrij. Horen we niet stilaan van de Angola 2 te spreken? De gemeten voorzet wordt met een retorische vraag in doel gekopt. “Vrijheid”, zegt King, “wat betekent dat? Angola laat me niet los, en ik laat Angola niet los. Dat besef was er onmiddellijk, toen ik na dertig jaar de gevangenis buitenstapte. I’m free from Angola, dacht ik toen ik achterom keek, but Angola ain’t free from me. De strijd was niet gestreden. Zelfs als Albert en Herman vrij zijn, gaat de strijd verder. Ik mag nu staan en gaan waar ik wil, maar ik voel me nog altijd de gevangene van een onrechtvaardig en racistisch systeem”. De recente executie van Troy Davis, een Afro-Amerikaan die na een omstreden proces ter dood werd veroordeeld, was voor King een zware klap. “Toch heb ik hoop”, zegt hij. “Hebben jullie dat gehoord van die massabetogingen in Amerika? Mensen komen eindelijk op straat, blanken zowel als zwarten. Het gebeurt niet alleen in New York, het broeit in alle steden van Amerika. Het doet me denken aan de contestatiegolf uit de jaren zeventig. Let op mijn woorden: er hangt iets in de lucht, de mensen zijn het systeem spuugzat”.