Maandelijks archief: februari 2013

Jef Vermassen over het proces De Gelder

verschenen in Knack, 6 februari 2013

 

DSC_0775

 

 

 

 

 

 

 

Praten over het dossier De Gelder mag hij niet, maar over processen des te meer. Assisen? Na meer dan veertig jaar praktijk blijft Jef Vermassen een onvoorwaardelijk voorstander. Traag, inderdaad, maar de grondigheid van een volksjury is onbetaalbaar. Slachtoffers vinden er loutering, en één enkele keer komt de volle waarheid pas in de assisenzaal bovendrijven. Gesprek met Vlaanderens bekendste advocaat die onschuldig pleit op de aanklacht van mediageilheid.

*******

We zijn net goed van stapel gelopen als zijn gsm overgaat. De Kruitfabriek aan de lijn. Of hij vanavond naar de studio wil komen voor een babbel over Freddy Horion? Het zou meer bepaald gaan over de weigering van de Brugse strafuitvoeringsrechtbank om de zesvoudige moordenaar na 32 jaar cel onder elektronisch toezicht te plaatsen. Jef Vermassen (65) wimpelt beleefd maar beslist af. De Aalsterse strafpleiter zweert al jarenlang bij dezelfde regel. Niet in het openbaar spreken over Freddy Horion, zijn oud-cliënt wiens proces hem destijds in één klap beroemd heeft gemaakt.

Al een geluk dat we bij het begin van het interview geen weddingschap zijn aangegaan. ‘Je zult het zien”, had Vermassen voorspeld terwijl hij koffie serveerde, “de voormiddag zal niet verstrijken zonder dat we door een van uw collega’s worden gestoord. De laatste weken is het niet te doen. Televisie, radio, kranten en tijdschriften, allemaal komen ze aan mijn mouw trekken. Vorige week heb ik op één dag tien mensen van de media aan de lijn gehad, voor drie verschillende dossiers. Vermassen is mediageil, zeggen de mensen dan. Maar het is net andersom, het zijn de media die me achterna lopen. Als ik zou willen, kwam ik om de andere dag op de televisie. Maar zeg nu eerlijk, zie je mij zo vaak op de televisie? Nee, want ik ben heel selectief, van tien verzoeken wijs ik er negen af. Dat is desondanks nog veel in de media kom, ligt buiten mijn wil. Ik ken collega’s die zelf journalisten bestellen als ze in belangrijke zaken gaan pleiten. Daar heb ik me nooit toe verlaagd, de meeste zaken waarin ik pleit, lokken vanzelf belangstelling”.

Dat zal niet anders zijn wanneer op 22 februari Kim de Gelder voor het Gentse Hof van Assisen verschijnt. Het proces wordt in alle opzichten buitenissig. Om te beginnen zijn de vier jaar geleden gepleegde feiten niet alledaags.  Het begon met de onverklaarbare moord op Elza Van Raemdonck, een gepensioneerde boerin uit Vrasene. Een week later richtte een in het zwart geklede man met een mes een bloedbad aan in een stedelijke kinderkribbe in Dendermonde.  Twee baby’s en een begeleidster werden doodgestoken, twaalf anderen bleven zwaar gewond achter. De dader werd snel opgepakt, een twintigjarige eenzaat die ook de moord in Vrasene bekende. Kim De Gelder, een jongen zonder strafblad, maar met een psychiatrisch verleden.

Het proces wordt het grootste ooit georganiseerd voor een Vlaams assisenhof, met 78 burgerlijke partijen, 170 getuigen en liefst 29 advocaten onder wie heel wat kleppers. Eén tegen allen, was een populaire kop boven de voorbeschouwingen die de voorbije weken verschenen. Meester Jaak Haentjens staat voor de eenzame opdracht om Kim De Gelder te verdedigen. Zijn strategie is geen geheim: Haentjens zal de jury ervan proberen te overtuigen dat zijn cliënt niet toerekeningsvatbaar is en dientengevolge geïnterneerd moet worden. Maar één tegen 28 confraters? Het belooft toch vooral een duel Haentjes versus Vermassen te worden. “Ik verdedig de nabestaanden van drie van de vier dodelijke slachtoffers”, zegt hij. “In totaal vertegenwoordig ik daarmee 18 burgerlijke partijen. Behalve Haentjens ben ik de enige advocaat die met de twee moordpartijen te maken heeft en die het proces bijgevolg van de eerste tot de laatste dag moet volgen. Logisch dus dat ik van alle burgerlijke partijen het meest aan het woord zal komen. Maar ik stuur niet aan op een tweestrijd, ik zie assisen liever als een gemeenschappelijke  zoektocht naar waarheid en gerechtigheid”.

De Gelder is wel toerekeningsvatbaar, zal Vermassen wellicht proberen aan te tonen. Met welke argumenten, daarover wil en mag hij vandaag niet uitwijden. De  stafhouders van de betrokken balies hebben hun advocaten strikte communicatieregels opgelegd. Geen woord over de inhoud van het 20.000 pagina’s dikke dossier, het proces mag niet in de media maar uitsluitend in de assisenzaal worden gevoerd. Geen evidente regel, want advocaten lekken doorgaans erger dan een spindoctor.  “Ik heb geen probleem met die zwijgplicht”, zegt Jef Vermassen. “Zolang de regels maar voor iedereen gelden. Ik was dan ook verbaasd toen ik meester Haentjens na de preliminaire zitting voor de camera’s allerlei verklaringen hoorde afleggen. Dat zijn cliënt geen komedie had gespeeld, maar dat zijn verwarde indruk een weerspiegeling van zijn geestestoestand was. Blijkbaar had mijn confrater van onze stafhouder toestemming gekregen om zijn standpunt te verduidelijken. Vervelend dat het achter mijn rug om gebeurde, want ik had best willen reageren. Vervelend ook voor mijn cliënten die zo’n publieke verklaring in hun maag gesplitst kregen. Waarom laat je dat passeren, zijn sommigen me komen vragen. Ik kan alleen maar hopen dat daarmee de toon niet is gezet, en dat het proces sereen wordt gevoerd, in de assisenzaal”.

-          We mogen het niet over het dossier maar wel over het proces hebben. Het wordt een massaspektakel met 78 burgerlijke partijen en 29 advocaten. Is dat nog werkbaar?

Vermassen: “Het is nooit eerder vertoond, en de infrastructuur is er ook niet op berekend. Alleen al met de slachtoffers en de advocaten zit de zaal vol. Publiek kan er niet meer bij, zelfs journalisten zullen een beurtrol moeten afspreken. Natuurlijk, men kan het hele proces op een scherm in de relaiszaal volgen. De grondwettelijk verplichte openbaarheid wordt dus gewaarborgd, maar het is geen ideale oplossing. Ook op het proces over de parachutemoord en het proces Janssen heb ik staan pleiten terwijl het publiek in een relaiszaal zat. Okay, de belangrijkste toehoorders blijven de twaalf juryleden. Niettemin: de emoties van de zaal spelen mee. Het applaus als een slachtoffer over zijn leed getuigt, het zuchten wanneer de wetsdokter de gruwelen uit de doeken doet. Onwillekeurig heeft dat in een invloed op de jury”.

-          Ook slachtoffers die geen fysiek letsel hebben opgelopen, zoeken genoegdoening. De buren van Elza Van Raemdonck hebben De Gelder nooit gezien, maar achteraf vernomen dat hij nog voor de moord op de bejaarde boerin aan hun deur gestaan heeft met de intentie binnen te breken. Hij heeft dat plan onverrichter zake laten varen om een huis verderop een gemakkelijker slachtoffer te maken. Oef, hadden die buren kunnen reageren. Mooi weggekomen, en het leven gaat voort. Maar nee, ze hebben de Antwerpse toppleiter Walter Damen ingehuurd om zich op het proces te laten verdedigen. Moet dat zo nodig?

Vermassen: “Geen commentaar, want anders moet ik op de inhoud van het dossier ingaan. Maar in het algemeen: de wildgroei van burgerlijke partijen op dit soort processen heeft een triviale verklaring, namelijk verzekeringen. Tegenwoordig heeft nagenoeg iedereen een familiale polis met rechtsbijstand, een optie die maar een paar euro per jaar kost. Als de titularis of een van zijn gezinsgenoten het slachtoffer van een misdrijf wordt, heeft hij recht op bijstand door een advocaat naar keuze. Ook bekende strafpleiters, ik factureer in dit proces trouwens zelf aan een hele rist verzekeringsmaatschappijen. Ik ben ervan overtuigd: zonder die populaire verzekeringsclausule stonden er straks veel minder burgerlijke partijen en advocaten op het proces De Gelder”.

-          Er doen verhalen de ronde over bekende advocaten die zelf hun diensten aan burgerlijke partijen aanbieden. Desnoods pleiten ze gratis, het is hen te doen om de mediabelangstelling en publiciteit die onvermijdelijk met een assisenproces gepaard gaat. Wat is daar van aan?

Vermassen: “Ik hoor die verhalen, maar ik spreek me niet uit over mijn confraters. Het is natuurlijk een feit dat zo’n assisenproces een visitekaartje is. En om het toch maar even over de zaak De Gelder te hebben: niet alle burgerlijke partijen hebben een even groot aandeel.  Bij de behandeling voor de raadkamer heb ik in mijn eentje haast even lang gepleit als al mijn confraters samen. Logisch, over een dodelijk slachtoffer pleit je nu eenmaal langer dan over een baby die er met een schram is afgekomen. Toch betwijfel ik of die verhoudingen ook op het proces worden doorgetrokken. Het zou niet de eerste keer zijn dat een advocaat oeverloos pleit over een bagatel. Profileringdrang, het is van alle tijden”.

-          Ondanks uw dikke stapel dossiers zullen de meeste ogen op meester Haentjens gericht zijn. Het heeft ook iets heroïsch, een publieksvijand zoals Kim De Gelder verdedigen. Had u niet graag in zijn schoenen gestaan?

Vermassen: “Nee, bedankt.  Ik heb al meermaals in die schoenen gestaan, ik weet hoe het voelt.  Advocaat van de duivel spelen kan interessant zijn voor je reputatie, maar je moet tegen de immense druk bestand zijn. Heel veel mensen maken geen onderscheid tussen de misdadiger en zijn advocaat. Wie een groot crimineel verdedigt, is in hun ogen zelf een groot crimineel. Ik heb het meegemaakt op het proces Horion. Bij de ingang van de rechtszaal werd een man, een ex-gedetineerde nota bene, tegengehouden met een slagersmes op zak. Om Vermassen neer te steken, verklaarde hij, want iemand die zo’n monster verdedigt, is het niet waard te leven. Kijk, het is een verheven taak om een dader zoals De Gelder te verdedigen. Zeker als pro deo, want dan sta je daar als iemand die door de maatschappij werd aangesteld. Maar ik vind het even nobel om een burgerlijke partij goed bij te staan. Ook voor slachtoffers staat er ontzettend veel op het spel, ze kijken met hooggespannen verwachtingen uit naar zo’n proces. Eindelijk hopen ze een antwoord krijgen op de vragen die door hun hoofd malen. Hoe is hun dierbare precies gestorven? En de allerbelangrijkste vraag: waarom? Niks erger dan een assisenproces dat afloopt zonder die cruciale vragen te beantwoorden. Dat steekt me trouwens nog altijd als ik aan het proces Janssen terugdenk. De nabestaanden zijn met meer vragen vertrokken dan waarmee ze waren gekomen. Wat deze zaak dan weer extra pijnlijk maakt, is de toevalsfactor. Voor hetzelfde geld was De Gelder een andere woning of een andere crèche binnengevallen en zat er in de assisenzaal een heel ander publiek op de banken van de burgerlijke partij.  Dat verklaart ook de intense belangstelling voor de hele zaak. Hoe groter het toeval, hoe groter de identificatie door de buitenwereld. Neem nu iemand die door de jaloerse echtgenoot van zijn minnares wordt vermoord. Eigen schuld dikke bult, zullen de mensen dan reageren, hij had maar geen minnares moeten nemen. Hier gaat die redenering niet op, we konden allemaal het slachtoffer van De Gelder zijn geweest. Voor de nabestaanden is die toevalsfactor een extra kwelling die het verwerkingsproces bemoeilijkt en zelfs schuldgevoelens aanwakkert. Wat als, spookt het door hun hoofd. Wat als ik die dag verlof had genomen? Dan was mijn kind misschien niet dood”.

-          Het hele proces zal draaien rond de vraag over de toerekeningsvatbaarheid van de beschuldigde.  U zult het er niet eens mee zijn, maar als leek denk je wat ook de bekende psychiater Dirk De Wachter onlangs in een interview liet optekenen. Die jongen is ziek, punt aan de lijn.

Vermassen: “Ik heb dat ook gelezen, maar ik ga daar nu geen commentaar op geven. Die houding kan ik ook aanbevelen aan al diegenen die het dossier niet hebben gelezen, maar die zich desalniettemin als deskundigen laten opvoeren. In Telefacts zag ik een bekende gerechtspsychiater die niet bij de zaak betrokken is, commentaar geven op uittreksels van het dossier. Pijnlijk en vooral misleidend, want het was duidelijk dat hij de context onvoldoende kende. Maar laat me de vraag wat ruimer beantwoorden. Ik heb al in heel veel assisenprocessen gepleit. Welnu, in al die jaren ben ik nog nooit een beschuldigde tegengekomen die niet gestoord was. Daarmee bedoel ik dus iemand die in zijn manier van handelen en denken niet van een normaal mens afwijkt. Zijn Anders Breivik en Roland Janssen normale mensen? Allesbehalve, maar dat wil niet zeggen dat ze geestesziek of ontoerekeningsvatbaar zijn”.

-          Arme juryleden die straks de knoop moeten doorhakken! Naar verluidt waren zelfs de door de onderzoeksrechter aangestelde experts het onderling oneens over de kwestie van de toerekeningsvatbaarheid. Op het proces zullen de door de verdediging opgetrommelde deskundigen nog meer twijfels zaaien. Wat ons bij een andere hamvraag brengt: moet dit proces per se voor een volksjury worden gevoerd? Kunnen we niet beter het Nederlandse voorbeeld volgen, waar ook zware misdrijven zoals moord en doodslag door een college van beroepsrechters worden behandeld? Snel, efficiënt en zonder overbodige mediaheisa….

Vermassen: “Daar hebben we ze: de eeuwige vraag over zin en onzin van assisen! Het zal niemand verbazen dat ik een onvoorwaardelijk voorstander ben. Het Nederlandse systeem? Sneller, inderdaad, maar daarmee hebben we de voordelen wel gehad. Ik heb geen al te beste ervaringen met de Nederlandse justitie. Stel je voor, als advocaat van het slachtoffer mag je niet eens pleiten! Hooguit mag je op de zitting namens het slachtoffer een schriftelijke verklaring voorlezen. Valt er één woord over de feiten of de schuld, dan word je meteen het zwijgen opgeleld. Waarom ons assisensysteem superieur is? Vanwege de grondigheid.  Die is niet alleen cruciaal voor het verwerkingsproces van de slachtoffers. Ik stond laatst in het proces Kim Janssens, als advocaat van de burgerlijke partij.  Misschien heb je erover gelezen: de beschuldigde had zijn vriendin in haar appartement met een lege whiskyfles de schedel ingeslagen. Omdat ze hem had geprovoceerd door onmiddellijk na een vrijpartij pikante sms’jes naar liefdesrivalen te versturen en ze onder zijn neus te wrijven, hield hij drie jaar lang vol. De politie, de onderzoeksrechter, zijn eigen advocaten, iedereen ging mee in de piste van uitlokking. Ik had het dossier echter tot op de laatste draad uitgeplozen,  en ik hield munitie klaar om voor de jury aan te tonen dat de beschuldigde de wansmakelijke sms’jes zelf had geschreven en dat er van zijn uitleg over zijn tijdsgebruik niks klopte. Hij wist dat, en vlak voor mijn pleidooi heeft hij zijn leugens spontaan toegegeven. Consternatie in de assisenzaal, zeker toen zijn twee advocaten daarop besloten om zich uit het proces terug te trekken. Maar wat wil ik hiermee wil zeggen: het is alleen aan de grondigheid van de assisenprocedure te danken dat de waarheid aan het licht is gekomen. Laat zo’n zaak door een beroepscollege behandelen, en de kans is groot dat de beschuldigde met een lichte straf wegkomt, terwijl zijn slachtoffer voor eeuwig en altijd als de grootste hoer van Vlaanderen te boek staat. Niet dat ik aan de bekwaamheid van onze beroepsrechters twijfel,  maar ze staan onder een grote tijdsdruk. We zien de gevolgen nu al bij de behandeling van moordpogingen. Vroeger was dat een assisenzaak, sinds enkele jaren komt het voor de correctionele rechtbank. Om de efficiëntie op te drijven, was de redenering. In het begin werd voor moordpoging nog een halve dag uitgetrokken, tegenwoordig is het slechts één van de zaken op de rol. En wee de advocaat die wat te lang pleit. ‘Meester’, krijg je van de voorzitter te horen, ‘we hebben niet alle tijd, er liggen nog zaken te wachten’. We spreken hier nochtans niet over een bagatel, maar over een poging om een mens te doden. Daarom mag assisen onder geen beding verdwijnen, anders worden ook moord en doodslag gedevalueerd”.

-          De Gelder pleegde zijn feiten ruim vier jaar geleden. Wat een verschil met Anders Breivik, de Noorse massamoordenaar die binnen het jaar werd berecht. Waarom moet het in België zo lang duren vooraleer een beschuldigde voor assisen verschijnt? 

Vermassen: “Assisen is traag, maar dat heeft niks met de volksjury maar alles met het vooronderzoek te maken. Ik hecht zelf veel belang aan het moraliteitsonderzoek, een van de pluspunten van assisen. Zowel de jury als de voorzitter horen te weten wie de mens is die ze voor zich hebben, de mens die ze gaan beoordelen en eventueel bestraffen. Maar ik vraag me af of het echt nodig is elke kleuterjuf te ondervragen die zijn pad heeft gekruist, laat staan dat we wijzer worden als we zijn punten voor wiskunde in het derde middelbaar kennen. Dat kan allemaal sneller, en hetzelfde geldt voor de volgende stap in het onderzoek, het psychiatrisch verslag. We hebben veel te weinig gerechtspsychiaters. Nieuwe dossiers belanden bovenop de stapel, een verslag laat algauw een jaar op zich wachten. Als daarna de verdediging op een tegenexpertise aandringt, heb je het spel helemaal op de wagen. Het tekort aan gerechtspsychiaters is een oud zeer dat deels aan het Belgisch zwart-witsysteem ligt. Een beklaagde is of toerekeningsvatbaar of niet, er bestaat geen tussenweg zoals in Nederland waar justitie gradaties van toerekeningsvatbaarheid aanvaardt. Dat alles of niets-beginsel is voor heel wat psychiaters onverteerbaar en een reden om zich niet aan gerechtelijke expertises te wagen”.

-          De mediatisering van assisen dateert niet van gisteren. Nieuw is wel de focus op strafpleiters.  De assisenzaal wordt als een arena voorgesteld waarin strafpleiters elkaar als gladiatoren te lijf gaan. Ondanks uw selectieve mediaomgang heeft u een groot aandeel in die evolutie. Na Vermassen versus Van Aelst in het proces over de parachutemoord worden we nu warm gemaakt voor de kamp Haentjens-Vermassen. Is die personencultus wel gezond?

Vermassen: “Ik heb dat zien evolueren. Van het proces Horion-Feneuille bestaat er weinig meer dan enkele zwart-wit foto’s en twee minuten beeldmateriaal. Tegenwoordig komen kranten papier te kort om een zware assisenzaak te coveren. De bijbehorende personencultus is voor strafpleiters niet noodzakelijk een cadeau. Omgaan met media is zoals naar bed gaan met een hoer. Riskant, en de rekening wordt achteraf gepresenteerd. Stel dat ik morgen bij een vodka-controle tegen de lamp loop. Een banaliteit, maar je kunt er van op aan dat ik met mijn gezicht op alle voorpagina’s prijk. Neem het niet persoonlijk, maar de media gaan zelf geregeld uit de bocht. Denk maar aan de parachutemoord. Voor de zaal was het al na twee dagen klaar als een klontje dat Clottemans schuldig was. Ook de aanwezige journalisten wisten dat. Toch bleven de meeste media tot de laatste dag twijfel zaaien over de schuldvraag.  Suspens verkoopt, dat weet iedereen”.

-           Het proces kreeg een merkwaardig staartje. Na de uitspraak trok een zwarte mars door Hasselt om te protesteren tegen de ‘veroordeling zonder bewijs’ van Els Clottemans. Ook in haar woonplaats Ternat werd betoogd, met deelname zelfs van het voltallige gemeentebestuur. U werd persoonlijk geviseerd, en op Facebook verschenen haatgroepen tegen Jef Vermassen. Raakt u dat?

Vermassen. “Menselijk wel, maar professioneel niet, want ik heb gewoon mijn werk gedaan. Maar het proces Clottemans was wel een keerpunt, het verklaart de strakke communicatieregels die de stafhouders voor het proces De Gelder hebben opgelegd. Terecht, want de parachutemoord is het perfecte voorbeeld van een proces dat vooraf en op een eenzijdige manier in de media werd gevoerd. Els Clottemans mocht drie jaar lang haar onschuld uitschreeuwen, terwijl mijn cliënten en ikzelf de hele tijd hebben gezwegen. Vandaar ook de hysterie tijdens en na het proces. Niet voor herhaling vatbaar”.

-          We gaan geen koffiedik kijken, maar de kans is groot dat er opnieuw wordt betoogd als u in het zand bijt en De Gelder op zijn proces niet toerekeningsvatbaar wordt bevonden en wordt geïnterneerd. De publiek opinie beschouwt internering niet als een passende sanctie voor zware misdrijven.  Meer nog, in de volksverbeelding leeft het hardnekkige idee dat een geïnterneerde in een soort Club Med vertoeft. Akkoord?

Vermassen: “Nee. Internering is helemaal geen vakantieregime. Een van mijn oudste cliënten, een recidiverende moordenaar, werd in de gevangenis van Doornik in de vleugel voor geïnterneerden opgesloten. Ik ging hem nu en dan bezoeken, de middeleeuwse omstandigheden staan in mijn geheugen gegrift. De man stond als vluchtgevaarlijk bekend, hij moest de hele tijd in een opvallende pyjama en op sloefen rondlopen. Soms was het pure pesterij. Ik heb zelf gezien hoe een cipier een kanjer van een scheet liet in de belle, het luikje waarlangs gevangenen hun eten ontvangen. Cadeautje van de buitenwereld, riep de cipier. Dat is lang geleden, maar op het vlak van verzorging is er nog niet veel veranderd. België is niet voor niets meermaals door de Raad van Europa veroordeeld voor schandelijk manier waarop geïnterneerden hier worden behandeld. Er is beterschap op komst, ze zijn nu gespecialiseerde hospitalen aan het bouwen.

“Toch begrijp ik dat slachtoffers het moeilijk hebben met internering. Niemand kan voorspellen wanneer een geïnterneerde dader opnieuw in de maatschappij komt. Het ergste scenario voor een burgerlijke partij, dat is een internering die door de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling wordt uitgesproken, zonder een uitvoerig proces over de feiten voor de bodemrechter. Ik heb dat meegemaakt in de zaak van die vrederechter en haar griffier die in een Brusselse rechtszaal werden doodgeschoten, als advocaat voor de weduwe van de griffier. In anderhalf uur was de hele zaak beklonken. Pleiten over de feiten of de schuld hoefde niet, want de ontoerekeningsvatbaarheid stond vast. Het enige wat ik nog kon doen, was discussiëren over de schadevergoeding, over de prijs van de bloemenkrans en van de koffietafel na de begrafenis. Voor mijn cliënt was het traumatiserend, want geld was wel het laatste waarvan ze wakker lag. Slachtoffers willen vooral antwoorden op hun vragen, en die krijgen ze nergens zo uitgebreid als op een assisenproces”.

Burn-out

 ‘Als je ’s avonds pillen neemt om te slapen en ’s morgens weer andere pillen om op te staan, dan ben je verkeerd bezig’

verschenen in Knack , 30 januari 2013

 

DSC_0771

 

 

 

 

 

 

 

 Een spook waart door Europa, en het heeft geen hamer of sikkel in de hand. Veeleer doet het aan een virus denken, een onzichtbare kracht die ravages aanricht op de arbeidsmarkt. Slachtoffers verliezen van de ene dag op de andere werkvreugde, productiviteit en andere vermogens om tot de omzet van hun bedrijf en het bnp van hun land bij te dragen. Burn-out heet het gevreesde fenomeen dat enkele maanden geleden voor en verontrustende kop in de Nederlandse kwaliteitskrant NRC zorgde. Jaarlijks krijgen zo’n 900.000 Nederlanders met een min of meer ernstige vorm van burn-out te maken.  Over de accuratesse van dit cijfer valt te discussiëren, al was het maar omdat deze ernstige vorm van oververmoeidheid zich lastig laat omschrijven. Volgens een prevalentie-onderzoek van de FOD Werkgelegenheid uit 2010 zou 0,8 procent van de Belgische beroepsbevolking met een burn-out kampen. 19.000 gevallen per jaar, genoeg voor een podiumplaats in de lijst van beroepziektes.

Het artikel in NRC verscheen niet toevallig na de ophefmakende inzinking van Ton Büchner, de CEO van ’s werelds grootste verfproducent Akzo-Nobel. De 47-jarige Duitser zat nog maar vier maanden aan de stuurknuppel van de Nederlandse multinational toen hij in september zwaar oververmoeid moest afhaken. Het nieuws van de burn-out, door het bedrijf zelf bekend gemaakt, sloeg in als een bom. Nog dezelfde week werden de AKZO-aandelen 500 miljoen euro minder waard. Büchner, die begin december opnieuw aan het werk ging, kan zich troosten met de gedachte dat hij niet alleen is. Een burn-out kan iedereen overkomen, maar high potentials lijken extra vatbaar. Toppoliticus is een van de risicoberoepen. Veelbesproken is de crash van Guy Vanhengel, de gewezen minister van begroting die in 2006 maandenlang van het toneel verdween. De Open VLD’er is beslist niet het enige slachttoffer in de Wetstraat, wel een van de weinigen die er openlijk over praat. Nergens echter lijkt het virus beter te gedijen dan aan de top van het bedrijfsleven. Ook hier zijn de getuigen schaars, maar het aantal boeken, colloquia en workshops dat aan de kwaal wordt gewijd, liegt er niet om.  Burn-out is anno 2013 de gesel van de human resources.

Hr-expert Theo Compernolle kan op een indrukwekkend CV bogen. Internationaal gevraagd consultant en key-note speaker, executive coach, gastdocent in gevestigde instituten zoals de Vlerick School for Management en de Solvay Business School. Dertig jaar geleden, toen human resources nog gewoon personeelsbeleid heette, begon hij zich in de nog prille discipline van het stressmanagement te verdiepen. “Ik heb het concept burn-out in ons vakgebied weten binnendringen”, zegt hij met een vleugje nostalgie in de stem. “De oorsprong ligt in de Bronx, in de jaren tachtig een door drugs en criminaliteit geteisterde wijk van New York. Burn-out, dat was een manier om de toestand te omschrijven van preventiewerkers en hulpverleners die kraakten onder de stress. Korte tijd later heeft men de reikwijdte tot medisch personeel opgerekt, er was toen veel te doen over burn-out bij verpleegsters op kankerafdelingen van ziekenhuizen. In de vakbladen van die tijd werden de karakteristieken opgelijst. Burn-out trof bij voorkeur gemotiveerde medewerkers, presteerders die de lat hoog legden en die hun zelfbeeld in hoge mate door hun professioneel succes lieten bepalen. Ze gingen zo op in hun werk dat ze hun sociaal netwerk verwaarloosden en geen tijd meer namen om te recupereren. Naast die eigenschappen werden ook de omstandigheden beschreven die een burn-out uitlokten. Slachtoffers hadden het gevoel dat ze weinig of geen controle over hun werkomgeving  hadden, weinig resultaat van hun inspanningen zagen, en ook weinig waardering van hun management ondervonden. In de jaren negentig werden we met een tweede golf geconfronteerd, maar dan in een heel ander segment van de arbeidsmarkt. Managers en kaderleden uit de ICT en bankwereld gingen voor de bijl. Het was spectaculair, van de ene dag op de andere was het op, zowel fysiek als emotioneel.  Daarin verschilden ze van die hulpverleners uit de Bronx. Een ‘traditionele’ burn-out in een proces, ter vergelijken met een kaars die aan beide kanten tegelijkertijd opbrandt. Deze nieuwe variant echter deed zich als een implosie voor. Geen opbrandende kaars, maar een twijg die buigt tot hij ineens knapt. Er zijn uiteraard meer verschillen. Toppers uit de ICT of de financiële wereld hebben wel degelijk greep op hun werkomstandigheden, en over gebrek aan waardering, laat staan een tekort aan vette bonussen, hebben ze geen klagen. De werkomstandigheden zijn dus anders, maar de persoonlijkheidskenmerken blijven identiek. Ook die tweede golf trof gemotiveerde, hoogpresterende medewerkers die zich totaal met hun werk identificeerden. Dat maakt van burn-out ook zo’n pijnlijk fenomeen voor bedrijven of andere organisaties: het zijn geen zwakkelingen maar waardevolle elementen die uitvallen”.

Compernolle heeft als trainer en coach verschillende managers met burn-out-verschijnselen geholpen. “Typisch is dat ze het niet hadden zien aankomen”, vertelt hij. “Pas als je doorvraagt, herkennen ze de tekens aan de wand. Dat ze veel te lang op kantoor bleven hangen. Terwijl de overuren zich opstapelden, namen ze geen tijd meer om naar de fitness te gaan of met vrienden een filmpje te scoren. Vaak blijkt uit zo’n gesprek dat collega’s het wel al in de gaten hadden. Hij was de laatste tijd prikkelbaar, werd er in de omgeving gezegd, en hij lachte niet meer.  Maar zelf hadden ze dus niets in de mot, net zoals de kikker in de pan niet zag dat het water begon te koken. Vorig jaar werd ik door een chemisch bedrijf gecontacteerd dat pas een turnaround had doorgemaakt. De hele fabriek werd verschillende weken stilgelegd voor een rigoureuze veiligheidscontrole en schoonmaakbeurt. Het was een gigantische operatie, op sommige momenten waren er driehonderd eigen en contractuele medewerkers bij betrokken. De tijdsdruk was ook immens, want iedere dag  zonder productie kostte een fortuin. Alles verliep echter in een positieve sfeer. Iedereen werkte zich uit de naad, en de fabriek kon eerder dan gepland weer in productie gaan. Er werd champagne ontkurkt, maar dat verklaart niet de kater die mijn cliënt aan de operatie heeft overgehouden. Twee van zijn beste medewerkers, mensen die de hele turnaround hadden gedragen, zijn na de oplevering ingestort. Typisch burn-out”.

Het verhaal zou Ferre V. (37) bekend in de oren klinken. Zijn eigen ervaring vertelt hij liever onder een schuilnaam. Op uitdrukkelijke vraag van zijn werkgever, kennelijk bang voor reputatieschade. Een beetje onbegrijpelijk, want Ferre heeft niets dan lof voor de zorgzame houding van zijn werkgever. “Ik werk als verantwoordelijke gebouwen bij een scholengroep”, steekt hij van wal. “Een prachtbaan voor een bouwkundig ingenieur. Vijf jaar geleden zijn we begonnen aan een ambitieus project: een compleet nieuw gebouw met klassen, aula’s en laboratoria. Het complex moest het neusje van de zalm worden, zowel qua inplanting, gebruiksvriendelijkheid als inzake milieunormen. En het moest ook nog eens in tweeënhalf jaar worden opgeleverd, een ware heksentoer.  Ik heb me totaal gesmeten. Niet dat ik zeven dagen op zeven werkte, maar veel scheelde het toch niet. ’s Avonds na het eten ging de laptop meteen aan. Synthesenota’s voor architecten, offertes van aannemers, voortgangsrapporten, ik was gewoonlijk tot elf uur of nog later bezig. Als je weet dat ik ook nog drie jonge kinderen heb, snap je dat er voor sport of ontspanning geen tijd meer was. Ik voelde dat niet als een probleem aan, toen nog niet.  Ik heb van die periode genoten, ik liet me gewillig meezuigen in de race tegen de tijd. Iedereen was in de wolken toen het gebouw klaar was. We hebben er verschillende architectuurprijzen mee gewonnen, ik ben nog altijd oprecht fier als ik er langsloop. Na de oplevering nam ik me voor het wat kalmer aan te doen, maar daar is weinig van in huis gekomen. Het is de aard van het beestje. Ik leg de lat altijd hoog, zelf in routinewerk en kleine projecten. Alles ging goed, tot ik een half jaar geleden tegen de muur ben geklad. Op volle snelheid, zonder remsporen”.

27 april 2012. De datum staat hem helder voor de geest, het verloop van de avond niet. “We hadden net gegeten”, zegt hij. “De routine van altijd. En toen ging het licht uit, figuurlijk. Volgens mijn vrouw was ik er ineens niet meer. Blijkbaar ben ik in bed gekropen en ’s anderendaags wakker geworden met een black-out. Mijn vrouw is mee gegaan naar de dokter. Een burn-out, de diagnose was gauw gesteld. Hij heeft me meteen twee weken ziekteverlof gegeven, het maximum dat hij mocht voorschrijven. ‘Veel te lang’, sputterde ik tegen, ‘een weekendje uitslapen en ik ben weer de oude’. ‘Vergeet het maar’, zei hij,  ‘je zult meer tijd nodig hebben, en gespecialiseerde hulp’. En zo is het ook gegaan. Ik heb eerst een psychiater opgezocht, en daarna een therapeute en een coach die ik eerder tijdens een vormingsdag op de school had leren kennen. Vooral de gesprekken met de therapeute en de coach waren verhelderend. Het was al vijf jaar eerder begonnen, toen ik me hals over kop in dat monsterproject heb gestort”.

Maand na maand werd zijn ziekteverlof verlengd. “Geen goed idee”, zegt hij daarover. “Van een burn-out herstel je niet in een paar weken, je hebt tijd nodig om tot rust te komen. Ik voelde me als een jojo. De eerste twee weken kende ik telkens een opgaande fase, maar dan kwam de knik. Het vooruitzicht dat ik binnen de twee weken opnieuw aan het werk moest, deed me naar adem happen. Mijn advies aan dokters en psychiaters: schrijf iemand met een burn-out onmiddellijk voor minstens drie of liever nog zes maanden thuis. Na mijn laatste crash kreeg ik twee maanden rust opgelegd. Dat heeft me erdoor gesleurd, voor het eerst kon ik voldoende afstand nemen van mijn werk. Na vijf weken begon ik zowaar uit te kijken naar het weerzien met de school en de collega’s, toen wist ik dat ik genezen was. Ik ben nu twee weken aan de slag. Deeltijds, ik denk er trouwen aan permanent viervijfden te gaan werken. Ik voel me nog even gedreven als vroeger, maar ik heb leren relativeren. Niemand is onmisbaar, er is tijdens mijn afwezigheid geen enkel schoolgebouw ingestort. In de bouw is alles altijd dringend, nota’s moeten bij voorkeur morgen al klaar zijn. Ik liet me daaraan vangen, ook al stelde ik vast dat er nadien twee weken lang niks met die nota gebeurde. Dat is nu afgelopen, ik laat me niet meer opjagen. Mijn verhaal is bekend op het werk, ik ben trouwens niet het eerste slachtoffer. Ik zie het als mijn plicht collega’s te waarschuwen. Gisteren kreeg ik een mail van een rechtstreekse medewerker,  thuis verstuurd om half elf ’s avonds. Ik heb er haar vanmorgen op aangesproken. Opgepast, Karin, je zit op het hellend vlak”.

Hoe lang kan een mens op een hellend vlak staan vooraleer hij er finaal af tuimelt? Heel lang, beseft Leen Lambrechts sinds haar burn-out in 2010. “Mijn ouders hadden een eigen bedrijf”, zegt de 52-jarige onderneemster uit Korbeek-Lo. “Ik ben opgegroeid met het idee dat je heel hard moet werken om iets te bereiken. Misschien komt het omdat ik de oudste van vier kinderen was, maar ik heb me altijd dubbel willen bewijzen. Als dochter jegens mijn ouders, als vrouw in een mannenwereld. Ik ben een van de Vlaamse pioniers inzake coaching, een vorm van zorgverlening die erop neerkomt dat je professionals uit het bedrijfsleven helpt hun persoonlijke blokkades te overwinnen om zo hun doelstellingen sneller en duurzaam te bereiken. Ik heb drie keer een bedrijf opgericht, telkens begonnen van scratch. Op een bepaald moment was ik zowel zaakvoerder, coach als lesgever. Mijn agenda was tot de laatste minuut vol gepland. Ik vond het allemaal geweldig, ik viel helemaal samen met mijn werk. Ik had al een babydochter toen ik er een tweeling bij kreeg. Geen sprake van dat ik zou stoppen met werken. Ik nam een voltijdse onthaalmoeder in huis en bouwde geleidelijk mijn activiteiten als zelfstandige verder uit. Op een keer moest ik een zware operatie ondergaan. Twee maanden revalidatie gunde ik mezelf, na de zomervakantie moest en zou ik er weer staan. Achteraf bekeken was ik de slaaf van mijn eigen ambitie. ‘Je bent gek dat je zo hard werkt’, zei men. ‘Maar ik doe niks liever’, antwoordde ik, ‘mijn werk is mijn passie’. Ik heb in 1995 nochtans al een serieuze verwittiging gekregen. Oververmoeid, chronische sinusitis, lichte verlammingsverschijnselen in mijn aangezicht waarvoor niemand een verklaring had. Stress, zei de neuroloog, maar ik wuifde dat weg. Hoe kan ik nu stress hebben als ik de met juiste dingen bezig ben?” .

Vijftien jaar later kwam de klap des te harder aan. Het begon alweer met een aanval van sinusitis, dit keer gecombineerd met een oorontsteking en evenwichtstoornissen.  “Ik ben toen letterlijk ingestort”, zegt ze. “Ik vond geen energie meer om zinnen te formuleren, kon geen licht of geluid verdragen. De dokters zochten maar vonden niks. Stress, oververmoeidheid, dat had ik allemaal zelf kunnen verzinnen. In het ziekenhuis hebben ze een CT-scan van mijn hersenen gemaakt, want misschien lag het wel aan een tumor. Uiteindelijk ben ik naar een homeopaat gestapt. Na tien minuten al legde ze vinger op de wonde: u heeft een kanjer van burn-out!  Ze heeft me naar huis gestuurd met een dringende opdracht: ik moest nog dezelfde dag een reis boeken. Alleen door radicaal van omgeving te veranderen, kon ik afstand nemen van mijn werk en tot rust komen. Die twee weken in een hotel in Hurgada waren een dieptepunt. Ik, die altijd zo sportief was geweest, schuifelde door de gangen als een oud besje. Het restaurant was buiten bereik, ik liet me met een elektrisch wagentje afhalen. Na Egypte heeft het nog negen maanden geduurd vooraleer ik weer tot werken in staat was. Typisch voor mij: de gedrevenheid waarmee ik aan mijn herstel werkte. Accupunctuur, massage, therapie, coaching, start-to-run, binnen de kortste keren had ik een heel team rond mijn persoontje verzameld. Dat duurde totdat een andere coach me deed inzien dat ik op het verkeerde spoor zat. Ik moest echt veranderen, want je kunt geen vuur met vuur bestrijden.  Ook mijn homeopaat heeft me toen gewaarschuwd: als je hervalt, dreig je in een CVS-scenario te verzeilen. Chronisch vermoeidheid, dat kon tellen als rode vlag. Ik heb mijn therapie radicaal omgegooid, sindsdien staat alles in het teken van vertraging. Ik werk nog altijd hard, maar ik probeer de balans te bewaken. Om half negen gaat de computer uit, ik houd de weekends vrij, ik doe opnieuw aan sport en cultuur. Toch moet ik voorzichtig blijven, want mijn verleden heeft blijvende sporen in mijn lichaam gelaten. Het heeft met het stresshormoon cortisol temaken.  Piekstress is geen probleem, wel de constante belasting die mensen ondergaan als ze nooit afstand nemen van hun werk. Ik heb aan dit artikel meegewerkt om anderen te waarschuwen, zoals ik ook in mijn professionele praktijk doe. Soms komt de boodschap aan, maar echte keikoppen luisteren niet als je hen er op wijst dat ze op een burn-out afstevenen. Die houding herken ik, echte keikoppen moeten eerst tegen de muur lopen vooraleer ze de waarheid onder ogen zien”.

Ryhove Grafimedia ligt wat afgelegen in een zijstraat van de Gentse Rooigemlaan. Het complex ziet er op het eerste gezicht als eender welke KMO uit. In feite is Ryhove een beschutte werkplaats, al ontbreekt die belegen term op de fonkelnieuwe website. De vzw profileert zich liever als een flexibele speler in de sociale economie die service op maat levert aan wie er voor wil betalen, bedrijven of overheden. Behalve drukwerk verzorgen de 450 medewerkers ook mailings en eenvoudig montagewerk, daarnaast organiseert Ryhove enclavewerk bij klanten, met mobiele teams die onder begeleiding schoonmaken of andere klussen verrichten. Nee, het is geen kleine onderneming die Peter Leyman (50) vanaf begin dit jaar leidt. Maar vergeleken met de supertanker die hij als baas van Volvo Gent bestuurde, is Ryhove niet meer dan een mosselsloep. Leyman, meermaals genomineerd als manager van het jaar, heeft de voorbije vijf jaar een grillig parcours gelopen. Begin 2007, na zes succesjaren als CEO van Volvo Gent, stapte hij in de politiek. Hij raakte vlot verkozen op de CD&V-kamerlijst, maar was een half jaar later al uitgekeken op het parlementaire pluche. Leyman werd begin 2008 CEO van Vergokan, een snel groeiende producent van kabeldraagsystemen die hij anderhalf jaar later alweer verliet om Voka-baas te worden. “Mijn grootste stommiteit”, zegt Leyman die begin 2011, na interne strubbelingen, opstapte bij de Vlaamse werkgeversorganisatie. “Na het vertrek van Philippe Muyters naar de Vlaamse regering zijn ze me komen polsen. De eerste twee keer heb ik geweigerd. Diep in mijn binnenste voelde ik dat het niks voor mij was. Als manager ging ik altijd recht door zee, maar als Voka-baas moet je politiek bedrijven, bochten en omtrekkende bewegingen maken om je doel te bereiken. En toch ben ik door de knieën gegaan, de derde keer tijdens een lunch. Hoe ze mijn ego streelden: ik was de mooiste, de beste, de enige valabele kandidaat. ‘Okay’, heb ik na de koffie gezegd,  ‘ik zal het maar doen zeker’. Als ik nu aan dat zinnetje terugdenk. Het fiasco zat er al ingebakken”.

De rest van het Voka-verhaal bewaart hij voor zijn memoires, we zijn gekomen om over het zwarte gat te praten. “Ik had me bij Voka voor vijf jaar geëngageerd”, zegt hij. “Maar ineens stond ik aan de kant, verteerd door twijfels. Mijn ontslag voelde als een mislukking, een gedachte die me als een mokerslag trof. Tot dan toe was mijn carrière een opeenvolging van successen geweest, maar ineens moest ik onder ogen zien dat ik niet onfeilbaar was. Ik heb moeite met het woord burn-out. Laat ons zeggen dat ik op de rand van de afgrond heb gebalanceerd, en dat mijn vrouw er voor heeft gezorgd dat ik niet ben gevallen”.

“Niettemin, ik heb diep gezeten. Als je ’s avonds pillen neemt om te slapen en ’s morgen weer andere pillen om op te staan, dan ben je verkeerd bezig.  Van die rotzooi ben ik af, maar ik heb aan mijn Voka-periode blijvende bloeddrukproblemen overgehouden. Het was ook waanzin zoals ik toen heb gewerkt. Om acht uur ’s morgens vertrekken, nooit voor elf uur ’s avonds thuis. Bij Volvo hield ik de weekends voor mezelf, maar bij Voka moest ik zaterdag en zondag altijd ergens gaan speechen of vergaderen.  Een van mijn passies is de elektrische gitaar. Bij Volvo heb ik een coverband opgericht, we hebben ooit op de Gentse Feesten gestaan. Bij Voka ben ik helemaal gestopt met muziek. Dat zegt alles over het verschil in arbeids- en levensvreugde”.

Peter Leyman heeft meegewerkt aan “Remotie: een stap terug is een stap vooruit”, een boek van auteurskoppel Tanya Verheyen en Bob Vermeir waarin getuigen het taboe omtrent demotie doorbreken. Opvallend is dat een burn-out zowel de oorzaak van een demotie kan zijn, als wel het gevolg van een slecht verteerde degradatie in de pikorde. Reculer pour mieux sauter? Peter Leyman heeft alleszins een verrassende sprong gemaakt. CEO van een beschutte werkplaats? “Toeval”, zegt hij. “Ik ben nooit helemaal gestopt. Na Voka ben ik als zelfstandig bedrijfsconsulent aan de slag gegaan, en ik zat nog in enkele raden van bestuur.  40.000 kilometer per jaar in de auto, echt stilzitten kun je dat niet noemen. Toch heb ik in die periode weer tijd leren maken voor mijn gezin en mezelf. Fietsen, tennissen, gitaar spelen, aanknopen met mijn Gentse netwerk dat ik bij Voka had verwaarloosd. Er kwamen verschillende werkaanbiedingen, maar ik was er niet klaar voor. Op een keer echter kwam mijn vrouw van de bakker met een exemplaar van De Zondag onder de arm. Ze had de advertentie van Ryhove gezien. ‘Dat zou nog iets voor jou zijn’, zei ze.  Ik heb het eerst weggelachen, maar een week later ben ik die krant uit het oud papier gaan vissen. Kun je geloven dat het de allereerste keer was dat ik een sollicitatiebrief met een cv heb verstuurd?  De directeur van het selectiebureau kon het eerst niet geloven. U bent zwaar overgekwalificeerd, zei hij bij het eerste gesprek. En nu zit ik hier dus, zes assessments later.  Ik verdien vijf keer minder dan bij Volvo, maar ik voel me goed in mijn vel. In het begin werd hier wat onwennig gereageerd. Een topmanager uit de privé, wat komt die hier doen? Toegegeven, ik ben ook wat hard van stapel ben gelopen. Dank zij mijn netwerk heb ik onmiddellijk een aantal nieuwe klanten aangebracht, ik begon al aan diversifiëren en zaterdagploegen te denken. Ik heb mezelf moeten terugfluiten, het blijft een bedrijf uit de sociale economie voor mensen met een beperking. Maar weet je wat ik fijn vind? Ze hebben me intussen gevraagd voor de Vlaamse koepel van beschutte werkplaatsen. Ik tel duidelijk nog mee”.

Maar een terugkeer aan de top? Theo Compernolle is sceptisch. “Burn-out blijft een taboe”, zegt de expert stressmanagement. “Mensen zoals Peter Leyman zijn zeldzaam, de meeste managers lopen er niet mee te koop.  Begrijpelijk, want het staat niet mooi op een cv. Headhunters zijn er allergisch voor, net zoals beursgenoteerde bedrijven die als de dood zijn dat een zwak moment van de CEO op hun imago afstraalt. Bij KMO’s en familiebedrijven springen ze er doorgaans wat menselijker mee om”. Het stigma van de burn-out? Volkomen onterecht, vindt Tanya Verheyen. “Het is niet dat de slachtoffers hun competenties verliezen”, zegt de co-auteur van het boek over remotie. “Het blijven toppers, ook als ze door omstandigheden een time-out moeten inlassen. Vergelijk het met een goede auto. Die doe je toch ook niet weg als er zich een probleempje met de batterij stelt”.

Leestips:

Tanya Verheyen en Bob Vermeir, ‘Remotie. Een stap terug is een stap vooruit’,, Kluwer.

Luk Dewulf en Guido Vangronsveld, ‘Help! Mijn batterijen lopen leeg!’, LannooCampus

 

copyright: Erik Raspoet