Maandelijks archief: april 2013

A tale of two schools in Mechelen

bericht uit de wereld van de niet zo gelijke onderwijskansen

(verschenen Knack 10 april 2013. Dit is een uitgebreide versie, met aansluitend commentaar door onderwijsspecialist Jean-Pierre Verhaeghe).

De sociale mix in onze scholen bevorderen, ziedaar een van de doelstellingen van het tien jaar geleden goedgekeurde Gelijke Kansendecreet. Er is nog werk aan de winkel, blijkt in Mechelen. Twee basisscholen van hetzelfde onderwijsnet delen er hetzelfde gebouw, begeleiden kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad naar dezelfde eindtermen. Samensmelten?  De kloof tussen een witte freinetschool en een zuivere concentratieschool blijkt onoverbrugbaar. Welkom in de wondere wereld der niet zo gelijke onderwijskansen.

 

HofVanNassau1

  foto: Jelle Vermeersch, www.jellevermeersch.be

Een druilerige maandagochtend op het Mechelse Berthoudersplein. Twee poorten verschaffen toegang tot het imposante complex van het Gemeenschapsonderwijs (GO!). De afstand bedraagt geen twintig meter, een onoverbrugbare kloof naar zal blijken. De breedste poort, een metalen hek, geeft rechtstreeks toegang tot de speelplaats van freinetschool Villa Zonnebloem.  Conform met de gangbare clichés rijden bakfietsen aan en af. Toegegeven, er stoppen ook auto’s, om van de voetgangers te zwijgen. Maar welke transportmodus ze ook gebruiken, de begeleidende ouders beantwoorden haast zonder uitzondering aan hetzelfde socio-economisch profiel. Autochtone stedelingen, behorend tot de middenklasse van hoogopgeleide tweeverdieners. De andere poort, in feite een dubbele glazen deur met een pomp, dient als achteringang van basisschool Hof van Nassau.  Opvallend weinig fietsen hier, en al helemaal geen bakfietsen. Deze kinderen komen te voet of stappen van de exclusief voor Hof van Nassau rijdende schoolbus.  Om het beladen woord allochtoon maar niet te gebruiken: het zijn Marokkaanse Mechelaars die uit de bus stromen, met uitzondering van diegenen die hun roots hebben in landen als Roemenië, Angola, Congo, Tsjetsjenië, Afghanistan of Pakistan. Hof van Nassau, 285 leerlingen groot, is wat men in het jargon een zuivere concentratieschool pleegt te noemen.

Aan dit dagelijkse ritueel gaat een geschiedenis vooraf. Villa Zonnebloem is zo’n vijftien jaar geleden uit het niets ontstaan, op initiatief van een clubje ouders dat zijn gading niet meer vond in het reguliere onderwijsaanbod. Het onafhankelijke methodeschooltje sloot na een tumultueuze start bij het gemeenschapsonderwijs aan en opteerde definitief voor Freinet, een beproefd model binnen de waaier van ervaringsgericht onderwijs dat de leefwereld van het kind centraal stelt. Het werd een schot in de roos.  Villa Zonnebloem, de enige verstrekker van methodeonderwijs in Mechelen en omgeving, groeide als kool. De oorspronkelijke locatie, een reeks barakken geprangd tussen de Zandpoortvest en het Berthoudersplein, werd hopeloos te klein. De oplossing voor Scholengroep 5 van het GO! lag voor de hand. Verhuizen naar het aanpalende Hof van Nassau, een instituut met een roemrijke naam waarvan vermoedelijk weinig leerlingen de herkomst kennen. Ooit was dit de residentie van Margaretha van York, de hertogin van Bourgondië. Een deel van haar gotische kasteel staat nog overeind, ingekapseld in een modernistisch complex waarin na de oorlog een basis- en middelbare school werd gehuisvest. Die laatste verkaste zo’n dertig jaar geleden naar een andere campus, waardoor de basisschool veel te ruim in klaslokalen, turnzalen en sanitaire blokken kwam te zitten. Plaats zat voor de zowat 200 leerlingen van Villa Zonnebloem, al vergde de komst van de Freinetschool wel de nodige aanpassingen. Een gaanderij werd tot refter verbouwd. En de speelplaats werd verdeeld, met een hekwerk dat algauw tot een symbool zou uitgroeien. Zo is dus de curieuze situatie ontstaan. Twee basisscholen van vergelijkbare omvang van hetzelfde net, verenigd onder één dak.  Ze verstrekken onderwijs aan kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad die aan het einde van hun lagere schooltijd dezelfde eindtermen dienen te halen. Waarom niet gewoon samensmelten tot één school, luidt de naïeve vraag waarmee we naar het Berthoudersplein zijn afgezakt.

kamperen voor Freinet

Marjan Engels stapt op haar fiets, ze heeft haar kleuter in de Villa afgezet. “Ik woon vlak naast een vrije basisschool”, zegt ze. “Het zou veel praktischer zijn mijn dochter daar naartoe te brengen, maar het pedagogisch project van Villa Zonnebloem sprak me veel meer aan. Ik blijf achter die keuze staan, het is een fantastische school en mijn dochter voelt zich goed in haar vel. Toch is er iets dat me dwars zit”. Ze wijst naar de witgroene schoolbus die met een tweede groep kinderen komt aanrijden. “Ik weet dat het niet zo is bedoeld”, zegt ze. “Maar het voelt aan als segregatie, vooral met dat hek op de speelplaats. Kan dat echt niet anders, vraag ik me af. Ik maak me zorgen over mijn dochter, ze groeit op dat vlak met een vertekend wereldbeeld op”. Wim Dirckx waarschuwt voor overhaaste conclusies. De vader van drie Villa-kinderen woont om de hoek, in een van dichtbevolkte wijken binnen de stadsring. De diversiteit van de buurt is veel groter dan de populatie van beide scholen laat vermoeden. “Klopt”, zegt hij. “Maar aan wie of wat ligt dat? Ik weet uit ervaring dat Villa Zonnebloem moeite heeft gedaan om allochtonen uit de buurt aan te trekken. Maar ze komen niet, om tal van redenen. Freinet is een concept waar ze weinig voeling mee hebben. Het accent ligt niet op discipline, maar op het stimuleren van zelfstandigheid en mondigheid.  De Villa moet haar aanpak natuurlijk uitleggen, maar dat is sneller gezegd dan gedaan als je met laaggeschoolde ouders te maken hebt die amper Nederlands spreken. Ik heb het gevoel dat onze directie er zich intussen heeft bij neergelegd, ook al omdat de klassen vanzelf vol lopen. De voorbije jaren werd er letterlijk gekampeerd om kinderen in de Villa in te schrijven. Door witte ouders, inderdaad. Maar nogmaals, het is geen eenduidig verhaal. Heel wat allochtonen kiezen bewust voor een concentratieschool, sommigen kinderen komen trouwens van de andere kant van de stad naar Hof van Nassau.  Veilig in de comfortzone van de eigen gemeenschap, ook dat speelt mee”.

Jo Verhenneman heet ons welkom in zijn bureau, ondergebracht in een refter waar met gipskartonnen wanden kantoren en klaslokalen werden geïmproviseerd. De uit het Leuvense afkomstige directeur van Villa Zonnebloem kan mooie adelbrieven voorleggen. Gediplomeerd onderwijzer met vakervaring, maar ook universitair geschoold pedagoog die aan de wieg van verschillende freinetscholen in en rond Leuven stond. Acht jaar geleden werd hij als een soort crisismanager bij Villa Zonnebloem binnengehaald, met resultaat. Een gemotiveerd team, een goede sfeer, gelukkige kinderen, dat is wat hij onder succes verstaat. Dat ouders bij de start van een nieuwe inschrijvingsronde voor zijn schoolpoort kamperen, beschouwt hij eerder als een vervelend neveneffect. “Ondanks het succes leven er nog altijd hardnekkige vooroordelen over freinet”, zegt hij. “Mensen denken dat het hier vrijheid-blijheid is, een school waar kinderen alleen maar leren zingen en tekenen. Onzin, freinet is in de eerste plaats een didactische methode. We bereiken dezelfde eindtermen als gewone basisscholen, maar langs een andere weg. Onze slogan luidt niet voor niets, ‘creatief met inhoud’” .

Berlijnse Muur

We hebben de vergelijking uit de mond van een van de Villa-ouders opgetekend. Het hekwerk op de speelplaats als de Berlijnse Muur tussen twee werelden. Het was ironisch bedoeld, maar het effect is er niet minder om. “Dat vind ik een schokkende vergelijking”, zegt de directeur verbouwereerd. “Ik wens me daar uitdrukkelijk van te distantiëren. Want wat is dat hele hekwerk tenslotte? Het is nu niet dat de scholen door prikkeldraad worden gescheiden. Het gaat om een simpel draadwerk dat intussen trouwens met planten is begroeid. Het poortje staat altijd open, want we moeten erlangs op weg naar de turnzaal die we met Hof van Nassau delen. Jazeker, er wordt samengewerkt, ook de voorschoolse opvang is gemeenschappelijk. Ik onderhoud de beste relaties met mijn collega van de overkant, we bellen elkaar wekelijks en komen elkaar vaak tegen op vergaderingen. Maar afgezien van die praktische samenwerking zijn beide scholen volstrekt onafhankelijk, met verschillende directies, verschillende teams en een verschillende didactiek, we hebben zelfs elk onze eigen schoonmaaksters en onze eigen werkman. Het is louter toevallig dat we in hetzelfde gebouw zitten, door omstandigheden waarop we zelf geen greep hadden. Natuurlijk zijn we ons met het hele team van het contrast bewust. Ik beweer dan ook niet dat dit onze droomlocatie is, maar ik begrijp de keuze van het gemeenschapsonderwijs. Deze school stond half leeg, logisch dus dat ze ons er bijnamen”.

De directeur heeft wat cijfers geturfd om de nodige grijstinten in het zwart-witte verhaal aan te brengen. Villa Zonnebloem telt leerlingen uit 19 verschillende landen, in 18,9 procent van de gezinnen is een van de ouders anderstalig, een categorie die zich van Somalië over Macedonië tot Wallonië uitstrekt. Door ons geraadpleegde ouders zullen die relativering later op hun beurt relativeren. Nogal wat van de allochtone Villa-ouders zijn evenzeer leden of aspiranten van de hoogopgeleide middenklasse als de andere ouders. Niet zo verwonderlijk, want naast de bekende witte vlucht is er in het onderwijs al langer sprake van een zwarte vlucht van ‘sterke’ allochtonen naar betere of alleszins hoger aangeschreven scholen. Moeten er nog meer nuances zijn? “Laten we ook eens naar de sociaal economische status (SES) van onze kinderen kijken”’, stelt Verhenneman voor. “Het gezinsinkomen en het opleidingsniveau van de moeder zijn daarbij doorslaggevend. Welnu, 22 procent van onze kinderen komt in aanmerking voor een schooltoelage, perfect in overeenstemming met de Vlaamse mediaan. Ik bedoel maar, wij zijn geen eliteschool. Een paar jaar geleden zijn we trouwens met een tweede vestiging begonnen, buiten de stadsring. Ons Zonnehuis telt veertig procent SES-kinderen, op enkele uitzonderingen na Marokkaanse kindjes uit de buurt”.

wit bastion

De grijstinten kunnen de perceptie niet keren. Villa Zonnebloem staat alom bekend als een wit bastion, wat de school in hoge mate ook is. “Een pijnpunt van in het begin”, zegt Koen Van den Bergh, een vader die geruime tijd in de ouderwerking meedraaide. “De segregatie druist in tegen de idealen van de meeste ouders die er uitgesproken progressieve denkbeelden op nahouden. Al vraag ik me af hoe lang dat nog duurt. De Villa is ongewild geworden wat ze vooral niet wilde zijn, een wit bastion dat hoe langer meer ouders dreigt aan te trekken die niet in freinet geïnteresseerd zijn, maar in het elitaire karakter. Dat is zuur, zeker als je bedenkt wie Célestin Freinet was en waar hij voor stond. Goed onderwijs verschaffen aan de zwaksten in de maatschappij, dat was zijn ideaal”. Krasse taal, maar moeten de directeur en zijn teamleden daarom het boetekleed aan? “Vorige week nog heb ik twee Koerdische kinderen ingeschreven”, zegt Verhenneman. “SES-kinderen, wel te verstaan. Ik heb de beide ouders vooraf ontvangen, ik trek bij iedere inschrijving trouwens een vol uur uit voor een intake gesprek. Ouders moeten bewust voor onze school kiezen, want freinet vraagt ook van hen een persoonlijk engagement. De vader sprak net voldoende Nederlands om mijn uitleg te volgen. Niet dat we daarover struikelen, desnoods roepen we er een tolk bij. Om maar te zeggen: het is niet dat we geen moeite doen”. En toch blijven de Koerdische kinderen uitzonderingen op de regel. SES-kinderen, van Belgische of buitenlandse origine, raken doorgaans niet over de drempel van de freinetschool. Omdat het concept te hoog gegrepen is? Het pedagogisch project overboord gooien is voor Jo Verhenneman geen optie, daarvoor spreekt hij met te veel passie over de specificiteit en meerwaarde van Freinet. De directeur zucht diep. “De scheiding tussen wit en zwart, de wenselijkheid van concentratiescholen, dat zijn allemaal erg complexe vraagstukken. Er is al veel over gezegd en geschreven, maar ik wacht nog altijd op de eerste wetenschappelijke studie die de problematiek in al haar dimensies omvat. Dan vraag ik me af: waarom zou ik als simpele directeur de oplossing moeten kennen voor een maatschappelijk probleem dat mijn school ver overstijgt? Dat is trouwens een van mijn grote ergernissen. Voor alle maatschappelijke problemen wordt er tegenwoordig naar de lagere school gekeken. Zijn er te weinig beenhouwers of loodgieters op de arbeidsmarkt? De lagere school moet het oplossen, roept Unizo. Loopt het fout met de voedingsgewoonten van onze jeugd? Vallen er teveel slachtoffers in het verkeer? De lagere school zal wel sensibiliseren en remediëren, we worden met kant-en-klare lesmodules gebombardeerd. Ik word daar eerlijk gezegd moe van”.

anderstalige nieuwkomers

Hof Van Nassau. We hebben de hoofdingang genomen. Er staat een halfverheven beeldhouwwerk, als monumentaal eerbetoon aan gesneuvelde oud-leerlingen. Binnen geen hekwerken of schotten, je loopt zo van de ene school de andere in. Niet ongemerkt evenwel, want het contrast spat eraf. Kant Villa: met frivole taferelen beschilderde deuren, kinderen die openstaande klaslokalen in en uitlopen, gezellige rommel alom. Van de uitgestorven gangen van Nassau kan alleen worden gezegd dat ze er kraaknet bijliggen. De stijlbreuk valt ook digitaal te constateren. Speelse en wijdvertakte hocuspocus bij de Villa, met als toemaatje een fotoverslag van de uitwisselingsreis naar Hongarije, wellicht het werk van een betrokken ouder. De site van Nassau daarentegen is een droge servicepagina met louter praktische informatie.  In een van de Nassau-lokalen is een lerares één op één met een meisje aan het werk. Ze stelt zich voor als de OKAN-juf, haar pupil is een van de anderstalige nieuwkomers die voor het basisonderwijs wordt klaargestoomd.  De kleurrijke bende om de hoek? “Da’s een freinetschool”, zegt de OKAN-juf veelbetekenend. “We hebben daar niks mee te maken. Ik ken mijn collega’s nauwelijks, we zien elkaar alleen in het voorbijlopen. Vroeger was de indeling anders, die van Villa Zonnebloem zaten een verdieping hoger zodat we de hele tijd voetstappen van rondrennende kinderen hoorden. Niet dat het stoorde, maar wij zijn dan hier niet gewoon. Het is een andere methode, ik denk niet dat ze bij ons publiek zou pakken. We zijn een concentratieschool, al is dat niet altijd zo geweest. Toen ik hier 25 jaar geleden begon, telde mijn klas drie Marokkaantjes. Mijn eigen dochters liepen hier school, dat was toen trouwens verplicht voor al wie een vaste benoeming had. Die traditie is uitgestorven, jonge leerkrachten zouden het ook niet pikken dat ze hun kinderen naar een concentratieschool moeten sturen. De Belgen zijn hier niet weggelopen, ze zijn eruit gegroeid terwijl hun plaats door allochtonen werd ingenomen. Ik heb me moeten aanpassen, maar ik sta hier nog altijd met veel goesting”.

Dat geldt ook voor directeur Luc Stessens. Pas benoemd, maar geen nieuwkomer. “Ik heb hier twaalf jaar les gegeven”, zegt hij. “Een bewuste keuze, ik had hier ook mijn eindstage gelopen. Het Hof was toen al een concentratieschool, maar dat heeft me nooit afgeschrikt. Realisme is de boodschap als je hier staat. Ook onze kinderen halen de eindtermen, maar dan op onze manier. Scholen met een sterker publiek kunnen breder gaan dan de verplichte leerstof, wij niet. Ik kom wel eens een oud-leerling tegen die de sprong naar het ASO heeft gemaakt, maar de meerderheid van onze kinderen stroomt naar het TSO en BSO door”. Ook Luc Stessens roemt de goede relaties met de overkant. De carnavalstoet, een van de jaarlijkse hoogtepunten bij het Hof, trekt ook door de gangen van de Villa. Uiteraard, zo benadrukt hij, wordt zijn collega vooraf om permissie gevraagd. Verder hoeft de integratie voor zijn part niet te gaan. De kloof tussen de pedagogische visies van beide scholen is minstens even breed als die tussen de sociaal-economische status van de respectieve ouders. De vraag of men destijds geen fusie heeft overwogen, doet ook hier de wenkbrauwen fronsen. Maar waarom moest de speelplaats zo nodig worden verdeeld? “Praktische noodzaak”, zegt Stessens nuchter. “De timing van de recreaties stemt niet overeen, die van de Villa hebben langer vrij. Stel dat ze allemaal door elkaar lopen. Hoe moeten wij daar onze kinderen uitvissen? De speeltijden op elkaar afstemmen, zou nog niks oplossen. Bij de Villa gaat het er anders aan toe, kinderen lopen er zelf naar de klas terwijl die van ons in de rij moeten staan. Je kunt dat ouderwets noemen, maar het is de enige manier om ze rustig in de klas te krijgen. Discipline is belangrijk in onze school, kinderen hebben structuur nodig. Ook de betrokkenheid van de ouders is compleet verschillend. In een freinetschool is die vanzelfsprekend, maar wij moeten er voor knokken. Oudercontacten ’s avonds, daar zijn we mee gestopt. De moeders geraken vaak niet op school, en vaders zien we sowieso slechts sporadisch. Sinds een paar jaar laten we de oudercontacten aansluiten bij de schooltijd, en dat werkt veel beter. Hetzelfde met de schoolvoorstelling in het weekend. Wekenlang repeteren, en dan komt de helft van de leerlingen niet opdagen omdat ze zaterdag naar een trouwfeest of naar de Koranschool moeten. Nu organiseren we onze voorstelling tijdens een schooldag, dan komt iedereen. Je moet inspelen op de noden van je publiek”.

zeeklassen

Toch blijft het een pijnlijke anekdote: de teloorgang van de bos-en zeeklassen. Voor vele kinderen vormen die het hoogtepunt van een lagere schoolcarrière, de foto’s en souvenirs worden levenslang gekoesterd. “We hebben er alles aan gedaan om de traditie in stand te houden”, zegt Stessens. “We pikten er de goedkoopste formules uit, maar jaar na jaar zagen we het aantal inschrijvingen teruglopen. De laatste keer aan zee waren er nog maar vier kinderen, ze hebben zich rot geamuseerd. Het heeft volgens mij met de cultuur te maken, meerdaagse uitstappen passen niet in de tradities. Voor sommigen bleef ook het geld een obstakel, hoezeer we ook ons best deden om de kostprijs te drukken. Kansarmoede is voor ons geen abstract begrip. Ik zou de SES-cijfers moeten opzoeken, maar ze liggen ver boven het stedelijk gemiddelde. Neem nu die twee Pakistaanse kinderen die ik onlangs heb ingeschreven. Hun vader werkt in een nachtwinkel, het hele gezin woont in één kamertje achter de zaak. Dat is hier de realiteit”.

Tijdens de rondleiding schetst de directeur zijn toekomstplannen. Het mag allemaal wat frivoler, gangen en klassen krijgen binnenkort een fris kleurtje. “En ik wil dat vreselijke oorlogsmonument in de hall uit het zicht”, zegt hij. “Dat is geen manier om onze kinderen ’s morgens te ontvangen”. Mag hij ons gaandeweg ook op de troeven van zijn school wijzen? Het riante computerlokaal, de moderne smartboards in de klassen? “We bedienen een kansarm publiek maar we zijn geen kansarme school”, zegt Stessens. “We hebben alle middelen om onze kinderen zo goed mogelijk te helpen”. Kan dat dan in een zuivere concentratieschool? Stessens haalt de schouders op. “Ik zie voor- en nadelen”, zegt hij. “Taalverwerving is een teer punt, en het klopt natuurlijk dat in scholen met een betere mix de sterke leerlingen het klassikaal niveau opkrikken. Daar staat tegenover dat je in een concentratieschool veel beter aan zorgverbreding kunt doen. We krijgen heel wat extra lesuren waarmee we onze kinderen individueel of in brugklassen begeleiden. Pas op, ik ben het ermee eens dat een school de afspiegeling van de maatschappij hoort te zijn. Dat is deze school beslist niet, maar aan wie ligt dat? Wij kunnen of willen geen kinderen weigeren”.

Indicatorleerlingen

Een gezonde sociale mix op school, dat is een van de doelstellingen van het in 2002 goedgekeurde en intussen meermaals verfijnde GOK-decreet. Om het ideaal van de gelijke onderwijskansen te realiseren, werden de LOP’s in het leven geroepen. In zo’n Lokaal Overlegplatform zitten niet alleen scholen van verschillende netten, maar ook bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de welzijns- en integratiesector. Een LOP heeft verschillende opdrachten, maar de voornaamste is het maken van afspraken over een betere spreiding van indicatorleerlingen, de nieuwste term voor doelgroep- of SES-leerlingen. Nieuwe inschrijfregels van het LOP Mechelen moeten volgend schooljaar hun vruchten afwerpen. Er komt een soort quotumsysteem: ‘witte’ scholen zouden een deel van hun capaciteit voor indicatorleerlingen moeten reserveren. Dertig tot vijftig procent, naargelang de situatie. Bij concentratiescholen werkt het andersom, zij zouden plaats moeten vrijhouden voor 30 procent niet-indicatorleerlingen. Mooi in theorie, maar waar gaat directeur Stessens al die ouders met hun sterke sociaaleconomische status vinden? Bemiddelde, schoolbetrokken en goed geïnformeerde papa’s en mama’s die hun kinderen zonder verpinken naar Hof van Nassau sturen?  “Dat vraag ik me ook af”, antwoordt hij. “Ik vrees dat het in ons geval vooral verwarring zal veroorzaken. Zodra een klas voor 70 procent vol zit, moeten we nieuwe indicatorleerlingen op een wachtlijst zetten. Pas als op het einde van de inschrijvingsperiode blijkt dat die andere kinderen toch niet komen opdagen, kunnen we ze definitief inschrijven. Eerlijk gezegd zie ik vooral de nadelen. Veel onzekerheid voor ouders en directies, want het schoolshoppen zal er niet op verminderen. En aan onze mix zal er in de praktijk ook niet veel veranderen. Uiteindelijk zie ik maar één oplossing om concentratiescholen te mengen: één centraal aanmeldingspunt voor inschrijvingen van waaruit de kinderen over alle scholen worden verspreid. Maar dat is een utopie, want daarmee zet je de grondwettelijke vrijheid van schoolkeuze op de helling”.

De bel gaat, de gangen stromen vol. In een van de klassen is een meisje achtergebleven. Waarom ze niet gaat spelen? “Da’s een verhaal apart”, zegt de directeur. “Ze heeft een zeldzame huidziekte, waardoor ze geen zon of UV-licht kan verdragen.  Zelfs gewone buislampen zijn schadelijk, daarom hebben we de belichting in de klas aangepast. Nu zijn we aan het onderzoeken of we ook de armaturen in de refter kunnen aanpassen zodat het arme kind tenminste haar boterhammen kan opeten in het gezelschap van haar vriendinnetjes. Geen gemakkelijke klus, maar we vinden het belangrijk genoeg. Bij ons telt ieder kind, dat is trouwens ook onze slogan”.

Mahatma Gandhi

Zo’n anekdote is ideaal als uitsmijter voor een reportage. Voor de volledigheid echter moeten we nog naar de Mahatma Gandhi-wijk, in Mechelen ook wel eens klein Marokko genoemd. Hier stopt de schoolbus van Nassau, twee keer’s morgens en twee keer ’s namiddags. Behalve Mahatma Gandhi zijn de wijk Nekkerspoel en de Leuvensesteenweg de voornaamste haltes van de bus, die zowat de levenslijn van Hof van Nassau is. Zonder uitzondering betreft het buurten met een grote concentratie Belgen van vreemde origine. Een jaarabonnement op de schoolbus kost 150 euro, behalve voor kleuters die in het hele Vlaamse onderwijs gratis rijden. Goedkoop en praktisch voor ouders die geen auto en al helemaal geen fietscultuur hebben. Maar kan het busaanbod de enige reden zijn waarom Hof van Nassau zich de voorbije jaren in een forse groei mag verheugen? Ook de demografie zit er voor iets tussen, Mechelen kent al jarenlang een forse bevolkingsaanwas. Maar misschien ligt de toeloop naar het Hof ook aan de soepele omgang met diversiteit. Tijdens de rondleiding keken we met enige verbazing naar de vele meisjes met een hoofddoek in de klas, sommigen niet ouder dan zeven jaar. “We stellen ons tolerant op als het over religie gaat”, gaf directeur Stessens als verklaring. “Het gebeurt dat ouders klagen dat hun kind na school niet op tijd in de koranles geraakt. Dan zijn we niet te beroerd om de bus bij de moskee te laten stoppen. Waarom niet? We willen onze mensen tegemoet komen, ook in hun levensbeschouwelijke overtuiging”.

Kwart voor vier, de groene bus komt eraan. Fouad Boujdaine sluit zijn zevenjarige zoon Ayman in de armen. Waarom heeft hij voor een concentratieschool gekozen? “Niet alleen voor de bus”, zegt hij, “mijn religie heeft de doorslag gegeven. Ik heb ook nog een dochter. Die ging naar een katholieke school, maar ik heb ze naar het Hof van Nassau doen overstappen, de enige school waar ze een hoofddoek mag dragen. Ik vind dat belangrijk, want ik ben bang dat haar religie anders verwatert. De kwaliteit van het onderwijs? Hof van Nassau is een goede school, maar eigenlijk maak ik me daar geen zorgen over. Ik heb intelligente kinderen, mijn zoon spreekt nu al drie talen”. Misschien toch wat lichtzinnig geoordeeld, blijkt als we ons licht opsteken bij Saïda El Aisaoui. Ze werkt voor de vzw MOOJ die onder meer in de Mahatma Ghandi-wijk naschoolse huistaakbegeleiding organiseert. “We krijgen hier kinderen uit drie scholen”, zegt ze. “Naast die van Hof Van Nassau komen er leerlingen van de katholieke Colomaschool en van Hof Ter Berken, een andere GO-school in het naburige Hofstade. Ik kan vergelijken: het niveau ligt in het Hof Van Nassau beduidend lager dan in de andere twee scholen. Logisch, want Coloma en Ter Berken trekken een gemengd publiek. Concentratieschool en goed onderwijs, dat valt in mijn ogen moeilijk te rijmen”.

Fatima Talbe zit te wachten tot haar zesjarige zoon Adam klaar is met zijn huiswerk. Zelf kan ze hem niet helpen met het mondvol Nederlands dat ze in zeven jaar België heeft vergaard. Via gelegenheidstolk Saïda krijgen we het verwachte antwoord: de schoolbus heeft de keuze voor Hof van Nassau bepaald. “Het is daar een merkwaardige situatie”, komt ze wat verrassend uit de hoek. “Naast de school van mijn zoon ligt nog een tweede school, met alleen witte kinderen. Ik weet niet of het waar is, maar ze zeggen dat daar geen Marokkanen binnenmogen”.

 

REACTIE ONDERWIJSSPECIALIST JEAN-PIERRE VERHAEGHE

 “Segregatie is nefast voor burgerschapsvorming”

Jean-Pierre Verhaeghe, onderzoeker aan de universiteiten van Leuven en Gent, geldt als een autoriteit inzake kwaliteitsverbetering, gelijke kansen en diversiteit in het basisonderwijs. Hij is niet toevallig voorzitter van het Lokaal Overlegplatform Gent, een stad die een pioniersrol speelt op het vlak van onderwijsvernieuwing.  Hij reageert verbaasd op de segregatie tussen de twee Mechelse GO!-scholen.

Verhaeghe:  “Ik zie gelijkenissen met twee scholen in het stedelijk basisonderwijs in Gent. Het Trappenhuis was ooit een concentratieschool, wat volgens mijn definitie betekent dat minstens tweederden van de leerlingen een andere thuistaal dan Nederlands hanteert. Op een bepaald moment heeft de stad beslist in het Trappenhuis een filiaal van freinetschool De Harp onder te brengen, De Kleine Harp. Men noemt dat de attractiepool- of magneetschooltactiek: met die paar klasjes kon men sociaal sterkere ouders lokken die anders nooit de weg naar het Trappenhuis hadden gevonden. Na een paar jaar had men voldoende kritische massa bereikt om De Kleine Harp en de concentratieschool te integreren. Nu is het Trappenhuis een gemengde freinetschool met een kwart anderstaligen, rond het Gentse gemiddelde. De parallel met De Feniks is nog sterker. Daar is men vertrokken van één gebouw met twee poorten: aan de ene kant had je een zwarte concentratieschool, aan de andere kant een witte methodeschool. De Feniks is nu één school met ongeveer vijftig procent GOK-leerlingen, van wie eenderde anderstaligen. Beide succesverhalen zijn natuurlijk niet uit de lucht komen vallen, ze zijn het resultaat van een bewuste politiek die het stedelijk onderwijs al dertig jaar voert ”.

-        zit daar het verschil met Villa Zonnebloem en Hof van Nassau in Mechelen?

Verhaeghe: “De voorgeschiedenis van de cohabitatie is heel anders. Toch heeft het er de schijn van dat de scholengroep met beide scholen bewust verschillende niches van de onderwijsmarkt bedient. Dat blijkt onder andere uit het busvervoer bij Hof van Nassau. Ook Gent telt zuivere concentratiescholen, maar die zijn doorgaans in concentratiebuurten gelegen. Met de beste wil van de wereld krijg je daar geen 50/50 mix van GOK- en niet-GOK-leerlingen. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer je de hele stad rondrijdt om de GOK-leerlingen in concentratiebuurten op te halen. Dat laat vermoeden dat men zich in een bepaald publiek specialiseert. Men gaat ook duidelijk ver in het bedienen van zijn doelpubliek. Het is attent om ter wille van Marokkaanse mama’s  de oudercontacten op de schooltijd te laten aansluiten. Maar op die manier ga je geen tweeverdieners aantrekken, die kunnen zich nooit voor zeven uur ’s avonds vrijmaken”.

-        strookt een en ander met de intenties van het GOK-decreet?

Verhaeghe: “Nee. Zowel de onderwijsnetten als de Vlaamse regering voeren diversiteit hoog in het vaandel. Het ideaal voor het basisonderwijs is een brede school met een sociale mix die een brug slaat naar de buurt en de samenleving. Ik begrijp dat beide scholen hun eigen identiteit en pedagogisch project benadrukken, maar het moet toch mogelijk zijn om nauwer samen te werken. Segregatie is nefast voor de burgerschapsvorming, toch een van de opdrachten van de basisschool”.

-        bieden concentratiescholen minderwaardig onderwijs?

Verhaeghe: “Dat kun je niet zomaar stellen. In het kader van het interuniversitaire Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen hebben we leerlingen vanaf het derde kleuterklas tot de overstap naar het middelbaar gevolgd. Bleek dat Turkse en Marokkaanse kinderen bij de start van het eerste leerjaar al een gemiddelde leerachterstand van acht maanden hadden opgelopen, vooral onder invloed van de factor thuistaal. Opvallend genoeg verwatert die etnisch-culturele component in de loop van het lagere schooltraject, terwijl socio-economische factoren des te zwaarder gaan doorwegen. Hoe dan ook, bij uit de uitstroom naar het middelbaar stelden we heel uiteenlopende resultaten vast. In sommige concentratiescholen was de initiële leerachterstand van acht maanden tot ruim twee jaar opgelopen. Andere concentratiescholen daarentegen waren er juist in geslaagd de achterstand tot een half jaar te reduceren. Dat zijn natuurlijk uitersten, de meeste concentratie scholen zitten ergens tussenin”.

-        er zijn dus goede en slechte concentratiescholen?

Verhaeghe: “Precies. Er zijn scholen waar het team de schouders laat hangen, en er zijn scholen waar men er het beste van probeert te maken. Maar we moeten onszelf niets wijsmaken. De belangrijkste determinerende factor is niet de samenstelling van de schoolpopulatie, maar de SES van de leerlingen zelf, de thuissituatie dus. Het bed waarin men geboren wordt, bepaalt nog altijd in hoge mate de slaagkansen in het onderwijs”.

 

Nina Van Eeckhaut verovert zich een voornaam

Ik laat met niet muilkorven’

(Knack, 10 april 2013)

FilipNaudts_NinaVanEeckhaut_130403_

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

foto: Filip Naudts,  www.guardalafotografia.be

 

Het comfort van de anonimiteit werd Nina van Eeckhaut (33) nooit gegund.  Het begon al op de lagere school, en aan de universiteit en de balie klonk de begroeting niet anders. Dochter van Piet Van Eeckhaut? De sceptische ondertoon heeft haar nooit van haar stuk gebracht. Vastberaden koos  ze het voetspoor van haar vader, de baardige strafpleiter met een recordaantal assisenzaken op zijn naam. Veertien assisenprocessen later heeft ze haar eigen voornaam veroverd. Nina is niet langer de assistente van Piet, maar een rijzende ster aan het firmament van de Vlaamse penalisten. De kritiek na haar optreden op het proces De Gelder kwam dan ook des te harder aan. Meester Van Eeckhaut, raadsvrouw voor een kinderverzorgster die het drama in Fabeltjesland meemaakte, werd op diverse fora van populisme beschuldigd. Platte retoriek, noemde schrijfster Saskia De Coster het in een bijtende column. Wekenlang hield de jonge advocate de lippen stug op elkaar, ondanks talloze aanvragen van televisie en andere media. Die bezinningsperiode is gelukkig voorbij als we op haar kantoor aan de Gentse Recollettenlei aanbellen.  Ze steekt een sigaret op en laat koffie aanrukken. Hoog tijd om eens goed haar gedacht te zeggen.

-          Saskia de Coster geeft in haar column een bloemlezing uit uw pleidooi. U noemde De Gelder een  ‘Hannibal Lector-wannabe’, en sprak snerend over de ouders van De Gelder die zich achter de ziekte van ‘ons Kimmeke’ blijven verschuilen. Heeft ze geen punt wanneer ze van platte retoriek gewaagt?

Nina Van Eeckhaut: (fel) “Daar krijg ik het nu van op mijn heupen:  linkse intellectuelen die met het opgeheven vingertje hun morele superioriteit etaleren.  En hoe ze hun punt maken, door simpelweg een paar quotes uit hun context te rukken.  Kijk, ik heb daar meer dan een uur staan pleiten. Zo’n pleidooi, dat schud je niet zomaar uit je mouw.  Ik heb zeven uur aan de redactie besteed, geen wonder als je bedenkt dat het dossier De Gelder 30.000 pagina’s dik is. En ja, ik heb de woorden gebruikt die De Coster in haar column aanhaalt. So what? Die woorden passen in de opbouw van een genuanceerd betoog waarover ik diep heb nagedacht. Het was absoluut niet mijn bedoeling de Gelders ouders te kwetsen. Integendeel, ik heb in de aanloop van mijn pleidooi benadrukt dat ik met hen meevoel, en dat ook zij slachtoffers zijn. Maar ik heb uiteraard het dossier gelezen. Kim De Gelder gedroeg zich thuis als een pestkop, zijn broer en zus moesten het vaak ontgelden. Die ouders waren zich daarvan bewust, maar ze hebben hem nooit gestraft. Ah nee, dat hoorde niet, want ‘ons Kimmeke’ was ziek. Daarom heb ik dus die passage ingelast. Waar haalt zo’n De Coster eigenlijk de pretentie vandaan om mij de les te spellen? Heeft ze het dossier gelezen? Heeft ze ook maar één procesdag bijgewoond? Nee, haar hele opinie is gebaseerd op een handvol fragmenten die via live stream en tweets zijn uitgelekt. Die gemakzucht, dat is wat mij nog het meest ergert”.

-          Maar was het echt nodig om De Gelder toe te voegen dat hij niet de moed heeft om zich op te hangen?

Van Eeckhaut: “Nogmaals, verlies de context niet uit het oog. In het vuur van mijn betoog kwam dat helemaal niet shockerend over. En laten we wel wezen: iemand die zulke gruwelijke feiten pleegt,  mag niet verwachten dat hij met fluwelen handschoenen wordt aangepakt. Ach, de kritiek achteraf is te belachelijk voor woorden.  In een column in De Standaard mocht iemand beweren dat Nina Van Eeckhaut in haar eentje de hele suicidepreventie op de helling had gezet. Waar halen ze het? Ik besef heel goed wat psychisch lijden betekent. Wie me een beetje kent, weet dat ik me al jarenlang inzet voor het lot van geïnterneerden en gecollokeerden”.

-          Waarom heeft u zo lang gewacht om de kritiek te pareren?

Van Eeckhaut: “Laat me eerlijk zijn. Ik was aangeslagen, ook al besefte ik meteen dat de verwijten van de pot gerukt waren. Een assisenpleidooi is als topsport,  je staat daar en geeft het beste van jezelf. Na dat uur was ik uitgeput maar ook tevreden. Ik wist dat ik goed had gepleit, wat me trouwens door verschillende getuigen in de zaal werd bevestigd. Een schouderklop, dat is precies wat je op zo’n moment nodig hebt. Geen uur later echter is de hel losgebarsten. Blogs, tweets, commentaren, de gratuite kritiek bleef maar aanzwellen. De internetfora heb ik niet eens gelezen. Anoniem haatspuiten, dat getuigt van weinig moed. Gelukkig kreeg ik ook steun.  Helder en krachtig pleidooi, stond in Het Laatste Nieuws. Dat komt dan van een journalist die het hele proces heeft bijgewoond en weet waar hij over schrijft. Misschien moet Saskia De Coster dat ook maar eens doen vooraleer ze nog een keer haar mening verkondigt. Maar wees gerust, ik heb de knop omgedraaid. Het leven gaat voort, volgende week verdedig ik alweer een achtjarig meisje dat door haar vader vreselijk werd misbruikt. Uiteindelijk zal deze ervaring me sterker maken, ook als strafpleiter. Ik laat me niet muilkorven, ook niet door linkse intellectuelen of weldenkend Vlaanderen. Want de kritiek kwam vooral uit het kamp van de believers, veelal buitenstaanders die er zonder enige dossierkennis van overtuigd waren dat De Gelder niet toerekeningsvatbaar was. In die kringen leeft blijkbaar ook het waanidee dat de advocaat van de burgerlijke partij niet over de schuldvraag mag pleiten. In sommige landen is dat misschien zo, maar in België geeft de wet me de volledige vrijheid om voor het assisenhof te zeggen wat ik wil. Dat recht laat ik me door niemand afnemen”.  

-          De jury was unaniem:  De Gelder is toerekeningsvatbaar en over de hele lijn schuldig. Toch blijft de controverse woeden en gaan er nog altijd stemmen op die betreuren dat hij niet werd geïnterneerd. Zelf nooit getwijfeld?

Van Eeckhaut: “Nee, maar ik heb dan ook het hele dossier gelezen. De Gelder kampt met psychische problemen, dat wordt door niemand ontkent. Hij heeft een schizotypische persoonlijkheidsstoornis, verergerd door uitgesproken narcistische neigingen. Maar een echte psychoot? De Gelder kon zijn opstoten zelf regelen, alsof er een hendel in zijn hoofd zat. Dat klopt natuurlijk niet. Een confrater heeft het op proces goed verwoord: psychoot is geen nine to five job, je bent het of je bent het niet. Het was niet de waanzin die De Gelder tot zijn daden heeft gedreven, maar zijn boosaardige basispersoonlijkheid”.

-          Iedereen is het eens: de gerechtelijk psychiatrie heeft op het proces De Gelder alweer een slechte beurt gemaakt. Zeggen deskundigen van het openbaar ministerie wit, dan betogen andere deskundigen van de verdediging dat het zwart is. Zoek het maar uit als lekenjury. Wat moet er volgens u veranderen?

Van Eeckhaut: “Ach ja, dat welles-nietesspel hoort er nu eenmaal bij. Niks is volmaakt, en gerechtelijke psychiatrie is geen exacte wetenschap. Maar om te zeggen dat de deskundigen van het openbaar ministerie er een potje van gemaakt hebben? Ze hebben De Gelder heel vaak gezien en een doorwrocht verslag van 165 pagina’s geschreven. Natuurlijk was het beter geweest hem gedurende een paar weken permanent te observeren, zoals de Nederlanders dat doen in hun befaamde Pieter Baancentrum. De oprichting van zo’n observatiecentrum staat trouwens in de nieuwe wet op de internering, die helaas al jaren op uitvoering ligt te wachten. Ik volg dat op de voet, psychiatrie en neurologie zijn materies die me mateloos boeien. Ik geloof niet in een deterministische mensvisie.  Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn voor een beschuldigde die voor de rechter verschijnt. ‘Ik kon er niks aan doen, edelachtbare, het ligt aan mijn brein’. Of aan zijn karakter, en dan kan hij Saul Bellow citeren die ooit schreef ‘uw karakter is uw lot’. Dat is natuurlijk juist. Je kunt wel aan je karakter schaven, maar je zit er hoe dan ook mee opgescheept. Toch vind ik het in de rechtbank weinig overtuigend klinken als iemand zegt dat hij het niet kon helpen, want dat hij nu eenmaal zo is. Er bestaat wel degelijk zoiets als een vrije wil. Confrater Patrick Dillen heeft het tijdens het proces De Gelder opgeworpen:  los van het empathische besef van goed en kwaad is er ook een cognitieve dimensie. Daar ben ik het mee eens, we weten met ons verstand of iets maatschappelijk aanvaardbaar is of niet”.

-          U heeft kort na elkaar in twee processen tegen zogenaamde babymoordenaressen gestaan, telkens in het kamp van de beschuldigde. Ook toen speelden gerechtspsychiaters een glansrol, te meer omdat de verdediging in beide zaken het omstreden concept van zwangerschapsontkenning als verklaring aanvoerde. Riskante strategie?

Van Eeckhaut: “Omstreden concept? Ik heb het niet uit de lucht gegrepen. Bij de voorbereiding heb ik veel gelezen over neonaticide en zwangerschapsontkenning, onder andere een razend interessante studie van de Universiteit van Rennes. Wist u dat men in de literatuur van een verstekeling in de baarmoeder spreekt? We hadden sterke argumenten, maar het resultaat was wisselvallig. In de eerste zaak kreeg onze cliënt 20 jaar, een zware straf. Ook in de tweede zaak werd onze cliënte werd schuldig verklaard, maar omdat zwangerschapsontkenning als verzachtende omstandigheid werd aanvaard, kreeg ze een mildere straf. Waarom dat verschil? De overtuigingskracht van de gerechtspsychiaters speelt natuurlijk een rol, zeker voor een assisenjury. Roger Deberdt schrijft in zijn memoires over een van die processen. ‘Zwangerschapsontkenning was de ultieme truc die haar advocate haar had ingefluisterd’, staat er zonder me bij naam te vernoemen. Ik viel zowat van mijn stoel toen ik dat las! Anderhalf jaar voor ik als advocaat in beeld kwam, heeft die vrouw aan de politie verklaard dat ze nooit had beseft dat ze zwanger was. Wat viel er dan in te fluisteren? Ik haat het als men advocaten als souffleurs voorstelt die hun cliënten allerlei uitvluchten oplepelen. En zonder natrappen: dat hele boek van Deberdt is psychiatrie voor kleuters. Die man heeft historische verdiensten in de ontwikkeling van de forensische psychiatrie in Vlaanderen, en hij is een vat vol smakelijke anekdotes, maar het is ook duidelijk dat hij de literatuur van de voorbije dertig jaar heeft gemist. Natuurlijk lag het niet alleen aan de gerechtpsychiaters. Je staat daar als strafpleiter niet alleen, de persoonlijkheid en de uitstraling van de cliënt hebben ook een impact op de jury”.

-          In het eerste babymoordproces vormde u nog een tandem met uw vader, in de rol van sidekick. Intussen pleit u zonder vaderlijke assistentie, als titularis. Hoe moeilijk was het om onder de schaduw van Piet Van Eeckhaut uit te komen?  

Van Eeckhaut: “Ik heb zijn nabijheid nooit als een schaduw aangevoeld. Integendeel zelfs, mijn vader is voor mij altijd een baken geweest. Zijn wijsheid en belezenheid, daar zal ik nooit kunnen aan tippen. Natuurlijk, de tijden zijn veranderd. Mijn vader heeft behalve rechten ook wijsbegeerte gestudeerd. Hij kan alles in een breed perspectief plaatsen, laat zich door niets of niemand uit het lood slaan, en heeft in alle omstandigheden een citaat of aforisme klaar. Ik heb na het proces De Gelder getwijfeld toen de media aan mijn mouw kwamen trekken. VTM, VRT, Vier, ik had de talkshows voor het uitkiezen. Maar ik moest aan vaders motto denken. ‘Leen uw oor om te luisteren aan velen,  maar niet uw tong om te spreken’. Die raad volg ik meestal, in mijn lade ligt al een dikke farde met geweigerde media-aanvragen”.

-          Was u genetisch voorbestemd om strafpleiter te worden?

Van Eeckhaut: “De fascinatie is vroeg ontstaan. Als mijn vader in een assisenzaak stond, kochten we thuis altijd de Blik. Dan verslond ik de rubriek van Gust Verwerft, ‘Beschuldigde sta  op’.  Er was veel te doen over de rivaliteit met Jef Vermassen.  In feite werd dat door de buitenwereld opgeklopt, zelf lag hij daar niet wakker van. Maar ik was wel apetrots toen mijn vader in het geruchtmakende proces van de Beerputmoord als overwinnaar uit de bus kwam. In mijn ogen was hij de beste en slimste advocaat ter wereld. Na mijn rechtenstudie wilde ik nog psychologie of filosofie studeren. Uiteindelijk heb ik daarvan afgezien en ben ik onmiddellijk aan de balie gegaan. Zie je, mijn vader is niet meer van de jongste, de leeftijdskloof tussen ons beiden is groot. Ik wilde de kans niet missen om de stiel van hem te leren. Niet dat ik een doorslagje van mijn vader ben, mijn stijl is veel zakelijker. Vier uur pleiten zonder jury op de zenuwen te werken, daar draait hij als geboren orator zijn hand niet voor om. Het zou niet alleen belachelijk zijn dat te imiteren, de jury zou het ook niet pikken. Als drieëndertigjarige heb je te weinig bagage om hoogdravende discours over de kunst van het leven af te steken. Pas op, het was niet altijd een cadeau om als dochter van Piet Van Eeckhaut door het leven te gaan. Op de lagere school had ik een leraar die me voortdurend berispte. ‘Het is niet omdat je de dochter van Piet Van Eeckhaut bent’, zo begon hij altijd. Ook later, toen ik aan de universiteit ging, werd ik ermee geconfronteerd. De dochter van Piet Van Eeckhaut op het mondelinge examen, dat vonden heel wat proffen toch wel bijzonder. Het was het post-Dutroux-tijdperk, in de publieke opinie leefde een diepe aversie voor alles wat naar justitie rook. Magistratuur, advocatuur, alles werd afgebrand. Ook in de studentencafés woedde die discussie. Ik nam het altijd op voor justitie, meestal moederziel alleen”.

-          Leeftijd is relatief, we vermoeden dat een strafpleiter sneller dan gemiddeld inzicht verwerft in de kunst van het leven. Tenslotte moet u zich beroepshalve verdiepen in de krochten van de menselijke psyche. Babymoordenaars, vrouwenmoordenaars, seriemoordenaars, het zijn fraaie specimen die u onder loep krijgt. Wat doet dit werk met een jonge vrouw?

 Van Eeckhaut: “De ene dag is de andere niet. Als strafpleiter werk je niet met cijfers of dossiers, maar met mensen. Dan moet je betrokken zijn, emoties toelaten. Mensen graag zien, daar komt het volgens mij op aan. Doorgaans lukt dat goed, omdat ik de kunst van het mededogen versta. Wat criminelen ook hebben gedaan, ik blijf hen als medemensen beschouwen, tenzij het natuurlijk om echte psychopaten gaat. We zitten allemaal in dezelfde boot, is mijn innige overtuiging, alleen hebben sommige boten meer stormen doorstaan en meer averij opgelopen dan andere. Want het zijn niet de telgen van de bourgeoisie of de rijkeluiskinderen die de wachtzaal van strafpleiters bevolken, en het is geen goedkope truc als we de ongelukkige jeugd van een cliënt als verzachtende verklaring voor zijn daden aanhalen. Maar toegegeven, ik heb ook mijn moeilijke momenten. De kritiek na het proces De Gelder gaf eens te meer voedsel aan mijn misantropie, een karaktertrek waarmee ik ben geboren. Ik was een zwaarmoedige puber, later heb ik een hele periode antidepressiva geslikt. Dat is geen nieuws, ik ben daar altijd open over geweest. De helft van Vlaanderen slikt antidepressiva, maar niemand wil er voor uitkomen. Ik erger me aan dat taboe”.

-          De advocatuur is in sneltempo aan het vervrouwelijken, alleen onder strafpleiters zijn vrouwen dun gezaaid. Speelt de genderkloof in de correctionele rechtbank of de assisenzaal? Of misschien eerder in de gevangenis?

Van Eeckhaut: “Vrouwelijke strafpleiters zijn in opmars. Kijk naar het proces De Gelder, ik stond daar heus niet alleen als vrouw. Genderkloof? Voor mij is dat nooit een punt geweest, ook niet in de gevangenis. Ja, in mijn beginjaren werd ik soms sceptisch onthaald, maar dat had niks met mijn vrouw-zijn te maken. Sommige cliënten reageerden ontgoocheld als ik me voorstelde. Nina Van Eeckhaut, loco voor meester Van Eeckhaut. Ik heb voor de oude betaald, zag ik ze dan denken, en nu sturen ze me zijn dochter. Maar ik liet me niet ontmoedigen. ik beschouwde het juist als een uitdaging om mijn competentie te bewijzen en hun respect af te dwingen”.

-          33 pas en al 14 assisenzaken op de teller. Moet je vader zich zorgen maken over zijn record van meer dan 100 assisenprocessen?

Van Eeckhaut: (lacht)  “Laten we niet vooruitlopen, ik heb geen glazen bol. Maar het gaat inderdaad hard, vooral de voorbije drie jaren waren erg intensief. Twee infanticides, de zaak Kitty Van Nieuwenhuysen, het proces Ignatov, en als klap op de vuurpijl de zaak De Gelder. Zonder uitzondering  opmerkelijke processen, zo werd de zaak Ignatov maandenlang geschorst na een mislukte poging tot wraking van de voorzitter door mijn opponent, Hans Rieder. Op het proces Van Nieuwenhuysen was ik advocaat voor de agent die naast Kitty in de combi zat en zwaargewond raakte. Voor het eerst in het Frans gepleit, meteen mijn beste pleidooi ooit omdat ik door mijn beperkte woordenschat verplicht was om het sec te houden. Zo leer ik voortdurend bij”.

-          De naam is gevallen. Hans Rieder, uw buurman aan de Recollettenlei. Als beginnend advocaat heeft u meermaals uw bewondering uitgesproken voor de befaamde procedurepleiter. Opmerkelijk, want Rieder is zowat in alles de antipode van uw vader en lichtend voorbeeld. Bent u nog altijd fan?

 Van Eeckhaut: “Hij blijft in mijn ogen een briljante geest, zijn juridisch inzicht is formidabel. Een tekst van Rieder, daar kan ik van genieten als van een goed boek. Maar als assisenpleiter is hij geen rolmodel, verre van. Rieder kan zijn superioriteitsgevoel niet verstoppen. Dat werkt niet voor een jury, het wekt vooral irritatie op”.

-          Hans Rieder heeft een dikke steen in de kikkerpoel van de balies gegooid. Volgens hem is het pro deo-systeem door en door verrot. De Salduz-wet, die arrestanten vanaf hun eerste verhoor juridische bijstand garandeert, heeft een graaicultuur doen ontstaan. Advocaten zonder enige ervaring werpen zich als strafspecialisten op. Ze sprokkelen aan de lopende band punten voor het pro deo-vergoedingsysteem, terwijl de niets vermoedende cliënt verstoken blijft van deskundig advies. Terechte kritiek?

Van Eeckhaut: “Ja, ik zie ook toestanden die niet door de beugel kunnen. Maar zoals altijd heeft Rieder het scherp geformuleerd. We moeten het kind niet met het badwater weggooien. Het is niet omdat sommigen er de kantjes aflopen, dat we het hele pro deo-systeem moeten afschaffen”.

-          Komt er nog een gezamenlijk optreden van Piet en Nina Van Eeckhaut?

-          Van Eeckhaut: “Mijn vader heeft de luxe dat niks meer moet, hij kan er de zaken uitpikken die hem echt boeien. En jawel, we gaan er nog eens samen tegenaan, in september staan we in het proces van de zogenaamde paardenmoord. Voor de slechte verstaander: ik vul mijn dagen niet uitsluitend met assisenprocessen. Ik doe vooral correctionele zaken, en daarnaast ben ik gespecialiseerd in familierecht. Echtscheidingen, daar moet je pas openheid voor aan de dag leggen. In het weekend ben ik altijd bereikbaar. Zaterdag of zondag, dat is het moment waarop er scheidende koppels oorlog voeren. Vorige zondag nog een telefoon: ‘hij heeft de kleine zijn haar geknipt zonder mij iets te vragen’.  Geloof me, het is niet alleen als strafpleiter dat je de mens leert kennen”.

 

-          Slotvraag: doet u nog aan boksen als hobby?

Van Eeckhaut: “Ik heb dat anderhalf jaar volgehouden. Wedstrijden heb ik nooit gebokst, maar ik trainde met een privéleraar. Ideaal om stoom af te laten, maar ik ben er wat te hard in gevlogen met een kwetsuur als gevolg.  Ik ben gestopt, vooral omdat ik geen tijd heb voor hobby’s.  Okay, ik lees veel en ben verslaafd aan Ruzzle, een spelletje op mijn iPad. Maar voor het overige? Ik vrees dat ik helemaal samenval met mijn werk”.

 

Debat over economie, identiteit en geluk

‘Verbied psychofarmaca en er breekt revolutie uit’ 

(Knack, 3 april 2013)

tijdens het literair festival Passa Porta 2013 modereerde Arnon Grunberg een debat met econoom Koen Schoors, psychiater Dirk De Wachter en pyschoanalyticus Paul Verhaeghe. Hieronder het verslag, gemaakt in opdracht van Knack.

 

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

 

Was Arnon Grunberg een matrousjka, dan volstond één dressoir niet om de poppetjes uit te stallen. Romanschrijver, essayist, columnist, provocateur met talent voor zelfspot, de opsomming is niet volledig. Op vraag van het literaire festival Passaporta nam hij alweer een nieuwe gedaante aan. Grunberg figureerde in de Brusselse KVS als moderator van een uitgelezen panel. Psychoanalyticus Paul Verhaeghe , psychiater Dirk De Wachter en economist Koen Schoors wisselden in zijn regie van gedachten, onder meer over de impact van de economie op ons geestelijk welbevinden. Behalve een professoraat hadden de genodigden nog een gemene deler. Alle drie hebben recent een boek geschreven waarin het verband tussen de psychische en economische huishouding een prominente rol speelt. Grunberg had er schik in. Zichzelf wegcijferend, maar immer alert om het gesprek met een pertinente tussenkomst of kwinkslag uit het moeras der saaiheid te trekken. Zijn belangstelling voor het thema was overigens niet occasioneel. Binnenkort laat hij zich enkele weken opnemen in een psychiatrische instelling, een ervaring waarover hij eerlang verslag hoopt uit te brengen in de reeks ‘Grunberg onder de mensen’.  De naam van de instelling konden we hem niet ontfutselen, maar vast staat dat ze in de Antwerpse regio ligt. “In Nederland zou het niet lukken”, vertelde hij na het debat. “Wettelijke obstakels. Nederlandse instellingen zijn doodsbang dat ze de privacy van hun patiënten zouden schenden”.

Met permissie volgt hieronder een bloemlezing van het debat, door de moderator op gang getrapt met een vraag als een paukenslag.

Arnon Grunberg:  we zullen het vanmiddag uitgebreid over neoliberalisme hebben, een begrip waarvan velen onder ons niet goed weten wat het precies betekent. Kunt u ons als economist bijlichten?

Koen Schoors: (zucht) “Da’s een moeilijke. Neoliberalisme is zowat een containerbegrip geworden voor al wat misloopt in de economie. Volgens mij gaat het evenwel hierom: een set van ideeën en uitgangspunten die het liberalisme is gaan overheersen. De hoeksteen blijft het aloude kapitalisme, maar nieuw is dat globalisering als hoogste goed geldt, en dat alles in prijzen valt uit te drukken. De geestelijke vaders zijn mensen zoals Friedrich Hayek en Milton Friedman, topeconomen die Nobelprijzen hebben gewonnen. Hun recepten zijn voor het eerst ruim toegepast in Latijns-Amerika en bij de transitie in Rusland. Met desastreus resultaat, als je het mij vraagt. Hayek en Friedman zien de economie als een zuiver rationeel gegeven, met perfect functionerende financiële markten. Ze hebben totaal geen oog voor de lokale context. Sociaal kapitaal, instituties, vertrouwen van de burger in de overheid, allemaal elementen met een grote invloed op de werking van een economie. In de wereld van het neoliberalisme bestaan ze echter niet, de prijs is de ultieme morele waarde. Ik vind dat het een pervertering van het liberalisme”.

Grunberg: wat bedoelt u met pervertering?

Schoors: “Het historische liberalisme huldigt ook idealen zoals de vrijheid van het individu, mensenrechten en de scheiding tussen kerk en staat. Het is toch pervers om zo’n erfenis te reduceren tot de stelling dat de prijs de enige maatstaf der dingen is? Wat me evenzeer tegen de borst stuit, is de contextloze visie op economie. Die context bepaalt hoe een maatschappij functioneert en naar zichzelf kijkt. Dat is dus ook cruciaal voor onze identiteit, want wie is tenslotte de maatschappij? Dat zijn wij allen samen”.

Grunberg:  Identiteit is de titel van Paul Verhaeghe’s nieuwste boek. U poneert daarin dat het neoliberalisme niet alleen de maatschappij maar ook individuen ziek maakt. Hoezo?

Paul Verhaeghe: “Dat inzicht is stilaan gegroeid. Zo’n vijftien jaar geleden stelde in een verschuiving vast in het soort depressiepatiënten dat ik in mijn praktijk over de vloer kreeg. Aangezien ik in Gent ook psychotherapie en psychodiagnostiek doceer, kreeg ik de kans om dat fenomeen wetenschappelijk te onderzoeken. Zo is mijn vakgroep aan een grootschalige studie begonnen, waarbij patiënten langdurig werden gevolgd en bevraagd. Conclusie: anders dan de klassieke psychoanalytische modellen lieten verwachten, bleken heel veel van die depressies werkgerelateerd te zijn. Het heeft me jaren gekost vooraleer ik die evolutie kon doorgronden. Waarom worstelden al die patiënten met hun zelfbeeld? In eerste instantie legde ik de link met de jongste hype in de psychotherapie, die van de persoonlijkheidsstoornissen. Los daarvan echter bleef ik me vragen stellen over het fenomeen identiteit, en over de context waarin die identiteit wordt ondergraven. Zo raakte ik ervan overtuigd dat die context van sociaaleconomische aard is”.

Grunberg: met andere woorden, het neoliberalisme perverteert ook onze persoonlijkheid?

Verhaeghe: “Perverteren zou ik niet zeggen, dat woord heeft in ons vakgebied een andere betekenis. Ik durf wel te stellen dat het systeem mensen ziek maakt. Door de bril van de psychoanalyse bekeken zie ik overigens een belangrijk verschil tussen kapitalisme en neoliberalisme. Het eerste is een duidelijk patriarchaal model, met een herkenbare autoriteit waarop men in tijden van crisis kan terugvallen. Die autoriteit ontbreekt in het huidige neoliberalisme, ik zou het als een anoniem model in een digitale wereld omschrijven. Ik denk aan de uitspraken van sommige experts over de financiële crisis. We zijn de controle kwijt, zeggen ze, de financiële markten worden aangestuurd door computers die in milliseconden voor miljarden aan orders plaatsen. Die anonimiteit maakt ons angstig en machteloos, we weten zelfs niet meer tegen wie we nog moeten protesteren. Daar zie ik trouwens een duidelijke link met mijn eigen vakgebied: het gevoel van machteloosheid is een borderline-kenmerk”.

Dirk De Wachter: “Ik ben het in grote lijnen eens met Paul Verhaeghe, ik citeer hem trouwens in mijn eigen boek. Maar als systeemtherapeut vertrek ik niet vanuit oorzaak-gevolg-analyses, ik redeneer veeleer in cirkels. Mij hoor je dus niet zeggen dat het Systeem ons ziek maakt. Er is geen autoriteit die ons van bovenaf aanstuurt. Wij zijn zelf het systeem, en wij zijn het die voor onszelf moeten beslissen of we al dan niet meelopen in de ratrace en ons verliezen in grenzeloze consumptie”.

Verhaeghe: “Toch even verduidelijken: mijn bedenking over het ontbreken van autoriteit is geen pleidooi voor een terugkeer naar een patriarchale maatschappij. Dat zou ook niet werken, gezag is een besmet begrip geworden, dat aan allerlei vormen van misbruik doet denken. Het gaat hem hierom: het is in de psychologie welbekend dat kinderen nood hebben aan stabiliteit. Die stabiliteit staat of valt echter met een zekere vorm van autoriteit. Ook een maatschappij heeft een dosis stabiliteit nodig. Hoe vul je die behoefte in, zonder in ongewenste vormen van autoriteit te vervallen? Dat is de vraag waarover ik me het hoofd breek”.

De Wachter: “We moeten vooral niet wachten op een Messias die zich als de Autoriteit opwerpt. Er bestaan geen wondermiddelen, ik geloof in kleine gebaren, bottom-up. Met zijn allen nadenken over manieren om de wereld voor onszelf en de anderen beter te maken. We hebben inderdaad nood aan stabiliteit en autoriteit, maar graag in mineur. Ik loop hoog op met Emmanuel Levinas, de filosoof van de kleine goedheid. Je kunt dat wollig noemen, maar ik zie dat anders. Verantwoordelijkheid nemen voor ons eigen leven, daar komt het in feite op neer”.

Grunberg: u bent ook een fan van Michel Houellebecq, niet bepaald een filosoof van de kleine goedheid. Waarom?

De Wachter:  “Kunstenaars, in het bijzonder schrijvers, voelen de problemen van onze tijd veel beter aan dan wetenschappers. Als ik wil weten hoe mijn patiënten de maatschappij ervaren, heb ik veel meer aan een hedendaagse roman dan aan een jaargang van The American Journal of Psychiatry. ‘Extension du domaine de la lutte’ van Houellebecq, dat kan ik iedere psychiater of psychotherapeut aanbevelen”.

Grunberg: hoe bekijkt een economist de identiteitscrisis waarmee we in Europa kampen?

Schoors: “Als collateral damage. We leven in een maatschappij en een tijdperk die ontzettend veel vrijheid en mogelijkheden bieden. Je kunt onbeperkt reizen en worden wat je wilt. Op zich is dat allemaal fantastisch, het probleem is alleen dat we nooit hebben geleerd hoe we met die vrijheid moeten omgaan. Wat is identiteit anders dan de som van onze beperkingen? We zitten nog altijd vast aan een bepaalde context, we identificeren ons met ons dorp of met onze sociale groep. Nu die context en die beperkingen vervagen, reageren we angstig. De nieuwe vrijheid verplicht ons immers voortdurend keuzes te maken . Waar wil ik heen? Wat wil ik met mijn leven aanvangen? Ik zie dat als een tijdelijk probleem, nieuwe generaties zullen beter leren omgaan met die mogelijkheden”.

Verhaeghe: “Ik zou die vrijheid toch sterk willen relativeren. Okay, keuzes maken is verantwoordelijkheid nemen. Maar in deze maatschappij worden ons heel veel verantwoordelijkheden opgelegd zonder dat we ervoor hebben gekozen. Jonge mensen werken vijftig uur per week en langer. Doen ze dat niet, dan ontlopen ze zogezegd hun verantwoordelijkheid. Niet mijn idee van vrijheid, het doet me denken aan de uitspraak van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski. ‘Nog nooit zijn we zo vrij geweest, en nog nooit waren we zo machteloos’.  Dat is de nagel op de kop”.

Grunberg: laten we het over eurocrisis hebben. Uit het boek van Koen Schoors spreekt een groot vertrouwen in de goede afloop. Vanwaar dat optimisme?

Schoors: “Ik zet me af tegen het idee dat deze crisis uniek is. Wie dat beweert, bewijst dat hij weinig van economische geschiedenis kent. Ik bereid een paper voor over de financiën van de stadsstaat Antwerpen tussen 1630 en 1760. Wat stel ik vast? De schuld was toen 21 keer groter dan de inkomsten. Er werd al gebruik gemaakt van special purpose vehicles, financiële constructies die ad hoc werden bedacht. Zo werden toekomstige belastingsinkomsten aan derden verkocht. Aanvankelijk waren het rijke families, schepenen, die de schuld aankochten. Toen de terugbetaling begon te haperen, heeft men nieuw schuldpapier uitgegeven en die aan gewone burgers verkocht, en niet veel later is het hele systeem failliet gegaan. Ik bedoel maar, er niks nieuws onder de zon, alles verloopt in cycli. Een financieel systeem gaat een generatie of twee mee, dan loopt het mis en is het wachten op frisse ideeën die tot een nieuw evenwicht leiden. We kunnen uit onze ervaringen leren en immuniteit opbouwen zodat de weerslag bij volgende crisis minder hard aankomt. Maar dat die volgende crisis er ooit komt, staat vast. Het zit nu eenmaal in de menselijke natuur te geloven dat de bomen tot in de hemel groeien, en dat prijzen van de huizenmarkt altijd zullen blijven stijgen. Biedt de Ijslandse Kaupthing Bank 6 procent op een spaarboekje? Dat halen we prompt ons geld weg bij KBC dat maar 5,5 procent biedt”.

Grunberg:  volgens Freud en Lacan is verlangen per definitie onbevredigbaar. Toegepast op de economie lijkt dat een verklaring voor ons consumentisme: elke aanschaf leidt vanzelf tot een nieuwe aanschaf. Wat vindt u daar als Freudiaan en Lacaniaan van?

Verhaeghe: “Lacan beschrijft een diepmenselijk mechanisme, het verlangen dat voortdurend verschuift en nooit een definitieve invulling krijgt. Op zich niks verkeerd aan, dat mechanisme is een bron van creativiteit die ons voortdrijft. Maar in deze postmoderne tijd worden we met de illusie opgescheept dat er wel een definitieve oplossing bestaat. Koop die nieuwe Ipad, en je verlangen wordt voor eens en altijd bevredigd. Het volmaakte geluk ligt ook maar één muisklik van ons verwijderd. Het is die illusie die ons ziek maakt”.

De Wachter: “Alles wordt geconsumeerd, genot en zelfs morele waarden. In mijn ogen wordt het pas een probleem als je daar geen vragen meer bij mag stellen. Het consumentisme is een monoliet geworden in onze samenleving, een onwrikbaar feit dat boven alle kritiek is verheven”.

Grunberg: hoezo geen kritiek mogelijk? Jullie hebben net een boek uit dat bulkt van de kritiek. En kom niet vertellen dat die boeken werden doodgezwegen…

De Wachter: “Klopt, maar zetten we daarmee zoden aan de dijk? Mensen lezen ons boek of komen luisteren naar dit debat. Fijn, denken ze, men heeft het weer eens goed gezegd. Maar morgen gaan ze weer over tot de orde van de dag en verandert er niets”.

Verhaeghe: “Dat is het bekende fenomeen van de repressieve tolerantie. De beste manier om een kritische beweging monddood te maken, is ze te recupereren en in te passen in het systeem”.

De Wachter: “Over repressieve tolerantie gesproken. Ik ben door liefst vier politieke partijen gevraagd”.

Grunberg:  we moeten uit de ratrace stappen, hoor je vaak, en minder consumeren.  Maar is dat wel een goed idee? Uit het boek van Koen Schoors leer ik dat we juist meer moeten consumeren, omdat anders de economische groei stilvalt en onze welvaartstaat instort …

Schoors: “Mag ik provoceren? Consumeren is een ethische daad!  We liggen allemaal wakker van de eurocrisis, maar die raakt vroeg of laat wel opgelost. Ik zie een veel groter gevaar voor onze welvaartstaat: de vergrijzing. Zelfs als deze crisis achter de rug is, zal dat probleem niet van de baan zijn.  Je mag het neoliberalisme afschaffen, het zal niks afdoen aan de urgentie van het vergrijzingsprobleem. Nu al is één procent van het begrotingstekort aan de oplopende kosten in de zorg te wijten. De druk kan alleen maar toenemen, want jaar na jaar zijn er meer werkenden die op pensioen gaan dan jongeren die de arbeidsmarkt betreden. Rampzalig, want het hele stelsel van sociale zekerheid steunt op het principe dat de actieve bevolking de zorg voor ouderen betaalt. Een cijfer maar: vroeger stonden vijf werkenden in voor één gepensioneerde. In 2050 zullen er dat nog twee zijn, en door de stijgende levensverwachting zullen die geen vijf jaar zorg maar twintig jaar moeten betalen”.

Verhaeghe: (licht geïrriteerd)  “Ik ben natuurlijk geen economist, maar ik begrijp niet waarom alle modellen uitgaan van de noodzaak van groei. Het doet me denken aan mijn verplichte evaluatiegesprekken met mijn secretaresse. Ze is al in de veertig, en toch moet ze blijven groeien. Waar slaat dat op? Is een duurzame economie zonder groei dan echt ondenkbaar?

 Schoors: “Het is perfect denkbaar, maar dan kunnen we een kruis maken over onze welvaarstaat. Zonder economische groei klapt de hele sociale zekerheid binnen de tien jaar in elkaar. Dat is geen paniekzaaierij, kijk maar naar Griekenland waar steeds meer mensen uit vuilnisbakken eten en professoren hun salarissen met 50 procent zien krimpen. Het is natuurlijk leuk om in vage termen kritiek op het systeem te spuien, maar daar schieten we niets mee op. Economische groei is geen ethisch goed, wel een praktische noodzaak. En laten we toch niet te hard over het kapitalistische systeem oordelen. Gedurende duizenden jaren was de condition humaine simpel. De gemiddelde vrouw zette meer dan vier kinderen op de wereld en op zijn veertigste was iedereen dood. Intussen is de nataliteit fel gedaald en ligt de gemiddelde levensverwachting in België al boven de tachtig. Dat is de verdienste van een systeem dat de voorbije vijfhonderd jaar in Europa voor een onwaarschijnlijke welvaartsstijging heeft gezorgd”.

De  Wachter: “Toch heb ik het gevoel dat het systeem op zijn laatste benen loopt, alle historische verdiensten ten spijt. We hebben nood aan nieuw paradigma. Dat is een groot woord, en ik heb zelf geen idee. Maar het lijkt me noodzakelijk om daar met zijn allen over na te denken”.

Verhaeghe: “Ik wil liever niet te ver terugblikken, het is de periode van de voorbije tien, vijftien jaar die me boeit. We beschikken daar over uitstekende data, zoals de psychosociale gezondheidsfactoren. Die kunnen we internationaal vergelijken, en correleren met andere gegevens zoals economische data. Welnu, ik kan alleen maar vaststellen dat de psychosociale gezondheidsfactoren voor sommige landen ongunstig evolueren. Het is nu slechter dan tien jaar geleden, in sommige landen is zelfs de levensverwachting gedaald”.

Grunberg: is dat zo?

Schoors: “Alles is een kwestie van perspectief. Het befaamde onderzoek van Wilkinson en Pickett legt een dubbele trend bloot. Terwijl de ongelijkheid tussen landen afneemt, stijgen de welvaartsverschillen binnen diezelfde landen. China loopt zijn achterstand op Europa in, maar in China zelf wordt de kloof tussen arm en rijk dieper. Is dat een goede of een slechte zaak? Ik vind dat een moeilijke vraag. Europa heeft decennialang aan de top van de welvaartspiramide gestaan. Fijn, maar het ging wel ten koste van andere continenten. Die komen nu opzetten, terwijl wij terrein verliezen. Globalisering heet dat, en het is een fenomeen dat ons in het Westen angst inboezemt. Maar je kunt er niet omheen: die globalisering heeft de welvaart van miljarden mensen doen toenemen.  We kunnen ons daar maar beter bij neerleggen, de echte vraag ligt volgens mij elders. Kan onze planeet al die welvaart wel aan? Hoe maken we die mondiale groei duurzaam? Dat zijn de uitdagingen van de toekomst”.

Grunberg: zijn er grenzen aan de inkomensongelijkheid binnen een systeem?

Schoors: “Ja, als de kloof te groot wordt krijg je een revolutie en kapseist het financieel systeem. Geld, dat is tenslotte niets ander dan een uitgesteld recht op consumptie. Als de verdeling van die toekomstige consumptie al te scheef loopt, komen de mensen in opstand”.

Grunberg: is dat misschien de reden waarom we massaal antidepressiva slikken? Een zoethouder om de revolutionaire dadendrang van boze mensen te onderdrukken?

Verhaeghe: “Een bedenking vooraf: ook de farmaceutische industrie maakt deel uit van het consumentisme. De modale mens schijnt te dromen van een superpil, een middel waarmee je niet alleen afslankt, maar ook nog een geweldig seksleven hebt en op het werk uitstekend presteert. Maar antidepressiva als zoethouder? Het is niet van de pot gerukt. Ik nodig mijn studenten wel eens tot een gedachtenexperiment. Hoe zou onze maatschappij eruit zien als je alle psychofarmica zoals slaappillen en antidepressiva wegcijfert? Ik geef het op een briefje, na  twee breekt er echt een revolutie uit”.

Schoors: “Kom nou! Zonder pillen zullen depressieve mensen alleen maar depressiever worden. Naar hen moeten we niet kijken voor een revolutie. Daar hebben ze de energie niet voor, het zijn mensen die zich verslagen voelen door het systeem. Boze mensen, dat is de rol die wij moeten spelen. Wij zijn het die voor verandering moeten zorgen. Niet per se door een revolutie te ontketenen, je kunt ook boeken schrijven in de hoop dat ze het pad naar verandering effenen”.

De Wachter: “Ik zie vele boze mensen die met hun boosheid niets kunnen aanvangen. Ze zijn het slachtoffer van de geluksillusie die onze maatschappij koestert. Wie problemen heeft, krijgt meteen een etiket opgekleefd. ‘U heeft een persoonlijkheidsstoornis. Met de maatschappij is niks mis, het ligt aan uzelf, aan een kronkel in uw hersens’. Psychofarmica helpen om die boodschap in te lepelen en maatschappijkritische reflexen te neutraliseren”.

Grunberg: geluksillusie is dus de kwaal. Misschien helpt het als we met zijn allen wat vaker hardop zeggen dat we allemaal losers zijn. (algemene hilariteit) Ik dank de panelleden voor het gesprek en stuur de zaal naar huis met een goede raad. Vier uw lust tot consumeren bot en koop de boeken van deze drie heren. Dank u wel.

 ‘Identiteit’, Paul Verhaeghe, De Bezige Bij, 2012

‘Borderline times. Het einde van de normaliteit’, Dirk De Wachter, Lannoo, 2013

‘De perfecte storm’, Koen Schoors & Gert Peersman, Borgerhoff & Lamberigts, 2012