Maandelijks archief: juli 2013

Weg van de wereld met Benedictus

repo over kloosterretraites, Knack 10 juli 2013 

 ”Je moet tegen de stilte bestand zijn. Anders hou je het geen dag met jezelf uit”

Westmalle (foto Jef Boes)

Westmalle (foto Jef Boes)

 

Terwijl  kerken leeglopen, zitten de gastenverblijven van kloosters en abdijen vol.Stilteretraites zijn in, zelfs Unizo doet eraan mee. Benedictijns verstillen kan desnoods online,maar voor de echte ervaring moet je nog altijd bij de Trappisten zijn. Een reportage over ora et labora, in gewijde stilte gemaakt vanuit Westmalle.

De retraite begint al bij het afstappen van de bus. Hoe het geluid van de Antwerpsesteenweg langzaam wegsterft in de abdijdreef. Stilte, daar zijn we voor gekomen. Tussen een dubbele rij eiken lopen we naar de imposante poort. Broeder portier doet open en wijst ons de weg naar het gastenverblijf. De kastanjelaar staat in bloei, in de piekfijn onderhouden binnentuin scharrelt een pauw. Broeder Benedict overloopt met ons de huisregels. Maaltijden worden op vaste tijdstippen met de andere gasten genuttigd. Ontbijt en avondmaal verlopen in stilte, alleen tijdens het middagmaal mag er ingetogen worden gepraat. Gasten worden uitgenodigd om zoveel mogelijk gebedsdiensten bij te wonen. “Niet dat we absenties nemen”, verduidelijkt de gastenbroeder. “ De nachtdienst om vier uur lokt bijvoorbeeld weinig volk, vanmorgen was er maar één gast. Maar het is wel de bedoeling dat gasten zoveel mogelijk met onze gemeenschap meeleven”. Gsm’en op de kamer wordt ontraden. Storend voor de buren, en een inbreuk op de stilteregel die ook buiten de diensten geldt. Voor de rest krijgen we de vrije hand. Werken op de kamer, wandelen in de groene omgeving, lezen in de tuin. We zien maar, zolang het met de contemplatieve geest van de gemeenschap spoort.

Het is een merkwaardige paradox van onze seculiere maatschappij. Terwijl de kerken leeg staan, lopen kloosters en abdijen vol. Niet met monniken, het aantal roepingen ligt bij kloosterlingen zo mogelijk nog lager dan bij priesters. Het zijn leken die de weg naar abdijen en kloosters hebben gevonden. Ze hebben zeer uiteenlopende motieven, maar allen hunkeren naar dezelfde ervaring die ze in hun dagelijks leven ontberen, stilte. Waar schaarste heerst, valt geld te rapen. Stilte is een product geworden, verpakt en vermarkt door pientere ondernemers. Google stilteretraite en er gaat een wereld open van bezinningscentra en coaches die spirituele trainingen en workshops aanbieden. Plaats van gebeuren is opvallend vaak een gewijde locatie zoals een abdij, klooster of priorij. Het katholicisme passé? Niet in de ogen van deze spirituele ondernemers die hun nering maar al te graag een rooms, monastiek cachet geven. Abdijretraites, ooit het monopolie van parochiepriesters en leerkrachten of directeurs uit het katholiek onderwijs, zijn in de sfeer van human resources en persoonlijke verdieping beland. Weekendje Benedictijns verstillen met het hele team? Kan on line worden geboekt, desgewenst met een sessie zen-mediteren of mindfullness als extra.  Zelfs Unizo, dat in 2013 overigens onder de vlag van bezielend ondernemen vaart, organiseert al een paar jaar abdijweekends. “Dit keer wordt het Orval”, zegt Catrina Vandersteegen,  zaakvoerder van marketing en communicatiebureau Mercurius uit Maaseik. “Maar we zijn ook al in Westmalle en Averbode geweest. Ik heb alle edities bijgewoond, ik ben trouwens lid van de stuurgroep spiritualiteit binnen Unizo. Ondernemen draait immers niet alleen om  winst en omzet, we worden ook door immateriële waarden gedreven. Het is de zoektocht naar die kernwaarden die ons jaarlijks samenbrengt. Je kunt ook in een trainingscentrum bezinnen, maar niks beter dan een abdij”.

Regula Benedictis

Benedictus, altijd weer Benedictus. Vijftien eeuwen na zijn dood is de Italiaanse heilige hipper dan ooit. De kluizenaar uit Nursia geldt als de stichter van het katholieke kloosterleven. Met zijn regula Benedictis trok hij in de zesde eeuw de krijtlijnen voor contemplatieve gemeenschappen. Monniken hoorden in armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan de abt te leven, hun dagen vullend met gebedsdiensten, meditatie en handenarbeid. Ora et labora werd het devies van de Benedictijnen, een breed vertakte familie waartoe ook de in ons land goed vertegenwoordigde Cisterciënzerorde behoort. Om de kloostertaxonomie te vervolledigen: Trappisten zoals de bewoners van Westmalle zijn Cisterciënzers van de strenge observantie, wat er op neerkomt dat ze de regel van Benedictus naar de letter proberen te volgen.

14 uur, noon. Hoe wijs raken uit de opeenvolging van psalmen, acclamaties en gebeden? Niet alleen verspringen de nummers volgens een ondoorgrondelijke algoritme, de ingrediënten van de gebedsdienst zitten ook nog eens over verschillende boeken verspreid. Vijftien gasten volgen de namiddagdienst van op de banken achterin de kapel. De frons in de wenkbrauwen bij het doorbladeren van het psalmenboek verraadt dat we niet de enige neofieten zijn. Zitten, opstaan, zingen, bidden, we proberen zo goed en zo kwaad mogelijk het ritme te volgen dat ons door de voorzanger wordt opgelegd. Benedict begeleidt op het orgel, zijn eveneens in pij gehulde medebroeders zitten op banken aan weerskanten van de kapel. Twaalf tegenover acht, de teams zijn ongelijk verdeeld. Twintig zingende monniken, dat is een dikke helft van de 34 leden die deze nog verrassend grote gemeenschap  telt. De oudste viert deze zomer zijn eeuwfeest, de benjamin van 32 bereidt zich op een priesterwijding voor. Studenten, zieken en bedlegerigen hebben van de abt dispensatie gekregen, voor alle anderen zijn de zes dagelijkse gebedsdiensten een must. De gemiddelde leeftijd ligt vanmiddag ver boven de zestig, ondanks de inbreng van enkele buitenlandse jonkies, twee Congolezen en een Chinees. We gaan rechtstaan voor het voltallig gezongen recitatief. “Eer zij de heerlijkheid Gods. Vader,  Zoon en Heilige Geest. Zo was het in den beginne. Zo zij het thans en voor immer. Tot in de eeuwen der eeuwen. Amen”. Het wordt helaas geen esthetische ervaring zoals een gregoriaanse mis, af en toe klinkt de samenzang zelfs behoorlijk vals. “Ze kunnen beter”, weet Willy. “Helaas zijn enkele van de beste stemmen vandaag afwezig”.

Westmalle, vespers (foto Jef Boes)

Westmalle, vespers (foto Jef Boes)

Willy _ zijn echte naam wil hij niet kwijt _ kent als geen ander zijn weg in het psalmenboek. Deze grijzende zestiger met een onderwijsverleden gaat al 27 jaar op stilteretraite.  “De eerste keer in Westvleteren was een openbaring”, zegt hij. “Sindsdien ga ik minstens één week per jaar, alleen of met mijn echtgenote. Ik ben ook actief in de parochie, maar spiritueel kom ik hier aan mijn trekken. Ik ben een poosje directeur van een grote school geweest, een drukke baan. In die jaren ging ik drie keer per jaar naar de abdij, puur uit noodzaak om de batterijen op te laden. Ik geniet hiervan, zoals anderen van een strandvakantie genieten.  In het begin snap je niks van al die psalmen, maar na een poosje raak je in de ban. Er zit zoveel wijsheid in die eeuwenoude teksten, ze bestrijken alle emoties die een mens kan ervaren”.

Roomse bombast

Vrouwen en koppels zijn in Westmalle welkom, wat bijvoorbeeld niet het geval is in de trappistenabdij van Rochefort. In de zomer, seizoen van de groepsretraites, raken de veertig gastenkamers vlot verhuurd. Vijfentwintig euro per nacht, maaltijden inbegrepen. Een koopje, in het pas vernieuwde gastenverblijf van Westvleteren bedraagt het tarief 45 euro. Minder en zelfs gratis kan ook, studenten of noodlijdenden vinden altijd begrip.  Commercialisering van de stilte? Aan de Trappisten ligt het niet. Het onthaal van gasten, overigens een plicht volgens de regel van Benedictus, is hooguit kostendekkend. Niet dat de broeders geen commerciële feeling hebben, ze hebben hun abdij tot een gezonde KMO uitgebouwd. De brouwerij is de bekendste en meest winstgevende activiteit, maar Westmalle heeft ook een kaasmakerij en een hypermoderne melkveestal met 300  koeien.

Authenticiteit is volgens Bert Claerhout, hoofdredacteur Kerk en Leven, een sleutelbegrip om de toeloop naar abdijen en kloosters te verklaren. “Waar vind je het nog?”, vraagt hij retorisch. “Mannen of vrouwen die samen bidden, mediteren en werken, niet gedreven door geldzucht en zonder enige druk van de buitenwereld? Naast dat authentieke zie ik nog twee motieven. Er leeft in onze maatschappij een enorme behoefte aan stilte, een product dat straks nog schaarser wordt dan petroleum.  Al even nijpend is de nood aan rituelen. Onze samenleving is gerationaliseerd, alles is egaal en afgelikt. Zelfs de kerk schiet op dat vlak te kort, men is doorgeschoten in de drang om de eucharistievieringen van al hun roomse bombast te ontdoen. Alleen monniken zijn niet schuw voor rituelen. Ik ben zelf wel eens met sacramentsdag in processie door de gangen van een abdij getrokken. Indrukwekkend, op zo’n moment voel je je verbonden met een eeuwenoud verleden”.

Bert Claerhout (63) is een van kernredacteurs van De Kovel, het monastiek Tijdschrift voor Vlaanderen en Nederland. Hij schrijft met kennis van zaken. In 2007, na zijn ontslag als hoofdredacteur van het christelijke opinieblad Tertio, verbleef hij een half jaar in een trappistenabdij in het Marokkaanse Atlasgebergte. “Maar ik ben al veel langer door spiritualiteit gebeten”, zegt hij. “Ook als chef cultuur van De Standaard ging ik minstens één keer per jaar op retraite, ik heb intussen in heel Europa kloosters en abdijen bezocht. Er zijn trouwens niet alleen de Benedictijnen, ook bij andere orden zijn gasten welkom. Maar de Trappisten springen er wel uit door hun sterk gemeenschapsleven, en door de unieke combinatie van gebed, stilte en handenarbeid. Behalve de usual suspects zoals nonnen en pastoors kom ik in abdijen twee soorten gasten tegen. Er zijn overtuigde christenen, gelovigen die spiritueel op hun honger blijven zitten in hun kerk of parochie. Voor hen is zo’n abdij thuiskomen, ze voelen zich als een vis in het water. Daarnaast is er een snel groeiende groep van spirituele zoekers. Dat zijn niet noodzakelijk gelovigen, want geloof vergt een veel groter engagement. Overigens, de populariteit van stilteretraites wijst helemaal niet op een katholiek reveil, dat zijn twee totaal verschillende zaken. Ik zou het in een ander kader plaatsen: de secularisering van spiritualiteit. Daar zit een commercieel randje aan, er zijn tegenwoordig kloosters waar je ook voor een stage mindfulness of zen mediteren terecht kunt. Op zich is dat ook weer niet zo nieuw hoor. Het eerste centrum voor christelijke meditatie, een synthese van Westerse en Oosterse spirituele tradities, werd al in de jaren 70 in Londen gesticht. Ik vind het allemaal okay. Het mag naar commercie ruiken, zolang het de mens maar tot een bewuster leven aanzet”.

Pianoconcerto

Kan het dat Boudewijn Cox (47) tot een derde groep Nieuwe Abdijgangers behoort? Zeker, de 47-jarige componist uit Rijkevorsel dicht zichzelf een spirituele inborst toe. “Dat hoort erbij”, zegt hij. “Om te componeren, moet je meditatief aangelegd zijn”. Toch was het niet alleen de drang naar verinnerlijking die hem al een peer keer naar Westmalle bracht. “Ik had vooral behoefte aan rust”, zegt hij.  “Mijn eerste keer was eind 2006, kort nadat ik een zware opdracht van het Tsjechisch Filmharmonisch Orkest in de wacht had gesleept. Een symfonie componeren, begin er maar aan met een peuter en een baby in huis. Ik was nooit eerder in de abdij geweest, maar als jongen van de streek wist ik dat er vaak studenten verbleven om te blokken. Uiteindelijk ben ik in de loop van 2007 vijf keer in Westmalle gaan logeren en werken, meestal van maandagmorgen tot vrijdagavond. Het ging van fantastisch. De gebedsdiensten en vaste etenstijden dwingen je in een productief ritme. Af en toe woonde ik de nachtdienst bij,  zodat ik voor het ontbijt al twee uur werk achter de rug had. De stilte is weldadig, er is geen gsm, email, radio of televisie. Ideaal om te componeren, want dat is een zaak van diepe concentratie. Een piano heb ik daarbij niet nodig. Ik heb een intern voorstellingsvermogen, zodra het toonsysteem vast ligt, hoor ik de noten in mijn hoofd. De orkestratie en uitwerking van mijn symfonie heb ik elders gedaan, maar het hele concept is in Westmalle ontstaan. Vorig jaar heeft het Symfonieorkest Vlaanderen mijn eerste pianoconcerto gecreëerd. Ook gecomponeerd in Westmalle, ik ga er nog jaarlijks een week op retraite”.

Benedict, al twaalf jaar gastenbroeder, heeft ze allemaal te slapen gelegd:  schrijvers die aan een boek sleutelen, politici die op een wetsvoorstel broeden, acteurs die een rol instuderen. “Twee weken geleden nog was hier een geneesheer-anesthesist”, zegt hij. “Hij is van maandag tot vrijdag gebleven. Zo’n man heeft middelen genoeg om een vliegtuig naar de zon te nemen en zich te laten verwennen, en toch kiest hij voor de abdij om tot rust te komen. Dat zien we steeds vaker, professionals die even uit de ratrace stappen en hier een pauze nemen. Wat ook opvalt: er komen steeds meer mensen in noodsituaties. Echtscheidingen, psychische problemen, en dan naar de abdij in de hoop dat hun zorgen hier als bij toverslag zullen verdwijnen. Dat loopt vaak verkeerd af. Om te beginnen geven we geen persoonlijke begeleiding, daar hebben we de middelen noch de therapeutische achtergrond voor.  Bovendien moet je tegen de stilte bestand zijn. Als de poort achter je dichtklapt, word je met jezelf geconfronteerd. Het is al vaak gebeurd dat iemand na een halve dag wegloopt omdat hij het niet aankan”. In principe is iedereen welkom, zolang het om de stilte te doen is. “Dat is niet altijd het geval”, zegt Benedict. “Sommigen zeggen het vlakaf. Dat ze willen fietsen of wandelen in de Kempense bossen, en de abdij als een geschikte uitvalsbasis zien. Die moet ik helaas teleurstellen, het is hier geen bed and breakfast”.

Westmalle, refter gastenverblijf (foto Jef Boes)

Westmalle, refter gastenverblijf (foto Jef Boes)

Chinese Trappist

18u00, etenstijd. We schuiven mee aan tafel voor een bizarre ervaring: eten met wildvreemden met wie je geen woord mag wisselen. Botervlootje passeren, koffie bijtanken, de etiquette bestaat uit grimassen en veelbetekende blikken. Toch is de stilte betrekkelijk. Zilverwerk tikt op porselein, op de achtergrond klinkt de muziekkeuze van broeder Benedict, een streepje Vivaldi. Tijdens de vaat, een gemeenschappelijk karwei voor de gasten, vervalt de zwijgplicht. Onze medegasten blijken allen in de categorie usual suspects te vallen. Drie gepensioneerde zusters van een onderwijscongregatie, tien vrouwen en twee mannen van de christelijke beweging Samen in Vreugde. ‘Humor als geestige weg naar de vreugde’, zo luidt het thema van hun Pinksterretraite. Tijdens de completen, de afsluitende avonddienst om half acht, houden broeders en gasten elkaar numeriek in evenwicht. Twee maal zeventien, ook de twee Congolezen en de Chinese Trappist zijn present. Wat zouden zij van het archaïsche Nederlands in psalm 91 bakken? “Zij zullen op de handen U dragen, dat gij niet uw voet aan een steen stoot; treden zult gij op leeuw en op adder, leeuwenwelp vertrapt gij en slang”. Niet de liefhebbende God van het evangelie wordt vanavond toegezongen, wel de over en leven en dood beschikkende Almachtige uit het Oude Testament.

Voor de psalmen moet Jan Uittenbroek (58) het niet doen. Als product van de Gereformeerde Kerk, doorgeleerd in de theologie en filosofie bovendien, kent hij de Bijbelse canon op zijn duimpje. Zijn protestantse achtergrond staat zijn fascinatie voor katholieke contemplatie geenszins in de weg. Uittenbroek heeft een website over Benedictus, en organiseert vanuit standplaats Woerden geregeld groepsreizen naar Vlaamse abdijen en kloosters. “Mijn fascinatie is ontstaan toen een kennis op zijn veertigste besloot het klooster in te gaan. Ik was geïntrigeerd door zijn radicale keuze, en ben hem een paar keer gaan opzoeken. Sindsdien is het niet meer gestopt. Ik ga ook alleen op retraite, afwisselend naar de Benedictijnenabdij van Affligem en het Karmelietenklooster in Brugge”. Wat hem zo aanspreekt? “Historisch besef”, zegt hij. “Is het niet fantastisch dat de leefregel van Benedictus na 1500 jaar nog altijd mensen inspireert? Ik sta in het onderwijs, wij worden om de vijf jaar met nieuwe leefregels om de oren geslagen”. Het kost hem weinig moeit om reisgenoten te ronselen voor zijn Vlaamse kloostertrips. “We zijn wat jaloers op de monastieke weelde van Vlaanderen”, zegt hij. “Ik merk bij het boeken dat de belangstelling groeit, voor een groep kun je best een half jaar op voorhand reserveren. Het mooie in Vlaanderen is de puurheid van de beleving. Als protestant zit je toch met grote ogen te kijken naar de rituelen. Ik ben ook al in Italiaanse en Duitse kloosters geweest. Op sommige plekken zijn de gastenverblijven echte wellness centra,  met een gerenommeerde chef aan het fornuis.  Met een beetje geluk kun je in de kapel nog een monnik waarnemen, maar veel spiritualiteit valt er niet meer te beleven”.

Nederlandse gasten? In de Norbertijnenabdij van Averbode kijken ze er al lang niet meer van op. “De helft van onze gasten komt uit Nederland”, zegt gastenpater Theo Meulemans. “De Protestantse Kerk van Nederland is hier kind aan huis, vaak zijn het dominees die zich met hun gemeente komen bezinnen.  Ze zijn welkom, de tijd van de Contrareformatie is lang voorbij.  Jazeker, die mensen gaan ook naar de eucharistie. Strikt genomen mogen we ze geen communie uitreiken. Maar we bekijken dat niet door de bril van het kerkelijk recht, ieder moet zijn geweten volgen. Ook vanuit Vlaanderen komen er meer aanvragen, ik moet steeds vaker weigeren wegens  volzet. Waaraan ligt dat? Nood aan spiritualiteit, zeer zeker. Maar gasten komen hier niet alleen voor de bezinning. Er zijn er die gewoon een poosje met rust willen gelaten worden. En we moeten er niet flauw over doen, er zijn er die vooral komen om van hieruit de natuur en het landschap van het Hageland te verkennen”.  Norbertijnen volgen de regel van Augustinus. Niet dat het fuifnummers zijn, maar de regel van de stilte wordt nogal soepel toegepast. “We zijn veel wereldser dan de Benedictijnen”, beaamt Meulemans. “De meeste paters draaien trouwens mee in een parochie”.

Will Tura

Er zijn inderdaad niet alleen Benedictijnen. Sabine Van Huffel, professor biomedische dataverwerking aan de KU Leuven , koos voor Ignatiaanse spiritualiteit. “Naar Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïeten”, preciseert ze. “Ik ben er mee in aanraking gekomen na een bezoek aan de oecumenische gemeenschap van Taizé in 1984. De samenhorigheid tussen al die mensen van verschillende nationaliteiten was een openbaring. Voor het eerst besefte ik dat ik het geluk in mezelf moest zoeken. Terug thuis zocht ik naar een aangepaste gebedsvorm. Die vond ik niet in mijn parochie, en zo ben ik bij de jezuïeten uitgekomen. Typisch voor hun stilteretraites is de persoonlijke begeleiding. Naast gebed en meditatie is er dagelijks tijd voor een gesprek, met een pater of een speciaal opgeleide leek. Ze reiken je teksten aan, en luisteren naar je ervaringen. Je moet loslaten, je overgeven. In het begin was dat moeilijk, want als ingenieur bekijk je de wereld puur rationeel. Ik doe nu al vijfentwintig jaar stilteretraites, telkens een hele week want ik heb minstens twee dagen nodig om tot rust te komen. Het betekent erg veel voor mij, het heeft me ook geholpen de dood van mijn zoontje te verwerken. Die eerste jaren was ik de vreemde eend in de bijt. Een vrouw met zes zwangerschappen achter de rug, tussen alleen maar kloosterzusters en paters. Dat is intussen wel anders. De kloosterlingen gaan eruit, hun plaats wordt door leken ingenomen”.

Daar draagt ze zelf haar steentje toe bij. Van Huffel organiseert aan de Leuvense universiteit abdijweekends, steeds in Orval. “We gaan ieder jaar met een twintigtal”,  zegt ze. “Het is een bont gezelschap, met studenten, professoren, academische medewerkers en zelfs buitenstaanders. Het zijn lang niet allemaal gelovigen, maar wel allemaal mensen op zoek naar verdieping”. Onthechting is een woord dat in deze context te hooi en te gras valt. Ten onrechte, vindt Van Huffel. “Dat klinkt me teveel als een vlucht uit de realiteit. Voor mij is een retraite juist het tegendeel, een manier om steviger in je schoenen te staan zodat je des te meer kunt betekenen voor de maatschappij. Ik heb een hectisch leven. Een hoop studenten, zestien doctorandi, thuis een kroostrijk gezin, gewoonlijk werk ik tot na middernacht. Dat lukt alleen door af en toe stil te vallen”.

gastenbroeder Benedict aan het orgel (foto Jef Boes)

gastenbroeder Benedict aan het orgel (foto Jef Boes)

Vier uur, nachtdienst. Geen orgelbegeleiding, Benedict (59) zit tussen zijn medebroeders op een van de koorbanken. Willy is als enige gast op post, hij helpt ons met het psalmenboek. Opstaan voor dag en dauw om een uur lang te bidden, te zingen en te mediteren in een kille kapel. Overgave? De ware professionals zitten vooraan in de kapel. Benedict, burgerlijk ingenieur architect van vorming, doet dit al 33 jaar. Gisteren vertelde deze begaafde pianist over zijn passie voor muziek. Het afscheid van Alfred Brendel in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten had hij toch wel graag bijgewoond. Vrienden hadden al een kaartje gereserveerd, maar de abt was onverbiddelijk. “Begrijpelijk”, zei Benedict. “Want dan moet hij ook ja zeggen als iemand een week later naar Will Tura of naar het voetbal wil. Als monnik moet je dat aanvaarden, het is het gevolg van je eigen keuze”. Zo worden ze niet meer gemaakt, weet ook Jan Uittenbroek.  “Monniken sterven uit”, stelt hij vast. “Maar de behoefte aan spiritualiteit zal nooit verdwijnen. We zullen die abdijen en kloosters nog goed kunnen gebruiken”.

Mario Fleurinck predikt de 3D-revolutie

interview CEO Melotte, Knack, 12 juni 2013

“Duurzaam produceren wordt een must.  Bij onveranderd grondstoffenverbruik lopen we binnen 20 jaar tegen een planetaire wipe-out aan”

foto: Ellen Goovaerts, www.fotoman.ie

foto: Ellen Goovaerts, www.fotoman.ie

Waar een klein land groot in kan zijn. België speelt met drie bedrijven in de spits van de boomende 3D printing industrie. Melotte, een van deze pioniers, mocht vorige week de prestigieuze Energy Globe Award ontvangen. Gesprek met CEO Mario Fleurinck, een hyperkinetische autodidact met een ongebreidelde dadendrang en een indrukwekkend 

Hoe onspectaculair kan een bedrijfsbezoek worden? Twee units ter grootte van een forse koelkast, veel meer heeft de 3D-printlijn van Melotte niet om het lijf. In een bak achter veiligheidsglas toveren lasers vonkjes in het zand, even grillig als een brandend zwavelstokje. Geluid komt er amper aan te pas, Mario Fleurinck (41) hoeft zijn stem niet te verheffen om het wonder uit te leggen. Dat het poeder geen zand is, maar een legering van diverse metaalsoorten. Titanium voor het machine onderdeel in de installatie links, voor de tandprothese in de andere 3D-printer wordt een chroom-kobalt legering gebruikt. “De laser smelt het poeder tot een patroon”, legt de CEO van Melotte uit.  “Zo wordt het gewenste stuk laag na laag opgebouwd. Na een minuut of 20 minuten is het klaar en rijst het op uit het poederbad, zoals een feniks uit zijn as. De rest van het poeder wordt voor de volgende printopdracht gerecycleerd, er gaat geen gram verloren. Het hele proces verloopt automatisch. Klanten sturen hun bestelling met alle nodige afmetingen per mail, en op die files laten we onze software los om ze aan de printer te voeden. Produceren vanuit the cloud, dat is de toekomst van onze industrie”.

3D printing is hot. Geen week gaat voorbij of een spectaculaire ontwikkeling haalt de media. Er was de heisa omtrent The Liberator, het eerste thuisgeprinte pistool. De vuurkracht en duurzaamheid zijn beperkt, maar dat deed niks af aan wereldwijde ontzetting die het stuk huisvlijt van de Cody Wilson te weeg bracht. De Texaanse rechtenstudent, die zijn wapen met een in de handel verkrijgbaar hobbytoestel printte, was namelijk zo gul zijn hele ontwerp kopieerklaar op het internet te gooien. Constructief nieuws kwam er dan weer van de Nasa. De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie investeert fors in de ontwikkeling van ruimtebestendige, in gewichtloze toestand functionerende 3D-printers. Die zullen tijdens langdurige expedities niet alleen vervangonderdelen en componenten voor ruimtebases printen, maar ook pizza’s en ander lekkers voor toekomstige astronauten. “Een project van Karen Taminger”, zegt Fleurinck. “Karen is dé specialiste in materiaalaangroei bij Nasa. Ik heb haar leren kennen toen ik in 1996 een jaar bij Boeiing in Seattle doorbracht, in opdracht van Diamond Boart. Zie je, Boeiing had destijds een probleem met trillingen in de vleugels van de 747. Omdat ze het niet zelf opgelost kregen, hebben ze er externe adviseurs bij geroepen. Zo kwamen ze bij Diamond Boart terecht, het bedrijf dat mijn vader tot een wereldspeler heeft uitgebouwd. Ik heb bij Boeiing veel geleerd, niet alleen over trillingbeheersing bij vliegtuigen, maar ook over de Amerikaanse incubatorpolitiek die erop neerkomt dat de overheid strategische nieuwe technologieën in de schoot van grote bedrijven laat ontwikkelen. Zo liepen er bij Boeiing mensen van het MIT rond, zoals Karen Taminger die toen al met laser plasma technologie experimenteerde. In principe was het allemaal classified, maar ik ben er toch in geslaagd achter het gordijn te piepen.  Op een keer zag ik een machine die schijnbaar uit het niets een turbineschoep van een reactormotor printte. Formidabel vond ik dat, een motoronderdeel opgebouwd met nulletjes en eentjes. Ik begreep instinctief dat die technologie de hele industriële productie op zijn kop zou zetten. Een revolutie dus, en ik was vastbesloten in de voorhoede te lopen”.

Maar eerst moest er nog een lange weg worden afgelegd. Autodidact Fleurinck, die als kind de diagnose van hoogbegaafde hyperkineet te horen kreeg, ontpopte zich tot een seriële ondernemer. Anno 1998 heeft hij met een Australische en een Duitse investeerder TCR groot gemaakt, een bedrijf dat wereldwijd luchthavens beheert en diensten en uitrusting voor ground handling levert. Kort na de door 9/11 uitgelokte luchtvaartcrisis stapt hij uit het bedrijf, met een zak geld en een burn-out. De daarop volgende retraite blijkt van korte duur, Fleurinck keert terug naar zijn oude droom, de digitale fabriek. In 2004 valt zijn oog op Melotte, een matrijzenbouwer uit Zonhoven. Het bedrijf geniet een stevige reputatie, maar is hopeloos verouderd en verkeert aan het einde van zijn technologische levenscyclus. Fleurinck maakt een deal met Patrick Steverlynck, de toenmalige topman van de Ieperse weefgetouwenbouwer Picanol die Melotte al vijftien jaar in portefeuille heeft en de teloorgang met lede ogen aanziet. De nieuwe CEO krijgt de vrije hand om een radicale innovatie door te voeren.

Het succes is niet alleen van zakelijke aard, Fleurinck heeft zich de voorbije jaren tot een BO, een bekende ondernemer, ontpopt. Hij geeft aan de lopende band lezingen en schrijft columns waarin begrippen als transitie, veranderende paradigma’s  en technologische singulariteit zelden ontbreken. De sky is voor Fleurinck not the limit, hij blikt graag twintig jaar vooruit naar een wereld waarin transportstromen door zwermrobotten worden beheerd en biomimetisch ontworpen gebouwen even banaal zijn als een bushokje. Associatief denken is een eigenschap die hij ook tijdens interviews etaleert. Zijn gedachten zijn een beetje zoals het Higgs-deeltje, bliksemsnel, vaak ongrijpbaar maar nooit van wetenschappelijke grond gespeend.

analisten van ABN Amro voorspellen voor 3D printing een jaarlijkse groei van 30 procent. Blijkt dat ook uit de omzet van Melotte?

Fleurinck: “Daarover mag ik niet communiceren, alleen de geconsolideerde omzet van de Picanol groep wordt bekend gemaakt. Maar om een idee te geven: we hebben een maximale digitale capaciteit van 60.000 protheses per jaar, goed voor een marktwaarde van minstens 36 miljoen euro. Overigens, de helft van onze omzet komt nog steeds van analoge productoplossingen. We laten die markt niet los, maar proberen ook die klanten warm te maken voor onze digitale productie. Serieel maatwerk is onze specialiteit. Prothesen en implantaten zijn per definitie stukwerk, maar onderdelen kunnen in reeksen van honderden worden geprint.  De orders komen van overal, uit de biomedische wereld, maar evengoed uit de petrochemie en de nucleaire sector. Een van onze eerste digitale klanten was BMW. Omdat we in metaal printen, kunnen we realistische prototypes van onderdelen maken, geschikt voor destructief testonderzoek. Als ondernemer geloof ik voor 200 procent in Melotte, het is ook niet voor niks dat ik het bedrijf al drie keer heb proberen over te kopen. Tevergeefs, want door mijn eigen succes is het onbetaalbaar geworden. Bij Picanol zijn ze niet gek,  Melotte vertegenwoordigt zowat de helft van de beurswaarde van de groep.  Straf als je bedenkt dat we maar voor een fractie in de geconsolideerde omzet wegen”.

Het verhaal van de staart die met de hond kwispelt. Ook de beurskoers van 3D Systems en Stratasys, de twee Amerikaanse marktleiders van de sector, is in een jaar tijd vervijfvoudigd. Zitten we niet in een hype?

Fleurinck: “Ja, en ik ben de eerste om de vermeende beurswaarde van Melotte te relativeren. Het is een feit dat 3D-bedrijven exuberante leverages noteren, maar die realiseer je pas als je verkoopt. Dat is Picanol niet van plan. Onze echte waarde voor de groep schuilt in onze pioniersfunctie, Melotte wijst intern de weg naar digitale maakkennis. Je kunt de 3D-hype met de dotcom bubble vergelijken. De early investors die voor de hefboom hebben gezorgd, achten de tijd rijp om te cashen, bij voorkeur op het hoogtepunt van de hype die ze mee helpen aanblazen. In hun plaats komen straks, wanneer de hype voorbij is, echte investeerders met een langetermijnvisie. In de overgangsfase worden de koppen geteld. Spelers die er niet in slagen hun technologie naar de markt te brengen, gaan eruit. Voor België ziet het er goed uit. Naast Melotte zijn er ook nog Materialize en Layerwise, allebei spin-offs  van de KUL. Drie bedrijven die aan de top van de 3D community meedraaien, niet slecht voor een klein land”.

Melotte is de Belgische winnaar van de prestigieuze Globe Energy Award.  Proficiat, maar waarom is de 3D-revolutie goed nieuws voor onze planeet?

Fleurinck: “Efficiëntie. Onze digitale productie legt acht keer minder beslag op energie en grondstoffen dan het analoge equivalent. Dat betekent ook minder vervuilend transport, maar daar houdt het niet op. Ik geloof in kringloopdenken en open source, kennisuitwisseling. Ik verspreid mijn knowhow via een globaal netwerk. We evolueren naar een wereld met digitale productiecentra die grondstoffen uit hun eigen omgeving betrekken en eindproducten dicht bij de klant vervaardigen. Gedaan dus met monopolisten die hun patenten afschermen en vanuit hun thuisbasis de hele wereld bedienen. Gedaan ook met het delokaliseren naar lage loonlanden, de toekomst is aan reshoring van productie en banen. Sciencefiction? Melotte speelt een voortrekkersrol, maar onderschat onze impact niet. De sector van prothesen en implantaten is nu al onherkenbaar veranderd door Direct Digital Manufacturing, een productiemethode die iedere traditionele logica tart. Voorraden, supply chain, machining, we draaien alles om. Andere sectoren zullen volgen, daar twijfel ik geen seconde aan. Je kunt de technologie niet tegenhouden, en bovendien zal het milieu ons geen keuze laten. We moeten op duurzame productietechnologieën en businessmodellen omschakelen, want als de mondiale bevolkingsaanwas en de economische groei zich bij gelijk grondstoffenverbruik doorzetten, lopen we binnen de twintig jaar tegen een planetaire wipe-out aan. Climate change is nu al een realiteit, terwijl we hier zitten te praten, is het centrum van Dresden als gevolg van extreme weersomstandigheden aan het onderlopen. Ik kom er vaak, Dresden is het hoofdkwartier van het befaamde Fraunhofer Instituut, een platform  voor industriële innovatie waaraan ik participeer als lid van de strategische raad. Prachtige stad, ik houd mijn hart vast voor de gevolgen van deze ramp”;

met alle respect, maar 3D-printing blijft vooralsnog een nichefenomeen. Uw visioen is trouwens slecht nieuws voor moederbedrijf Picanol, zelf een globale quasimonopolist..

Fleurinck: “Ze gaan zich stapsgewijs moeten aanpassen. In de toekomst zal Picanol geen afgewerkte weefgetouwen meer verschepen, maar hoogtechnologische componenten. Zonder fysiek transport, het design en de software worden via de cloud naar de klant verstuurd en ter plaatste geprint. Vervolgens worden die componenten op een frame gemonteerd, ook al ter plaatse geproduceerd met grondstoffen uit urban mining.  Staal dus, een materiaal dat steeds minder zal worden gebruikt en daardoor des te gemakkelijker kan worden gerecycleerd. Inderdaad, op dit ogenblik opereren we nog in een niche. Maar transitie is een bedrieglijk verschijnsel. Het lijkt langzaam te gaan, tot het omslagpunt wordt bereikt. Als toekomstdenker kijk ik zo weinig mogelijk naar het verleden, maar ik zie niettemin de parallellen met imperia die totaal onverwacht en schijnbaar op een hoogtepunt ineenstorten.  We naderen opnieuw zo’n omslagpunt, in zekere zin is de instorting al begonnen. Want hoe noem je wat er zich momenteel in Griekenland, Portugal en Spanje afspeelt? Onze Spaanse partner betaalde zijn ingenieurs voor de crisis 4.000 euro in de maand, nu krijgen ze voor hetzelfde werk nog 1.500 euro. Zo zijn er miljoenen in Zuid-Europa, allemaal mensen voor wie het begrip collapse een heel concrete betekenis heeft gekregen. Maar de transitie zal zich in alle geledingen van de maatschappij laten voelen. De organisatie van de arbeidsmarkt en van het onderwijs , de rol van de overheid, alles wordt anders. Dat besef begint door te sijpelen. Binnenkort krijg ik een topman van de FOD Economie op bezoek, hij komt zijn licht opsteken over de fiscale implicaties van de transitie, een bijzonder netelige kwestie”;

hoezo?

Fleurinck: “Het hele verdienmodel van de overheid komt op de helling te staan. Vandaag is het simpel: er wordt geproduceerd en de overheid heft 50 procent op de waarde, via bedrijfsvoorheffing, RSZ, BTW en noem maar op. Het probleem is dat de nieuwe technologie zowel de kapitaalstromen als de grondstofstromen verdoezelt. Wat en wanneer valt er nog te belasten wanneer de band tussen design en productie wordt doorgeknipt? Als er geen grote fabrieken met massa’s arbeiders meer staan, maar kleine units die alleen voor hun directe omgeving produceren? We moeten daar dringend over nadenken, want de overheid kan moeilijk een heffing op dataverkeer leggen”.

welke ambitie koestert u voor Melotte?

Fleurinck: “Mijn grote droom is de digitale fabriek als concept wereldwijd uit te rollen. Op dat moment verkoop je geen protheses, kleppen of componenten meer, maar een industriële productiemethode. Ik hoef die droom niet per se bij Melotte waar te maken. Tenslotte is het mijn bedrijf niet, ik ben ‘maar’ de CEO. Die digitale fabriek, dat is het ei dat ik binnen InnoCrowd aan het uitbroeden ben. Het schiet goed op, binnen een jaar of twee is het concept rijp”.

wat is InnoCrowd?

Fleurinck: “Mijn eigen transitienetwerk, opgericht in 1996. Er zitten al zo’n  4.000 correspondenten in, gegroepeerd in hubs verspreid over de hele wereld. Het zijn wetenschappers en  ondernemers, maar ook denkers zoals Leo Bormans en Gunter Pauli, of kunstenaars zoals Koen Vanmechelen en Frederik De Wilde die artistieke creativiteit aan technologische innovatie paren. Kruisbestuiving, daar geloof ik heilig in. We wisselen constant ideeën en competenties uit. Heb ik een vraag over nano-technologie? Ik gooi het in het netwerk en binnen de kortste keren krijg ik antwoord. Heeft iemand problemen met 3D printen in metaal? Dan sta ik klaar om feedback te geven. Alle grote namen uit mijn vakgebied doen mee. Elon Musk, de man achter Tesla en Space X. Peter Thiel, de medestichter van Paypall die nu als durfkapitalist zwaar investeert in de ontwikkeling van issue printers. Typisch Amerikaanse entrepreneurs:  ze zijn al gefortuneerd maar blijven investeren in projecten die een hoger maatschappelijk doel dienen, maar tegelijkertijd winstgevend moeten zijn. Zelf lig ik niet wakker van een eerste miljard. Ik sta op mijn intellectuele vrijheid, mijn ambities als ondernemer liggen eerder op sociaal en ecologisch vlak. Ik geloof in een betere wereld, door het integreren en verspreiden van grensverleggende technologie. Naast Melotte ben ik nog met een stuk of twaalf projecten bezig, vooral via InnoCrowd.  Zwermrobottechnologie, genmodificatie, enzymenprinten, schilderen zonder verf, dat zijn echte game changers die op termijn het wezen van onze maatschappij en industrie zullen veranderen”.

niet mis voor een autodidact die via het befaamde watervalsysteem in het technisch onderwijs is beland. Heeft u de discussie over de hervorming van het secundair onderwijs gevolgd?

Fleurinck; “Ja, en ik vond het intriest dat een debat met één miljoen belanghebbenden gedegradeerd werd tot een potje partijpolitiek touwtrekken. Zelf geloof ik sterk in het opdelen van een schoolcarrière in fasen. Laat zestienjarigen een bedrijfsstage van twee jaar volgen, want nu hebben ze geen idee wat werken precies inhoudt. Na die stage kunnen ze kiezen. Of ze zetten hun loopbaan verder, of ze keren naar de schoolbanken terug voor een voortgezette opleiding van twee tot hooguit drie jaar. Waarom jonge mensen vijf jaar of langer laten studeren? Ik geloof daar niet in, leerplannen kunnen geen basis meer vormen voor een carrière. Wie dat beweert, heeft geen voeling met de snelheid van de technologische ontwikkeling. Ik stel het vast in mijn eigen omgeving. Wat hier zes jaar geleden nog revolutionair werd genoemd, is nu ouwe koek”.