Maandelijks archief: september 2013

Een Vlaamse Norbertijn in de Syrische burgeroorlog

interview pater Daniël Maes die er een  uitgesproken mening over de Syrische burgeroorlog op nahoudt. (Knack, 4 september 2013)

Drie jaar geleden verruilde pater Maes de abdij van Postel voor het klooster Mar Yakub in Syrië. Leven in gemeenschap heeft een nieuwe dimensie gekregen, nu hij door het geweld geen voet meer buiten zet. Tussen de voorbereidingen op een Amerikaanse luchtaanval door, deelt hij niet alleen zijn ervaringen maar ook zijn sympathie voor het Syrische regime. “Dit is geen burgeroorlog, maar een conflict dat van buitenaf werd geïmporteerd”.

Daniël Maes

Daniël Maes

Telefoneren of skypen was technisch onmogelijk, en hem opzoeken in zijn Syrische klooster helemaal ondenkbaar. De Vlaamse Norbertijn Daniël Maes ( 75) woont al drie jaar in Qâra, halfweg tussen Damascus en Aleppo.  Geen doorkomen aan, zelf waagt hij zich al maandenlang niet meer buiten de kloostermuren. Een interview? Kon alleen per e-mail, een communicatievorm die slechts bij vlagen door het oorlogsgeweld wordt verlamd. Hij zou zijn antwoorden uiterlijk zaterdagavond sturen, maar de brandende actualiteit gooit roet in het eten. Het heeft er die zaterdag namelijk alle schijn van dat de Amerikanen binnen de 24 uur kruisraketten op Syrië zullen afvuren, als vergeldingsactie voor de aan het regime toegeschreven gifgasaanval op een door rebellen gecontroleerde buitenwijk van Damascus. Het zal een dag later worden, mailt hij zaterdagmiddag wat laconiek, hij moet eerst zijn gemeenschap in veiligheid brengen…

Die gemeenschap behoort tot de Melkitische ofte Grieks-Katholieke kerk, onderworpen aan Rome, maar trouw aan de Byzantijnse ritus en de Gregoriaanse kalender. Het klooster, gewijd aan Sint-Jacob de Verminkte, werd in 1993 door de Frans-Libanese karmelietes Mère Agnès-Mariam gesticht. Recent dus, maar wel op een plek die kerkgeschiedenis ademt. Deir Mar Yakub verrees op de ruïnes van wat in zesde eeuw het belangrijkste klooster van het Midden Oosten was.

Wat dreef u als Vlaamse Norbertijn naar een klooster in Syrië?

Maes: “Ik had Mère Agnès-Mariam op een oecumenische bijeenkomst leren kennen. Ze is een fascinerende vrouw, ik heb haar voor enkele lezingen naar België uitgenodigd. In 2010 ben ik dan voor twee maanden naar Deir Mar Yakub getrokken, voor mij een moment van monastieke herbronning. Het hele project sprak me geweldig aan: Mère Agnès-Mariam was met een handvol medezusters bezig op de ruines van een historisch klooster een oecumenische ontmoetingsplaats te bouwen, een soort Taizé van het Midden Oosten. Toen ze me in 2011 vroeg of ik in Mar Yakub een priesterseminarie wilde beginnen, heb ik niet getwijfeld. We zijn met vier jonge mannen met een voorbereidend jaar gestart. Helaas, door de veiligheidssituatie ligt de vorming stil en hebben drie van de vier het klooster moeten verlaten”.

Bij uw aankomst was de Arabische Lente nog niet begonnen, en ook na het uitbreken van de revoluties in Tunesië en Egypte leek Syrië een toonbeeld van stabiliteit. Ooit gedacht dat het zover kon komen?

Maes: “Nee. Toen ik vertrok had ik zoals alle Westerlingen een hoop vooroordelen. Syrië was een typisch Arabisch land, waar een autoritair regime alle touwtjes in handen hield en waar geen respect bestond voor de rechten en vrijheden van burgers. Maar van dat democratisch tekort heb ik weinig gemerkt, in mijn persoonlijk leven noch in mijn omgeving. Zolang men niet aan politiek deed en geen openlijke kritiek op de president gaf, waren er geen problemen. Wat ik daarentegen wel ontdekte was een warme, veilige en vrij welvarende maatschappij, een land waar onder de vleugels van de eenheidspartij verschillende gemeenschappen en religies harmonieus samenleefden. Letterlijk zelfs, want in heel wat families zijn verschillende religies vertegenwoordigd. Ik heb die verdraagzaamheid zelf ondervonden, als katholiek priester was ik overal even welkom. Of het nu christelijke, soennitische of alevitische families waren, overal werden koffie en Arabische zoetigheden geserveerd. Deze burgeroorlog is dan ook geen volksopstand, het gaat om een conflict dat door een aantal Westerse en Arabische landen en groeperingen werd geïmporteerd”.

Hoezo?

Maes: “De Verenigde Staten hebben hun antipathie voor de Syrische regering nooit verborgen, wellicht vanwege de banden met de Hezbollah en met het sjiitische regime in Iran. Ik heb het conflict letterlijk zien ontstaan. In navolging van de zogenaamde Arabische lentes heeft men van buitenaf het vuur aan de lont gestoken door bevolkingsgroepen tegen elkaar op te hitsen. Ik wil de opstandelingen niet allemaal over dezelfde kam scheren. Er is een grote groep weldenkende burgers die het beste met dit land voorheeft. Helaas zijn ze hopeloos verdeeld en totaal niet opgewassen tegen de “versterking” die ze hebben gekregen, in de vorm van de goed getrainde Al Qaida strijders en fanatieke salafisten die alle andersdenkenden willen elimineren. Het is totaal onbegrijpelijk hoe het Westen en zijn media deze gruwelen in Syrië onderschatten terwijl diezelfde salafisten overal ter wereld als een gesel worden bestreden en hun aanhangers in gevangenissen zoals Guantánamo worden opgesloten”.

Wordt het klooster door salafistische milities bedreigd?

Maes: “Het wemelt in de streek van de fanatieke strijders. De bevolking van Qâra is zowat verviervoudigd, vooral door de instroom van rebellen die uit Damascus en Aleppo werden verjaagd. In de centrale moskee worden af en toe tirades tegen ons afgestoken. Op een vrijdagavond hoorden we een salafistische predikant oproepen dat er in Syrië geen plaats was voor ongelovigen. Even later stond een bende heethoofden klaar om het klooster aan te vallen. Het waren bange uren, maar gelukkig werden ze tegengehouden door  de locale bevolking die aan onze kant staat. We nemen zeer strikte veiligheidsmaatregelen in acht, in feite leven we in een soort familiale gevangenis. Niemand komt nog buiten de kloostermuren, niet op onze eigen akkers, noch in de binnentuin en zelfs niet op het dak. De ramen in de refter zijn met zandzakken bedekt, het lijkt hier wel de Eerste Wereldoorlog. We liggen tamelijk letterlijk in de vuurlinie. Het klooster werd al drie keer door raketten getroffen, telkens bij een aanval van het leger op de rebellen. Gelukkig is er tot dusver alleen materiële schade”.

De gifgasaanval van 21 augustus blijft controversieel. Heel wat elementen wijzen in de richting van het Syrische leger, Amerika zegt zelfs harde bewijzen te hebben dat het regime verantwoordelijk is. U twijfelt daaraan. Op welke gronden?

Maes: “Eerst en vooral dit: ik vind het onbegrijpelijk dat er al een oordeel werd geveld, terwijl de VN inspecteurs nog aan hun rapport moesten beginnen. Iedereen heeft recht op een eerlijk proces, dat is een basisregel in iedere democratische rechtstaat. Ik heb met heel wat mensen over deze zaak gepraat. Iedereen stelt zich hier dezelfde vraag: welk belang kon Assad bij die gifgasaanval hebben? Zo’n aanval uitvoeren, onder de neus van de VN -onderzoekscommissie die net in Damascus was neergestreken? Zo dom is Assad heus niet, temeer omdat hij aan de winnende hand is. Want iedereen weet dat de rebellen de voorbije maanden zwaar in het defensief werden gedwongen. Ze hebben dringend nood aan buitenlandse steun, en precies daarom komt die gifgasaanval hen zo gelegen. Ach, het past allemaal in een scenario dat Obama vorig jaar al heeft uitgetekend, toen hij zijn fameuze rode lijn trok. Het argument dat de rebellen niet over de nodige expertise voor zo’n chemische aanval beschikken, is onzin. De salafistische milities zijn goed getraind en bewapend, bovendien hebben ze al bewezen wat ze in hun mars hebben. Niemand minder dan Carla del Ponte, lid van de VN onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Syrië, heeft enkele maanden geleden verklaard dat er sterke aanduidingen zijn dat de rebellen in Kahn el Assal gifgas hebben gebruikt. En hoe reageerde het Westen? Door de goede naam van mevrouw Del Ponte te besmeuren”.

Hoe komt het dat de meeste van de zowat drie miljoen Syrische Christenen openlijk met het regime van Bashar al-Assad sympathiseren?

Maes: “Ze hebben veel te verliezen,  zoals alle Syriërs trouwens. Bij het begin van de oorlog ben ik even naar België teruggekeerd. In de pers verschenen dagelijks karikaturen van Assad, een dictator wiens handen letterlijk dropen van het bloed. Dat is geen informatie maar manipulatie. Ver van mij om Syrië een ideale staat te noemen. De president en zijn Baathpartij monopoliseerden ongeveer alle macht, de grootste bedrijven waren in handen van zijn familie. Corruptie is hier een structureel kwaad, dat heeft Assad zelf gezegd. Over het democratisch tekort had ik het eerder al. Openlijk kritiek leveren kon al een reden zijn om opgepakt te worden. Anderzijds stond het regime garant voor veiligheid, godsdienstvrijheid en gelijke rechten van mannen en vrouwen. Door de strakke prijscontrole was het leven goedkoop, onderwijs en gezondheidszorg waren zelfs gratis. Assad had bovendien zijn schouders gezet onder grondige hervormingen, met een nieuwe grondwet en een parlementair meerpartijenstelsel als eindpunt. Dat proces werd door de bevolking gedragen, ook door de moslims. Maar het Westen wil dat allemaal niet zien. Erger nog, ze proberen de hervormingen te boycotten. Syrië moet en zal worden ontwricht en ‘gelibaniseerd’, opgedeeld in stukken die door verschillende gemeenschappen worden gecontroleerd. Voor de christenen, die hier altijd de rol van bindmiddel in de samenleving hebben gespeeld, zal daarbij geen plaats meer zijn. Nu al zijn 430.000 christenen op de vlucht voor het geweld, velen bevinden zich in buitenlandse kampen”.

Kan de val van Assad het einde van de burgeroorlog bespoedigen?

Maes: “Dat willen we in het Westen graag geloven. Maar hebben de val van Moebarak en Kadhafi iets opgelost? Is Libië nu een paradijs voor de westerse democratie? Tienduizenden  doden, een verwoest land dat zo werd ingericht dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar blijven uitmoorden, een goudmijn voor de wapenindustrie.  Dat België daar heeft aan meegewerkt, vind ik nog altijd beschamend. Of zullen we het over Irak hebben? De Amerikaanse invasie zou vrijheid brengen, maar het resultaat is chaos en terreur met honderdduizenden slachtoffers. Een van de oudste beschavingen ter wereld werd compleet vernietigd, en de christelijke gemeenschap is nagenoeg uitgeroeid”.

Ziet u een oplossing voor het escalerende, sektarische geweld?

Maes: “Zoals ik al zei: dat sektarisch geweld werd van buitenaf geïmporteerd. De Syriërs willen foto_1303422311helemaal geen burgeroorlog, ze willen vooral met rust gelaten worden. Sluit de grenzen voor terroristen, zet alle vreemde strijders het  land uit, stop met het van buitenaf ondersteunen van groeperingen die op de vernietiging van Syrië uit zijn, en dan zal er vanzelf weer vrede en welvaart heersen . Moslims of christenen, alle Syriërs zijn patriotten. Ze willen geen marionet van vreemde wereldheersers zijn, maar leven in een onafhankelijk en seculier land, waar verschillende godsdiensten in vrede en op voet van gelijkheid met elkaar omgaan”.

“Toen ik hier pas was aangekomen, ben ik eens moederziel alleen een lange wandeling in de woestijn gaan maken. Op zeker ogenblik hoorde ik iemand roepen, een herder met een grote kudde. Hij wenkte me bij zich, nam een deken van de rug van zijn ezel en legde die op de grond voor mij. Hij maakte een vuurtje met wat stokjes, struiken en vuile plastiekzakken die hier helaas overal rondzwerven, en zette thee. Ik kon weinig meer zeggen dan dat ik een priester uit België was: abouna baldjiekie. Wij genoten van ons samenzijn en namen afscheid alsof we broers waren. Dat was dus Syrië, drie jaar geleden. Als ik hier nu één stap buiten zet, ben ik een vogel voor de kat. Ik kan gekidnapt worden, of ze leveren me in mootjes gehakt af in een plastiekzak met mijn foto er op. Dan vraag ik me af: wie heeft er voor gezorgd dat die heerlijke land nu een hel is? In ieder geval niet de Syrische regering”.

 

Zomerreeks Knack: legendarische winkelstraten

In opdracht van Knack trok ik deze zomer ( 2013) samen met fotograaf Jef Boes op reportage naar vier bekende winkelstraten in Vlaanderen en Brussel. Niet helemaal lukraak viel de klot op de Sleepstraat in Gent, de Kammenstraat in Antwerpen, de Louizalaan in Brussel en _ het was tenslotte vakantie en heerlijk zomerweer _  de Zeedijk in Knokke-Het Zoute. Met de scrolltoets vindt u ze alle vier hieronder, integraal en met foto’s.

 

(1) De Louizalaan

Paarden en koetsen vallen er niet meer te bespeuren, auto’s des te meer. Gelukkig zijn de kastanjelaars gebleven, net zoals de talloze standbeelden. Nog altijd ademt de Louizalaan grandeur, precies zoals de ontwerpers het hadden bedoeld. En nee, Leopold II was niet de architect van deze mythische avenue.

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

Op zoek naar een discrete plek in de natuur doen we een ontdekking: een heus pissijn in massief arduin, precies op de grens van de Louizalaan en het Terkamerenbos! Volstrekt onzichtbaar voor de automobilisten die hier collectief het bos induiken en met stank en lawaai de rust verpesten. Sluipweg voor pendelaars, zo hadden de vroede vaderen van Brussel het niet bedoeld. Het Ter Kamerenbos werd halfweg de 19de eeuw als park aangelegd, ten behoeve van aristocraten en bourgeois die het te benauwd kregen in de uit haar voegen barstende binnenstad. De groene lusthof vroeg om een passende ontsluiting. Dat werd dus de Louizalaan, een 2,7 kilometer lange, bijna kaarsrechte promenade met de allures van de Champs Elysées. Dankbaar voor de bekommernis van de toenmalige stadsplanners maken we gebruik van de sanitaire installatie, een daad waarmee we ons in een rijke traditie plaatsen. Wie heeft er de voorbije 150 jaar op deze uitgesleten plaveien gestaan? Mannen met hoge hoeden en rijlaarzen, is onze beredeneerde gok. Bij de aanleg van de zeer weidse boulevard werd immers niet alleen aan flaneurs gedacht, het hele middendeel was voor ruiters en koetsen gereserveerd. Tussen het gras en onkruid ligt een leeg flesje energiedrank. Joggers, de enigen die nog gebruik maken van deze publieke voorziening.

Clos des Millionaires

Voor diegenen die onze tip wil natrekken: het meest discrete openbare toilet van de hoofdstad ligt achter een van de twee neoklassieke tempeltjes die het einde van de Louizalaan markeren. Rechts, voor wie met de rug naar de stad staat. Tempels? Het gaat in feite om twee nagenoeg identieke tolhuisjes die oorspronkelijk aan de Naamse Poort stonden. Na de afschaffing van de heffing in 1868 werden ze afgebroken en steen voor steen heropgebouwd als sluitstuk voor de nieuwe Louizalaan. Lange tijd was er een politiekantoor gevestigd, maar intussen wordt er weer geld verdiend. Niet door tol te heffen, maar met vastgoed. Beide paviljoenen zijn in handen van Engel & Völkers. Een blik uit het raam moet zelfs doorgewinterde vastgoedmakelaars doen watertanden, want de Louizalaan geldt met prijzen rond de 10.000 euro per vierkante meter als een van allerduurste straten van het land. Datzelfde raam kijkt overigens uit op het nummer 539, een voor Brusselse postbodes legendarisch cijfer waarachter geen huis maar een hele straat schuilt. Het imposante hek gaat alleen open voor wie, nauwlettend in de gaten gehouden door een half dozijn camera’s,  de correcte code intikt. Square du Bois heet deze privéstraat, maar in Brussel spreekt men gemeenzaam van de Clos des Millionaires. Navo-baas Rasmussen en PRL-politicus  François-Xavier de Donnéa zijn de bekendste residenten, maar de jongste jaren hebben zich hier ook fiscale ballingen uit Frankrijk gevestigd. Voor wie de bewoners beter wil leren kennen: er staan verschillende appartementen te koop. Anderhalf miljoen euro voor 150 m², parkeerplaats niet inbegrepen.

De fiets blijkt eens te meer een onmisbaar instrument. Parkeren is hier een hel, lopen een uitputtende bezigheid. De 2,7 kilometer dekken immers maar de helft van het traject, door de buitenissige afstand tussen paar en onpaar moet de Louizalaan als een langgerekte lus worden beschouwd. Geschiedenisliefhebbers en patrimoniumminnaars kunnen best een volledige dag uittrekken, want deze laan is met monumenten en historische referenties bezaaid. Bijna waren we de reusachtige Abdij Ter Kameren voorbij gefietst, een verschoonbare misser gezien de discrete ligging. De abdij werd in de 13de eeuw bij de bron van de Maalbeek gesticht, intussen 25 meter lager dan de Louizalaan. Tegenwoordig biedt het onderdak aan de bekende kunstschool Bois de la Cambre en het Nationaal Geografisch Instituut. Er is zelfs een winkel, de enige in ons land waar topografische kaarten van Mannekesvere tot Zoutenaaie uit voorraad leverbaar zijn.

De propagandawaarde van standbeelden? Geen betere plek om er zich van te vergewissen dan deze laan die van bij de eerste spadesteek een patriottische agenda diende. Dat de Brusselse burgermeesters Karel Buls en Emile Demot er een memoriaal hebben, mag gezien hun verdiensten in de aanleg niet verwonderen. En weinigen ook die Jean de Selys Longchamps zijn buste misgunnen. De Belgische RAF-piloot gooide op 20 januari 1943 in zijn eentje het Gestapo-hoofdkwartier op het nummer 453 plat, een bravourestukje dat door zijn Britse superieuren met een disciplinaire sanctie werd gehonoreerd. Een kniesoor die er op wijst dat de heroïsche soloslim gruwelijke represailles tegen gevangen weerstanders heeft uitgelokt, zijn plaats in het tricolore pantheon staat buiten kijf. Minder eensgezindheid is er over koloniale beelden zoals ‘Voortvluchtige negerslaven door honden achterhaald”, een larmoyant tableau van een vader en zoon die door Dobbermannen worden verscheurd. Geplaatst in 1895, perfect passend in de apologie van de Congo Vrijstaat die tenslotte niet voor grondstoffenroof maar als humanitair project tegen de Arabische slavenhandelaars werd opgericht. Eerder dit jaar gingen er stemmen op om het beeld als geschiedenisvervalsing uit de openbaarheid te verwijderen, een pleidooi waarbij zelfs de nabijheid van de Afrikaanse Matongéwijk als argument werd gebruikt. Ironisch genoeg inspireerde beeldhouwer Louis Samain zich op een episode uit ‘De hut van Oom Tom’, een mijlpaal voor de abolitionistische beweging in Amerika.

Leopold II

De Tuin van de Koning is een bescheiden park, ter hoogte van het verkeersplein dat chauffeurs kennen vanwege het monumentale sculptuur van Olivier Strebelle. Voor wie er de volgende keer voorbij raast: het stelt een gestileerde v van Victory voor. Abstractie was nog geen artistieke stroming toen Leopold II uit een blok graniet werd gehakt. De baardige monarch staat er wat stijfjes op, de blik strak gericht op de vijvers van Elsene. ‘Hij was de stichter van deze tuin en hij schonk hem ons ter aangename verpozing’,  zo luidt het Nederlandstalige opschrift dat zichtbaar recenter is dan het Franse origineel. “Het is een populair misverstand dat Leopold II de Louizalaan heeft aangelegd”, zegt Xavier Duquenne. “De eerste plannen dateren uit 1850, toen hij nog een tiener was. Maar het onderschrift klopt wel. Veel later, toen ook de Louizawijk vorm begon te krijgen, heeft hij als koning een actieve rol gespeeld. In 1873 lag er een plan klaar om tussen het rond punt en de vijvers van Elsene een villawijk te bouwen. Leopold had niet de wettelijke bevoegdheid om dat project tegen te houden, hij zag zich zelfs verplicht het bij koninklijk besluit te bekrachtigen. Dik tegen zijn zin, want hij was erg gehecht aan het panorama. Nu was Leopold II niet van gisteren. Vooraleer hij zijn handtekening zette, heeft hij uit zijn eigen vermogen de terreinen gekocht zodat er niet kon gebouwd worden”.

Louisalaan2_JefBoes-13-960x640

Xavier Duquenne, een gepensioneerd econoom van de Nationale Bank, is een echte archieftijger. Hij heeft talloze publicaties over de geschiedenis van parken en kasteeldomeinen op zijn naam. Na een turf over het Ter Kamerenbos kon een standaardwerk over de Louizalaan niet uitblijven. We ontvangen een exemplaar in zijn met antiek volgestouwde appartement halverwege de pare kant van de Louizalaan. Hij woont al meer dan 30 jaar op de illustere laan waarvan hij als voorzitter van het buurtcomité het aanzien heeft bepaald. “Ik heb er persoonlijk voor gezorgd dat het onding van Strebelle op het rond punt staat. Oorspronkelijk zou het pal tegenover de ingang van het Ter Kamerenbos worden neergepoot. Stel je voor, daar zou het pas helemaal vloeken met de omgeving”. Met een aanzienlijk zwaardere rugzak vervolgen we onze weg. Het is ons intussen duidelijk waarom de Louizalaan integraal onder het gezag van de Stad Brussel valt, ook al steekt het tracé als een dolk in het grondgebied van Elsene en Sint-Gillis. Ten tijde van de aanleg waren beide gemeenten nog onooglijke boerendorpen, bestuurskundig onmachtig om een stedenbouwkundige operatie van zo’n omvang tot een goed einde te brengen. Brussel, de naar Lebensraum strevende hoofdstad, nam het stuur gretig over. Duquenne kende overigens meer voorbeelden van Brussels imperialisme. Op dezelfde manier als de Louizalaan en het Ter Kamerenbos werd eerder al de Leopoldswijk geannexeerd, later volgde nog de gemeente Laken waarmee Brussel de controle over de haven verwierf. Men zou haast betreuren dat deze strategie niet tot het bittere einde werd gevolgd, dan waren we gespaard gebleven van het gezeur over de negentien gemeenten in het hoofdstedelijk gewest.

Victor Horta

We bekijken de laan met nieuwe ogen. De opeenvolgende tunnels, gevreesd door deelnemers van de 20 kilometer van Brussel, hebben er niet altijd gelegen. Ze werden gegraven in het vooruitzicht van de Expo 58, toen de auto nog de heraut was van welvaart en vooruitgang.  In het volgende decennium verschenen ook de eerste wolkenkrabbers, zoals de ITT-tower en de iets jongere Blue Tower waarvan het dak het hoogste punt van Brussel vormt. De louter residentiële Louizalaan bleef een met plantsoenen en kastanjelaars opgesmukt juweel, maar veranderde niettemin in een kantoorwijk. Met standing, dat wel. Hier vind je chique advocatenkantoren zoals Afschrift en Hirsch & Vanhaelst, of de betere headhunter zoals  KornFerry. Brazilië en Paraguay hebben er hun ambassade, Italië en Marokko hun verkeersbureau.  Shoppen kan ook, liefst met een dikke portefeuille. Het moederhuis van Natan, de favoriete couturier van het Belgisch koningshuis, ligt op de 158. Op het nummer 300 kun je het jaar door verse truffels kopen, en op de 231 schuilt de Benelux-dealer van de zeer exclusieve Britse sportwagenconstructeur McLaren. De transformatie had een prijs, de Louizalaan werd het toneel van een kaalslag zonder weerga. Tot in het interbellum was dit een speeltuin waar de toparchitecten van hun tijd voor de rijkste families van Brussel het ene hotel de maître na het andere bouwden, de laan gold niet voor niets als uitstalraam voor de art nouveau. Veel schiet er niet meer van over, van de vier panden van grootmeester Victor Horta werd alleen het hotel Solvay op het nippertje van de sloop gered.

We stallen onze fietsen op het Stefaniaplein, waar de brede Louizalaan in een strak keurslijf wordt gedwongen. Le Goulet, de flessenhals, zo wordt het stuk tussen het plein en de Gulden Vlieslaan genoemd. De afwijkende morfologie laat zich simpel verklaren. De 300 meter lange flessenhals is ouder dan de Louizalaan, het is niks anders dan het begin van de Charleroisesteenweg die nu van het Stefaniaplein afstakt. Eigenaars en handelaars vonden het een goed idee om zich af te scheuren en zich onder de prestigieuze Avenue Louise te scharen, en geef ze eens ongelijk. “De Goulet is de beste winkelstraat van Brussel”, vernemen we van een gespecialiseerde vastgoedmakelaar die liever anoniem blijft. “De Nieuwstraat blijft met 260.000 bezoekers per week ongenaakbaar, maar de 120.000 wekelijkse bezoekers van de Goulet hebben een veel grotere koopkracht. De hele Louizalaan staat nog altijd voor geld en prestige, alle dure merken zijn hier aanwezig. Toch is er een zekere democratisering merkbaar.  Zara is hier ondertussen neergestreken, dat was vroeger ondenkbaar”.

Straatprostituees

In de Goulet rekenen vastgoedmakelaars niet in vierkante meters, commerciële panden worden volgens hun ‘yield’ ingeschat. Hoe graag zouden we ons de eigenaar noemen van het hoekpand vlakbij de metro waar Nespresso zijn flagship store heeft ondergebracht, voor 55.000 euro in de maand. Hoogconjunctuur? Niet in het overdekte shoppingcenter met ingangen op de Gulden Vlieslaan, de Louizalaan en het Stefaniaplein. We lopen door een van centrale gangen van de Louizagalerij, de oudste van de drie galerijen die samen een stad in de stad vormen. Het gelijkvloers is een labyrint van veelal kleine handelszaken, af en toe onderbroken door portalen die toegang verschaffen tot negen etages met appartementen. We zien veel leegstand en gesloten rolluiken, her en der slingeren op de deurmat de aanmaningen van incassobureaus. “Dit was tot diep in de jaren tachtig een goudmijn”, zegt een handelaar die ook al naamloos wenst te blijven. “Maar intussen zit de klad erin. Door de crisis, maar vooral door speculatie. De voorbije jaren heeft een promotor hier zestig procent van de galerij opgekocht. Als het huurcontract verstrijkt of een zaak op de fles gaat, laat hij de winkel bewust leegstaan. Een kwestie van strategie: hij wil kleine winkels tot grotere ruimtes samenvoegen, zodat hij die voor veel geld aan ketens kan verhuren. Zelfstandige winkels krijgen het steeds moeilijker, want leegstand jaagt klanten weg”.

Er staat een loden zon boven Brussel, maar de alomtegenwoordige kastanjelaars spelen voor parasol. ’s Avonds bieden ze beschutting aan de straatprostituees die op de Louizalaan een dankbaar jachtterrein hebben gevonden. Een Jaguar stopt voor het Grand Hotel Steigenberger aan de overkant van het Stefaniaplein, de voiturier staat klaar om de sleutels in ontvangst te nemen. Het vroegere Conrad geldt als het summum van de Brusselse hotellerie, ook al kreeg die reputatie een deuk toen de politie er in 2008 binnenviel in een ophefmakende zaak van mensenhandel.  Bleek dat er 17 dienstmeisjes letterlijk werden opgesloten, slaven in dienst van een steenrijke familie uit Abu Dhabi die een volledige verdieping had afgehuurd. We fietsen richting Ter Kamerenbos langs de onpare kant. De Baljuwgalerij, een lilliputter naast de galerie Louise, is zo’n plek die alle commerciële logica tart. Weinig passage, een anonieme entree, hoe houden middenstanders hier het hoofd boven water? Specialisatie, luidt het antwoord. Je vindt er behalve een echte schoenmaker en een dealer van Märklin miniatuurtreinen niet minder dan drie Afrikaanse schoonheidssalons. Mini Matongé aan de Louizalaan? Daniëlle Doyen van Pause-toi, _ rechts voor het kapsalon, links voor de soins estéthiques _ reageert verontwaardigd. Dat ze Kameroenese is, ze laat het aan ons over daar de passende conclusies uit te trekken. “En dit is geen Afrikaans getto”, vervolgt ze. “Wij werken voor een Europees publiek, vooral via Groupon. Epileren en peelings zijn onze specialiteiten, en voor Braziliaans stijlen bestaat er in Brussel geen beter adres”.

Louisalaan2_JefBoes-29-960x640

Hergé

L’Ecuyer is gesloten, maar we hebben een afspraak. Bij een eerste verkenning was de antiekzaak ons meteen opgevallen, ook al omdat de etalage door metershoog beelden wordt geflankeerd. “Komt van de Banque du Congo” zegt Gilbert Weynans. “Na de onafhankelijkheid in 1960 heeft de Belgische staat de inboedel verkocht. 6.000 frank voor betaald, het was een helse klus om te transporteren. Massieve teak, ze wegen een ton per stuk”.  En hup, we zijn vertrokken voor een dolle rit over memory lane. Weynans mag dan 86 zijn, hij beschikt over een feilloos geheugen en een onuitputtelijke voorraad anekdotes. Antiquair is maar een van zijn hoedanigheden, deze estheet heeft ook juwelen en stropdassen voor Dunhill ontworpen, thonet stoelen met scheepsladingen tegelijk naar Amerika geëxporteerd, en filmdecors voor zowel Hollywood als de Belgische televisie gestoffeerd. Schipper naast Mathilde? Werd opgenomen in zijn decor. Bovenal is Weynans een van de pioniers die in Brussel de art nouveau heeft herontdekt. “Vandaag geven ze er zot veel geld voor, maar ik heb andere tijden gekend. Op de eerste Foire des Antiquaires in 1953 werd ik uitgelachen. Art nouveau, c’est du caca, stond er ooit op mijn vitrine”. Niet dat hij eenkennig was als het over kunst ging. Het beeld van Henry Moore dat jarenlang voor het Brusselse hoofdkwartier van de BBL, thans ING, heeft gestaan? Door Weynans in Londen uitgekozen, in opdracht van madame Lambert herself. Hij begint erover, omdat het beeld onlangs tot algemene consternatie van Brusselse kunstminnaars aan een Duitse verzamelaar werd verkocht.  Ach, ronkende namen. De Solvays, de Stocklets, de nazaten van Fernand Khnopff en Henri Van de Velde, hij heeft ze allemaal gekend, net zoals René Margritte en de piepjonge Audrey Hepburn. De Louizalaan loopt als een rode draad door zijn verhaal, hij herinnert zich nog levendig hoe ruiters over een aparte middenstrook richting Ter Kamerenbos galoppeerden. “Aan de overkant woonde mijn goede vriend Hergé”, zegt hij mijmerend. “Toen ik van mijn eerste China-reis terugkeerde, liet ik hem een foto zien met een tafereel dat zo uit de Blauwe Lotus leek geplukt. Hij was ontroerd, ik heb het hem cadeau gegeven”.

Ietwat duizeling staan we weer op de Louizalaan. Zonder plooifiets, want die blijkt foetsie. Kettingslot doorgeknipt, bij volle daglicht. Op het politiekantoor zijn ze niet verbaasd. “Dat is de Louizalaan”, zegt de agent fatalistisch. “Mensen met veel geld, dat trekt misdaad aan. Het is heus niet in Molenbeek dat ze hun slag gaan slaan”.

 

 

(2) Zeedijk Knokke-Het Zoute

Mosselen gaan er vlot in, maar voor Cava halen ze de neus op. Welkom op de Zeedijk in Knokke-Het Zoute, de meest exclusieve boulevard van de Noordzeekust. Reservaat voor parvenu’s en snobs? “Het draait niet om geld, maar om stijl”.

Knokke_JefBoes-3-960x640

foto’s Jef Boes

Liefst van al waren we met een Maserati naar Knokke gereden, maar het is toch weer de Kangoo geworden. Gelukkig steekt in de koffer een hippe plooifiets om de laatste kilometers naar het meest exclusieve strand van de Noordzee te overbruggen. Met onze zonnebril, bermuda en ruitjeshemd gaan we naadloos op in de massa, want anders kun je de toeloop vandaag niet omschrijven. De hittegolf zit er voor veel tussen, maar hier is meer aan de hand. Straks is het de Nacht van het Zoute, de start van de quinzaine mondaine, het ware hoogtepunt van het zomerseizoen in Knokke. Op de Zeedijk en de Kustlaan gonst het al van de bedrijvigheid. Juweliers, galerijhouders, modeboetieks, overal worden partytenten opgezet. Vanavond ontvlammen hier tientallen vip-feestjes en cocktails. Exclusief voor genodigden, al kan het voor doortastende partycrashers geen kunst zijn om zich gratis en voor niks vol bubbels te gieten. Pique-assiettes heten deze sympathieke parasieten in het Frans, een taal die in Knokke nog altijd even natuurlijk klinkt als in Brussel of Parijs.

“Juli was erg druk”, zegt Trui Onjaerts van restaurant Si Versailles tevreden. “Maar nu steken we nog een tandje bij.  De echte Knokke-gangers zie je niet in juli, die zitten dan aan de Côte d’Azur. Maar op het einde van de maand stromen ze allemaal toe. De eerste helft van augustus, dan moet iedereen in het Zoute zijn”. Onjaerts, zoals de meeste inwoners een aangespoelde Knokkenaar, komt niet uit een  horecageslacht. “Eerder uit een kunstzinnige familie”, zegt ze wat nuffig. “Mijn moeder heeft de zaak 26 jaar geleden overgenomen, Si  Versailles was toen nog op de Kustlaan, vlak om de hoek, gevestigd. Een typisch mosselrestaurant, maar moeder heeft een goede chef aangetrokken en haar artistieke connecties aangesproken. Kunst aan de muur, dat gaf meteen een ander cachet aan het restaurant. De zaak is al lang naar de Zeedijk verhuisd. Een galerijfunctie hebben we niet meer, maar de link met kunst is gebleven. Ronny Van de Velde heeft wat verderop een nieuwe galerij geopend, hij geeft hier al zijn feestjes. Guy Pieters is kind aan huis, die is gisteren nog komen dineren met Christo”.

Cava

Zeedijk 795, diep in het Zoute. De beste plek van de kust, volgens Trui. “Weinig auto’s maar veel passage, want verderop begint de verkeersvrije Wandeldijk. Naast ons niks dan kunstgalerijen en boetieks, dat lokt vanzelf een mooi publiek. De Zeedijk is lang, maar er zijn onzichtbare barrières. Eens het Rubensplein gepasseerd, voel ik me niet meer thuis. Het is daar nog altijd Knokke, maar toch anders dan hier”. Is Knokke mondain, dan geldt Het Zoute als de overtreffende trap van mondain. Een reservaat van miljonairs en snobs? Trui Onjaerts relativeert met een anekdote uit eigen keuken. “Ik heb de gastronomische koers van moeder bijgestuurd. Niet alleen dure producten zoals tarbot en kaviaar, een pladijs kan even lekker smaken. En mosselen natuurlijk, want ook rijke mensen eten wel eens graag met de vingers. Mosselen komen bij ons in een prachtige koperen pan op tafel. Volkskeuken mag, zolang je ze met stijl brengt”. Toch, zo heeft de gastvrouw moeten vaststellen, zijn er grenzen aan de bereidheid van haar publiek om zich aan plebejische geneugten over te leveren. “Toen de Cava-rage begon, ben ik mee op de kar gesprongen. Vergeefse moeite, ik raakte mijn Spaanse bubbels niet kwijt. Een coupeke champagne,  dat is hier nog altijd de norm”.

Hoe mooi kan het leven van een galerijhouder zijn? Op één dag twee vernissages met ronkende namen mogen openen. Arne Quinze op de Zeedijk, Christo op de Kustlaan. Guy Pieters, witte bermuda om de ietwat Bourgondische  lenden,  Zwitsers uurwerk om de pols, Cubaanse sigaar tussen de vingers, staat zichtbaar te genieten. Het schriele, brildragende mannetje aan zijn zijde? Blijkt niemand minder dan Christo, de wereldberoemde Bulgaarse inpakkunstenaar die al dertig jaar met galerie Pieters samenwerkt.  Aan de muren  hangen schetsen en collages van Mastaba, letterlijk het grootste kunstproject ooit ondernomen. De150 meter hoge monoliet, opgebouwd met 410.000 in felle kleuren geschilderde olievaten, moet ooit in de woestijn van golfstaat Abu Dhabi verrijzen. Anders dan alle voorgaande projecten van Christo en zijn overleden vrouw Jeanne-Claude wordt het voor de eeuwigheid gebouwd. Gefinancierd met petrodollars, nog een nieuwigheid in het oeuvre van Christo die in het verleden allergisch was voor alle vormen van subsidies of sponsoring.

Dat beide vrienden uitgerekend bij Si Versailles zijn gaan dineren, is geen toeval. “In dat restaurant is mijn liefde voor Knokke ontstaan”, vertelt de 60-jarige Pieters. “Mijn ouders hadden een drogisterij in Sint-Martens Latem. Het was een traditie tijdens het mosselseizoen: als ze zondagmiddag de winkel sloten, reden we naar Knokke om bij Si Versailles te eten. Dat was hier dus, in dit eigenste pand”.  In 1982 heeft hij de sprong naar Knokke gewaagd. Zijn eerste galerij lag honderd meter verder op de Kustlaan, in een stuk van het Zoute dat toen nog compleet verloederd was. “De enige plek die we ons in die pioniersjaren konden permitteren. Een volledig huis voor 18.000 frank (450 euro), daar huur je vandaag nog geen garagebox voor.  Toen ik later de kans kreeg om naar dit adres te verhuizen, heb ik niet getwijfeld. Ik doe dat graag, panden uit mijn jeugd nieuw leven inblazen”.

Galerijen, galerijen en nog meer galerijen. De Zeedijk van het Zoute is er mee bezaaid, en op de parallelle Kustlaan is het niet minder. Tachtig zijn het er volgens een recente telling. Er zit kaf tussen het koren, de grens tussen kunst en decoratie is soms vaag. Niettemin: het aanbod moderne en hedendaagse kunst is indrukwekkend genoeg om zelfs doorgewinterde collectioneurs  te doen watertanden. Guy Pieters, die ook galerijen heeft in Sint-Martens Latem en het Franse Saint-Paul de Vence, is met twee zalen en een portefeuille vol ronkende namen incontournable. “Drie jaar geleden heb ik de galerij van mijn broer op de Zeedijk overgenomen”, vertelt hij. “Aanvankelijk fungeerde het als pop-up expositieruimte, maar de reacties waren zo positief dat ik er geld heb ingestoken om een tweede, volwaardige galerij te beginnen. Precies wat de dijk nodig had, want alle mooie galerijen zaten op de Kustlaan. In mijn kielzog zijn onder anderen Ronny Van de Velde en Patrick De Brock zich op de dijk komen vestigen, toppers die het niveau serieus hebben opgekrikt. Wildgroei? Zo wil ik het niet noemen. Het is natuurlijk niet allemaal kunst met een grote K. Het aanbod is eclectisch, net zoals het publiek. Want wat is tenslotte Knokke? Een dorp van 30.000 inwoners dat in de zomer aanzwelt tot een stad van 200.000 inwoners”.

Belle époque

Zonder de rol van galerij Pieters te geringschatten: de faam van Knokke in de plastische kunsten werd al veel eerder in het Casino gevestigd. Met dank aan de Antwerpse familie Nellens, schatrijke industriëlen die tijdens het interbellum in Duinbergen en Knokke 220 hectaren duinen en polders verwierven en rijp maakten voor het opkomende kusttoerisme, met het casino en het onder hun impuls aangelegde Albertstrand als trekpleisters. Zij waren het die werken kochten of bestelden bij coryfeeën als Margritte, Delvaux, Niki de Saint Phalle en Keith Haring, zij ook die vanaf de jaren vijftig avant-garde van Beuys, Panamarenko, Warhol en Rauschenberg exposeerden. De Margrittezaal met haar fresco’s blijft verbluffend, en je kunt er  nog altijd ’s werelds grootste kroonluchter bewonderen. Ook de roulette draait als vanouds, en er wordt tot in de vroege uurtjes gedanst. Maar ondanks de glitter overheerst het patina van verval. Het Casino is al lang niet meer de verplichte rendez-vous van de beau monde. “Er is veel veranderd”, stelt financieel directeur Slabbinck, een oude rot in het vak, vast. “Het spelen in de eerste plaats. In 2003 werden slotmachines gelegaliseerd, we hebben er intussen zo’n 200 staan. De tijd dat je hier alleen in avondkledij werd toegelaten, is ook voorbij. Bij een short of zwembroek trekken we de streep, maar een gescheurde jeans? Best mogelijk dat het een Armani is, recht uit de boetiek”. Frank Sinatra, Jacques Brel, Charles Aznavour, het is maar een greep uit de lijst van supersterren die hier zijn opgetreden. “Ook dat is voltooid verleden tijd”, zucht Slabbinck.”Onze grootste zaal heeft 700 zitjes, daarmee lok je geen Lady Gaga naar Knokke. De deejays die op Tomorrowland spelen? Volstrekt onbetaalbaar voor Knokke”.

Knokke_JefBoes-13-960x640

Misschien keren de gouden jaren terug, wanneer Leopold Lippens zijn droom kan waarmaken. De burgemeester wil een nieuw casino, een spectaculair baken van honderd meter hoog. Dat het huidige gebouw van architect Léon Stynen desgevallend wordt gesloopt, daar doen ze in Lippensland niet flauw over. De modernistische parel uit 1930 werd door verbouwingen al danig verknoeid, en straks dreigt het op de lange lijst van verdwenen erfgoed te belanden. Goede smaak in Knokke-Le Zoute? Daarvoor moet je in de boetieks , galerijen en restaurants zijn, de architectuur daarentegen is even zoutloos als elders aan de Kust. Alle sporen van de belle époque werden uitgewist, de Zeedijk is één gesloten pui van acht verdiepingen glas en beton, rendabel tot de laatste vierkante centimeter.

Hotel des Nations springt helaas niet uit de band, maar toch is het uniek. “Dit is het laatste hotel op de dijk”, vertelt eigenares Monique Bolle in vanzelfsprekend Frans. “Het is al sinds 1926 in handen van mijn schoonfamilie. Zelf ben ik hier al 54 jaar. Vroeger lagen er wel elf hotels op de dijk tussen het Albertstrand en het Zoute. Vanaf de jaren zestig zijn die één na één gesloten, uitgekocht door promotoren die met veel geld zwaaiden om appartementen te bouwen. Ach meneer, er is zoveel veranderd. Vroeger hadden we gasten die iedere zomer terugkeerden. Twee weken, drie weken, bij het uitcheckten reserveerden ze meteen voor het volgend jaar. Tegenwoordig blijven ze hooguit een week, en reserveren doen ze op het laatste nippertje, met één oog op het weerbericht. Het zijn niet alleen de appartementen die de hotels hebben genekt. In het hoogseizoen kost een kamer bij ons 250 euro, ontbijt en zeezicht inbegrepen. Geen euro teveel, maar voor die prijs vlieg je met de kinderen haast een week naar Turkije”.

Bij de balie hangen foto’s en prentkaarten uit de oude doos. Hotel des Nations was een juweel, opgetrokken in Anglo-Normandische stijl. “Zie je die duin?”, vraagt Monique. “Zo was het overal, de dijk was nog bijlange niet volgebouwd. Het strand was veel kleiner, bij vloed kwam het water tot tegen de dijk. Als er wat golven stonden, klotste het over het terras en moesten de gasten schuilen. Met onze vier verdiepingen waren we lange tijd het hoogste gebouw op de dijk. Maar toen zijn ze met appartementen begonnen, en ineens werden we links en rechts door torens van acht verdiepingen overschaduwd. In 1991 hebben we het oude hotel afgebroken, de kosten voor aanpassingswerken en brandpreventie wogen te zwaar. We stonden voor een verscheurende keuze: herbeginnen of zoals alle anderen verkopen? We hebben toch maar een nieuwbouw gezet: 38 kamers over acht verdiepingen, met parking voor alle gasten. Zie je, dit is een stuk van ons leven. Hotel des Nations in Knokke, dat kennen ze tot aan de Côte d’Azur. Niet dat de promotoren ons met rust laten. We zijn al meermaals benaderd met duizelingwekkende bedragen. Hoeveel? Dat zeg ik niet, maar ik heb er drie nachten niet van geslapen”.

Wandeldijk

Dochter Martine Blomme komt erbij zitten. Perfect tweetalig, ze ergert zich trouwens aan het kreupele Nederlands van haar moeder met wie ze zelf Frans spreekt. Mammie gaat in het defensief.  Ze is in ‘Renaix’ opgegroeid, heeft haar hele jeugd in Franse pensionaten gesleten. Dat is na vijftig jaar Knokke geen excuus, oordeelt haar dochter streng. Voor het overige zijn beide generaties het roerend eens: er bestaat geen betere plaats om te wonen dan Knokke. “Ik ben hier opgegroeid”, zegt Martine. “Het zicht op de zee, dat wil ik voor geen geld van de wereld missen. Als echte Knokse behoor ik tot een uitstervend ras. Jonge mensen lopen hier weg, de huizen zijn niet meer te betalen”. Dat laatste mag vooral niet als onrechtstreekse kritiek op het gemeentebestuur worden geïnterpreteerd. Geen kwaad woord over de burgermeester, klinkt het vermanend in beide landstalen. “Ik ken hem van de golfclub”, zegt Martine. “Lippens is helemaal geen snob, hij is eenvoudig en sympathiek. Zelfs zijn grootste tegenstanders erkennen dat hij van deze gemeente een parel heeft gemaakt. Deze zomer heeft hij Cirque du Soleil naar Knokke gehaald, je moet het toch maar doen als burgemeester van een kleine gemeente”. De heraanleg van het Albertplein, daarover zijn moeder en dochter toch weer verdeeld. Monique vindt het een draak, Martine is enthousiast. Hoe dan ook, de befaamde Place m’as tu vu, carrousel voor patsers met dure auto’s, is niet meer. “Nu rijden ze lussen op de Lippenslaan en de Kustlaan”, zegt Martine minachtend. “Nouveaux riches, gelukkig is dat een minderheid. Het draait in Knokke niet om geld,maar om stijl”.

Behalve mentale barrières kent de Zeedijk vooral financiële grenzen. In Agence Het Zoute kunnen ze die precies lokaliseren. Heist, Duinbergen,Albertstrand, Knokke, Het Zoute, de prijzen gaan crescendo van West naar Oost. Zaakvoerder Thibault Vanden Berghe: “Hoe dichter bij het Zwin, hoe duurder. Zoek je een tweekamerappartement met zicht op zee? In Het Zoute bestaal je vier tot vijf keer meer dan in Heist. Dat is de algemene regel, op microniveau zijn er nuances. Het stuk tussen het Casino en het Rubensplein is bijvoorbeeld duurder dan het volgende stuk tussen het Rubensplein en de Lippenslaan. Daar is het patrimonium verouderd, en bovendien zijn er gelijkvloers weinig winkels. Een stedenbouwkundige vergissing, want winkels brengen leven op de dijk, cruciaal nu het kusttoerisme een seizoensbestendige business is geworden. Daarom is Duinbergen in de winter doods, omdat er niks te beleven valt”. Is de Zeedijk in Het Zoute peperduur, het echte walhalla ligt nog oostelijker, langs de Wandeldijk waar de appartementen tussen de 1.2 en de 1.5 miljoen gaan. “Op de Zeedijk zit je aan 6.000 tot 12.000 euro per vierkante meter”, zegt Vanden Berghe. “Op de Wandeldijk begint het pas bij 10.000 euro, en de prijzen gaan tot ver boven de 20.000 euro. Wie dat kan betalen? Ach, kandidaten genoeg. Al wie in de Belgische industrie en zakenwereld meetelt, heeft wel iets in Knokke”.

Knokke_JefBoes-19-960x640

Finis Terrae

Iets in Knokke? Het is een understatement als we het over Finis Terrae hebben. Het residentiële complex ligt op het terrein van het oude openluchtzwembad, in een hoek van het Zwin waarover de Compagnie du Zoute en de Vlaamse gemeenschap jarenlang hebben geruzied. Er kwam een compromis van: de Compagnie kreeg haar sloop- en bouwvergunning, Vlaanderen verwierf met de Zwinbosjes een extra stuk beschermde natuur. Het is dan ook fijn toeven in de Finis Terrae, met een panorama op zowel zee als duinen. Appartementen gaan hier drie tot vijf miljoen euro. Eerder dit jaar werd zelfs een verkoopsrecord gevestigd, toen een optrekje van 600 m² met 300 m² terras _ in feite drie geïntegreerde appartementen _ van eigenaar verwisselde. Ruim boven de 20 miljoen, meubels en kunstcollectie inbegrepen. In Knokke is het een nationale sport: gissen wie de eigenaars zijn die zich alleen in de zomer en tijdens verlengde weekends vertonen. Omegha Pharma-baas Marc Coucke, Ghelamco-topman Paul Ghijsen en ex-Picanol-baas Jan Coene zij enkele certitudes.

Frank Vanleenhove vat het ietwat gezwollen samen. “De mensen die daar wonen, besturen België”, zegt de eigenaar van het Surfers Paradise op het strand voor Finis Terrae. Vanleenhove, een geboren Knokkenaar en gewezen windsurfkampioen, heeft gemengde gevoelens bij zijn machtige overburen.  Zijn club, die zo overgeheveld lijkt uit Malibu, werd zonder vergunning gebouwd. “Maar met toelating van de gemeente”, preciseert hij. “Alleen bleek het wettelijk onmogelijk een bouwvergunning voor het strand af te leveren. Zeventien jaar heb ik gestreden voor erkenning, een absurde ervaring. Minister van ruimtelijke ordening Philippe Muyters wilde ons regulariseren, maar ondertussen probeerde zijn eigen administratie ons met alle middelen kapot te maken. Eerste aanleg in Brugge, beroep in Gent, we wonnen slag na slag. Maar de administratie gaf niet op, ze tekende zelfs cassatieberoep aan”. Vanwaar die hardnekkigheid? Vanleenhove wijst naar Finis Terrae. “Ik kan het niet bewijzen”, zegt hij. “Maar sommige eigenaars wilden ons weg. Omdat we het zicht op zee bederven? Omdat we de rust verstoren? Geen idee, ze zijn het nooit aan mijn neus komen hangen, ook niet tijdens de bewonersvergadering van Finis Terrae die op mijn terras heeft plaatsgevonden. Overigens, de meeste eigenaars zien ons wel zitten, al was het maar omdat hun kinderen hier komen surfen”. De procedure is nog niet helemaal rond, maar de toekomst lijkt verzekerd. Surfers Paradise werd opgenomen in het nieuwe RUP Zwinpolder. “Het eerste natuurgebied met een surfclub”, zegt Vanleenhove met een grijns.

Pas op de terugweg valt het ons op: het laatste stukje van de oude Zeedijk dat aan de sloopwoede is ontsnapt. Ooit vormde het Plaza-hotels met twee zusterhotels het U-vormige Wielingenplein. Intussen zit het frivole gebouw gekneld tussen twee strakke torens, een typische clash van stijlen waarvoor buitenlandse toeristen graag een omweg naar België maken. Het verval slaat van de gevel, op het vastgoedkantoor werd Plaza geciteerd als het laatste grote project dat op de Zeedijk op stapel staat. Voor Thierry Zachary, met vrouw, schoonmoeder en kinderen huurder op de eerste verdieping,  is er geen haast bij. “Het is allemaal wat uitgeleefd”, zegt de horecabaas uit Ukkel. “Maar wat een terras en wat een uitzicht. We huren dit op jaarbasis, samen met een andere familie.  400 euro in de maand, en dan bedenken dat een groot appartement in het hoogseizoen hier tot 3.000 euro voor twee weken kost. Het is de eigenaar dan ook niet om de huurinkomsten te doen, hij heeft dit gekocht om het met een monsterwinst aan een promotor door te verkopen”.  Hij steekt een sigaret op, laat zijn ogen over de afgebladderde gevel gaan. “Hoe is het mogelijk”, zegt hij hoofdschuddend. “Zoiets afbreken, terwijl ze elders de laatste steen van voor de oorlog als monument beschermen”.

 

 

(3) De Sleepstraat

Je kunt er voor tien euro lekker eten, en nergens zijn oriëntaalse gordijnen goedkoper dan in de Sleepstraat. Ooit het koopcentrum van de binnenschippers, al lang dé Turkse straat van Vlaanderen. Als Galatasaray in Europa wint, wordt hier gefeest. De slechte reputatie? Onverdiend, zeggen Belgen en Turken in koor.

 

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

 

Het leek een goed idee onze rondgang bij de begrafenisondernemer te beginnen. Een huis met vijftig jaar traditie in de Sleepstraat laat je niet zomaar links liggen. Helaas, de meer dan pensioengerechtigde zaakvoeder wil niets met ons delen, behalve dan zijn gevoel van verbittering. Dat de Sleepstraat dé winkelstraat van Gent was toen hij er in 1960 begon. En moet je nu zien: dit is België niet meer, hij waant zich in Turkije. De scheldwoorden laten we hier fatsoenshalve onverlet, hij gebruikt ze ook wanneer ‘ze’ weer eens schaamteloos zijn dubbele oprit hebben geblokkeerd. Turkse klanten? Ach meneer, dat is het hem juist. Ze laten zich allemaal in Turkije begraven. Door een Brusselse begrafenisondernemer, ook al een Turk.

Dé winkelstraat van Gent? Dat was en is teveel eer. Maar een echt koopcentrum is de Sleepstraat nog altijd. Zeventig winkels en horecazaken verspreid over een halve kilometer, voor viervijfden in handen van Gentse Turken. Als de Sleepstraat een reputatie mag opeisen, dan wel deze: het is dé Turkse straat van Gent en bij uitbreiding van Vlaanderen. Wie, behalve de locale begrafenisondernemer, zou dat betreuren? Zeker niet de klanten van het dozijn restaurants, kebabzaken en pizzabakkers die hier twee maal per dag de smalle stoepen plat lopen. Een hartig maal voor 10 euro, goedkoper vind je niet in de Arteveldestraat. Urfa Kebab op het nummer 90 is een van de populaire adressen. Een simpele pitatent? Ersin Colaker (32) plooit zijn menukaart open.  Stoofpotjes, grillades, voorgerechten, salades, assortiment Turkse en Franse wijnen, dit is een volwaardig restaurant. “Ik heb in Turkije voor kok geleerd”, vertelt de zaakvoeder in wat aarzelend Nederlands. “Zestien jaar geleden ben ik uit Emirdag overgekomen. Ik heb hier eerst vijf jaar in de keuken gewerkt, tot ik de zaak kon overnemen. Met de steun van mijn vader, maar ook van mijn ooms die al veel langer in België wonen. Zie je, mijn grootvader is in 1976 met drie zonen naar België gekomen om er als bouwvakker te werken. Alleen vader is achtergebleven, omdat hij leraar wilde worden. Zo gaat dat in Turkse families. We helpen elkaar vooruit, en we werken keihard.  Ik klop hier twaalf uur per dag, zeven dagen in de week”.

Dampoortturken

Een van zijn sponsors is toevallig op bezoek. Oom Isa zal het familieverhaal vertellen, stelt Ersin voor, want hij spreekt beter Nederlands. Dat klopt wel, al moet er de eerste minuten flink wat stof van dat Nederlands worden geblazen. “Vroeger sprak ik veel vlotter”, verontschuldigt Isa Colaker (50) zich. “Ik was dertien toen ik in België arriveerde. We woonden in Hamme, op school en in de buurt waren we de enige Turken. Nederlands leren ging vanzelf, het was van moeten. Maar na een paar jaar zijn we naar de Dampoort verhuisd. Bij de buren, in de winkels, in de cafés, er werd alleen nog maar Turks gepraat. Overal  verschenen schotelantennes, we keken alleen naar Turkse televisie. Het zou niet mogen, maar ja”. De Colakers zijn echte Dampoorturken, een van de subidentiteiten waar buitenstaanders geen benul van hebben. De gemeenschap onderscheidt ook Rabotturken, Muideturken, Brugse Poortturken, ooit moet er een Westside Story aan de Leie van komen. “Maar de Sleepstraat is er voor iedereen”, zegt Isa. “Ik kom hier al van in de jaren tachtig. Café Ankara, vooraan in de straat, dat was de plek waar de Gentse Turken in mijn jonge jaren uitgingen”.

Kathleen De Booserie (42) moet de Ankara nog hebben gekend. Vlak bij De Musketiers, de supermarkt annex wijnhandel die ze met haar man uitbaat. “Een echte familiezaak, zegt ze. “Ik ben al de derde generatie. Geboren en getogen in de Sleepstraat die toen nog een echte Belgische winkelstraat was. Als ik er door loop, kan ik de panden zo aanwijzen. De twee schoenwinkels, de twee bh-winkels, de vishandel, de speelgoedwinkel, de tabakswinkel rechtover onze deur. Allemaal verdwenen, alleen de beenhouwer en de horlogemaker zijn gebleven. Ik liep school in het Sint-Salvator, zoals de meeste meisjes uit de buurt. Er was ook een internaat voor schipperskinderen, allemaal vriendinnen van mij. Op een dag zat er een Turks meisje in mijn klas, het moet de dochter van het eerste Turkse restaurant in de straat zijn geweest. De school bestaat nog altijd, ik denk dat er alleen nog Turken zitten ”.

Mag ze eerlijk zijn? Ze is blij dat ze haar zaak helemaal vooraan in de straat ligt. De kant van het Sluizeken, de verbinding met de bruisende uitgangsstraat Oudburg en de door hippe vogels ingepalmde Krommewal. “Dieper in de Sleepstraat voel ik me haast een vreemde in eigen land. Niet dat ik me ongemakkelijk beweeg tussen de Turken, integendeel. Hartelijk mensen zijn het, als er feesten zijn, verrassen ze hun Belgische buren met een dampende schotel. Harde werkers ook, ze willen net als wij vooruitkomen in het leven. Ik krijg vele Turkse klanten over de vloer, en verschillende Turkse meisjes hebben hier gewerkt. Goede krachten, het moet gezegd. Dienstbaar en vriendelijk in de omgang met de klanten, alleen jammer dat je ze nooit lang kunt houden. Want eens getrouwd, zijn ze weg.  Ik mag niet werken van mijn man, vertellen ze als je ze later tegenkomt, meestal met twee of drie kinderen aan hun been. Zonde, maar ik zie toch een evolutie. Onze Turkse buren sturen hun kinderen niet meer naar concentratiescholen, maar naar uniformscholen, bij voorkeur naar de ‘groentjes’ van Sint-Bavo of de ‘grijskes’ van Nieuwen Bosch”.

Binnenschippers

Ze werpt een blik op een van de monitoren. De hele zaak hangt vol camera’s. Een noodzaak, net zoals de elektronische halsbandjes rond de flessen wijn en sterke drank. “Winkeldieven zijn een plaag. Soms zijn het Belgen, vooral junks. Meestal echter zijn het Oost-Europeanen, en de laatste tijd is er een bende Tunesiërs aan de slag. Mensen van buiten de buurt dus, maar ze geven de Sleepstraat wel een slechte naam.  Een paar jaar geleden hadden we een schietpartij, in een café hiernaast dat intussen is verdwenen. Een afrekening, de daders kwamen niet eens uit Gent. Het is onrechtvaardig, maar onze straat komt uitsluitend negatief in het nieuws. Die slechte reputatie dateert trouwens niet van gisteren. Mijn man is van Sint-Niklaas. Zelfs daar fronsten ze de wenkbrauwen toen ze hoorden dat hij met een meisje uit de Sleepstraat ging”.

Het is een bescheiden straat, in een kwartier loop je er erdoor. Overdreven haast is echter ongepast. Wie de tijd neemt, ziet niet alleen schurftige gevels en afbladderende kroonlijsten. Er wordt geïnvesteerd, vooral door horecabazen. Voor een special in het betere interieurblad is het nog te vroeg, maar een Turkse restaurant is geen kantine met neonlampen meer. Hier en daar staat springt een fraai herenhuis uit de band, een relict van een vorige glorieperiode. In de gevel van de stedelijke basisschool werd een fraaie gedenksteen voor de gesneuvelden en ‘opgeëischten’  van 14-18 gemetseld. Alleen Vlaamse namen, Turken sneuvelden toen nog 3.000 kilometer verder.  Echte monumenten liggen aan het pleintje op het einde van de straat. De Heilige Kerstkerk is beslist geen architecturale hoogvlieger, maar de hoekpanden in neorenaissancestijl zijn het verpozen waard. Blikvanger op het pleintje is het stuk binnenschip dat achter het bushokje werd neergepoot. Met de ingewerkte bloemperken ziet het er wat surrealistisch uit, maar de afgezaagde voorplecht is authentiek. Het monument ligt er ook niet zomaar, vernemen we op de pastorij naast de Heilige Kerstkerk. “Dit is Sint-Salvator, de parochie van de Gentse binnenschippers”, zegt Toon Suffys, een ingeweken Jezuïet.  “Hiernaast was de schippersbeurs gevestigd, waar de vrachten werden verdeeld. Dat is lang geleden, en het aantal schippers is fors teruggelopen. Maar de traditie is gebleven. Schippers uit Gent en omgeving komen hier om te trouwen. Ze laten hier hun kinderen dopen, vieren hier hun plechtige communie, en worden hier begraven. Bij zo’n viering loopt de kerk nog aardig vol, heel wat gepensioneerde schippers zijn trouwens in deze buurt komen wonen”. Goed voor pastoor Suffys, want van gewone parochianen moet hij het in deze kerk niet hebben. “Vijftig procent zijn islamieten”, zegt hij. “Haast allemaal Turken, dat maakt deze buurt zo bijzonder. Vriendelijke mensen, maar als pastoor heb ik er nauwelijks contact mee”.

Sleepstraat_JefBoes-36-960x640

 

huisjesmelkers

Roger Albrecht, een gewezen binnenschipper van 82, is voorzitter van de Gentse Scheepvaartgemeenschap. Al dertig jaar organiseert hij in een feestzaal in de Sint-Salvatorstraat maandelijkse bijeenkomsten van oud-varenden, telkens goed voor een oploop van meer dan 100 leden.  Het kantelen van de buurt, hij heeft er een originele visie op. “De bouw  van Ringvaart”, steekt hij wat mysterieus van wal. “Kijk, vroeger moest alle trafiek tussen Nederland en Frankrijk door Gent, langs ’t Klein Sas, langs de Visserij of langs de Muidesluis die een echte flessenhals was. In tijden van hoogconjunctuur lagen de schepen hier soms twee dagen aan te schuiven. De schippers profiteerden ervan om zich te bevoorraden, vandaar de vele winkels in de Sleepstraat en de Sint-Salvatorstraat. Na de openstelling van de Ringvaart eind jaren zestig hadden de schippers hier niet veel meer te zoeken. Ja, er was nog wel de schippersbeurs op het kerkplein. Twee keer per dag werden daar de vrachten verdeeld, een alibi om in de Sleepstraat te winkelen of pinten te pakken. Maar ook de beurs is al 25 jaar opgedoekt, tegenwoordig worden alle vrachten via de telefoon of fax verdeeld. Die ommekeer heeft de Belgische middenstanders in de Sleepstraat genekt”.

De uitleg spoort met de ruimere analyse die Hasan Cakir maakt. “Het is niet dat de Turken de Belgen hebben verdrongen”, zegt de zaakvoeder van Haskrediet. “Kijk naar de periode: eind jaren zestig, begin jaren zeventig. De doorbraak van supermarkten, fataal voor de kleine middenstand in en rond de stad. Ze gingen failliet, of vonden geen opvolger meer.  Gevolg: veel leegstand, en een groot aanbod van goedkope huizen en winkelpanden. Er was een gat gevallen, en de Turken zijn er met hun aangeboren ondernemingszin in gesprongen. Eerst waren het cafés, kebabtenten, restaurants en groentenwinkels, zaken die nog altijd het cliché van de Turkse ondernemer bepalen. Een beetje jammer,  want na drie generaties staan we een stuk verder. Heel wat Turken hebben bloeiende kmo’s opgericht. Let er maar eens op als er in je buurt straat- of kabelwerken worden uitgevoerd, de kans is groot dat de aannemer een Turk is”. De 40-jarige Hasan Cakir is zelf een geslaagde ondernemer, een van initiatiefnemers overigens achter de veelbesproken Turkse Lucernacolleges. Deze industrieel ingenieur chemie had één jaar in loondienst gewerkt toen hij zich als zelfstandig makelaar op het verzekeringswezen stortte. “Eerst heb ik de knepen geleerd van een kennis op een Axa-kantoor in Schaarbeek”, vertelt hij. “Ik kom zelf van de Brugse Poort, maar ik moest en zou een kantoor in de Sleepstraat openen. In 1995 was dit nog the place to be. Zele, Temse, Lokeren, zelfs vanuit Brussel en Antwerpen kwamen de Turken naar de Sleepstraat om te shoppen. Dat is voorbij, er zijn nu overal Turkse winkels. De Dendermondsestenweg, de Dampoortstraat, de Wondelgemstraat en de Bevrijdingsstraat kunnen zich met de Sleepstraat meten. Alleen de concentratie van restaurants en snacks blijft ongeëvenaard”.

Het kantoor op het nummer 186 is ruim bemeten en modern ingericht. Drie medewerkers, ooit waren het er twintig. Haskrediet had toen filialen in Hasselt, Antwerpen en Charleroi, maar na de bankencrisis van 2009 heeft hij er flink het mes is gezet. ‘We zijn groot geworden met kredietverstrekking”, vertelt hij. “Turken die bij Belgische banken geen hypotheek kregen, werden bij ons met open armen ontvangen. Via de brokermarkt konden we hen scherpe tarieven aanbieden. Aankoopprijs,  notariskosten, verbouwingen, we gingen vlotjes tot 120 procent van de geschatte waarde. Risico was er niet bij, want tot 2009 zaten de huizenprijzen in de lift. Ik heb zo tientallen klanten rijk gemaakt. Ze kochten aan de lopende band huizen tussen de 20.000 en 40.000 euro, en na vijf jaar waren die eigendommen twee tot drie keer meer waard. Leningen betaalden zichzelf terug. Snel renoveren en dan goed verhuren, dat is nog altijd de truc”. Hasan is niet te beroerd om het toe te geven. Aan die wonderbaarlijke vastgoedlift zit een geur van huisjesmelkerij. “Ik sta soms versteld als ik de contracten zie. Ze vragen het dubbele van de normale huur. Meestal zijn de klanten Turkse Bulgaren, een groep die nergens anders terecht kan”.

Laagvliegers

Avond. De restaurants lopen vol, op de stoep voor de cafés staan mannen te babbelen en te roken. Druk in de Sleepstraat? “En of”, zegt Alev Aydin (30) die de vraag verrassend interpreteert. “De sociale druk is enorm. Als jonge vrouw word je voortdurend in de gaten gehouden. Goed dat we hier in de winkel staan, want anders zouden de mannen in de cafés erover beginnen. Met wie staat ze daar nu weer te praten? Alleszins niet met haar man. Ik kom uit Wondelgem, daar is het veel gemoedelijker. Ik woon hier niet graag, maar mijn schoonouders hebben hier een zaak en dus was er geen keuze”. Ze geeft een rondleiding. Handelszaken met gordijnen en textiel zijn er wel meer in de Sleepstraat, maar deze is uniek. De smalle winkel geeft uit op een reusachtige hall, een bioscoop die ook nog als dancing werd gebruikt. Het scherm hangt er nog, de noodverlichting is intact, de tribune dient als stapelruimte. “Het grootste pand van de straat”, zegt Alev. “Ik denk niet dat mijn schoonouders er drie miljoen frank voor hebben betaald”.

Sleepstraat_JefBoes-17-960x640

Twee laagvliegers scheuren voorbij,  ze gaan zo hard dat we ons onwillekeurig in een portiek terugtrekken. Snelheidsduivels zijn een oud zeer in de Sleepstraat, een van de weinige kwalen die niet in de schoenen van de ‘Bulgaren’ worden geschoven . Omer Gök, voorzitter van de dekenij Sleepstraat, ergert zich blauw. “Patsers van buiten Gent komen in onze straat show verkopen. Publiek verzekerd, want er staat altijd volk voor de cafés. Levensgevaarlijk met die smalle stoepen, moeders worden met hun buggy op de straat gedwongen. Ik heb het al bij de stad aangekaart. Hier is geen ruimte voor terrassen, ze moeten de cafébazen verplichten hun klanten binnen te houden. Afgezien daarvan eisen we een definitieve oplossing. Verkeersdrempels, flitspalen, we willen er desnoods zelf voor betalen. Beloftes genoeg, vooral in verkiezingstijd. Maar in de praktijk gebeurt er niks”.

Gök is een begrip in de Sleepstraat, de naam siert niet minder dan drie succesrestaurants. Alles begon aan het Sluizeken, waar vader Gök met zijn vijf zonen een eerste restaurant opende. Vanuit Gök 1 ontstonden Gök 2 en Gök Palace. “Alle broers zitten in de horeca”, zegt Omer. “Mijn vader is hier in 1965 aangekomen, drie jaar later is moeder met de twee oudste aan de hand en mij in de buik gevolgd. Recht naar het ziekenhuis, ik ben hier geboren op de dag van haar aankomst. Je moet het maar doen. Recht uit Emirdag, geen woord Nederlands kennen, nog nooit een auto of fiets van dichtbij gezien. En toch een toekomst voor hun kinderen gebouwd”. En nu is zoon Omer dus voorzitter van Dekenij Sleepstraat, een titel met een eeuwenoude traditie in de Lage Landen. Twee jaar geleden werd de dekenij opgericht, in het bestuur zitten alleen Turken. Omer: “De Belgische handelaars hebben wel een lidkaart gekocht, maar met het bestuur willen ze zich niet inlaten. Jammer, want onze belangen lopen samen. We willen een veilige en schone winkelstraat met een goede reputatie”. De ambitie is niet vrijblijvend,  Omer Gök belichaamt meer hoop dan hij kan waarmaken. Zwerfvuil, parkeerproblemen, laagvliegers, criminaliteit, drugsdealers, de voorzitter van de dekenij moet het oplossen. “Maar ik heb helemaal geen bevoegdheden”, jammert hij. “Willen we bloempalen plaatsen? De straat is te smal, luidt het bij de stad. Kerstverlichting? Eandis maakt een bestek om van achterover te vallen. We doen nochtans ons best. Tijdens de voorbije ramadan wilden we een lange tafel organiseren, als ontmoetingsplaats voor moslims en andere Gentenaars. De stad en de politie waren akkoord, dit keer was het De Lijn die ging dwars liggen. Het is geen gemakkelijke strijd”.

Misschien moet hij Peter Decroubele als bestuurslid polsen. Als radiojournalist van de VRT kan hij geen handelaar worden genoemd, maar een gemotiveerd resident van de Sleepstraat is hij wel. We lopen hem toevallig tegen het lijf, wanneer hij met de fiets uit een groot huis achteraan in de straat verschijnt. “Vorig jaar gekocht”, zegt hij. “Na lang twijfelen. Is dit wel de plek waar we onze twee kinderen willen opvoeden,w as de vraag. De Sleepstraat heeft een slechte reputatie, maar uiteindelijk heeft die in onze kaart gespeeld. In het centrum zou zo’n huis volstrekt onbetaalbaar zijn”.  De twee laagvliegers razen opnieuw voorbij. Overlast? “Ach, zegt hij. “Als ik mijn deur dichttrek, merk ik er niks van. Ik geloof in deze straat. Er staan enkele zeer ambitieuze stadsvernieuwingsprojecten op stapel die een impact op de hele buurt zullen hebben. Kom binnen tien jaar nog eens kijken, misschien is de Sleepstraat wel de hipste van heel Gent”.

 

 

 

(4) De Kammenstraat

Ze is bekend van Londen tot New York. Wie de pols van Antwerp Fashion wil voelen, kan nergens beter terecht dan in de bescheiden Kammenstraat. Ooit stond Walter Van Beirendonck er als levende paspop in de etalage, maar Intussen is het allemaal wat braver geworden. Hoe mainstream kan het worden als Esprit, Guess en Scapa met grote middelen neerstrijken? Maar de Kammenstraat verkoopt haar ziel niet voor een bord linzensoep. Reportage uit een weerbarstige straat waaraan al menige keten zich heeft vertild.

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

Een reportage over de Antwerpse Kammenstraat beginnen in de Sint-Antoniusstraat?  Moet kunnen, van de stoep van Dreadlovers tot de hoek van de alternatieve modestraat is het tenslotte geen tien meter. Wat meer is, dreadlock virtuoso Cathy Maes heeft een markant verleden in de Kammenstraat. Tot voor een jaar was haar zaak op het nummer 34 een curiosum dat occasionele passanten in verwarring bracht. Vier glazen wanden, ingekapseld in de royale entree van Harry Beaver, een speciaalzaak van skate, surf en snowboardmateriaal. Was dit werkelijk een kapsalon of een gimmick met levende rekwisieten van een bevlogen etalagist? “Behalve een gemeenschappelijk huisbaas hadden we niks met elkaar te maken”, vertelt Cathy terwijl ze vingervlug lokken in het haar van een klant weeft. “We werkten vaak met drie. Twee voor de dreads, en dan nog een meisje dat producten verkocht. Op vier vierkante meter, het moet de kleinste winkel van Antwerpen zijn geweest. Sanitair was er niet, gelukkig heb je voor dreads geen water nodig. In de zomer kon het snikheet worden, dan verhuisden we naar de stoep. Comfortabel kon je het niet noemen, maar de huur was historisch laag. Ik deed alleen open als ik echt zin had om te werken, het was toch onmogelijk om mijn broek te scheuren. Negen jaar heeft de pret geduurd, toen heeft de eigenaar het pand verkocht aan de zaakvoerder van Harry Beaver. Die heeft me meteen opgezegd, blijkbaar heeft hij mijn kapsalon nooit zien zitten. Gelukkig viel dit pand net op tijd vrij. Nog altijd klein, maar wel groot genoeg om onze activiteiten uit te breiden”. En inderdaad, bij Dreadlovers kun je voortaan ook  terecht voor een koffie, een smoothie, een kruidenthee, al dan niet met een morzel chocoladecake. We moeten maar eens in de kelder gaan kijken, nodigt Cathy ons uit. De ondergrondse verdieping is nog niet klaar voor het publiek, maar de psychedelische sfeer valt al op te snuiven. “Een extra verbruiksruimte”, zegt Cathy. “We gaan er ook mad hatter tea parties organiseren, alleen toegankelijk met een buitenissig hoofddeksel. Underground, maar dan letterlijk”.

Walter Van Beirendonck

Underground, het was lange tijd het epitheton van de Kammenstraat. In de jaren negentig groeide de reputatie als pleisterplaats voor fashionistas, skaters, rasta’s en neo-punks. Nog altijd pronkt de handelaarsvereniging met de officieuze titel van hipste winkelstraat van het land. Toegegeven, saai zal het in de Kammenstraat nooit worden, de vierhonderd meter tussen Oudaan en het kruispunt met de Nationalestraat staan nog altijd borg voor onbespoten shoppersgeluk. Waar vind je tussen de vintage boetieks en design lampenwinkels een groothandel in piercing juwelen? Waar elders ligt er een Lomography Gallery Store?  En is er ook nog altijd de Fish & Chips, sinds jaar en dat het adres waar hipsters jong en oud komen snuffelen in de hoop er dat ene shirt te vinden dat niet het stempel van dertien in een dozijn draagt. “De Kammenstraat is nog altijd speciaal”, zegt store manager Ylli Engels. “Maar het undergroud-sfeertje is eruit, het is allemaal veel commerciëler geworden.  De voorbije vijf jaar zijn hier grote merken als Replay, Guess en Scapa neergestreken. Hoe mainstream kan het worden?”.  Een klant aan de kassa, we nemen de tijd om eens goed rond te kijken. Sjofel en druk tegelijkertijd. Graffitispuiters hebben zich flink kunnen uitleven in de omgebouwde loods die vorige levens als meubelzaak en roepzaal voor faillissementen heeft uitgediend. In de beginjaren stond een nog jonge Walter Van Beirendonck als levende paspop in de etalage, het is maar een van de vele anekdotes die faam van de Kammenstraat maken. “Het is nog altijd cool”, zegt Ylli. “We organiseren geregeld concerten en tentoonstellingen. Toch is het ook bij ons allemaal wat braver geworden. Toen ik hier zelf als jonge gast kwam shoppen, was het al zwart dat de klok sloeg, het wemelde hier van de punks. Kijk maar eens rond, er hangen nu ook bekende merken in de rekken. Met veel kleurtjes, je kunt je hier ook kleden als je naar een receptie moet. Fish & Chips is ook geen zelfstandige winkel meer. De vorige baas heeft de zaak vier jaar geleden aan Men at Work verkocht, een Nederlandse keten. Met het pand erbij, een gouden zaak want dat hij had het zelf gekocht in de tijd toen de Kammenstraat nog betaalbaar was. Dat is vandaag haast ondenkbaar. Het is hier natuurlijk de Meir niet waar winkels aan 800 euro de vierkante meter worden verhuurd, maar veel scheelt het niet meer”.

KAMMENSTRAAT_JefBoes-10-426x640

Chinezen

Vinnie Stones van Sinsin Tattoo, een wandelend uithangbord voor zijn eigen zaak, heeft vier jaar geleden een smalle winkel gehuurd. “Nadat ik zeven jaar in Spanje had gesleten”, zegt hij. “Bij mijn terugkeer herkende in de Kammenstraat niet meer. Waar waren al de punks en de ruige winkels gebleven? Met de komst van grote merken heeft de straat veel aan karakter ingeboet. Pas op, ik beklaag me mijn keuze niet. De zaken draaien fantastisch, maar dat heeft weinig met de locatie maar des te meer met de populariteit van onze business te maken. Tattoo is fashion geworden, de helft van Antwerpen heeft er een. Goed voor onze omzet, maar ik vond het vroeger spannender. Alles wat verboden is, is leuker, toch?”. We mogen hem niet te lang ophouden, een prille twintiger staat te wachten voor een grote beurt. Zijn armen, torso en hals zijn al in flamboyante tableaus herschapen, vandaag is het moment gekomen om zijn aangezicht te tatoeëren. “Da’s tenminste een klant die het meent“, zegt Vinnie goedkeurend. “Zo’n stap  zet je niet omdat de fashion het voorschrijft. Dat is geen lifestyle, maar een way of live”.

Geen kwaad woord anders over fashion, zeker niet uit de mond van Nico Volckeryck. Voorzitter van winkeliersvereniging Kammenstraat United, voorzitter eveneens van Unizo Antwerpen. Als iemand het belang van mode voor de city marketing van de Antwerpse binnenstad beseft, dan is het wel deze geboren Sinjoor. “Het fashion district is natuurlijk veel ruimer dan de Kammenstraat”, betoogt hij bij een koffie in het bekende eetcafé Berlin. “De Nationalestraat, de Kloosterstraat, de Volkstraat, die hebben allemaal een eigen karakter, precies wat nodig is om buitenlandse shoppers aan te trekken. De imagocampagne rond Antwerp Fashion begint te werken, met de solden staan de Japanners en de Chinezen hier rijen dik aan te schuiven”. De komst van grote merken? Nico ziet het met gemengde gevoelens aan. “Fransen en Nederlanders komen heus niet naar hier om ketens te bezoeken die ze dichter bij huis ook vinden. Maar ik ben optimistisch, de invasie is al over haar hoogtepunt heen. Heel wat ketens hebben zich mispakt. De Kammenstraat is de Meir niet, waar altijd passage is. Het blijft een wat verloren straatje, je moet gemotiveerd zijn om hier te komen shoppen. Guess, Scapa, Esprit, die hebben het geprobeerd en zijn allemaal weer verdwenen. Niet dat merken hier niet kunnen aarden. Vans bijvoorbeeld doet het hier erg goed, maar dat merk schoenen sluit dan ook naadloos aan bij de skating scene die hier altijd kind aan huis is geweest. Ketens of zelfstandigen, je moet een verhaal hebben om in de Kammenstraat te floreren”.

Sex Pistols

Zelf heeft Nico Volckeryck het langste verhaal van allemaal. Zijn mode- en accessoirewinkel op het nummer 80 is een begrip bij punks, goths en adepten van scifi trash, Amerikaanse superhelden en Japanse mangas. Je kunt er de badjas van Darth Vader kopen, het werkplunje van captain Kirk, schaalmodellen van Superman of een handtas van Frankenstein. De kleur van façade en interieur is vanzelfsprekend zwart, wat niet belet dat FANS bij de oude garde nog altijd als het roze winkeltje bekend staat. “We hebben de gevel eerst roze geschilderd”, zegt Nico. “Het moet een kleine dertig jaar geleden zijn toen mijn vriend en ik op dat pand zijn gevallen. Onze ouders waren er op tegen. Toch niks kopen in de Kammenstraat!  En dat we beter een winkel konden openen in de Offerandestraat of op het Sint-Jansplein, want dat was de buurt die toen in de lift zat. Toegegeven, het was een trieste bedoening toen we hier arriveerden. Dichtergetimmerde etalages, duivenkrengen, de hele straat ademde verval. We zaten op een eilandje, alleen punks wisten ons wonen. FANS, dat was de plek waar je t-shirts en pins van de Sex Pistols en The Kids kon vinden. Het klikte niet echt tussen ons stampubliek en de overburen van  Oudaan. Hanenkammen, hakenkruisen, opgestoken middenvingers, niet alle politieagenten konden de provocaties relativeren.  Ik blijf dat hele politiecommissariaat een gedrocht vinden, maar het kon nog erger. Onder burgermeester Cools werden er plannen gemaakt om de Kammenstraat met de grond gelijk te maken en nog drie van die torens te bouwen. We hebben dat op het nippertje kunnen tegenhouden, met de steun van de kerkfabriek die hier veel eigendommen heeft”.

Een van die eigendommen heet nu Amuz, een muziekcentrum dat polyfonie en renaissanceconcerten organiseert in de prachtig gerestaureerde Sint-Augustinuskerk. Temidden van de winkels ligt hier ook het hoofdkwartier van de Sint-Egidiusgemeenschap,  een christelijke lekenbeweging die zich onder meer toelegt op armoebestrijding in de grootstad. “We werken samen met Sint-Egidius”, zegt Nico Volceryck als we er voorbij lopen. “De handelaars van de straat schenken prijzen voor de tombola die ze tijdens hun kerstdiner voor thuislozen organiseren. Armoede is in deze buurt trouwens geen onbekend fenomeen. Sint-Andries, waar wij deel van uitmaken, werd vroeger de ‘parochie van miserie’ genoemd. Het hek aan de kade van ’t Scheld is er gekomen om te beletten dat de arme sloebers van Sint-Andries opgeslagen goederen zouden plunderen”.

KAMMENSTRAAT_JefBoes-32-960x640

Parochie van miserie

Het is geen polyfonie maar muziek van een heel ander genre dat de Kammenstraat op de kaart heeft gezet. Laundry Day, intussen uitgegroeid tot een van de grootste dance festivals in Europa, is hier ontstaan. “Heel spontaan”, zegt Nico die mee aan de wieg stond. “De naam verwijst naar de traditionele wasdag, wanneer de mensen van Sint-Andries voor hun deur hun kleren in een teil stonden te schrobben en er ondertussen een gezellig boeltje van maakten. Er waren een stuk vier of handelaars bij betrokken. We hadden tweedehandskleren voor onze ramen gehangen, en een triomfboog met lege Omodozen gebouwd. Die eerste keer waren er vier deejays en een paar honderd bezoekers. De ambiance ging als een lopend vuurtje door de stad, en sindsdien is de toeloop met iedere editie groter geworden. Op de duur werd het te massaal, en heeft de politie beslist het evenement naar de kaden te verhuizen. Maar intussen had Laundry Day de reputatie van de Kammenstraat gevestigd”.

Fuck the police? Nico’s contestatiejaren zijn al lang voorbij. Hij hangt constant aan de lijn met zijn contactpersoon bij het District om wantoestanden te rapporteren. Voor het nummer 42 wordt de stoep door een afbraakcontainer versperd. Hoe is dat toch mogelijk, foetert onze gids terwijl hij naar zijn gsm grijpt. Bouwvakkers gooien intussen de hele inboedel van ’t Allumeurkesgasthuis op de container. Hopelijk blijft de opvallende lichtreclame aan de gevel hangen: twee bonenstaken reppen zich met een zieltogende aansteker op de brancard naar het Allumeurkesgasthuis. De voorbije vijf jaar was er een schoenwinkel gevestigd, maar vroeger was dit inderdaad de plek waar Antwerpenaars hun haperende Zippo’s en Cartiers lieten herstellen. Weer een winkel minder dus, en er was al behoorlijk wat leegstand in de Kammenstraat. Aan de overkant biedt de Guess-etalage een desolate aanblik. In de straat wordt nog altijd nagekaart over de inval van de deurwaarder. Het was kort na de middag, klanten werden dringend verzocht het pand te verlaten. Veel zullen het er niet geweest zijn, wordt er besmuikt aan toegevoegd, want de Guess draaide voor geen meter. Weer een keten die zich heeft vertild aan het ondanks alles weerbarstige karakter van deze straat? Jawel, maar de golf van faillissementen en stopzettingen heeft evenzeer te maken met de hausse in vastgoedprijzen waarin diezelfde ketens een instrumentele rol hebben gespeeld.

Marc Van Looveren, zaakvoerder van schoenenwinkel Zappa, weet er alles van. “Ik ben hier in 2000 aangekomen”, vertelt hij. “Ik had al een modezaak in Antwerpen, maar ik wilde met mijn vrouw een nieuwe winkel beginnen. Het was ons opgevallen hoe saai het aanbod van schoenen was. Winkels bij de vleet, maar overal dezelfde bruine of zwarte modellen. Ping, ging het, we hebben het winnende idee! We doen met schoenen wat we eerder met mode hebben gedaan, we brengen er kleur en schwung in. Zodra die knop om was, stond eigenlijk ook de locatie vast. Als het ergens kon lukken, dan was het in de Kammenstraat”. Bijna was het afgelopen met Zappa. Twee jaar geleden was Marc aan een nieuw huurcontract toe. Een stijging was ingecalculeerd, het eerste contract was te mooi om waar te zijn. Maar dat de huur ineens maal zes zou gaan? Marc trok naar de vrederechter, er werd een expert aangesteld die op basis van het buurtgemiddelde een billijke handelshuur schatte . “Tot onze verbijstering kwam hij op een nog hoger bedrag uit. We hebben die zaak verloren, maar toch nog een vergelijk gevonden. Maal zes betekende voor ons boeken toe, maar voor de eigenaar betekende het ook het afscheid van een betrouwbare en correcte huurder. We betalen fors meer dan vroeger, maar wel binnen de perken van het redelijke. Ons verhaal is niet uniek, tussen 2005 en 2008 zijn de prijzen ontploft. Panden van 400.000 euro werden verkocht voor 1,5 miljoen euro. Het vuur aan de lont werd naast onze deur aangestoken. Er was een verlopen fitnesszaak, waar vooral mannen met bierbuiken en te krappe marcellekes kwamen. Die fitness is gestopt en verkocht, het eerste grote pand waar een keten is neergestreken. Esprit, ze betaalden 15.000 euro huur in de maand. Toen is de spiraal gaan draaien, ineen wilden alle grote merken in de Kammenstraat zitten. Ironisch genoeg is Esprit daar zelf het slachtoffer van geworden. Drie jaar geleden werd hun huur opgeslagen: 25.000 euro, dat vonden ze zelfs bij Esprit te gortig. Nu is hiernaast een grote skatewinkel gevestigd”.

Piramidespel

Juwelenontwerpster Anne Zellien weet het nog precies: 15.000 Belgische frank in de maand betaalde ze in 1996 voor het smalle pand op 47/1. “Weinig, maar er was dan ook geen sanitair of verwarming. We hebben alles zelf ingericht, beneden de winkel en boven het atelier. Ik heb drie keer geprobeerd het pand te kopen, maar de bejaarde eigenares hapte niet toe. Tien jaar na mijn eerste poging heb ik alsnog van de erfgenamen kunnen kopen, maar wel voor vier keer meer geld. Hun schatter heeft me niet alleen de reputatie van de straat doen betalen, maar ook de verbouwingswerken die ik nota bene zelf als huurder had gefinancierd”. Anne Zellien is een van de absolute anciens, ze zit hier al langer dan Fish & Chips. “Mensen denken nu dat ik bewust voor de Kammenstraat heb gekozen, maar destijds was hier alleen leegstand en verval.  Mode? Ja, toen ik nog een kind was stond de Kammenstraat bekend voor zijn kleermakers. Hier kwamen de Antwerpenaars schooluniformen kopen en mannenkostuums op maat. Van fashion hadden ze toen nog niet gehoord”.

Yves Heylen van vastgoedkantoor Walls spreekt sussende taal. De leegstand in de Kammenstraat is een tijdelijk fenomeen, voorspelt deze specialist die een opmerkelijke carrièrewending heeft gemaakt. Tot zes jaar geleden baatte hij een kapsalon uit… in de Kammenstraat. “Commercieel vastgoed in de Kammenstraat is oververhit”, stelt hij vast. “Investeerders hebben een soort piramidespel gespeeld. Eerst hebben ze de zelfstandige eigenaars voor een flinke som uitgekocht, daarna de panden voor grof geld verhuurd, liefst aan internationale retailers die buitenlandse prijzen gewoon zijn. Kandidaten zat, want de Kammenstraat was hot, iedereen wilde er aanwezig zijn. Panden werden gekocht en onmiddellijk weer doorverkocht, telkens voor meer geld. De huurprijzen bleven stijgen, tot het huidige peil. Echt kleine winkels blijven betaalbaar, maar voor een beetje pand schommelt de handelshuur naargelang de oppervlakte tussen de 6.000 en de 20.000 euro. Intussen is de markt aan het afkoelen, zoals op alle triple A-locaties. De economische crisis heeft internationale merken voorzichtiger gemaakt. Ze constateren dat Antwerpen toch niet Amsterdam is, en dat het sop de kool niet waard is. Dan kan het vlug gaan bij grote modespelers. Parijs of Londen beslist om te sluiten, en tsjakka! Ze betalen de eigenaar zijn verbrekingsvergoeding en een dag later gaan de rolluiken dicht. Voorlopig vertaalt die afkoeling zich nog niet in lagere huurprijzen, maar dat komt door de aard van het piramidespel, waarin de laatste die erin stapt de pineut is. Ze hebben hun pand aan de hoogste prijs gekocht en proberen hun inleg te verzilveren. Liever een paar maanden leegstand trotseren, dan zich langdurig te binden met een lager huurcontract.  Die strategie is niet eindeloos rekbaar, binnen een jaar of twee zie ik de prijzen in Kammenstraat op een normaal niveau stabiliseren”.  En de toekomst? “Handelstraten kennen cycli van 20 tot 30 jaar”, zegt Heylen.  “Denk maar aan de opgang en neergang van de Offerandestraat. De Kammenstraat zit nog goed, maar het is niet meer dé alternatieve straat van weleer. Hippe jongeren met geld kunnen er nog altijd terecht. Hippe jongeren zonder geld kennen betere plekken, zoals de Lange Koepoortstraat waar de voorbije jaren 2dehandswinkels, platenzaken en urban bike shops zijn neergestreken. Precies de winkels die vroeger blindelings voor de Kammenstraat hadden gekozen”.