Maandelijks archief: januari 2014

WOI: Wallonië onder vuile laarzen van les boches

(Knack, 8 januari 2014)

Ook Wallonië maakt zich op voor het eeuwfeest van de Grote Oorlog. Met bescheiden middelen, zonder prestigieus museum à la In Flanders Fields, maar met een sterk verhaal . De eerste veldslagen en bloedbaden van 14-18 liggen tussen Maas en Samber. Knack ging op verkenning langs enkele beladen plekken waar het woord Boche nog altijd klinkt als een vloek.

foto’s Franky Verdickt – www.frankyverdickt.be

 

bomkrater Fort Loncin, gevolg van voltreffer Dikke Bertha

bomkrater Fort Loncin, gevolg van voltreffer Dikke Bertha

De Grote Oorlog, er is in 2014 geen ontkomen aan.  Een half jaar voor de start van het eeuwfeest draait de herinneringsindustrie al op volle toeren. Zoals in de oorlog zelf worden de meeste inspanningen aan de Ijzer geleverd. Men zou haast denken dat het conflict, na het vermaledijde schot van Gavrilo Princip in Sarajevo, in de Westhoek is losgebarsten. Niets is minder waar, beseffen ze bezuiden de taalgrens maar al te goed. Toen het front half oktober in de verdronken Ijzervlakte vastliep, waren de Duitsers al met vuile laarzen door de rest van het land getrokken. Wallonië genoot de twijfelachtige eer de eerste veldslagen en bloedbaden te incasseren. Een prestigieus museum zoals In Flanders Fields is er niet, en vergeleken met Vlaanderen is de centenaire in Wallonië een veeleer bescheiden aangelegenheid. Logisch verschil, vindt historica Laurence van Ypersele, UCL-professor en voorzitter van de werkgroep ‘Commémorer 14-18 en Belgique Francophone’. “De Eerste Wereldoorlog is bepalend geweest voor de Vlaamse identiteit. In Wallonië is de herinnering helemaal verdrongen door de Tweede Wereldoorlog die veel belangrijker was voor het Waalse identiteitsbesef. Niet dat 14-18 helemaal vergeten is, in steden en dorpen met veel slachtoffers wordt de herinnering levend gehouden”.

Loncin – Ans

Zoals in Loncin bij Ans. Honderd jaar geleden werd hier de slag om Luik beslecht, met een voltreffer in de kruidkamer van het fort. Loncin, strategisch gelegen aan de spoorweg én steenweg naar Brussel, was een van de twaalf bolwerken die tussen 1888 en 1892 werden gebouwd in de ijdele hoop de Maasstad onneembaar te maken. ‘Aux héros de Loncin, morts pour la patrie’, staat het gebeiteld op een monument dat in de jaren twintig menige steenkapper en bronsgieter emplooi heeft verschaft. Een vrouw met ontblote borst en gespreide armen waakt over een gevelde reus, even naakt als geslachtsloos. Bovenop de metershoge kolom staan twee met speren en zwaarden bewapende krijgers uit de antieke oudheid, een bizarre keuze voor een aandenken aan de allereerste moderne oorlog, gekenmerkt door de inzet van wapens met industriële vernietigingskracht. “Een Romeinse centurion en een Griekse hopliet”, preciseert conservator Sylvain Vanderwael. “Ze symboliseren de moed van de Belgische soldaten. Ze staan zo opgesteld, dat ze naar het massief van het fort kijken, het centrale gedeelte waar de kruidkamer is ontploft. Het is daar een echte necropolis, onder de brokstukken liggen nog meer dan 250 soldaten. Zelfs na de oorlog bleek het onmogelijk de lijken te bergen. Vanwege de niet ontplofte munitie, maar ook door de ravage. In de kruidkamer lag 12 ton zwart poeder. De explosie was zo hevig dat gewelven van vier meter dik en betonnen muren van tweeënhalve meter als een overrijpe vrucht uit elkaar zijn gespat”.

Sylvain Vanderwael is een gepensioneerde Electrabel-medewerker die zich al een half leven om het museum van Loncin bekommert. Vierduizend bezoekers per jaar lokt het half verwoeste fort, geen echte kaskraker. “We hopen op meer tijdens de centenaire”, zegt hij. “Heel wat Luikenaars zijn nog nooit in het fort geweest. Op vakantie In het buitenland bezoeken ze alle bezienswaardigheden, maar voor een historische site naast hun deur, halen ze de schouders op”.  Reeds in 1920 werd een vzw opgericht om het fort als oorlogsmonument te beschermen. Stukje bij beetje werd het niet ingestorte deel toegankelijk gemaakt. Intussen staan er audiogidsen ter beschikking, en in een van de kamers van het massief wordt om het kwartier de impact van een 420 millimeter obus geëvoceerd. Sylvain moet er zelf om lachen. Het gedonder is maar een flauw afkooksel van de hel die de soldaten een week lang moesten verduren. “De Duitsers hebben Loncin eerst met gewone munitie beschoten, zonder veel effect. Daarom hebben ze in allerijl twee Dikke Bertha’s laten aanrukken, het geheime wapen van Krupp dat hier voor het eerst werd ingezet. La Grosse Bertha, c’était terrible. Obussen van 420 mm af, 840 kilo per stuk. Bij iedere inslag daverde het hele fort op zijn grondvesten en werden de soldaten onder het betonstof bedolven. Op de duur zijn de stroom en de ventilatie uitgevallen, zelfs de olielampen gingen door de luchtverplaatsing uit. Beeld je de paniek in, horen en zien verging, het was aardedonker. Twee artilleristen zijn bij hun stuk gestikt omdat ze het bevel hadden gekregen onder geen beding hun post te verlaten. Voor de rest waren er nog geen doden gevallen, tot de 25ste obus recht in de kruidkamer viel. Toevallig had het commando net verzamelen geblazen in de centrale ruimte ernaast. De soldaten hadden geen schijn van een kans. Ze werden levend verbrand of verpletterd onder de brokstukken, als hun longen al niet waren ontploft”.

crypte Fort Loncin

crypte Fort Loncin

In 2007 werd alsnog besloten de niet ontplofte munitie op te ruimen. Tussen 4.500 obussen ontdekten de specialisten van DOVO de resten van 25 soldaten. Vier konden worden geïdentificeerd en werden herbegraven in de crypte, waar sinds 1921 de 43 gesneuvelden rusten die na de ontploffing werden geborgen. Een Vlaming, een Brusselaar en twee Walen, Sylvain laat niet na de communautaire symboliek te benadrukken. Voor de rest stemt de herinnering aan de plechtigheid hem bitter. “We hadden koning Albert II uitgenodigd, het was tenslotte de eerste herbegraving van Belgische soldaten uit de Eerste Wereldoorlog sinds 1952. Dacht u dat hij is gekomen? Hij heeft zijn vleugeladjudant gestuurd. Maar als ze aan de Ijzer een paar Australiërs bovenspitten, rept hij zich naar Ieper om in hoogsteigen persoon eer te betonen. Dat verschil steekt, tenslotte zijn al deze jongens destijds voor koning en vaderland gesneuveld”.

Latour – Virton

La Gaume, het zuidelijkste puntje van België. Grensgevallen, zo omschrijft Jean Dauphin zichzelf en zijn dorpsgenoten. “Officieel zijn we Belgen, maar we voelen ons evengoed Fransen, want Lotharingen ligt letterlijk in onze achtertuin. Werken doen de meesten hier dan weer in het Groothertogdom, een kwartiertje rijden van hier”.  De nabijheid van al die grenzen was in augustus 1914 geen cadeau. Zonder dat de inwoners om hun mening werd gevraagd, werd de Gaume het toneel voor een bloedige episode in la Bataille des Frontières. Jean Dauphin kan het vertellen alsof hij erbij was. Hoe het Duitse 5de leger door het Groothertogdom trok om via Belgisch Luxemburg de Fransen aan te vallen. En hoe het Franse vijfde leger vanuit het Westen oprukte om de Duitse opmars te stuiten. “Op 22 augustus zijn ze hier op elkaar gebotst”, vertelt hij. “Het was een slachtpartij zonder voorgaande, vooral aan Franse zijde waren de verliezen enorm. 22 augustus 1914 is sowieso de zwartste pagina uit de hele Franse krijgsgeschiedenis, ze hebben toen in één dag over het gehele front 100.000 soldaten verloren. Het vijfde leger bestond uit onervaren rekruten, vooral boerenjongens uit Bretagne en Normandië. Nog vooraleer de gevechten uitbraken, waren ze uitgeput van het dagenlang marsheren in de zomerse hitte. Ze hadden maar één uniform, een geval van 30 kilo met vuurrode broek en kepie, ideaal als schietschijf voor de vijand.  Dan waren de Duitsers veel beter uitgerust, die hadden een licht, muisgrijs uniform en een stalen helm”.

 

Jean Dauphin, de negentigjarige,dynamische  conservator  oorlogsmuseum Latour.

Jean Dauphin, de negentigjarige,dynamische conservator oorlogsmuseum Latour.

Details over deze veldslag vallen na te gaan in het Musée de la Guerre en Gaume, het levenswerk van de negentigjarige Dauphin. Een halve eeuw geleden is hij ermee begonnen, in een klas van de dorpschool waar hij als onderwijzer werkte. “Tijdens de geschiedenisles ging het altijd over 14-18”, zegt hij. “Op vraag van de leerlingen. Hun fascinatie had weinig met de eigenlijke krijgsverrichtingen te maken. Ze wilden vooral weten wat er na de slag met hun grootvaders is gebeurd”. Dit is wat er met hun grootvaders is gebeurd: na de Franse terugtocht werden alle mannen van Latour, dat tijdens de gevechten gespaard was gebleven, door de Duitsers opgevorderd. Ze zouden de lijken gaan begraven die met honderden tegelijk in de velden lagen te rotten. “Een smoesje”, zegt Jean, “de mannen werden naar een veld buiten het dorp geëscorteerd. Daar werden ze onmiddellijk in groepjes verdeeld en gefusilleerd of met bajonetten afgemaakt. Van de 73 zijn er twee aan het bloedbad ontsnapt, de voermannen die bij de paardenkarren waren gebleven waarmee ze de lijken wilden ophalen. Hun Duitse bewaker vond dat het welletjes was geweest en heeft hen weggejaagd. Latour telde maar 300 inwoners, geen enkel Belgisch dorp werd verhoudingsgewijze zwaarder getroffen.  Na de oorlog woonden er uitsluitend weduwen en kinderen. Omdat de vrouwen er op de boerderij alleen voor stonden, waren ze verplicht typische mannentaken zoals ploegen met paarden aan te leren”.

Het bloedbad van Latour was geen uitschuiver van een stel dolgedraaide militairen, het paste in een patroon van represailles dat de Duitse invasie vanaf dag één kenmerkte. “In alle dorpen in de Gaume werden burgers vermoord”, zegt Jean. “Het ergst was Ethe, dat is het Oradour van Belgie. Anders dan in Latour werd daar zwaar gevochten, de meeste inwoners waren in de kelders gaan schuilen. Na de Franse terugtocht begonnen de Duitsers aan een drie dagen durende strafexpeditie. Ze staken de huizen in brand, met bewoners en al. Mannen, vrouwen, kinderen, iedereen die ze op straat te pakken kregen, ging eraan. De burgemeester werd drie keer geëxecuteerd, maar telkens kon hij zich op tijd laten vallen. Hij heeft het overleefd, in tegenstelling tot 218 burgers onder wie 50 vrouwen en 100 kinderen. Het woord bestond toen nog niet, maar het staat vast dat de Duitsers hier zware oorlogsmisdaden hebben begaan. In Gomery hebben ze een Rode Kruis-post van de Fransen uitgemoord, met driehonderd gewonde soldaten, dokters en brancardiers”.

Jean trekt zijn jas aan. Zes jaar geleden werd hem door de Franse ambassadeur de Légion d’Honneur opgespeld, voor bewezen diensten. Het had toen al een eindpunt kunnen zijn, maar de negentigjarige zit nog boordevol plannen. We lopen naar het memoriaal, honderd meter van zijn deur. Het museum, intussen ondergebracht in het vroegere gemeentehuis van Latour, kunnen we helaas niet bezoeken. “Werken aan de gang”, zegt de conservator. “In april moet alles klaar zijn voor het eeuwfeest. We hebben eindelijk wat middelen gekregen om het gebouw en de collectie te moderniseren. De Gaume wordt al te vaak vergeten. Het ministerie van landsverdediging heeft onlangs een kaart met de slagvelden van 14-18 verspreid. En lap, we staan er weer niet op”. Het museum teert op een team van twintig vrijwilligers, de helft afstammelingen van gefusilleerden. Ondanks zijn gezegende leeftijd neemt Jean de meeste rondleidingen voor zijn rekening. Ook die keer toen drie Duitse toeristen langs kwamen, gedreven door nostalgie. “Ze hadden hier tijdens de Tweede Wereldoorlog gelegen”, vertelt hij. “Een sprak goed Frans, hij legde uit hoe verrast ze waren in mei 1940. De hele streek was leeg, tot de laatste man was gevlucht. Ik heb hen verteld van 1914, ze wisten er niets van. Na hun bezoek snapten ze waarom de mensen in mei 40 als de dood waren pour les Boches. In de Tweede Wereldoorlog hebben de Duitsers zich hier voorbeeldig gedragen. Toch zul je in deze streek nooit een Duitse vlag zien wapperen. Het steekt dat Duitsland nooit officieel excuses heeft aangeboden, terwijl de namen van de betrokken regimenten en officieren bekend zijn”. Het memoriaal werd in 1920 opgetrokken, door een comité van oorlogsweduwen. Groot is het niet, maar de namenlijst maakt indruk. De Lamberts staan er zes keer op, vader en al zijn zonen. Dat is één vermelding meer dan de Lavals die nochtans evenveel jongens telden. “Eentje was afwezig”, weet Jean. “Die lag in Loncin, hij is omgekomen bij de ontploffing”.

Tamines -Sambreville

Léonard Bonnet is aan de censuur ontsnapt. Zijn gedenksteen, een van de vele in de muur van de Eglise Saint-Martin, laat aan duidelijkheid niets te wensen over. ‘Enlevé par les barbares allemands, et martyre de leurs atrocités’.  “De nabestaanden moeten de steen in 1940 hebben uitgebroken en verborgen”, zegt Simon Alexandre. “Anders valt het niet te verklaren, want de Duitsers zijn er met de luizenkam doorgegaan. Alle verwijzingen naar de wreedheden van 1914 werden uitgewist”. Op een klunzige manier, zo kunnen we vaststellen. Bezwarende woorden werden uit het arduin gebeiteld, de verticale stroken springen des te meer in het oog. Anders dan Latour of Ethe ontbreekt de naam van Tamines op geen enkele herdenkingskaart. De fusiegemeente van Sambreville is één van de zeven erkende martelarensteden, naast Leuven, Aarschot, Dendermonde, Visé, Andenne en Dinant. Niet toevallig liggen drie villes martyres in de provincie Namen. Na de val van Luik trok het tweede Duitse leger richting Namen- Charleroi. Aan de oevers van de Samber en de Maas botste het op vooruitgeschoven stellingen van het Franse leger, met hevige gevechten en zware verliezen als gevolg.  De burgerbevolking heeft het gelag betaald. Andenne op 21, Tamines op 22 en Dinant op 23 augustus, het werd een driedaagse van bloed en furie. Dinant spant met 687 vermoorde burgers de kroon, maar ook het mijnstadje Tamines werd met 384 slachtoffers erg zwaar getroffen.

een van de 384 slachtoffers in Tamines, het op een na grootste bloedbad onder burgers tijdens de Duitse opmars

een van de 384 slachtoffers in Tamines, het op een na grootste bloedbad onder burgers tijdens de Duitse opmars

Simon Alexandre is directeur van een investeringsfonds voor hightech start-ups. Vooraleer hij zich tot computerwetenschapper omschoolde, studeerde hij aan de UCL geschiedenis. Hij heeft zijn proefschrift over het bloedbad van Tamines op algemeen verzoek afgestoft, de aanvragen voor lezingen vallen niet bij te houden. “Op 11 november was ik in Tamines zelf”, zegt hij. “Het leeft hier. Het bloedbad van 22 augustus, dat is hun Hiroshima”. De herdachte feiten zijn dan ook gruwelijk. Het begon al tijdens de gevechten, toen burgers als levend schild werden gebruikt bij pogingen om de brug over de Samber in te nemen. Terwijl de halve stad in brand stond, werden voor café Hennion op de Place Saint-Martin negen willekeurig gearresteerde mannen geëxecuteerd. Het bleek slechts de opmaat voor wat zich zaterdagavond op het marktplein afspeelde. Zeshonderd mannen, eerder die dag gegijzeld en opgesloten in de kerk van de parochie Sainte-Marie, stonden op elkaar gepropt op de brede berm tussen het plein en de Samber. De angst was tastbaar, tijdens de escorte had het al geweerkolven, doodschoppen, spuug  en verwensingen geregend. “Toch had niemand het vervolg verwacht”, zegt Alexandre die alle bronnen van overlevenden en getuigen heeft uitgevlooid. “Het marktplein krioelde van de soldaten. Er werd een executiepeloton gevormd: liggend, knielend, staand, zodat op verschillende hoogtes kon worden gevuurd. Een van de officieren declameerde met luide stem de beschuldiging: dat ze franc-tireurs waren, burgers die op Duitse soldaten hadden geschoten. Meteen daarop hebben ze een eerste salvo op de massa afgevuurd”.

Het was pure horror. Stervenden, zwaar gewonden en overlevenden buitelden over elkaar. De zwakken werden vertrapt, anderen sprongen in paniek in de Samber. Velen verdronken of werden alsnog doodgeschoten, voor anderen betekende het de redding.  Na het eerste salvo volgde een tweede, veel dodelijker.  Daarna zwegen de geweren, maar nog was de slachtpartij niet voorbij. Alexandre: “Uit de kerk Saint-Martin, door de Duitsers ingericht als Rode Kruispost, kwamen soldaten om de gewonden en overlevenden met het blote wapen af te maken. Bajonetten, bijlen, ijzeren staven, geweerkolven, het was je reinste beenhouwerij. Verschillende soldaten droegen een Rode Kruis-armband, dat is een detail dat vele getuigen is bijgebleven”.

kerkhof van Tamines, waar de Duitsers in 1940 alle sporen naar Duitse gruweldaden in 1914 probeerden uit te wissen

kerkhof van Tamines, waar de Duitsers in 1940 alle sporen van Duitse gruweldaden in 1914 probeerden uit te wissen

Tijdens de eerste maand van de Duitse invasie werden naar schatting 5.500 burgers omgebracht, meestal tijdens massa-executies. Haast altijd weerklonk de beschuldiging van franc-tireurs, vrijschutters. Zo probeerde Duitsland ook de aanzwellende internationale kritiek te pareren: de executies waren gerechtvaardigde represailles voor het lafhartig beschieten door burgers van Duitse troepen. Alexandre: “Het klopt dat de schrik voor vrijschutters er diep inzat, een erfenis van de Frans-Pruisische oorlog van 1870 toen er effectief Franse vrijschutters aan het werk waren. Maar dat schrikbeeld werd door de Duitse legerleiding bewust opgeklopt om de soldaten in de juiste gemoedsgesteldheid te brengen, ten slotte ging het ook maar om jongens die een maand eerder gewone boeren of arbeiders waren geweest. Ze moesten worden klaargestoomd om terreur te zaaien, want dat hoorde bij het invasieplan. De represailles waren immers een manier om de Belgische bevolking murw te slaan zodat ze zeker geen verzet zou bieden. De Duitsers dachten trouwens dat ze zonder veel moeite in een paar dagen door België konden marsheren. Dat viel dik tegen, alleen al rond Luik hebben ze meer dan een week en 5.000 man verloren. De frustratie van de Duitsers was navenant. Het bloedbad van Tamines was de wraak van een regiment dat de vorige dagen totaal onverwachts zware verliezen had geïncasseerd. Ook de mentaliteit van de Pruisische officieren speelde mee. Aan de militaire academies werd de haat er letterlijk in gelepeld, haat voor al wat Frans was, maar ook voor al wat katholiek was”.

We lopen naar het memoriaal bij de Samber. Opgeblazen in 1940, na de oorlog heropgebouwd. Het is een plomp geval, in een rommelig kader. “Het herdenkingstoerisme staat hier nog in zijn kinderschoenen”, zegt Alexandre. “We kunnen nog veel leren van Ieper, of van de musea in Verdun of aan de Somme”. Zelf heeft hij meegewerkt aan een nieuw parcours met meertalige infoborden, voorzien van een QR-code voor extra informatie op de smartphone.  De wandeling leidt ook langs de rue de la Station waar een brocanterie naar de bizarre naam ‘Aux Six Brulés & Aux Six Sauvés’ luistert. “Dat is de vroegere Bazar Mombeek”, legt Alexandre uit. “De eigenaar en zijn familie werden opgesloten in het brandende gebouw. De helft is omgekomen, de anderen werden door een Duitse soldaat  uit de brand gered.  Het is belangrijk dat laatste niet te vergeten, er waren ook momenten van menselijkheid en mededogen”.

Info herdenkingsprogramma Fédération Wallonie-Bruxelles:: www.commemorer14-18.be

 

Knack jaaroverzicht 2013

een greep uit mijn bijdragen voor het jaaroverzicht van Knack (24-12-2013). Onder het motto dat vele handen het werk verlichten, werden me de maanden maart en november in de schoot geworpen. Formule: dateline en korte schets van het gememoreerde nieuwsfeit, gevolgd door Q&A met een speler of kroongetuige. Hieronder: Advocaat Jaak Haentjes over Kim De Gelder, Mark Uytterhoeven over de dood van Rik De Saedeleer, kinderarts Joris Verlooy over de uitbreiding van de euthanasiewet, en de Vilvoordse burgemeester Hans Bonte over Belgische Syrië-strijders.

201304081703-1_haentjens-tekent-geen-beroep-aan

22 maart: na een marathonproces  veroordeelt het Gentse assisenhof Kim De Gelder wegens vier moorden en 25 moordpogingen tot levenslang

Jaak Haentjens (Lokerse advocaat van Kim De Gelder die een eenzame strijd voerde tegen de openbare aanklager en tegen 27 confraters die de 82 burgerlijke partijen vertegenwoordigden) “Het was pas mijn vierde assisenzaak, maar wel eentje die voor tien telt. Ik zal nooit vergeten hoe ik er in januari 2009 ben in gerold. De feiten in kinderdagverblijf Fabeltjesland werden op een vrijdag gepleegd. In het weekend kreeg ik telefoon van de grootvader  van De Gelder. Ziet u, ik kende de familie al oppervlakkig. Tijdens dat gesprek werd ik uitvoerig geïnformeerd over de psychische problemen van Kim. Wellicht verklaart dat waarom de stafhouder van de Dendermondse balie me de volgende maandagochtend geeft gecontacteerd. Hij vond niemand bereid om De Gelder te verdedigen, en of ik het wilde doen? Ik heb twee uur bedenktijd  gevraagd, enkele telefoontjes gepleegd, en dan ja gezegd. Niet alleen omdat ik de familie kende, maar ook omdat ik gefascineerd was door de waanzin van de hele zaak. Ik heb het mes gezien van De Gelder. Om daarmee in het lichaam van een zeven maanden oude baby te steken, moet je ver heen zijn”.

-          Wist u echt waar u aan begon?

Haentjens: “Eerlijk? Ik had nooit verwacht dat het tot een assisenproces zou komen. Het zal hier rap geklaard zijn, dacht ik, iedereen ziet zo dat die jongen ziek is en moet geïnterneerd worden. Het is anders uitgedraaid”.

-          Ziek? Ook de assisenjury zag het anders. U slaagde er niet in de jury ervan te overtuigen dat uw cliënt op het moment van de feiten niet toerekeningsvatbaar was. Teleurgesteld?

Haentjens:  “Ik blijf ervan overtuigd dat De Gelder ziek is. Het is overigens zo dat gerechtspsychiater Deberdt zelf een opvallende bocht in die richting heeft genomen. In zijn eerste verslag, opgemaakt kort na de feiten, noemde hij mijn cliënt een perfect toerekeningsvatbare narcist, cynicus en manipulator.  In het finale verslag van het openbaar ministerie echter, waaraan nog vier andere experts hebben meegewerkt, staat een heel andere diagnose. De Gelder heeft een schizotypische persoonlijkheidsstoornis, een formulering die zorgvuldig werd gekozen om hem vooral geen schizofreen te moeten noemen, want met die diagnose had men haast onvermijdelijk moeten concluderen dat De Gelder aan psychotische opstoten leed en moest worden geïnterneerd. Overigens, in de nieuwste DSM (Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders, gezaghebbend handboek van de American Psychiatric Association, nvdr) valt een schizotypische persoonlijkheidsstoornis niet meer in de categorie persoonlijkheidstoornissen, maar in de categorie psychotische stoornissen. Maar ja, er moest en zou een assisenproces van komen”.

-          Had het Parket van Dendermonde dan een andere keuze? De roep om vergelding van de nabestaanden en de publieke opinie klonk erg luid…

Haentjens: “Dat heeft zeker gespeeld. De wet is duidelijk, het parket van Dendermonde was bevoegd. Maar ik vraag me af of er wel voldoende afstand was om deze zaak objectief te behandelen.  Al een paar weken na Fabeltjesland heeft de procureur een bijeenkomst met alle nabestaanden belegd. Hij heeft toen gezworen dat hij De Gelder binnen het jaar voor assisen zou brengen, terwijl er nog niet eens een deskundig verslag was gemaakt. Tja, dan rijd je jezelf vast natuurlijk, onmogelijk om de burgerlijke partijen nadien nog te vertellen dat de dader in feite ziek is en moet geïnterneerd worden. Ook tijdens het proces was de druk groot, de wraaklust hing als een onzichtbare nevel in de zaal. Dat alleen de pijnlijkste dood goed genoeg was, riep iemand.  Pas op, ik heb het grootste respect voor het leed van de nabestaanden, de meesten hebben zich trouwens erg sereen gedragen.  En ja, ik snap dat de burgerlijke partijen aandringen op een schuldigverklaring met bijbehorende straf.  Je kind of geliefde op zo’n manier verliezen is erg, maar kennelijk is het leed nog erger als je moet vernemen dat de moordenaar niet uit boosheid heeft gehandeld, maar als gevolg van een ziektebeeld. Menselijk, maar justitie moet daarboven staan. Ziek is ziek, hoe verschrikkelijk ook de feiten die uit die ziekte voortvloeien. Overigens, in de praktijk zou een internering voor De Gelder weinig verschil hebben uitgemaakt. Hij zou nu evengoed in de gevangenis van Oudenaarde opgesloten zitten, want er zijn geen aangepaste instellingen voor geïnterneerden. Ja, binnenkort gaat in Gent het nieuwe forensisch psychiatrisch centrum open. Een goede zaak, maar zelfs daar zullen ze volgens mij niet staan springen om geïnterneerden met hoog gevaarrisico op te vangen. Ook als geïnterneerde zou De Gelder nooit meer vrijkomen. Daar waren onze vier experts formeel over:  nooit zouden ze hun handtekening plaatsen om zo iemand in de maatschappij te laten terugkeren. Ook zijn ouders zijn ervan overtuigd dat hun zoon nooit mag vrijkomen”.

-           Heeft dit proces uw visie op assisen veranderd?

Haentjens: “Ik vraag me meer dan ooit af waarin de meerwaarde van een volksjury schuilt. In dit proces  werden niet minder dan 180 getuigen gehoord. Hoe moeten die twaalf gezworenen daar een lijn in trekken? Dan weet je op voorhand dat de ratio het zal afleggen tegen de emotie, een gegeven waarop heel wat strafpleiters trouwens schaamteloos inspelen. De kwestie van geestelijke gezondheid stond cruciaal op het proces. Anderhalve dag werd er op het proces voor uitgetrokken, in die tijd moesten zowel de deskundigen van het openbaar ministerie als onze deskundigen hun conclusies toelichten. Sorry, maar dat is totaal onvoldoende. U zou het verslag moeten zien dat onze vier experts hebben gemaakt. Taaie kost vol wetenschappelijk jargon, ik daag iedereen uit om daar na een eerste lezing een zinnig woord over te vertellen. Ik geraakte er zelf niet door, ze zijn een hele dag op mijn kantoor geweest om alles nog eens uit de doeken te doen. Spreekt vanzelf dat het verslag van de openbaar ministerie niet minder doorwrocht was. Hoe kan men dan verwachten van een jury dat ze er hoogte van krijgt wanneer al die experts een na een op een drafje hun uitleg komen doen? Die mensen zijn daar niet voor opgeleid, ook al omdat het niveau van zo’n volksjury zelden hoge toppen scheert. Uitzonderingen niet te nagesproken, zijn het toch vooral huisvrouwen, steuntrekkers en gepensioneerden die worden uitgeloot, want de anderen komen met een briefje om zich te excuseren. Onlangs las ik een interview waarin de Antwerpse advocaat-generaal Patrick Boyen een lans breekt voor assisen. In de jury zitten allemaal mensen met gezond verstand, zei hij. Best mogelijk, maar sinds wanneer volstaat gezond verstand? Een beetje verkeersovertreding komt voor politierechtbank, waar gediplomeerd juristen met een zware magistratenopleiding achter de rug,  recht spreken. Maar als over het leven en dood gaat, vertrouwen we op het gezond verstand van een willekeurig gekozen volksjury. Ik ben er meer dan ooit van overtuigd: zware misdrijven moeten voor een college van beroepsrechters komen, maar wel met behoud van de grondigheid die eigen is aan de assisenprocedure. Tegenwoordig worden doodslagen en pogingen doodslagen voor de correctionele rechtbank gebracht. Een halve dag voor zo’n zwaar misdrijf, dat vind ik te weinig”.

-          Het proces was ook een ongezien mediacircus waarin heel wat bekende strafpleiters zich lieten opmerken. Zo was er veel te doen over het verwijt van Nina Van Eeckhaut aan uw cliënt ‘dat hij zelfs te laf was om zich op te hangen’.

Haentjens: “Dat vond ik er over, zelfs al plaats je het in de context van haar betoog.  Iemand aansporen tot het plegen van zelfmoord, in Frankrijk is dat zelfs strafbaar. Stel dat hij het echt had gedaan, wat zou Nina Van Eeckhaut dan hebben gezegd? Ook op dat vlak heeft De Gelder een voorgeschiedenis. Als student is hij in Belsele op de treinsporen gaan liggen. De poging is mislukt door het alert ingrijpen van de machinist die een noodstop kon uitvoeren. Hoe dan ook, dat was geen aanstellerij maar een daad ingegeven door levensmoeheid en depressie. Uiteraard heeft de massale mediabelangstelling de pleidooien gekruid. Ik had soms te doen met mijn confraters. Je zult daar maar als 25ste in de rij voor een burgerlijke partij staan pleiten, over dezelfde feiten als alle voorgangers. Ook voor de jury moet het een beproeving zijn geweest”.

-          Hoe stelt Kim de Gelder het momenteel?

Haentjens: “Naar ik verneem ligt hij de ganse dag op zijn bed naar het plafond te staren, of hij zit televisie te kijken. Hij neemt geen deel aan het gemeenschapsleven, onder meer uit veiligheidsoverwegingen”.

-          De waarom-vraag werd op het proces niet echt beantwoord. Bent u er achter gekomen?

Haentjens: “Nee, en die vraag zal ook nooit worden beantwoord. De Gelder had geen motief. Of ja, in de loop van het onderzoek heeft hij er een stuk of twaalf gegeven. Wrok tegen de maatschappij, dat is wat ze uiteindelijk in het vonnis hebben vermeld. Maar op andere momenten begon hij over de strengere wapenwet, het gebruik van een mes als moordwapen moest de absurditeit van die wet aantonen. Ik geloof dat hij er zelfs de splitsing van BHV heeft bij gesleurd. Kijk, De Gelder is volkomen ongrijpbaar. Ik heb tijdens de voorbereiding van het proces talloze keren met hem gesproken, vaak urenlang. Ieder keer kwam ik met gevoel buiten dat ik weer een andere De Gelder had ontmoet. Hij had geen motief, die jongen is ziek. Vandaar ook het totaal ontbreken van enig schuldbesef. Geloof het of niet, maar hij was ervan overtuigd dat hij na proces als een vrij man naar zijn ouders zou terugkeren. Vier jaar voorarrest, in zijn fantasiewereld was dat meer dan welletjes geweest”.

-          U was ook de advocaat van de ouders van De Gelder. Hoe hebben zij dit proces beleefd?

Haentjens:  “Het was erg zwaar. Na de eerste procesdag moesten ze de assisenzaal verlaten, omdat sommige nabestaanden hun aanwezigheid niet konden verkroppen. De polarisatie was groot, al wie tot het kamp De Gelder hoorde, was een vijand in de ogen van de burgerlijke partijen. Nochtans zijn de ouders even goed slachtoffers. Het getuigenis van vader De Gelder was een van de sterkste momenten van het proces. De wanhoop en machteloosheid van het gezin dat ondanks alle moeite iedere greep op hun dolende zoon was verloren. Je kon een speld horen vallen in de assisenzaal. De ravage voor die familie is enorm. Kim heeft een jongere broer die net als hijzelf verpleegkunde heeft gestudeerd, en die bovendien de pech heeft dat hij Tim heet. De dag van de raid op Fabeltjesland was hij gaan solliciteren. Met succes, maar de volgende maandag kreeg hij telefoon van het ziekenhuis. Met zo’n naam aan het bed van patiënten verschijnen, dat zou niet lukken. Tim heeft nog altijd de grootste moeite om werk te vinden, hij wordt door zijn naam achtervolgd”.

-          Een tegen allen, het is een ondankbare maar heroïsche rol voor een advocaat op een assisenproces. Zou u het opnieuw doen?

Haentjens: “Ik denk het wel, ook al weegt zo’n monsterzaak zwaar op de werking van een kantoor. Ik houd er een goed gevoel aan over, ik heb mijn rol als advocaat te volle gespeeld. Iedereen heeft recht op een behoorlijke verdediging, dat is een hoeksteen van ons rechtssysteem.  De reacties waren uiteenlopend. Toen bekend raakte dat ik De Gelder zou verdedigen, vond ik ’s avonds een briefje aan de voordeur van mijn privéwoning. ‘Wij zijn beschaamd in uw plaats!!!’, stond erop, ‘Een echte schande voor Lokeren. Gans de wereld zal zien dat er ook bloed aan uw handen zit!!!’.

“ Maar ik heb ook steunbetuigingen ontvangen. Briefjes en telefoontjes van collega’s, magistraten  en academici,  vaak met lof voor de serene manier waarop ik mijn rol heb vervuld. Na het proces ontving ik een brief van een van de burgerlijke partijen, een belangrijk slachtoffer. ‘Meester’, stond erin, ‘ik heb in de loop van het proces meer en meer waardering voor uw optreden gekregen’. Dat heeft me oprecht deugd gedaan”.

 

 

Rik De Saedeleer en Mark Uytterhoeven

Rik De Saedeleer en Mark Uytterhoeven

3 maart: de legendarische voetbalcommentator Rik De Saedeleer sterft op 89-jarige leeftijd.

Mark Uytterhoeven: (televisiemaker, ex-collega en stadsgenoot van De Saedeleer) “De eerste keer zag ik hem toen ik in Gent op kot zat en met enkele Mechelse medestudenten een film maakte, in feite niet meer dan een studentikoze grap. We gingen onaangekondigd met draaiende camera aanbellen bij bekende Mechelaars, bij Louis Neefs, Manu Verreth en Rik De Saedeleer die toen nog in de Kapelstraat woonde. Hij reageerde sportief, kon er goed mee lachen. De tweede keer, dat was toen ik al op de sportredactie werkte waar ik mijn tijd vooral in de montagekamer sleet met voetbalverslagen van Rik en tennisverslagen van Daniël Mortier. Op een keer kwam hij me daar opzoeken. ‘Ge doet dat goed’, zei hij, ‘g e hebt een echt Mechels kopke’.  Ik voelde me vereerd, maar vond het toch nodig een bekentenis te doen. Dat ik voor de KV supporterde , de aartsrivaal van Racing. ‘Da’s niks jong”, antwoordde hij, “niemand is perfect’. Zo was Rik, altijd in voor een grap en alles relativeren. Racing was zijn leven, maar toen ik hem bij de viering van 50 jaar televisie terugzag, heeft hij me oprecht gefeliciteerd met de redding  van KV. Rik was een epicurist, hij probeerde er altijd het beste van te maken, ook op moeilijke momenten zoals toen zijn zoon veel te jong aan een hersenbloeding stierf.  Ik ben hem eind december, toen hij al in een coma lag, gaan bezoeken, samen met Carl Huybrechts en Roger De Vlaeminck. Ik gaf hem een kus op zijn voorhoofd. Dit is de laatste keer dat ik hem in min of meer levende lijve zie, dacht ik toen ik zijn kamer verliet. Een paar weken later telefoon van Carl: ‘Wil je nu wat weten, Rik is ontwaakt!’. We zijn hem nog drie keer gaan opzoeken in Knokke, de laatste keer zijn we in zijn lievelingsrestaurant gaan eten. Ik zit al in de verlengingen, lachte hij. Typisch was zijn reactie toen ik vertelde dat Racing het tijdens zijn coma zo goed had gedaan, ze stonden namelijk derde in de stand. Nee, nee, antwoordde hij, ze staan tweede, met gelijk doelpuntensaldo. Hij was weer helemaal bij”.

-        Was hij een voorbeeld voor jongere sportcommentatoren?

Uytterhoeven:  “Dat was niet zijn ambitie. Eigenlijk zagen we de Rik niet zoveel. Hij deed twee matchen in het weekend, in de week was hij meestal weg voor een of andere Europacup.  Je kon er natuurlijk wat van opsteken,want hij kende de knepen van het vak. Rik stond erom bekend dat hij nooit een doelpunt miste, hij kon altijd precies vertellen wie de maker was. Op een keer heeft hij me zijn truc uit de doeken gedaan. Als je het niet hebt gezien, moet je tijd winnen. Jaja, zei Rik dan, het zat er aan te komen, het doelpunt hing in de lucht. En zo wist hij met wat holle frasen de zaak te rekken tot de slow motion op zijn monitor liep en hij de naam van de doelpuntenmaker kon meegeven”.

-          Waaraan dankte hij zijn onwaarschijnlijke populariteit?

Uytterhoeven: “Rik is niet altijd zo populair geweest hoor, de eerste twintig jaar van zijn carrière was hij een commentator tussen de anderen op de sportredactie. Dat is pas veranderd met het WK 82 in Spanje. Iedereen herinnert zich zijn uitroep toen Erwin Vandenbergh in de openingsmatch tegen Argentinië scoorde. Ik was op de redactie, onze mond viel open toen Rik zijn langgerekte ‘goal! goal! ’ op de wereld losliet. Nu gaat hij te ver, dachten we, dit gaat de kijker niet pikken. Maar het tegendeel was waar, die kreet heeft van Rik een fenomeen gemaakt. Zijn commentaar kwam ook live op de Nederlandse televisie, want de BRT en de NOS werkten samen tijdens WK’ s en EK’s. Ook daar sloeg Rik in als een bom, terwijl Nederlanders doorgaans bij een veel drogere commentaarstijl zweren. Stel je voor, na dat WK hebben ze in Nederland een langspeelplaat met fragmenten van Rik uitgebracht. Materiaal genoeg, want Rik heeft daar niet alleen met zijn goal-goal-kreet gescoord. Neem nu zijn commentaar over de keeper van El Salvador dat met 10-1 door de Hongaren werd ingeblikt. Amaai, zie Rik, die moet zich nogal thuis voelen zoals hij er hier op hem wordt geschoten. El Salvador, moet je weten, was toen een land in volle burgeroorlog.”

-          Heeft die stijl school gemaakt?

Uytterhoeven: “School maken zou ik niet zeggen, maar op de redactie had je wel twee stromingen. Er was de stijl Ivan Sonck, nuchter en objectief. Sonck was zijn tijd vooruit, hij benaderde sport als wetenschap. Tijdens een match zette hij per speler plusjes en minnetjes voor goede en slechte passes. Ooit hebben we Sonck wreed zitten plagen omdat hij bijna had gejuicht bij een doelpunt. Tegenover de stijl Sonck stond de aanpak van De Saedeleer. Hoe belangrijk hij voetbal ook vond, in de ogen van Rik bleef het een spel waarbij de commentator een nevenrol als entertainer speelde. Hij moest ervoor zorgen dat de kijkers zich amuseerden, ook en vooral wanneer het spelniveau belabberd was. Echte opvolgers zie ik niet, dat zou ook te veel naar na-aperij ruiken. Soms mis ik zijn stijl wel, de huidige lichting commentatoren overdrijft in haar poging om voetbal wetenschappelijk te analyseren, ze willen te veel tonen dat ze het moderne trainersjargon  in de vingers hebben. Assists, doelpogingen, looppatroon, alles wordt gekwantificeerd, tegenwoordig worden zelfs pre-assists geteld. Op zo’n moment overvalt me acute heimwee naar Rik De Saedeleer. Assists tellen? Hij heeft een goede laatste pas in de benen, zou Rik hebben gezegd ”.

-          Was hij ook een kenner?

Uytterhoeven: “Absoluut, en zijn mening werd gerespecteerd. Ik moest hem ooit assisteren bij een match van Racing Mechelen in de eindronde van tweede klasse. Bij de rust stond Racing 0-1 achter. ‘Mark’, zei hij, ‘ge ziet toch zo wat er scheelt’. Waarop hij de spelers noemde die volgens hem dringend moesten vervangen worden. Daarop daalde hij zuchtend en mopperend van zijn commentaarpost af naar de kleedkamer van Racing. En jawel, in de tweede helft had de trainer precies de vervangingen doorgevoerd die Rik hem had ingefluisterd, een van die vervangers heeft trouwens de gelijkmaker gescoord. Ook op hoger niveau speelde zijn invloed. De veelbesproken terugkeer van Wilfried Van Moer in de nationale ploeg, dat was voor een groot stuk zijn werk. Het is simpel, Guy Thijs en Rik woonden toen allebei in Knokke. Waar denk je dat ze over praatten als ze elkaar op café tegenkwamen?. Guy Thijs was niet dom, advies van een kenner was altijd meegenomen”.

 

 

Hans Bonte

Hans Bonte

23 maart: minister van binnenlandse zaken Joëlle Milquet (CdH) kondigt de oprichting van een task force Syriëstrijders aan.

Hans Bonte:  (SP-A-burgemeester van Vilvoorde, samen met Antwerpen, Schaarbeek, Mechelen en Maaseik vernoemd als kweekvijver voor radicale jongeren die klaar staan om Syrië tegen het Assad-regime te vechten) “De cijfers voor Vilvoorde liegen er niet om. Half november zaten we aan 22 jongeren van wie we met grote zekerheid weten dat ze zijn vertrokken. Vorige vrijdag nog zijn er twee vertrokken, gasten van 17 en 18. Het werkelijke aantal kan nog hoger liggen, want er zijn enkele onrustbarende verdwijningen van wie het niet zeker is of het om gewone weglopers dan wel om Syriëstrijders gaat. En het blijft maar duren, in Vilvoorde is een groep van een zestigtal jongeren die ons zorgen baart. Ik stel vast dat het fenomeen ook ruimtelijk uitdeint. Ook in buurgemeenten als Machelen en Grimbergen verdwijnen jongeren die even later in Syrië opduiken. Let wel, jongere betekent niet altijd minderjarig. De leeftijd van de 22 vertrekkers uit Vilvoorde schommelt tussen 15 en 35”.

-          Waarom is Vilvoorde zo’n vruchtbare bodem voor Syriëstrijders?

Bonte:  “Er wordt natuurlijk gerekruteerd. Een paar jaar geleden was Sharia4Belgium hier erg actief. Die organisatie ligt nu op apengapen, maar haar discours leeft voort,  met dank ook aan Facebook en andere sociale netwerken. Je zou kunnen stellen dat ze in Vilvoorde oogsten wat ze destijds hebben gezaaid, dat hun radicaal verhaal pas nu echt wordt gehoord. Genoeg gepraat, is de boodschap, nu is het tijd om te handelen. Wie het echt meent, gaat strijden in Syrië. Kijk ook naar het profiel van de jongeren. Kansarmen, denken mensen vaak, maar dat klopt niet helemaal. Er zijn er inderdaad nogal wat die economisch kansarm zijn, maar veel belangrijker is de sociale en psychologische kansarmoede. Alle Syriëstrijders hebben namelijk deze eigenschap gemeen: ze zijn op zoek naar zichzelf en worstelen met hun plaats in de samenleving. En toeval of niet, maar ze komen allemaal uit gebroken gezinnen met een afwezige vader.  Veel nieuwe Belgen, vooral uit de Marokkaanse gemeenschap. Maar ook Vlamingen, allemaal bekeerlingen. De rol van religie is echter dubbel. In feite weten die jongeren heel weinig van de islam. Dat geldt ook voor de moslims, doorgaans zijn het jongens die zelden of nooit de moskee bezochten. Precies die onwetendheid maakt hen vatbaar voor haatpredikers die hen wijsmaken dat alle andersdenkenden vijanden zijn en dat sterven in Syrië de kortste weg is naar het paradijs”.

-          Al minstens vier Belgen zijn in Syrië gesneuveld, onder wie ook twee jongeren van respectievelijk 19 en 20 uit Vilvoorde. Schrikt dat potentiële rebellen niet af?

Bonte: “Bij sommigen zal dat ontradend werken, maar het omgekeerde geldt evenzeer. De gesneuvelde Syriëstrijders zijn rolmodellen, ze worden op allerlei websites als martelaren vereerd. Ik vrees dat hun voorbeeld heel wat jongeren juist over de streep kan trekken. De dood van de martelaar wrijft het er nog eens goed in: dat het laf is om thuis te blijven en eervol om voor Allah te sterven. Die hersenspoeling gebeurt niet alleen lokaal.  Jongeren die al in Syrië vechten, bestoken vrienden op het thuisfront met sms’jes om hun voorbeeld te volgen. Ook dat is een patroon: eens ze de grens met Turkije zijn overgestoken, gaat de radicalisering crescendo. Afhaken is sowieso ondenkbaar, want vaak wordt hun paspoort in beslag genomen zodat er geen weg terug is. Wie het toch waagt, loopt grote risico’s. Een van de gesneuvelde Belgen zou door de rebellen zijn geliquideerd omdat hij het niet meer zag zitten en naar huis wilde”.

-          U maakt zich grote zorgen over terugkerende Syriëstrijders. Waarom?

Bonte: “Omdat je niet kunt voorspellen in welke toestand ze terugkeren. Het gevaar bestaat dat ze ginder gesocialiseerd zijn in extreem geweld. Okay, sommigen zijn nooit voorbij de Turkse grens geraakt, maar anderen hebben ginder leren omgaan met zware wapens en explosieven. Verontrustend, want als burgemeester ben ik verantwoordelijk voor de veiligheid in mijn stad. We hebben er intussen al een paar zien terugkeren. Een ervan ligt al wekenlang in het ziekenhuis, de vraag is of hij nog ooit van zijn bed zal opstaan. Ook mentaal is de schade enorm, ze zijn allemaal totaal gedisillusioneerd. Die jongeren hebben aandacht nodig van de sociale dienst, maar ook toezicht door de politie. Sommigen werden bij hun terugkeer trouwens meteen opgepakt, zoals de veelbesproken Jejoen Bontinck. Ook de anderen worden door de politie verhoord in het kader van verschillende onderzoeken die het Federaal Parket voert naar de mechanismen achter de rekrutering. Want het is niet alleen verkeerd begrepen idealisme, hier zitten wel degelijk organisaties achter. Ik hoor bedragen van 2 tot 3.000 euro per vrijwilliger die in Syrië aankomt, pure mensenhandel dus. Neem nu die twee jongens die vorige vrijdag zijn vetrokken. We werden ‘s morgens door de school verwittigd, en omdat we meteen beseften dat het om een onrustbarende verdwijning ging, hebben we gerechtelijke toelating gevraagd om hun gsm-verkeer te traceren. Zo hebben we hun reis kunnen reconstrueren.  Om kwart voor negen stonden ze hier nog op de Grote Markt in Vilvoorde, in de vooravond bevonden ze zich al aan de Turks-Syrische grens.  Jammer genoeg hebben we de puzzel pas achteraf kunnen leggen. Nu ja, we hadden ze toch nooit kunnen tegenhouden in Zaventem, zelfs niet die ene die nog minderjarig was”.

-          U pleit tevergeefs voor het preventief in beslag nemen van identiteitskaarten en reisdocumenten van minderjarigen met een risicoprofiel. Waar zit de knoop?

Bonte:  “Justitie ligt dwars. Geen sanctie zonder proces voor een vergrijp dat bovendien nog niet werd begaan, zo luidt de redenering. Kijk, strikt juridisch mag dat dan kloppen, ik blijf het een gemiste kans vinden. De maatregel is bedoeld om jongeren tegen zichzelf te beschermen, de inbeslagname zou trouwens met toestemming van de ouders gebeuren.  In feite doe ik daarmee niets anders dan de preventieve logica van het jeugdbeschermingsrecht volgen. Jeugdrechters leggen aan de lopende band maatregelen om potentieel onheil te voorkomen. Waarom dan niet als het om potentiële Syriëstrijders gaat? De impact is verwoestend, ook op de achtergebleven familie die trouwens een beroep op slachtofferhulp kunnen doen. Ik ken verschillende moeders van Syriëstrijders, sommigen kampen met psychiatrische problemen. Niet verwonderlijk, want vertrekken naar Syrië is een vorm van zelfmoord plegen”.

-          In april riep u samen met Bart Somers en Bart De Wever op tot een actieplan tegen radicalisering van jongeren. Wat is daar van in huis gekomen?

Bonte: “We hebben intussen een brochure uitgebracht. Het is de bedoeling te sensibiliseren,maar ook praktische informatie te verstrekken. Want niet alleen burgemeesters worden met dit fenomeen geconfronteerd, ook politie, onderwijs, welzijnswerkers en sportclubs krijgen ermee te maken. De onwennigheid is groot, al heb ik van diverse specialisten begrepen dat de radicalisering van deze jongeren parallellen vertoont met wat er vroeger in milieus van hooligans en extreemrechtse militanten omging. Echte maatregelen? Daarvoor moeten we naar hogere echelos kijken. Ik ben niet alleen ontgoocheld in minister van justitie Turtelboom. Wat doet Vlaams minister van welzijn Jo Vandeurzen in dit dossier, vraag ik me soms af. Niks, is het antwoord, terwijl dit probleem overduidelijk onder zijn bevoegdheid valt. Alle jongeren die in beeld komen, zitten in wat heet een ‘problematische opvoedingssituatie’. Possers dus, het kernpubliek van jeugdbeschermingcomités en jeugdrechters, instanties die rechtstreeks door de minister van welzijn worden aangestuurd”.

-          Jongeren die naar Syrië vertrekken worden meteen uit het bevolkingsregister geschrapt. Werken jullie de marginalisering daarmee niet in de hand?

Bonte: “Nee, dat is een daad van goed bestuur.  Het bevolkingsregister moet een zo getrouw mogelijke weerspiegeling van de reële bevolking zijn. En het heeft natuurlijk ook met uitkeringen te maken. Het zou nogal kras zijn dat iemand in Syrië gaat vechten om zijn ticket naar het paradijs te verdienen, en dat wij zijn kogels subsidiëren”.

-          In 1936 trokken honderden Vlaamse jongeren naar Spanje om er tegen Franco te gaan vechten. Die Brigadisten leven verder in onze herinnering als helden. Wat is eigenlijk het verschil met deze jongeren?

Bonte: “Ik zie raakvlakken. Ook toen ging het om jonge mensen op zoek naar zichzelf en naar een ideaal. De radicalisering gaat nu natuurlijk veel sneller, ook al door het bestaan van nieuwe media. Maar het belangrijkste verschil zit elders. Toegeven aan de roep van Allah, de overtuiging dat de essentie van het leven erin bestaat te sterven voor het geloof. Dat irrationele, dat maakt dit fenomeen zo uniek en verontrustend”.

 

 

Dr. Joris Verlooy

Dr. Joris Verlooy

27 november: in de gemengde Senaatscommissie Justitie en Sociale Aangelegenheden keurt een wisselmeerderheid de uitbreiding van de euthanasiewet naar wilsbekwame minderjarigen goed.

Dr Joris Verlooy (kinderarts Franciscus Ziekenhuis Roosendaal, werd in februari door de gemengde Senaatscommissie gehoord). “Ik was toen nog coördinator van Koester, het kinderpalliatief team van het UZ Gent dat een goed deel van Vlaanderen bestrijkt. Vanuit die ervaring heb ik gepleit voor de uitbreiding van de wet. Mijn verklaring heeft nogal wat stof doen opwaaien, omdat ik verteld heb wat in feite iedereen weet, namelijk dat er ook in het verleden al,  in de grootst mogelijke discretie, minderjarigen werden geëuthanaseerd ”.

-          Tegenstanders noemen de uitbreiding overbodig, omdat de doelgroep verwaarloosbaar klein is en bovendien uit patiënten bestaat die met palliatieve zorgen en eventueel palliatieve sedatie naar een menswaardig levenseinde kunnen worden begeleid…

Dr Verlooy: “Wat heet klein? Per jaar krijgen in België tussen de 320 en 350 kinderen een of andere vorm van kanker. Als je bedenkt dat de overlevingskans globaal gezien 75 procent bedraagt, dan blijft er nog altijd een omvangrijke restgroep die vroeg of laat in een palliatieve fase verzeilt.  Maar wat me toch van het hart moet: die wetsuitbreiding is er niet alleen voor de patiënten. Het zijn vooral de artsen die behoefte hebben aan een wettelijke regeling, zodat ze zich niet meer blootstellen aan vervolging wegens moord wanneer ze op de euthanasievraag van een minderjarige ingaan. Zo’n juridisch kader is ook noodzakelijk om artsen te informeren en te vormen. Okay, LEIF (LevensEinde Informatie Forum, nvdr) geeft al tien jaar opleidingen aan artsen en andere zorgverleners. Maar die vorming is specifiek afgestemd op de omgang met volwassenen. Het palliatief begeleiden van minderjarigen, desnoods tot en met het aanhoren van een euthanasiewens, vergt een heel specifieke benadering.  De betrokkenheid van het hele team is enorm groot, want het gaat haast altijd om kinderen die we al maanden tot jaren begeleiden”.

-          Is palliatieve sedatie geen volwaardig alternatief?

Dr Verlooy: “Ik zie de principiële tegenstelling niet, in mijn ogen is euthanasie is een onderdeel van het palliatieve aanbod.  Maar sedatie? Geen alternatief als de patiënt de wens heeft uitgesproken om te sterven. In dat geval is palliatieve sedatie een vorm van patiëntenbedrog. Je doen de patiënt wel in slaap met de zekerheid dat hij nooit meer wakker wordt, maar ontneemt hem iedere controle over het moment van zijn overlijden.  Bij sedatie laten we de natuur beslissen, zeggen voorstanders. Tja, de waarheid is dat we in een tijdperk leven waarin steeds meer patiënten hun lot in eigen handen willen nemen”.

-          Zijn minderjarigen in staat om zelfstandig een beslissing over hun levenseinde te nemen?

Dr Verlooy: “Ja, zolang we over wilsbekwame minderjarigen spreken. Ik heb de euthanasiewet altijd discriminerend gevonden. Een jongen van 17 jaar en negen maanden kan geen euthanasie vragen, de jongen van 18 en één week die een kamer verder ligt, kan het wel. Ik heb de ontwerptekst nog niet gelezen, maat het lijkt me logisch dat het advies van de ouders wordt gehoord, net als dat van de behandelende arts en het hele zorgteam. Maar het beslissingsrecht moet wat mij betreft altijd bij de patiënt liggen. Het is theoretisch denkbaar dat ouders en kind daarbij lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Maar ik kan me zo’n situatie in praktijk inbeelden. Vooraleer men op het punt van een euthanasiewens aanbelandt, is er een lange weg afgelegd. Het valt uiterst zelden voor dat ouders op zo’n moment niet achter hun kind staan”.

-          Het wetsvoorstel moet nog door de Kamer en wordt in het beste geval volgend jaar van kracht. Zal dat voor een hausse in het aantal euthanasievragen zorgen?

Dr. Verlooy: “Niets is minder zeker.  Zo’n explosie werd ook voorspeld na de goedkeuring van de euthanasiewet in 2002. Uit onderzoek onder leiding van Luc Deliëns, docent palliatieve zorg aan de VUB, bleek echter het tegendeel, het aantal euthanasievragen ging juist achteruit. De verklaring? De wet maakt euthanasie bespreekbaar, en dat neemt bij vele patiënt de onzekerheid weg die hen vroeger misschien voor de vlucht voorwaarts had doen kiezen. Want zo ging het er vaak aan toe: patiënten wilden zo snel mogelijk euthanasie, omdat ze zelfs het risico niet wilden nemen dat medicatie of pijnbestrijding het zouden laten afweten”.

-          In de Senaatscommissie heeft u getuigd over een 16-jarige patiënte die u in het UZ Gent naar euthanasie heeft begeleid. Riskante bekentenis?

Dr Verlooy: “Nee, want het ging om een Nederlands meisje uit de grensstreek dat in het UZ Gent was beland. De Nederlandse wet laat euthanasie voor minderjarigen toe. Kijk, ik blijf achter mijn uitspraak staan dat euthanasie op minderjarigen ook in België voorkomt. En als men zich afvraagt wat artsen drijft die daaraan meewerken. Compassie, is het antwoord. De doodstrijd van een minderjarige kankerpatiënt kan gruwelijk zijn, ik heb kinderen letterlijk met hun hoofd tegen de muur zien bonken van de pijn”.

-          Het nieuws van de geplande wetsuitbreiding ging de wereld rond. België oogstte vooral afkeuring voor het legaliseren van wat rabiate tegenstanders kindermoord noemen. Geschrokken?

Dr Verlooy: “Niet echt. België, Nederland en Luxemburg zijn nog altijd de enige landen in de hele wereld waar euthanasie wettelijk geregeld is. We lopen ver en eenzaam vooruit. Ik merk dat als ik het thema op internationale congressen aankaart. Collega’s zetten grote ogen, ze zijn er absoluut niet mee bezig. Euthanasie is in de meeste landen nog altijd een huizenhoog taboe, wat niet betekent dat het in de praktijk niet bestaat. Er wordt geïmproviseerd aan het sterfbed, vaak met nodeloos lijden tot gevolg. Precies zoals bij ons voor de euthanasiewet”.

-          U werkt intussen in Nederland. Is euthanasie voor minderjarigen daar ingeburgerd?

Dr Verlooy: “Ik hoorde collega’s van UZ Leuven beweren het zelfs in Nederland niet voorkomt. Dat klopt niet. Men hangt het niet aan de grote klok, maar er worden wel degelijk gevallen geregistreerd. Ingeburgerd is te sterk uitgedrukt, maar het is alleszins geen punt van discussie meer”.