Maandelijks archief: april 2014

WOI: De dodendraad in Baarle-Hertog

(Knack, maart 2014)

Een grensgemeente onder hoogspanning

Niet alleen de Westhoek bood in 14-18 dapper weerstand. Het kleine Baarle-Hertog schreef een fraai hoofdstuk in het verzet tegen de Mof. Grensgehucht Zondereigen verdween achter de Dodendraad, maar Hertog gaf zich niet over. Brievensmokkel, spionage, Zeppelins afluisteren, het kon allemaal in deze enclave. De Duitsers waren woedend, de neutrale Nederlanders wisten niet naar welke kant weg te kijken. Getuigenissen uit eerste en tweede hand over een vergeten zenuwoorlog.

 foto’s: Franky Verdickt – www.frankyverdickt.be

replica schakelhuisje grens Zondereigen (foto Franky Verdickt)

replica schakelhuisje grens Zondereigen

 

Dina Van den Heuvel kan tijdreizen. Denkend aan haar kinderjaren in Zondereigen ziet ze beelden in haar hoofd. “Precies zoals in de film”, zegt ze. Een hele eeuw kan ze zo overbruggen, zonder op te staan uit haar luie zetel in Woon-en Zorgcentrum Binnenhof in Merksplas. De 104-jarige vroedvrouw in ruste moet een van de allerlaatste ooggetuigen zijn van een vergeten episode uit 14-18, de zenuwoorlog die Duitsers, Belgen en Nederlanders op de grens tussen de Lage Landen voerden. Die 450 kilometer lange scheidslijn tussen het bezette België en het neutrale Nederland was de Duitsers een constante kopzorg. Ondanks patrouilles en wegversperringen bleef de grens lek als een mandje. Om een einde te maken aan de gestage stroom van rekruten, smokkelaars, spionnen en deserteurs, begonnen ze in april 1915 met de bouw van een elektrisch hek. De heining, permanent onder 2.000 volt hoogspanning, zou de geschiedenis ingaan als de Dodendraad.

Dina was vijf toen in Zondereigen, een binnen de rijksgrenzen gelegen gehucht van enclavegemeente Baarle-Hertog, de eerste paal in de grond ging. “Op school werden we gewaarschuwd”, zegt ze. “Dat we van de draad moesten wegblijven, en hem vooral nooit mochten aanraken. Ook onze ouders hebben het ons dat ingeprent, we waren thuis met tien. Natuurlijk zijn we wel eens gaan kijken, van op een afstand. Elektriek, dat kenden we toen helemaal niet, boeren hadden thuis alleen een petroleumlamp”.  Misschien ligt het aan de rozige kinderblik waarmee ze achterom kijkt. Dina is alleszins niet de getuige die er de gruwel dik oplegt. Wel vier keer legt ze het uit, met weidse gebaren voor de slechte verstaander. Je kon niet zomaar geëlektrocuteerd worden, de gevaarlijke draad werd aan weerskanten door een stroomvrije prikkeldraad afgeschermd. Meer nog, het drieledige hek liep door een niemandsland, aan weerskanten door gewapende soldaten bewaakt. “Aan de overkant stonden de Hollanders, bij ons marcheerden constant Duitse soldaten. Ze schoten als iemand te dicht bij de draad kwam. Een eerste keer in de lucht, daarna met scherp. Zo is er een boer doodgeschoten, toen hij een afgedwaald koebeest wilde terughalen. Hij had iets tegen de Duitse soldaat gezegd, maar die had het niet begrepen. Een misverstand, in feite”.

Beleg van Antwerpen

Fatale misverstanden aan de dodendraad, zo kent Herman Janssen er wel meer. “Bijzonder tragisch is het verhaal van Jaak Verstraelen uit Zondereigen”, zegt hij. “Duitse grenswachten werden bij boeren ingekwartierd. Ook bij Verstraelen, die goed met zijn twee logés kon opschieten. Op een dag vernam hij dat er in Baarle een brief op hem lag te wachten, van zijn zoon die soldaat aan de Ijzer was. Hij gooide het op een akkoordje met een van de Duitsers. Die zou tijdens zijn volgende wacht een oogje dichtknijpen, zodat hij de brief bij de draad kon ophalen. Toen het zover was, klonk het bevel: ‘Stehen bleiben!’. Boer Verstraelen sloeg er geen acht op, wellicht heeft hij gedacht dat het bij de komedie hoorde die de grenswachter opvoerde. Zeker weten we dat niet, want een seconde later zeeg hij dodelijk gewond neer. Het schot kwam niet van de complotterende grenswachter,  maar van diens makker die eveneens bij de Verstraelens logeerde maar niet op de hoogte was. Achteraf kwam het misverstand uit. De grenswachters gingen uit van de Midden-Europese tijd, het uur van Berlijn dat de Duitsers in bezet België probeerden op te leggen, onder meer door alle kerktorenuurwerken bij te stellen. Verstraelen echter bleef zoals de meeste Belgen zweren bij de gewone tijd. Gevolg: hij is een uur te laat op de afspraak verschenen, na het wisselen van de wacht”.

De anekdote ontbreekt niet in de lezing over de Dodendraad waarmee heemkundigen Herman Janssen en Frans Van Gils parochiezalen en culturele centra afschuimen. De opvoeder en de gepensioneerde onderwijzer vormen een geoliede tandem. Ze ontvangen ons op het oude gemeentehuis in de Kerkstraat van Baarle-Hertog, ingepalmd door heemkundige kring Amalia van Solms. Kaarten vormen een belangrijk onderdeel van de collectie. Baarle telt 22 Belgische enclaves, sommige niet groter dan een bouwperceel. Op hun beurt omvatten die enclaves zeven Nederlandse exclaves. Omdat de landsgrens door straten en huizen loopt, werd  de voordeurregel ingesteld. Ook al liggen woon- en slaapkamers op Nassau, als de voordeur op Hertog uitgeeft, geldt de Belgische wet en int de Belgische fiscus belastingen. Ingewikkeld, en dat hebben de Duitsers in 14-18 geweten.

“Iedereen spreekt altijd van de Ijzer”, zegt Van Gils. “Maar ze vergeten dat er nog een stukje onbezet België was. Zondereigen lag wel achter de dodendraad, maar Hertog bleef buiten schot. Om hier te geraken, moesten de Duitsers zo’n vier kilometer over Nederlands grondgebied. Onmogelijk, want dan hadden ze de Nederlandse neutraliteit geschonden”. Het moet destijds een drukte van belang zijn geweest zijn in dit gemeentehuis.  Het beleg van Antwerpen had een massale vluchtelingenstroom op gang gebracht. Belgische soldaten die de grens overstaken, al dan niet in de hoop het Ijzerfront te vervoegen, werden in naam van de Nederlandse neutraliteit geïnterneerd. Burgers troffen een beter lot, ze werden in Belgenkampen ver van de grens ondergebracht. “Maar er was nog een derde categorie”, zegt Van Gils. “Onder de vluchtelingen zaten heel wat vrijwilligers die met het Belgische leger in de Westhoek wilden gaan vechten. Die passeerden massaal via dit gemeentehuis waar ze na medische keuring werden geregistreerd. Alleen al in de eerste oorlogsmaanden waren het er 2.000. Ze kregen hier een overnachting met ontbijt plus een treinticket richting Breda, en van daar stuurde het Belgische consulaat ze via Vlissingen en Engeland naar de Ijzer. Het is precies om die exodus te stuiten dat de Duitsers de dodendraad hebben geplaatst. Patrouilleren haalde weinig uit, en bovendien vergde het manschappen die ze hard nodig hadden aan het front”.

Dodendraad

zwartgeblakerde slachtoffers

 We rijden over Nederlands grondgebied naar de rijksgrens bij Zondereigen, destijds gelegen achter de dodendraad. Lastig, maar het kon erger. Om draad en moeite te besparen hadden de Duitsers enkele shortcuts ingelast. De drie bulten van de provincie Antwerpen, goed waarneembaar op iedere landkaart, werden afgesneden. Gevolg was dat noordelijke dorpen zoals Ravels, Poppel, Essen  en Weelde tussen twee draden vielen, de dodendraad en de door Nederland met prikkeldraad en kippengaas versperde rijksgrens.  We parkeren op die grens, in een oase van groen. Volgens de overlevering hebben de Duitsers burgemeester Henri van Gilse hier aangemaand om de enclaves over te geven. Waarop de burgervader, onverschrokken vanuit het neutrale Nederland, zou hebben geantwoord: “Après vous, messieurs les Boches!’. Onder impuls van Amalia van Solms werd een stuk dodendraad gereconstrueerd. Met flankerende prikkeldraad,  precies zoals onze 104-jarige ooggetuige het had beschreven.  “De dodendraad was spitstechnologie”, legt Janssen uit. “Zelfs in de steden was nog geen netwerk, alleen grote fabrieken hadden een eigen centrale. Voor deze sector haalden de Duitsers hun stroom uit een centrale in Merksem  en een zinkfabriek in Lommel. Om de twee kilometer was er een schakelhuis met wachtpost, zodat ze de draad bij problemen stuk per stuk konden afzetten”. Problemen waren er genoeg, want de afschrikking werkte niet perfect. “Zelfs na de bouw van de dodendraad zijn nog duizenden rekruten via Nederland naar de Ijzer getrokken”, zegt Janssen. “Er ontstond een systeem met passeurs, mannen die de grensstreek als hun broekzak kenden en tegen betaling mensen over de grens smokkelden. Het was goed georganiseerd, met tussenpersonen en verzamelplekken waar konvooien werden gevormd. Er waren oorlogsvrijwilligers bij, maar ook politieke vluchtelingen en hele families die op een beter lot in Nederland hoopten. In totaal schatten we het aantal passages tussen de 20.000 en 30.000, over de hele lengte van de dodendraad”.  Toch bleef het riskant, zo’n 1.000 grensgangers verloren het leven. De herinneringen van Dina Van den Heuvel zijn op dit vlak fragmentarisch. Alleen al in Baarle-Hertog vielen bij de draad veertig doden.

De slachtoffers waren overwegend Belgen, maar ook Fransen, Britten en Russen, vaak ontsnapte krijgsgevangenen. Opvallend: een derde van de slachtoffers waren Duitsers. Neergeschoten deserteurs of slachtoffers van een vuurgevecht met passeurs, al is ook het verhaal bekend van een onvoorzichtige grenswacht die de dodendraad met zijn bajonet raakte, toen hij een geëlektrocuteerd konijntje probeerde te recupereren.  Janssen: “Veruit de meeste slachtoffers werden doodgeschoten in de verboden zone. Toch zijn er ook heel wat aan de draad blijven hangen. Letterlijk, want de stroom was zo sterk dat de sukkelaars er niet meer los van kwamen. Het moet een vreselijk tafereel zijn geweest. Zwartgeblakerde slachtoffers, de tong uit de mond, doorgebrande ledematen die afvielen als men de stroom afzette. We hebben het getuigenis van een boer uit Minderhout die werd opgeëist om een slachtoffer te bergen. Hij was compleet getraumatiseerd. Een keer en nooit meer, heeft hij gezegd”.

dodelijke barrière van 2.000 volt (foto Franky Verdickt)

dodelijke barrière van 2.000 volt

brievensmokkel

Passeurs experimenteerden er op los om langs de draad te komen. Wollen dekens als isolatie over de draad gooien was een beproefde maar gevaarlijke methode. Een paar met dauw doorweekte vezels konden volstaan voor een stroomstoot van 2.000 volt. Iets veiliger was het optillen van de onderste draad met een gevorkte stok, waarvan de basis in een fles werd gestoken om het isolerend effect te verhogen. De spitsvondigheid mondde uiteindelijk uit in het opklapbaar passeursraam, een tuig waarvan Herman Janssen ons de werking graag demonstreert. De gescharnierde opstaande zijden vouwen open en duwen de geïsoleerde lange zijden tegen twee stroomdraden. Zo ontstaat tussen de twee onderste draden een veilige opening, net groot genoeg om zonder acrobatie door te kruipen. Van Gils: “Er werd ook sabotage gepleegd. Na een poosje hadden de passeurs rubberen laarzen en pakken, en geïsoleerde knijptangen om de draad door te knippen. Vaak hadden ze dat materiaal van Britse spionnen die actief bij het Belgische verzet ronselden”.

Passeurs hielpen niet alleen mensen over grens, bij iedere oversteek werden ook brieven gesmokkeld. Het belang van deze missie kan niet worden overschat. Om het moreel van de Belgen te kraken, had de bezetter alle correspondentie met het vrije koninkrijk achter de Ijzer verboden. De honger naar nieuws van de jongens aan het front was dan ook groot. Aanvankelijk ontstond een systeem van driehoekspost. Brieven werden naar een correspondent in Nederland gestuurd, met de bede ze via de Nederlandse post door te sturen. Die piste werd afgesneden na Duits protest tegen deze inbreuk op de Nederlandse neutraliteit. Van de weeromstuit ontstonden clandestiene netwerken zoals Post der Geallieerden, Soldatengroet en Union Belge. “Ze werkten allemaal op dezelfde manier”, zegt Janssen. “De brieven werden in Brussel gecentraliseerd en gecensureerd, alle plaatsnamen of aanduidingen van militair nut moesten eruit. Het waren brieven van flinterdun papier zonder enveloppe, in één leren zak staken er wel  5.000. De bulk van de smokkelpost passeerde via Baarle-Hertog, omdat hier het enige functionerende Belgische postkantoor in de hele grensstreek lag. De brieven werden afgestempeld en vervolgens in Nassau op de Nederlandse post gedaan die ze via Engeland naar de Westhoek stuurde. Het was een gigantische operatie, per maand gingen er 100.000 brieven en pakjes over en weer. Hertog was de draaischijf, alle smokkelorganisaties hadden hier hun hoofdkantoor”.

De sfeer in het dorp moet bijzonder zijn geweest. Behalve van ballingen, smokkelaars en koeriers wemelde het er van de spionnen. Dat waren niet alleen geallieerden op weg naar of terug van bezet België. Ook Duitse spionnen waren erg in Hertog geïnteresseerd, met name in het radiostation dat het Belgisch leger er in 1915 had geïnstalleerd. “Er stonden twee antennes van veertig meter hoog”, zegt Janssen. “Een zend- en ontvangmast waarmee Duitse berichten werden onderschept en versleutelde berichten naar Engeland of de legerleiding in de Westhoek werden verstuurd. Daarnaast stond er een antenne waarmee de communicatie van Duitse Zeppelins en U-boten kon worden gepeild. Voor de geallieerden was dat goud waard. Via ingewikkelde goniometrische berekeningen konden de Belgen de posities van Zeppelins en U-boten bepalen en aan hun bondgenoten doorseinen”. De Duitsers wisten het en waren razend. Het commando in Antwerpen smeedde plannen om het radiostation uit te schakelen. Bombarderen met een Zeppelin, of een inval met een gepantserde trein. Baarle lag op de lijn Turnhout-Tilburg, destijds een onderdeel van de belangrijke spoorverbinding Parijs-Amsterdam. In Weelde was een reusachtig grensstation met liefst 52 rangeersporen, de dodendraad liep er over de perrons en door de wachtzaal. Janssen: “Van daar zou de pantsertrein vol soldaten vertrekken. Zou, want Berlijn heeft Antwerpen teruggefloten. In Baarle lagen 2000 Nederlandse soldaten, van wie er iedere avond tachtig gelaarsd en gespoord in bed kropen, klaar om binnen de minuut uit te rukken. Een aanval op Hertog had Nederland haast zeker in de oorlog gesleurd. Stel dat ze een oogje hadden dichtgeknepen voor een Duitse aanslag op Hertog. Dan was de kans groot dat de Engelsen en de Fransen hen van pro-Duitsgezindheid hadden beschuldigd en de oorlog verklaard. De Duitsers hebben nog geëist dat de Nederlanders zelf militair zouden optreden tegen de Belgische legerpost, maar ook dat werd geweigerd”

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Bericht van generaal Foch

Militair ingrijpen was dan wel uitgesloten, de Duitsers konden Nederland wel onder druk zetten om de Belgen uit te roken. Het centrum van Baarle werd met prikkeldraad afgerasterd, bij de acht poorten tussen Hertog en Nassau verschenen strenge marechaussees. Import van steenkool of petroleum was verboden, zoals alles wat nuttig kon zijn voor de militaire basis. “Zelfs mosterd lieten ze niet binnen”, zegt Jacques Boone. “Omdat het olie bevatte waarmee machines konden worden gesmeerd. Om dezelfde reden was chocolade verboden, want daar zat vet in. Niet dat het veel uithaalde, de Belgen hadden zich op alles voorzien. Er lag genoeg steenkool om het nog vijf jaar uit te zingen”. De 87-jarige Jacques Boone zou kunnen opscheppen over het belang van MN7, de codenaam van het Belgische zendstation. Tenslotte was zijn vader, ingenieur Jos Boone, twee jaar lang commandant van de basis. Maar opscheppen ligt niet in de aard van deze gepensioneerde parketmagistraat met een passie voor geschiedenis en archeologie. Veeleer dan zijn vader te bewieroken, brengt hij hulde aan diens voorganger. Paul Goldschmidt, pionier inzake télégraphie sans fil, werd door koning Albert persoonlijk met de bouw van het zendstation gelast. Dat diezelfde ingenieur veel later aan de wieg van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou staan, is een verhaal apart. We zijn gekomen voor Boones anekdotes over de listen waarmee de Belgen de bouwstenen voor MN7 onder de neus van de Nederlandse douane binnen loodsten. “Burgemeester van Gilse had een grote auto en twee knappe dochters. Die werden dankbaar ingeschakeld. Als de freules even lachten of wuifden, stelden de douaniers en de soldaten geen vragen. Op die manier hebben ze de zender en ontvanger binnen gesmokkeld”. Goldschmidt liet zich in 1916 naar het front overplaatsten. Jos Boone was toen al in Nederland, gevlucht met zijn vrouw en de twee oudste kinderen. Zoon Jacques: “Ook vader wilde naar het front, maar hij werd medisch afgekeurd voor de actieve dienst. Met zijn achtergrond als ingenieur was het haast logisch dat ze hem vroegen om Goldschmidt te vervangen. Als postoverste logeerde hij bij burgemeester van Gilse, een echte patriot die ook zijn privégronden voor de bouw van de antennes ter beschikking heeft gesteld. Twee terreinen die helemaal door Nederlands grondgebied werden omsloten. Slim bekeken, want op die manier konden de Duitsers de antennes niet beschieten zonder de Nederlandse neutraliteit te schenden”. 

Boone’s vader stierf doen hij vier jaar was. Herinneringen heeft hij nauwelijks, maar een recent ontdekte zolderschat heeft hem helemaal in de oorlogsjaren ondergedompeld. Via een oudere broer kwam Jacques Boone in het bezit van een schrift met transcripties van door MN7 onderschepte berichten. “Allemaal uit de laatste weken voor de wapenstilstand”, zegt hij. “Vader heeft ze na de oorlog overgeschreven, wellicht omdat hij het historische belang ervan besefte. Er zitten niet alleen Duitse maar ook Franse en Britse boodschappen tussen. Ik heb ze vertaald en in het Nederlands uitgegeven, binnenkort volgt een Franse editie. Een monnikenwerk, want vaders handschrift is bijna onleesbaar”.  Historisch belang is niet eens overdreven. Zo is er een ongecodeerde Duitse boodschap, bestemd voor de Fransen. Waar en hoe kunnen onze onderhandelaars de Franse opperbevelhebber Foch ontmoeten?  Een Frans bericht voor de eigen troepen gewaagt van een vliegtuig met Duitse officieren dat over de linies zou scheren en vooral niet mag worden neergeschoten. Op 11 november 1918 om 05u40 ving MN7 volgend bericht van generaal Foch op: gelieve om 11 uur, heure française, alle vijandelijkheden te staken.

Wapenstilstand? Dina van den Heuvel ziet het tafereel door de ogen van het negenjarige meisje dat ze toen was. “Er was een groot feest in het dorp”, zegt ze. “De ene bakte pannenkoeken, de andere haalde een fles jenever te voorschijn”. En de dodendraad? “Die werd gauw afgebroken. Ik zie ze daar nog liggen, grote rollen draad op de straat. Ze hebben die aan de boeren verkocht, die konden de draad goed gebruiken om de weiden voor hun beesten af te spannen”.

www.dodendraad.org

 

Martin Van Steenbrugge (FAST) over de jacht op veroordeelde criminelen

(Knack, 23 april 2014)

“Die mensen zijn gevaarlijk, ze horen niet op vrije voeten te lopen”

Geduld is hun wapen, tijd hun bondgenoot. De tien leden van het Fugitive Active & Asset Search Team jagen op veroordeelde maar  voortvluchtige criminelen. Vorig jaar vatten ze er 350 bij de kraag, een record. Commissaris Martin Van Steenbrugge over zijn methode. “We pakken ze koud, in de geslepen duisternis’.  Een spannend gesprek over de schoonste stiel bij de politie.

-®FilipVanRoe-Fast team3

foto: Filip Van Roe

 

Het gebeurde op een vrijdag in januari, omstreeks 16 uur. Heel wat passanten op de Brusselse Louizalaan hebben er niks van gemerkt. Argeloos, zoals Mohamed Benabdelhak enkele seconden vooraleer de hemel op zijn kop viel. Druk in gesprek met een kompaan liep hij over de stoep. Ongewapend, in zijn geval een opmerkelijk detail. Benabdelhak prijkte al jaren bovenaan de ‘most wanted’-lijst van de Franse politie. In 2008 werd hij gearresteerd als een van de grootste cannabissmokkelaars van Europa. De vrijheidsberoving was van korte duur. Tijdens zijn overbrenging naar de onderzoeksrechter werd ‘le Bombé’ op een druk kruispunt in Beauvais door een met Kalashnikovs bewapend commando bevrijd. Vijf jaar lang wist de bij verstek veroordeelde crimineel uit de klauwen van de Franse justitie te blijven, maar op 23 januari haalde zijn verleden hem in.  Was het een Hollywood-film, dan had men de scène met een helikopter vanuit de lucht gedraaid. De kijker zou zien hoe achter de rug van het niets vermoedende duo enkele voetgangers de pas versnellen, terwijl anderen schijnbaar toevallig uit de tegenoverstelde richting komen aanlopen. Na de omsingeling gaat alles bliksemsnel. Nog vooraleer ze hun wenkbrauwen kunnen fronsen liggen Benabdelhak en zijn maat op de grond, en een paar tellen later worden ze geboeid in een anonieme politiewagen geduwd.  Martin Van Steenbrugge (56), commissaris van het Fugitive Active & Asset  Search Team, trok de volgende werkdag naar de bakker. “Een traditie bij FAST”, zegt hij. “Na iedere succesvolle strike trakteer ik. Vroeger met een paar flessen Cava, maar dat is intussen verboden bij de politie. Nu haal ik ’s morgens koffiekoeken voor het hele team”.  Heel even leek het erop dat de koffiekoeken zuur zouden opbreken. Vorige week, na ons gesprek met de FAST-top,  zorgde Benabdelhak opnieuw voor breaking news. Een alweer zwaar bewapend commando voerde een raid uit op de gevangenis van Sint-Gillis, in een mislukte poging om de Franse topgangster te bevrijden. Benabdelhak werd nadien ijlings naar een superbeveiligde afdeling van de gevangenis van Brugge overgebracht. Voor eventjes maar, want België wil de hete aardappel zo snel mogelijk naar Frankrijk doorschuiven.

moordbrigade

Hoe dan ook, de bakkers in de buurt van de Brusselse Notelaarstraat klagen niet. FAST, ondergebracht bij de Directie Economische en Financiële Criminaliteit van de Federale Gerechtelijke Politie, is een goede klant: vorig jaar werden 350 arrestaties verricht, een record sinds de oprichting in 1999. FAST gaat achter voortvluchtige, veroordeelde criminelen aan. Verdachten _ nog niet veroordeeld _ vallen in principe buiten het doelpubliek, die worden door andere diensten van de FGP opgespoord, onder leiding van een onderzoeksrechter. FAST jaagt niet op kruimeldieven, maar op zware jongens die van een Belgisch strafcollege minstens drie jaar effectief hebben gekregen. Sommigen werden bij verstek veroordeeld, anderen zijn uit de gevangenis ontsnapt of na hun voorwaardelijke invrijheidstelling niet naar de cel teruggekeerd. Voorts arresteert FAST voor rekening van derde landen veroordeelde criminelen die zich in België verschuilen. Internationale politiesamenwerking heet dat, een zaak van geven en nemen. Ook FAST achtervolgt zijn cliënten met een Europees of Internationaal  Aanhoudingsbevel , desnoods tot in Amerika of Zuid-Afrika. Suspens genoeg voor een politiereeks, oordeelde de bekende schrijver- scenarist Koen Vermeiren. Zijn bestsellerreeks FAST telt al vier afleveringen, losjes gebaseerd op de belevenissen van Martin Van Steenbrugge en zijn team. In boekversie heet hij Marc Van Den Eede, in het ware leven wordt hij wel eens met zijn zeven jaar jongere broer Walter Van Steenbrugge verward. De gelijkenis is treffend, zowel qua uiterlijk als qua spreekstijl. Koos Walter voor een carrière als strafpleiter, dan opteerde Martin als jurist voor de Gerechtelijke Politie. Hij leerde het vak bij de moordbrigade onder leiding van topspeurder Frans Reyniers. Nadien deed hij jarenlang  undercover werk, Van Steenbrugge was voor de politiehervorming baas van de Groep voor Schaduwing en Observatie (GSO).

We spreken hem in het kantoor van Johan Denolf (61), hoofdcommissaris en baas van de Directie Ecofin met een kleine die driehonderd man onder zich. Die zijn hem allemaal dierbaar, maar tijdens het gesprek zal blijken dat hij voor de tien FAST-leden een speciale boon heeft. “Soms kriebelt het om mee te gaan”, bekent hij. “Nostalgie, in een vorig leven was ik baas van het regionale observatieteam van West- en Oost-Vlaanderen. Maar ik zit al te lang in een managementfunctie, ik zou hen alleen maar voor de voeten lopen. Er zijn trouwens kandidaten genoeg.  FAST telt tien leden, maar als het nodig is kunnen ze met twintig uitrukken. Allemaal vrijwilligers van Ecofin, mensen die na hun uren nog een opleiding in arrestatie- en beheerstechnieken hebben gevolgd.  FAST is hot. Medewerkers van andere diensten staan in de rij voor een interne overplaatsing, en zowat iedere stagiair wil bij zijn afscheid bij FAST. Helaas moet ik iedereen teleurstellen, er zijn geen vacatures”.

lotto gewonnen

Hoe anders was het toen Martin Van Steenbrugge met FAST begon. “Niemand geloofde erin”, zegt hij. “Het was in 1999, we stonden aan de vooravond van de politiehervorming. De GSO zou met zijn twintig speurders worden opgedoekt, maar ik had een plan voor een doorstart. Een nieuwe dienst die veroordeelde criminelen zou opsporen, dat bestond in België nog niet. Mijn mannen hadden echter de keuze: ze konden ook terug naar hun oorspronkelijke brigade. Naarmate de hervorming dichterbij kwam, kozen ze een na een eieren voor hun geld. Uiteindelijk schoot ik alleen over met Eric Clavie, een goede maat en ervaren rot. FAST in de beginjaren, dat was een clubje van twee man”. Niet dat hij de politiehervorming nodig had om het gat in de markt te ontdekken, de buitenlandse voorbeelden spraken tot de verbeelding. Amerika heeft al meer dan 200 jaar zijn US Marshalls, een machtige dienst die niet alleen voortvluchtige veroordeelden opspoort maar ook inbeslagnames verricht en geldboetes int. Duitsland begon in de jaren tachtig met een speciale eenheid, aanvankelijk om voortvluchtige leden van de terreurbeweging RAF op te pakken. Intussen is Zielfahndung een volwassen politiedienst met liefst 300 speurders. “We komen van ver in België”, zegt Van Steenbrugge. “Voor FAST was er nauwelijks animo om voortvluchtige criminelen op te sporen. Het proces was afgelopen, de crimineel veroordeeld, de kous was af. Als er eentje ging lopen, werd die simpelweg gesignaleerd. Nationaal, meestal nam men niet eens de moeite voor een internationale signalering. Ja, op de politiekantoren slingerde het Centraal Signalementen Bulletin rond, een krantje dat je wel eens meenaam bij een toiletbezoek. Dan kon het gebeuren dat je een oude bekende tegenkwam. Verdorie, dacht je dan, die zijn zaak heb ik nog gedaan. Hij heeft vier jaar gekregen, en nu is hij op de loop. Je kreeg spontaan zin om zo’n crimineel op te sporen, maar er was geen tijd voor, want op je bureau lag alweer een verse stapel opdrachten in lopende onderzoeken. Zo is het besef gegroeid: we hebben een dienst nodig die veroordeelde voortvluchtigen opjaagt, 24 uur op 24, zeven dagen in de week”. Zijn baas kan het alleen beamen. “Vroeger was ontsnappen uit de gevangenis zoiets als de lotto winnen”, zegt Johan Denolf. “Je werd niet actief opgespoord, je moest al pech hebben om bij een verkeerscontrole tegen de lamp te lopen. Met een beetje geluk kon je zelfs de verborgen buit van je misdrijf recupereren en een luizenleven leiden”.

                          “Ik ken de dossiers achter de veroordeling. Het is soms schokkend te lezen                                    wat ze met hun slachtoffers hebben uitgestoken”

Vijftien jaar later staat FAST als een huis. De enige politiedienst waar sinds de oprichting niemand vrijwillig is opgestapt, weet Van Steenbrugge. “Het is dan ook de mooiste job die bij de politie bestaat. Bij een gerechtelijk onderzoek komt veel rompslomp kijken. Huiszoekingen, confrontaties, Franchimont, het is allemaal heel complex geworden. Vergeleken daarmee is het opsporen van veroordeelde criminelen poepsimpel. Je hebt een bevel tot gevangenneming of een EAB op zak. Go get him, luidt de opdracht, pak hem op en steek hem weg. De arrestant gaat recht naar de gevangenis, je kunt zijn dossier meteen afsluiten. Het is haast verslavend, je staat er mee op en gaat er mee slapen. Ik zie FAST als een way of life. We zijn dag en nacht oproepbaar, ook tijdens weekend en vakanties. Teamspirit is cruciaal, we delen alle informatie met elkaar. Dat moet, want als een dossier rijp is, moet je bliksemsnel kunnen toeslaan. Zo hebben we die Benabdelhak gepakt. We waren getipt door de Franse politie, we wisten in welk hotel hij verbleef. Ik had drie mannen in observatie, het wachten was op het juiste moment. Ik zat een broodje te eten in een sandwichbar om de hoek toen het telefoontje kwam. ‘We hebben een opening, maar het moet binnen de drie kwartier gebeuren’. Ik stond voor een moeilijke beslissing. Voor zo’n gevaarlijke crimineel zou je normaal versterking moeten inroepen, maar die tijd hadden we niet. Uitstellen was echter geen optie, er stond voor onze Franse collega’s te veel op het spel. We zijn in allerijl met het hele team naar de Louizalaan gevlogen. Eerst een korte briefing in een zijstraat, en dan toeslaan. Het liep als een trein, de man was te verbouwereerd om verzet te bieden. Toen we op kantoor arriveerden, was hij over zijn verbijstering heen. Hoe die hier tekeer is gegaan, als een duivel in een wijwatervat. Schoppen, slaan, bijten, spuwen, we zijn er met tien moeten opvliegen om zijn vingerafdrukken te nemen. Nagenoeg alle arrestanten dragen valse papieren, het loochenen van hun identiteit is de laatste strohalm waaraan ze zich vastklampen. Ook Benabdelhak, vandaar zijn fanatieke verzet. Zo’n man staat ook stijf van de adrenaline, hij beseft heel goed wat hem te wachten staat. Een arrestatie door FAST, dat is van de hemel in de hel vallen”.

Ooit heeft FAST een Poolse voortvluchtige gearresteerd, de man had in zijn thuisland een lange gevangenisstraf voor de boeg.  Hij werd voorgeleid bij de FGP Brussel, op de 14de verdieping met een schitterend uitzicht op de skyline. Van Steenbrugge: “Ineens horen we een klap. Was die Pool met de handboeien voor zich uit volle gas in het vensterglas gelopen. Liever uit het raam op het 14de springen, dan terug naar de cel in Polen. Hij is er met blutsen en builen van af gekomen, sindsdien weet ik dat zo’n raam bestand is tegen een druk van 800 kilo”.

US Marshalls

De arrestatie van Benabdelhak was copybook FAST. Onverhoeds, en bij voorkeur op de openbare weg. “Binnengaan doen we alleen als het niet anders kan”, zegt Van Steenbrugge. “Dat is altijd gevaarlijk, zeker als je een trap moet oplopen. Je kunt nooit uitsluiten dat ze zich hebben verstopt, en een schot is gauw gevallen. Hout vasthouden, maar tot dusver hebben we nog geen enkel accident meegemaakt. We arresteren soms voor de US Marshalls. Die zijn verwonderd over onze methode. De Marshalls hanteren de tactiek van de verschroeide aarde: deur intrappen en met veel geweld binnenvallen. Overal tegelijk, bij de moeder, de vriendin, de zus. Wij pakken dat helemaal anders aan. We slaan toe  in de geslepen duisternis, in de luwte van de morgen. Observeren tot het ideale moment aanbreekt. Vaak krijg je maar één kans, die mag je niet verbrodden. Geduld is ons wapen, tijd onze bondgenoot. Correctionele straffen verjaren na tien jaar, criminele straffen na twintig jaar. We kunnen wachten en vergeten niets. We hebben daar een systeem voor: als een dossier de verjaringstermijn benadert, gaat een knipperlicht branden. Tijd om een tandje bij te steken, betekent dat”.

Het klinkt als een spel, stropers en boswachters. Maar dat is het niet, Van Steenbrugge en co putten hun drive uit een rechtvaardigheidsgevoel. “Ik ken de dossiers achter de veroordeling. Het is soms schokkend te lezen wat ze met hun slachtoffers hebben uitgestoken. Een dader van een homejacking die een oude vrouw martelt om haar de cijfercode van de brandkast te ontfutselen. Knieën met een hamer verbrijzeld, haar in brand gestoken en voor dood achtergelaten. Of pedofielen die minderjarigen gruwelijk misbruiken. Die mensen zijn gevaarlijk, ze horen niet op vrije voeten te lopen. FAST staat volledig aan de kant van het slachtoffer. Want onderschat het niet, de angst en de pijn die men voelt als een veroordeelde dader vrij rondloopt. Kort na de oprichting werd ik gebeld door de advocaat van een verkrachte vrouw. Of ik dringend naar zijn kantoor wilde komen om met zijn cliënte te praten? Haar verkrachter was ontsnapt, en sindsdien deed ze geen oog meer dicht. Na het gesprek voelde ze zich een stuk beter, alleen al door het besef dat er een politiedienst bestond die zo’n dader opspoort. We hebben die kerel trouwens snel opgepakt”.

             ”De voortvluchtige bungelde aan de een regenpijp, te benauwd om te springen” 

Spannend is het niet altijd. Uren in de auto zitten en onopvallend rond de target cirkelen. Stamgast worden in het café aan de overkant zonder argwaan te wekken. Vloeken als blijkt dat de prooi zijn schuilplaats heeft verlaten, net dat ene moment wanneer je een frietje bent gaan steken. “Observeren is een kwestie van geduld”, zegt Van Steenbrugge. “We willen absolute zekerheid dat we de juiste persoon in het vizier hebben. Niet simpel. Vaak hebben we alleen maar een foto op zak, en dan komen ze met vijf zware jongens tegelijk uit zo’n huis. We hebben al een keer per abuis de broer opgepakt. Foutje, daar leer je van”. Tweevoudig moordenaar Y. L. mocht in 2010 voorzichtig van de vrijheid proeven en keerde niet meer naar de gevangenis terug. FAST trof hem anderhalf jaar later aan, verstopt in een zelfgebouwde nis onder de matras van zijn vriendin.  Met dergelijke anekdotes kan Van Steenbrugge moeiteloos een boek vullen. Die keer dat ze om vijf uur ’s morgens binnenvielen en tot hun frustratie vaststelden dat de vogel door het openstaande raam op de derde verdieping was gaan vliegen. Niet ver, zo bleek toen hij Van Steenbrugge zijn kop uit het raam stak. De voortvluchtige bungelde aan de een regenpijp, te benauwd om te springen.  Een van de mooiste is die van de duivenmelker. De man had zelfmoord gepleegd, maar niet zonder eerst een afscheidsbrief te pennen en zijn spaargeld aan zijn kinderen over te maken.  “Goed gespeeld”, zegt Van Steenbrugge. “Vermoedelijk dachten zelfs zijn kinderen dat hij dood was, verdronken in een waterput.  In werkelijkheid had hij met een vrouw een heel nieuw leven opgebouwd. Jarenlang bleef hij onder de radar, maar dan maakte hij een fout: hij liet zich als verwoed duivelmelker met een van zijn prijsbeesten voor een lokaal krantje fotograferen. Een lezer heeft hem herkend en ons getipt”.

Naomi Campbell

Wachten op die ene fout, loeren op die ene zwakke plek, zo werkt FAST. Enkele jaren geleden werd in Machelen de Britse meesteroplichter Ray Burraway opgepakt. Hij was al vijftien jaar op de loop, nadat hij een Britse bank voor 3 miljoen pond had getild. Scotland Yard vermoedde al langer dat hij zich in de buurt van Zaventem schuilhield. Toch was het bijkomende tip die FAST op het juiste spoor zette: Burraway had een zwak voor beeldschone, zwarte vrouwen. “En inderdaad”, zegt Van Steenbrugge. “We hebben hem gevonden via zijn nieuwe vriendin, een Naomi Campbell-type. Zo uitzonderlijk is dat niet. Ook maffiabaas Vittorio Pirozzo hebben we via zijn vrouw gevonden. We wisten dat ze een blonde paardenstaart had en lichtjes mankte.  Soms volstaat dat voor een doorbraak”.  Cherchez la femme, is het parool. Of correcter nog:  cherchez la famille et les copains. “Vluchten is lastig. Ze duiken eerst onder bij vrienden, maar dat blijft niet duren, zeker niet als het geld op raakt. Soms pakken we ze op bij hun moeder, de laatste op wie ze nog kunnen rekenen. Crimineel of niet, een moeder zal haar zoon niet gauw op straat zetten. Het is trouwens niet strafbaar, we kunnen een moeder niet vervolgen voor het verbergen van haar voortvluchtige zoon. Er zijn er natuurlijk wel meer zoals Benabdelhak die zich met hand en tand verzetten. Maar even vaak stellen we een gevoel van opluchting vast als we iemand arresteren. Niks zo stresserend als vluchten in het besef dat ze je op de hielen zitten. Die mannen hebben geen leven, op de duur zien ze achter iedere boom een flik staan”.

Het is niet als tip bedoeld, maar Johan Denolf weet waar de fout ligt. Voortvluchtige criminelen blijven te dicht bij huis, betoogt de hoofdcommissaris, ze kunnen hun familie en netwerk niet missen.  Zijn er dan plekken waar veroordeelde criminelen zorgeloos kunnen onderduiken? Zoals de vele landen waarmee België geen uitleveringsverdrag heeft? “Er zijn effectief landen waarmee de samenwerking erg stroef loopt”, zegt Van Steenbrugge, “ik denk bijvoorbeeld aan Cuba of Venezuela. Toch is het niet zwart-wit. Veroordeelde pedofielen duiken bij voorkeur onder in landen zoals Thailand, de Filippijnen, Cambodja of Vietnam. Ze komen er aan hun trekken, en wanen zich veilig omdat er geen uitleveringsverdrag bestaat. Een misrekening, want we hebben al heel wat van die voortvluchtige pedofielen kunnen arresteren. Zie je, er zijn alternatieven voor een overlevering. We nemen contact op de Vietnamese politie. Weten jullie wel dat meneer X bij ons tot zeven jaar is veroordeeld voor zwaar kindermisbruik? En dat hij bij jullie opnieuw slachtoffers kan maken?  Meestal volstaat dat. De Vietnamese politie pakt hem op, hij wordt persona non grata verklaard en op de eerste vlucht naar Brussel gezet. We hoeven hem in Zaventem alleen maar in ontvangst te nemen”.

Dutroux

Pas vier jaar geleden werd FAST door Ecofin ingelijfd. Een winnende combinatie, dacht directeur Denolf. De jacht op voortvluchtige en veroordeelde criminelen zou hand in hand gaan met de zoektocht naar de verborgen opbrengsten van hun misdadige carrière. Bij de transfer werd gespeculeerd op een doorbraak in een dossier dat Van Steenbrugge al vijftien jaar op de maag ligt. Tot nader order kan FAST geen gebruik maken van bijzondere opsporingsmethoden (BOM) zoals infiltranten of verborgen camera’s. “De code Napoléon”, zegt hij met een zucht. “Alleen de onderzoeksrechter kan toestemming geven voor BOM.  Maar wij werken niet met een onderzoeksrechter. Er is immers geen onderzoek, de voortvluchtige is al veroordeeld. Om dezelfde reden kunnen we geen telefoons of GSM’s tappen. Die vallen buiten de BOM-wet, maar het zijn speciale politietechnieken die even goed aan de machtiging van de onderzoeksrechter zijn onderworpen. Vooral dat telefoonverbod is een zware handicap, daar zijn al dossiers op gecrasht. We dringen al vijftien jaar aan op een wetswijziging, naar het voorbeeld van de andere Europese lidstaten. Alleen Luxemburg en België blijven achter, terwijl wij met FAST nochtans een pioniersrol hebben gespeeld”. Binnenkort is het toch zover: de nieuwe wet op de invordering van vermogensstraffen en gerechtskosten in strafzaken wordt eerstdaags van kracht. De strafuitvoeringsrechter zal machtiging kunnen geven om voortvluchtige criminelen en hun entourage te tappen om zo hun illegale vermogens te achterhalen. “Een stap vooruit”, geeft de baas van FAST toe. “Helaas mogen we dat instrument alleen gebruiken als er een vermogensaspect meespeelt, wat lang niet altijd het geval is. Stel dat er morgen een zware gangster de gevangenis buiten loopt en we kennen zijn GSM-nummer. We hoeven hem maar te tappen en we kunnen hem weer oppakken. Maar dat zal dus niet gebeuren, want we hebben het recht niet om zijn telefoon af te luisteren”.

Het is Johan Denolf die het opwerpt. Martin stond niet alleen aan de wieg van FAST België, hij is ook de gangmaker van een Europees samenwerkingsverband ENFAST. Het belang van dat netwerk bleek bij de arrestatie van Morgan Schreurs in 2012, misschien wel de zaak waarop ze bij FAST het meest trots zijn.  “Het was een atypische case”, zegt Van Steenbrugge. “Schreurs was nog niet veroordeeld, hij werd als verdachte gezocht in een moordzaak uit 1999. Het slachtoffer was een pas gescheiden moeder uit Zaventem, ze werd doodgeknuppeld door een man die ze tijdens een avondje uit had opgepikt. De moordsectie van Brussel wist de dader snel te identificeren. Puik werk, maar de verdachte leek wel van de aardbol verdwenen. In 2005 vroeg de procureur ons om de zoektocht over te nemen. Behalve een pasfoto hadden we niks, want Schreurs had geen gerechtelijk verleden. We wisten alleen dat hij ooit voor deejay had gespeeld in een pub in Dublin. Uiteindelijk zagen we maar een piste: de media bespelen. We schakelden ENFAST in en lieten zijn foto in de Ierse media publiceren. Op de dag van de publicatie al kregen we een tip: Scheurs zat bij zijn vriendin in het Kroatische Rovinje. Wij onmiddellijk Goran van FAST Kroatië gebeld. De volgende ochtend hing hij om negen uur aan de telefoon: we hebben hem! De nabestaanden konden het niet geloven, ze hadden alle hoop op gerechtigheid opgegeven. Over enkele maanden verschijnt Schreurs voor assisen. Het blijft een van de mooiste zaken die we ooit hebben gedaan. Zonder ons kantoor te verlaten, alleen voor de koffiekoeken moest ik de deur uit”.

WOI: Historicus Antoon Vrints over 14-18 in Antwerpen

“De Eerste Wereldoorlog heeft hier een bloeiende Duitse gemeenschap van de kaart geveegd”

Antwerpen een wereldstad? Anno 1914 was het geen grootspraak, maar vier jaar later schoot van het kosmopolitische karakter nog weinig over. Gesprek met historicus Anton Vrints over de teloorgang van de Duitse beau monde aan de Schelde, een drama met hoofdstukken over de Flamenpolitik en de strijd tussen loyalisten en activisten.

(Knack stedenspecial Antwerpen, 19 maart 2014)

foto: Marilyn De Smet - www.aboutmary.be

foto: Marilyn De Smet – www.aboutmary.be

Antoon Vrints (35) is een pendelaar. Doceren doet hij in Gent, wonen in de groene rand rond Antwerpen. Brasschaat, waar de herenhuizen in fraaie belle époque stijl minder onschuldig zijn dan ze lijken. “In de Tweede Wereldoorlog was deze buurt bekend bij Duitse officieren”, zegt Vrints. “Het was een publiek geheim dat bepaalde panden als luxebordelen dienden”.  Leuk weetje, maar het is niet de Tweede Wereldoorlog die ons naar Brasschaat heeft gelokt. Vrints, in Gent verbonden aan de onderzoeksgroep Sociale Geschiedenis na 1750, is een van de weinige Vlaamse historici die zich in de Grote Oorlog hebben vastgebeten. Hij schreef een standaardwerk over het activisme in Antwerpen en liet zich ook opmerken met bijdragen over sociaal protest tijdens de bezetting. Een van zijn stokpaardjes is de teloorgang van de omvangrijke Duitse gemeenschap die zich aan de vooravond van de eerste wereldbrand in de havenstad had gevestigd.

-  Vanwaar uw fascinatie voor 14-18?

Vrints: “Het is vooral de bezetting die me boeit. Ik zie het als een langgerekt experiment in een sociaal  laboratorium, België genaamd. Het dichtstbevolkte en meest geïndustrialiseerde land ter wereld, een van de grootste exportnaties bovendien. Een land geroemd om zijn liberale grondwet, maar ook een maatschappij met sterke klassentegenstellingen. Wat als de nationale staat desintegreert, vroeg ik me af. Want dat is precies wat tijdens de oorlog gebeurde. De bureaucratie, de Rijkswacht, het leger, een na een vielen de pijlers van het bestel weg. De mobiliteit kwam onder druk te staan, burgers werden op locale entiteiten zoals steden en dorpen teruggeworpen. Tijdens de bezetting onderging België bovendien een drastische desindustrialisering. Fabrieken vielen stil door gebrek aan grondstoffen of arbeidskrachten, als ze al niet door de Duitsers werden ontmanteld. Het was in menig opzicht een soort regressie, alsof de tijd in die vier jaar omgekeerd evolueerde”.

-  In publicaties over 14-18 zoomt u graag in op uw thuisstad. Hoe is Antwerpen uit de oorlog gekomen?

Vrints:  “Als een cultureel en economisch verarmde stad, met een veel provincialer karakter dan voor de oorlog.  Ik zou Lode Baekelmans kunnen citeren, de Antwerpse stadsbibliothecaris die in zijn tijd een populaire volkschrijver was. Toen hij in de jaren vijftig zijn memoires schreef, blikte hij vol nostalgie terug op het Antwerpen van voor 1914, een kosmopolitische havenstad waar iedereen welkom was, van neger tot Chinees, in zijn woorden. Oorlogen zijn natuurlijk altijd slecht nieuws voor minderheden. In de Tweede Wereldoorlog is Antwerpen een groot stuk van zijn joodse gemeenschap kwijtgespeeld. Dat is algemeen bekend, maar weinigen weten nog dat de Eerste Wereldoorlog hier een bloeiende Duitse gemeenschap van de kaart heeft geveegd. In 1914 telde Antwerpen 10.000 Duitsers, ze vormden na de Nederlanders de grootste minderheid in een stad van zo’n 300.000 inwoners. In feite was de kolonie nog groter, want heel wat Duitsers hadden intussen de Belgische nationaliteit verworven. Hoe dan ook, na de oorlog stonden nog zo’n 300 Duitsers in het bevolkingsregister vermeld, een verwaarloosbaar aantal”.

-  Zijn er nog zichtbare sporen van die kolonie?

 Vrints: “Toch wel, discrete en minder discrete. Ik denk aan de Nottebohmzaal van de Consciencebibliotheek, misschien wel de mooiste erfgoedbibliotheek van ons land. De zaal is genoemd naar een bekende Duits-Antwerpse familie. In de boekenschappen staan nog meer Duitse namen gegraveerd, allemaal mecenassen die tot fabelachtige collectie hebben bijgedragen. En dan is er natuurlijk de Brabofontein voor het stadhuis, hét symbool van Antwerpen. Weinigen weten het nog, maar dat monument was een geschenk van Duitse kooplui aan de stad. Er is een bekende foto van de Duitse intocht in Antwerpen, waarop de troepen strak in het gelid langs de Brabofontein defileren. Dat beeld is zwanger van symboliek, het illustreert de bloei van de Duitse gemeenschap en voorspelt tegelijkertijd al de teloorgang. Je moet er natuurlijk voor geporteerd zijn, maar als ik over de Keyserlei loop, zie ik de gevels van lang verdwenen Duitse cafés en hotels. Grand Café Wagner naast de opera, dat was voor de oorlog een begrip in Antwerpen”.

-  Hoe zijn die Duitsers in Antwerpen beland? 

Vrints: “De haven natuurlijk. De meeste Antwerpse Duitsers kwamen uit Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts, het hinterland van de haven. Of uit Hamburg en Bremen, havensteden met veel trafiek van en naar Antwerpen. De eerste lichting is al halfweg de 19de eeuw neergestreken, toen Antwerpen na het opheffen van de Nederlandse haventol een enorme opleving kende. Het was een internationaal georiënteerd publiek. Reders, expediteurs, groothandelaars, maritieme actoren dus. Maar er waren ook bankiers en diamantairs, vaak joden uit Gallicië dat toen nog onder Oostenrijk-Hongarije viel. Geen Duitsers dus, maar ze spraken wel Duits en rekenden zich tot de Duitse gemeenschap. Het was een erg welvarende gemeenschap. Uitgesproken bourgeois, al kwamen er mettertijd ook wel expeditieklerken, cafébazen en andere vertegenwoordigers van de lagere middenklasse. Toch frappeert het verschil met Luik. Ook daar leefde een grote Duitse gemeenschap, maar die bestond haast uitsluitend uit arbeiders. In Antwerpen hebben de Duitsers veel meer hun stempel gedrukt, op de economie maar ook op het maatschappelijke en culturele leven. Muziek, theater,weeshuizen, zelfs de dierentuin heeft zijn voordeel gedaan met Duits mecenaat. Stel je voor, de Duitse concertvereniging heeft meermaals Frans Liszt naar Antwerpen gehaald, een evenement waarvoor de hele beau monde uitliep. Dat alles wil niet zeggen dat ze zich lieten assimileren. Integendeel, de gemeenschap was heel erg op zichzelf gericht. Er waren wel vijftig Duitse verenigingen, waaronder een Duitse school en twee protestantse kerken. Voor de katholieken waren er Duitse erediensten, voor de joden een Duitse synagoge, er was zelfs een Duitse loge. Trouwen deze ze bij voorkeur binnen de eigen gemeenschap, wat uiteraard ook met taal en religie te maken had”.

-  Op 4 augustus 1914 valt het Duitse leger België binnen. Hoe reageerde de Duitse gemeenschap in Antwerpen?

Vrints: “De oorlog had een verscheurend effect, de Duitsers moesten kiezen tussen hun oude en hun nieuwe vaderland. Een minderheid bleef loyaal aan België, veelal Duitsers die al sinds verschillende generaties in Antwerpen woonden. De grote meerderheid echter schaarde zich resoluut achter de bezetter. Nagenoeg alle Duitsers zijn op 4 augustus hals over kop naar Nederland gevlucht. Ze hadden ook geen  keuze, de Belgische regering had hen verplicht het land onmiddellijk te verlaten. De schok moet enorm geweest zijn, van de ene dag op de andere veranderden ze van goed ingeburgerde stadsbewoners in vijandige vreemdelingen. Dat liet de bevolking hen ook voelen. Bovenop de verontwaardiging over de inval en de berichten over Duitse wreedheden, leefde een gevoel van verraad. De Duitsers hadden de gastvrijheid van de Antwerpenaars bedrogen!  De vluchtelingen moesten spitsroeden lopen, ze werden door de straat op gejoel en anti-Duitse leuzen onthaald. Doden zijn er niet gevallen, maar ramen van Duitse eigenaars werden ingegooid, er in Duitse cafés werd de inboedel kort en klein geslagen. In de Duitse pers verschenen verontwaarde berichten over ‘das  wilde Antwerpen’. Propaganda natuurlijk, ze probeerden de internationale aandacht voor Duitse wreedheden in België te counteren. Het was allemaal niet fraai, maar het Belgische uitwijzingsbevel viel wel te begrijpen. De Duitse gemeenschap werd als een vijfde colonne beschouwd, een onaanvaardbare risico voor Antwerpen dat tijdens de Duitse opmars de hoofdstad van België vormde. Koning Albert resideerde in het paleis op de Meir, zijn ministers verbleven in hotels en gebouwen in de buurt. Ze waanden zich veilig. Antwerpen lag beschut achter twee fortengordels, met ertussen nog twee verdedigingslinies met waterlopen en andere natuurlijke hindernissen. Na de val van Brussel op 20 augustus had Albert het hele veldleger in en rond Antwerpen teruggetrokken. De Antwerpse vesting _  men sprak ook van le réduit nationale _  gold destijds als het sterkste bolwerk ter wereld. Volstrekt onneembaar, maakten de Belgen zichzelf wijs”.

-  Het tegendeel bleek waar. Op 10 oktober, na een beleg van zes weken, heeft Antwerpen zich overgegeven. Even zag het er nochtans naar uit dat er geen beleg zou komen…

Vrints: “Inderdaad, de Duitsers beschouwden het Belgisch leger als verslagen, ze waren niet van plan Antwerpen aan te vallen. Zo snel mogelijk oprukken naar de Franse grens, was het plan, het lot van Antwerpen zou wel geregeld worden nadat Parijs zich had overgegeven. Die strategie werd verlaten toen het Belgisch leger eind augustus en begin september vanuit Antwerpen enkele uitvallen waagde, acties die een bedreiging vormden voor de Duitse aanvoer naar het westelijk front. Daarop heeft het Duitse opperbevel generaal von Besseler opdracht gegeven de Antwerpse vesting uit te schakelen. Met zwaar geschut, Von Besseler had kanonnen die projectielen van 42 centimeter afvuurden, de fameuze Dikke Bertha’s van Krupp. Daarnaast kon hij ook Skoda-houwitsers van 30 centimeter in stelling brengen. Tegen die vuurkracht waren de Antwerpse forten niet bestand”.

-  Hoe was de sfeer tijdens het beleg ?

Vrints: “Toenemende paniek, vooral toen de stad zelf werd beschoten. Even flakkerde de hoop op toen de Engelsen met een paar duizend soldaten arriveerden. Algauw bleek echter dat de Duitse overmacht te groot was. De koning en de regering hebben Antwerpen begin oktober verlaten en het leger opdracht gegeven zich in veiligheid te brengen om de strijd aan de Ijzer voort te zetten. De meeste troepen zijn via een geïmproviseerd ponton, een noodbrug over de Schelde gevormd met opgeëiste binnenschepen, kunnen ontkomen. De laatste dagen moet het een pandemonium zijn geweest. Terwijl de beschieting steeds heviger werd, kwam een massale exodus van de burgerbevolking op de gang. Over de Schelde naar Nederland, alles wat kon drijven, werd ingeschakeld. De grote massa ging echter te voet, de baan over Kapellen naar Roosendaal moet zwart van het volk hebben gezien. Na de overgave zijn de meesten teruggekeerd, de Duitsers hadden trouwens garanties gegeven voor hun veiligheid. Toch waren de Antwerpenaars erg goed vertegenwoordigd in de kolonies van ballingen die tijdens de oorlog in Nederland, Engeland en Frankrijk ontstonden”.

-  Heeft de stad zwaar geleden onder het beleg?

Vrints: “Niet als je het vergelijkt met de ravage die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd aangericht. Uiteraard was er schade, het begon trouwens met een zeppelinbombardement waarbij een tiental doden is gevallen. De Duitsers waren er echter niet op uit Antwerpen in de as te leggen, het was er hen om te doen de forten uit te schakelen en de militaire bedreiging te neutraliseren. Bij de beschieting werd op de stadsrand gemikt, om terreur te zaaien en de stad tot overgave te dwingen. Niet dat er altijd accuraat werd gemikt. Vooral de buurt rond de Schoenmarkt werd zwaar getroffen, die hebben ze na de oorlog helemaal heropgebouwd. De Boerentoren, een uniek staaltje van modernisme in het stadscentrum, heeft Antwerpen aan de Grote Oorlog  te danken”.

-  Hoe is het de gevluchte Duitsers tijdens de bezetting vergaan?

Vrints: “Een groot aantal is teruggekeerd. Hun huizen en bezittingen waren geplunderd, maar de bezetter deed er alles aan om de Duitse gemeenschap weer op te bouwen. Ze kregen financiële en materiële steun, Duitse verenigingen werden heropgericht, en de Deutsche Schule ging weer open. De Duitsers beschouwden Antwerpen met zijn haven als een topprioriteit. De verankering van een eigen kolonie moest de Duitse belangen vrijwaren wanneer na de oorlog over het lot van Antwerpen werd beschikt, wat natuurlijk samenhing met de toekomst van België. Daarover werd in Berlijn hevig gediscussieerd. De meest radicale stemmen pleitten ervoor Vlaanderen met Antwerpen in te lijven, anderen braken een lans voor het opbreken van België waarna Vlaanderen als een soort Duitse vazalstaat zou fungeren”

-  In die strategie paste ook de Flamenpolitik, het instrumentaliseren van de Vlaamse beweging. Door het inwilligen van aloude Vlaamse eisen in het verschiet te stellen, hoopten de Duitsers de Belgische eenheid en het verzet tegen de bezetting te ondermijnen. Een deel van de Vlaamse beweging, de zogenaamde activisten, aanvaardde de uitgestoken hand. Hoe sterk leefde het activisme in Antwerpen, de stad die toch wel als de wieg van het Vlaams nationalisme wordt beschouwd?

Vrints:: “Minder dan algemeen wordt gedacht. In Gent traden de activisten veel prominenter op de voorgrond, daar had je onder meer een belangrijke kern van de pangermanistische beweging Jong-Vlaanderen. Gent was dan ook sterker verfranst, bovendien speelde de kwestie van de vernederlandsing van de universiteit. De Vlaamse beweging ageerde er vanuit een defensieve reflex, en precies daar zit het verschil. Van alle Vlaamse steden was Antwerpen in 1914 de meest vervlaamste, het publieke leven verliep er grotendeels in het Nederlands. Natuurlijk waren de flaminganten ook in Antwerpen verdeeld tussen loyalisten en activisten. August Borms was veruit de belangrijkste activist, maar zijn invloed mag niet worden overschat. Borms, toen nog leraar aan het Koninklijk Atheneum, had al zijn sporen verdiend binnen de Vlaamse beweging, maar hij was nog lang niet de beroemdheid die hij na de Bormsverkiezing in 1928 zou worden. Ook de piepjonge en alleen locaal bekende Paul van Ostaijen was een activist, van het meest fanatieke soort zelfs. Hij verspreidde anti-Belgische schotschriften en schopte keet tijdens het bezoek van Kardinaal Mercier. Radicale groupuscules zoals Jong-Vlaanderen waren in Antwerpen echter gedoemd tot een marginaal bestaan. Ze lagen overhoop met meerderheid van gematigde activisten, en ook de bezetter, goed beseffend dat radicale ideeën geen steun vonden bij de bevolking, was hen liever kwijt dan rijk”.

-  Welke rol speelde de Duitse gemeenschap in de Antwerpse Flamenpolitik?

Vrints: “Ook die werd door de bezetter geïnstrumentaliseerd. De goed ingeburgerde gemeenschap werd als een bruggenhoofd beschouwd om banden met flamingantische milieus te smeden. De Duitse gemeenschap telde voor de oorlog twee leidersfiguren.  Wilhelm von Mallinckrodt en Albert von Bary waren steenrijke havenbaronnen die tot de top van het Antwerpse establishment behoorden, maar dat heeft hen niet belet in augustus 1914 resoluut het kamp van de bezetter te kiezen. Vooral von Bary was ervan overtuigd dat Antwerpen na de oorlog koste wat het kost binnen Duitse invloedssfeer moest blijven. Hij was nauw betrokken bij de Flamenpolitik, en pleitte zelfs voor samenwerking met de pangermanistische vleugel van het activisme. Ironisch genoeg had hij zelfs nauwelijks contacten met Flaminganten. Von Bary stond voor de oorlog bekend als een echte francofiel die de Vlaamse taal minachtte en geen greintje sympathie koesterde voor de Vlaamse beweging. Hij was niet de enige, de meeste Duitsers waren bourgeois die wel Frans en desnoods ook Engels spraken, maar hun neus ophaalden voor het Nederlands. Om die reden werd de Duitse gemeenschap door de Vlaamse beweging gewantrouwd. Geen ideaal bruggenhoofd dus, en de waarheid is dat de bezetter steeds meer gefrustreerd raakte. Als het in de hoofdstad van het Vlaams nationalisme al niet lukte om een meerderheid van de flaminganten achter zich te scharen, waar zou het dan wel lukken? Want zo was het: de activisten werden in Antwerpen totaal overvleugeld door de loyaal-flamingantische strekking. Dat was mede te danken aan enkele toonaangevende figuren. Denk aan Louis Franck, de flamingantische liberaal die tijdens de bezetting de facto de rol van oorlogsburgemeester opnam, zonder in activistisch vaarwater te komen. Nog invloedrijker was de katholieke leider Frans Van Cauwelaert, die vanuit zijn Nederlandse ballingoord pamfletten schreef waarin hij radicaal Vlaamse eisen poneerde, maar tegelijkertijd scherp afstand nam van de activisten. Van Cauwelaert keerde zich tegen hun voorhoedementaliteit  en benadrukte dat de Vlaamse beweging zich vooral niet van het volk mocht vervreemden. Dat heeft veel indruk gemaakt”.

-  Zou het kunnen dat de modale Antwerpenaar andere problemen aan zijn hoofd had, zoals honger en armoede?

Vrints: “Jazeker, zowat de helft van de bevolking was afhankelijk van voedselhulp. Het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding verstrekte 1.000 kilocalorieën per persoon per dag, teveel om te sterven maar te weinig om van te leven. Alle manieren waren goed om het menu aan te vullen. De Antwerpenaars timmerden massaal konijnenhokken, en wie het ook maar enigszins kon, hield thuis een varken voor de slacht.  De banden met de familie op de boerenbuiten werden aangehaald, de hele relatie stad-platteland kreeg trouwens een bijzondere lading. Boeren werden in de stad gehaat, omdat ze ervan verdacht werden hun voedselmonopolie te exploiteren en woekerprijzen te hanteren. Er zijn meermaals voedselrellen uitgebroken, op een keer werden op de markt de karren van de boeren geplunderd en vernield. Gevolg: de boeren weigerden nog naar de markt te komen, waardoor het voedsel via tussenhandelaren op de zwarte markt belandde, tegen nog hogere prijzen. Er was trouwens veel te doen over speculanten, lui die voedsel opkochten en aan de elite verkochten, als het al niet aan de Duitsers was. Sommige van die speculanten werden na de oorlog erg zwaar gestraft, ze werden veel meer gehaat dan de activisten”.

-  Hoe is het de Antwerpse Duitsers na de Wapenstilstand vergaan?

Vrints: “Ze zijn haast allemaal vertrokken toen het Duitse leger zich terugplooide. Het is dus niet tot represailles gekomen, wat niet wegneemt dat de anti-Duitse sentimenten hoog opliepen. In 1920, dik twee jaar na de oorlog, trok nog een massa door de stad om te protesteren tegen de mogelijke terugkeer van de Duitsers. Georganiseerd door het stadsbestuur, met medewerking van de Kamer van Koophandel, een instantie nota bene die voor de oorlog voor een derde uit Duitsers bestond.  En heel opvallend: er liepen ook loyale Duitsers mee, die tijdens de oorlog voor België hadden gekozen. Na de oorlog werden ook enkele straatnamen aangepast. Albert von Bary had al bij leven en welzijn een straat gekregen, wat wijst op de uitzonderlijke rol die hij voor 1914 in Antwerpen speelde. Welnu, we kennen die straat als de Jan Blockstraat. Ook de Saxenstraat  en de Coburgstraat klonken de Antwerpenaren te Duits in de oren, die veranderden in de Dendermonde- en de Ieperstraat, als eerbetoon aan twee martelarensteden uit de oorlog.  Koning Albert moest je niet vertellen hoe gevoelig dat lag. Tijdens de oorlog heeft de vorst zijn naam laten aanpassen. Albert van België, dat klonk ineens beter dan Albert van Saksen-Coburg”.