Maandelijks archief: mei 2014

Auto rijden? Niet cool, zeggen jonge stedelingen

(Knack, 7 mei 2014)

Science fiction? Dat dacht de hoefsmid honderd jaar geleden ook toen hij de eerste auto zag passeren’

Freude am fahren? Jonge stedelingen willen er niet meer van horen. Een rijbewijs hoeven ze niet, laat staan dat ze eigen auto willen. Liever een snelle internetverbinding dan een potente wagen. De Belgische rijscholen zien de bui hangen.

 

cartoon Bart Schoofs

illustratie Bart Schoofs

Veertig procent van de 30-jarigen in Berlijn heeft geen rijbewijs. Niet dat ze collectief falen in hun rijexamen. Steeds meer jonge Berlijners halen geen rijbewijs omdat ze simpelweg geen auto willen. Het cijfer komt van Jeroen Smeesters van Federdrive, de koepel van Belgische rijscholen. “Berlijn is geen unicum”, zegt hij. “Londen, Parijs, Madrid, in alle trendzettende steden van Europa stellen we vast dat de auto bij jongeren aan populariteit inboet. Ook in België trouwens. In onze rijscholen zien we de gemiddelde leeftijd omhoog schieten. Vroeger kregen we vooral 18-en 19-jarigen over de vloer, tegenwoordig stellen ze hun rijbewijs uit tot ze 20 à 22 zijn”.

Dat cijfer zou nog een stuk hoger kunnen liggen. In Vlaanderen wordt de trend ietwat afgezwakt door Rijbewijs op School, een initiatief dat jaarlijks zo’n 40.000 laatstejaars uit het secundair onderwijs voorbij de horde van het theoretisch rijexamen loodst. “We organiseren dat al sinds 2005”, zegt Werner De Dobbeleer van de Vlaamse Stichting voor Verkeerskunde. “Samen met de rijscholen en examencentra, zowel lessen als examens vinden op de school plaats. Vrijblijvend, maar de meeste scholen bieden het buiten het verplichte lessenpakket aan. Het blijft immers populair bij jongeren, maar dat betekent niet dat ze zich na het theorie-examen reppen om ook een voorlopig rijbewijs aan te vragen. Steeds meer jongeren stellen de praktijkopleiding uit. Tot na hun studies, of voor onbepaalde tijd. Vaak wachten ze zo lang dat ze hun theorie-examen moeten overdoen”.

Bij vorige generaties ging het anders. Een rijbewijs hoorde bij de meerderjarigheid, de auto stond symbool voor vrijheid en plezier. Rijkeluiskinderen kregen er op hun achttiende een cadeau, anderen klusten en spaarden voor een occasie, of ze leenden gewoon de kar van pa of ma. “Op het platteland is dat nog altijd gangbaar”, zegt Smeesters. “De trendbreuk is een stedelijk fenomeen. Je kunt de auto pas missen als er alternatieven zijn. Efficiënt openbaar vervoer dat een groot gebied bestrijkt, een goede fietsinfrastructuur. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, laten vooral studenten en hoogopgeleide twintigers de auto aan de kant staan”.

Autorijden is duur. Valt de aanschaf nog mee,posten als brandstof, verzekeringen en verkeersbelasting tikken aan. Amsterdam, waar de nieuwe coalitie van GroenLinks en D66 er alles aan doet om het autogebruik terug te dringen, wil parkeren fors duurder maken. Nu al kost een jaarvergunning in sommige stadsdelen 400 euro. “Jongeren geven vandaag liever geld aan een snelle internetverbinding dan aan een snelle wagen”, zegt Smeesters die als Belgisch vertegenwoordiger binnen de Europese koepel van rijscholen het mobiliteitsdebat op de voet volgt. “Maar het zit dieper: de auto is zijn status van geluksmachine kwijt. Freude am fahren, die slogan slaat steeds minder goed aan. Waarom zouden de jongens en meisjes van generatie Y in de stad een auto nodig hebben? Als ze iets willen kopen, wordt het na een paar muisklikken aan huis besteld. Uitgaan met de vrienden? Geen verplaatsing nodig, daten gebeurt virtueel. En dit is nog maar een begin. Straks komt generatie Z eraan, de eerste echte digitale Aboriginals”.

Freude am Fahren, het is nog altijd de baseline waarmee marketeers auto’s aan de klant proberen te brengen. Ze zijn niet de enigen die nieuwe recepten moeten bedenken. “Je hoort het op elk congres en je leest in elk vakblad”, zegt Smeesters. “De constructeurs moeten dringend het roer omgooien. Ontwerpen en assembleren van auto’s volstaat niet meer, ze moeten zich als mobiliteitsverstrekkers profileren.  Dealers zullen in de toekomst geen auto’s meer verkopen, maar slimme concepten zoals leasen, lenen of formules voor groepsgebruik”. Die zijn er vandaag al. Autodelen is de kinderschoenen ontgroeid. Cambio, dat de kaap van 15.000 gebruikers heeft overschreden, krijgt steeds meer concurrentie. Vorig jaar werd Bolides gelanceerd, een smartphone app waarmee gebruikers hun auto _ een Duitse premium _ kunnen lokaliseren, reserveren, ontgrendelen en zelfs de factuur regelen. Bolides, bescheiden gestart met één community in Antwerpen, wil in 2018 in heel België zo’n 1.000 deelwagens aanbieden.

En de rijscholen?” We krijgen minder leerlingen”, zegt Smeesters. “Maar ze worden wel steeds ouder waardoor ze ook meer opleiding nodig hebben, want vanaf 24-25 duikt de leercurve naar omlaag en wordt het moeilijker om auto te leren rijden. Die extra lesuren compenseren de terugloop van het aantal leerlingen. Maar de lange termijn is een ander verhaal, ik denk niet dat deze sector nog dertig jaar meegaat. De trend is duidelijk: autorijden is niet cool meer. We zullen het steeds minder vaak doen, en als we toch een auto nodig hebben, zal die zelfstandig rijden. De technologie evolueert razendsnel, Google Car is nog maar een begin. Zodra ze met een betaalbare, zelfstandig rijdende en ongevalvrije auto op de markt komen, is het hek van de dam. Science fiction? Dat dacht de hoefsmid honderd jaar geleden ook toen hij de eerste auto zag passeren”. 

De Guinese golf in Brussel

(Knack, 30 april 2014)

“Reizen en plantrekken zit ons in het bloed”

Brussel, meer dan ooit stad van aankomst, wordt door een migratiegolf uit West-Afrika overspoeld. Vooral de Guinese gemeenschap groeit als kool. Diallo, Bah, Barry, Sow, straks spelen ze Dubois, Janssens en Peeters uit de hitparade van populaire familienamen. Allemaal Peul, een volk dat reizen en plantrekken in het bloed heeft. Inburgering? Op 25 mei pakken zowat alle Franstalige partijen met een Peul-kandidaat uit.

(foto’s: Franky Verdickt, www.frankyverdict.be)

 

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Een verrassend cijfer uit een recente studie van de FOD Economie: in Brussel wonen niet minder dan 2.155 Diallo’s. De West-Afrikaanse familienaam is daarmee met voorsprong de populairste van de hoofdstad.  Ook de nummer twee komt uit West-Afrika: 1.244 nieuwe Brusselaars luisteren naar de naam Bah. Janssens, Peeters en Dubois, oer-Belgische achternamen die decennialang het peloton aanvoerden, bezetten plaatsen drie tot vijf. De vraag is hoe lang nog, want Dubois wordt op de hielen gezeten door de Vietnamese Nguyen, terwijl op plaats zeven alweer een West-Afrikaanse naam staat te dringen. De Barry’s zijn intussen ook al met 847, volk genoeg om in de Brusselse nomenclatuur traditionele sterkhouders als Jacobs, Mertens en Martin achter zich te laten.

Diallo, Bah en Barry zijn typische namen van Peul,  een van oorsprong nomadisch volk uit de Sahel. Peul, ook wel Fula of Fulbe genoemd, leven verspreid over een dozijn landen, van Mauretanië over de CAR tot Noord-Soedan. Er zijn aanzienlijke gemeenschappen in Nigeria, Mali, Burkina Fasso en Senegal.  De overgrote meerderheid van de Brusselse Diallo’s, Bahs en Barry’s is echter afkomstig uit Guinée-Conakry, het enige land waar de Peul op een numeriek overwicht kunnen bogen. Dat de Guinese kolonie in het hoofdstedelijk gewest een spectaculaire groei kent, blijkt ook uit de gedetailleerde bevolkingstabellen die we van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse ontvingen. In 2000 werden in de negentien gemeenten amper 220 Guineërs geregistreerd. Dertien jaar lager vormen ze met 4.214 de op een na grootste gemeenschap uit Subsaharaans Afrika, na de Congolese diaspora die om historische redenen in de voormalige metropool verankerd is. Het is in deze materie echter oppassen geblazen met etiketten. Lang niet alle Guinëers zijn Peul,  dat zullen we tijdens onze reportage ondervinden. In het algemeen kan men in Brussel trouwens beter van een West-Afrikaanse boom spreken. 3.589 Kameroenezen, dat is een dorp in de grootstad. Over Nigerianen, Ghanezen en Togolezen ontvingen we geen aparte cijfers, maar vast staat dat ze zwaar wegen in de restgroep van 10.189 Afrikaanse Brusselaars. In deze cijfers tellen genaturaliseerde immigranten niet mee, net zo min als illegalen. Die laatste groep is zeer omvangrijk, menen insiders die bij gebrek aan data op hun buikgevoel afgaan.

Maggie De Block

Feit is dat Guinëers eruit springen. Nergens weten ze dat beter dan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De asielinstanties worden overstelpt met dossiers uit Guinée-Conakry, een vaste waarde in de top drie van herkomstlanden. 2011 was een uitschieter, met 2.134 asielaanvragen. Vorig jaar waren het er 1.247, nog altijd goed voor een tweede plaats na Afghanistan. Het is geen toeval dat staatssecretaris voor asiel- en migratie Maggie De Block (Open VLD) begin februari op ontradingsmissie naar Conakry vloog.  Zoals bekend kreeg de expeditie een staartje. De Block, die ook president Alpha Condé mocht ontmoeten, keerde terug met afspraken over gedwongen, collectieve repatriëring van uitgeprocedeerde asielzoekers. Op 17 maart zou een eerste beveiligde vlucht met 27 rapatriés, eerder verzameld in verschillende gesloten asielcentra, uit Melsbroek vertrekken. Zou, want de Guinese autoriteiten weigerden op het allerlaatste nippertje hun toestemming tot landing, tot grote woede van De Block die zich voor schut gezet voelde.

Het effect van de hele ontradingsmissie valt overigens af te wachten, zeker omdat Guinese asielzoekers allesbehalve kansloos zijn. “Het beschermingspercentage schommelt rond de 20 procent”, zegt Commissaris-Generaal Dirk Van Den Bulck. “Tussen 2009-2011, de woelige periode van de eerste democratische presidentsverkiezingen, liep het zelfs tegen de 30 procent. Massale politiek vervolging zien we intussen niet meer, maar er zijn nog altijd problemen voor bepaalde categorieën zoals kritische journalisten. Typisch voor Guinëers is de veelheid van factoren die ze inroepen, waarbij ze politieke vervolging en etnische discriminatie door elkaar mengen. Vrouwen halen meestal andere vluchtmotieven aan. Vrees voor een gedwongen huwelijk, of voor genitale verminking van hun dochter. Ook discriminatie van homo’s horen we de jongste jaren steeds vaker”.

Ook de economische migranten, viervijfden van het totaal dus, putten uit deze opties. Armoede is immers geen vluchtmotief, maar wel een realiteit in Guinée-Conakry. Het West-Afrikaanse land, de voorbije weken geteisterd door een dodelijke ebola-epidemie, bengelt onderaan in alle ontwikkelingsindexen.  De migratiedrang is groot, constateert Van Den Bulck. “Guinéers zien migratie haast als een vanzelfsprekend recht, ze zijn ervan overtuigd dat ze een kans verdienen op een nieuwe toekomst in een nieuw land. Behalve Frankrijk komt België daarbij prominent in beeld. Vanwege de taal, uiteraard. Maar bij asielstromen spelen altijd verschillende elementen. De aanwezigheid van een eigen gemeenschap is cruciaal, ze vergroot de kansen om economisch te overleven. Echte filières zoals bij Afghanen en Pakistani zien we niet, al zijn er gevallen van identiteitsfraude bekend. We stellen trouwens vast dat vele Guineërs de strenge controles op Zaventem vermijden en via de buurlanden binnenkomen. Ook de economische crisis speelt mee. Guineërs die tot 2010 in de Spaanse en Portugese landbouw werkten, zijn de voorbije jaren naar Frankrijk en België afgezakt”.

Afdankertje op weg naar Conakry

Afdankertje op weg naar Conakry

Autoland

Guineërs in Brussel? Je vindt ze in de omgeving van het Klein Kasteeltje, het oudste en bekendste opvangcentrum voor asielzoekers. De buurt valt niet meer weg te denken uit de informele economie van de hoofdstad. Iedere dag staan de stoepen er vol asielzoekers en illegalen met schijnbaar niks om handen. In feite staan ze te wachten tot een bestelwagen hen oppikt voor een onderbetaalde en vaak ongezonde klus. Alle herkomstlanden zijn vertegenwoordigd, maar Guineërs spannen de kroon. Zijn dat nu de economische overlevingskansen voor nieuwkomers in Brussel? Er zijn betere plekken, zo blijkt als we het kanaal richting Anderlecht volgen. Vergeet Matongé, voor Afrikaanse sfeer moet men op het kruispunt van de Heyvaert- en de Liverpoolstraat zijn. De oude fabrieksbuurt vlak bij de slachthuizen van Anderlecht is intercontinentaal berucht. Industrie is er al lang niet meer, fabrieken en depots dienen als parking of garage. Dit is Autoland, de grootste occasiemarkt van Europa. Ook op deze donderdagmiddag gonst het er van de bedrijvigheid. Koetswerken worden op verborgen roestplekken gekeurd, motoren in vrijloop brullen, er wordt gepingeld en gesjacherd dat het een aard heeft. Intussen rijden de opleggers af en aan, verkochte auto’s op weg naar Antwerpen. Op de voorruit kleeft een papier met de bestemming. Douala, Libreville, Cotonou, Dakar, Lomé, Lagos, Abdijan, alle havens op de Afrikaanse Westkust worden bediend. Een naam komt opvallend vaker voor dan alle andere: Conakry.  “De belangrijkste haven voor auto’s in West-Afrika”, zegt Adam Traoré trots. “Conakry is een transitbestemming, heel wat auto’s gaan over land de grens over. Zie je, de voorbije jaren hebben de meeste Afrikaanse landen het voorbeeld van Marokko gevolgd en kwaliteitsnormen opgelegd. Senegal bijvoorbeeld laat geen auto’s van voor 2006 meer binnen, en ook in Liberia en Angola geldt een maximumleeftijd. Guinée kent geen beperkingen, bovendien liggen de invoertaksen nergens lager”.  Adam staat in de open poort van Belgo-Malienne, een Antwerps expeditiebedrijf gespecialiseerd in West-Afrika. Het filiaal in de Liverpoolstraat is de drukste plek van Autoland,  op de stoep is het een permanente samenscholing. Met een schuin oog superviseert Adam het laden van zijn laatste deal, een Nissan jeep van nauwelijks vier jaar oud. “Ik kom hier dagelijks”, zegt hij. “Ook als ik niks in te klaren heb. Belgo-Malienne, dat is het vaste rendez-vous van de Guineërs, hier hoor je alle nieuwtjes ”. Dertien jaar geleden kwam Adam naar België, hij had als student tegen de militaire dictatuur van Lansana Conté betoogd. Asiel heeft hij nooit gekregen, maar hij kon zijn verblijf lang genoeg rekken om een regularisatiegolf te verzilveren.  Moeilijk doet hij er niet over. Die stenen tijdens de studentenbetoging in Conakry waren echt, maar dat belet niet dat hij zich een fortuinzoeker noemt, een economische migrant die in België zijn draai heeft gevonden. “Zoals de meeste Guineërs die je hier ziet”, zegt hij.

Futa Jallon

Toch is de politiek in Autoland nooit ver weg. Op deze donderdag ligt de Europees-Afrikaanse top nog in het verschiet. Ook de Guinese president Alpha Condé komt naar Brussel, een vooruitzicht dat de gemoederen verdeelt. De 76-jarige Condé, een in Parijs opgeleid jurist, politiek gevangene onder de militaire dictatuur, jarenlang balling in Frankrijk, werd in 2010 de eerste democratisch verkozen president van Guinée. De stembusslag werd echter gecontesteerd, net zoals de parlementsverkiezingen die vorig jaar met veel vertraging en een golf van bloedig straatprotest gepaard gingen. Dat scenario dreigt zich te herhalen, in de aanloop naar de locale verkiezingen die nog dit jaar moeten plaats vinden. De oppositie blijft op dezelfde spijker hameren: Waymark Infotech, het Zuidafrikaanse IT-bedrijf dat kiezers registreert, zou met de president onder een hoedje spelen om de uitslag te manipuleren.

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Zonder scherp te stellen op de nuances in de Guinese politiek springen de etnische tegenstellingen in het oog. De Peul, goed voor 40 procent van de bevolking en dominant in economie en handel, voelen zich al van bij de onafhankelijkheid in 1958 politieke tweederangsburgers. Ondanks hun numeriek overwicht mochten ze nooit het presidentschap claimen. Ook na de democratisering botsten hun kandidaten op een coalitie van Malinké en Susu, de andere twee zwaargewichten onder de volkeren die de etnische lappendeken stofferen. Een snelle enquête in de Liverpool- en Heyvaertstraat bevestigt de kloof.  Schiet een Peul aan, en hij brandt Condé af als een corrupte usurpator die zijn land recht naar de afgrond voert.  Vraag het een Malinké zoals Adam Traoré, en hij zingt de lof van zijn volksgenoot die eerbiedig le Vieux of le Professeur wordt genoemd.  Goed bezig, alleen heeft hij meer tijd nodig om de corruptie uit te roeien en de wantoestanden uit het verleden recht te trekken.  De uitbater van het koffiehuis naast Belgo-Malienne, een Marokkaanse Molenbekenaar, kent zijn pappenheimers. “De Peul zitten bij voorkeur aan de straatkant, de anderen kiezen voor de tafels dichter bij de toog. Ca discute fort, maar alleen als het over politiek gaat. Door de bank genomen zijn Guineërs rustige klanten”. Moussa Diallo, een 63-jarige Hadj-veteraan met een grijze baard, drinkt zijn thee aan een tafeltje dicht bij de deur. Peulgebied, we konden het ook uit zijn naam afleiden. Van Moussa vernemen we de alternatieve benaming voor het kruispunt Liverpool-Heyvaert, de pleisterplaats van de Peul. Dat is dus de Futa Jallon, naar het gelijknamige gebergte in centraal Guinee dat het hartland van de Peulgemeenschap vormt. Etnische balkanisering op microniveau? Net wanneer de conclusie zich opdringt, schudt Moussa volgende anekdote uit de mouw. “Gisteren probeerden enkele jonge Arabieren een fiets van een Guineër te stelen. Hun plannetje is mislukt, want we zijn er allemaal achteraan gegaan. Als één man, Guineërs onder elkaar. Trouwens, ook de Congolezen en de Nigerianen deden mee. Als het er op aankomt, trekken Afrikanen aan een zeel”.

nomaden

Enkele dagen later. Betoging op het Schumanplein. Routine, het kantoorvolk uit de buurt slaat er geen acht op. Ook de politieagenten staan er ontspannen bij. Geen verkeershinder, de hele betoging past op een forse vluchtheuvel. Met een zestigtal zijn ze, Guineërs bewapend met spandoeken. ‘Condé Assasin!’, luidt de boodschap die ze aan de vooravond van de Europees-Afrikaanse top brengen.  We krijgen pamfletten in handen gestopt, iemand komt met vuur betogen dat de oppositie niet als een loutere Peul-aangelegenheid kan worden afgedaan. Toch is het al Diallo, Bah en Barry dat de klok slaat. Peul, net zoals Salam Sow wiens familienaam slechts nipt buiten de top tien van FOD Economie is gevallen. Driekwart van alle Guinëers in Brussel is Peul, Salam noemt het een voorzichtige schatting. Hij woont hier zelf al achttien jaar, een afgewezen maar geregulariseerde asielzoeker met twee kinderen die als echte Zinnekes in de Marollen opgroeien. Salam geldt als een spilfiguur in de Peul-gemeenschap die verrassend sterk georganiseerd is. “Iedere stad in de Futa Jallon heeft hier een eigen vereniging”, legt hij uit. “Kindia, Gaoual, Labé, Dalaba, Mamou, Mali, ze hebben allemaal een vertegenwoordiger, ik ben trouwens zelf de verantwoordelijke voor de gemeenschap uit mijn geboortestad Télimélé. Onze rol is vooral ceremonieel, we treden op bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen. Maar we organiseren ook een eigen voetbalcompetitie. De finale vorig jaar heeft meer dan 500 toeschouwers gelokt, allemaal Guineërs”.

betoging tegen president op Schumanplein

betoging tegen president Alpha Condé op het Schumanplein

De betoging loopt zonder incidenten af, we duiken samen de metro in. Salam geeft tijdens de rit een eigen visie op een zaak die de hele gemeenschap beroert, de geaborteerde poging om 27 uitgeprocedeerde asielzoekers met een beveiligde vlucht te repatriëren. “Paniekvoetbal van de president”, zegt hij schamper. “Hij heeft in februari toezeggingen gedaan aan De Block, maar hij was toen te laf om dat aan de bevolking te vertellen. In de plaats daarvan heeft hij mist gespoten. Guinée zou toelating hebben geven voor gedwongen repatriëringen, maar alleen voor criminelen. Blijkbaar had hij niet verwacht dat De Block er zo’n haast zou mee maken. De poppen gingen aan het dansen toen bekend raakte dat de eerste 27 rapatriés helemaal geen criminelen waren, maar onschuldige landgenoten onder wie ook vrouwen en kinderen. Daarop is een storm van protest opgestoken, in Guinée maar ook in België. Migratie is een geladen thema,  iedere Guinese familie heeft wel iemand in het buitenland zitten. Vooral bij de Peul ligt het gevoelig. We zijn een volk van nomaden, reizen en plantrekken zit ons in het bloed”.

Zwarte schepen

Bea Diallo (42) heeft zijn roots in Mali, een stad in de Futa Jallon op de grens met Senegal. Een halve Peul, zijn moeder is een Wolof uit Senegal. De band met de heimat is vooral sentimenteel. Deze diplomatenzoon groeide op in Parijs, tot hij als vijftienjarige naar Brussel verhuisde. In boksmiddens klinkt zijn naam als een klok, Bea Diallo won als halfzwaargewicht verschillende Belgische en internationale titels.  Minstens even trots is hij op een ander exploot:  de eerste Guineër die zich in de Belgische politiek heeft gemanifesteerd. De zwarte PS’er is schepen in Elsene en lid van het Brussels parlement.  “Ik heb de gemeenschap zien groeien”, zegt hij. “Een eerste golf twintig jaar geleden, een tweede in de periode 2009-2010, en vorig jaar is alweer een nieuwe lichting gearriveerd. Altijd gebeurde dat tegen een achtergrond van electorale spanningen, met straatgeweld en repressie. Okay, de meeste Guineërs komen uit economische noodzaak. Maar is dan niet even goed een politiek motief? Guinée is een vruchtbaar land, rijk aan bodemschatten. Hoe komt het dan dat het straatarm is? Wanbeleid door politici, vroeger en nu.  Alpha Condé is geen Peul, maar ik was enthousiast bij zijn verkiezing in 2010. Een Westers geschoold intellectueel, die zou het land uit de slop halen. Drie jaar later ben ik diep ontgoocheld. Condé heeft er niks van gebakken”.

Twee jaar geleden trad hij zelf op de voorgrond toen rellen uitbraken in de Congolese wijk Matongé. Bea Diallo wist als plaatsvervangend burgemeester de gemoederen te bedaren, een exploot waarbij zijn prestige als straatwijze bokskampioen van pas kwam.  Het stoort hem overigens dat nogal wat buitenstaanders Afrikanen in Brussel automatisch voor Congolezen aanzien. “Absurd”, zegt hij. “Alsof je Italianen en Finnen op één hoop zou gooien. Guineërs hebben bijvoorbeeld niks met Matongé. Ze wonen vooral in Schaarbeek, Molenbeek, Anderlecht en bepaalde wijken van Brussel Stad. Buurten waar ook veel Marokkanen wonen en moskeeën staan, we zijn tenslotte moslims onder elkaar”. Bea, vader van vier, is ervan overtuigd. Zijn gemeenschap is wortel aan het schieten. In Brussel waar tweederden van alle Belgische Guineërs wonen , maar ook in steden als Antwerpen en Luik.  “De PS was een voorloper”, zegt hij, “bij de vorige verkiezingen was ik de enige Guinese kandidaat. Met goed resultaat, en dat hebben de andere partijen ook in de gaten. Op 25 mei pakken zowel Ecolo als CdH met een Diallo en een Bah uit. Zelfs de MR heeft een Guinese kandidaat gestrikt, een Diallo”.

Mamadou Bah,  kandidaat  Ecolo voor de Brusselse verkiezingen. .

Mamadou Bah, kandidaat Ecolo voor de Brusselse verkiezingen

Le Doyen

De vraag is of Sansi Bah plaats genoeg vindt om de affiches van al die kandidaten op te hangen. De vitrine van zijn kruidenierswinkel in de Rogierstraat zal alleszins niet volstaan. Het was Salam Sow die ons op weg naar de bescheiden nering heeft gezet. Het precieze adres kende hij niet, maar hij dropte namen als Brabantstraat, Poststraat, Paleizenstraat en Liedtsplein, coördinaten die naar een dichtbevolkte, ietwat verloederde buurt achter het Noordstation leidden. Salam had niet overdreven, naast Autoland is dit een tweede Brusselse buurt waar de Guineërs het straatbeeld kleuren. In de Poststraat is onlangs een nieuwe moskee geopend, de eerste in Brussel waar een Peul als imam voorgaat. Guinese kappers, kruideniers, telefoonwinkels, de concurrentie is groot. Sansi Bah heeft echter een troef: hij is de enige die zich le doyen mag noemen, de ouderdomsdeken van de Brusselse Peul-gemeenschap. “Ik was hier de allereerste”, zegt de 67-jarige die zijn titel van deken cumuleert met die van vertegenwoordiger van het in de Futa Jallon gelegen stadje Pita. “Ik ben in 1992 gearriveerd als asielzoeker. Het statuut heb ik niet gekregen, maar intussen ben ik al lang geregulariseerd”. Voor de deur staat zijn zwarte Mercedes, tweedehands maar glimmend als een spiegel.  “België is een goed land”, mompelt hij tevreden.  De vijf mannen aan de winkeltoog spreken hem niet tegen. Er wordt niks gekocht, ze zijn hier om te babbelen. We brengen het bezoek van de president te berde. Waarom hij als doyen van de Peul niet gaan betogen is op het Schumanplein? Sansi haalt de schouders op. “Er is veel cinema bij”, zegt hij. “Ik ken er die daar tegen de president stonden te betogen, terwijl ze hem volgende week op de luchthaven of op de ambassade persoonlijk gaan begroeten”.

Een frêle man komt binnen, smetteloos in een sportief jasje. Hij stelt zich voor als Mamadou Saliou Bah (43) en bleek naar ons op zoek. Zo maken we kennis met een tweede Guinese kandidaat voor het Brussels parlement. Mamadou, houder van een ULB masterdiploma internationale betrekkingen, komt op voor Ecolo. Hij wou de kans niet missen om via de Vlaamse pers zijn engagement te onderstrepen, ook al omdat de communautaire tegenstellingen in zijn nieuwe vaderland hem als politicoloog erg boeien.  “Inburgering is een werk van lange adem”, betoogt hij. “Ik wil dat proces mee helpen begeleiden, daarom ben ik ook een opleiding gaan volgen bij het Centre Bruxellois d’Action Interculturelle. We moeten op verschillende fronten werken. Vooroordelen bestrijden bij de Belgen, maar ook waakzaam blijven voor onze eigen jeugd. Guineërs belijden traditioneel een gematigde, tolerante variant van de Islam. Dat moet zo blijven, we mogen niet toelaten dat Salafisten of andere extremisten een voet tussen de deur krijgen”.  Hij vist een kaartje uit zijn boekentas, er steekt ook een Franse vertaling van “Tegen Verkiezingen” in, het essay van David Van Reybroeck over het democratisch vermoeidheidsyndroom waarvan hij zelf geen last heeft. “Ik heb bewust voor de politiek gekozen. Ik weet niet hoe het met de andere Guinese kandidaten zit, maar ik voel me geen alibi-kandidaat. Ik ben meer dan lokaas om de electorale vijver van mijn gemeenschap leeg te vissen, ik wil de dingen veranderen”. Afspraak op 25 mei in Brussel. Bah versus Diallo, het wordt een wedstrijd binnen de wedstrijd.

 

WOI: Spokenjagen in het Fort van Walem

(Knack Stedenspecial Antwerpen, 19 maart 2014)

‘Het moet hier een hel zijn geweest’

Vleermuizen liggen er niet wakker van, maar het is er ’s nachts niet pluis.  Welkom in het Fort van Walem, een kiezel in de laars van de Duitsers tijdens hun opmars aar Antwerpen in 1914. De aversie van Antwerpen voor Brussel? Allemaal de schuld van de fortengordels.

foto’s Lies Willaert – www.lieswillaert.be

 

binnenzicht fort van Walem (alle foto's: Lies Willaert)

binnenzicht fort van Walem (alle foto’s: Lies Willaert)

Het spookt in het fort van Walem bij Mechelen. Onderzoekers van de Nederlandse spokenjagersclub The Ghosthunter maken op hun website melding van verschijningen en andere bovennatuurlijke fenomenen. Tijdens hun nachtelijk bezoek aan het fort wisten ze zelfs enkele Entiteiten te filmen. Geesten van de Belgische soldaten die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen, oppert de website. Aan de Entiteiten durven we te twijfelen, het verschijnsel in de video heeft verdacht veel weg van de lichtkegel van een zaklantaarn. Maar de soldaten zijn er wel degelijk, althans hun stoffelijke resten. Hoeveel lijken er onder het puin van de ingestorte gewelven liggen? Filip en Tony, de gastheren van Natuurpunt die ons genereus op hun zelden toegankelijk domein ontvangen, weten het niet precies. “Er zijn bij de belegering zo’n 70 soldaten omgekomen”, zegt Tony. “Maar of die hier nog allemaal liggen? De grote caponnière is ontploft na een voltreffer in een kruitkamer. De explosie en de hitte moeten verschrikkelijk zijn geweest, ik denk niet dat er veel over bleef van de sukkels die er toen inzaten. De luchtverplaatsing ging naar de binnenkant van het fort, zo krachtig dat enorme brokstukken meters ver op het plein werden geslingerd. Ook soldaten werden er langs die kant uit geblazen, zwaar verminkt of morsdood. Die laatsten zijn wellicht elders begraven”.

dikke Bertha’s

Piet Lombaerde (65) kijkt zijn ogen uit. Natuurlijk kent hij dit verhaal, het hele grondplan van het fort zit trouwens in zijn hoofd, net zoals dat van de overige 30 bolwerken die samen de eerste en tweede fortengordel rond Antwerpen vormen. Lombaerde, burgerlijk ingenieur-architect van vorming, professor stedenbouw en ruimtelijke ordening aan de Universiteit Antwerpen van beroep, is al een leven lang gepassioneerd door vestingbouwkunde. Het woord caponnière behoorde vanmorgen nog niet tot onze actieve woordenschat. Een dwars over een droge gracht uitspringende galerij met schietgaten van waar een vestingmuur kan worden verdedigd? We konden er ons weinig bij voorstellen, maar na kennismaking met Lombaerde kunnen we vlot het onderscheid maken tussen halve en volledige caponnières. We leren ook het verschil tussen bastions en polygonale vestigingen, waarvan het in 1878 voltooide Fort van Walem een prachtig voorbeeld is. Nooit zullen we nog een fort verwarren met een schans, de veel kleinere veldversterking waarmee de artillerie de hiaten in het schietbereik tussen de forten van de buitenlinie rond Antwerpen moest afdekken. Technisch en specialistisch? Jazeker, maar Lombaerde ontpopt zich tot een begeesterende verteller die kwistig met anekdotes strooit. Zien we die holle traverse? Alweer een geniale uitvinding van Vauban, de Franse maarschalk uit de 17de eeuw die als de grootste vernieuwer in de geschiedenis van vestingbouw te boek staat.“Vauban had zelf ettelijke versterkte steden belegerd. Hij had ondervonden hoe je met een welgemikte kanonskogel een hele rij vijandelijke batterijen kon uitschakelen, als dominostenen. Daarom bedacht hij de traverse, een aarden of stenen wal die haaks staat op de hoofdomwalling waardoor ricochetvuur wordt geneutraliseerd”. Precies honderd jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staat Lombaerde zelf voor een zware campagne. De professor toert met een lezing over de Antwerpse fortengordel in 14-18  in het Davidsfonds-circuit. De aanvragen stromen binnen.

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

En toch heeft hij nooit eerder een voet gezet in het fort van Walem, waar hij zich reeds als kind aan vergaapte wanneer hij met zijn vader via de N1 naar Antwerpen reed. Hij neemt druk foto’s van de ravage bij de grote caponnière. “Buitengewoon”, zegt hij opgetogen. “Door de ontploffing kun je perfect de opbouw zien.De bakstenen gewelven uit 1878 werden met een laag zand afgedekt. De militaire technologie bleef echter niet stilstaan. Het artilleriegeschut werd steeds zwaarder, en de vestingbouwers probeerden te volgen. De recentere forten van de buitenste gordel werden in beton opgetrokken, in de oudere forten zoals dat van Walem werd begin vorige eeuw een extra laag beton gegoten en met aarde afgedekt. Het geheel was berekend op artillerie van 22 centimeter. Maar dan zie je de Duitsers in 1914 arriveren met hun Dikke Bertha’s van 42 centimeter en hun Skoda-mortieren van 30,5 centimeter. Dat is waar de Belgische legerleiding zich op verkeken heeft. Iedereen wist wel dat er zulke zware kalibers bestonden, statische batterijen die onder meer voor de kustverdediging werden gebruikt. Maar wat niemand had verwacht: de Duitsers waren er in geslaagd die enorme vuurkracht mobiel te maken! De dikke Bertha’s van Krupp waren demonteerbaar, ze werden op drie wagens geladen en via het spoor of met speciale stoomvoertuigen getransporteerd. De stukken die bij het beleg van Antwerpen werden ingezet, hadden al bij Luik en Maubeuge gediend. Ze arriveerden ’s middags per spoor in Vilvoorde, en zes uur later al waren ze schietklaar. De Dikke Bertha’s zijn legendarisch geworden, maar minstens even verwoestend waren de Skoda-mortieren, Walem is overigens uitsluitend met Skoda’s belegerd. Stel je voor, obussen van een halve ton die in een boog werden afgeschoten. Door het benutten van de zwaartekracht was de impact maximaal, ze kwamen binnen met een snelheid van bijna 1000 kilometer per uur. Het moet hier een hel zijn geweest”.

Een hel is precies wat majoor Dewitte beschreef toen hij na de oorlog voor de commissie Deguise zijn bevelvoering over het fort moest verantwoorden. Het verslag, makkelijk te traceren op het internet, leest als een vroege diagnose van shellshock. Op 2 oktober, wanneer het fort al vijf dagen onder vuur ligt, bereikt de beschieting een hoogtepunt. De hoofdcaponnière is al ontploft, zeventig van de 500 artilleristen en infanteristen zijn een vreselijke dood gestorven. Dewitte telt 18 inslagen per minuut, bij iedere explosie ziet hij mannen ineen krimpen en onbedaarlijk bibberen, gek van doodsangst. Officieren hebben de handen vol met het voorkomen van wanhoopsdaden. Voor shellshock – het woord bestond nog niet – was geen begrip. Enkele waanzinnig geworden soldaten worden door de eigen wachters neergeschoten als ze via de brug over de natte gracht trachten te ontkomen. Dewitte beklaagt zich overigens over de kwaliteit van zijn soldaten, voornamelijk oudere reservisten die bij hun wederoproeping vergeten zijn hoe ze een Mauser moeten hanteren. Familievaders, zegt Dewitte smalend waarna hij opwerpt dat voor deze missie alleen onbezorgde jongemannen bruikbaar zijn. De frustratie van de ijzervreter liep hoog op: een na een werden de geschutskoepels uitgeschakeld, zonder dat het fort ook maar iets kon terugdoen. De reikwijdte van het geschut was te beperkt om de in Hofstade en Vilvoorde opgestelde Skoda-batterijen te verontrusten. Twee keer slaagt Dewitte erin een speldenprik uit te delen. Door zich stil te houden wekte hij de indruk dat het fort verlaten was. Twee keer stuurden de Duitsers een ploeg verkenners, twee keer werden die door Belgisch mitrailleurvuur neergemaaid. Op 2 oktober om 17 uur is de veer gebroken. Het fort heist de witte vlag, voor Dewitte en zijn overgebleven mannen breekt een periode van vier jaar krijgsgevangenschap aan.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren. Bovenop werd het monument voor de gesneuvelden van architect Joseph Diongre gebouwd

slapende vleermuizen

En nog steeds wordt het fort belegerd! Niet meer door Duitsers, maar door sportvissers, vandalen en souvenirjager die de heerschappij van Natuurpunt uitdagen. Bij het betreden heeft Filip, bij Natuurpunt verantwoordelijk voor het fort, al een vergunningsloze visser met zijn bootje uit de gracht verjaagd. Tijdens de rondgang stelt hij nieuwe sporen van indringers vast. Een zware ijzeren deur werd kwaadwillig dichtgegooid, in de achterliggende ruimte houdt een zeldzame ingekorfde vleermuis haar winterslaap. Met veel moeite wrikt Filip de deur weer open, het diertje moet meteen kunnen uitvliegen wanneer het straks met razende honger ontwaakt. Aan het welzijn van de vleermuis wordt niet licht getild. Bij de ingestorte koepel boven een van de halve caponnières zal Filip de professor tot fluisterstilte aanmanen. “Dit is de slaapplaats van een meervleermuis, net als de ingekorfde vleermuis een bedreigde soort die onder een Europees beschermingsprogramma valt. Al jarenlang beloof ik bij Natuurpunt een gratis vat als we een van de twee bedreigde vleermuissoorten waarnemen. Nu zijn ze er allebei, het is niet te geloven”.

De omgeving is prachtig. Overal schieten eiken op, relatieve nieuwkomers die er niet stonden toen majoor Dewitte en zijn mannen hun uitzichtloze strijd leverden. De forten werden kaal gehouden, en ook in een zone van 500 meter rondom waren bomen taboe. “Om het schootsveld vrij te houden en vijandelijke infanteristen geen dekking te geven”, zegt Lombaerde. “Rond alle forten van de de Antwerpse stelling gold een non aedificandi-zone. Bouwen kon wel, maar alleen houten of lemen constructies die in geval van nood snel konden afgebroken worden. In 1924 heeft men bij wet de verdedigingsfunctie van de binnenforten opgegeven, de Eerste Wereldoorlog had afdoende bewezen dat ze hopeloos voorbijgestreefd waren”. De buitenforten zouden pas na de Tweede Wereldoorlog hun militaire betekenis verliezen, zoals duidelijk blijkt in Walem.  De holtraverse op het hoofdfront, waar de ontplofte caponnière deel van uitmaakte, werd na 14-18 tot een betonnen bunker omgebouwd. Wanneer precies kan zelfs specialist Lombaerde niet uit het blote hoofd vertellen. Alleszins voor 1930, want in dat jaar werd bovenop de bunker een imposant memoriaal voor de gesneuvelde soldaten van Walem opgericht. De architect is niemand minder dan Joseph Diongre, tevens ontwerper van het Flageygebouw. In de zomer zit het kunstwerk verscholen tussen het bladerdak van de eiken, het moet een van de minst bezochte art deco-monumenten van België zijn.

Filip en Tony willen ons een recente ontdekking tonen. Tijdens beheerswerken kwam de mond van een kanonsloop bloot te liggen. 12 centimeter, schat de professor het kabiler op zicht. Geen spek voor de bek van souvenirjagers, het stuk ligt onwrikbaar onder het puin bedolven. Maar verzamelaars van militaira kennen wel degelijk de weg naar Walem. “Voor de gasmaksers”, zegt Tony. “Tussen de twee oorlogen was dit een depot. In 1939 lagen hier gasmaskers voor burgers gestockeerd. 500.000, sommigen zeggen zelfs twee miljoen stuks. Alleszins heel veel, het ligt hier nog vol. Rubberen maskers, maar ook ijzeren dozen en koolfilters”. Verzamelaars en vandalen zijn vaste klanten, maar de nachtelijke rust wordt nog door andere inbrekers verstoord. “Spokenjagers”, zegt Filip. “Vooral Nederlandse ghost hunters zijn een plaag.We geven geen toelating meer, maar ze steken ’s nachts de gracht over met apparaten waarmee ze zogezegd paranormale waarnemingen kunnen doen. Het probleem is er niet minder op geworden na een uitzending over Walem op de Amerikaanse zender Scifi. Die heeft Natuurpunt daar stevig voor betaald, geld dat goed van pas kwam na de aankoop van het fort. Fijn, maar niet voor herhaling vatbaar”.

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkend fort

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkende fort

De Meetingpartij

We lopen langs het officierskwartier, een gebouw waarvan de tragische geschiedenis niet is gestopt na  14-18. Tot de val van het Ijzeren Gordijn was dit in handen van de Civiele Bescherming, het was de plek van waaruit de reactie op een nucleaire aanval zou worden gecoördineerd. Het kwartier, nagenoeg intact uit twee oorlogen gekomen, werd daartoe verbouwd en met conferentiezalen, communicatieapparatuur en slaapzalen uitgerust. Op het domein was ook een helikopterplatform, bedoeld voor hoge NAVO-officieren die vergaderingen of nucleaire rampenoefeningen kwamen bijwonen. Er schiet niets meer van over, het interieur werd door een brand compleet verwoest. “Aangestoken door asielzoekers”, zegt Filip. “In de jaren negentig heeft het fort een tijdlang als gesloten asielcentrum gefungeerd. Buiten was een kooi gemaakt om ze te luchten. Op een keer zijn er twee ontsnapt, eentje is verdronken in de gracht. Kort nadien hebben ze de boel in de fik gestoken”.

We eten met de professor een broodje in Walem. Café ’t Hoekske, misschien wel het meest deprimerende etablissement van groot Mechelen, waar mannen al ’s middags aan de toog plakken met een glazen boterham, hun aandacht verdelend tussen de bingokast en de niet onknappe waardin. Piet Lombaerde is in zijn nopjes met het afgelopen bezoek. Met dank aan Natuurpunt, een instantie nochtans waarmee hij als minnaar van militair erfgoed niet altijd dezelfde golflengte deelt. “Ze  bedoelen het goed maar zijn soms te fanatiek”, zegt hij. “De natuur gaat boven alles, voor een paar vleermuizen laten ze een historische site teloor gaan. Spreek het woord restaureren uit, en ze gaan door het lint. Ze hebben ook Fort 7 in Wilrijk in beheer, een schakel van de binnenste gordel. Als men de natuur de vrije baan geeft, schiet er binnen een paar decennia van deze forten niets meer over. Ik vind dat we naar een evenwicht tussen natuur en patrimonium moeten streven. Zoals in het fort van Stabroek dat in privé-handen is. Daar organiseren ze evenementen, van paint-ball tot recepties en congressen. Dat draait goed, en zowel het patrimonium als de natuur blijven gevrijwaard”.

 

Waar spoken en vleermuizen thuis zijn
Waar spoken en vleermuizen thuis zijn

Een paar honderd meter verderop gaat de N1 over de Nete, een van de natuurlijke hindernissen die samen met de dubbele fortengordel de stelling van Antwerpen vormde. “De Belgen namen ook hun toevlucht tot inundaties”, legt Lombaerde uit. “Hier stond alles blank, maar de Duitsers hebben zich in Duffel een weg over de Nete gevochten. Ze hadden hun sector goed gekozen. De buitenste gordel is 95 kilometer lang, van fort De Perel op Linkeroever tot Stabroek. De belegering concentreerde zich echter op drie forten, die van Walem, Sint-Katelijne Waver en Koningshooikt. Als ze die konden uitschakelen, redeneerden ze, dan konden ze de Nete oversteken waarna Antwerpen gauw zou vallen. Dat was hun doel, het neutraliseren van het Belgische leger dat zich in het nationaal reduit had teruggetrokken. De Duitsers gingen er van uit dat de binnenste gordel, de acht Brialmontforten van voor 1870 die de veiligheidsomwalling vormden, geen noemenswaardig verzet zou bieden. Het klopt dat die forten hopeloos verouderd waren, maar ze hebben weerstand geboden. De overmacht was totaal, maar de soldaten hadden geen keuze. Commandanten lieten de brug over de gracht opblazen om te beletten dat hun manschappen zouden vluchten. In feite werden ze allemaal opgeofferd. Het Belgische opperbevel besefte al vroeg, na de val van Luik begin augustus 1914, dat ook Antwerpen niet verdedigbaar was. Dat bleef echter staatsgeheim. De bevolking en vooral de vijand moesten blijven geloven in de mythe van het onneembare reduit. Het was zaak zoveel mogelijk tijd te winnen om het Belgisch leger uit Antwerpen te evacueren. Dat is ook gelukt. Het Belgische veldleger is kunnen ontsnappen, dank zij 60.000 soldaten die achterbleven om de Duitse opmars te vertragen”.

We bestellen koffie, verrassend goed in ’t Hoekske. Vooraleer koers te zetten naar zijn thuisstad Antwerpen, werpt professor Lombaerde een verrassend licht op een breuklijn in de nationale politiek. “De fortengordel verklaart de Antwerpse aversie voor Brussel”, zegt hij. “Kort na de Belgische onafhankelijkheid rees de kwestie van het nationaal reduit, een kerngebied rond een stad dat bij een buitenlandse invasie met man en macht zou worden verdedigd. Waar moest dat reduit komen, was de vraag. De liberale minister Frère-Orban liet een rapport opmaken, een soort nationaal plan van aanleg waarin verschillende steden een functie kregen toegewezen. Brussel zou zich als hoofdstad residentieel ontwikkelen, Gent, Luik en Bergen kregen een industriële inkleuring, Oostende, Namen en Spa zouden plekken worden om te villégiaturen, zich te ontspannen. En het nationaal reduit? Die rol was voor havenstad Antwerpen weggelegd. Voor Antwerpen was het een ramp. De stad en de haven waren in volle expansie, maar hun groei werd belemmerd door acht Brialmontforten, allemaal omgeven door een bouwvrije zone. Bovendien besefte men in Antwerpen heel goed het riscio bij een conflict. Het nationaal reduit wordt per definitie belegerd. Dat is ook gebleken in 14-18: in Brussel viel geen schot, Antwerpen werd wekenlang bestookt. De onvrede heeft zelfs aanleiding gegeven tot het ontstaan van een protestpartij”.

Inderdaad, zo is de Meetingpartij ontstaan die later zou opgaan in de katholieke partij. Tussen 1864 en 1872 mocht de flamingantische en pacifistische protestformatie zelfs het stadhuis opeisen. Een Antwerpse burgemeester met een Brussel-aversie. Niks nieuws onder de zon in de koekenstad.