Maandelijks archief: juli 2014

Niks in de mouwen: de rijke goochelgeschiedenis van België

(verschenen op ? juli 2014 in Weekend Knack)

Van de belle époque tot de 21ste eeuw, België is altijd een vruchtbare bodem voor illusionisten, mentalisten, boeienkoningen en fakirs geweest. Christ en Kobe Van Herwegen doken onder in deze rijke geschiedenis. Het resultaat is Chapeau, een erg genietbare tentoonstelling en boek over de Belgische goochelkunst.

imgres

Servais Le Roy is tien jaar als hij de deur van zijn ouderlijke huis in Spa achter zich dicht slaat en het Kanaal oversteekt. Op weg naar Londen botst hij op een tafereel dat zijn leven in een beslissende plooi zal leggen. Hij ziet hoe een goochelaar een versleten truc van bekers en in sinaasappelen veranderende balletjes opvoert. Gefascineerd slaat de kleine Servais aan het oefenen. Enkele dagen later heeft hij de truc volledig in de vingers en biedt hij de goochelaar zijn diensten als assistent aan. Het is 1875, een bliksemcarrière is begonnen.

Servais Le Roy wordt een van de allergrootsten in de wereld van de magie. Eerst gaat Londen voor de bijl, rond de eeuwwisseling het Mekka van de illusionisten. Daarna verovert hij met Talma, zijn bevallige vrouw en assistente, New York. Le Roy was geen salongoochelaar, de attributen van zijn avondvullende show vulden twee treinwagons. Veel van dat materiaal had hij eigenhandig ontworpen, Le Roy gold als een van de grootste vernieuwers in zijn vak. Hij liet assistenten verdwijnen en verschijnen alsof het niets was, zijn levitatie-act sloeg het publiek keer op keer met verstomming. Hoe kon het dat Talma in het ijle zweefde? Zonder touwen, wat de Meester bewees door een hoepel over zijn stokstijve vrouw heen en weer te bewegen? De illusie is een klassieker geworden, niemand minder dan David Copperfield heeft een variant op zijn repertoire.

Servais Le Roy is een van de Belgische magiërs die in het Huis van Alijn uit de vergetelheid wordt opgediept. In het Gentse museum voor volkskunde loopt nog de hele zomer Chapeau, een erg genietbare tentoonstelling over de goochelgeschiedenis van België. De expo steunt op een pas verschenen boek van Christ en Kobe Van Herzele, goochelfanaten van vader op zoon. Kobe is zelf een verdienstelijk goochelaar en televisiemaker, onder meer bekend als de Ketnet-magiër van AbaKOdabra. Tien jaar lang hebben ze goochelaars geïnterviewd, archieven uitgeplozen en een indrukwekkende verzameling materiaal en affiches aangelegd. Samen met twee andere privécollecties vormen die de ruggengraat van de tentoonstelling, aangevuld met  bruikleen uit het MAS en beeldmateriaal van het VRT-archief en de Cinématek. Men kan zich vergapen aan klein materiaal zoals duivenpannen, verdwijnende zakhorloges, zich vermeerderende biljartballen, eigenzinnige dobbelstenen en speelkaarten. Maar er staat ook een levensechte guillotine voor omkeerbare onthoofdingen, naast de onvermijdelijke Zigzag-illusie. Klassieker wordt het niet: de schaars geklede assistente stapt in een kist met openingen voor hoofd en handen. De goochelaar doorsteekt het meubelstuk met zwaarden, precies op de plekken waar het ademloos toekijkende publiek vitale organen vermoedt. Toch vloeit er geen bloed en blijft de assistente mysterieus lachen. Kijken mag op de tentoonstelling, aanraken niet. De illusie moet intact blijven, het is niet de bedoeling achter schermen of gordijnen te piepen.

Bovenal is Chapeau een huldebetoon aan markante figuren. Zoals Robert Houdin, de enige Fransman in het tricolore pantheon. Houdin wordt de vader van de moderne goochelkunst genoemd, de man die de eeuwenoude kunst van de straat haalde en naar de Parijse salons bracht. In de belle époque werd de illusionist een heer in pitteleer die de hoge burgerij vermaakte. Zo groot was de faam van Houdin dat de Hongaars-Amerikaanse goochelaar Harry Weiss er zijn artiestennaam aan ontleende. Boeienkoning Houdini inspireerde op zijn beurt een nog levende Belgische legende, Joe Alcatraz.  In het Huis van Alijn hangt een dwangbuis waaraan de Gentenaar zich wist te ontworstelen, en er staat een vergrendelbare waterkan waaruit hij alweer miraculeus kon ontsnappen.

Bescheiden zijn ze niet, de goochelaars. Ze schermen met titels als Professeur en Docteur, claimen diploma’s van niet bestaande universiteiten en grossieren in superlatieven. Uniek in de wereld!  Meester van het Onbekende! Lang voor Saddam Hoessein presenteerde ene François Immerechts zich als Het Genie van Bagdad. Heel wat goochelaars opereerden trouwens onder een exotische, bij voorkeur oriëntaals en dus mysterieus klinkende, naam. Een beetje vakman bracht overigens niet alleen verdwijntrucs, maar beheerste ook disciplines zoals fakirisme, mentalisme en spiritisme. De in Nederland geboren Jos Smans spande de kroon. Een halve eeuw lang animeerde hij theaters, circussen en straatfestivals, nu eens als magiër, dan weer als fakir, boeienkoning, telepaat of hypnotiseur. Behalve Josmah voerde hij nog een twintigtal verschillende pseudoniemen, een slimme zet om zijn show meermaals aan dezelfde organisator te verkopen. Josmah had echter ook zijn idealistisch kantje, hij heeft zijn hele leven gestreden tegen kwakzalvers die met spiritisme en mentalisme geld uit de zakken van argeloze slachtoffers klopten. Vrouwen speelden niet alleen de rol van assistente. Suzy Wandas, dochter van een foorkramer, reisde de wereld rond met haar manipulatienummer. Dat ze met blote armen goochelde, maakte op de vakpers grote indruk. Niks in de mouwen, des te meer in de zakken.

Goochelen heeft al lang niet meer de allure uit de belle époque, de komst van de televisie heeft menige carrière gefnuikt. Toch is het nooit helemaal verdwenen, moderne illusionisten omhelzen trouwens de televisie als bondgenoot. Namen als Bardi en Gilli zijn in Vlaanderen overbekend, maar de jonge mentalist en waaghals Aaron Crow uit Ruiselede bespeelt het wereldtoneel. Zijn jongste show in de Sydney  Opera House was in een mum van tijd uitverkocht, zijn volgende halte is Broadway- New York.  Klein land, grote goocheltraditie. Het pas wel bij België, bakermat van het surrealisme.

 

Zirnitra

(Roger Buyle, 64))

foto: Filip Van Roe

foto: Filip Van Roe

Ik kom uit een kroostrijk gezin, en goochelen was mijn manier om op te vallen tussen mijn broers en zussen. Op mijn zestiende ben ik in de leer gegaan bij een goochelaar in Amsterdam, een hele stap voor een jongen uit Hamme aan de Durme. Ik zal het nooit vergeten: in oktober 1966 kwam Dr. Belmans naar ons dorp. Dat was een grote naam, hij had zelfs voor de Nederlandse koningin Juliana gegoocheld. Na de show trok ik mijn stoute schoenen aan. Of hij me enkele trucs wilde leren? Tot mijn verbazing deed hij een tegenvoorstel. Of ik er wat voor voelde zijn opvolger te worden? Blijkbaar herkende hij zichzelf in mijn jeugdig enthousiasme. Dr. Belmans was zelf als jonge kerel in de leer gegaan bij de beroemde Donat. Ik werd zijn assistent, en na een jaar was ik helemaal klaar om de show over te nemen. Openen deed ik met micromagie, goochelen met kaarten, balletjes en dobbelstenen. Daarna kwam de truc met de hoed van een willekeurige toeschouwer waaruit ik een indrukwekkende hoeveelheid doekjes of slingers te voorschijn toverde. Dr. Belmans besloot zijn show met een Chinese act met bloemen en duiven. Dat onderdeel heb ik aangepast, ik heb er een oriëntaalse draai aan gegeven.

Zirnitra, dat is oud-Slavisch voor tovenaar. Ik speelde op Vlaamse kermissen, bedrijfsfeesten en in parochiezalen. Mijn vrouw assisteerde, ik heb haar vaak laten zweven, verdwijnen of in stukken gezaagd. Ze was ook goed met naald en schaar. Belangrijk voor een goochelaar, want er komt veel naai- en knutselwerk bij kijken. Ik werkte bij Sabam, de stap naar een professionele carrière heb ik nooit durven zetten. De passie is er niet minder om, ik ga nog altijd om de zoveel weken naar een lezing of demonstratie. Tafelgoochelen is de nieuwe stijl. Best moeilijk, want het publiek zit er bij wijze van spreken met de neus bovenop. Ik heb er hard opgeoefend, het zit in mijn nieuwe show. Maar de truc met de hoed is gebleven. Tegenwoordig moet ik iemand van de organisatie vragen om met een hoofddeksel in de zaal te zitten, want er is geen mens die nog een hoed draagt.

Pepijn

(Piet van Putten, 73)

foto: Filip Van Roe

foto: Filip Van Roe

Eigenlijk is goochelen simpel. Er zijn maar een zevental basiseffecten: verdwijnen, verschijnen, zweven, verkleuren,penetreren, restoreren of veranderen van vorm. Al de rest is decor en presentatie. Ik ben heel traditioneel gestart. Micromagie, kleine voorwerpen onder de neus van de toeschouwer laten verdwijnen of verschijnen. Ik was er behoorlijk goed in, in 1970 heb ik het WK gewonnen met deelnemers uit 13 verschillende landen. Ik goochelde op een knietafeltje. Spannend, want het publiek kan van dichtbij toekijken. Tussen ieder nummer liet ik het tafelkleed van kleur veranderden, dat vond de jury erg geslaagd.

Na dat WK heb ik een managersfuncite in de textielhandel opgegeven om voluit voor goochelen te gaan. Ik liet mijn oude naam René Petrie vallen, en trad op als Pepijn van het gelijknamige eenmanstheater. Mijn vrouw heeft me altijd gesteund, zij deed de hele administratie. Wist je dat ik een van de eerste televisiegoochelaars in Vlaanderen ben? Liegebeest op de BRT, dat heb ik vijf jaar gedaan. Goochelen op de televisie is lastig. Bepaalde camerastandpunten zijn taboe. Bij de montage wordt er geknipt en geplakt. Als dat niet subtiel gebeurt, voelt de kijker zich bedot. Zo kan ik het ook, roepen ze, de goochelaar heeft alle tijd van de wereld om dat balletje of dat doekje te verstoppen.

Ik ben snel geëvolueerd en bracht figurentheater met goocheltrucs. Ik deed alles zelf, decors bouwen en scenario’s schrijven of teksten bewerken. De goocheltrucs waren de krenten in de pap. Ze gebeurden onverwacht, waardoor het effect des te groter was. Ik trad veel op in scholen en deed straattheater, goochelen in het publiek. Stel je voor, ik heb ooit op een festival in Perm in de Oeral gestaan. Uitgenodigd door Russische goochelaars, het was nog voor de val van de Berlijnse Muur. Met mijn straatact ben ik dan weer in Jeruzalem geraakt. Intussen ben ik al zeven jaar met pensioen. Ik volg het nog wel, ik repeteer nog en ben op twee goochelbladen geabonneerd. Maar zelf optreden? Nee, ik goochel alleen nog voor mijn kleindochter van zes.

Klingsor

(Claude Isbecque, 84)

foto: Filip Van Roe

foto: Filip Van Roe

Als ik achterom kijk, zie ik heel veel mooie herinneringen. De shows in Tokio en Taipei, de tournee in Zaïre. Samen met Solange heb ik elf cruises op de France gedaan, het grootste en meest luxueuze passagiersschip van zijn tijd. Mijn vrouw is nu twaalf jaar dood. Ze was mijn assistente, we waren onafscheidelijk.

Ik ben van opleiding landbouwingenieur. Bezeten door wetenschap en techniek, als kind demonteerde ik mijn speelgoedtrein om te zien hoe het werkte en of ik niks kon verbeteren. Zo ben ik in de ban van het goochelen geraakt. Uit nieuwsgierigheid, ik nam geen genoegen met de illusie, ik wilde weten hoe het werkte. Uiteindelijk is goochelen een metafoor, we leven in een wereld waar niks is wat het lijkt. Alle materie is illusie. Aan de de buitenkant statisch en solide, maar daarachter dansen de elektronen, bozonen en andere elemtaire deeltjes.

Ik heb mijn biografie geschreven, Les mille et une vies de Klingsor. De titel is niet overdreven, ik heb van alles gedaan. Ik had een goochelwinkel in de Brusselse Kartuizerstraat waar ik ook demonstraties gaf. Ik schreef boeken over goochelen, en ik was de eerste die in België congressen organiseerde met buitenlandse topgoochelaars. In 1951 bracht ik een spiritistische act met elektriciteit, een wereldprimeur. Ik wilde altijd het nieuwste van het nieuwe hebben. Veel materiaal maakte ik zelf in mijn atelier waar ook een gigantische collectie aangekochte goochelspullen lag. Daar knutselde ik dan mee, variaties van beproefde trucs. Tussendoor gaf ik lezingen over spiritisme en mentalisme. Bijgeloof bestrijden, want vele mensen namen dat serieus.

We hadden kinderen, er moest brood op de plank komen. België was te klein, ik heb altijd internationaal gedacht. Ik gaf shows in vier talen, ik heb de halve wereld gezien. Ik was een van de weinigen die aan publicitair goochelen deed. Zo heb ik op Batibouw gestaan. Spaarkranen, douchegordijnen, ik bedacht er een nummer voor. Voor het Autosalon vroeg Suzuki me of ik ook auto’s kon laten verschijnen. Geen probleem, ik had er een truc voor achter de hand. Goochelen is zo oud als de mensheid, ze deden het al in de tijd van de farao’s. De techniek verandert voortdurend, maar de fascinatie zal altijd blijven.

‘Chapeau’, Christ en Kobe Van Herwegen, Uitgeverij Manteau, 208 p, 24,99 euro

Tentoonstelling tot 16 november in het Huis van Alijn, (Kraanlei 65, Gent).