Maandelijks archief: november 2014

De Roma-familie Rusenko komt uit de kast

De Standaard Weekblad, 22 november 2014

“Wij zijn Roma, en daar zijn we trots op”

Wijlen Jan Rusenko stond 25 jaar geleden vooraan in de Fluwelen Revolutie. De euforie van de Tsjechische Roma-leider was groot, zijn desillusie eveneens. Van Praag aan de Moldau verkaste hij met de hele clan naar Lokeren aan de Durme. Drie generaties nabestaanden maken in hun nieuwe thuisland de balans op. “Ik ga me hier niet langer verstoppen, ik wil een fiere Rom zijn”.

foto: Frederik Buyckx

foto: Frederik Buyckx

Lokeren. Een sober appartement één hoog boven een frituur in de Brugstraat. Op tafel staan de belegde broodjes klaar, naast schalen met vers gesneden komkommer en plakken worst. Roma-gastvrijheid, die hebben ze in Praag niet achtergelaten. Bij de verwelkoming worden de familiebanden meteen toegelicht. Margita Reiznerova (69) is de tante van Radana Rusenkova (40) die haar dochter Susana (20) heeft meegebracht. De heer des huizes is Radana’s jongere broer Jiri Rusenko (28), die ons zijn vriendin Miroslava en hun anderhalf jaar oude dochter Victoria voorstelt. “Ze heet Rusenko met haar achternaam”, zegt Jiri. “Eigenlijk zou het voor een meisje Rusenkova moeten zijn, maar dat vonden ze bij de burgerlijke stand te verwarrend. We moeten ons aanpassen”. Dat doen ze al achttien jaar lang, met hoorbaar resultaat. Susana’s Nederlands is perfect, Radana en Jiri moeten slechts af en toe naar een woord zoeken. Het heeft vast met de leeftijd te maken, maar Margita is bij een passieve beheersing gestrand. Niet dat ze geen talenknobbel heeft. Niemand rond deze tafel schakelt vlotter tussen Tsjechisch en Romanes dan deze kleine, getaande vrouw. Weinigen in haar adoptiestad die het vermoeden, maar Margita Reiznerova is een pionier van de internationale Roma-literatuur.

Vaclav Havel

Jan Rusenko, vader van Radana en Jiri, broer van Margita, is er niet bij. Toch is hij de spil van deze bijeenkomst. Op de tafel, tussen de komkommers en fijne vleeswaren, liggen vergeelde kranten met zijn naam en foto. We hadden het hem graag gevraagd: wat ging er door zijn hoofd toen hij op 25 november 1989 het podium in het Praagse Letna Park beklom? Dat hij afspraak had met de geschiedenis? Historisch was het tafereel beslist, de schattingen van de mensenzee gaan tot 800.000. Vele betogers droegen spandoeken met leuzen voor vrijheid en democratie. De recordmanifestatie vormde een hoogtepunt in een omwenteling die een week eerder was begonnen, toen de ordediensten een qua omvang veel bescheidener studentenbetoging uit elkaar knuppelden. Vergeefse moeite en vergeefs bloedvergieten, want de Fluwelen Revolutie viel niet meer te stoppen. Op 28 november al werd het machtsmonopolie van de communistische partij uit de grondwet geschrapt, en nog een maand later legde Vaclav Havel de eed af als eerste, niet-communistische president van Tsjecho-Slowakije. Het was diezelfde Havel die Jan Rusenko persoonlijk op het podium van het Letna Park had geroepen. Op het eerste gezicht logisch, want de Praagse trambestuurder stond mee aan de wieg van het door Havel geleide Burgerforum. Toch was het een gebaar met een hoge symboolwaarde. Een lid van de Roma-gemeenschap die een prominente plek in de politieke arena kreeg, zoiets was nooit eerder vertoond. Rusenko stond er niet als enige Rom, het was de jurist Emil Scuka die zijn volk opriep zich achter de revolutie te scharen. “Roma sta op”, gebood hij met luide stem. “Hier hebben we lang op gewacht. Voor het eerst nemen we ons lot in eigen handen”. Op de beelden op YouTube kun je de ontroering van Rusenko’s gezicht aflezen. Zijn euforie werd gedeeld de zowat 750.000 Roma die leefden in het land dat tot 1993 Tsjecho-Slowakije heette. Na de Fluwelen Revolutie zou alles anders worden. Gedaan met de gedwongen assimilatiepolitiek uit het communistische verleden, Roma zouden als volwaardige burgers participeren in een maatschappij waarin hun cultuur en taal werden gerespecteerd. 

Communistische Apartheid

Jan Rusenko overleed al in 2006. Zijn graf ligt niet in Praag aan de Moldau, maar in Lokeren aan de Durme. Hoe dat komt? Radana kijkt naar haar broer en zucht. Het is een lang verhaal dat ze met vereende krachten en woordenschat brengen. “De euforie heeft niet lang geduurd”, zegt Radana. “Ja, in sommige opzichten was er beterschap. We mochten onze taal en cultuur beleven. Tante Margita bijvoorbeeld heeft een vereniging opgericht, de Unie van Roma-schrijvers. Enkele maanden na de revolutie konden we in Brno het allereerste festival van de Roma-cultuur organiseren. President Havel is er komen speechen. Om vader een plezier te doen, maar ook omdat hij echt sympathiseerde met onze zaak. Daar zat een persoonlijk kantje aan. Havel had in gevangenis heel wat Roma leren kennen, hij is nooit vergeten hoe ze in de cel hun karige voedselrantsoen met hem deelden. Zie je, onder de communisten vloog je voor een kruimeldiefstal achter de tralies. Wie drie maanden zonder werk zat, kon als asociale profiteur worden opgepakt en opgesloten. Vaak waren dat Roma, die stonden ook toen al op de laagste trede”.

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker  in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jiri en Radana zijn er niet zeker van. Was Jan Rusenko bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in juni 1990 kandidaat voor de door hem en Scuka gestichte Roma-partij ROI? Werd hij verkozen maar heeft hij zijn mandaat niet opgenomen? Liefst acht Roma mochten naar het parlement, een historische doorbraak die helaas ook kan gelezen worden als een laatste stuiptrekking van de postrevolutionaire euforie. “Vader wilde niet naar het parlement”, zegt Jiri. “Ook al was hij de bekendste Roma-leider van het land, hij vond dat zijn plaats tussen het volk was, van daar zou hij controleren of de politici hun werk deden. Dat werd hem niet door iedereen in dank afgenomen, ook niet binnen de eigen gemeenschap”.

Ook zonder interne verdeeldheid bleven de kopzorgen niet lang uit. Zoals overal in Oost-Europa lokte de transitie van planeconomie naar vrije markteconomie een sociaal bloedbad uit. De zware industrie, steenkool- en staalproductie voorop, klapte in elkaar. “Het waren de Roma die als eersten op straat werden gezet”, vertelt Jiri. “Ongeschoolde arbeiders, de meesten afkomstig uit getto’s in Slowakije. Geïmporteerd, moet ik zeggen, want zo ging dat onder de communisten. In Slowakije was geen industrie terwijl er veel werkloze Roma woonden, in Tsjechië was het precies andersom. En dus bouwden ze dicht bij de fabrieken hele woonwijken waar Roma verplicht werden gehuisvest. Die logementen hadden bij de Tsjechen een barslechte reputatie, ze lagen er ook verschrikkelijk vervallen bij. Logisch als je er mensen in stopt die recht uit het getto komen en nooit van hun leven een badkamer hebben gezien”. Communistische Apartheid? Radana komt genuanceerd uit de hoek. “Het communisme had ook zijn goede kanten. Iedereen had werk en alles was strikt geregeld. Natuurlijk, ook toen was er racisme, in sommige Praagse cafés hingen zelfs bordjes met ‘verboden voor honden en zigeuners’. Maar het was tenminste veilig voor Roma”.

Roma brain drain

Het politieke klimaat sloeg om. Uit de economische malaise groeide een nieuwe partij, de rechts-populistische SPR van Miroslav Sladek, een geboren volksmenner die grossierde in racistische uitspraken. Extreemrechtse skinheads maakten Roma-buurten onveilig. Jan Rusenko, intussen een bekend mediafiguur, ontving doodsbedreigingen. Zijn zus Margita deelde in de klappen. Het lokaal van haar schrijversclub, tevens een cultureel centrum waar Tsjechen en Roma elkaar ontmoetten, werd door onbekenden kort en klein geslagen. “De muren stonden vol swastika’s”, zegt ze. “Er werd ook brand gesticht, enkele van mijn manuscripten zijn verloren gegaan”.

In 1996 verhuisde de hele familie Rusenko, drie broers, twee zussen en hun 83-jarige moeder, met partners en kinderen naar Oost-Vlaanderen. “Een beslissing van vader”, zegt Radana. “Hij was de leider van de familie, de anderen zijn als vanzelf gevolgd. We hebben eerst in Gent gewoond, maar omdat vader het daar te druk vond, zijn we na twee jaar naar Lokeren verhuisd. Waarom België? Toeval, vader wilde eerst naar Nederland, maar een van zijn beste vrienden was al eerder naar Gent vertrokken. Mond-aan-mond-reclame, zo zijn de meesten hier beland”.

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Die goede vriend was de in  2003 overleden Frantisek Demeter, schrijver, muzikant en kunstschilder met doeken in verschillende Europese musea. Ook al een lid van de culturele elite, niet toevallig. Het waren Roma-intellectuelen die vanaf midden jaren negentig als eersten Tsjechië ontvluchtten. Op zich was het maar een klein clubje, een handvol families die zich ironisch genoeg aan de communistische assimilatiepolitiek hadden opgetrokken. De Rusenko’s hadden een aanzienlijk aandeel in de brain drain. Behalve Margita, verpleegster van opleiding, waren ook haar twee zussen en jongste broer bekende schrijvers in de ontluikende Roma-scene. Familiehoofd Jan Rusenko had geen diploma, maar was volgens Radana een wandelende bibliotheek. “En een creatieve duizendpoot”, zegt ze. “Vader was de bezieler van Perumos, een gezelschap dat theater, muziek-en dansvoorstellingen bracht. Ik heb nog vaak met hem op de planken gestaan”.

Overlast in Gent

De Rusenko’s vroegen en kregen politiek asiel. Hoogst uitzonderlijk, het statuut werd niet meer toegekend toen eind jaren negentig een tweede, veel grotere Roma-golf de Belgische asielinstanties overspoelde. Uit Tsjechië, maar meer nog uit Slowakije waar de werkloosheid en armoede in de getto’s nog harder nepen. Ook in andere herkomstlanden zoals Roemenië, Bulgarije en het desintegrerende Joegoslavië kwam een exodus op gang. De migratiebeweging zou niet meer stilvallen, ze verklaart waarom er vandaag in Brussel, Gent en Antwerpen grote Roma-gemeenschappen leven. Populair zijn de nieuwkomers niet. Wie Roma zegt, denkt onwillekeurig aan vrouwen met bedelende kinderen, rondtrekkende dievenbendes en onhygiënische toestanden in kraakpanden.  Het beeld, door talloze krantenkoppen versterkt, werpt zijn schaduw over de tafel. Ze zitten ermee in hun maag, maar prijzen zichzelf ook gelukkig dat ze niet meer in Gent wonen waar de zowat 5.000 recent ingeweken Roma geregeld de politieke gemoederen beheersen. “Ik begrijp dat de Vlamingen klagen”, zegt Radana. “Zigeuners reizen in familie, dat is de traditie. Als er eentje komt, volgt de hele clan. Dan krijg je overlast in een stad, zeker met mensen die geen benul hebben van hoe men hier leeft en woont. Maar ik wil hen niet veroordelen. Als je de omstandigheden kent waarin ze in Tsjechië en Slowakije leven, dan snap je waarom ze naar hier komen”.

Zigeuners, het is niet de eerste keer dat het woord aan deze tafel valt. Mag dat dan? Ons werd altijd verteld dat zigeuner een pejoratief woord is, ongeschikt bovendien om de grote diversiteit binnen deze etnische minderheid te omvatten. “Alleen wij mogen dat gebruiken”, zegt Jiri lachend. “Het is zoals negers. Uit de mond van blanken klinkt dat racistisch, maar als zwarten het over niggers hebben, klinkt het als een geuzennaam”.  Susana mengt zich in het gesprek. Twintig jaar jong, een vat vol twijfels. Ze heeft haar hogeschoolstudies communicatie en public relations afgebroken, denkt nu aan journalistiek of politieke wetenschappen. Alleszins een richting die beter past bij de zoektocht naar haar identiteit. “Wat ben ik eigenlijk”, vraagt ze retorisch. “Vlaming? Tsjechische? Roma? Of Duits, want ik heb een tijdlang in Duitsland gewoond? Ik heb me heel vaak niks gevoeld”. Het zit diep bij Susana. Ze is trots op haar opa, en toch mochten op school alleen haar beste vriendinnen weten dat ze Rom was. “Mensen gokken meestal dat ik Turks, Marokkaans of Spaans ben, omdat ik wat donkerder ben dan gemiddeld. Tsjechisch, zegt ik dan, want de meesten weten toch niet dat de doorsnee Tsjech zo bleek ik als een Friese boer. Op school heb ik een gênant moment beleefd. Er zat een nieuwe leerling in de klas, een jongen die werd gepest omdat hij Rom was. Ik was verontwaardigd, maar toch heb ik niks gedaan om hem te helpen. Ik durfde me niet als Rom te uiten, bang dat ze me ook zouden pesten. Daar schaam ik me nu voor”.

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

De vloek van de zwarte ketel

Jiri, trucker bij een groot transportbedrijf, begrijpt de tegenstrijdige gevoelens van zijn nichtje maar al te goed. “De meeste collega’s denken dat ik een gewone Tsjech ben. Ik loop met mijn identiteit niet te koop, dat werd me trouwens afgeraden door andere Roma. Belgische werkgevers moeten niet weten van zigeuners, zeiden ze. Maar misschien is dat een vooroordeel, geïmporteerd uit Tsjechië”. En toch staan de Rusenko’s nu met naam en toenaam in de krant. Daar werd vooraf goed over nagedacht. Tijd om uit de schaduw te stappen en zich aan Vlaanderen te tonen, was de consensus. Niemand die daar meer van doordrongen is dan Susana. “Ik wil me niet langer verstoppen”, zegt ze . “Er is niks mis met onze Roma-identiteit, we hebben veel om trots op te zijn”. Ze loopt al een poosje met een plan in haar hoofd. Samen met haar moeder en oom Jiri wil ze iets ondernemen om haar gemeenschap uit het verdomhoekje te halen. Een cultureel centrum oprichten, of een Belgische Roma-vereniging, ze zijn er nog niet uit. “En ik wil de taal leren”, zegt ze. “Het frustreert me dat ik wel Nederlands, Tsjechisch, Frans, Engels en Duits ken, maar geen Romanes”.

Een cultuurcentrum met een projectiezaal zou niet gek zijn. Dan kan Vlaanderen alsnog kennis maken met Mire Bala Kale Hin, een prachtige film uit 2003 van Katarina Lillqvist. De Finse cineaste studeerde poppenanimatie in Praag waar ze gefascineerd raakte door de Roma. Ze bewerkte hun tragische geschiedenis tot een cyclus van zes verhalen. Een daarvan is een sprookje van Margita Reiznerova die Lillqvist ook hielp met het scenario. “Ze had het gelezen toen ze nog in Praag studeerde””, vertelt Margita. “Ik was al lang geëmigreerd toen ze aan haar filmproject begon. Het heeft haar twee jaar gekost om me hier in Lokeren op te sporen”.

Margita is een wonderlijke vrouw.  Ze heeft Tsjechov en andere Russen naar het Romanes vertaald. Haar sprookjes zijn allesbehalve kinderlijk, ze schrijft duistere verhalen vol verwijzingen naar de pijnlijke geschiedenis van haar volk. “Ik heb niks verzonnen”, zegt ze. “De verhalen werden me ’s nachts tijdens mijn slaap ingefluisterd”. Misschien doet ze daarmee haar eigen creatieve genie te kort. Margita kan uit haar eigen leven inspiratie putten voor een lijvige roman. Terwijl ze de schotel met broodjes laat rondgaan, dist ze het verhaal van de zwarte ketel op. Het moet tijdens het interbellum zijn geweest, de familie woonde nog in de buurt van het Slowaakse stadje Stropkov. “Mijn grootouders hadden twaalf zonen”, vertelt Margita. “Ze waren sedentair, hadden zelf paarden en koeien, het was een welvarende familie. De zonen deden seizoensarbeid bij de boeren en leurden op markten met smeedwerk. Thuis hing een grote ketel waarin al het geld werd gestopt. Iemand moet hen vervloekt hebben. Eerst stierven de koeien en de paarden, daarna vielen de jongens een na een weg. Vader heeft in korte tijd tien broers verloren.  Op het einde was de pot helemaal leeg, al het geld was opgegaan aan begrafenissen”.

Ongewenste Bohemers

Margita is geboren op 5 mei 1945, een dag na de Duitse capitulatie. Haar moeder had de laatste maanden van haar zwangerschap in de bossen door gebracht. De jonge vrouw, die op haar 83ste naar Gent zou verhuizen, overleefde op een dieet van bessen en paddenstoelen. Verstrikt in de oorlog, een nachtmerrie waar geen vloek of zwarte magie maar een moorddadig regime aan te pas. Anders dan het door de Duitsers rechtstreeks bestuurde Tsjechië, behield Slowakije tijdens de oorlog zijn autonomie. Zeker, het was een vazalstaat van de Nazi’s. Toch verklaart de aparte status waarom in Slowakije de jacht op de Roma _ in tegenstelling tot de uitroeiing van de Joden _ pas in de loop van 1944 echt op gang kwam, met een relatief hoog overlevingspercentage als gelukkig gevolg. “Vader was bij het verzet”, vertelt Margita. “Moeder en de rest van de familie hadden zich in een kerk verstopt. Ze werden gearresteerd en met een karavaan te voet naar een doorvoerkamp gestuurd. Grootvader, die nog met de Oostenrijkers in de Eerste Wereldoorlog had gevochten en Duits begreep, vermoedde wat ons te wachten stond. Hij zei moeder dat ze zich naar de staart van de karavaan moest laten afzakken, zodat ze zich bij het vallen van de duisternis in het bos kon verstoppen. Zo heeft ze de oorlog overleefd en ben ik geboren. Ook vader is er levend uitgekomen. Ze hebben hem kort na de oorlog wegens sigarettensmokkel gearresteerd en in Praag opgesloten. Dat verklaart waarom onze familie in Tsjechië is beland”.

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Tsjechië, waar tijdens de oorlog negentig procent van de zowat 6.000 Roma werd vermoord. Nagenoeg alle Tsjechische Roma hebben bijgevolg Slowaakse roots. Hele dorpen werden in de jaren vijftig door de communistische machthebbers vanuit het rurale Slowakije overgeheveld om de arbeidsplaatsen van de drie miljoen uitgedreven Sudetenduitsers op te vullen. “Er wordt veel over de Tweede Wereldoorlog gepraat”, zegt Radana bitter. “Maar over de genocide op de zigeuners spreekt niemand. Wie weet bijvoorbeeld dat de eerste experimenten met gifgas op Roma-kinderen werden uitgevoerd? Ook daar wilde vader iets aan doen, het is nu aan ons om zijn missie over te nemen en de genocide te herdenken”.

Was de oorlog een absoluut dieptepunt, ook het heden oogt allesbehalve rooskleurig. Met 12 miljoen vormen de Roma de grootste etnische minderheid van Europa. Slowakije, Tsjechië, Roemenië, Bulgarije, het voormalige Joegoslavië, in de traditionele herkomstlanden staan ze helemaal onderaan op de maatschappelijke ladder. Migratie naar West-Europa heeft daar weinig verandering in gebracht. Met enig cynisme kan men van regressie spreken, een terugkeer naar een nomadische levensstijl die de Roma decennia eerder hadden opgegeven. Ook in het Westen blijken racistische vooroordelen jegens ongewenste ‘Bohemers’ springlevend. De migratie kwam verschillende EU-lidstaten dermate ongelegen dat ze het heilige principe van vrij verkeer van personen beperkten. Komt het ooit goed met de Roma? Radana slaakt nog een zucht. “Hadden we maar een eigen Roma-land, heb ik al vaak gedacht. Maar dan schieten de woorden van vader me te binnen. Nee Radana, zei hij altijd, wij hoeven geen eigen land. Wij zijn Roma, wij hebben de hele wereld”. 

 

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)

 

 

Toeval in de Letteren: te belangrijk om aan het Toeval over te laten

(Knack Weekend, 5 november 2014)

‘Al te toevallig is in de literatuur synoniem voor ongeloofwaardig’

Toeval is een God in de literatuur, aldus György Konrad. Zoals bij alle religies zijn er lauwe en fanatieke volgelingen. De Deus ex Machina, de onverwachte ontmoeting, het literaire toeval neemt erg verschillende gedaanten aan. We lieten drie Vlaamse auteurs en een recensent aan het woord over een populair fenomeen in de letteren.

Toeval, nooit helemaal toevallig in de literatuur

Toeval, nooit helemaal toevallig in de literatuur

Het is een hiaat in de Dikke van Dale. Ontoevallig, iemand zou het woord moeten uitvinden zodat er een einde komt aan de dubbelzinnigheid. Want zo is het toch: zegt iemand, ‘ook toevallig’, dan bedoelt hij tien tegen negen precies het tegendeel. Zo wellicht ook Christophe Vekeman, wanneer we hem opbellen over het Toeval in de Literatuur. “Ik heb me voorbereid”, zegt de schrijver, immer plichtbewust. “Vanmiddag heb ik ‘Iedereen kan het’, een van mijn eerste romans, nog eens van het schap gehaald. Het was me namelijk te binnen geschoten dat een van de hoofdstukken de titel ‘Toeval bestaat niet’ draagt. En wat bleek: op pagina 99, precies het begin van het hoofdstuk in kwestie, stak een bladwijzer. Kras, maar het werd nog krasser toen ik de bladzijde doorlas. Bleek dat ik uitgerekend op die pagina een zekere Erik introduceer, een personage dat voor de rest niet meer aan bod komt. En precies daarover word ik door een andere Erik gebeld! Kan geen toeval zijn, dacht ik toen”.

Over een zaak bestaat geen twijfel: was deze samenloop van omstandigheden aan het brein van een schrijver ontsproten, dan mochten we de factor toeval uitsluiten. “Toeval en literatuur zijn in wezen twee onverenigbare concepten”, vindt Vekeman. “Waarom zou een schrijver melding maken van een onverwachte gebeurtenis zonder diepere betekenis?  Want zo doet het toeval zich voor in het echte leven.  Je loopt een blokje om en voor je ogen wordt een fietser door een auto gegrepen. Stom toeval, gebeurt elke dag.  Het wordt pas interessant wanneer de schrijver een betekenis aan dat toeval geeft, en de verongelukte fietser later in het boek opnieuw laat opduiken. Maar het kan ook subtieler, met de hulp van de lezer die er de diepere betekenis zelf bij verzint. Een jongen en een meisje ontmoeten elkaar, en net op dat moment barst een onweer los. Kan het banaler? Toch zal de lezer er het zijne van denken. Het is een voorteken, de prille relatie is onder een slecht gesternte gestart. Zo werkt onze geest: we zijn altijd verheugd als we zin in het toeval herkennen”. Zelf is hij beducht voor al te gemakzuchtig  gebruik van het toeval. “Ken je dat?”, vraagt hij. “Het hele boek lang weet de moordenaar uit de klauwen van de politie te blijven, maar op de voorlaatste pagina wordt hij bij het oversteken van de straat door een auto overhoop gereden. Zo’n Deus ex Machina, dat zie je wel vaker in thrillers. Daar pas ik voor. Al te toevallig is in de literatuur synoniem voor ongeloofwaardig”.

Synchroniciteit in Mumbai

Margot Vanderstraeten heeft pas een nieuwe roman uit. Het Vlindereffect speelt zich af in Mumbai. Zonder de plot weg te geven: het gaat over de terroristische aanslagen van november 2008, toen Pakistaanse jihadi’s op verschillende locaties waaronder het befaamde Taj Mahal Tower Hotel meer dan 150 slachtoffers maakten. Een lovende recensent maakt op Cobra.be gewag van een cascade van onontkoombare toevalligheden. Dat geldt overigens niet alleen voor de plot, het hele boek is de vrucht van een bijzonder soort toeval. Synchroniciteit, het was een dada van Carl Gustav Jung die in het fenomeen een oceaandiepe betekenis vermoedde. “Op de eerste dag van de aanslag zat ik op het vliegtuig van Mumbai naar Brussel”, legt Vanderstraeten uit. “Ik had een week in Kerala verbleven, samen met een Canvas-ploeg voor een aflevering in de reeks ‘India voor beginners’. Een dag voor ons vertrek hadden we nog groepsfoto’s gemaakt vlakbij het Taj Mahal Hotel. Thuis regende het telefoontjes van bezorgde vrienden.. Zo is het beginnen gisten. Hier moet ik iets mee doen, besefte ik steeds duidelijker”.

Het resultaat is een voldragen roman waarin de protagonist wanhopig probeert betekenis te geven aan het toeval dat haar jaren eerder in Mumbai is overkomen. “Uiteraard was het brute pech”, zegt Vanderstraeten die de voorbije jaren meermaals naar Mumbai trok om de drie dagen durende raid te reconstrueren. “Alleen al de timing. De terroristen waren arme boerenjongens, nog piepjong.. Ze werden in afgelegen bergdorpen geronseld, getraind en gehersenspoeld tot ze helemaal klaar waren voor het martelaarschap. In feite had de aanslag in september moeten plaats vinden. Ze zijn toen ook ingescheept, alleen hadden de samenzweerders een detail uit het oog verloren. De jongens hadden nog nooit de zee gezien, ze werden allemaal misselijk waardoor de aanval werd afgebroken en uitgesteld. Stel dat ze niet zeeziek waren geworden. Waren er dan evenveel slachtoffers gevallen? Het zouden alleszins andere mensen zijn geweest. En wellicht had ik dit boek nooit geschreven”. Op dat soort vragen laat de schrijfster haar fictieve hoofdpersonage kauwen. “Het gaat in wezen over het niet kunnen aanvaarden van de banaliteit van het toeval”, zegt Vanderstraeten. “In haar zoektocht verwerpt ze de vrije wil als verklaring voor de gebeurtenissen, en komt ze uit bij het noodlot. Er was geen ontkomen aan, het heeft zo moeten zijn. Dat is uit het leven gegrepen, we proberen allemaal betekenis te geven aan het toeval. Hoeveel koppels geloven er niet dat ze voor elkaar geboren zijn? Dat klinkt romantischer dan ‘we zijn elkaar toevallig op een feestje tegen het lijf gelopen’.

Vulkaanuitbarsting in Napels

Het ene betekenisvolle toeval is het andere niet. Harry Mulisch heeft het in zijn autobiografische ‘Mijn Getijdenboek’ over een wel erg bijzondere samenloop van omstandigheden. Toen kleine Harry op 29 juli 1927 in Haarlem het levenslicht zag, barstte in de buurt van Napels de Vesuvius uit. Nu heeft Mulisch nooit bescheiden gedaan over zijn literair talent. Een vulkaanuitbarsting was dan ook wel het minste dat de Voorzienigheid kon doen om zijn geboorte te verwelkomen. In zijn schrijversleven zal hij zich overigens vaak van veelbetekenende toevalligheden bedienen, lees er ‘De Aanslag’ maar op na. Toch was het zijn generatiegenoot en literaire evenknie Willem Frederik Hermans die het toeval tot een thema zou verheffen. In ‘Boze Brieven van Bijkaart’ maakt hij het onderscheid tussen het toeval en het wondere toeval. Het eerst is banaal, het tweede subjectief, poneert Hermans die als voorbeeld een casinotafereel oproept. Valt aan de roulettetafel het balletje stil op het vak 32, dan is dat toeval. Gebeurt dat twee keer opeenvolgend, dan nog heet zoiets toeval. Immers, betoogt Hermans, een ivoren rouletteballetje heeft geen vrije wil. Als echter een speler die tweede keer zwaar op het nummer 32 inzet, dan spreken we van een wonder toeval. Terwijl de gelukkige met zijn zakken vol cash de roulettetafel verlaat, zal hij zich verwonderen over de goddelijke hand of een ander fatum dat hem deze gunst in de schoot heeft geworpen. “Toeval is de sleutel tot Hermans wereldbeeld”, zegt Vekeman, behalve schrijver ook een groot Hermans-kenner. “De wereld is een chaos, een wirwar van toevalligheden. Alle orde is schijn, een verzinsel van de mens die met concepten zoals tijd, ruimte en causaliteit wanhopig probeert structuur te geven aan de chaos. Hermans vindt er een duivels plezier in die schijnwerkelijkheid te doorprikken. Toeval is bij hem de waarheid”.

‘Toeval is een God in de literatuur’.  De uitspraak komt van de Hongaars-Joodse schrijver György Konrad die het toeval ook wel eens ‘de zuster van de improvisatie’ heeft genoemd. Van de Franse schrijver Patrick Modiano, kersvers Nobelprijswinnaar Literatuur, zijn geen pasklare aforismen bekend. Toch zijn weinig auteurs zo schatplichtig aan het toeval, weet Modiano-kenner Dirk Leyman, literair journalist en recensent bij onder meer De Morgen. “Zijn hele oeuvre kan gelezen worden als een symfonie van toevallige ontmoetingen. Van Modiano wordt gezegd dat hij altijd dezelfde roman schrijft. De protagonist doolt door de straten van Parijs waar allerlei onbestemde personages zijn pad kruisen. Het zijn die ontmoetingen die de plot sturen, voor zover je van een plot kunt spreken. Modiano lees je voor de melancholische, mysterieuze en wat mistige sfeer die hij oproept. Hij is een herinneringsestheet, zijn personages zijn vaak op zoek naar een echo uit hun verleden. Bij die queeste laten ze zich als een kurk meedrijven op een stroom van toevalligheden. In La Petite Bijou ziet het hoofdpersonage Thérèse in de metro een vrouw met een gele jas. Het is maar een flits, maar die volstaat om het verhaal te lanceren. Thérèse is op jonge leeftijd in de steek gelaten door haar moeder die ze in de dame met de gele jas meent te herkennen. Ze besluit de vrouw te volgen, wat een pijnlijke zoektocht naar haar eigen identiteit  in gang zet. Waarom vertrok ze naar Marokko zonder haar? Het antwoord blijft schimmig, maar dat ene moment brengt een maalstroom van associaties op gang. En het is een verwijzing naar de verwaarlozing door Modiano’s eigen moeder. Hij speelt ook bewust met toevalligheden. Namen van personages plukt hij uit oude telefoongidsen of kopieert hij van deurbellen tijdens zijn eigen omzwervingen in Parijs. Hij is sterk beïnvloed door de film, meer bepaald de Nouvelle Vague. Cineasten als Godard vertrokken niet vanuit een afgewerkt script, ze lieten ruimte voor improvisatie, wat in feite hetzelfde is als inspelen op toevalligheden”.

Moord in Tokyo

Improviseren, het leidt ons als vanzelf naar een van Leymans andere literaire helden, de Japanse successchrijver Haruki Murakami. “Niet toevallig een groot jazzliefhebber”, zegt Leyman. “Schrijven is voor Murakami zoeken naar de juiste melodie. Hij werkt zonder vooropgezet plan. Net als de lezer laat ik me verrassen door wat er op de volgende pagina gebeurt, heeft hij ooit verklaard. Murakami is niet vies van een scheut magisch realisme, zonder evenwel in zweverigheid te vervallen. Ongerijmdheden worden niet geschuwd, en net als bij Modiano spelen verrassende ontmoetingen maar ook mysterieuze verdwijningen een sturende rol”. In ‘Kafka op het strand’ wordt in Tokyo een beroemd kunstenaar vermoord. Diezelfde nacht ontwaakt zijn van huis weggelopen zoon aan de andere kant van Japan na een black out in een met bloed besmeurd T-shirt. Toeval of niet, vraagt het hoofdpersonage zich samen met de lezer af. “Murakami is een duivelskunstenaar”, zegt Leyman. “Zijn verhalen zijn als een spelletje mikado. Het ziet er onmogelijk uit, maar op een onnavolgbare manier brengt hij het altijd tot een goed einde”.

Als toeval de kruier van de plot is, dan zijn misdaadauteurs belangrijke opdrachtgevers. Hoeveel cliffhangers worden niet door een toevalligheid beslecht? Net wanneer de held zijn greep op de uitstekende rots lost en in de diepte stort, passeert er een boerenkar met hooi, als het al geen met donsdekens gevulde vrachtwagen is. De Vlaamse thrillerauteur Bavo Dhooge waarschuwt echter voor een al te hoge toevalsfactor. “Het mag geen instrument zijn om de plot te laten kloppen”, zegt hij. “Dat zie je helaas vaak in ons genre, vooral in de klassiekers. Vaak neemt het toeval de gedaante aan van een Deus ex Machina, een handige maar helaas ongeloofwaardige stoplap om rammelende verhaallijnen te verdoezelen. Daarom ben ik ook uitgekeken op iemand als Agatha Christie. Altijd diezelfde ontknoping. Hercule Poirot of Miss Marple trommelen alle moordverdachten samen, toveren een Deus Ex Machina tevoorschijn, en de zaak is opgelost. Een goede misdaadschrijver stuurt de plot vanuit de personages aan. Character driven, heet dat in Hollywood. Zo kun je het toeval op een natuurlijke manier laten toeslaan, zoals in het echte leven”.

In ‘Stiletto Libretto’ voert Dhooge een straatcrimineel op die zijn leven wil beteren. Alles kantelt wanneer hij in zijn cel toevallig een usb-stick ontdekt, met daarop een afgewerkte misdaadroman die hij na zijn vrijlating onder eigen naam zal publiceren. “Ik gebruik het toeval als een ingrediënt”, zegt hij. “Maar ik hoed me voor clichés en voorspelbaarheid. Ik ben trouwens een grote fan van Paul Auster, geen misdaadauteur maar wel een meesterlijk verhalenverteller die zijn personages door het toeval op sleeptouw laat nemen. Bij hem staat de onontkoombaarheid van het toeval, het noodlot, echt centraal. Een titel als ‘The Music of Chance’ zegt het helemaal”.  Improviseren in aan Bavo Dhooge dan weer niet besteed. “Ik bereid mijn scenario’s minutieus voor”, zegt hij.. “Als het over schrijven gaat, laat ik niks aan het toeval over”.

Alona Lyubayeva, de Vlaamse Diversiteitsambtenaar die met haar missie samenvalt

(De Standaard Weekblad, 16 november 2014)

Vrouw en afkomstig uit Oekraïne, beter kon ze niet scoren in de statistieken die ze zelf moet bewaken. Vlaams Diversiteitsambtenaar Alona Lyubayeva belichaamt als geen ander haar eigen missie. Gesprek met een gedreven vrouw over diversiteit in Vlaanderen, en over de oorlog in het vaderland dat haar niet loslaat. 

foto: Dieter Telemans

foto: Dieter Telemans

Maandag, brugdag. Niet voor Alona Lyubayeva. “Het is zalig te werken als iedereen verlof heeft”, zegt de Vlaamse diversiteitsambtenaar. “Vanmorgen vijf berichten in mijn mailbox, zo rustig heb ik het nog maar zelden gekend”. Niet dat ze terugdeinst voor hard werken, ze heeft nooit iets anders gedaan. De vraag was dan ook ietwat misplaatst. Of ze in Leuven toch ook een beetje van het studentenleven heeft genoten? Immers, betoogden we, voor Vlaamse jongeren is de universiteit niet alleen een oord om kennis en diploma’s te vergaren. Studeren is ook en vooral een feestelijk einde breien aan een zorgeloze jeugd. Aan haar monkellachje viel af te lezen dat ze zich daar wel iets kon bij voorstellen. “Maar voor mij was het in de eerste plaats toch keihard werken”, vertelde ze. “Ik moest niet alleen de stof verwerken maar ook mijn Nederlands verbeteren. Tussendoor ging ik ook werken om mijn studies te financieren. Ik had geen beurs, en van thuis kreeg ik ook geen steun. Mijn ouders hadden geen middelen, niemand in Oekraïne had in die tijd middelen. Ik kwam uit een postcommunistisch land, in de greep van devaluatie en hyperinflatie. Ik nam alle baantjes aan die ik kon krijgen. Televerkoop, vertaalopdrachten, en heel veel horecawerk. Het heeft weinig gescheeld of ik had mijn masterdiploma door geldgebrek gemist. Ik kon geen examens afleggen, ik was helemaal blut en moest dringend gaan werken. Ik ben toen bij de rector gaan aankloppen, bij André Oosterlinck. Hij heeft me twee weken studiebeurs toegekend, net genoeg om de examenperiode te overbruggen”.

Wilskracht, talent en een dosis mazzel, het zijn de ingrediënten van een opmerkelijke carrière. De berooide studente van weleer mag zich sinds begin april Vlaams topambtenaar noemen. Benoemd door Peeters II, rapporterend aan Bourgeois I. Voogdijminister Liesbeth Homans (N-VA) heeft de lat meteen hoog gelegd. Het personeelsbestand van de Vlaamse overheid moet op korte termijn veel diverser. Van de huidige 3,1 naar 10 procent medewerkers met een migratie-achtergrond tegen begin 2021. In diezelfde periode moet het aantal medewerkers met een handicap van 1,3 tot 3 procent stijgen. Al even ambitieus zijn de genderdoelstellingen. Begin 2021 moet 40 procent van het midden- en topkader uit vrouwen bestaan. Een fractie van die doelstellingen heeft ze met haar jongste carrièremove zelf gerealiseerd. Een vrouwelijke topambtenaar met een migratie-achtergrond, dat is twee keer raak in de diversiteitstatistieken.

Maar de 41-jarige Lyubayeva heeft niet tot haar topbenoeming gewacht om uit de anonimiteit te treden. Toen eind vorig jaar de protesten op het Maidanplein in Kiev begonnen, gaf ze in verschillende radio- en kranteninterviews duiding bij een evenement dat uiteindelijk in een revolutie en aansluitende burgeroorlog zou uitmonden. Ze sprak niet alleen als betrokken Oekraïense, maar ook als beslagen academica. Internationale politiek loopt als een rode draad door haar verschillende opleidingen in Kiev en Leuven. Regionale samenwerking en conflicten in het na het instorten van de Sovjet-Unie opgerichte Gemenebest van Onafhankelijke Staten, zo luidde overigens het thema waarop ze als master in de Europese Studies is gepromoveerd.

Brussel ligt er verlaten bij. Café Congo van de KVS is gesloten, haar favoriete Ethiopiër op het Begijnhofplaats eveneens. Italiaans dan maar. In afwachting van de minestrone buigen we ons over de actualiteit. Die komt niet uit de Vlaamse ambtenarij maar uit haar vaderland. Het voorbije weekend, met zware artilleriebeschietingen in en rond Donetsk, was uitzonderlijk gewelddadig.

Ligt u wakker van de burgeroorlog die nu al een half jaar in Oost-Oekraïne woedt?

“Alleen nog als er spectaculair nieuws is. Het duurt nu al zo lang, en uiteindelijk sta je als buitenstaander totaal machteloos. Dat gevoel is langzaam gegroeid, want in de begindagen van de protesten was ik er constant mee bezig. Ik ging vijf keer per dag op sociale netwerken en nieuwssites kijken, ik probeerde Vlaamse journalisten aan te porren om artikels te schrijven, ik bracht hen zelf in contact met interessante bronnen. Het frustreerde me dat er zo weinig aandacht aan de gebeurtenissen in Kiev werd besteed. Onbegrijpelijk, want het was vanaf de eerste dag duidelijk dat het om een explosief conflict ging, aan de grenzen van Europa”.

Was u verrast door het massale protest dat uitbrak toen president Janoekovitsj weigerde het associatieverdrag met de Europese Unie te ondertekenen?

“Niet echt. Ik kwam nog vaak in Oekraïne, ik was er trouwens vlak voor het uitbreken van de protesten. Er leefde al langer een sterke wil tot verandering. Mensen keken daarvoor naar Europa, want daar lag de toekomst. Toen al leefde de ongerustheid dat Janoekovitsj dwars zou gaan liggen. We gaan de straat op als hij het associatieverdrag niet ondertekent, hoorde ik mensen zeggen. Die weigering heeft echt het vuur aan de lont gestoken, ook door de manier waarop ze tot stand kwam. Gedicteerd door Poetin, zegt men. Betaald door Poetin, is nog correcter. Het is bewezen dat er in die periode vanuit Rusland grote geldtransfers naar familieleden van Janoekovitsj hebben plaats gevonden”.

Na twee maanden massaprotesten en tientallen doden slaat president Janoekovitsj op de vlucht. Euforie alom, maar even later scheurt de Krim zich af en nog wat later ontketenen pro-Russische rebellen in Oost-Europa een regelrechte burgeroorlog. Is Euromaidan mislukt?

“Integendeel, de betogers hebben hun slag thuis gehaald. Ze hebben bewezen dat ze het volk aan hun kant hadden. En even belangrijk: dat Rusland geen greep meer heeft op de macht in Oekraïne. Precies dat succes verklaart de escalatie achteraf, want voor Poetin was het onverteerbaar. Wat mij daarbij het meest heeft getroffen, is de kracht van de Russische propaganda, het gemak waarmee alle pro-Oekraïense krachten als fascisten werden afgeschilderd. Zo grof ging het er in het Oekraïense kamp niet aan toe, al werden ook daar geen clichés geschuwd. Het resultaat is rampzalig. Ik ken families waar broers en zussen niet meer met elkaar praten omdat ze al die leugens slikken. Het is ook confronterend om vast te stellen hoe taai het totalitarisme in de voormalige Sovjet-Unie nog is. Op de televisie zag ik het ellenlange applaus in het Russische parlement toen de onafhankelijkheid van de Krim werd uitgeroepen. Je kon zo zien dat niemand het aandurfde om als eerste te stoppen, en je pikte er meteen de applaus-meester uit die het sein moest geven om ermee op te houden. Allemaal erg herkenbaar voor wie in de Sovjet-Unie is opgegroeid”.

Krijgt u het conflict aan Vlaamse vrienden uitgelegd?

“Men heeft hier de neiging het taalaspect sterk te benadrukken. Ten onrechte, er is nooit een taalprobleem geweest. Op de televisie werden beide talen door elkaar gebruikt. De vraag in het Oekraïens, het antwoord in het Russisch. Zonder ondertiteling, en iedereen vond dat doodnormaal. Ik ben zelf tweetalig opgevoed, ik koester zowel de Russische als de Oekraïense cultuur, en de novellen van Poesjkin zijn me even dierbaar als de poëzie van Sjevtsjenko. Ook op school in Kiev werden beide talen als perfect evenwaardig gehanteerd. Ik ben natuurlijk nog een kind van de Sovjetunie, opgegroeid tijdens de Perestrojka. De generaties na mij zijn anders, die hebben minder voeling met Rusland. Dat raakt de kern van de zaak, want een leider als Poetin kan niet aanvaarden dat het Oekraïense volk zijn eigen weg kiest. Dit is dan ook geen burgeroorlog, maar een conflict dat door een machtige buur werd geëxporteerd. Met propaganda, maar ook met wapens, munitie en huurlingen. Als ik er met Vlamingen over praat, trek ik altijd dezelfde parallel. Stel je voor dat Frankrijk niet akkoord gaat met de vertegenwoordiging van de Franstaligen in de Belgische federale regering. Hebben de Fransen dan het recht om België binnen te vallen onder het mom dat ze hier hun taalgenoten willen beschermen? Natuurlijk niet, maar dat is precies wat Rusland in Oekraïne doet”.

Pauze, de ober serveert escalope milanese en pasta arrabiata. Of we niet teveel over Oekraïne praten, vraagt ze. Touché, we willen het natuurlijk ook over haar huidige missie hebben. Maar eerst een biografisch ommetje.

Geen enkel tienermeisje uit Oekraïne droomt ervan later diversiteitsambtenaar in de Belgische deelstaat Vlaanderen te worden. Hoe is het zover gekomen?

“Toeval, ik had helemaal geen plannen om naar België te komen, laat staan om Nederlands te leren. Ik had in Kiev taal- en letterkunde gestudeerd, Chinees en Engels. Erg boeiend, maar ik wilde er nog een economische opleiding bovenop. Het was vlak na de onafhankelijkheid, Oekraïne had een groot tekort aan economische kennis. Studeren in Engeland was mijn plan, maar dat bleek volstrekt onbetaalbaar. Ik ben dan gaan shoppen in Duitsland en België. De KU Leuven stelde zich het soepelst op, en zo ben ik hier beland”.

Leuven, de ultieme studentenstad. Liefde op het eerste gezicht?

 “Niet alleen met Leuven. Ik werd overrompeld door Europa. Het gevoel van vrijheid, de diversiteit ook. Adembenemend allemaal voor iemand die uit een verstard Sovjetland kwam. Ik zie mezelf die eerste keer nog in de auto zitten. We reden urenlang door Duitsland, België en Engeland, en de hele tijd was ik aan het wenen. Van geluk, maar ook van ongeloof.  Zie je, je moet achter het Ijzeren Gordijn opgroeien om die ontroering te begrijpen. Ik kom uit een systeem waar individuele vrijheid niet bestond. Een systeem waar grenswachters je zomaar van het vliegtuig of de trein konden plukken. Dat is me begin jaren negentig nog overkomen. Ik werd uit de auto gehaald en moest te voet de grens oversteken. Al mijn papieren waren in orde, en toch werd ik teruggestuurd. Waarom? Pure willekeur en machtsmisbruik. Ik voel het nog altijd als ik uit Oekraïne terugkeer en de grens oversteek, alsof er een loden last van mijn schouders valt. Toevallig werd gisteren de 25ste verjaardag van de val van de Berlijnse Muur gevierd. Ik heb vijf keer naar het journaal gekeken, en ik heb vijf keer gehuild. Een kantelpunt in de geschiedenis, zo wordt het genoemd. Voor mij gaat de betekenis nog dieper. Het einde van de Muur, dat is het begin van mijn persoonlijke vrijheid”.

Was het lastig om het Nederlands onder de knie te krijgen?

 “Viel wel mee. In maart mocht ik mijn cursus in Leuven ophalen, en in augustus moest ik examen afleggen. Ik was geslaagd en mocht in het Nederlands aan een bachelor economie beginnen. Die heb ik niet afgemaakt, moet ik toegeven, uiteindelijk bleek een Engelstalige master European Studies me toch beter te liggen. Ik vond Nederlands relatief gemakkelijk om te begrijpen en te lezen, maar het leren spreken was een frustrerende ervaring. Om te beginnen zijn er nauwelijks Vlamingen die de taal spreken zoals je ze krijgt aangeleerd. De verschillen in woordenschat en uitspraak zijn zo groot dat het erg lastig is om met ‘echte’ mensen te communiceren. Bij de bakker heb ik nog altijd de neiging te wijzen naar wat ik wil. Chocokoek, rozijnenkoen, boterkoek, het betekent overal iets anders. Wat ook niet helpt is dat Vlamingen de neiging hebben om meteen op een andere taal over te schakelen als je een poging tot communicatie in het Nederlands waagt. Een van de eerste Nederlandse zinnen die ik leerde uitspreken, was ‘ik spreek enkel Russisch en Nederlands’. Ach, misschien schrijf ik er ooit nog een boekje over, ‘Nederlands voor dummies’”.

Was het altijd de bedoeling hier te blijven?

“Nee. Ik had ook elders kunnen doctoreren, maar uiteindelijk bleek Leuven alweer de beste plek om mijn onderzoek te doen. Toen ik dan ook nog mijn man leerde kennen, was de verankering een feit. (lacht) Een Belg, maar we hebben elkaar in Hongarije ontmoet. Eigenlijk is mijn inburgering toen pas goed begonnen. Weg uit de kosmopolitische omgeving van de universiteit, wortel schieten in de echte maatschappij”.

Met succes: u ging aan de slag als bestuurssecretaris voor de provincie Vlaams-Brabant. Ambtenaar niveau A, geen slecht debuut voor een anderstalige instromer. Pittig examen afgelegd?

 “Ja, een schriftelijk examen bovendien, een zware test voor mijn Nederlands. Ik hield me ook toen al met migratie en integratie bezig. Eerstelijnswerk, ik had vooral te maken met hooggeschoolde migranten. Nieuwkomers, maar ook mensen die hier al langer woonden en niet aan de bak kwamen omdat hun buitenlandse diploma’ s en competenties niet werden erkend. Ik probeerde ze te helpen om verder te studeren of om een betere baan te vinden. Heel concreet en bevredigend werk, ik kon me met mijn eigen achtergrond perfect in hun situatie inleven. Er gaat in Vlaanderen veel talent verloren, dat is trouwens de reden waarom ik voor de post van diversiteitsambtenaar heb gesolliciteerd”.

Ligt de prioriteit van het Vlaams diversiteitsbeleid niet vooral bij kortgeschoolden? Misschien is het een cliché, maar we denken bijvoorbeeld aan jongeren met een migratie-achtergrond die ongekwalificeerd uitstromen en geen kansen krijgen op de arbeidsmarkt…

“Dat is waar iedereen over praat. Terecht, want de achterstelling van jongeren uit kansengroepen is een groot probleem. Als we daar niks aan doen, zal Vlaanderen binnen een jaar of twintig een zware prijs betalen. Groepen die zich permanent uitgesloten voelen, keren zich op de duur tegen de maatschappij. Maar er is nog een andere groep waar men veel minder aandacht aan besteedt, en die is wel hoogopgeleid. In Leuven wonen nogal wat Iraakse vluchtelingen. Daar zitten heel wat ingenieurs tussen die gefrustreerd zijn omdat ze hun talenten niet kunnen benutten. Ook in de Vlaamse kringloopcentra lopen heel wat ingenieurs en architecten rond. Waarom kunnen we dat potentieel niet aanboren? We kunnen die mensen goed gebruiken, de Vlaamse overheid ondervindt zelf de grootste moeite om ingenieurs en architecten aan te trekken. Anders dan bij kortgeschoolden kun je geen mismatch met de arbeidsmarkt als excuus inroepen. Okay, de taal vormt soms een barrière, daar moeten we dan maar specifieke programma’s voor ontwikkelen. Maar in die groep zitten ook heel wat tweede generatie migranten, zonder taalprobleem en met Belgische diploma’s op zak. Ook die komen blijkbaar niet aan de bak”.

Waarom? Discriminatie?

“Ik kan alleen over de Vlaamse overheid als werkgever spreken. We hebben een strikte deontologische code die consequent wordt toegepast. Maar ook zonder discriminatie zijn er obstakels. Een Iraakse architect kan ook maar solliciteren als hij weet dat de Vlaamse overheid op zoek is naar architecten. Daar moeten we goed over nadenken. Als je een vacature van 15 pagina’s uitschrijft, dan weet je dat je geen allochtone kandidaten bereikt, want dat is een berg waar ze niet over geraken. Het probleem is trouwens niet dat de Vlaamse overheid geen personeel uit de migratie wil aantrekken. Er melden zich gewoon niet genoeg kandidaten met zo’n achtergrond. Uitdagingen genoeg voor mijn team van tien medewerkers. Sensibilisering van kansengroepen, monitoring van de instroom, ontwikkelen van nieuwe instrumenten zoals verworven competenties, we moeten het probleem breed aanpakken”.

De recente streefcijfers van Vlaams minister van binnenlandse zaken Liesbeth Homans liggen een stuk boven jullie eigen doelstellingen. Krijgt u het niet benauwd?

“Het wordt een heel zware dobber, zeker nu de Vlaamse overheid moet bezuinigen. Je kunt geen kortgeschoolden uit kansengroepen aanwerven als er geen banen voor kortgeschoolden zijn. Toch ben ik blij met de ambitieuze doelstellingen, de Vlaamse regering geeft daarmee het signaal dat het haar menens is met de tewerkstelling van doelgroepen. Ik wil de kloof met onze eigen streefcijfer wel wat relativeren. De Vlaamse regering hanteert een nieuwe definitie van migratie-achtergrond. Vroeger sloeg dat alleen op niet-Europese burgers, maar vanaf 2016 tellen alle niet-Belgen mee in de diversiteitstatistieken”.

Ook Nederlanders?

(schamper) “Dat vind ik weer zo’n typisch Vlaamse reactie. Ja, ook de Nederlanders tellen mee. Die struikelen niet over een taalprobleem, maar wel over andere obstakels. Overigens, ook Marokkaanse Nederlanders zijn Nederlanders”.

Als Vlaams diversiteitsambtenaar moet u ook de genderbalans bewaken. Is dat gemakkelijker dan het wegwerken van migratie-achterstand?

“De problematiek is verschillend. Bij gender komt het erop aan de doorstroming te verbeteren, bij migratie moet je aan de instroom werken. Het genderbeleid kan op een langere traditie bogen. Er staan meer instrumenten ter beschikking, sollicitatietraining, coaching, noem maar op.  De Vlaamse overheid heeft al een lange weg afgelegd. Vrouwen wegen voor 49,4 procent in het totale personeelsbestand, tot en met het lager middenkader is de balans in evenwicht. Nu komt het erop aan de doorstroming naar het hoger middenkader en het topkader te bevorderen. 21 procent vrouwen aan de top, dat moet tegen 2021 verdubbelen. Ook hier ligt het probleem niet bij de benoemingspolitiek, er zijn gewoon te weinig vrouwen die zich kandidaat stellen. Als je met slechts 30 procent vrouwen aan een lange selectieprocedure start, dan mag je al blij zijn als er in de laatste ronde nog één overschiet”.

U haalde niet alleen de laatste ronde, maar werd ook uitverkoren. Als allochtone vrouw belichaamt u dan ook de missie van de Vlaamse diversiteitsambtenaar. Was u de geknipte kandidaat? 

“Zo eenvoudig is het niet, de selectie gebeurde erg grondig. Alleen al het assessment duurde een hele dag. Presentaties, interviews, rollenspellen met realistische managementsituaties. We begonnen eraan om negen uur, het bleef maar doorgaan tot vijf uur. Toen ik weer buitenkwam voelde ik me naakt, alsof ze me helemaal binnenste buiten hadden gekeerd. Je kunt tijdens zo’n assessment niks verbergen, je persoonlijkheid wordt van alle kanten belicht. Ik vroeg me zelfs niet af of ik een goede indruk had gelaten. Nu weten jullie wie ik ben, dacht ik, so take it or leave it.”

U begeleidt voor het Davidsfonds cultuurreizen naar Oekraïne en Rusland. Schiet daar nog tijd voor over?

“Ik ben ermee gestopt, maar niet uit tijdgebrek. Oekraïne is momenteel te gevaarlijk, en in Rusland heb ik nu echt geen zin. Jammer, want ik deed het doodgraag. Tijdens zo’n reis kon ik mijn Vlaamse gezelschap de ogen openen. Voor de schoonheid van mijn vaderland, maar ook voor hun eigen vooroordelen. Want die hebben jullie ook, soms lijkt het alsof de Koude Oorlog nog niet is afgelopen”.

Louise Fresco, kruisvaarder tegen schaduwdenkers

Knack, 12 november 2014

‘Kennis is onze enige onuitputtelijke grondstof’ 

De plofkip is geen monster, en de mens is voor zijn mondiale voedselvoorziening beter af met een industrieel groot wit dan met een biobrood. Vloeken in de groene kerk, Louise Fresco doet het wel vaker. De Nederlandse wetenschapster en schrijfster heeft een nieuw boek uit. ‘Kruisbestuiving’ gaat over het  koningskoppel Kunst en Wetenschap. Interview tegen 130 per uur met een rabiaat tegenstander van Schaduwdenkers. 

foto: Jeroen Oerlemans

foto: Jeroen Oerlemans

Louise Fresco  heeft dan toch een gaatje in haar propvolle agenda gevonden: de terugrit van Brussel naar thuishaven Amsterdam. Gelukkig met chauffeur, dat praat makkelijk. “Ik heb ooit wel eens interview gegeven tijdens het fietsen”, zegt ze bij het instappen op het Frère-Orbanplein. “Maar rijden en ondertussen een vraaggesprek beantwoorden, dat lijkt me toch te riskant in het Belgische verkeer”. Nochtans is deze Nederlandse wetenschapster en schrijfster een kei in multitasken, zoals blijkt uit de TED-lezing die ze in 2009 in Palm Springs gaf. Terwijl ze het deeg voor een volwassen brood staat te kneden, laat ze het publiek in vogelvlucht kennis maken met tienduizend jaar landbouwgeschiedenis, om vervolgens de kwestie van wereldwijde voedselveiligheid aan te snijden. Kern van het betoog over: willen we de wereld voeden, dan is de toekomst niet aan het meergranenbrood van de biobakker om de hoek, wel aan het industriële groot wit uit de supermarkt of de automaat. Het publiek eet uit haar hand. Letterlijk, want op het einde van de lezing breekt ze, Jezus achterna, het ovenverse brood om het met de toehoorders op de voorste rij te delen.

In Vlaanderen is Louise Ottillie Fresco (62) minder bekend, maar in Nederland klinkt haar naam als een klok. Ze schrijft columns voor NRC, en is een vertrouwde verschijning in de populaire praatshows op TV.  Als specialiste tropische plantengroei verbleef en werkte ze in een zestigtal niet-Europese landen. Ze bekleedde topfuncties bij de FAO in Rome, doceerde aan universiteiten op vier continenten, en houdt een dozijn bestuursmandaten warm bij multinationals, overheidsinstellingen en adviesorganen allerhande. Fresco geldt intussen als een invloedrijk denker over duurzame ontwikkeling. Na zeven jaar Universiteit Amsterdam keerde ze in juli terug naar haar alma mater in Wageningen, als voorzitter van de befaamde landbouwuniversiteit. Tussen al het reizen, doceren en vergaderen door vond ze tijd om acht boeken te schrijven, fictie zowel als non-fictie. In het pas verschenen ‘Kruisbestuiving’, een bundeling van geactualiseerde columns en essays, berijdt ze een van haar favoriete stokpaardjes, de wisselwerking tussen wetenschap en cultuur. De verschraling van het hoger onderwijs, het verzet tegen ggo’s, het wantrouwen jegens wetenschap, consumptieverslaving en islamofobie, het boek is een grabbelton van verrassende inzichten en scherpe meningen over een scala van thema’s. .

We duiken de Wetstraat in. Geen onbekend terrein voor Fresco die tot haar achttiende in Brussel woonde, waar haar vader filosofie doceerde. “Ik ging naar de Europese School”, zegt ze. “Een geweldige tijd, ik zat in de klas met kinderen van Eurocraten. Duitsers, Fransen, Italianen, het was nog het Europa van de zes. We kregen les in vier talen, ik ben er spelenderwijs polyglot geworden”. Het blijkt overigens geen toeval dat we voor het gebouw van de Europese Commissie hebben afgesproken. Fresco komt recht uit een onderhoud met de top van het Directoraat Onderzoek, ook al een klant die voor haar advies in de rij staat.

-   U schrijft ook over Europa. Niet toevallig in een hoofdstuk over het democratisch deficit in de samenleving. De Unie kan de Europese burger niet begeesteren, Brussel wordt gezien als een bureaucratische moloch. Die constatering houdt u blijkbaar niet tegen om voor de Commissie te werken

Fresco: “Ach, het is in Europa niet erger dan in de lidstaten. Onderwijs en wetenschappelijk onderzoek hebben het erg te pakken, maar in feite wordt de hele samenleving steeds bureaucratischer. Regels, procedures, controle voor en na, we leven in het tijdperk van accountants. Iedere euro wordt vijf keer omgedraaid, en iedere uitgave moet achteraf uitgebreid worden verantwoord. Zeker als het over onderzoek gaat, want dan speelt ook het groeiende wantrouwen jegens de wetenschap. De Europese en nationale bureaucratieën werken cumulatief, dat maakt het extra zwaar. Ik begrijp de behoefte aan controle wel, publieke middelen moeten goed worden besteed.

Toch zou men meer flexibiliteit moeten inbouwen. Net als kunst staat of valt wetenschap met vrijheid en creativiteit. Daar zit het conflict: echte wetenschap vertrekt met open vizier. Je duikt in een materie zonder precies te weten waar je zult uitkomen. Dat vecht met het wezen van de bureaucratie die alles op voorhand wil vastleggen. Maar laten we vooral niet negatief doen. De Europese commissie wil over zes jaar gespreid 80 miljard in wetenschappelijk onderzoek investeren. Dat is enorm, zeker in crisistijd”.

-  U houdt een hartstochtelijk pleidooi voor ‘lernen’, vrij te vertalen als het ideaal van levenslang leren. Waarom? We worden toch  al genoeg om de oren geslagen met oproepen tot permanente bijscholing?

Fresco: “Klopt, maar Lernen is iets heel anders. Levenslang leren, met de universiteit als vrijplaats voor de geest. Het concept is ontstaan uit de Verlichting en gerijpt in het Duitsland van de 19de eeuw, Alexander von Humboldt is er zowat de belichaming van.  We zouden nog verder in de tijd kunnen teruggaan, want het heeft ook diepe wortels in de joodse traditie. Hoe dan ook, we zijn dat een beetje kwijt geraakt, we doen alsof leren iets is voor mensen tussen 18 en 22. Vijf jaar, en dan moeten ze klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Het hele onderwijs is daarop ingesteld. Universiteiten zijn fabrieken die worden afgerekend op het aantal diploma’s dat ze afleveren, net zoals docenten op hun aantal publicaties worden afgerekend. Input en output, ook daar heb je die accountantsmentaliteit weer. Bijscholen past in dat plaatje. Het gaat niet om kennis maar om skills, vaardigheden die direct nuttig zijn voor de arbeidsmarkt. Dat is niet waar ik een lans voor breek. Lernen staat voor een open geest, het vermogen om vragen te stellen en te leren uit je fouten. Kijken uit de ooghoeken, noem ik het graag. Zeker als wetenschapper moet je alert zijn voor ontdekkingen in andere vakgebieden”.

heeft u daarom zo’n probleem met de tegenstelling tussen alfa en beta, tussen geestes- en natuurwetenschappen?

Fresco: “Ja, ik heb zelf altijd geprobeerd die kloof te overbruggen. Als student in Wageningen was het vanzelfsprekend dat je ook vakken uit de sociale wetenschappen nam, zoals antropologie. Dat kan veertig jaar later nog altijd, maar de opleiding is schoolser en tegelijkertijd specialistischer geworden. Niks tegen specialisatie, je moet je als wetenschapper heel diep in je vakgebied graven om nog mee te tellen. Toch vind ik de beste wetenschappers precies diegenen die boven hun vakgebied gaan staan en verschillende onderwerpen combineren. Er zijn immers maar weinig problemen die vanuit één discipline kunnen opgelost worden. Verkeer is een perfect voorbeeld, het roept vragen op over engineering van auto’s, ruimtelijke ordening en wegenaanleg, maar evengoed over robotisering en economie. Is het nodig al die goederen te vervoeren? Waarop je weer vragen kunt stellen over ons consumptiegedrag. Het verkleinen van de kloof tussen alfa en beta is een van mijn missies in Wageningen. Het mag niet volstaan een vak uit de geesteswetenschappen te volgen, idealiter maken onze studenten zich een heel andere manier van denken eigen”.

 

Kennis is onze enige onuitputtelijke grondstof, schrijft u. Goed gevonden, kan zo op een tegeltje aan de muur. Toch moet u betreuren dat wetenschappers steeds meer op onbegrip van burgers en politici stuiten. Hoe komt dat?

Fresco: “Om met het beleid te beginnen: hoeveel beta-wetenschappers zitten er nog in de politiek? Vijftig jaar geleden waren het ingenieurs en technici die bij de wederopbouw het voortouw namen. Nu is politiek een zaak van juristen of politieke wetenschappers, op een verdwaalde arts na allemaal mensen die weinig voeling hebben met wetenschap en technologie. Een land als China wordt zowat exclusief door ingenieurs bestuurd. Dat merk je ook, China kiest voluit voor wetenschap en technologie. Dat gebrek aan voeling verklaart waarom onze politici de oren laten hangen naar de publieke opinie die angstig en afwijzend reageert op het onbekende. Denk aan nieuwe ontwikkelingen zoals nanotechnologie, robotisering en genetische manipulatie. Hoe dat te keren? Via onderwijs, we moeten kinderen tot nieuwsgierigheid opvoeden. Dat vergt creativiteit. Hoeveel kinderen groeien niet op met vooroordelen? Wiskunde is moeilijk, en aan fysica is helemaal geen beginnen. Maar je kunt kennis ook op een speelse manier aanbrengen. Zelf ben ik dol op les geven. In Amsterdam nam ik mijn studenten mee op supermarktsafari. We deden echt alsof we ons in een onbekende jungle begaven, we waren antropologen die klanten observeerden, en zich tegelijkertijd afvroegen waar al die producten vandaan kwamen. Buiten de lijntjes kleuren, dat kan even goed op de lagere of middelbare school. Maar ook wetenschappers zelf moeten meer moeite doen. We zitten in onze ivoren toren, alleen als we een spectaculaire ontdekking hebben gedaan, dalen we af om eureka te roepen. Dan krijg je vreemde reacties, zoals die keer toen ze een muis met een menselijk oor presenteerden”.

De bizarre foto staat ons nog voor de geest.  Wat is het verhaal?

Fresco: “Amerikaanse onderzoekers waren erin geslaagd via weefselkweek een menselijk oor uit een muis te laten groeien. Erg trots waren ze, de toepassingen leken dan ook fantastisch. In de toekomst zouden slachtoffers van ongevallen geholpen kunnen worden met gekweekte lichaamsdelen. De hele wetenschappelijk community was enthousiast, maar de publieke opinie reageerde niet met het verhoopte applaus maar met onverholen afgrijzen. Met wat meer alfa-kennis, een dosis antropologie of kunstgeschiedenis bijvoorbeeld, hadden ze dat kunnen weten”.

- hoezo?

Fresco: “Ken je ‘De Tuin der Lusten’, het beroemde schilderij van Hieronymus Bosch? Ik heb thuis een replica. Hoe Bosch op het rechterpaneel de hel voorstelt. Het krioelt van  misvormde dwergen en wanstaltige hybriden. Mensen met vogelkoppen, kruisingen van mens en vis, hoofden zonder lichaam. Fascinerend, ik heb er uren met het vergrootglas naar gekeken. Bosch was niet de enige, de hele kunstgeschiedenis zit vol verwijzingen naar de oerangst voor monsters en hybriden. Niet alleen in de Lage Landen, die angst is universeel. Zo bekeken is het niet verwonderlijk dat die muis met haar mensenoor vooral afschuw inboezemt, het dier leek zo weggelopen uit een schilderij van Bosch. We moeten dus uit onze ivoren toren. Precies daarom heb ik de Wageningse dialogen gelanceerd. Bedoeling is een permanent gesprek aan te gaan, met de samenleving maar ook met kunstenaars. Ik geloof namelijk heel sterk in de rol van kunst. Om vragen te stellen bij nieuwe wetenschap en uiting te geven aan de ambivalente gevoelens die ermee samenhangen, maar ook om het publiek anders te leren kijken en de soms verrassende oplossingen van de wetenschap niet a priori te verwerpen. Koen Vanmechelen is zo’n kunstenaar die pertinente vragen stelt. Wat is eigenlijk een gen? En zijn we niet allemaal de optelsom van een reeks genen? Erg verfrissend. We hebben allemaal een mening over gentechnologie, maar vraag een willekeurige voorbijganger wat een gen is, en er zal een pijnlijke stilte vallen.”

 

Van monster is het maar een kleine stap naar Frankensteinfood, een begrip vaak  gebruikt door tegenstanders van genetische manipulatie in  landbouw en voedselvoorziening. Toevallig begint deze week in Gent het proces tegen elf van die tegenstanders, leden van het Field Liberation Movement die in 2011 een proefveld met ggo-aardappelen gedeeltelijk hebben vernield. De ggo-aardappelen werden overigens in Wageningen ontwikkeld. Wat vindt u van dat proces?

Fresco: “Om te beginnen dit: ik vond het geen goed idee van de Leuvense universiteit om een onderzoekster vanwege haar betrokkenheid te ontslaan. Niet dat ik haar actie goedkeur, ik vind trouwens niet dat het aanbrengen van vernielingen nog onder de noemer van burgerlijke ongehoorzaamheid valt. Maar met zo’n strafmaatregel geef je een verkeerd signaal. Op de universiteit moeten verschillende meningen, mits wetenschappelijk onderbouwd, naast elkaar kunnen bestaan en desnoods botsen. Maar vooral: zo’n sanctie bevestigt alleen maar het beeld van wetenschap en industrie die samen één machtig bolwerk vormen. Dat kunnen we missen als kiespijn, het Europese ggo-debat is zo al moeilijk genoeg.”.

 

dat wetenschap en industrie onder een hoedje spelen is inderdaad een van de verwijten die activisten maken. Niet onterecht toch?

Fresco: “Maar dat klopt niet, net zomin als de bewering dat ggo’s de arme boeren meer dan ooit in de armen van de agro-industrie drijven. Neem nu de fameuze golden rice, een variant die door genetische manipulatie een bron van vitamine A vormt. Dat is toch vooruitgang? Vitamine A-tekort kan bij kinderen blindheid veroorzaken, in vele ontwikkelingslanden een reusachtig probleem. En het mooie is: de zaden kunnen naar de volgende oogst worden overgedragen zodat boeren niet tekens weer bij een multinational moeten aankloppen. Golden rice is het resultaat van een samenwerking tussen bedrijven en overheden. De patenten zijn vrijgegeven, ze staan ter beschikking van arme landen. Ook Indiase katoenboeren zal je niet horen klagen over hun ggo-planten. Grotere opbrengsten, meer inkomsten, en dat alles met beduidend minder bestrijdingsmiddelen. Dat laatste is geen detail, want in India vallen jaarlijks ettelijke doden door het verkeerd gebruik van bestrijdingsmiddelen”.

wat vindt u van het Europees verbod op ggo’s en ggo-onderzoek?

Fresco: “Ik heb er op vraag van Science een artikel over geschreven. Een patstelling, zo heb ik het omschreven. Europa heeft een uitstekend adviesorgaan, het European Food Safety Authority. Daarin zitten onafhankelijk expert die iedere aanvraag voor ggo-onderzoek beoordelen. Het EFSA heeft al heel wat positieve adviezen verstrekt, maar in de praktijk komt er niks van omdat nationale overheden geen verdere actie ondernemen.. Kijk, het hele ggo-verhaal is ongelukkig gestart met de herbicidetolerante soja en maïs van Monsanto. Een combinatie van genetica, chemicaliën en Big Industry, dat was achteraf bekeken dodelijk voor de perceptie. Maar intussen zijn het niet meer de bedrijven die in het onderzoek voorop lopen, wel overheden zoals China, India, Canada, Australië en Argentinië. Het is goed dat er in Europa een maatschappelijk debat wordt gevoerd, maar dat mag ons niet verlammen. Als we niet opletten, raken we wetenschappelijk en technologisch achterop. Dan kunnen we zelfs niet meer beoordelen wat er op ons afkomt vanuit landen waar ze voortvarend experimenteren, zonder veel maatschappelijk debat. Ik denk daarbij niet alleen aan landbouw. Af en toe worden we opgeschrikt door een bericht over een of andere Koreaanse wetenschapper die een mens probeert te klonen”.

critici zeggen: Louise Fresco is de spreekbuis van de agro-industrie.

Fresco: “Maar nee. Ik pleit alleen voor nuance in het debat, we moeten geval per geval een scherp onderscheid maken. Dat is moeilijk in Europa, de publieke opinie wil het zwart of wit, voor of tegen ggo’s. Intussen sluiten we de ogen voor onze eigen inconsequenties. Want natuurlijk wordt er veel ggo-voedsel geïmporteerd, onzichtbaar in allerlei ingrediënten. En wat we ook niet willen weten: Europa produceert zelf op grote schaal ggo’s. Insuline voor suikerpatiënten? Gekweekt uit genetisch gemanipuleerde bacteriën. Stremsel voor kaas? Allemaal gemaakt van genetisch gemodificeerde micro-organismen”.

De TED-lezing was een pleidooi voor grootschalige landbouw. En in verschillende boeken houdt u een pleidooi voor de plofkip. Luider vloeken in de groene kerk kan niet. Houdt u van controverse?

Fresco: “Ik pleit niet voor grootschaligheid als doel, maar voor de juiste oplossing voor specifieke situaties. We moeten weten wat willen. De intensieve kippenhouderij in Nederland of België verbieden? Kan, maar dan is de consequentie dat we massaal kippen  importeren uit Roemenië, Oekraïne of andere landen waar geen enkele controle op dierenwelzijn bestaat. We lijden allemaal aan cognitieve dissonantie. Ik ben zelf vatbaar voor de romantiek van de biolandbouw, de warmte en de gezelligheid van grootmoeders dorp. Alleen vrees ik dat we heimwee koesteren naar een verleden dat nooit heeft bestaan. In werkelijkheid was het boerenleven voor de komst van de intensieve, gemechaniseerde landbouw een keihard en miserabel bestaan. Dat is het nog altijd voor de arme boeren in het Zuiden, weet ik uit eigen ervaring. In de Andes zie je de vrouwen iedere dag de bergen intrekken. Met een bijl staan ze urenlang in de kou op de rotsbodem in te hakken, om toch maar plaats te maken voor een extra knol. In Azië staan kleine rijstboeren dag in dag uit kniehoog in het water, met allerlei ziektes tot gevolg. Die mensen ga je niet helpen door ze vast te pinnen op hun traditionele methodes. Geef ze machines, meststoffen, zaden en plantgoed zodat hun werk lichter wordt en hun productiviteit en inkomen stijgen. Ik vraag me trouwens me af waarom we zo’n moeite hebben met grootschaligheid, terwijl we anderzijds dol zijn op megasteden zoals New York. Hoe gaan we trouwens al die miljoenensteden voeden? Voedsel lokaal en liefst biologisch produceren? Goed idee, we moeten alle mogelijkheden benutten. Maar dat zal niet volstaan, we kunnen de wereld niet voeden zonder intensieve landbouw. Kijk naar de cijfers. De voorbije vijftig jaar is de wereldbevolking verdubbeld, en toch is het aantal beschikbare calorieën per hoofd met een kwart gestegen. Dat is uitsluitend te danken aan de verbetering van de landbouw. In geen enkele sector is de productiviteit zo spectaculair gestegen. Wereldwijd zijn nog maar een dikke 500 miljoen mensen actief in de landbouw. Dat is ongezien en ook een tikje beangstigend: nooit eerder waren zo weinig mensen verantwoordelijk voor de mondiale voedselvoorziening, een behoefte minstens zo essentieel als onze energiebevoorrading”.

Wat heeft u tegen ‘schaduwdenkers’?

Fresco: (lacht) “Doemdenkers is het courante begrip, maar ik vind schaduwdenkers mooier. Het zijn mensen die graag met worst case scenario’s schermen, en die er van overtuigd zijn dat het met de wereld de verkeerde kant uitgaat. Vaak bewijzen ze hun gelijk door actuele trends vijftig jaar door te trekken zodat het in een crash eindigt. Ik heb daar een probleem mee. De toekomst is onvoorspelbaar, je kunt trends niet zomaar doortrekken. Wie had twintig jaar geleden kunnen voorspellen welke vlucht de informatietechnologie zou nemen? Jammer genoeg vinden schaduwdenkers veel gehoor, vooral in Europa waar we het geloof in wetenschap en technologie als bron van vooruitgang hebben verloren. Dat is best ironisch als je bedenkt dat geen enkel continent zoveel aan wetenschap en technologie te danken heeft. Misschien komt het omdat hier al twee generaties zijn opgegroeid die nooit schaarste hebben gekend. We missen perspectief, het zicht op de lange termijn. Tweehonderd jaar geleden zouden twee van de drie mensen in deze auto niet ouder dan veertig zijn geworden. Dat heet vooruitgang, met dank aan wetenschap en technologie”.

De alarmerende prognoses over de klimaatverandering zetten vanzelf aan tot schaduwdenken. Bent u een believer of een scepticus?

Fresco: “Er is iets aan de hand en de mens speelt daarin een rol, daarover zijn alle wetenschappers het stilaan eens. Maar ook hier mis ik de nuance. Globale cijfers over temperatuurstijging zeggen bitter weinig, we moeten per regio kijken naar de prognoses en de mogelijke impact. En wat ik ook mis: de positieve gevolgen. Als het noordelijk halfrond opwarmt, kan China zijn landbouwareaal fors uitbreiden. Scandinavië zal opnieuw graan kunnen verbouwen, in Schotland kunnen druiven groeien. Elders zullen ze negatieve gevolgen incasseren, helaas in landen die nu al tot de armste ter wereld behoren. Natuurlijk moeten we de uitstoot van broeikasgassen zo veel mogelijk beperken, het is trouwens aberrant om kwistig met fossiele brandstoffen om te springen. Maar zelfs met de meest stringente maatregelen zal de temperatuurstijging nog een hele tijd doorwerken. We moeten ons nu vooral op de gevolgen concentreren”.

Kruisbestuiving. Over Kennis, Kunst en het Leven’, Prometheus-Bert Bakker, 194 pag, 19,95 euro

Vergaderen is zinloos!

(Knack, 12 november 2014)

We vergaderen ons te pletter, notulen en to do-lijstjes ritmeren het kantoorleven. Stop ermee, is de boodschap van wetenschapsjournaliste Ellen De Bruin. Vergaderingen fnuiken de creativiteit en geven een vals gevoel van inspraak. Maar beleg vooral geen vergadering om een alternatief te vinden.

illustratie: Bart Schoofs

illustratie: Bart Schoofs

Een Britse ambtenaar gaf ooit volgende definitie. “Vergaderingen zijn doodlopende steegjes waarin men ideeën lokt om ze vervolgens stilletjes te wurgen’. Het internet wemelt van dat soort gevleugelde uitspraken. Zelden valt daarin een positief woord over meetings of vergaderingen. De aversie mag dan breed  worden gedragen, we vergaderen ons even goed te pletter. Sommigen worden daar beter van, zoals producenten van ovalen tafels en overhead projectoren. Maar andere sectoren? Geen betere sfeerbederver op de werkvloer dan de aankondiging van een vergadering, weet Ellen De Bruin. De NRC-wetenschapsjournaliste voert al jarenlang een kruistocht tegen de vergadercultus. “Ik heb er een sport van gemaakt”, zegt ze. “In mijn column gooide ik iedere week een reden om niet te vergaderen. Daar kwam zoveel reactie op, dat ik besloten heb die stukjes wetenschappelijk uit te diepen en mijn bevindingen in een boek te gieten”.

Dat boek, met inzichten van managers, werknemers en deskundigen zoals arbeidspsychologen, ligt er volgende week: ‘Vergaderen? Niet doen!”, luidt de ietwat provocerende titel. “Vergaderingen zijn geestdodend en fnuiken de creativiteit”, zegt De Bruin die benadrukt dat het met de redactievergaderingen bij NRC nog wel meevalt. “Waarom dat zo is? Om te beginnen wordt er geen informatie uitgewisseld. Door de sterke drang naar consensus zegt men bij voorkeur wat iedereen al weet. Diegenen die het hoge woord voeren, zijn niet de mensen met de beste ideeën maar wel met het grootste ego. Daar is onderzoek naar gedaan. Hoe hoger men scoort op het criterium zelfoverschatting, hoe langer men tijdens een meeting aan het woord blijft. Nog argumenten nodig? Besluiteloosheid: groepen hebben de neiging beslissingen uit te stellen. Dat tillen we naar de volgende vergadering, luidt het dan. En dan spreek ik nog niet van het tijdverlies. Vergaderingen lopen altijd uit, waardoor de kwaliteit van de beslissingen nog verder daalt. De concentratie gaat achteruit, alle breinwetenschappers kunnen bevestigen dat hersenen vermoeid raken als we lange tijd naar verschillende bronnen tegelijkertijd luisteren”.

Tijd is geld, ook vergadertijd. Om de kostprijs te meten werd de Cost of Meeting App ontwikkeld. Simpeler kan niet: gewoon het aantal deelnemers en de nodige loonbarema’s in de COMA pleuren, en tijdens de debatten zie je dollars of euro’s pijlsnel oplopen. Slecht besteed geld? Niet per se, vindt Google-topman Eric Schmidt die in zijn boek ‘How Google Works’ enkele vuistregels voor efficiënt vergaderen geeft.  Goede voorbereiding, duidelijke agenda en een sterk leiderschap zijn noodzakelijk, net zoals het verbod op smartphone of laptops tijdens de bespreking. “Ach boekjes over efficiënt vergaderen”, zegt De Bruin geringschattend. “Er zijn er honderden verschenen, allemaal met dezelfde recepten. Je kunt er ook cursus over volgen. Het zet allemaal weinig zoden aan de dijk, ik heb alleszins geen weet van bedrijven waar medewerkers goed en graag vergaderen”. De Bruin liet een kaderlid van een groot bedrijf anoniem uit de biecht klappen. In de onderneming  leefde het besef dat het met de vergaderkoorts de spuigaten uitliep. Een dagelijkse huddle moest soelaas brengen. “Die term komt uit het American football”, legt De Bruin uit. “Alle medewerkers zouden ’s morgens een kwartiertje huddlen: praten over het werk, maar ook polsen naar elkaars humeur en welbevinden. De hoop was dat dat ene collectieve moment alle andere vergaderingen overbodig zou maken. Mooi niet dus, en na een poosje stelde men vast dat er gewoon een extra vergadering bovenop was gekomen. Dat heb ik trouwens vaker gehoord. Bedrijven waar ze een extra vergadering beleggen om zich af te vragen hoe ze het aantal vergaderingen kunnen beperken”.

En toch. Is de vergadering voor een bedrijf of organisatie niet wat het parlement is voor de democratie? Een manier om de basis te betrekken bij de besluitvorming? “Dat maken we onszelf wijs”, veegt De Bruin het argument van tafel. “Die inspraak is een wassen neus. Ja, de deelnemers krijgen een stem. Een post decisional voice, noemt men dat in het Engels. De echte beslissingen worden immers op voorhand genomen, de vergadering dient alleen om de deelnemers op de hoogte te brengen en eventueel wat commentaar te laten spuien”.  Haar alternatief voor nutteloos vergaderen? “Stel dat er een probleem is”, zegt De Bruin. “Dan moet je de verantwoordelijke identificeren en de rest aan hem of haar overlaten. Die persoon moet dan zelf uitmaken met wie hij over de oplossing gaat praten. Daar moet echt geen meeting met broodjes aan te pas komen”.

‘Vergaderen? Niet doen!’, Ellen De Bruin, Atlas Contact, 17,99€ 

 

 

 

 

Ebola-illegalen eisen regularisatie

(Knack, 5 november 2014)

“We kunnen niet terug” 

De jacht op sans papiers uit ebola-landen is tijdelijk gestaakt. Te gevaarlijk om ze gedwongen te repatriëren, oordeelt de federale politie. Gevolg: duizenden Guinéers, Liberianen en Sierra Leoniërs zitten in een juridisch niemandsland. De roep voor een tijdelijke regularisatie zal de volgende weken steeds luider klinken.

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

Het scherm van haar Chinese smartphone is gebarsten, maar het beeld is duidelijk genoeg. Twee mannen in gele beschermingspakken zeulen met een draagberrie. Fanthawa Sesay wijst op de patiënt. Dat is dus dokter Umar Khan, haar oom die als een van de eersten in Sierra Leone aan ebola bezweek. “Het is verschrikkelijk”, zegt de jonge vrouw. “Iedere dag hoor ik huiververhalen uit mijn land. Gisteren nog dat meisje van 12 dat met haar laatste krachten uit haar huis was gestrompeld om te sterven. Haar babyzusje van drie maanden was achtergebleven, maar niemand durfde binnen te gaan om het kind te helpen”.

Fanthawa’s gsm is niet de enige die uitpuilt van alarmerende sms’en en akelige foto’s uit Ebolia, een federatie van West-Afrikaanse landen verenigd door rampspoed . Guinée, Liberia, Sierra-Leone, de drie geteisterde landen zijn vertegenwoordigd in de Brusselse Begijnhofkerk. Met ruim driehonderd zijn ze komen afzakken naar het gebedshuis. Behalve de verhalen over dierbaren die in het verre thuisland aan ebola zijn gestorven, delen ze nog een kopzorg. Alle aanwezigen zijn uitgeprocedeerde asielzoekers die illegaal is België verblijven. Doel van de bijeenkomst: het bekomen van een tijdelijke beschermingsstatus. “We kunnen niet naar ons land terug”, zegt Noah Jessey. “Ik kom zelf uit Monrovia. Mensen vallen als vliegen, iedere dag hoor ik van buren of kennissen die zijn gestorven. Aan ebola, maar ook aan malaria of andere ziekten, want de hele gezondheidsinfrastructuur is ingestort. Intussen is er ook hongersnood uitgebroken, de chaos is compleet”. Jessey verblijft al tien jaar in België, de voorbije vier jaar als illegaal. In theorie loopt hij zoals alle aanwezigen een risico. De politie kan hem zo van straat plukken en in een gesloten centrum opsluiten, in afwachting dat de Dienst Vreemdelingenzaken hem op een vlucht richting Liberia zet. Sinds half augustus echter geldt een moratorium op gedwongen uitwijzingen naar ebola-landen. Reden: de federale politie vindt het gezondheidsrisico te groot om de vluchten te escorteren. “Aangezien we niet terug kunnen”, maakt Jessey zijn redenering af, “moeten ze ons maar regulariseren”.

 

De aanwezigheid van een grote groep illegalen uit ebola-landen is geen geheim. Liberianen en Sierra Leoniërs vormen slechts kleine gemeenschappen, de overgrote meerderheid zijn Guinéers. Officiële cijfers bestaan uiteraard niet, maar volgens Dokters voor de Wereld, een ngo die in verschillende grootsteden medische zorg aan illegalen verstrekt, loopt het aantal illegale Guinéers in de duizenden. Geen natte vingerwerk, wel een beredeneerde extrapolatie. Alleen al de voorbije vijf jaar vroegen meer dan 7.000 Guinéers in België asiel aan, het land is daarmee een vaste waarde in de top vijf van herkomstlanden. Het beschermingspercentage _ het aantal asielzoekers dat de vluchtelingenstatus of een andere verblijfstitel krijgt _ schommelde in die periode tussen de 20 en 40 procent. Van de anderen staat vast dat meer dan de helft geen gevolg geeft aan het bevel tot verlaten van het grondgebied en in de illegaliteit onderduikt. Veruit de meesten wonen en overleven in de verpauperde Kanaalzone, een boogscheut verwijderd van de Begijnhofkerk.

gedwongen repatriëren

De bijeenkomst in de kerk is een initiatief van Pigment, een bescheiden vzw die zich bekommert om daklozen en illegalen in Brussel. Pigment probeert zoveel mogelijk sans papiers uit de drie ebola-landen te registreren om de eis voor een tijdelijke beschermingsstatus kracht bij te zetten. “België moet consequent zijn”, betoogt projectverantwoordelijke Alexis Andries afwisselend in Frans en Engels. “De autoriteiten geven toe dat ze jullie niet gedwongen kunnen repatriëren. Wie nu wordt gecontroleerd, krijgt een verlenging van zijn bevel tot verlaten van het grondgebied en wordt verondersteld zelf terug te keren. Onzin natuurlijk. Als reizen naar een ebola-land te gevaarlijk is voor de federale politie, dan is het voor iedereen te gevaarlijk. Er is maar een oplossing: bescherming of regularisatie zolang de epidemie duurt”.

Pigment staat niet alleen, de eisen worden onderschreven door grote organisaties zoals Artsen Zonder Grenzen, Dokters voor de Wereld en de Franstalige vluchtelingenorganisatie Cire. Het gelegenheidsplatform tast simultaan een politieke en een juridische piste af. “Het valt simpel op te lossen”, zegt Mieke Van Den Broeck, asieladvocate bij Progress Lawyers Network die het Platform adviseert. “De ebola-epidemie moet worden erkend als grond voor het toekennen van subsidiaire bescherming”. Simpel? Dat valt nog te bezien. Subsidiaire bescherming is een statuut dat pas in 2006, in uitvoering van een Europese richtlijn, in het Belgische vreemdelingenrecht werd ingevoerd. Het dient als vangnet voor bepaalde categorieën van asielzoekers wier aanvraag niet onder de Conventie van Genève valt. Ook al bestaan er geen overtuigende aanwijzingen voor persoonlijke vervolging, toch lopen ze in eigen land een reëel risico op ernstige schade. De wet bakent twee gronden af. Schade door oorlog of willekeurig geweld, een motief dat onder meer voor Afghanen, Syriërs en Iraki’s vlot wordt aanvaard. Voorts wordt subsidiaire bescherming toegekend als de asielzoeker kan aantonen dat hij in eigen land blootstaat aan ‘vernederende of onmenselijke behandeling’. “Volgens de letter van de wet impliceert dat een menselijke actor als bron van het dreigende gevaar”, zegt Van den Broeck. “Maar dat is te beperkt, we moeten die beschermingsgrond verruimen. Want is het niet absurd? Oorlog of blind geweld tellen als risico’s, maar een dodelijke epidemie komt niet in aanmerking, terwijl die even willekeurig en op even grote schaal slachtoffers maakt”.

SN Brussels

Meester Van den Broeck is de auteur van het standaardformulier  _ een aanvraag voor het bekomen van subsidiaire bescherming _ dat in de Begijnhofkerk wordt uitgedeeld. Alleen de naam van de indiener moet nog worden ingevuld, de feitelijke en juridische argumentatie staat gebruiksklaar en gratis ter beschikking van zijn of haar advocaat. Er wordt uitvoerig gewezen op de rampzalige toestand in de drie ebola-landen, de weigering van de federale politie om er nog agenten heen te sturen, en het negatieve reisadvies van buitenlandse zaken. Vervolgens wordt het non-discriminatiebeginsel ingeroepen om de stelling hard te maken dat een dodelijke epidemie wel degelijk een grond voor subsidiaire bescherming vormt. Waarom onderscheid maken tussen mensen die ‘iemand’ vrezen en anderen die een dodelijke epidemie vrezen? Het weigeren van een beschermende status zou bovendien strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM dat foltering en vernederende of onmenselijke behandeling verbiedt. Uit dat artikel vloeit dan weer het ‘non-refoulementsbeginsel’ voort, een hoeksteen van het internationaal vluchtelingenrecht.

Het is de Commissaris-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen die in eerste aanleg over subsidiaire bescherming gaat. “De toetsing zit vervat in iedere asielaanvraag”, legt Dirk Van den Bulck uit .“Als er geen grond voor asiel is, onderzoeken we in bijkomende orde of de aanvrager aanspraak kan maken op subsidiaire bescherming”. Als de oproep in de Begijnhofkerk wordt gevolgd, zal zijn dienst binnenkort met aanvragen worden overspoeld. Uitgeprocedeerde asielzoekers kunnen immers ten allen tijde een nieuwe aanvraag indienen, tenminste als die een nieuw element bevat, zoals een uitslaande ebola-epidemie in hun thuisland. De kans op succes lijkt evenwel gering, zo valt af te leiden uit Van den Bulcks commentaar. “Illegalen uit Ebola-landen kunnen voorlopig niet gedwongen gerepatrieerd worden”, stelt hij vast. “Maar dat feit op zich geeft nog geen recht op verblijf in ons land”. De Commissaris-Generaal ziet alvast geen reden om het vangnet van de subsidiaire bescherming uit te gooien. “Zo’n epidemie valt niet onder het toepassingsgebied, ook niet als we de wet ruim interpreteren. Het risico bij terugkeer is trouwens relatief. Het virus is niet overal verspreid, vergeet niet dat het om grote landen gaat. Kennelijk lopen vooral bepaalde categorieën gevaar, zoals gezondheidswerkers. Met de nodige voorzichtigheid kan men de risico’s beperken, anders hadden luchtvaartmaatschappijen zoals SN Brussels al hun vluchten naar ebola-landen al lang gestaakt. Artikel 3 van het EVRM? Het moet al heel erg worden vooraleer men de algemene toestand in een land strijdig met artikel 3 verklaart. Bij mijn weten is er maar één precedent: na een uitspraak van het Europees Hof van Justitie werd een bepaalde regio van Somalië niet langer als een valabel binnenlands vluchtalternatief beschouwd. Maar de situatie in die regio was veel problematischer dan in de landen die nu door ebola worden getroffen”.

Theo Francken

“Ach ja”, zegt Mieke Van den Broeck. ”We kennen de visie van het Commissariaat-Generaal.  Dat mag ons niet ontmoedigen. Onze mensen kunnen altijd in beroep gaan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ik ben heel benieuwd hoe die zal oordelen. Er speelt trouwens nog een element: de publieke opinie. Binnenkort gaar het Platform met zijn eisen de straat op. Asielinstanties zijn daar gevoelig voor, weet ik uit ervaring met de Afghaanse illegalen. Die hebben maandenlang actie gevoerd, en intussen ligt hun beschermingspercentage bij het Commissariaat-Generaal op 80 procent”.

Toch verwacht het Platform meer heil van de zogenaamde politieke piste die in een  tijdelijke regularisatie moet uitmonden. Gehoopt wordt op een ruimhartige toepassing van artikel 9bis, de zogenaamde humanitaire regularisatie die als uitzonderingsprocedure in de Vreemdelingenwet staat. Een pasklare oplossing is het evenwel niet. 9bis is een individuele procedure die voor de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gevoerd, vaak als ultieme reddingsboei voor illegalen die schoolgaande kinderen hebben, of een uitzonderlijk lang verblijf en duurzame verankering in België kunnen bewijzen. De actievoerders beroepen zich op een ander criterium, de prangende humanitaire situatie. Het is een containerbegrip, gebaseerd op de praktijk en rechtspraak. Vaag genoeg om ook een dodelijke epidemie in het thuisland te omvatten, zo gaat de redenering. Blijft het feit dat een individuele procedure niet geschikt is als instrument om collectief duizenden illegalen uit ebola-landen tijdelijk te regulariseren. Alleen de regering kan beslissen tot een dergelijke uitbreiding van humanitaire regularisatie. Het is echter zeer de vraag of daar in de Wetstraat enig animo voor leeft.

Staatssecretaris voor asiel en migratie Theo Francken wenste niet inhoudelijk te reageren, maar kondigde aan de ebola-problematiek eerstdaags met alle asielinstanties te bespreken. De kwestie komt alleszins ongelegen. Niemand is vergeten dat Francken onmiddellijk na zijn aanstelling een drastische verstrenging van het uitwijzingsbeleid aankondigde. De capaciteit in de gesloten centra zal fors worden opgevoerd, met 1.000 extra gedwongen repatriëringen per jaar als objectief.  Het ligt voor de hand dat hij daarbij onder meer aan Guinéers dacht. Ook zijn voorganger Maggie De Block, die begin dit jaar een geruchtmakende ontradingsmissie naar Conakry ondernam, had het West-Afrikaanse land in het vizier. “Asielmisbruik door Guinéers is een van onze topprioriteiten”, zegt DVZ-woordvoerder Geert De Vulder. “We proberen het terug te dringen met een kordaat uitwijzingsbeleid. Zo hebben we vorig jaar 56 Guinéers gedwongen gerepatrieerd. Dat programma hebben we nu opgeschort. Noodgedwongen, door de beslissing van de federale politie”. Volledigheidshalve dient hier gezegd dat ook de DVZ zelf niet onverschillig is voor het ebola-gevaar. Een gedwongen repatriëring wordt altijd voorafgegaan door een bezoek aan het bestemmingsland van een DVZ-ambtenaar die de veiligheidssituatie inschat. Ook die reizen werden voor de drie ebola-landen tot nader order opgeschort.

Opstootje op het kerkplein. Een groepje Guinéers maakt onderling ruzie om een van de rondgedeelde documenten te bemachtigen, misleid door het absurde gerucht dat het om verblijfspapieren gaat. Andere illegalen kijken afkeurend toe. Het is potsierlijk, maar ook tekenend voor de wanhoop na jarenlang overleven in de illegaliteit. Een politiecombi rijdt onverrichterzake voorbij,  het illustreert de schemerzone waarin deze mensen vertoeven. De autoriteiten weten dat ze er zijn, maar doen voorlopig hard hun best om ze niet op te merken. Met enig cynisme zouden de betrokkenen dit vooruitgang kunnen noemen, dank zij ebola is de politiejacht tijdelijk afgeblazen. Noah Jessey, de Liberiaan met tien jaar België op de teller, voelde de vraag komen. Is het niet opportunistisch om ebola aan te grijpen om papieren te eisen? Okay, de epidemie maakt het tijdelijk onmogelijk naar zijn land terug te keren. Maar had hij dan plannen om terug te keren? “Nee”, geeft hij grif toe. “Onze regularisatie is vooral een humanitaire noodzaak. België wil toch helpen om ebola in Liberia, Guinée en Sierra Leone te bestrijden? Wel, geef ons dan papieren, dan kunnen we hier werk zoeken en geld verdienen om onze achtergebleven families bij te staan”.

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt