Maandelijks archief: april 2015

Gas over Steenstrate: het begin van de chemische oorlogsvoering

Knack, 8 april 2015 

Precies een eeuw geleden kondigde een groengele gifwolk tussen Steenstrate en Langemark een nieuw tijdperk aan. Het gaswapen was geboren, een nieuwe gruwel op het slagveld van de Grote Oorlog. Ann Callens en Jan Vandermeulen schreven een meeslepend boek over de eerste gasaanval en over de geschiedenis van de stille dood. “Gas was vooral een psychologisch wapen”.

 

luchtfoto chloorgasaanval

luchtfoto aanval met chloorgaswolk

Zo werd 22 april 1915 dus een mijlpaal in de krijgsgeschiedenis: om 17 uur stipt draaien Stinkpioniere van het Duitse leger in de loopgraven tussen Steenstrate en Langemark 5.730 cilinderflessen met chloorgas open. De operatie, het orgelpunt van een maandenlange, ultrageheime voorbereiding, duurt hoop en al vijf minuten. Aan de overkant zien verbijsterde Fransen hoe zich een zes kilometer brede, groengele wolk vormt, een toxische mistbank die langzaam maar zeker hun kant op drijft. Even later breekt paniek los, vele tientallen sterven die donderdag een afgrijselijke verstikkingsdood. De geest is uit de fles, het tijdperk van de chemische oorlogsvoering aangebroken. Nog vele aanvallen zullen volgen, met steeds dodelijker strijdgassen. Chloor, fosgeen, mosterdgas, telkens weer krijgt de Westhoek de primeur.

Stof genoeg voor een lijvig boek, bewijzen Ann Callens en Jan Vandermeulen. Het echtpaar, respectievelijk historica en huisarts in het West-Vlaamse Tielt , heeft met Gas! een rijk geschakeerd naslagwerk geschreven. Ze reconstrueren de gebeurtenissen van 22 april 1915, staan stil bij de wetenschappelijke zoektocht die eraan voorafging en de wapenwedloop die erop volgde, en besteden ruime aandacht aan de ethische vragen die al voor het eerste gebruik van oorlogsgas werden gesteld.

-  de gasaanval van 22 april was een experiment. Waarom werd het Ijzerfront als proeftuin gekozen?

Callens: “Om tal van redenen. De Duitsers waren eind 1914 enorm gefrustreerd. Ze zouden zo snel mogelijk Parijs omsingelen en de Fransen tot een overgave dwingen om zich vervolgens helemaal op de oorlog in het Oosten te concentreren. Het vastlopen van het Westelijk front zette die strategie op de helling. Generaal von Württemberg, de bevelhebber van het 4de Leger die zijn hoofdkwartier overigens in Tielt had gevestigd, was de wanhoop nabij. Zijn soldaten, ingegraven vanaf Nieuwpoort tot het Franse Armentières, waren gehard tegen koude en vocht, maar niet tegen de combinatie van beide elementen. Een tweede winter in de Vlaamse modder wordt ons fataal, vreesde von Württemberg. Hij heeft er alles aan gedaan om een doorbraak forceren, maar zelfs het inzetten van een Dikke Bertha volstond niet. Dat was de hele patstelling van de Grote Oorlog: hoe zwaar ook het artilleriegeschut, de vijand kon zich altijd in loopgraven en kazematten verschuilen. Precies daarom hebben de Duitsers zo koortsachtig aan hun gaswapen gewerkt, een wondermiddel om de vijand uit zijn loopgraven te verjagen en de patstelling te doorbreken”.

Vandermeulen: “Toch bestond er ook aan Duitse zijde veel weerstand. Opperbevelhebber Erich von Falkenhayn heeft bij wijze van spreken met zijn gaswapen moeten leuren. Half januari 1915 heeft hij de opperbevelhebbers van de zeven legers van het Westelijke front in Charleville-Mézières ontboden om de knoop door te hakken: in welke sector zou men het nieuwe wapen testen? Zes van de zeven generaals hebben geweigerd, alleen von Württemberg toonde zich bereid”.

- werden zijn collega’s door ethische bezwaren gedreven?

Callens: “Ethisch is niet het juiste woord, de betrokken generaals hadden er geen enkel probleem mee om met zware artillerie dood en vernieling te zaaien. Er speelden andere motieven. Rupprecht von Bayern, bevelhebber van het 6de leger in Noord-Frankrijk,  voorspelde een voor Duitsland nadelige escalatie. Het gebruik van chloorgaswolken zou de geallieerden aansporen om hetzelfde te doen, waarbij ze de dominante windrichting letterlijk aan hun kant hadden. De andere tegenstanders beriepen zich op hun soldateneer. Het vergassen van de vijand spoorde niet met het eergevoel van sabelslepers die mentaal nog in de negentiende eeuw leefden”.

Vandermeulen: “De kwaliteit van de bevelvoering in 14-18 was in het algemeen van een bedenkelijk niveau. Ook aan Duitse kant, de meeste generaals hadden hun benoeming niet aan hun competentie maar aan hun afkomst te danken. De bevelhebbers van de zeven westelijke legers behoorden allemaal tot de topadel, drie waren zelfs koningskinderen. Ook von Württemberg kwam uit een koninklijk geslacht, maar zijn 4de Leger was toch een geval apart.  Zijn voornaamste strateeg was generaal Emil Ilse, niet van adel maar wel een zeldzame carrièremilitair die op de hoogte was van alle technologische en tactische innovaties. Ook de samenstelling van het 4de Leger was  bijzonder: het bestond vooral uit reservisten die pas na het uitbreken van de oorlog werden gerekruteerd. Er zaten bijgevolg vele studenten tussen, van wie sommigen bekende kunstenaars en intellectuelen zouden worden, zoals Otto Dix en Erich Maria Remarque. En Adolf Hitler uiteraard, die was toen nog een mislukte kunstacademiestudent. Die samenstelling tekende de mentaliteit van het korps, men stond open voor de moderniteit waarvan stikgas een exponent was. Vergeet ook niet dat het nieuwe wapen een fantastische belofte inhield: men zou eindelijk de patstelling bij Ieper doorbreken en oprukken naar Calais en Parijs. Tegen Pinksteren is de oorlog voorbij en zijn we weer thuis, zo geloofde men aan de vooravond van de eerste gasaanval”.

toch was het gaswapen allesbehalve populair bij de Duitse soldaten…

Callens: “Infanteristen hadden een gruwelijke hekel aan de Stinkpioniere, een elite-eenheid getraind voor de gasoorlog. Niet alleen kregen de stinkpioniers veel meer soldij, ze deelden ook de bevelen uit, terwijl de infanteristen het vuile en gevaarlijke moesten opknappen”.

Vandermeulen: “Het ingraven van de gascilinders was een hels karwei dat een dikke week heeft geduurd. De flessen werden in Kortemark gevuld, met een smalspoortrein over een reeks schuilkelders drie kilometer achter het front verdeeld, en vandaar te voet door de modderige loopgraven naar de voorste linies gesleurd. Grote flessen wogen 40 kilo, om ze te plaatsen, moesten putten van 2,5 meter diep worden gegraven, een nachtmerrie met het opstijgende grondwater. Alles moest ’s nachts gebeuren, in volmaakte stilte, het was zelfs verboden te roken. De Duitsers waren als de dood dat hun plan zou uitlekken. Overdag werden de ingegraven flessen toegedekt, zodat de geallieerden vanuit hun verkenningsvliegtuigen en luchtballonnen niks konden merken. Hun opzet is geslaagd, de geallieerden werden compleet verrast. Onbegrijpelijk, want ze hadden het kunnen weten”.

hoezo?

Callens: “Spionnen hadden de geallieerden geïnformeerd over de aanvoer van grote aantallen zuurstofcilinders. Het was eveneens bekend dat de Duitsers in een opgeëiste textielfabriek in Gent gasmaskers lieten produceren. Er waren nog tekens aan de wand. Toen de Britten op 17 april, bij het begin van de Tweede Slag om Ieper, de Duitse stellingen op Hill 60 opbliezen en veroverden, troffen ze er enkele achtergelaten cilinders aan. Traangas, was de verkeerde inschatting. Duitse en geallieerde soldaten lagen soms op een paar meter afstand van elkaar. Ze praatten met elkaar, op kalme momenten wisselden ze sigaretten of rantsoenen uit. Maar de Duitsers maakten ook pesterige grapjes. ‘Bald kommt das Gas’, riepen ze naar de overkant. Dat heb ik in de stukken van het beruchte proces Jäger gelezen, uit een archief van de voormalige DDR in Potsdam”.

de Duitse infanterist August Jäger liep begin april naar de Fransen over en verklapte alle details van de op handen zijnde gasaanval. Waarom werd hij niet geloofd?

Callens: “De Franse generaal Ferry nam Jäger wel ernstig, maar hij werd zelf door zijn superieuren niet geloofd. Erger nog, Ferry kreeg het verwijt dat hij een paniekzaaier was die het moreel van de troepen ondermijnde, hij werd daar zelfs voor gedegradeerd. Men wilde het dus niet geloven. En wat bij het Franse opperbevel ook meespeelde: de elitetroepen van Ferry stonden op het punt door Canadezen te worden afgelost. Als er een gasaanval van komt, was de redenering, dan is het ons probleem niet meer.  Zo werd er wel vaker geredeneerd, solidariteit was bij de geallieerden een relatief begrip”.

Vandermeulen:  “Ironisch genoeg zijn het toch de Fransen die de volle laag hebben gekregen. Niet de elitetroepen van Ferry, wel twee minder strijdvaardige divisies. De 87ste Territoriales bestond vooral uit oudere boeren en familievaders uit de Calvados en Bretagne. De meeste slachtoffers vielen bij de 45ste Algerijnse, een mengeling van koloniale zoeaven en inheemse tirailleurs die pas in de nacht van 21 op 22 april de stellingen bij de brug van Steenstrate hadden overgenomen. Brute pech voor die jongens. Zie je, de keuze van de Duitsers voor de Ieperboog lag voor de hand. Nergens lagen de frontlinies dichter bij elkaar, en door de vorm van het front konden ze verschillende windrichtingen benutten. Oorspronkelijk zouden ze het gaswapen echter aan de zuidkant uittesten, ze waren trouwens al met de voorbereidingen begonnen. Pas in laatste instantie werd voor de noordelijke flank gekozen, tussen Steenstrate en Langemark. De kans op de juiste wind was er nog net iets groter, en bovendien wisten de Duitsers maar al te goed dat er aan de overkant troepen van de tweede garnituur lagen”.

 

soldaten met primitieve gasmaskers

soldaten met primitieve gasmaskers

-  hoeveel slachtoffers heeft die eerste gasaanval gemaakt?

Callens: “Volgens het kenniscentrum van het In Flanders Fields Museum zijn er op 22 april zo’n 1.100 doden gevallen. Maar wie werd door het gas gepakt en wie door de artillerie neergemaaid? Onmogelijk te zeggen, er bestaat alleen zekerheid over de soldaten die in het hospitaal zijn geraakt. Tijdens de 2de Slag om Ieper sneuvelden in een dikke maand tijd 40.000 soldaten. Volgens de schattingen is drie tot vier procent daarvan door gas gestorven. Relatief weinig als je bedenkt dat de Duitsers in die periode minstens negen aanvallen met chloorgaswolken hebben gelanceerd”.

Vandermeulen: “Op de keper beschouwd was gas weinig dodelijk, zeker in vergelijking met artillerie. Nochtans is er na het eerste gasoffensief een chemische wapenwedloop ontstaan. De Britten gebruikten voor het eerst chloorgas in september 1915, bij de slag om Loos. Intussen werkten de Duitsers koortsachtig aan krachtiger strijdgassen. Eerst pakten ze met fosgeengas uit, kleurloos en tien keer giftiger dan chloorgas. Daarna was er mosterdgas of Yperiet, een blaartrekkend gas dat werd verneveld en dagenlang actief bleef. Fransen en Duitsers zijn er ook heel snel in geslaagd gasmunitie te ontwikkelen, zodat ze niet meer van de wispelturige wind afhankelijk waren. Desondanks is de globale mortaliteit van gas in de Grote Oorlog altijd onder de 5 procent gebleven. Parallel met de wapenwedloop werden immers ook de gasmaskers steeds beter, terwijl overal aan het front verklikkingssystemen hun intrede deden. Men leerde heel snel, zelfs al tijdens het eerste gasoffensief. Heel wat Fransen maakten op 22 april een fatale vergissing: ze doken zo diep mogelijk weg in hun loopgraven, precies de plek waar de gasconcentratie het hoogst opliep. Twee dagen later pakten de Canadezen het al heel anders aan. Ze gingen rechtop staan, met een vochtige doek als geïmproviseerd gasmasker voor de mond. Gevolg: veel minder slachtoffers”.

-  wordt het militair belang van gas in WOI overschat?

Callens: “Gas was vooral een psychologisch wapen. Na 22 april zie je bij de Britten het aantal executies van deserteurs crescendo gaan. Dat is geen toeval, de angst voor de stille dood zat er bij de troepen diep in. Uit getuigenissen van soldaten blijkt ook hoe slopend het was om met de constante bedreiging om te gaan. Om de haverklap werd er gasalarm afgekondigd. Dan zaten ze daar urenlang in hun loopgraven met dat verschrikkelijke masker op. De glazen bewasemden, je hoorde niks, zweette je kapot, en je kon alleen maar hopen dat het masker nog zou werken als er effectief een aanval kwam. Heel wat soldaten verkozen een artilleriebeschieting boven een gasaanval, ook al was die veel dodelijker”.

-  de Duitsers hebben hun gasoffensief niet kunnen verzilveren. Ze veroverden wel wat terrein, maar de doorbraak bleef uit. Hoe komt dat?

Callens: “Von Falkenhayn heeft altijd beweerd dat het slechts om een test ging. Als het gaswapen in Ieper werkte, zou men het aan het Oostelijk front inzetten. Het klopt overigens dat er in het Oosten uiteindelijk veel meer gas werd gebruikt dan in het Westen. Toch is die uitleg weinig overtuigend, want het gasoffensief was een onderdeel van de Tweede Slag om Ieper die allesbehalve een test was. De allereerste gaswolk, de enige waarbij het verrassingseffect speelde, sloeg een bres van zes kilometer in de geallieerde linies. Dat de Duitsers die niet konden vasthouden, is onder meer aan de Belgische artillerie te danken, er lag toevallig een elite-eenheid op de noordelijke kop van de Ieperboog. Maar wellicht is de belangrijkste verklaring dat de Duitsers zelf werden verrast door het succes van hun geheime wapen”.

-  tot grote frustratie van Fritz Haber, de omstreden architect van het Duitse gaswapen. Wat voor een figuur was hij?

Callens: “Haber, een jood die zich tot het protestantisme had bekeerd om zijn carrièrekansen te vrijwaren, was een van de briljantste chemici van zijn tijd. Hij had voor de oorlog een revolutionair procedé voor ammoniaksynthese uitgevonden, een prestatie die hem in 1919 de Nobelprijs zou opleveren. Toen de Duitsers aan een gaswapen dachten, kwamen ze als vanzelf bij Haber terecht. Hij vormde een werkgroep met topwetenschappers onder wie de latere Nobelprijswinnaars James Franck, Otto Hahn, Max Planck en Gustav Hertz, allemaal geniale scheikundigen en fysici die hij vaak bij bedrijven rekruteerde. Niet toevallig, want de Duitse chemie liep mijlen voor op de rest van de wereld. Bedrijven als BASF, Bayer, Hoechst en Agfa hebben gretig meegewerkt aan de ontwikkeling van het gaswapen, en er ook schatten aan verdiend. Haber, behalve een groot patriot een geweldige organisator met een tomeloze energie, hield echter alle touwtjes in handen. Hij regisseerde persoonlijk de eerste gasaanval in Ieper, en ook nadien pendelde hij onvermoeibaar tussen Berlijn, het Westelijke en het Oostelijke front om zijn vele innovaties te testen. Chloorgas, fosgeen en mosterdgas, alle strijdgassen uit WOI werden door hem op punt gesteld”.

Vandermeulen:  “Maar Haber was ook een tragische figuur. Zijn eerste vrouw, zelf scheikundige van opleiding, pleegde in mei 1915 zelfmoord. Omdat ze de gruwelijke uitvinding van haar man niet kon verteren, zeggen sommigen, maar anderen zien ook echtelijke verwaarlozing als een mogelijke verklaring. Haber bleef na de oorlog aan het hoofd staan van het prestigieuze Kaiser Wilhelm Institut. Daar heeft hij blauwzuur, van oorsprong een Frans strijdgas, verder ontwikkeld tot een krachtig pesticide, het beruchte Zyklon B. Uiteraard kon hij niet vermoeden wat de nazi’s daar later mee zouden aanrichten. Haber is na de machtsovername door Hitler in 1933 in vrijwillige ballingschap vertrokken en het jaar nadien in Bazel gestorven. Niet als een Duits patriot, maar als een in eigen land ongewenste jood”.

-  Habers uitvinding heeft tijdens WOI zo’n 90.000 rechtstreekse slachtoffers gemaakt. Velen stierven een afgrijselijke dood, langzaam stikkend in hun eigen slijm, over het gehele lichaam verbrand door mosterdgas. Heeft Haber ooit spijt betuigd?

Callens: “Integendeel, hij vond zijn uitvinding juist humaan. Immers, het gebruik van gas zou de oorlog verkorten en bijgevolg mensenlevens redden. De reputatie van gas als buitengewoon wreed wapen, vond hij belachelijk. Alsof het minder wreed was om vijandelijke soldaten met artillerie aan flarden te schieten. De hetze tegen gas schreef hij toe aan conservatisme, te vergelijking met de reactie van een geharnaste ridder op de uitvinding van buskruit”.

Vandermeulen: “Toch zie je dat gas gedurende de hele oorlog in het verdomhoekje blijft steken, ondanks het massale gebruik. Na de eerste aanval van 22 april heerste er bij het 4de Leger in Tielt euforie. In de lokale Kriegszeitung werd het succes bejubeld, maar zonder het woord gas te gebruiken. Aan geallieerde zijde was de pudeur al even groot. Nieuwe strijdgassen kregen verhullende namen, de Britten spraken van red star, blue star en white star, de Duitsers hadden het over Gelbkreutz als ze mosterdgas bedoelden”.

Fritz Haber, vader van het Duitse gaswapen

Fritz Haber, vader van het Duitse gaswapen

-  verklaart dat stigma waarom er in de Tweede Wereldoorlog geen gas werd gebruikt, althans niet op het slagveld?

Callens: “Het heeft weinig gescheeld. Churchill was een fervent pleitbezorger voor het gebruik van gas, ondanks het verbod door het Protocol van Genève uit 1925. Hitler, die in 1917 een gasaanval in Wervik had meegemaakt, was dan weer radicaal tegen. Ook voor de Eerste Wereldoorlog werden al pogingen gedaan om het gebruik van gas als wapen aan banden te leggen, tijdens de Vredesconferenties van Den Haag in 1899 en 1907. Een van de bezielers was de Belgische politicus en ex-premier Auguste Beernaert, een prominente pacifist die nota bene verkozen was in het kiesarrondissement Tielt. Ironisch als je de rol kent die deze stad in de gasoorlog heeft gespeeld. Alle stappen in de escalatie van de chemische oorlogsvoering werden hier beraamd. De Duitsers hebben in Tielt trouwens nog mijlpalen verzet. Het eerste militaire gebruik van vlammenwerpers? Werd hier over beslist. Het concept van de tunneloorlog? Uitgetekend door landmeters van het 4de Leger”.

Vandermeulen: “In feite hebben de Duitsers hier het concept van de totale oorlog op punt gesteld, getto inbegrepen. Tielt was helemaal met prikkeldraad en wachtposten van de buitenwereld afgesneden, de 12.200 inwoners hebben vier jaar lang als gevangenen in hun eigen, totaal gemilitariseerde stad geleefd. Alle herenhuizen van enig formaat werden opgeëist als logement of kantoor voor een van de veertig verschillende afdelingen van het 4de Leger. Het bezettingsregime was erg streng, ook al omdat hier een aanslag op de Duitse keizer werd gepleegd”.

nooit iets van gehoord..

Vandermeulen: “Het is nochtans een sterk verhaal. Op 1 november 1914, toen de Duitse opmars aan het vastlopen was in de overstroomde Ijzervlakte, heeft Wilhelm II het Duitse hoofdkwartier in Tielt bezocht. Op een of andere manier hadden de geallieerden daar lucht van gekregen. Franse vliegtuigen hebben toen zuurstofbommen boven de stad gedropt, het eerste vliegtuigbombardement in eskader tijdens WOI. De ravage was enorm, maar de keizer had de stad al verlaten. Typisch dat niemand dat voorval nog kent. Tielt hoort nu eenmaal bij het Duitse kamp, de verliezers van de oorlog. Ook in het hele herdenkingsoffensief is er weinig aandacht voor deze kant van het verhaal. Ieper heeft zijn ‘Last Post’, Tielt zijn ‘Lost Past’”.

- leeft de herinnering aan de gasoorlog in de streek?

Vandermeulen: “Nauwelijks. Ik heb als beginnend huisarts nog slachtoffers behandeld, bejaarde patiënten die zestig jaar eerder door het gas werden bevangen, met chronische ademhalingsproblemen als gevolg. Intussen zijn de laatste getuigen al lang verdwenen, en jonge mensen kunnen zich nauwelijks iets voorstellen bij de gasoorlog. Alleen in de Westhoek worden ze er soms aan herinnerd, al was het maar omdat de bodem er nog vol zit met gasgranaten. Geen wonder als je weet dat in 1918 één derde van alle gebruikte munitie met gas was geladen, ook bij het Belgische leger trouwens. Geregeld wordt er zo’n obus boven geploegd, er zijn al ongelukken van gekomen. Dovo heeft nog tot minstens 2030 jaar werk om alles te ontmantelen. We zijn nog niet klaar met de erfenis van de gasoorlog”.

Gas!, Ann Callens, Jan Vandermeulen, Lannoo, 288 pag, 19,90 euro 

 

Terreurexperte Jessica Stern: “IS is de chrystal meth van de terreur”

De Standaard, 13 april 2015

De onthoofdingsvideo’s heeft ze niet bekeken, maar de Amerikaanse terreurexpert Jessica Stern heeft zich wel diep gebogen over de geschiedenis en ideologie van Islamitische Staat. Samen met Twitter-exegeet JM Berger schetst ze een verhelderend beeld van een unieke beweging die het kalifaat ziet als opmaat tot de Apocalyps.

foto: website Jessica Stern

foto: website Jessica Stern

Het regende de voorbije maanden boeken over jihad en salafisme. Met ‘IS. Staat van terreur’ leveren Jessica Stern en JM Berger een uiterst lezenswaardige bijdrage aan het nog jonge genre. De auteurs zijn dan ook niet de minsten. JM Berger, correspondent van Foreign Policy, gespecialiseerd in terreur en sociale media, schreef eerder ‘Jihad Joe, Americans go to war in the name of God’.  Jessica Stern, bekend van ‘Terreur in de naam van God’ , is terrorisme-expert in Harvard en adviseur nationale veiligheid aan de befaamde Hoover Institution. We ontmoetten haar in een zonovergoten Amsterdam waar gelukzalige toeristen de Grachtengordel onder de voet lopen. Het contrast met ons grimmige onderwerp kan niet groter zijn.

-  never a dull moment in the Middle East. Ook Jemen is ten prooi gevallen aan sectair geweld tussen sjiïeten en soennieten. Heeft IS ook daar een voet aan de grond?

Jessica Stern: “Meer dan waarschijnlijk. Jemen is net als Libië een mislukte staat, de perfecte humus. IS heeft alleszins de zware bomaanslagen op twee sjiitische moskee in Sanaa opgeëist. Als die opeising klopt, dreigt een tweede Syrië-scenario. Zowel Al-Qaeda, dat al heel lang in Jemen actief is, als IS vechten dan tegen de door Iran gesteunde Houthi-rebellen. Tegelijkertijd echter leveren zo ook onderling strijd, precies zoals in Syrië”.

het verdrijven van IS uit Kobani werd door heel wat waarnemers als een kantelpunt gezien. IS, zo werd gehoopt, verkeerde in een crisis. Voorbarige conclusie?

“Absoluut, IS heeft al meermaals blijk gegeven van een grote veerkracht. De groep zat achter de recente aanslag in Tunesië, en twee weken geleden hebben ze een Palestijns vluchtelingenkamp vlakbij Damascus overrompeld. Maar belangrijker nog: de voorbije maanden hebben een dertigtal jihadistische bewegingen trouw aan IS-leider Abu Bakr Al Baghadi gezworen. Het ging veelal om obscure, lokale groeperingen, maar ook het Nigeriaanse Boko Haram heeft zich in maart officieel achter IS geschaard. Voor Al Baghdadi is dat heel belangrijk, want hij ziet in Afrika een enorm potentieel voor het uitbreiden van zijn invloed en territorium. De Somalische Al Shabaab hoort voorlopig nog in het kamp van Al-Qaeda, maar ook daar lopen geruchten over dissidenten en scheurbewegingen die zich bij IS willen aansluiten”.

u gaat diep in op de verschillen tussen Al-Qaeda en IS. Ze delen dezen dezelfde oorsprong, allebei belijden de salafistische jihad. Waar zitten de tegenstellingen?

“IS is nog veel extremer en gewelddadiger dan Al Qaeda. De manier waarop ze geweld gebruikt is ongezien in de geschiedenis, daarom noem ik IS de chrystal meth van het terrorisme, ze verspreiden terreur in zijn puurste vorm. Niet alleen onthoofden ze gijzelaars, ze filmen de onthoofding en gebruiken de beelden om vrijwilligers te ronselen. Ook het sectaire karakter is uniek. IS doodt aan de lopende band moslims. Niet alleen sjiietten, maar ook soennieten die niet leven volgens de extreme en vaak bizarre regels die een vrome moslim volgens IS hoort te respecteren”.

-  naast IS lijkt Al Qaeda haast een sympathieke club…

(lacht) “Ja, het is ver gekomen wanneer we Al Nusra in Syrië als een matigende factor gaan beschouwen. Natuurlijk is en blijft Al-Qaeda een extremistische terreurbeweging met een indrukwekkend palmares van bloed en gruwel. Toch is er een verschil dat teruggaat tot de oorsprong van IS. We zijn dat vergeten, maar die organisatie is gegroeid uit het Iraakse filiaal van Al-Qaeda, dat op zijn beurt is ontstaan als een reactie van gefrustreerde soennieten op de Amerikaanse invasie. Abu Musab al-Zarqawi, de leider van wat toen nog Al-Qaeda Irak (AQI) heette, heeft in 2004 zelfs trouw gezworen aan Bin Laden. Nochtans lagen die twee elkaar absoluut niet. Bin Laden was een intellectueel van rijke komaf, Zarqawi een onbehouwen bruut, een getatoeëerde bajesklant die de islam had omarmd om zich te zuiveren. Zarqawi werd al in 2006 door de Amerikanen gedood, maar in de korte tijd als AQI-leider heeft hij de methodes ontwikkeld die IS nog altijd toepast. De onthoofdingen, het filmen van executies, de sectaire moorden, het hele gamma. Bin Ladens opvolger Al Zwahiri heeft zowel Zarqawi als diens opvolgers herhaaldelijk bekritiseerd, vooral vanwege het sectaire geweld. Toch is de breuk pas definitief geworden toen de huidige IS-leider al Baghdadi in 2011 besloot om zich in de Syrische burgeroorlog te mengen.  Sindsdien leveren Al-Qaeda en IS een strijd van leven en dood voor de jihadistische hegemonie in het Midden Oosten”.

-  wie wint?

“Al Qaeda blijft een factor van belang, maar IS heeft duidelijk de bovenhand. Het uitroepen van een kalifaat op 1 juli vorig jaar was een meesterzet, daarmee hebben ze hun rivalen veel wind uit de zeilen gevangen. De mediaoorlog hebben ze sowieso gewonnen, IS zuigt alle aandacht naar zich toe. Al–Qaeda kennen we van saaie filmpjes met een  oeverloos speechende Bin Laden of Zawahiri in de hoofdrol. Niks daarvan bij IS, daar weten ze alles van storytelling. Hun films zijn pure Hollywood, gepimpt met gametechnieken. Ook in hun gebruik van sociale media, Twitter in het bijzonder, lopen ze mijlen voor op Al-Qaeda”.

-  u noemt Al Qaeda elitair, terwijl IS een populistische koers vaart. Hoezo?

“Al-Qaeda heeft zichzelf altijd als een voorhoede beschouwd. IS daarentegen legt de drempel laag. Iedereen die gezond is van lijf en leden, wordt uitgenodigd om het kalifaat te vervoegen en aan de jihad deel te nemen. Sterker nog, de hidjra wordt als een heilige plicht voorgesteld, ook voor vrouwen trouwens. Dat houdt natuurlijk verband met hun apocalyptische eschatologie. Het einde der tijden is nabij, en zal volgens de profetieën gepaard gaan met een beslissende slag tegen de ongelovigen. Versta daaronder de sjiïeten, maar ook Westerlingen. In dat plaatje pas het koketteren met extreem geweld. IS wil maximaal polariseren om die finale confrontatie uit te lokken”.

intussen probeert IS in het ondermaanse een ideale staat uit te bouwen. Waarom al die moeite als de Apocalyps toch nabij is?

“Dat lijkt paradoxaal, maar ze slagen erin het kalifaat in hun narratief te passen, als opmaat tot de Apocalyps. Kijk, een beweging zoals IS kun je nooit helemaal met onze Westerse logica begrijpen. Komt daarbij dat IS minder homogeen is dan van buitenaf lijkt. Duizenden aanhangers van Saddam Hoesseins Ba’ath-partij, een seculiere organisatie nota bene,  hebben zich bij IS aangesloten. Ze werden met open armen ontvangen, velen bekleden sleutelposities bij IS, ook al omdat ze militaire en organisatorische capaciteiten bezitten die de organisatie goed kon gebruiken”.

-       heeft u tijdens de research de vele executievideo’s bekeken?

“Gelukkig kon ik dat aan mijn medeauteur J.M Berger overlaten. Voor we aan dit boek begonnen kende ik hem alleen als Twitter-fenomeen. Berger leeft zowat online, hij volgt dag en nacht al wat er aan extremisme beweegt op de sociale media, hij heeft er zelfs software voor ontwikkeld. Bleek dat hij bij mij om de hoek woonde, in Cambridge-Boston. Hij kijkt dus naar al die filmpjes en laat er zijn slaap niet voor. Ik zou het niet kunnen. In de middeleeuwen was onthoofden een manier om iemand efficiënt te executeren. Zo wordt het trouwens in Saoudi-Arabië nog altijd bedreven. Op zich al vreselijk genoeg, maar bij IS gaat de horror nog veel verder. Ze hebben helemaal niet de bedoeling om snel en pijnloos te executeren. Integendeel, ze laten het zo lang mogelijk duren zodat ze de gruwel extra hard van het beeld spat”.

hoe moet het Westen met IS omgaan?

“Isoleren, beletten dat ze hun extreme ideologie verspreiden. Intelligence is het belangrijkste wapen, de sociale media het voornaamste slagveld. We mogen ons niet laten provoceren om in hun val te trappen. IS wil namelijk niets liever dan in Syrië een oorlog met het Westen beginnen. Militair ingrijpen, dat hebben we in het Midden Oosten al een paar gedaan. Irak noch Libië zijn er beter van geworden. Als we toch militaire middelen inzetten, dan alleen ter ondersteuning van een politiek of diplomatiek proces. Zo moeten we in Irak dringend het vertrouwen van de Soennieten terugwinnen, het was een kolossale fout hen uit te leveren aan de revanchistische politiek van president Maliki en zijn sjiitische bendes. Syrië is een ander verhaal, ik denk niet dat het Westen daar veel invloed heeft. Het geeft alleszins geen pas IS te bombarderen terwijl we een bloeddorstige dictator als Assad ongemoeid laten”.

‘IS. Staat van Terreur’, Jessica Stern en J.M Berger, De Bezige Bij, 432 pag, 22,90 euro

Cedric Dumont, de man die vliegt als een vogel


De Standaard Weekend, 4 april 2015

Brusselaar Cedric Dumont is een ancien van het Red Bull Team. Vleugels? Hij trekt zijn wingsuit aan zoals een gewone sterveling een vers gestreken shirt. Zijn zweefvlucht boven de piramides van Gizeh ging viraal, en het wereldrecord van laagste basejump staat op zijn naam. Gesprek met een extreme sporter over het relatieve belang van doodsverachting.

foto: Red Bull

foto: Red Bull

Tu fais quoi maintenant? Cedric Dumont kijkt verrast op van ons tafeltje in Le Pain Quotidien in Knokke. De vraagsteller, een oudere man met een bril, heeft zich net een vers stokbrood aangeschaft. Hij had de deurklink al in de hand toen zijn oog op het vaag bekende gezicht van Cedric viel. Wat hij zoal doet tegenwoordig? “De l’immobilier”, antwoordt de ultrasporter zonder verpinken. Waarop de gepensioneerde zich met een ietwat vertwijfeld ‘ah bon’ verontschuldigt. En dat hij ons niet langer wil ophouden. “Dat trucje gebruik ik wel vaker”, zegt Cedric, opnieuw in het Nederlands. “Ik heb geen zin om telkens uit te leggen wat ik doe, zeker niet aan mensen die niet eens echt geïnteresseerd zijn”.

Vastgoed? Op YouTube valt te zien wat de 42-jarige Brusselaar zoal om den brode doet. Basejumpen en wingsuiten, alleen al van het bekijken van de filmpjes gaat het een doorsnee vastgoedmakelaar duizelen. Zijn jongste exploot ging eind januari viraal: Cedric die met een zweefpak uit een vliegtuig springt, een glijvlucht maakt boven de piramides van Gizeh, zijn parachute trekt en aan de voet van het wereldwonder landt. In het slotbeeld zie je hem in de ondergaande zon bij het monument staan, de armen gespreid als Christus, weliswaar met een stuk zeil van oksel tot oksel. De kans is groot dat u de beelden binnenkort in de bioscoop of op TV te zien krijgt. Het hele avontuur werd immers gesponsord door Red Bull. Cedric Dumont is een van de vijf atleten van het European Air Team dat de slogan van de Oostenrijkse energiedrankenproducent moet waarmaken. Red Bull geeft vleugels, in zijn geval letterlijk.

-       proficiat met de primeur. Jeugddroom gerealiseerd? 

“Ik liep al lang met dat plan rond. Vijf jaar geleden, vlak voor het begin van de Arabische Lente, was ik in Caïro om een base jump voor te bereiden. Door de politieke chaos is het er nooit van gekomen, maar ik heb toen al een ballonnetje opgelaten. Konden we niet eens met de wingsuit over de piramides vliegen? Onmogelijk, kreeg ik te horen, je zult nooit de nodige vergunningen krijgen. Het hele Egyptische luchtruim is gemilitariseerd, er vliegt niet één privévliegtuig rond. Komt daarbij dat de piramides als werelderfgoed door de Unesco overbeschermd worden. Toch liet het idee me niet los. Om de zoveel maanden stuurde ik een mail naar Red Bull Middle East. Vorig jaar kwam dan het verlossende bericht: ze hadden alle vergunningen op zak”.

-  begrijpelijk dat de autoriteiten bijdraaiden. Met de stunt zet je Egypte als veilige bestemming voor toeristen op de kaart…

“Inderdaad, het was geen toeval dat ons project door de zoon van president Sisi persoonlijk werd gesteund. Toch is het geen picknick geworden, daar stond de Egyptische bureaucratie garant voor. Voor iedere beslissing heb je ginder tien verschillende handtekeningen nodig, je wordt helemaal tureluurs van de regels en taboes. Vooral het vinden van een geschikte landingsplek was een heikele zaak. De piramides liggen vlak bij de stad, maar dat mag onder geen beding op film of foto worden getoond”.

-   was het een technisch hoogstandje?

“Het vliegen op zich viel wel mee, maar de planning was een uitdaging. Van de autoriteiten kregen we een venster van twee dagen. Op zich al erg krap, en door de felle wind konden we uiteindelijk maar een dag vliegen. Het is een zenuwslopende bedoening geworden. Drie uur rijden naar een militaire vliegbasis in de woestijn, dan een uur paperassen invullen, en daarna de briefing met een piloot die amper Engels sprak. Toen we eindelijk zover waren, verdween de piloot om op zijn dooie gemak een koffietje te drinken. Dan hoor je niet alleen de tijd maar ook de dollars wegtikken, want voor zo’n belangrijke opname mobiliseert Red Bull gemakkelijk een ploeg van 50 man. Voor de rest geen kwaad woord over de piloot, hij heeft ons naar de afgesproken plek gebracht om te springen. Dat is cruciaal om juist aan te vliegen en perfecte beelden te schieten”.

-  hoe reageerden de omstanders op de begane grond?

“Die hadden niets in de gaten, tot we met onze parachute voor hun neus zijn geland. Een spannend moment, we werden meteen omsingeld door gewapende militairen die van niks wisten. Zie je, ondanks de normalisering staan de zenuwen in Egypte nog altijd strak gespannen. De dag van onze vlucht boven Gizeh zijn er aan de grens met Libië dertig doden gevallen. Gelukkig waren de mensen van ons team snel ter plaatse om met de nodige papieren te zwaaien”.

-  onze vlucht, zeg je heel terecht. Je werd als een schaduw gevolgd door een tweede wingsuiter met een camera. Hij leverde dezelfde prestatie, maar bleef anoniem. Is dat niet frustrerend?

“Mijn cameraman, een goede vriend overigens, is perfect gelukkig in zijn rol. Hij is zelf een uitstekende vlieger, maar blijft liever op de achtergrond. Er komt bij dit vak meer kijken dan springen en vliegen. Je moet goed liggen in de media, en in staat zijn projecten te verkopen. Puur technisch zijn er in de wereld wel een stuk of vijftig wingsuiters die op mijn niveau vliegen. Sponsors zoals Red Bull of Go-Pro pikken er diegenen uit die ze als geschikte ambassadeurs voor hun sport beschouwen”.

-  nog meer wereldwonderen op het programma?

“Ja. Gizeh past in een reeks, ik ben eerder voor Red Bull al over de Nasca-lines in Peru gaan vliegen. Prachtig land, ik ben er ook al eens gaan basejumpen bij de Gocta-watervallen, een onderneming waarvoor we eerst tien dagen door het Amazonewoud zijn getrokken. Meestal stel ik een project voor, maar soms word ik gevraagd, zoals onlangs door Red Bull Japan. Of ik iets kon doen met dat spectaculaire nieuwe torengebouw in Tokyo? In zo’n geval ga ik altijd vooraf kijken. Technische detail controleren: waar kunnen we springen, en hoe zit het met de landingsplaatsen? Maar ik regel ook de cameraploeg en het budget. In feite ben ik content provider voor Red Bull. Al vijftien jaar intussen, ik ben een van de anciens”.

Misschien komt het allemaal door zijn vader, een Brusselse zakenman die vaak in de States vertoefde. Cedric was vier toen hij zijn eerste skateboard kreeg, een cadeau van papa uit LA. Twee jaar later volgde de surfplank. Een levenslange passie voor actiesporten was geboren. Zijn ouders hielden hem niet tegen, en geld was nooit een probleem. Uitgekeken op de zwarte pistes in Sankt-Moritz waar ze jaarlijks gingen wintersporten? Dan regelden ze toch lekker een potje heli-skiën zeker. Lange tijd leek hij op weg naar een carrière als…golfspeler. Hij was behoorlijk goed, zat in de nationale jeugdselectie. Op zijn achttiende besefte hij evenwel dat hij te kort schoot voor de absolute top. Geen profcarrière dus, maar hij slaat nog altijd graag een balletje op de Royal Zoute Golf Club. De tegenstelling met extreme actiesporten wuift hij weg. Golf is een mentale sport, even extreem als big wave surfing, nog een van zijn jeugdliefdes.

foto: Red Bull Team

foto: Red Bull Team

-  hoe bent u uiteindelijk aan het basejumpen en wingsuiten geraakt?

“Het is begonnen in 1994. Ik was gaan surfen in California, toen een Amerikaanse vriend me vroeg of ik geen zin had om een keertje te skydiven. Ik was meteen verkocht, ik ben kort daarop begonnen met competitief skysurfen. Toch wist ik het al bij die allereerste sprong: basejumpen is wat ik echt wil gaan doen. Een jaar later heb ik mijn eerste basejump gedaan, de sport stond nog in zijn kinderschoenen”.

-  wat is zo anders aan basejumpen?

“De stilte en het contact met de natuur. Soms moet je een hele dag hiken om een klif te bereiken. Het is heel intens als je daar alleen staat, klaar voor de sprong. Basejumpen is zoals surfen, heel spontaan. Je hebt er niks voor nodig, alleen een parachute. Niet dat de omgeving altijd idyllisch is. Ik ben ooit van de brug van Vilvoorde gesprongen. 34 meter, nog altijd de laagste basejump ooit. Er is niet de minste marge, het is springen en onmiddellijk de parachute trekken. Vilvoorde was een mediastunt, ik zou het vandaag niet meer doen. Als de ratio tussen voldoening en risico niet klopt, begin ik er niet meer aan”.

-       is wingsuiten de overtreffende trap van basejumpen?

“Ik zie geen hiërarchie, ik doe trouwens nog altijd heel intensief aan basejumpen.  Wingsuiten is gewoon anders. Ik ontdekte het in 1997, lang voor er sprake van YouTube. Alle fans van extreme sporten keken toen reikhalzend uit naar La Nuit de la Glisse, een jaarlijkse compilatie met hoogtepunten, nieuwigheden en stunts. Dat jaar was Patrick De Gayardon de sensatie, een legendarische Franse basejumper en skydiver. Ik zag hem uit een vliegtuig springen met een soort vleermuispak en een lange glijvlucht maken. Wow, dacht ik meteen, dat wil ik ook kunnen. Zie je, ik ben altijd gefascineerd geweest door vliegen, als kind droomde ik ervan helikopterpiloot te worden. Ik ken trouwens heel wat piloten, sommigen vliegen met jachtbommenwerpers. Allemaal zijn ze gepassioneerd door hun vak, en allemaal reageren ze even enthousiast als ik ze mijn films met de wingsuit toon. Zo kunnen vliegen, dat is de max, de totale vrijheid”.

Patrick De Gayardon is dood. Te pletter gestort na een sprong in Hawai. Hij is niet de enige extreme luchtsporter die zijn passie met de dood bekocht. Basejumpen en wingsuiten prijken bovenaan in de statistieken van gevaarlijke sporten. In maart 2014, precies een jaar geleden, maakten drie wingsuiters samen een fatale crash in het Zwitserse Lötschental. Bekenden van Cedric, zoals meestal bij een ongeval. Het is een klein wereldje, onder de die-hards kent iedereen iedereen.

- is doodsverachting een noodzakelijke eigenschap?

“Ik leef graag, ik heb trouwens een vriendin en een zoontje van drie. Wat wel klopt: extreme sporten confronteren je wel met je sterfelijkheid. Dat vind ik juist fijn, het zet je aan tot bewust leven. Maar we moeten het risico ook niet overdrijven. Basejumpen kan relatief veilig blijven, tenzij je het zelf gevaarlijk maakt. Als er teveel wind staat, moet je vooral niet springen. Dat is waar het vaak fout loopt. Je klautert met vrienden naar de plek voor de afsprong. Boven aangekomen blijken de omstandigheden niet ideaal. Dan moet je terugkeren, zelfs als de anderen beslissen om te springen. Ik heb dat vaak gedaan, en achteraf van de anderen gehoord dat het kantjeboordje was. Dat is natuurlijk spelen met het lot. Het kan tien keer goed aflopen, maar de elfde keer gaat het mis”.  `

-  in Shanghai is een basejumper voor je ogen te pletter gestort. Ga je dan niet twijfelen?

“Nee, want ik weet waarom het is gebeurd. Het was een officieel evenement op de Jin Mao Tower, een wolkenkrabber van 88 verdiepingen. De Chinese autoriteiten hadden zelf een kransje van internationale jumpers uitgenodigd. Ik stond met stijgende verbazing te kijken naar de man die voor mij aan de beurt kwam. Hij was niet fit, hij mankte nog als gevolg van een eerder accident. En hoe slordig hij zijn parachute plooide. Dat vraag je er bijna om, zeker als de omstandigheden tijdens de sprong wat tegenzitten”.

-  toch heb je die sprong van de Jin Mao Tower nog gemaakt. The show must go on?

 “Na het ongeval werden we allemaal in een zaal bijeengeroepen en kregen we te horen dat we niet met de pers mochten praten. Tijdens die bijeenkomst werd ook beslist om ermee door te gaan. Ik heb mijn sprong gemaakt, en ’s avonds hebben we met zijn allen een feestje gebouwd. Er waren veel Australiërs. Op een bepaald moment hebben ze de kamer van hun verongelukte landgenoot vol met drankflessen gestouwd, als een soort eerbetoon. Voor buitenstaanders is dat moeilijk te bevatten, maar in dit wereldje word je gehard tegen de dood. Behalve als je dierbare vrienden verliest, maar dat heb ik gelukkig nog nooit meegemaakt”.

-  is wingsuiten gevaarlijker dan basejumpen?

“Niet noodzakelijk. Ik heb alle dodelijke ongevallen van de voorbije jaren geanalyseerd. Bijna altijd is er sprake van een menselijke fout. Teveel risico nemen door laag te vliegen is een klassieker. Als je op een meter afstand langs een rotswand scheert, schiet je wel mooie beelden voor de Youtube-volgers, maar besef wel dat de kleinste windstoot fataal kan zijn. Soms ligt het aan de voorbereiding. Ik ken het verhaal van de drievoudige crash in Zwitserland. Ze waren die dag met vier vertrokken, maar eentje is teruggekeerd omdat er op de afsprongplek een te sterke föhn stond. De anderen zijn boven gebleven en hebben een plek met minder wind gezocht. Ze zijn gesprongen, zonder vooraf het vliegtraject te controleren. Dat is hen dus fataal geworden. Ze zijn onverwacht boven een grasvlakte uitgekomen, te laag om er nog over te geraken. Stel je voor, eentje is gecrasht op twee meter van de rand! Ik was die dag aan het trainen in Dubai, samen met de beste vriend van een van de slachtoffers. Echt verrast was ik niet, ik had al filmpjes van die vriend gezien. Hij vloog met heel veel risico, men had hem al meermaals gewaarschuwd dat hij zijn nek zou breken”.

risico’s generen YouTube-clicks die op hun beurt sponsors aantrekken. Vraag maar aan de Alex Polli, de Noorse Italiaan die met 250 per uur door een  driehoekig gat in een Spaanse rotsformatie vloog. Filmpje gezien?

“Natuurlijk. Alex is een geweldige vlieger en een goede vriend, maar een beetje  gestoord. Zo’n stunt lever je ook geen twee keer, daarvoor is het risico veel te groot. Bij Red Bull moet je er ook niet mee aankomen, ze zijn niet geïnteresseerd in stunts”.

Red Bull heeft nochtans zelf al veel kritiek gekregen. Vooral na 2009, een rampjaar waarin het Air Team drie dodelijke ongevallen met base jumpers en wingsuiters incasseerde. De Duitse journalist Herman Büchel maakt er een documentaire over waarin hij het cynisme van de Red Bull hekelt. Atleten worden aangespoord tot steeds grotere risico’s, en dodelijke ongevallen maken deel uit van de marketingstrategie. Akkoord?

“Dikke nonsens! Ik weet uit eigen ervaring dat de teamverantwoordelijken er alles aan doen om ongevallen te vermijden. Zij zijn het die op de rem gaan staan, terwijl de atleten altijd grenzen willen verleggen. Dat ongevallen in het kraam van Red Bull passen, is helemaal een belachelijke bewering. Een dode atleet is wel het laatste wat hun marketeers kunnen gebruiken. Die drie opeenvolgende ongevallen hebben wel indruk gemaakt, Red Bull heeft toen overwogen zich helemaal uit extreme luchtsporten terug te trekken. Ze zijn gebleven, maar het accent is verschoven. Minder spektakel, het gaat nu veel meer om pure sport en technische volmaaktheid. Ook ik heb me aangepast. Ik train al vijf jaar in een windtunnel, ideaal om de techniek te verbeteren en erg efficiënt. Een uurtje in de windtunnel, voor het spiergeheugen stemt dat overeen met 100 sprongen uit een vliegtuig”.

Hij is net terug uit New York, morgen vertrekt hij naar de Alpen. Aan geen van beide reizen kwam een parachute te pas. Cedric, houder van een Amerikaanse master in sport- en prestatiepsychologie, is immers niet alleen Red Bull-atleet. Hij begeleidt topsporters, en laat zich door bedrijven inhuren voor workshops en lezingen. Meestal bestaat het publiek uit managers of kaderleden die van Cedric te horen dat ook in hen een high performer schuilt.

-  wat kunnen managers van een basejumper leren?

“Risico’s durven nemen en omgaan met angsten. Op zich is angst iets positiefs, een trucje van de evolutie dat de mens in staat heeft gesteld om te vluchten voor gevaar. Maar in onze moderne samenleving werkt het verlammend. We piekeren ons suf. Over het oordeel van anderen, over het verleden, of over alles was in de toekomst kan mis gaan.  Durf te leven in het nu, is mijn boodschap. Ik spreek over loslaten, maar ook over commitment en focus. Stel een doel, en ga ervoor. Dat is ook wat andere sportpsychologen vertellen, maar uit mijn mond klinkt het net iets geloofwaardiger. Want uiteraard sta ik daar ook als Cedric de basejumper, ik vertel over mijn passie voor extreme sporten. Ze zien allemaal het beeld voor zich, hoe ik daar sta op de rand van een klif. Loslaten, commitment, focus, dat heb je op zo’n moment allemaal nodig om te springen”.

 

 

Met de politie op mensenrechtenstage in Kazerne Dossin

De Standaard, 11 april, 2015. (passage over zigeuners als code voor rondtrekkende daders heeft een staartje gekregen. Na een groot vervolgartikel van een collega in De Standaard besloot de Federale Politie haar nomenclatuur aan te passen)

Het verband tussen de feestende massa van een zomerfestival en de massamoord in Auschwitz? Politieagenten vinden in de Kazerne Dossin het antwoord. Onze reporter mocht een hele dag mee op HPM-stage in het Holocaust Museum. Verslag vanuit het spanningsveld tussen politie en mensenrechten.

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

Vroege vogels, die van de politie. Vanaf half acht druppelen de eerste cursisten binnen in de Kazerne Dossin. Commissaris Marc Van Gestel zet ze op weg naar een kop koffie, zijn collega Isabelle Diependaele streept de namenlijst af. Veertig worden er vandaag verwacht, op te tellen bij de 1.800 die het afgelopen jaar de eendaagse opleiding Holocaust, Politie en Mensenrechten (HPM) hebben gevolgd. “We liggen op kruissnelheid”, zegt coördinator Van Gestel tevreden. “Twee dagen in de week palmen we het museum in. Bedoeling is het volledige korps, meer dan 40.000 mannen en vrouwen sterk, door dit bad te jagen. We zijn hier dus nog niet weg, in een volgende fase willen we trouwens ook de aspiranten van de politiescholen naar Dossin halen”.

Het concept komt uit Amerika. Tijdens een stage bij de FBI in Washington beleefde hoofdcommissaris Dirk Allaerts zijn ping-moment. Het verplichte bezoek aan het holocaustmuseum, was dat geen idee voor de Belgische politie? Commissaris-generaal Catherine De Bolle was meteen enthousiast, en ook in Kazerne Dossin viel het zaadje in vruchtbare grond. Het nieuwe museum, een sober maar indrukwekkend ontwerp van architect Bob Van Reeth, stond nog in de steigers. Conservator Herman Van Goethem en zijn team piekerden zich suf. Het museum moest meer zijn dan een geïllustreerd exposé over het nulpunt van de Westerse geschiedenis. Herinneringseducatie, werd het toverwoord. Het verhaal van de holocaust moest als casus dienen waaruit lessen voor heden en toekomst vielen te trekken. Het voorstel van de politietop kon dan ook niet beter getimed zijn. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum sprong als derde partner op de kar. Eind 2013 stond het project Holocaust, Politie en Mensenrechten in de steigers, vier maanden later gingen de cursussen van start.

Bende van Nijvel

Een delegatie uit Luik waait binnen, mopperend over de files op de Brusselse ring en de moeilijke zoektocht naar een parkeerplaats. “Dit is een verplicht nummer”, zegt een van de agenten. ‘Van onze korpschef moeten we allemaal naar Mechelen, wij zijn zowat de laatsten in de rij. Wat de anderen erover vertellen? Niks bijzonders, er zijn tegenwoordig ook zoveel opleidingen. Ach ja, zo ziet een mens nog eens een stukje van zijn land”. Scepsis is veeleer uitzonderlijk, stellen we tijdens de briefing vast. Nagenoeg alle cursisten in onze groep hebben zelf het initiatief genomen om in te schrijven. Negen mannen en drie vrouwen, wetsdienaren van zeer divers pluimage. Speurders van de federale gerechtelijke politie zitten naast agenten van lokale korpsen. Een deelnemer stelt zich voor als instructeur op de schietbaan van de Nationale Politieacademie, een andere als coördinator bij de cavalerie in Etterbeek. Ook Robert Watzeels doceert aan de Nationale Politieacademie. Geweldbeheersing, een vak waarbij hij aspiranten inpepert dat hun tong hun beste wapen is. Een vijfde van zijn diensttijd besteedt hij in Kazerne Dossin, als een van de anciens onder de 54 HPM-opleiders. Vandaag vormt hij een tandem met Danny Debersaques van de wegpolitie Gentbrugge. Ook de andere groepen, twee Nederlandstalige en een Franstalige, worden door een duo begeleid. “Alleen zou dit te vermoeiend zijn”, zegt Robert. “Het is telkens een lange en intensieve dag”.  Een cursist is extra gemotiveerd. Pieter, negen jaar verbindingsofficier in Parijs, staat op een zucht van zijn pensioen. “Ik zoek een nuttige tijdsbesteding”, zegt hij. “Misschien kom ik hier zelf opleiding geven”.

We overlopen de Vier Hoofddoelen van HPM. Een beter begrip van de  mechanismen achter discriminatie en uitsluiting. Stimuleren om kritisch na te denken, en te handelen in overeenstemming met hun persoonlijke overtuiging. “Bovenal proberen we de cursisten bewust te maken van de marge om nee te zeggen”, zegt Robert. “Ook tegen een bevel van hogerhand. Als politieman sta je vaak voor ethische dilemma’s, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de hoogdagen van de Bende van Nijvel moest ik als jonge rijkswachter een bank bewaken. Ik had van mijn overste een duidelijke opdracht gekregen. Als ik iemand van de bende in het vizier kreeg, moest ik schieten zonder waarschuwen. Stapte hij uit een auto zonder een directe bedreiging te vormen? Niet aarzelen, direct schieten. Vandaag klinkt dat schokkend, maar het hele land was toen in de greep van de Bende-terreur. Ik zou er wellicht applaus voor gekregen hebben”.

Jonathan Jacobs

Het staat niet in het rijtje met doelstellingen, maar HPM moet ook een preventief medicijn tegen politionele uitschuivers vormen. Recente voorbeelden worden hier openlijk besproken. De zware mishandeling van daklozen door leden van de federale spoorwegpolitie in een lokaal onder het Zuidstation? Onze eigen rondvraag zal uitsluitend scherpe veroordelingen opleveren. Een staaltje van ongezonde kuddegeest, wordt het genoemd. Een leidersfiguur die over de schreef gaat, en de anderen die hem volgen veeleer dan in te grijpen. Over Jonathan Jacobs, doodgeslagen in een cel door leden van het Bijzonder Bijstandsteam van de Antwerpse politie, zijn de meningen genuanceerder. “Absoluut verwerpelijk”, vindt Robert. “Voor mijn part mogen die agenten streng gestraft worden. Maar wat met de psychiatrische kliniek die tot twee keer toe heeft geweigerd om Jacobs op te nemen? De directie is even schuldig als de betrokken politiemannen”.

Groepsdenken, ontmenselijken van medeburgers, bureaucratische lafheid, bereidheid tot het plegen van geweld. Allemaal thema’s die als vlechtdraad doorheen de opstelling in het museum lopen. Robert en Danny nemen ons  mee naar het memoriaal in de kazerne, het zwarte gat waarin 25.484 joden en 352 zigeuners verdwenen. 1.200 keerden uit de vernietigingskampen terug, geen 5 procent. Nadia, van politiezone Brussel-Noord, verbaast zich over de luxeappartementen rond het als park aangelegde binnenplein. “Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze. “Niet op een plek met zo’n verleden”. Het wordt geen klassieke rondleiding, we houden alleen halt bij de HTM-relevante onderdelen. Zoals het kunstwerk dat Philip Aguirre voor het memoriaal maakte. ’15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen’, de naam verwijst meteen naar een van donkerste pagina’s uit de geschiedenis van de Belgische politie. Op 15 augustus 1942 werden in de Antwerpse stationsbuurt meer dan 800 joden opgepakt en naar de Dossinkazerne afgevoerd. Aan de razzia, bevolen door de bezetter, dociel uitgevoerd door burgemeester Delwaide en zijn korpschef De Potter, namen een vijftigtal agenten deel. Het kunstwerk, een gedekte tafel waaronder een drieledig gezin zich, plat op de grond liggend, verscholen houdt, stelt het morele dilemma op scherp. “De agenten stonden voor de keuze”, legt Danny uit. “Ze konden het bevel naar de letter opvolgen en de familie van onder de tafel vandaan halen. Maar ze konden ook stil verzet plegen. Hun kop binnen steken, ‘hallo is daar iemand’ roepen, en vooral niet onder de tafel kijken”.

Artistieke impressie van de razzia van 21 augustus 1942, een zwarte pagina in de geschiedenis van de politie (Foto: Geertje De Waegeneer)

Artistieke impressie van de razzia van 15 augustus 1942 (Foto: Geertje De Waegeneer)

We steken opnieuw over naar het museum, voor een hinkelparcours doorheen de geschiedenis van de holocaust. Danny trekt onze aandacht op de fotowand. Een uitgelaten menigte van jonge mensen, dansend op de beats van Tomorrowland. Welke indruk maakt dit beeld? De begeleider kijkt zijn cursisten vorsend aan. Vinger opsteken hoeft niet, maar de sfeer van de schoolreis is helemaal terug. Vrolijk, zomers, jeugdig, de rondvraag levert vooral vrijblijvend gemompel op. Tot een van de speurders _ foto’s en namen zijn taboe, anonimiteit is hun levensverzekering _ zijn bril van ordehandhaver opzet. “Ik vind massa’s intimiderend”, zegt hij. “Groepen zijn manipuleerbaar. De sfeer kan zo omslaan, van vrolijk naar grimmig”. Was dit een toets, dan kreeg hij een tien. Van massa naar massamoord, daar gaat de hele tentoonstelling over. In onze werkmap staan ze netjes uitgespeld, de tien stappen die de Amerikaanse genocide-specialist Gregory Stanton onderscheidt, van classificatie en polarisatie naar uitroeiing en ontkenning.

Einsatzgruppe

De klas is nu helemaal bij de les. De spotprent van Joden op insectenpoten, sprinkhanen die Antwerpen overspoelen? Ontmenselijking, luidt het antwoord, stap 4 in het schema van Stanton. Precies wat in Rwanda is gebeurd, laat iemand pienter opmerken, daar werden de genocideslachtoffers als kakkerlakken bestempeld. We staan lang stil bij een beroemde foto van een lynchpartij in het Amerika van de jaren dertig. Wat zien we? Twee sukkelaars die aan een boom bengelen. Robert nodigt ons uit om beter te kijken, en scherp te stellen op de omstaanders. Sommigen blikken in de lens alsof ze zich betrapt voelen, bij de meesten spat het enthousiasme over het schouwspel van het beeld. Niemand die een vinger uitstak om de lynchpartij te voorkomen, net zomin als dat er iemand van de Rijkswacht tijdens de eerste pogrom in april 1941 iets ondernam om de relschoppers tegen te houden. We zijn intussen al bij stap 6, de polarisatie, aanbeland. Joden en zigeuners zijn al geregistreerd, gelabeld en geïsoleerd. Met medewerking van Belgische autoriteiten, vaak lokale administraties die de Duitse verordeningen ijverig uitvoerden, uit defaitisme of opportunisme. “Ze hadden nochtans een marge om te weigeren”,  zegt Robert. “Belgische instanties mochten van de bezetter gewetensbezwaren inroepen om niet aan de Jodenvervolging deel te nemen. De Brusselse burgemeester heeft geweigerd een jodenregister aan te leggen, en werd daar niet voor gestraft”.

Waarom lieten de Joden zich zomaar oppakken en uitmoorden? Het was Agnieszka, ondersteunende dienst FGP Brugge, die de vraag tijdens de briefing had opgeworpen. “Ik zou vechten als ze aan mijn kinderen raakten”, zei ze fel. En ineens staat ze daar op de derde verdieping van het museum, bij een van de beruchtste foto’s van de Holocaust. Een soldaat van een Einsatzgruppe legt van dichtbij aan op een naakte vrouw die wanhopig haar kind in de armen klemt. Twee joden met een kogel afgemaakt, daar kon je bij de SS trots op zijn. De hele verdieping is gewijd aan deportatie en uitroeiing. Met spaarzame middelen, zonder effectbejag.  De beelden en citaten komen des te harder binnen. Tekeningen van gaskamers en crematoria in Birkenau hangen tegenover een selectie uit het befaamde Höcker Album, foto’s van kampbeulen tijdens hun vrije tijd, aan de borrel op het zonnedek, even weg van de sleur van de industriële volkenmoord.  We houden het kort, Agnieszka heeft het trouwens al lang gesnapt. Er viel in deze fase niks meer te vechten, de strijd werd verloren op de eerste en de tweede verdieping.  Het is stil als we naar de kantine op de min-1 afdalen. “Ik had al een en ander over de Holocaust gelezen”, zegt Nadia. “Maar dit maakt toch indruk”.

Vinci Park

Lunchtijd. Een milde vorm van collectieve haat jegens Vinci Park steekt de kop op. Het SMS-parkeren draait in de soep, er moeten dringend parkeertickets worden vervangen en auto’s verplaatst. Als er straks maar geen bon onder de ruitenwisser steekt! Robert en Danny zijn intussen druk doende met de voorbereiding van de workshop mensenrechten. “Meestal is de sfeer constructief”, zegt Robert. “Maar soms krijg je onverwachte reacties. Jaja, zei er eentje, de Holocaust was erg. Maar wat doen de Joden met de Palestijnen? Dan moet je als moderator ingrijpen, want daar gaat het natuurlijk niet over. Op een keer had ik enkele agenten van een interventieteam uit een grootstedelijke probleemwijk. Ze hadden moeite met bepaalde stellingen over de rechten van arrestanten. Fysiek en verbaal geweld tijdens interventies? Moest kunnen, vonden ze, ze hadden hun eigen codes. En dat het gemakkelijk was om dat van achter een bureau af te keuren. Want je moest het maar doen, orde handhaven in een kansarme buurt die wemelt van drugscriminelen en mensen zonder papieren. Hun korpschef zat er bij, zijn mond viel open van verbazing. Die sessie is niet zonder gevolgen gebleven”.

We vormen een halve cirkel. Robert steekt van wal met een exposé over het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Wisten we dat Duitsland in Straatsburg ooit werd veroordeeld tot een zware schadevergoeding, te betalen aan een bewezen kindermoordenaar? Speurders hadden tijdens het onderzoek met geweld gedreigd om hem te dwingen te verklappen waar hij het slachtoffer _ op dat moment nog in leven gewaand _ had verborgen. Het argument van de tijdsdruk maakte voor de rechters in Straatsburg geen verschil. Dura lex, sed lex, mensenrechten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Na deze opwarmer krijgen we een primeur: de case Claeys en Vermuyten, uitgewerkt als toetssteen voor ethisch politiehandelen. We worden uitgenodigd om in de schoenen te gaan staan van de enige twee agenten die op 15 augustus 1942 weigerden aan de jodenrazzia deel te nemen. Vandaag worden Claeys en Vermuyten als helden vereerd, destijds als dienstweigeraars gestraft. Mild gestraft, weliswaar, met verlies van drie verlofdagen. Waarom waren ze dan de enige agenten die de marge om nee te zeggen hebben benut? Danny stelt de vragen, Robert noteert de antwoorden in een raster. De verschillende actoren, de opties, de geanticipeerde en de reële gevolgen, ethisch politiehandelen is even complex als de tabellen van Mendeljev.

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

Andy de homo

De marge om nee te zeggen? Agnieszka pikt het thema graag op. Is het normaal, vraagt ze zich luidop af, dat ze bij het invullen van persoonsgegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank een vakje met ‘Zigeuner’ kan aanvinken? “Ik weiger dat te doen”, zegt ze. “We hebben niet het recht om mensen op basis van hun etnische achtergrond te labelen”. Twee Leuvense speurders steigeren. Wat is het probleem? In dezelfde databank wordt toch ook genoteerd of iemand als veelpleger bekend staat of betrokken was bij drugsfeiten? Het stempel zigeuner is gewoon relevante informatie voor de strijd tegen rondtrekkende daderbendes. Robert kan het nauwelijks geloven. Hier, op deze plek, vernemen dat zigeuner anno 2015 codetaal is voor rondtrekkende daderbende. Hij pleegt een telefoon naar de bevoegde dienst, het blijkt te kloppen. “Dit kan absoluut niet”, zegt hij. “We mogen minderheden niet reduceren tot een crimineel fenomeen”.

De commotie luwt, we besluiten met een hedendaagse casus. Agent Andy out zich tegenover de collega’s als homo en wordt nadien met steeds ergere pesterijen geconfronteerd. Hoe zouden ze reageren? Heulen met de pesters? De andere kant opkijken? Openlijk partij kiezen voor Andy? De hiërarchische oversten inschakelen? De laatste twee opties worden met een geruststellende unanimiteit verkozen, maar één dissident draagt een pragmatische oplossing aan. “We kunnen Andy ook gewoon overplaatsten”. Robert kijkt naar zijn raster. Daar heeft hij geen vakje voor.

Het verborgen archief van Koning Boudewijn

Knack, 25 maart, 2015

Drie maanden na het overlijden van koningin Fabiola blijft de vraag open: wat met het privé-archief van koning Boudewijn? Historici wrijven zich de handen bij de gedachte aan deze goudmijn, rijk aan Atoma-schriftjes met persoonlijke aantekeningen, brieven van bevriende staatshoofden en lijsten van geheime ontmoetingen. Toch zullen ze geduld moeten oefenen. Vijftig jaar, als het archief dan tenminste nog bestaat.

Koning Boudewijn in Belgisch Congo (1955)

Koning Boudewijn in Belgisch Congo (1955)

Hij had het haar natuurlijk ook gewoon kunnen vragen, maar N-VA-senator Pol Van Den Driessche besloot zijn verzoek aan partijgenoot Elke Sleurs in een brief te gieten.  Of ze als staatssecretaris voor wetenschapsbeleid geen navraag kan doen bij het Koninklijk Paleis om volgend mysterie uit te klaren: wat is er na het overlijden van Koningin Fabiola op 5 december van het archief van Boudewijn geworden, de monarch die de Belgische troon van 1951 tot zijn dood in 1993 bezet hield? Van Den Driessche, die een kopie van zijn brief naar het kabinet van premier Michel stuurde, is niet aan zijn proefstuk toe. In 2010, toen de gewezen journalist nog CD&V-senator was, richtte hij zich rechtstreeks tot het Huis van Koningin Fabiola. “Zonder resultaat”, blikt hij terug.  “Zoals gebruikelijk kwam er vanuit Stuyvenberg een beleefd maar nietszeggend antwoord. De grootmeester van het Huis van Fabiola wees er alleen op dat de notities van Boudewijn niet tot het openbaar archief behoren. Wettelijk gezien is dat ook zo, in principe mogen ze er de open haard mee aansteken. Zo’n vaart is het wellicht niet gelopen, maar wie zegt dat Fabiola het archief op haar sterfbed niet aan een of ander familielid heeft weggeschonken? Daarom deze nieuwe demarche. Ik ben bang dat we het spoor bijster raken, het is zelfs niet ondenkbaar dat er op een dag stukken van het archief bij Sotheby’s worden geveild.  Zo’n scenario zou een catastrofe zijn voor de Belgische geschiedschrijving”.

colloque singulier

Volgens de overlevering in de Wetstraat was koning Boudewijn een grootverbruiker van  Atoma-schriftjes. Over het merk van de papierwaren kan Johan Vande Lanotte geen uitsluitsel geven, wel over de mythe van de vlijtige archivaris. “Ik ben een paar keer op audïentie geweest als voorzitter van de parlementaire commissie mensenhandel”, vertelt hij. “Boudewijn zat inderdaad de hele tijd aantekeningen te maken. Zo vreemd is dat niet voor iemand met zo’n drukke agenda, hij ontving aan de lopende band belangrijke mensen die over complexe onderwerpen kwamen praten. Dan is een geheugensteuntje handig, als minister nam ik tijdens sommige vergaderingen ook nota’s. Ik heb al die stukken intussen aan het Amsab geschonken. Vrijwillig, want over privé-archieven zwijgt de wet in alle talen. In het geval van Boudewijn kun je je wel afvragen hoe privé zijn persoonlijke notulen zijn, want in de Belgische constitutie valt de persoon van de koning haast niet van zijn functie te scheiden. Precies daarom valt alles wat tijdens zo’n audiëntie wordt gezegd onder het colloque singulier. Toch hoop ik dat zijn archief goed bewaard blijft en op termijn raadpleegbaar wordt. Met voldoende wachttijd, uiteraard. Het zou niet goed zijn als we in 2015 al inzage kregen in stukken uit 1990”.

Gustaaf Janssens was tot zijn pensionering in 2013 archivaris van het Koninklijk Paleis. “Op het paleis in Brussel bewaren we de kabinetsarchieven van het Koninklijk Huis”, preciseert hij, “dat zijn de archieven gevormd door de kabinetschef, de grootmaarschalk, de juridische en de diplomatieke adviseur, en door diensten zoals het protocol, de civiele lijst en rekwesten. Die documenten vallen niet onder de federale archiefwet. Ze zijn dus niet openbaar, maar wel raadpleegbaar onder bepaalde voorwaarden”. Precies met het oog daarop werd in 1963 het Archief van het Koninklijk Paleis opgericht, een dienst  onder supervisie van de kabinetschef van de Koning. Janssens, lange tijd ook docent archivistiek aan de KU Leuven en de VUB, begon er in 1988 onder de vleugels van de legendarische kabinetschef Jacques van Ypersele de Strihou. “Op dat moment waren alleen stukken gevormd voor 1940 raadpleegbaar”, vertelt hij. “We hebben dat in overleg met de kabinetschef snel uitgebreid tot 1945. Momenteel ligt de grens bij de eedaflegging van Koning Boudewijn in 1951, maar de stukken van de grootmaarschalk in verband met koninklijke reizen en audiënties zijn tot en met 1960 raadpleegbaar. Vergeleken met de archieven van andere regerende monarchieën, zijn we nog erg toegankelijk. In Nederland moet de koning persoonlijk toestemming geven voor alles wat na 1913 werd gevormd”.

communautaire kwestie

In het statige kabinetsgebouw in de Hertogstraat ligt ook privaat archief. Geïnteresseerden kunnen er de correspondentie van koning Leopold I en koningin Louise inkijken. Ook de briefwisseling van Leopold II, Albert I en diens gemalin Elisabeth is raadpleegbaar, net zoals de stukken van Leopold III en prins-regent Karel die er in bewaring werden gegeven. De vraag is of dat ook met de brieven of notulen van Boudewijn en Fabiola zal gebeuren.

Pol Van Den Driessche, historicus van vorming, zou er alleszins een rib voor geven: een namiddag grasduinen in de schrijfsels van de Belgische recordmonarch. “Een goudmijn voor toekomstige historici”, zegt hij. “Boudewijn heeft meer dan veertig jaar een sleutelrol gespeeld in de Belgische politiek. Hij heeft alle grote momenten vanop de eerste rij meegemaakt en alle zwaargewichten in zijn bureau zien passeren. Heel wat vragen blijven nog onbeantwoord. Wat dacht Boudewijn zelf van de communautaire kwestie? Hoe was zijn relatie met kardinaal Suenens? De antwoorden schuilen wellicht in zijn privé-archief”.

Zo hard wil historicus en monarchiespecialist Mark Van den Wijngaert niet van stapel lopen. “We weten intussen heus wel hoe Boudewijn over de communautaire kwestie dacht. Daar hebben we zijn privé-archieven niet voor nodig, er zijn genoeg aanwijzingen in de memoires van Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene. Ook over zijn geestelijk leven is veel bekend, vergeet niet dat kardinaal Suenens het spiritueel dagboek van Boudewijn heeft gepubliceerd. Zo weten we dat hij bij een regeringscrisis graag ging bidden, liever dan een zoveelste audiëntie te beleggen. Suenens heeft destijds een selectie uit het privé-archief gemaakt, een impliciet bewijs dat er wel degelijk zoiets bestaat of alleszins heeft bestaan”. De geschiedenis van Koning Boudewijn zal dus niet worden herschreven. Toch wil ook professor-emeritus Van den Wijngaert het archief van de vijfde koning der Belgen niet verloren zien gaan. “Uiteraard moet er een onderscheid worden gemaakt tussen wat wetenschappelijk relevant is en wat puur persoonlijk of strikt familiaal is. Het is aan een specialist zoals een archivaris om dat te beoordelen. Objectief, het mag nooit de bedoeling zijn archieven uit te zuiveren om de historische waarheidsvinding te manipuleren”.

Lumumba

Gustaaf Janssens heeft als koninklijk archivaris heel wat onderzoekers moeten teleurstellen. Vragen om archiefstukken van na 1951 te raadplegen, werden systematisch afgewezen. Ook ULB-historica Anne Morelli ving bot toen ze research deed voor een biografie van koningin Fabiola. De Belgische koninklijke archieven bleven potdicht,  maar Morelli dook met succes in Spaanse archieven. Het Belgische vorstenpaar en de Spaanse dictator Franco onderhielden innige vriendschapsbanden, zo valt te lezen in de pas in het Nederlands verschenen Fabiola-biografie.

Slechts een enkele keer werd van de huisregel afgeweken, op vraag van de parlementaire commissie die in 2000 de Belgische betrokkenheid bij de moord op de eerste Congolese premier Patrice Lumumba onderzocht. De Leuvense professor  Emmanuel Gerard was een de vier door de commissie aangestelde historici die de stukken uit de relevante periode in het Koninklijk Archief mocht gaan inkijken. “Dat ging uiteraard om het archief van het kabinet van de koning”, vertelt hij. “Er zaten opvallende hiaten in. Zo vonden we brieven die Boudewijn had verstuurd naar de Amerikaanse en de Franse president, en naar de Nederlandse koningin. De antwoorden hebben we nergens gevonden,  terwijl die zeker moeten bestaan. Wellicht werden die in het persoonlijk archief bewaard, bij koningin Fabiola in Stuyvenberg”.

Opmerkelijk: de experts van de Lumumba-commissie kregen tijdens hun speurwerk een glimp te zien van dat mythische privé-archief. Gerard: “In het kabinetsarchief zat ook de lijst met officiële uitnodigingen, namen van ministers, ambassadeurs of anderen die in audiëntie werden ontvangen. We hadden echter sterke aanwijzingen dat er nog een tweede lijst van informele ontmoetingen bestond. De toenmalige kabinetschef van koning Albert heeft koningin Fabiola gepolst om dat stuk over te maken. Dat is ook gebeurd, en zo kregen we inzage in de agenda van de ordonnans, de officier die het logboek bijhield van het komen en gaan op het Paleis. Er stonden natuurlijk geen gesprekken of persoonlijke aantekeningen in, maar het was toch verhelderend. Ziet u, het is geen geheim dat Boudewijn in augustus 1960 af wilde van de regering Eyskens. Dan is het interessant om vast te stellen dat hij in die periode ‘private’ ontmoetingen belegde met mensen zoals Paul Henri Spaak en Paul Van Zeeland. Soms in het holst van de nacht, in de ordonnansagenda staat bijvoorbeeld dat de bezoeker zich om middernacht bij de poort heeft aangemeld. We kunnen alleen gissen naar de inhoud van die gesprekken, maar het ging vast niet over koetjes en kalfjes. Bij sommige namen staat het woordje cosmik, dat was destijds in Navo-kringen codetaal voor streng geheim”.

Opgrimbie

Op het kabinet van Elke Sleurs werd de brief van Pol Van den Driessche goed ontvangen. “Maar er is nog niks mee gebeurd”, geeft woordvoerder Jeroen Lemaitre toe. “Deels uit piëteit, een initiatief zou wat ongepast zijn, zo kort na het overlijden van koningin Fabiola. En toegegeven, het is geen echte beleidsprioriteit. Als u een blik op de bevoegdheden van mevrouw Sleurs werpt, zult u wel snappen waarom”. Blijft de vraag waar het privé-archief zich drie maanden na het overlijden van koningin Fabiola bevindt. Navraag bij het Paleis levert niks op, tenzij het verzoek een mail te sturen die vervolgens onbeantwoord blijft. Volgens insiders rust het nog steeds in het kasteel van Stuyvenberg, de residentie waar Fabiola de laatste 22 jaar van haar lange leven doorbracht. Bekend is dat de koningin-weduwe in haar nadagen erg begaan was met haar erfenis. Kort na haar dood bevestigde het Paleis dat de hele nalatenschap naar het Hulpfonds van de Koningin zou gaan, een caritatieve instelling die behoeftige landgenoten met financiële giften bijspringt. Er werd niet aan toegevoegd dat koningin Fabiola nog bij leven en welzijn belangrijke bezittingen zoals het klooster van Opgrimbie en de koninklijke villa in het Spaanse Motril in fiscaal gunstige privéstichtingen had ondergebracht. Ook over het archief van de overleden monarchen werd niet gerept.

Hoe dan ook, historici zullen geduld moeten oefenen vooraleer ze de briefwisseling van Boudewijn kunnen uitvlooien. Privaat of publiek, de wachttijd is minstens vijftig jaar. Niet overdreven, vindt ere-archivaris Janssens. “Ik begrijp als historicus dat onderzoekers zoveel mogelijk archief willen raadplegen. Toch wil ik voor geduld pleiten. Teveel druk op de raadpleegbaarheid kan ertoe leiden dat de schenker het archief gaat uitzuiveren en er stukken verdwijnen. Als men daarentegen zekerheid heeft dat een archief pas na 50 of 100 jaar open gaat, dan moet men niet bang zijn voor indiscreties. Als archivaris heb ik daarom altijd duidelijke afspraken gemaakt over embargo’s. André Molitor, kabinetschef van koning Boudewijn van 1961 tot 1970, heeft ons enkele jaren voor zijn overlijden zijn integrale archief toevertrouwd. Er hoeft geen tekening bij, dat archief wordt cruciaal voor de geschiedschrijving van die periode. Zelf zal ik het echter niet meer meemaken: het archief van Molitor wordt pas raadpleegbaar vanaf 2050.  Jammer voor mij, maar ik begrijp heel goed waarom dat voor hem zo belangrijk was”.

Misschien wordt kwestie voor Boudewijns opvolgers Albert II en Filip minder prangend. “Het colloque singulier brokkelt steeds verder af”, stelt Emmanuel Gerard vast. “Kijk naar de voorbije formatierondes. Hoe de pers zich bij het de poorten van het Paleis staat te verdringen, wachtend op politici die na hun audiëntie meteen een persconferentie geven. Dat zou onder Boudewijn nooit gebeurd zijn”. Toch werd ook het colloque singulier van koning Boudewijn wel eens geschonden. Niet bij de paleispoort, wel in het kabinet van wijlen Frank Van Acker, socialist, burgemeester van Brugge en vertrouweling van Boudewijn. “Ik hoor hem de anekdote nog vertellen’, zegt Pol Van Den Driesche, in een ver verleden Volksunie-raadslid in Brugge. “Het was de tijd toen de jonge Frank Vandenbroucke bij de socialisten furore maakte. Hij kwam net uit zijn marxistische periode en had een economisch manifest geschreven dat in de Wetstraat druk werd besproken. Boudewijn maakte zich daar zorgen over en vroeg Van Acker of hij het had gelezen. Ik zou dit op zijn Brugs moeten vertellen. ‘Monseigneur’, sprak Van Acker die allesbehalve een Marxist was, ‘ik heb dat boekje niet gelezen, en ik ben dat ook niet van plan. Het steekt in mijn schuif, en het zal daar voor mijn part niet meer uitkomen’. ‘Ah bon’, zou Boudewijn daarop hebben geantwoord, ‘dan zat ik het ook maar in mijn schuif steken’”. Als het klopt, moet er een spoor van te vinden zijn. In het archief van Stuyvenberg. Wellicht.