Maandelijks archief: mei 2015

Boswachters 2.0: met Tirolerhoed en digitale meetlat

De Standaard Weekend, 11 mei 2015

De basisopleiding wordt vereenvoudigd, maar dat betekent niet dat de titel van boswachter straks voor het grijpen ligt. De plaatsen zijn duur, de uitdagingen divers. Op stap met het uitdunnende keurkorps van het Agentschap Bos en Natuur.

Schalmen in Bertem Bos: 'Geen genade voor de Amerikaanse eik' (Frederik Buyckx)

Schalmen in Bertem Bos: ‘Geen genade voor de Amerikaanse eik’ (Frederik Buyckx)

Bertem. Je kunt er ’s morgens geweldig in de file staan op de E40. Er zijn evenwel goede redenen om deze buurgemeente van Leuven te bezoeken. Het glooiende landschap behoort tot het mooiste van wat Vlaanderen in deze categorie te bieden heeft, een symfonie van bossen, weilanden en akkers, nauwelijks ontsierd door de radars die Belgocontrol op het hoogste punt van Bertem heeft geïnstalleerd. Het wordt pas echt mooi als je aan de zijde van Marc Struelens (49) over een verlaten kasseiweg het Bertembos mag binnenrijden. De boswachter wijst naar een met grassen en geel bloeiende struiken begroeide heuvel. “Een stukje van de Koeheide”, zegt hij. “Wordt beheerd door onze buren van Natuurpunt. Is het niet prachtig hoe de brem daar in bloei staat? Voor de gaspeldoorn komen jullie helaas te laat, die is al uitgebloeid. Ook een mooie plant, een echte vlindermagneet. De hele Koeheide is een uiterst waardevolle biotoop. De zeldzame geelgors heeft er zijn broedplaats, en je vindt er verschillende soorten wasplaten, een paddenstoelenfamilie”

We slaan een holle weg in, aan weerskanten geflankeerd door metershoge, dichtbegroeide bermen. Een modale stadsbewoner, die het een hele prestatie vindt een boterbloem van een paardenbloem te onderscheiden, ziet een oase van groen. Niet zo Marc Struelens die elkeen van de door elkaar wriemelende plantjes naar soort kan benoemen, met deskundige commentaar over de rol in het ecosysteem er bovenop. Het heeft er altijd in gezeten, zegt hij. “Ik heb tuinbouwschool gedaan in Vilvoorde, mijn droom was om landschapsarchitect te worden. Tijdens mijn specialisatiejaar bosbouw kon ik stage lopen bij Waters en Bossen. Ik wist het meteen: dit is wat ik wil doen”. Doorleren voor landschapsarchitect is er niet meer van gekomen, maar hij heeft wel mijn zijn neus in de boeken gezeten. Twee jaar avond- en weekendonderwijs, afgerond met een vergelijkend examen. “Ik heb mijn titel niet cadeau gekregen”, zegt Marc.

bomen schalmen

 Dertig jaar later is er veel veranderd. Waters en Bossen heet nu Agentschap Natuur en Bos. Opleidingen worden door Inverde verstrekt, een dochter van het Agentschap waarin ook de Vlaamse milieuverenigingen participeren. Het getuigschrift bosbouwbekwaamheid behalen? Dan dient men zich grondig te verdiepen in ecologie, plantkunde, wetgeving, fauna- en visbestandsbeheer, houttechnologie, boseconomie en nog een half dozijn vakken. Zelfstudie kan ook, maar wie zijn slaagkansen gaaf wil houden, kan maar beter de opleiding volgen. Zware kost? Te zwaar, vindt Vlaams minister van leefmilieu Joke Schauvliege die begin deze week een grondige hervorming aankondigde. De lat moet lager, de basismodule natuurmanagement zal in de toekomst een breed publiek bedienen. Vrijwilligers van milieuverenigingen, gemeentelijke milieuambtenaren, terreinbeheerders, maar ook aspirant-medewerkers van het Agentschap zoals milieu-inspecteurs en boswachters die zich pas na hun aanwerving zullen specialiseren. De efficiëntiewinst ligt voor de hand. Het heeft weinig zin een opleiding op maat van professionele boswachters te snijden, als er in Vlaanderen nog amper boswachters worden aangeworven. Het bestand is de voorbije jaren tot 90 geslonken. Vacatures zijn er niet, en gepensioneerden worden zelden vervangen.

Boswachter Marc Struelens en collega's. 'We zijn digitaal geworden' (Frederik Buyckx)

Boswachter Marc Struelens en collega’s. ‘We zijn digitaal geworden’ (Frederik Buyckx)

Marc parkeert de jeep op een landweg, naast twee identieke voertuigen. Collega’s Peter Raeymakers en Dominique De Heyn staan ons al op te wachten. Boswachters zijn solisten, maar vandaag moeten de krachten worden gebundeld. “We gaan schalmen”, legt Marc uit. “Het komt erop neer dat we bomen gaan opmeten en merken voor de kap. Dit stuk bosrand vormt een barrière voor het natuurgebied aan de overkant van de weg. Dat willen we aanpakken, de overgang moet zachter. We gaan licht en ruimte scheppen zodat er meer diversiteit in de plantengroei komt. Ecologische bosranden vormen, daar steken we veel tijd in. Vroeger was bosbeheer een zaak van zoveel mogelijk bomen op een zo klein mogelijke oppervlakte, de houtopbrengst stond centraal. Exploitatie zit nog altijd in ons takenpakket. Als we klaar zijn met schalmen, wordt dit lot openbaar verkocht. De hoogste bieder mag de gemerkte bomen onder ons toezicht vellen. Het is slechts een van de vele aspecten van ons vak”.

Idéfix

Marc was ons aanbevolen als een voorbeeld van de boswachter 2.0. Ook wij cultiveerden immers het cliché. De boswachter in zijn kakigroen uniform. Fluitend met de fiets in zijn bos, speurend naar omgewaaide bomen. Een toonbeeld van gemoedsrust, slechts sporadisch verstoord door een sluikstorter, stroper of illegale motorcrosser. “Zet dat romantische plaatje maar uit je hoofd”, zegt Marc. “Boswachters zijn digitaal geworden. We brengen trouwens meer tijd door op kantoor dan in het bos”. De nodige data worden opgeladen naar de drie digitale meetlatten, volgens Peter het neusje van de zalm in modern bosbeheer. “Vroeger werkten we met de lintmeter. Dan moest je met drie zijn om een stam fatsoenlijk op te meten en de resultaten te noteren. Met deze tuigen doe je het alleen, snel en zonder papierwerk”. Ze beginnen eraan, met drie op een rij. Opmeten is hightech, maar schalmen blijft een ambacht. Met een vlijmscherpe bijl hakken ze een stuk schors weg, vervolgens slaan ze met de achterkant van de bijl een stempel in de wonde. Vooral Amerikaanse eiken moeten eraan geloven. “Exoten”, legt Marc uit. “Die moeten eruit, Europa verplicht ons trouwens om zoveel mogelijk terug te keren naar natuurlijke, inheemse bossen. Komt daarbij dat Amerikaanse eiken erg dominant zijn. Ze overschaduwen hun omgeving en zaaien uit, waardoor andere planten op de benedenetage nauwelijks kansen krijgen. Behalve dan de Amerikaanse vogelkers, nog een exoot die men een eeuw geleden als vulhout in onze bossen heeft aangeplant. Dat is pas een echte pest, ook die moeten eruit”.

We laten Peter en Dominique achter. Marc heeft een programma voor ons in petto. In zijn broekzak zit een opgevouwen A4’tje, recto verso vol trefwoorden die verwijzen naar de vele besognes van zijn vak. Bosarbeiders aansturen, beheersplannen opstellen, de balans tussen natuur, recreatie en exploitatie bewaken, overleggen met gemeenten en terreineigenaars, openbare verkopen van hout organiseren, erop toezien dat de winnende bieder de bospaden met zijn machines niet in de prak rijdt. Teveel om op te noemen, wisten we trouwens dat hij in Bertem zelf een speelbos heeft ontworpen dat naar de Reviaanse naam Het Vossenhol luistert? We stoppen bij een bareel aan de ingang van het 650 hectaren metende Heverleebos. Zijn domein, net als het aangrenzende 1.400 hectaren grote Meerdaalwoud. Er hangt een bordje: raak geen reekalfje aan. Communicatie met het publiek, nog een kerntaak van de boswachter. Het is een manier om klachten door onwetendheid te voorkomen, al blijft het Idéfix-complex een hardnekkig verschijnsel. Heel wat wandelaars reageren zoals het hondje van Obelix dat dieptreurig jankt wanneer in Gallië een boom sneuvelt. “Mensen zijn boos omdat we bomen kappen”, zucht Marc. “Jullie maken het bos kapot, verwijten ze onze arbeiders. Dan moeten wij het gaan uitleggen. Dat we niet willekeurig rooien, en dat hun bos er op termijn alleen maar mooier door zal worden”.

Karel Flipkens, boswachter in Ophovenderheide. 'Voor de cultuur moet je hier niet zijn' (Frederik Buyckx)

Karel Flipkens, boswachter in Ophovenderheide. ‘Voor de cultuur moet je hier niet zijn’ (Frederik Buyckx)

eenzaamheid

Vroeger was het de regel: de boswachter woonde in zijn bos. Intussen zijn boswachters met een dienstwoning een uitstervend ras geworden. In Limburg, bosrijkste provincie van Vlaanderen, zijn er nog drie. “Ik ben hier tien jaar geleden na mijn echtscheiding ingetrokken”, zeg Karel Flipkens (53). “Het heeft voor en nadelen. Je moet niet pendelen, maar je zit wel constant met je neus op je werk”. Zijn kantoor ligt vlakbij, in een wat groter gebouw dat ook als uitvalsbasis voor zijn zes bosarbeiders dient. Samen beheren ze Ophovenderheide, een lap van 1.000 hectaren bossen en vennen die zich over Gruitrode-Meeuwen, Opglabbeek, Maaseik en Bree uitstrekt. “Aangeplant voor de mijnbouw”, vertelt Karel. “Daarom zie je hier vooral naaldbomen. Die groeiden snel, ze werden gekapt zodra ze de juiste doorsnede hadden om er timmerhout van te maken. We zijn het bos nu volop aan het transformeren, het moet een gezonde mix van loof- en naaldbomen worden. Eeuwenoude beuken of eiken ga je hier dus niet vinden, dat wordt iets voor mijn opvolgers”.

Hij neemt ons mee naar het ven. Geen auto of industrieel geluid te horen, alleen het tsjirpen van veldkrekels. “’’s Morgens zie je hier vaak reeën”, zegt hij. “Nieuwsgierige dieren, als je deur openlaat, komen ze in de keuken. Straks zal ik jullie de beelden van mijn cameraval tonen. Die is eigenlijk bedoeld om de everzwijnenpopulatie te controleren, maar ook reeën, vossen en bosmarters lopen al eens voor de lens”. Een lijk heeft hij nooit ontdekt, in tegenstelling tot die ene collega die tijdens het schalmen een verdwaalde bal wegtrapte en vaststelde dat het om een schedel ging. Stropers heeft hij wel al betrapt, en sluikstorters zijn een echte plaag. “We hebben nog altijd de bevoegdheid om een proces-verbaal opstellen”, zegt Karel. “Vroeger straalden we die  autoriteit ook uit, maar sinds de jongste hervorming dragen we geen pistool meer. Ik mis ons oude uniform wel eens, we dragen nu dezelfde sweater als de kantoormedewerkers van het Agentschap”.

nieuwsgierige ree voor de cameraval. (Foto Frederik Buyckx)

nieuwsgierige ree voor de cameraval. (Foto Frederik Buyckx)

Twee ganzen vliegen klapwiekend op uit het ven. De bomen rondom zijn gerooid, een maatregel om slibvorming te voorkomen. Karel klimt op een heuveltje en overschouwt zijn domein. Voelt hij zich nooit eenzaam? Hij lacht. “Bij mijn benoeming werd die vraag uitdrukkelijk gesteld: kun je tegen eenzaamheid en stilte? Ja dus”. Na zijn pensioen moet hij verhuizen. “Misschien wel naar de stad”, komt hij verrassend uit de hoek. “Wie weet wel naar Brussel. Alleszins een plek met wat cultuur, want daarvoor moet je in een bos niet komen wonen”.