Maandelijks archief: juni 2015

200 jaar Waterloo: De Belgische pachters van de Wellingtons

Knack, 10 juni 2015

‘De privileges afschaffen? België is altijd bang geweest voor een diplomatieke rel met de Engelsen’

200 jaar na de Slag van Waterloo is ook het laatste achterhoedegevecht gestreden. De dotatie van 1.083 hectaren landbouwgrond in Waals-Brabant, geschonken door de Nederlandse koning Willem I aan de hertog van Wellington, blijft buiten schot. Tot grote vreugde van de Belgische pachters. Nergens is het beter boeren dan hij den Duc.

 

Broers De Paepe, enthousiaste pachters van de Hertog van Wellington (foto: Steven Richardson)

Broers De Paepe, enthousiaste pachters van de Hertog van Wellington (foto: Steven Richardson)

Bos-de-Nivelles, een gehucht op de grens van Waals-Brabant en Henegouwen. De avondzon werpt een warme gloed over een glooiend tapijt van akkers en weilanden. “Allemaal van de hertog”, zegt Geert De Paepe. “Behalve de grond waar die windmolens staan. Ze hebben het hem nochtans aangeboden. Had hij toegehapt, dan stonden ze nu op onze pacht. Maar de oude hertog wilde er niet van weten, ook al kon hij er net als wijzelf wat aan verdienen. Hij had nogal uitgesproken ideeën over landbouw en plattelandsontwikkeling, en windmolens pasten daar niet in”.

Mark en Jan De Paepe zijn erbij gekomen. Drie broers, twee bedrijven. Geert combineert veeteelt en akkerbouw met aardbeien. Mark en Jan kweken op het ouderlijke bedrijf varkens en verbouwen onder meer appels en aardbeien. Ze spreken nog ‘Vlaams’ onder elkaar, thuis geleerd van hun ouders die zoals vele boeren na de oorlog de taalgrens overstaken op zoek naar grond. Achteraf bekeken was het een gouden zet: ze konden een bedrijf overnemen, gelegen in wat in deze uithoek van Waals Brabant bekend staat als la dotation des Wellington.

Slag van Waterloo

Op oudejaarsavond, 31 december 2014, blies de 99-jarige Arthur Valerian Wellesley, achtste hertog van Wellington, zijn laatste adem uit. Volgens het ongeschreven gewoonterecht van de Britse adel gingen zijn titels over op zijn eerstgeboren zoon, de thans 67-jarige Arthur Charles Wellesley die in afwachting als Markies van Douro door het leven was gegaan. Als upgrade in de Europese aristocratie kon het tellen. Behalve Duke of Wellington mag Charles Wellesley zich voortaan ook Hertog van Ciudad Rodrigo, Hertog van Victoria en Graaf van Vimeira noemen. Maar vooral: als hertog van Wellington werd hij volautomatisch tot Prins van Waterloo verheven.

De Wellingtons zijn na de Windsors misschien wel de bekendste dynastie van het Verenigd Koninkrijk. Hun discretie is even legendarisch als hun reputatie. The Daily Telegraph was dan ook geen beetje trots toen ze de pas gepromoveerde hertog bereid vonden terug te blikken op het lange leven van zijn voorganger en verwekker. Hoe sneu het niet was dat zijn vader de geest had gegeven, luttele maanden voor de 200ste verjaardag van de Slag van Waterloo, het evenement waar hij op zijn oude dag reikhalzend naar had uitgekeken. Een verplaatsing naar Waterloo was wellicht te hoog gegrepen, maar de viering in de Saint Pauls Cathedral, misschien wel in aanwezigheid van koningin en huisvriendin Elisabeth, had hij onder geen beding willen missen.

Zeggen dat het voor de Wellingtons allemaal in Waterloo begon, zou de waarheid geweld aandoen. De in Dublin geboren veldmaarschalk en politicus Arthur Wellesley had al lang voor 1815 zijn sporen verdiend, onder meer tijdens de Iberische Onafhankelijkheidsoorlog. Maar onsterfelijke roem vergaarde hij pas op 18 juni 1815, toen hij als opperbevelhebber van de Britse en Nederlandse troepen op het slagveld in de rand van het Zoniënwoud Napoleon Bonaparte en zijn Grande Armée een beslissende nederlaag toebracht. Drie weken na de veldslag nam Willem van Oranje-Nassau zijn pen ter hand om in krullende Franse volzinnen de dankbaarheid van het volk der Verenigde Nederlanden met een ad hoc verzonnen titel uit te drukken. Prins van Waterloo, erfelijk in mannelijke lijn volgens het eerstgeboreneprincipe. Willem I liet het niet bij een symbolisch gebaar. Om de nieuwbakken prins in staat te stellen zijn stand op te houden, werd aan de titel een dotatie gekoppeld: 1.083 hectaren bosgrond, verspreid over de gemeenten Nijvel, Obaix, Thines, Baisy-Thy, Vieux Genappes en Frasnes. Er is geen overlapping met het slagveld, nochtans een populair misverstand. De dotatie werd integraal geput uit de zogenaamde nationale goederen, gronden van kloosters en abdijen die tijdens de Franse revolutie werden verbeurd verklaard en na de Franse periode in handen van de overheid vielen.

Generaal Blücher

“Prins van Waterloo is dus een Nederlandse titel”, zegt Yves Vander Cruysen.  “Maar na de onafhankelijkheid heeft België als opvolgstaat de titel met de bijbehorende rechten overgenomen, zoals trouwens vermeld in het Verdrag van Londen van 1839 dat de Belgische onafhankelijkheid definitief bevestigde. Niet alle Belgische revolutionairen waren daar blij mee, maar het was niet het moment voor een klein en jong landje om de machtige Britten in de gordijnen te jagen”. Vander Cruysen, eerste schepen in Waterloo, weet waarover hij spreekt. De oud-journalist schreef met ‘Waterloo démythifié, een van de stilaan ontelbare naslagwerken over de beroemdste veldslag uit de krijgsgeschiedenis. De dotatie van de Wellingtons ontsnapte niet aan zijn aandacht. “Het gaat om een majorat, een zelden gebruikte juridische constructie. De Belgische staat blijft naakte eigenaar van de gronden, maar de Wellingtons genieten voor onbepaalde tijd het vruchtgebruik. Ze mogen de gronden onder geen beding verkopen, maar wel exploiteren of verpachten”.

Willem I was niet eenkennig. Ook de Pruisische generaal Blücher, die met zijn tussenkomst de slag van Waterloo in het voordeel van de geallieerden beslechtte, kreeg in 1815 een hoge ridderorde plus een erfelijke dotatie op Nederlands grondgebied. De Blüchers echter zijn hun landerijen al lang kwijt, een represaille na de Duitse invasie in mei 1940. Zo ging het in heel Europa met soortgelijke dotaties. Revoluties, regimewissels, uiteenvallende en opvolgende staten, in de loop der jaren werden de relicten van het ancien regime een na een afgeschaft. Zo verloren ook de Wellingtons hun landerijen in Spanje en Portugal. Hun dotatie in Waals Brabant zou echter alle historische schokgolven doorstaan, van de Belgische omwenteling over twee wereldoorlogen tot het algemeen enkelvoudig stemrecht. Tot op heden, twee eeuwen na de Slag van Waterloo, verpacht de Britse hertog er een dikke duizend hectaren landbouwgrond. Landbouwgrond, inderdaad, want de eerste hertog van Wellington/prins van Waterloo bleef niet bij de pakken zitten. Hij liet de bossen op zijn dotatie rooien, wat overigens aanleiding gaf tot het ontstaan van een nieuwe bron van inkomsten. “Het kappen van de bossen behoorde niet tot het gewone vruchtgebruik”, legt Vander Cruysen uit. “Wellington heeft daar in 1817 een akkoord met de Nederlandse thesaurie over gesloten: de opbrengst van de houtverkoop werd geruild voor een staatsobligatie die hem een jaarlijkse rente opleverde. Ook dat akkoord werd door België overgenomen”.

Rassemblement Wallon

In 1988 sloot toenmalig minister van financiën Philippe Maystadt (CdH) een deal met de 8ste hertog van Wellington. België kocht de eeuwigdurende renteverplichting, bepaald op 100.000 Bef (2.500 euro) per jaar, terug. In ruil kreeg de hertog 25 hectaren van zijn eigen dotatie in volle eigendom, met mogelijkheid tot verkoop. Naar eigen zeggen wilde de hertog daarmee komaf maken met het gezeur over zijn adellijke voorrechten dat bij tijd en wijle in de Waalse politieke middens opsteeg. Vooral Jean-Emile Humblet, jurist en econoom, professor in Mons, senator voor het Rassemblement Wallon, heeft onvermoeibaar geijverd voor de afschaffing van die privileges. De deal van Maystadt vond in zijn ogen geen genade. Afkopen van de jaarlijkse rente? Nergens voor nodig, oordeelde Humblet die in 200O met enkele gelijkgezinden naar de rechtbank stapte om de hele dotatie ongeldig te laten verklaren. Volgens het verzoekschrift was het koppelen van privileges aan een adellijke titel een anakronisme uit het ancien regime, en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Humblet, die in 2001 een boek over de affaire publiceerde, schatte de tot dan toe gecumuleerde winst van de Wellingtons op ruim 50 miljoen euro. Zijn vordering werd echter afgewezen, en de ironie wil dat flamboyante activist in december op 94-jarige leeftijd stierf, drie weken voor zijn ook al hoogbejaarde opponent.

Humblet was een linkse Wallingant  met rattachistische sympathieën, een milieu waar de nederlaag van Napoleon in Waterloo en de scheiding van het Franse moederland nog altijd openlijk wordt betreurd. Maar de dotatie werd ook vanuit andere hoeken in vraag gesteld. Een opvallende criticaster was graaf Yves du Monceau de Bergendal, burgemeester van Ottignies-Louvain-La-Neuve, PSC-senator en kamerlid voor Waals Brabant, tevens medestichter van warenhuisketen GIB. Als parlementslid bewoog hij hemel en aarde om de dotatie onderuit te halen, maar zonder resultaat. “Het was ongezien”, zegt Serge de Meeûs. “Een aristocraat die een andere aristocraat aanvalt. Ach ja, du Monceau was natuurlijke in de eerste plaats een politicus die zich op de kap van de hertog in zijn kieskring wilde profileren”.

Niet dat vastgoedmakelaar Serge de Meeûs ook maar iets tegen aristocraten heeft, voluit heet hij trouwens de Meeûs d’Argenteuil. Deze Belgische graaf beheert de dotatie van de Britse hertog, een besogne die al sinds 1937 door zijn familie wordt waargenomen.  Een interview daarover ziet hij na ruggenspraak met Londen niet zitten. In het licht van de nakende herdenkingsfeesten in Waterloo kunnen de Wellingtons stennis over de dotatie missen als kiespijn, geeft hij tussen neus en lippen toe. De hertog wordt immers een van de eregasten, zijn geplande handdruk met de nazaten van Napoleon en Blücher belooft een symbolisch hoogtepunt van Europese verzoening te worden. Het mag trouwens worden gezegd: de Wellingtons hebben zwaar gelobbyd en bij wijlen ook stevig gedokt om de nagedachtenis aan de veldslag te vrijwaren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden plannen gesmeed om de Brusselse Ring zuidwaarts door te trekken, dwars doorheen het slagveld van Waterloo. Dat het plan mislukte, is mede aan het vastberaden verzet van de achtste hertog van Wellington te danken.

zware successierechten

Een ding wil graaf  de Meeûs wel kwijt. “Het gestook tegen de Wellingtons is zinloos. De dotatie is perfect legaal”. Dat is ook wat Didier Reynders als minister van financiën in 2009 antwoordde op een parlementaire vraag van Vlaams Belanger Bruno Stevenheydens. Het extreemrechtse kamerlid had nochtans een dijk van een argument geleend bij de extreemlinkse Jean-Emile Humblet: sinds 1815 werden de opvolgingsregels al drie keer met de voeten getreden. Een blik op de stamboom van de Wellingtons volstaat om zich daarvan te vergewissen. De derde, vierde en zevende hertog waren respectievelijk neef, broer en oom van hun voorganger. Geen opvolging van vader op oudste zoon dus, zoals Willem I het in 1815 uitdrukkelijk had bepaald. Heeft België tot drie keer toe de kans gemist om de prinselijke titel met de bijbehorende dotatie te annuleren? Reynders poneert in zijn antwoord op de parlementaire vraag dat de strikte interpretatie van de erfopvolging foutief is, zonder evenwel argumenten aan te dragen. Maar misschien ligt de echte verklaring buiten de juridische arena. “België is altijd bang geweest voor een diplomatieke rel met de Engelsen”, hoorden we van verschillende bronnen.

Yves Vander Cruysen vindt de controverse vooral kouwe drukte. “Het is helemaal niet zo dat de Wellingtons op de Belgische schatkist teren. De door Humblet geciteerde opbrengsten zijn compleet uit de lucht gegrepen. De dotatie brengt jaarlijks 125.000 euro op, een bedrag waarop de hertog netjes belastingen betaalt. In feite doet de Belgische schatkist een goede zaak, want bij iedere erfopvolging worden ook nog zware successierechten geheven. Vraag maar eens aan de pachters wat ze van de dotatie denken. De boeren zijn de grootste supporters van de Wellingtons”.

De broers De Paepe willen het graag beamen. “Het is niet dat we bij de duc minder betalen dan normaal”, zegt Marc. “De pachttarieven worden per provincie door een officiële commissie vastgesteld. De hertog rekent een dubbel maximumtarief aan, dat mag omdat hij met langdurige contracten werkt. We pachten telkens voor 27 jaar, een onbetaalbare luxe. Ga maar eens vragen bij boeren buiten de dotatie. Landbouwgrond is peperduur, er gaan voortdurend gronden verloren aan industrie of verkavelingen. Eigenaars geven geen langdurige contracten, ze grijpen iedere kans om meer uit hun grond te slaan. Kleine bedrijven worden eruit geduwd. Als er ergens een paar hectaren vrij komen, dan worden die door grote agrobedrijven ingepikt. Van die stress hebben wij geen last. De hertog kan of mag zijn grond niet verkopen of verkavelen. Als je in de dotatie zit, ben je zeker dat je niet van de ene op de andere dag de helft van je areaal verliest. Zonder de hertog zou het hier nu heel anders uitzien. Wat verderop ligt de industriezone Nivelles Sud. De gemeente zou die willen uitbreiden, maar de plannen botsten letterlijk op de grenzen van de dotatie”.

Voor studenten notariaat is het een interessante case. De boerderij, loodsen, en installaties zijn eigendom van de boer. De grond eronder valt onder een erfpacht van 99 jaar, de cultluurgronden onder een gewone pacht van 27 jaar. Een tachtigtal boeren geniet van dit unieke regime. De meesten bewerken maar een paar hectaren, de broers De Paepe behoren tot het selecte kransje grote pachters wier bedrijf grotendeels of zelfs integraal binnen het hertogelijke domein valt. Het is een gesloten club. Als een bedrijf stopt, krijgen boeren uit de dotatie voorrang om tegen elkaar op te bieden. “Zo heb ik 27 jaar geleden dit bedrijf overgenomen”, zegt Geert. “Er waren nog drie kandidaten uit de dotatie. Ik heb het gehaald, ook omdat ik altijd al de chouchou van de duc ben geweest”.

zuinig maar correct

Dat zou best kunnen. De hertog beperkt zijn rol als landheer niet tot het natellen van zijn pachtwinsten. Gemiddeld om de twee jaar brengt hij een bezoek aan Waals Brabant, een expeditie waarbij de aandacht wordt verdeeld over de voorvaderlijke monumenten in Waterloo en de prinselijke landerijen in en om Nijvel. “Het is de Meeûs die alles organiseert”, vertelt Geert. “Hij heeft thuis een extra paar rubberlaarzen staan, die trekt de hertog aan als ze samen de boer op gaan. Gewoonlijk pikken ze er twee of drie bedrijven uit. Als kind heb ik de oude hertog bij mijn ouders weten passeren, maar de voorbije jaren was het altijd de zoon, de markies die nu pas hertog is geworden”. De broers zijn het roerend eens: Charles Wellesley, gewezen Europarlementslid voor de Tories, bestuurder van beursgenoteerde vennootschappen, komt als een beslagen man op het boerenerf. “Hij heeft echt verstand van de stiel”, zegt Geert. “Koeien interesseren hem niet, maar over serreteelt of boerenmarkten wil hij alles weten. Hij spreekt Frans, maar met een zwaar accent. Een vriendelijke man, maar het moet vooruitgaan. Gewoonlijk nodigt de Meeûs bij zo’n bezoek nog een paar andere grote pachters uit, dat werkt efficiënter. Bij ons is de markies een jaar of tien geleden voor het laatst gepasseerd. Ik zal het tafereel nooit vergeten. Toen we hem na de rondleiding voor de koffie binnenriepen en hij zijn laarzen uittrok, bleken zijn sokken vol pluis te zitten. Mijn vrouw heeft hem een paar van mijn sokken gegeven, de oude nam hij mee in een plastiekzak. Twee weken later ontvingen we een pakje uit Engeland, met mijn sokken erin. Zuinig maar correct, zo zijn ze wel”.

En gesteld op tradities, ook dat. Bij decimale verjaardagen of andere plechtigheden ten huize Wellington werden de pachters door graaf de Meeûs aangespoord om hun betrokkenheid met een passend gebaar te manifesteren. Ook bij de begrafenis van Arthur Valerian Wellesley begin januari werd namens de Belgische pachters een bloemenkrans afgeleverd. De broers De Paepe herinneren zich hoe hun ouders zich opdirkten voor de feestjes die ter ere van de hertog op het familiekasteel van de Meeûs in Lillois werden gegeven. Een van de mooiste geplogenheden is helaas verwaterd. Tot kort voor de eeuwwende was het usance dat de hertog zijn Belgische pachters om de twee, drie jaar op zijn kasteel in Stratfield Saye in Hampshire uitnodigde. Christian Fayt, met een goeie 100 hectaren de grootste dotatiepachter, was er met zijn ouders bij. “Voor de 80ste verjaardag van de hertog”, vertelt de Nijvelse boer aan de telefoon. “We vertrokken met een volle bus, boeren met hun vrouwen. Drie dagen zijn we ginder gebleven. Er was een ontvangst op het kasteel en een rondleiding op het domein. We bezochten ook pachthoven, want de Wellingtons hebben ook in Engeland veel grond liggen. Voor vele boeren was het hun allereerste buitenlandse vakantie”.

De broers De Paepe zijn nooit in Stratfield geraakt, maar hun vader was er wel bij. Wat hij erover vertelde? “Niet veel”, zegt Jan. “Maar dat ligt aan onze pa, een man van weinig woorden”. Misschien krijgen ze nog wel de gelegenheid om zelf te gaan kijken. De kans dat de dotatie snel wordt afgeschaft, is immers klein. “Dat kan alleen als er geen mannelijke erfopvolger meer is”, zegt Geert. “Op dat punt moeten we ons geen zorgen maken. De nieuwe hertog heeft een zoon en een kleinzoon, de toekomst is verzekerd”.

Slachting zonder bloedvergieten: reenactors spelen Waterloo na

 De Standaard 17 juli 2015

Reenactment? Geschilderde figuranten die tot leven werden gewekt maar nog stram staan van de vernis.

5000 figuranten en 300 paarden doen vrijdag en zaterdag  de Slag van Waterloo over. Onze verslaggever maakte in Ligny de generale repetitie mee. ‘Reenactment is een passie, al mijn vrije gaat eraan op’

Slag bij Ligny bis, zonder afgerukte ledematen (foto: Brecht Van Maele)

Slag bij Ligny bis, zonder afgerukte ledematen (foto: Brecht Van Maele)

Ligny, een gat in Namen. Waar de klaprozen bloeien, vallen de soldaten als vliegen. Ook in Wallonië, meer bepaald in het korenveld langs de rue du Bois du Loup. Rookpluimen stijgen ten hemel, we horen kanonnen bulderen en silexgeweren snerpen. Het is half elf, dit is nog maar het voorspel van wat tot een bloederige veldslag zal escaleren. Ook al schieten ze met losse flodders, toch valt al een slachtoffer te betreuren. Benny Degeest, officier in het 14de regiment huzaren van Napoleon, is uit zijn rol gevallen.  ‘Stom’, foetert hij. ‘Vanmorgen bleek dat ze me een zesjarige Engelse volbloed als huurpaard hadden gegeven. Niet in te tomen, ook al heb ik vijf jaar Spaanse rijschool gevolgd. Hij begon meteen te bokken en te stampen. Gevaarlijk voor het publiek, en een slecht voorbeeld voor de andere paarden. Er zat niets anders op dan af te stappen en het slagveld te verlaten. Doodzonde, want ik had een geweldige rol als verbindingsofficier, de liaison tussen Napoleon en generaal Pelet’.

Rusland

Hij heeft zijn paard ingeleverd, met de assistentie van een bevriende dragonder. Op de terugweg naar het slagveld, voortdurend onderbroken door selfiejagers, licht Benny zijn keuze toe. ‘Ik kom uit Tienen, destijds Frans gebied. In de Grande Armée zaten heel wat conscrits uit Tirlemont. Maar ik ben ook gefascineerd door het militaire genie en de historische betekenis van Napoleon. Wist je dat ons hele burgerlijk rechtssysteem nog altijd op de code Napoléon is gebaseerd?’.  Van een ambtenaar bij de FOD justitie nemen we dat graag aan, ook als hij op de ICT-dienst werkt. Benny is overigens eerlijk genoeg om nog een zwaarwegend motief te bekennen. ‘De Fransen hebben mooiere uniformen dan de geallieerden. Bij de Pruisen is het armoe troef. Een grijs kostuum met een petje, veel wilder wordt het daar niet’. Dat moet je hem zien: goudbrokaten sluitingen en officiersstrepen op scharlakenrood, kraag en mouwomslagen in koningsblauw, alleen al zijn jasje is om te stelen. Zijn spectaculaire hoofddeksel? ‘Een kolbak’, preciseert hij. ‘Gemaakt van echt berenbont, recyclage van een pelsmantel. Ik maak zoveel mogelijk zelf, want uniformen zijn peperduur. Bij de cavalerie zit je in de handel gauw aan 7.000 euro, zonder zadel en beslag’. Benny draait intussen zo’n 15 jaar mee in keizerlijke dienst. “Het is een passie, al mijn verlof en vrije tijd gaan eraan op. Ik heb al in heel Europa aan reenactments  meegedaan. Alleen voor Rusland pas ik, je moet ergens een lijn trekken’.

Benny Degeest, had liason van Napoleon kunnen zijn (foto: Brecht van Maele)

Benny Degeest, had liason van Napoleon kunnen zijn (foto: Brecht van Maele)

witte schimmel

De slag bij Ligny was een hecatombe, zo vertelt een dramatische luidsprekerstem.  Akkers bezaaid met lijken en afgerukte ledematen, het hele dorp in lichterlaaie. Niks overdreven, want het heeft hier op 16 juni 1815 gestoven. 12.000 Pruisen bleven dood of gewond achter, aan Franse zijde was de tol nauwelijks lager. De slag zou de geschiedenis ingaan als de laatste overwinning van Napoleon, twee dagen voor zijn ondergang in Waterloo. Zijn reïncarnatie, fier gezeten op een witte schimmel, oogst luid applaus bij het massaal opgekomen publiek. Dit is Wallonië: was het een potje voetbal, dan speelden de Fransen een thuismatch. Het bloedstollende relaas van de omroeper contrasteert nogal met het makke vertoon. Nu en dan zien we twee groepjes uniformen langzaam door het kniehoge koren naar elkaar toe schuifelen. Aanleggen, schieten, het levert alleen rook en lawaai op. Niemand zijgt ter aarde, laat staan dat er bloed of gekerm aan te pas komt. Alleen de cavalerie houdt enigszins de schijn op. Af en toe wordt er met getrokken sabel gechargeerd, de strijdkreet jooha is niet van de lucht. Reenactment? Geschilderde figuranten die tot leven werden gewekt maar nog stram staan van de vernis. Een tableau vivant met veel figuranten: 1.500 plus 100 paarden, dinsdag verhuizen ze met zijn allen naar Waterloo waar liefst 5000 reenactors en 300 paarden aan de bak gaan.

bestorming van de Bastille

Half twee, de inwendige mens roept, de slag wordt afgeblazen. Peloton na peloton trekt door het dorp. Netjes in de pas, klaroenspeler voor, trommelaars achter. Kurassiers, dragonders, huzaren, grenadiers, infanteristen en artilleristen, je moet al een kenner zijn om Frans van Pruis te onderscheiden. Aan beide kanten veel vrouwen, ook bij de cavalerie en de kanonniers. De zon is vandaag de gemeenschappelijke vijand, alleen al de gedachte aan een uniform doet het zweet uitbreken. Toch denkt Gerd Hoad er niet aan zijn jasje uit te trekken. We treffen de 54-jarige Brit uit Kenton-Londen bij een worstenkraam achter het lokale museum, voor de gelegenheid omgetoverd in een braderij met een onwaarschijnlijke variatie aan Napoleon-parafernalia. ‘Een echte reenactor draagt zijn volledige uniform als hij het bivak verlaat’, zegt Gerd. ‘Zie je die kerels daar in hun hemdsmouwen? Dat hoort echt niet’. Zeggen dat hij reenactment ernstig neemt, is een understatement. Al 27 jaar is Gerd bij de 9ième régiment d’infantérie légère, bijgenaamd ‘les incomparables’. We hebben het hem drie keer moeten vragen, want het klinkt nog altijd alsof hij een hete aardappel in de mond heeft. Wat moet een Brit ook bij Bonaparte? Had hij niet voor Wellington moeten kiezen? ‘Ben je gek’, zegt hij gespeeld verontwaardigd. ‘Aan wie hebben we onze vrijheid en democratie te danken? Aan wie het ideaal van een verenigd Europa? Leve Napoleon en leve de Franse revolutie! Ik ben niet voor niks in 1988 begonnen, tweehonderd jaar na de bestorming van de Bastille”. Zestig incomparables uit acht verschillende landen zijn naar Ligny afgezakt, in Waterloo komen er nog dertig bij. Vrienden voor het leven, ze hebben samen veldslagen in Spanje, Oostenrijk, Duitsland, Italië en Frankrijk doorstaan. ‘Waterloo wordt emotioneel’, zegt Gerd. ‘Het einde van Napoleon, en meteen ook het eindpunt voor onze club. Begin oktober komen we nog een laatste keer samen in Carcassonne, om de ontbinding van le 9ième te herdenken’.

reeactors, even beweeglijk als figuranten uit een schilderij (foto: Brecht Van Maele)

reeactors, even beweeglijk als figuranten uit een schilderij (foto: Brecht Van Maele)

Europese gedachte

Gehoord van verschillende reenactors: de veldslagen zijn misschien wat saai, maar het bivak maakt alles goed. Het ziet er inderdaad gezellig uit, een camping zonder auto’s of caravans, met linnen tenten en primitief kookgerei. Vrouwen spelen hier bij voorkeur  de rol van vivandières. Wasvrouwen, drankverkoopsters, ze hoorden bij de negentiende-eeuwse legers, net als de prostitués die vandaag schitteren door afwezigheid. Terwijl op het houtvuur een pan spek en een stoofpot pruttelen, is Thorsten Morgendahl zijn geweer aan het poetsen. Aan de bretellen op zijn blote bast valt het niet af te lezen, maar we zijn te gast bij The King’s German Legion. ‘Een Duitse eenheid binnen het Britse leger’, legt hij uit. ‘Komt door de personele unie tussen het Britse koningshuis en het keurvorstendom Hannover, maar dat is een lang verhaal’. Thorsten, manager van beroep, is al 20 jaar reenactor. ‘In Duitsland heb je twee opties. Je kunt middeleeuwer spelen, compleet met zwaardgevechten. Leuk, maar ik vind maliënkolders met ritsen nogal fake. De beleving van de Napoleontische periode is veel authentieker. Het geeft ook een goed gevoel, Duitsers, Engelsen en Fransen samen op bivak. Gezworen vijanden die verbroederen, goed voor de Europese gedachte”.

Thorsten Morgendahl doet het ook voor de Europese gedachte (foto: Brech Van Maele)

Thorsten Morgendahl doet het ook voor de Europese gedachte (foto: Brech Van Maele)

Amerikaanse burgeroorlog

Daar hebben Chuck en Judy Young wellicht geen boodschap aan. Het Amerikaans koppel is voor de gelegenheid bij de Pruisische Landsturm ingelijfd. ‘Maar thuis doen we ook andere periodes’, zegt Chuck. ‘De Romeinen, de Amerikaanse burgeroorlog, zelfs WOII. We hebben onze eigen tank, een Duitse Stug III van 20 ton. Mijn vrouw rijdt, ik bedien het kanon’. Het was voor de Youngs gisteren een prettig weerzien met Bill Lincoln, een van de vele Australiërs die voor het eeuwfeest naar België is komen vliegen. Plannen om vijftig paarden van down under mee te brengen, botsten in Waterloo op een veterinair veto. Vorig jaar waren de Youngs met Bill in Hoogstraten, ook Leipzig hebben ze samen beleefd. Veel geld? Chuck, managing partner van een munitiefabriek, haalt de schouders op. ‘Tijdsgebrek is een groter probleem. Maar 200 jaar Waterloo, dat had ik voor geen goud ter wereld willen missen’.

 

Kaasoorlog in Herve: hysteria over listeria

De Standaard Weekend, 13 juni 2015

‘Alsof er in mijn kaaskelder ebola loerde’ 

Kaasmaker Joseph Munnix blijft ervan overtuigd: van een beetje listeria gaat een mens niet dood. De voedselinspectie zag dat anders en nam de hele voorraad rauwmelkse Hervekaas in beslag. Kroniek van een bewogen zuiveloorlog.

 

Kaasmaker en boer Munnix gebruikt alleen melk an vertrouwde uiers. (foto: Dieter Telemans)

Kaasmaker en boer Munnix gebruikt alleen melk van vertrouwde uiers. (foto: Dieter Telemans)

Joseph Munnix had zijn pensioenplan helemaal klaar. Eind dit jaar zou hij zijn veestapel verkopen. 38 koeien klinkt weinig indrukwekkend, maar voor een zeventigjarige met een kunstheup werd het toch wat zwaar. Kaas maken daartegen, dat zag hij zichzelf nog wel een poosje doen. Zijn grootouders zijn ermee begonnen toen ze na de oorlog deze eeuwenoude hoeve in Battice bij Herve kochten. Hervekaas van Munnix werd een begrip onder gastronomen. Alleen verkrijgbaar op de boerderij, zelfs vanuit Nederland en Frankrijk kwamen liefhebbers ervoor aanrijden. Munnix was dan ook de op één na laatste kaasmaker die zijn delicatesse volgens het traditionele recept bereidde: met rauwe melk, recht uit de uier van de eigen koeien. “Het had ook zonder eigen beesten gekund”, zegt hij. “Boeren genoeg in de omgeving, ik weet waar ik goede melk kan vinden”. `

Die moeite kan hij zich alvast besparen. Zeker, het bordje langs de rue de Maastricht staat er nog, en aan de muur naast de kelderdeur hangen nog de  A’4’tjes met prijzen. 2 euro voor een kaasje, ook boter, eieren en verse melk zijn verkrijgbaar. Van de eieren zijn we niet zeker, maar voor Hervekaas moet men bij Munnix niet meer aankloppen. De boer krijgt tranen in de ogen als hij tafereel beschrijft dat zich hier vorige vrijdag heeft afgespeeld. Vreemde mannen liepen de smalle keldertrap op en af. De hele voorraad, zo’n 1.500 rijpende kaasjes, het product van weken noeste arbeid, werd afgevoerd naar een wachtende koelwagen. “Ze droegen van die witte pakken”, zegt hij schamper. “Alsof er in mijn kelder ebola loerde”.

Munnix is zijn lege kaaskelder (foto: Dieter Telemans)

Munnix is zijn lege kaaskelder (foto: Dieter Telemans)

besmette worst

Het Gevaar in Munnix kelder droeg een andere naam. Listeria monocytogenes, een bacterie met een reputatie. Bij zwangere vrouwen, zuigelingen en mensen met een zwakke weerstand, kan het beestje een listeriose-infectie veroorzaken, met gevolgen die variëren van onschuldige maagdarmklachten over hersenvliesontsteking tot spontane miskramen. Zuivelproducten op basis van rauwe, niet gepasteuriseerde melk zijn een dankbare biotoop, maar listeria kan ook in groenten en vlees opduiken. Vorig jaar nog stierven twaalf Denen na de consumptie van met listeria besmette worst. Zo’n catastrofe is gelukkig erg uitzonderlijk. In België worden jaarlijkse 70 tot 80 gevallen geregistreerd, in 2013 vielen er vier listeria-doden.

De besmetting kwam na een routinecontrole door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) aan het licht. Op 10 april werd er bewarend beslag gelegd: in afwachting van de tegenexpertise was het Munnix ten strengste verboden nog kaas te verkopen. Hij doet er niet flauw over. Klanten bleven komen, en hij heeft ze niet met lege handen weggestuurd. De inspectie kreeg lucht van de verboden handel en schakelde het parket van Verviers in. Het weerhield de gekrenkte boer er niet van luidkeels te blijven verkondigen dat er met zijn kaas niks mis was. Ook voor camera’s en microfoons, want de zaak escaleerde in Wallonië tot een mediasoap. Producenten van artisanale streekspecialiteiten en adepten van kleinschalige, biologische landbouw sprongen in de bres voor Munnix. Eens te meer was het FAVV de gebeten hond. Het agentschap, zo klonk het verwijt, hanteert door Europa gedicteerde normen die op maat van de voedingsindustrie zijn geschreven. Die ultrastrenge hygiënenormen zijn noodzakelijk in een lange keten, als er tussen productie en consumptie veel tijd verstrijkt door opslag en transport. Ambachtelijke producenten zoals kaasmaker Munnix behoren echter tot de korte keten, ze leveren rechtstreeks aan de verbruiker, thuis of op boerenmarkten. Voor hen zijn industriële normen overdreven en onhaalbaar, niet in de laatste plaats omdat ze loodzware investeringen vergen. Steuncomités schoten uit de grond, een tweetalige Facebook-petitie verzamelde in een mum van tijd duizenden likes. De kaasoorlog beleefde een grimmig hoogtepunt toen een FAVV-inspecteur op 15 mei in opdracht van het parket de kaasvoorraad kwam inventariseren. De poging werd noodgedwongen gestaakt, nadat het erf met een inderhaast opgetrommelde schare Munnix-supporters was volgelopen.

levend product

De kelder met de lege schappen biedt een triest aanblik, het aanpalende atelier is een museum geworden. Er is de kuip waarin hij de melk liet stremmen. De uitlektafel, een ingenieus systeem dat 500 kaasjes tegelijkertijd laat zweten. “Ik maakte twee soorten”, vertelt Munnix terwijl hij het rotatiemechanisme demonstreert. “Herve doux moet zes tot acht weken rijpen. De piquant liet ik drie maanden liggen, die werd ook dubbel gezouten”. Het is hem in zijn lange carrière meermaals overkomen: bij het keren van de uitlektafel steeg een bijtende ammoniakgeur op. “Dan kon je de hele lading bij de varkens gooien. Je hebt daar geen laboratorium voor nodig, je ziet het ook als er iets mis is. Gaten door ontsnappende gassen, korsten met donkere vlekken. Dat gebeurt, zelfs al gebruik je altijd dagverse melk. Vooral op onweerachtige dagen was het oppassen geblazen”.

Ammoniak heeft hij niet geroken toen hij zijn laatste productie liet uitzweten. Allemaal kaasjes met een vaste textuur en een lichte, egale korst, appetijtelijker wordt het niet. Maar er zat dus listeria monocytogenes in, wat ook bleek uit de positieve tegenexpertise. Ontkennen wil hij dan ook niet, relativeren des te meer. “Slechts twee van de vijf geteste kaasjes waren positief. En dan nog, het ging om hoop en al tien kolonies per 25 grammen. Dat is verwaarloosbaar, de Europese norm laat 100 kolonies per gram toe. Maar het FAVV past voor listeria nultolerantie toe. Dat is onrealistisch, met zo’n normen kun je geen rauwmelkse kaas maken. Melk is een levend product, daar horen beestjes bij”. De 70-jarige boer heeft zich ingelezen, en niet alleen op Wikipedia. Rauwe melk is gezond, betoogt hij gloedvol, als ze tenminste vers en deskundig wordt verwerkt en afkomstig is van vertrouwde uiers  Verschillende bacteriën houden elkaar in evenwicht, ze vormen een soort ideale samenleving, de Multiflora die het menselijk immuunsysteem heilzaam prikkelt. Waarom lopen er zoveel kinderen met allergieën rond? Omdat tegenwoordig alles wordt gepasteuriseerd, een procedé waarbij ook kostbare mineralen en andere voedingstoffen verloren gaan.

Joseph Munnix blijft erbij: 'Perfect veilige Hervekaas'. (Foto: Dieter Telemans)

Joseph Munnix blijft erbij: ‘Perfect veilige Hervekaas’. (Foto: Dieter Telemans)

zwangere vrouwen

Het is nog niet zo lang geleden: op iedere boerderij in Herve werd kaas gemaakt. Vanaf de jaren zestig ging het snel achteruit. Intensieve veeteelt viel niet meer te combineren met kaasmaken, ook het aanscherpen van de hygiënenormen deed veel fromageurs afhaken. Aanscherpen? “Voor 1995 werd er helemaal niet gecontroleerd”, zegt Munnix met onverholen heimwee. “Nochtans lag de kwaliteit van de melk toen een stuk lager. Koeltanks en melkinstallaties stonden nog niet op punt, in de veestapel kwamen nog ziektes zoals tbc voor. Neem het van mij aan: de kaas die mijn ouders en grootouders maakten, bevatte veel meer listeria en andere beestjes dan mijn product. Iedereen at ervan, kinderen zowel als zwangere vrouwen. Nooit is er iemand ziek van geworden. Weet u, vier jaar geleden had ik ook prijs bij de FAVV-controle. Toen was er geen discussie, ik zat duidelijk boven de Europese norm en heb de hele lading vernietigd. Maar vooraleer de besmetting werd ontdekt, hadden we hier met zijn allen al stevig van dat lot kaas gegeten. Niemand heeft zelfs maar een krampje gevoeld”. Het doet hem nog altijd deugd: tijdens de kaasoorlog kreeg hij steun van een huisarts uit het naburige Aubel. In zijn 25 jarige carrière had dokter Constant geen enkel geval van listeriose gezien, evenmin kende hij collega’s die ervaring met de ziekte hadden. “Het risicio van listeria wordt zwaar overdreven”, besluit  Munnix.

Veel wil FAVV-woordvoerder Jean-Sébastien Walhin niet kwijt, de zaak is in handen van het parket. Maar het verhaal van de nultolerantie wil hij alvast corrigeren. “Meneer Munnix heeft u verkeerd voorgelicht”, zegt hij wat kregelig. “In de productiefase geldt inderdaad nultolerantie. In de commercialisatiefase daarentegen, wanneer het product in de winkel ligt, tolereren we tot 100 kolonies per gram. In dit dossier is er geen twijfel, de besmetting werd tijdens de productiefase geconstateerd”. Verder moeten we het met stellen met een persbericht waarin het FAVV met klem ontkent dat het artisanale producenten viseert. Dat werd ons door verschillende bronnen binnen het Boerenforum, een koepel van duurzame producenten en lokale voedselteams, bevestigd. Inspecteurs schieten wel eens met een kanon op een mug, maar veeleer uit onwetendheid dan uit slechte wil. Wie goede argumenten heeft, vindt bij FAVV vaak een luisterend oor. Toch werd een zekere willekeur betreurd: veel hangt af van de luim of visie van de dienstdoende inspecteur. En ook hier luidde de voornaamste kritiek dat het wapenarsenaal, de industriële normen, niet geschikt is voor de korte keten. Daarom is fromagerie Munnix ook in Vlaanderen een symbool geworden, al zit er een dubieus kantje aan. Tolerantie voor listeria, geen slogan waarmee ambachtelijke producenten willen uitpakken.

hartproblemen

De 1500 aangeslagen Munnix-kaasjes werden niet vernietigd maar naar een traiteur afgevoerd. Na een kiemdodende verhitting zullen ze als gesmolten kaas tot delicatessen worden verwerkt. “Zo hebben we de pil voor meneer Munnix verguld”, zegt burgemeester en Waals MR-parlementslid Pierre-Yves Jeholet. “Transformeren, dat klinkt beter dan vernietigen”. Het verrassende compromis kwam tot stand tijdens een door hem belegde crisisvergadering. Aan de tafel zaten niet alleen het kamp Munnix en het FAVV, ook Waals minister van landbouw Willu Borsus (MR) tekende present. Er vielen harde woorden, maar Jeholet is opgelucht met resultaat. Behalve het zelfbeeld van de 70-jarige kaasmaker stonden ook het imago en de economie van Herve op het spel. Jeholet: “90 procent van alle Hervekaas is gepasteuriseerd. Ook die wordt hier gemaakt, door de Société Herve die 80 mensen tewerkstelt. De voorbije weken kregen ze ongeruste telefoontjes van buitenlandse verdelers. Wat is dat daar met listeria in Hervekaas? Rauwe of gepasteuriseerde kaas, men begon alles op een hoop te gooien”.

Munnix, die aan de heisa hartproblemen overhield en zeven kilo verloor, heeft de handdoek in de ring gegooid. “Om opnieuw te mogen verkopen zou ik eerst drie listeria-vrije loten moeten produceren. Dat zie ik niet zitten, met de nultolerantie als een zwaard van Damokles boven mijn hoofd” . Voortaan zal hij zijn rauwmelkse Herve bij Madeleine Hanssen moeten kopen, de allerlaatste artisanale producent. Ze heeft pas zwaar geïnvesteerd, de omzetstijging door het ongevraagde monopolie komt niet ongelegen. “Maar het zal niet voor meteen zijn”, zegt Munnix. “Ik heb wat van mijn kaasjes ingevroren. Die gaan we eerst met smaak opeten. Perfect veilig”.