Maandelijks archief: september 2015

Dirk Van den Bulck, de commissaris-generaal die de asielpoort bewaakt

Knack, 16 september 2015

Dirk Van den Bulck, al tien jaar Commissaris-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, weigert van een asielcrisis te spreken. Drukke periodes heeft hij al eerder meegemaakt, maar toch is deze situatie uniek. ‘Het gaat in overgrote meerderheid over mensen die echt nood aan bescherming hebben’. Gesprek met de man die de asielpoort bedient.

 

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Als Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) heeft Dirk Van den Bulck (57) een helikopterzicht op de asielcrisis. Niet alleen figuurlijk. Aan de voet van zijn kantoor 22 hoog in de WTC II-toren ligt het dezer dagen veelbesproken Maximiliaanpark, hij kijkt letterlijk in de potten en pannen van het geïmproviseerde vluchtelingenkamp. Het ziet er in de middagzon haast idyllisch uit, maar hij laat zich niet pramen. Poseren tussen de tenten? In zijn functie geen goed idee. Niet dat hij een bekend gezicht is, maar herkenning zou tot gênante situaties kunnen leiden. Tenslotte belichaamt Van den Bulck de hoop die deze vluchtelingen duizenden kilometers heeft voortgedreven. Het is de Commissaris-Generaal of een van zijn twee adjuncten die persoonlijk met hun handtekening een beschermende status en het perspectief op een nieuw leven verlenen.

-  er wordt al wekenlang aangeschoven bij de Dienst Vreemdelingenzaken, de eerste lijn in de asielprocedure. Kampt ook het CGVS, dat door de DVZ met dossiers wordt gevoed, met capaciteitsproblemen?

Van den Bulck: ‘Het wordt stilaan drukker, maar voorlopig kunnen we de instroom aan. Misschien wordt het nog spannend als de DVZ extra volk krijgt en zijn dagcapaciteit boven de 250 aanvragen uitbreidt. Maar ik heb er vertrouwen in. We hebben goed geanticipeerd door zelf tijdig extra personeel aan te werven en op te leiden’.

vorige maand werden 4.621 asielaanvragen ingediend, drie keer meer dan in augustus 2014. Heeft u deze crisis zien aankomen?

Van den Bulck: ‘Ik was niet verrast, maar het blijft moeilijk een peil te trekken op dit fenomeen. Sinds vorig jaar zien we de globale cijfers in Europa constant stijgen, maar land per land bekeken, krijg je een heel ander beeld. België kende eind vorig jaar een duidelijke terugval, en zelfs in de eerste vier maanden van 2015 lag het aantal aanvragen op een normaal peil. Overigens, ik neem het woord asielcrisis niet graag in de mond, want daarmee wek je de verkeerde indruk dat de toestand onbeheersbaar is. Je moet die 4.621 aanvragen toch even in perspectief plaatsen: Zweden, een land met 9,5 miljoen inwoners, registreert maand na maand rond de 8.000 aanvragen’

- Zweden keurt 80 procent van alle asielaanvragen goed, een Europees record. Verklaart dat de aantrekkingskracht?

Van den Bulck: ‘Zo eenvoudig is het niet, het beschermingspercentage ligt in België trouwens even hoog. Niet globaal, maar wel als je het per herkomstland bekijkt. Syriërs, Irakezen of Somaliërs, om maar die voorbeelden te geven, hebben in België een even grote kans als in Zweden. Percepties spelen altijd een rol. Afghanen worden bij ons vlot erkend, tussen de 60 en 80 procent. Toch zijn het de 20 procent afwijzingen die ons imago bepalen. België is erg restrictief voor Afghanen, wordt door bepaalde advocaten en organisaties rondgestrooid. Dan zag je vorig jaar het aantal Afghaanse aanvragen teruglopen, terwijl het anderzijds steeg in landen die echt restrictief zijn’.

wat maakt landen dan wel aantrekkelijk? Het genereuze onthaal?

Van den Bulck: ‘Ja, en dat mag ons niet verwonderen. Kijk, het is niet de omvang die deze asielstroom uniek maakt, maar wel de historisch hoge beschermingsgraad. Het gaat dus in overgrote meerderheid om echte vluchtelingen, mensen die onder de Conventie van Genève vallen en nood aan asiel hebben. Het is logisch dat die mensen de afweging maken: welk land biedt de beste perspectieven om een nieuw leven op te bouwen? Dan kijken ze naar sociale steun, maar ook naar huisvesting en kansen op werk. De opvang van erkende vluchtelingen is op Europees niveau geharmoniseerd, er zijn internationale verdragen en communautaire richtlijnen die door de lidstaten werden omgezet. In grote lijnen komt het erop neer dat erkende vluchtelingen dezelfde rechten moeten krijgen als onderdanen, wat tussen haakjes gezegd meteen betekent dat pleidooien voor een apart sociaal statuut geen steek houden. Maar hier ligt het paard dus gebonden: er is geen sociaal eengemaakt Europa! Waarom willen asielzoekers zich niet laten registreren in Italië of Griekenland? Omdat ze daar een schamele uitkering krijgen en al na een paar maanden volledig op liefdadigheid terugvallen, net zoals behoeftige Italianen of Grieken. Waarom zou je daar als Syriër voor kiezen terwijl er elders in Europa betere opties zijn? In de praktijk zie je dat vooral Afrikanen zich in Italië laten registreren, goed wetend dat ze in Noord-Europese landen weinig kans op erkenning maken. Ze proberen het dan maar in Italië, ook al omdat daar altijd de hoop op een humanitaire erkenning leeft’.

iedereen heeft de mond vol van Syrische vluchtelingen. Maar de helft van de aanvragen bij de DVZ wordt ingediend door jonge mannen uit de Iraakse hoofdstad Bagdad die allemaal hetzelfde vluchtverhaal vertellen. Wat is er aan de hand?

Van den Bulck: ‘Dat zijn we nog aan het onderzoeken. Het vertellen van een stereotiep verhaal betekent niet per se dat er filières aan het werk zijn. Maar het wijst er wel op dat de betrokkenen geen persoonlijk vluchtmotief hebben, of dat ze alleszins twijfelen aan de overtuigingskracht ervan. Het is een delicate toestand, want anders dan Syrië wordt Irak niet integraal als onveilig beschouwd. Vooral over de situatie in Bagdad heerst momenteel veel onduidelijkheid’.

de Europese Dublin-verordening bepaalt dat een vluchteling  asiel vraagt in het land waar hij de Schengenzone betreedt, wat in deze crisis haast altijd neerkomt op Italië, Griekenland of Hongarije. Is die regel geen papieren tijger geworden?

Van den Bulck: ‘Er is veel kritiek op Dublin, maar men vergeet vaak dat het opzet dubbel is. In de eerste plaats is die verordening er gekomen om het asielshoppen te verhinderen. Dat was een echt fenomeen: asielzoekers die in het ene land werden afgewezen, dienden in het volgende een nieuwe aanvraag in. Zo konden ze jarenlang in Europa rondzwerven, omdat landen elkaars asielbeslissingen niet kenden. Dublin, dat samenhangt met het Eurodac-systeem voor identificatie van asielzoekers, heeft daar heel efficiënt paal en perk aan gesteld. Maar ik geef toe dat er een probleem is met het tweede objectief, het bepalen welk land bevoegd is voor het asielonderzoek. Dat blijkt weinig efficiënt, de massale instroom via transitlanden aan de buitengrenzen van de Schengenzone maakt een consequente toepassing onmogelijk. Dat besef leeft, Duitsland stuurt al een hele poos geen Syriërs meer terug naar Griekenland, zelfs niet als ze daar werden geregistreerd’.

Europa reageert veel te traag en hopeloos verdeeld. Deelt u die veelgehoorde kritiek?

Van den Bulck: ‘Traag? Als je weet hoe complex de Europese besluitvorming werkt, dan was het eerste spreidingsplan van commissievoorzitter Juncker eind mei een staaltje van daadkracht. Een goed plan overigens met een sterke visie, kwaliteiten die vorige week ook in zijn state of the union zaten. Het recht op asiel blijft centraal staan, iedere lidstaat moet zijn verantwoordelijkheid nemen met respect voor alle Europese regels. Tegelijkertijd zorgt het verplicht spreiden van 160.000 vluchtelingen voor de nodige solidariteit. Bij die spreiding hoort een effectief terugkeerbeleid voor afgewezen asielzoekers, en filières worden aangepakt. Maar het plan gaat veel breder. Juncker wil veel meer inzetten op protection in the region:  vluchtelingen dicht bij hun herkomstlanden opvangen, en tegelijkertijd aan selectieve hervestiging doen, door kwetsbare groepen naar Europa over te brengen. Dat gebeurt nu al, in samenwerking met de UNHCR. België vangt dit jaar Syriërs op die uit Libanon worden overgevlogen. Een druppel op een hete plaat? Ja, maar vijf jaar geleden zou het ondenkbaar geweest zijn. En het is maar een begin. Bij UNHCR liggen plannen klaar voor de wereldwijde resettlement van 130.000 Syrische vluchtelingen’.

allemaal sneller gezegd dan gedaan. Het huis staat in de fik, maar Europa is nog volop aan het discussiëren over de manier van blussen en het materiaal dat daarvoor moet worden aangekocht..

Van den Bulcke: ‘Europa moet vijf versnellingen hoger schakelen, dat klopt.  Alleen al om het spreidingsplan te realiseren, moeten er aan de grenzen in Griekenland, Italië en Hongarije hotspots komen, centra waar vluchtelingen worden geregistreerd, opgevangen en geselecteerd voor relocatie. Dat moet allemaal nog gebeuren, en intussen is het de maar vraag of het plan zal worden goedgekeurd. De interne verdeeldheid, en dan vooral de tegenstellingen tussen Oost- en West-Europa, is een kwalijke zaak. Toch steekt het mij dat het Europese asielbeleid wordt verguisd. Op politiek vlak loopt de samenwerking stroef, maar juridisch en administratief hebben we de voorbije jaren enorme stappen gezet naar een uniform asielbeleid. EASO, het Europees asielagentschap waar ik al vijf jaar in het bestuur zit, is de motor. We hebben een glashelder kader van rechten en plichten voor erkenning en opvang. Lidstaten kunnen zich op dat vlak geen frivoliteiten meer veroorloven, anders worden ze door nationale of Europese rechtbanken teruggefloten’.

de N-VA pleit voor push-back op zee. Boten met vluchtelingen moeten worden teruggedreven naar de Turkse of Libische kusten. Wat vindt u daarvan?

Van den Bulck: ‘Push-back kan niet, in geen geval! Boten terugdrijven zonder de opvarenden de kans te geven asiel aan te vragen? Dat is een aanfluiting van het Europees en internationaal asielrecht’.

intussen staat Schengen op instorten. Nu zelfs Duitsland grenscontroles opwerpt, klinkt in heel Europa de roep om de eigen grenzen te bewaken.…

Van den Bulck: ‘Instorten? Dat is flink overdreven, het is niet dat Duitsland zijn grenzen sluit. Er komen controles voor welbepaalde groepen, en alleen op welbepaalde plekken zoals treinstations. Ik zie de Duitsers nog niet zo snel douaneposten op de autosnelwegen naar Oostenrijk plaatsen. De maatregel moet vooral mensen afschrikken die geen nood aan asiel hebben, maar toch hun kans wagen. Die zijn best talrijk, het zijn lang niet allemaal Syriërs die de Balkanroute nemen. Het is zeer waarschijnlijk dat Merkels aankondiging om dit jaar 800.000 Syrische vluchtelingen op te nemen, allerlei stromen op gang heeft gebracht’.

is raken aan Schengen taboe?

Van den Bulck: ‘Griekenland beschermt de buitengrenzen niet of nauwelijks. Dan is het legitiem dat lidstaten maatregelen treffen. Het is echter een illusie te denken dat we daarmee de grote stroom kunnen indijken. Zelfs als je grenzen opwerpt, moet je mensen de kans geven om asiel aan te vragen. Dat betekent dat je op die grenzen capaciteit moet bouwen om vluchtelingen te registreren, op te vangen en te screenen. Veel capaciteit, dat bewijzen de beelden die ons van de Hongaarse grens bereiken. Zonder meer terugsturen naar een zogenaamd veilig derde land, zoals Hongarije dreigt te doen door alle nieuwkomers naar Servië terug te drijven, kan echt niet. Hoe groot ook de toestroom, je wijst geen mensen af als je niet eerst hebt onderzocht of ze nood aan bescherming hebben. Daarom is het ook geen goed idee asielaanvragen op Europese ambassades te registreren, zoals her en der wordt geopperd. Er zouden binnen de kortste keren enorme files en onbeheersbare toestanden ontstaan’.

het CGKS valt onder N-VA-staatssecretaris van asiel en migratie, Theo Francken. Is dat niet ongemakkelijk voor iemand met een sp.a-stempel? 

 Van den Bulck: ‘Ik heb natuurlijk een verleden. Adviseur migratie en asiel op de kabinetten van Tobback, Vande Lanotte en Van den Bossche. Dan heb je een stempel, niks aan te doen. Maar mag ik er toch even op wijzen dat ik hier niet als gevolg van een politieke benoeming zit? Zowel voor de functie van adjunct als die van Commissaris-Generaal ben ik als eerste uit een vergelijkend examen gekomen. Ik ben trouwens nooit actief geweest binnen een partij, in tegenstelling tot mijn voorgangers Marc Bossuyt (Open VLD) en Pascal Smet. (sp.a) Mijn relatie met staatssecretaris Francken is professioneel en correct. Politiek of ideologie komt daar niet bij kijken. Asiel is bij uitstek een juridisch en technische materie die weinig ruimte voor politieke interpretatie laat’.

Theo Francken oogstte de voorbije weken gemengde reacties. Lof voor de doortastende manier waarop hij extra opvangcapaciteit organiseerde, kritiek op zijn soms ranzige communicatie over vluchtelingen. Hoe schat u zijn parcours in?

Van den Bulck: ‘Ik kan alleen vaststellen dat hij zijn dossiers kent en oprecht in de materie geïnteresseerd is. België heeft alle verhoudingen in acht genomen goed gereageerd op de vluchtelingenstroom. Dat is de verdienste van Francken die als goed vakminister verstandig heeft geanticipeerd. Over zijn communicatiestijl spreek ik me niet uit. Francken respecteert mijn onafhankelijkheid als Commissaris-Generaal, dus ga ik hem ook niet als politicus becommentariëren’.

van de Wetstraat tot het dorpscafé, overal worden dezelfde vragen gesteld. Hoe moeten we die duizenden nieuwe vluchtelingen integreren? En hoeveel gaat ons dat kosten? Ligt u daar als bewaker van de asielpoort wakker van?

Van den Bulck: ‘Onze opdracht is onderzoeken of iemand al dan niet nood heeft aan bescherming. Dat doen mijn medewerkers in de grootst mogelijke objectiviteit, op basis van individuele gesprekken, gewapend met gedetailleerde en permanent geactualiseerde informatie over herkomstlanden. De maatschappelijke druk van het aantal asielaanvragen mag in dat proces geen enkele rol spelen. Uiteraard ben ik me als bevoorrecht waarnemer bewust van die druk. De uitdagingen zijn enorm, we zullen compleet nieuwe hefbomen moeten uitvinden om de integratie te doen slagen. Huisvesting bijvoorbeeld wordt een erg taaie brok, zeker in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

 

worden Syriërs, die haast zonder uitzondering asiel krijgen, nog grondig gescreend? De vraag is van belang, want er leeft grote ongerustheid over IS-terroristen die als vluchteling in Europa infiltreren.

Van den Bulck: ‘Ik hoor die geruchten, ze werden trouwens door IS zelfs gelanceerd als een middel om hier paniek te zaaien. Ik kan alleen maar vaststellen dat we daar tot dusver geen enkele aanwijzing voor hebben gevonden. Maar we blijven waakzaam, we werken nauw samen met de Staatsveiligheid. In sommige landen gaan stemmen op om Syrische aanvragen uit efficiëntieoverwegingen zonder enig onderzoek af te handelen. Dat vind ik geen goed idee, we moeten iedere aanvraag individueel blijven onderzoeken, al was het maar om uit te sluiten dat er tussen die vluchtelingen folteraars zitten of anderen met bloed aan de handen’.

-  wereldwijd zijn zestig miljoen mensen op de vlucht voor oorlog en conflicten. De overgrote meerderheid is in Afrika en het Midden Oosten op de dool, zeg maar de periferie van het veilige en welvarende Europa. Is deze asielcrisis slechts een voorproefje?

Van den Bulck: ‘Ik vrees van wel. Kijk naar de grote brandhaarden in de wereld. In feite gaat het om een brede gordel die dwars door Afrika en het Midden Oosten snijdt, van Mali over Congo RDC en Somalië tot Syrië en Pakistan. Okay, al die conflicten worden door etnische en religieuze spanningen aangeblazen. Maar onder de oppervlakte speelt nog een ander mechanisme, dat van economische onderontwikkeling. Koppel dat aan een bevolkingsexplosie, en het resultaat is een explosieve cocktail. Vooral de toestand is sommige Afrikaanse landen  moet ons zorgen baren, er groeien daar tientallen miljoenen mensen op zonder enig toekomstperspectief. Europa moet veel meer doen om die landen te helpen, dat is een kwestie van welbegrepen eigenbelang. Juncker is zich daarvan bewust, hij heeft vorige week een lans gebroken voor een globale langetermijnaanpak’.

-  echte vluchtelingen hebben recht op bescherming en genieten doorgaans onze sympathie. Economische vluchtelingen daarentegen worden afgewezen en als profiteurs beschouwd. Het is de taak van het CGVS om het onderscheid te maken. Hoe lastig is dat?

Van den Bulck: ‘Het is niet altijd zwart-wit. Iemand die op het eerste gezicht door een economisch motief wordt gedreven, loopt misschien toch een risico op vervolging als hij wordt teruggestuurd. Een grondig, individueel onderzoek is noodzakelijk, maar op het einde van de rit moet je wel beslissen. Het is niet prettig iemand af te wijzen, je stuurt zo’n economische vluchteling altijd terug naar een hoop miserie. Maar dat is nog iets anders dan iemand terug te sturen naar een land waar hij foltering of vervolging riskeert. Het recht op asiel is zo fundamenteel dat we het moeten koesteren. Daarom blijft dat onderscheid noodzakelijk, anders halen we het hele concept van asiel onderuit’.

U zit al tien jaar op deze post. Wordt u soms herkend door vluchtelingen die hun verblijfsstatus aan uw handtekening te danken hebben?

Van den Bulck: ‘Zelden. Ik kom niet rechtstreeks in contact met asielzoekers, alleen via hun dossier. Uit de media kennen ze mijn gezicht ook niet. Ik hecht veel belang aan een goede communicatie door mijn dienst, maar in tegenstelling tot sommige van mijn voorgangers zoek ik de media niet persoonlijk op. Het valt al eens voor dat iemand me komt bedanken, tijdens een conferentie of een boekvoorstelling. Dat is fijn, ook al is mijn persoonlijke verdienste bij zo’n erkenning eerder onrechtstreeks’.

Land van aankomst: erkende vluchtelingen over vluchtheuvel België

Knack Magazine, 9 september 2015   

De vraag houdt iedereen bezig: hoe moeten we omgaan met de duizenden erkende vluchtelingen die zich wellicht definitief in ons land zullen vestigen? Het antwoord is onvermijdelijk complex, maar aan precedenten ontbreekt het niet. Knack zocht een panel bij elkaar dat zestig jaar Belgische asielgeschiedenis overspant. Generaties, herkomstlanden en omstandigheden verschillen, maar over een ding zijn alle getuigen unisono: de nieuwe asielcrisis raakt hen persoonlijk. ‘We weten hoe het voelt om alles achter te laten’.

Nozizwe Dube (19)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

In één gemeente werden we afgewimpeld met het argument dat het Vlaams Belang er de grootste partij was, en dat ze dus geen zwarte optimetrist konden gebruiken’. 

Na het gesprek weten we niet wie het meeste indruk heeft gemaakt. Nozizwe die op vijf jaar tijd perfect Nederlands heeft geleerd, een ASO-diploma wetenschappen-wiskunde heeft behaald, en het tot voorzitter van de Vlaamse Jeugdraad heeft geschopt? Of van haar moeder Bridgit die deze zomer een driejarige opleiding opticien-optometriste heeft afgerond, een technische discipline lichtjaren verwijderd van de studie politieke wetenschappen die ze eerder in Zimbabwe voltooide? Bridgit kon er helaas niet bij zijn in het statige pand aan de Muntschouwburg waar de Vlaamse Jeugdraad kantoor houdt. Maar geen nood, Nozizwe laat geen moeite onverlet om de glansrol van haar moeder in haar eigen succesverhaal te benadrukken.

‘Moeder was als politiek wetenschapper erg kritisch voor het regime. Ze was geen lid van een partij, maar stond in haar geboortestad wel bekend als een mondige activiste die ook scherpe opiniestukken schreef. Dat is gevaarlijk in een dictatuur zoals Zimbabwe. Moeder zag wat er in haar omgeving gebeurde. Oppositieleden die door de politie werden opgepakt en gemarteld, meisjes en vrouwen die werden geslagen en verkracht. Om aan dat lot te ontsnappen is ze naar België gevlucht, terwijl ik bij mijn grootouders achterbleef’.

Haar vader schittert in het relaas door afwezigheid. Na de geboorte heeft hij haar verstoten. Traditie, zucht ze. Meisjes, die later toch maar in een andere familie introuwen, worden in Zimbabwe vaak als een last gezien. Haar moeder stond er dus alleen voor, maar bleef niet bij de pakken zitten.  ‘Zodra ze haar erkenning als vluchteling op zak had, is ze met de hulp van het Rode Kruis beginnen ijveren voor gezinshereniging. Na een paar jaar is het gelukt, ik was net veertien geworden toen ik in Zaventem landde. Moeder had alles vooraf geregeld, ik kon meteen naar een OKAN-klasje in Haasrode. Ik moest zo snel mogelijk Nederlands leren, moeder was trouwens zelf nog  Nederlandse les aan het volgen aan talencentrum van de KU Leuven. Ik maakte snel vorderingen, maar voelde me aanvankelijk geremd om te spreken. Moeder heeft me daarom in de Chiro ingeschreven, ik ben die eerste zomer verschillende weken op kamp geweest. Zo heb ik de knop omgedraaid, het spreken ging steeds vlotter. Normaal moest ik in september terug naar de OKAN-klas, maar ze hebben me meteen  naar het ASO laten overstappen. Tijdens de lessen Latijn mocht ik Frans ophalen, nog een taal die ik in Zimbabwe nooit had gehoord’.

Het is wonderwel gelukt, maar ze heeft moeilijke momenten gekend. Zoals dag twee van haar Belgische leven, toen ze in Tervuren de bus wou nemen en door een hufterige chauffeur in perfect onverstaanbaar Vlaams werd afgesnauwd. ‘Een momentopname, maar zoiets kan volstaan om je te kraken. Gelukkig had moeder me ervoor gewaarschuwd. Mensen zullen gemene dingen zeggen, maar je mag je daardoor niet laten ontmoedigen’. Gemene dingen heeft ze gehoord en hoort ze vandaag nog. Blijkbaar is een zwarte huidskleur voor sommigen nog altijd een vrijgeleide om racistische opmerkingen te maken. Ze heeft haar moeder bijgestaan in de moeilijke zoektocht naar een stageplaats. ‘Ze was de enige zwarte student, de enige ook die geen stageplaats vond. In één gemeente werden we afgewimpeld met het argument dat het Vlaams Belang er de grootste partij was, en dat ze dus geen zwarte optimetrist konden gebruiken. Op zo’n moment probeer ik aan positieve zaken te denken, zoals de vele mensen die ons hier hebben geholpen. Ik denk dan aan de medewerkers van het Rode Kruis, en aan de leerkrachten die me enorm hebben gesteund. Moeder en ik hebben ook een fantastische huisarts die altijd bereid is te luisteren als we het zwaar hebben’.

Terug naar Zimbabwe is uitgesloten, haar toekomst ligt hier. Ze twijfelt nog over haar studies, de opties zijn even divers als haar interesses. Maar de kans is groot dat ze als een geëngageerd burger door het leven stapt. ‘In het derde middelbaar kreeg ik de kans om in een Europees jongerenproject te stappen, ik ben er zelfs voor naar een conferentie in Denemarken gereisd. Op die manier heb ik de Vlaamse Jeugdraad leren kennen. Bij de online verkiezingen eind vorig jaar waren 40 jongeren kandidaat voor 12 zitjes in de Algemene Vergadering. Ik heb stevig campagne gevoerd en raakte verkozen. Van het een is het ander gekomen, intussen ben ik tot voorzitter benoemd’.

Op de agenda van de volgende vergadering van de Jeugdraad: de vluchtelingencrisis. ‘Uiteraard voel ik me erg betrokken, ik weet hoe het voelt om alles achter te laten. Ook de vrijwilligers van de Vlaamse Jeugdraad willen iets doen voor de vluchtelingen, zeker voor de kinderen en jongeren. Sommige mensen denken dat vluchtelingen van hun welvaart willen profiteren. Dat klopt niet, ik weet wat vluchtelingen hier zoeken. Een plek waar ze veilig zijn en een toekomst hebben”. Haar moeder is intussen volop aan het solliciteren. Gediplomeerd opticien-optimetrist met bovengemiddeld doorzettingsvermogen, plukrijper verschijnen ze niet op de arbeidsmarkt.

 

Mrti Molnr (62)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

‘De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst, dat heb ik allemaal zelf meegemaakt’.

Ze woont met haar16-jarige zoon in een fraai huis in Schaarbeek, dichtbij de VRT waar ze bijna veertig jaar als productieassistent heeft gewerkt. De Canvas-collega’s hebben haar met een geweldige groepsfoto uitgezwaaid, allemaal met een bril op halve neushoogte, Márti’s kenmerk bij uitstek. ‘Weet je dat ik me voor de BRT heb laten naturaliseren? Ik had pas mijn diploma van het Rits toen ik aan een examen regie-assistent kon deelnemen. Ik was geslaagd, maar om bij een parastatale benoemd te worden, moest ik de Belgische nationaliteit nemen. Het was met tegenzin, want op een of andere manier was ik aan mijn vluchtelingenstatus gehecht. Als ze er in de lagere school in Halle naar vroegen, antwoordde ik heel fier dat ik een UNO-vluchteling was, uit Hongarije nog wel. Ik voelde me dan heel bijzonder. Er zaten ook nadelen aan vast. Als we voor een schoolreis de grens overstaken, werd ik er met mijn gele UNO-kaart altijd uitgepikt voor een extra controle’.

Haar vluchtelingenverhaal begint op een Sinterklaasdag, meer precies op 6 december 1956. Enkele weken eerder hadden de Sovjet-tanks de Hongaarse volksopstand in bloed gesmoord. Zo’n 180.000 Hongaren vluchtten naar Oostenrijk, nog eens 20.000 naar Joegoslavië. ‘Vader was een automonteur in Vác. Hij deed niet aan politiek, maar zoals vele jonge mannen had hij  meegelopen in betogingen tegen de Russische bezetter. Misschien had hij niks te vrezen en zijn we voor niks gevlucht, maar dat zullen we nooit weten. Het sneeuwde toen we naar de Oostenrijkse grens vertrokken. Ik was drie jaar, mijn broers 4 en 7. Veel details herinner ik me niet meer, maar ik weet nog wel dat we met vier paar sokken en evenveel onderlijfjes in een hooimijt hebben gelegen, wachtend op het juiste moment om de grens over te steken. En wat me ook is bijgebleven: op de trein in Oostenrijk kregen we chocolaatjes van een dikke meneer van het Rode Kruis. Hij begroette ons met how do you do, en zo hebben we hem ook onthouden. Meneer Howdoyoudo, dat is een klassieker geworden bij de Molnárs’.

Het was een pastoor die hen na een odyssee langs Oostenrijkse en Duitse lagers naar België haalde. Van een pension in ’s Gravenwezel ging het naar de Limburgse mijnen waar vader Molnár het pad van Rocco Granata kruiste. ‘Lang zijn we daar niet gebleven, vader vond het werk in de mijn te ongezond. We zijn dan naar Halle verhuisd, waar mijn ouders als concièrge in een opvanghuis voor alleenstaande vluchtelingen konden wonen. Ook dat heeft niet lang geduurd, ik ben in mijn kindertijd heel vaak verhuisd. Uiteindelijk hebben mijn ouders een café in Halle overgenomen. Per ongeluk, ze waren dringend op zoek naar huisvesting, en de enige betaalbare optie was een leegstaand café. Ik ben dus als meisje in een volkscafé opgegroeid. Veel bijgeleerd over mannen, hoe ze aan de toog plakten in de ijdele hoop moeder en later mezelf te versieren. Ook veel schuttingtaal gehoord en lelijke dingen gezien. De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst, dat heb ik allemaal zelf meegemaakt’.

Van verplichte inburgerings- of taalcursussen had nog niemand gehoord. De zowat 7.0000 Hongaarse vluchtelingen in België moesten hun plan trekken, ook financieel. ‘Mijn ouders deden hun best, maar we hadden het niet breed. Vader heeft achtereenvolgens in de Forges de Clabecq, de ijsfabriek Artic en een papierfabriek gewerkt. Moeder hield het café open, maar ze was eerder al gaan schoonmaken en heeft een poos bij ACEC gewerkt. Koperdraad voor transformatoren opdraaien. Lastig werk,  ’s avonds lagen haar vingers open. Mijn ouders zijn allebei veel te jong gestorven. Of dat door hun ballingschap komt? Bij vader weet ik het niet, maar moeder heeft haar leven lang moeten vechten. Ze was 60 en mocht met pensioen, klaar om eindelijk wat te genieten, toen ze haar strijd tegen kanker verloor. Het leven kan zo onrechtvaardig zijn’.

Of Belgen gastvrij zijn? Ze hinkt op twee gedachten. ‘Op school werden mijn broers vaak voor vuile Hongaren uitgescholden. Zelfs later, toen ik al volwassen was en perfect Vlaams sprak, werd ik er nog mee geconfronteerd. Na een banale verkeersovertreding moest ik mijn gele identiteitskaart tonen. En dan nog een buitenlandse ook, zei de agent alsof het een verzwarende omstandigheid was. Die ervaringen hebben me allergisch gemaakt voor racisme, ik kan me heel goed de frustratie inbeelden van Marokkaanse jongens die voortdurend worden gecontroleerd. Gelukkig was er ook solidariteit. Juffrouw Marie-Louise van de kleuterschool nam me op een keer mee naar de Innovation in de Brusselse Nieuwstraat waar de Sint op zijn troon zat. Ik mocht voor mezelf en voor mijn broers een stuk speelgoed kiezen. Zo’n gebaar is ontzettend belangrijk, want als vluchtelingengezin ben je vaak erg eenzaam. Toch heb ik minder onder mijn vluchtelingenstatus geleden dan onder de armoede. Vriendinnetjes mochten van hun ouders niet gaan spelen bij de Hongaren in hun huis zonder badkamer.  Na de humaniora wilde ik psychologie gaan studeren. Dat kunnen jullie niet betalen, zei de man van het PMS vlakaf.

Dat uitgerekend Hongarije een muur bouwt tegen vluchtelingen, vindt ze een wrange grap van de geschiedenis. ‘Ik schaam me voor Hongarije, maar evengoed erger ik me aan de besluiteloosheid en verdeeldheid van Europa. We bekijken deze crisis louter door een economische bril: hoeveel gaat ons dat allemaal kosten? Die vraag vind ik ongepast, mensen in nood moeten we helpen. En als ik daar straks extra belastingen moet voor betalen, dan doe ik dat met alle plezier’.

 

Sami Azar (30)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

Eenzaam voelt hij zich niet. Sami heeft couchsurfing ontdekt als manier om vrienden te maken. 

Zijn Nederlands is nog wankel. Logisch als je nog maar anderhalf jaar in het land verblijft en veel aan je hoofd hebt. Engels is echter geen probleem voor deze natuurkundige die in Syrië als privéleraar chemie en fysica aan de kost kwam. Maar geen enkele taal kan volstaan om zijn vluchtverhaal tot in de kleinste details te vatten. Tijdens het gesprek zal hij in ons notaboek een schema tekenen, met pijlen om de relaties tussen de verschillende mensensmokkelaars te verduidelijken.

‘Ik kom uit een klein stadje niet ver van Homs waar veel  Christenen leven. In de zomer van 2013 kreeg ik mijn oproepingsbrief. Ik had geen zin om met het Syrische leger te gaan vechten, maar als Christen kon ik ook niet naar de soennietische rebellen vluchten. En dus ben ik naar Libanon gevlucht, zoals de meesten in zo’n situatie doen. In mijn geboortestad zijn alle jonge mannen gevlucht’.

Sami komt uit een niet onbemiddelde familie. Zijn ouders hielden bijna 12.000 euro klaar om hem naar Zweden te helpen ontkomen. De vliegreis van Libanon naar Istanboel was een sinecure, maar daarna liep het meteen mis. Een smokkelaar troggelde hem 4.000 euro af voor een reispas die nooit werd geleverd. ‘Anderhalve maand voor niks in een safehouse zitten wachten, dat heeft me nog eens 1.300 euro gekost. Ik heb dan een tweede smokkelaar ingeschakeld, hij kon me voor 3.500 euro naar Griekenland brengen. We zaten met 17 in een truck, begeleid door twee verkenningsvoertuigen. De grensrivier zijn we met een rubberbootje overgestoken, en vandaar zijn we beginnen marcheren. Alleen ’s nachts, de derde dag werden we door een auto opgepikt. Lang heeft dat niet geduurd, al na een kwartier werden we door de politie onderschept. Maar het geluk was aan mijn kant. Wie Engels sprak, werd na een week vrijgelaten met een voorlopige verblijfsvergunning. Twaalf van de zeventien hadden pech, die werden naar Turkije teruggestuurd’.

We moeten vooruit spoelen en cruciale passages op een drafje afhandelen. Hoe de tweede smokkelaar zijn ouders probeerde af te persen om de misgelopen 3,500 euro alsnog te incasseren. Hoe hij wel 14 keer tevergeefs probeerde in Athene een vlucht naar Zweden te nemen. Dat zijn valse paspoort niet deugde, was niet het enige probleem. ‘Ze zien het gewoon dat je Syriër bent. Aan je lichaamstaal, en de blik in je ogen. Angst, dat is wat je als Syriër altijd voelt als je met politie wordt geconfronteerd’. Bijna was het gelukt met de ferry naar Italië over te steken. Helaas, een ultieme scan in de haven van Patras deed de 30 verstekelingen in de laadbak de das om. ‘Ik heb dan een smokkelaar gevonden die me voor 6.500 euro via Kreta naar Zweden kon brengen. Mijn budget was op dat moment tot 3.000 euro geslonken, maar ik kende een vriend in Zweden die zich borg stelde voor de rest. De smokkelaar had zijn mannetjes op de luchthaven. Ik ben met een Ryan Air-vlucht vol Belgische toeristen naar Charleroi gevlogen, bedoeling was vandaar verder naar Zweden te reizen. Bij de douane viel ik meteen door de mand. ‘Hoeveel heb je voor dat Deense paspoort betaald’, vroeg de agent spottend, ‘5 dollar?’’.

Zijn vingerafdrukken werden genomen. Hij kende de Dublin-regels, er zat niet veel anders op dan in België asiel te vragen. Niet zijn voorkeurbestemming, maar het scheelde wel 3.500 euro aan smokkelkosten. ‘Ik heb mijn ouders gebeld. Dat ik in België was gestrand, moederziel alleen. Vader kon een uitgeweken dorpsgenoot in Brussel contacteren. Ik mocht er een paar dagen logeren, tot ik mijn asielaanvraag had ingediend en naar een centrum van het Rode Kruis in Menen kon verhuizen. Geen kwaad woord over de opvang in België. Vergeleken met Griekenland is het hier uitstekend georganiseerd’.

Na twee maanden werd hij erkend en begon de zoektocht naar huisvesting en OCMW. Ieper, Kortrijk, Gent, Brugge, Antwerpen, overal ving hij bot. Een tip van een landgenoot leidde hem uiteindelijk naar een betaalbaar appartement in de Mechelse stationsbuurt. ‘Niet toevallig’, zegt hij. ‘In Mechelen is een heuse Syrische ballingengemeenschap ontstaan, vooral Christenen. Het bevalt me hier, op een eigenschap na. Je hebt hier grote groepen Marokkanen, Asyriërs en Armeniërs. Het lijkt wel alsof er muren tussen al die gemeenschappen staan, ook met de Belgen is er nauwelijks contact’.

Over de taalcursussen is hij enthousiast, maar niet over de verplichte inburgeringscursus die eraan vooraf ging. ‘Het was bij Prisma, we kregen er les van een Marokkaanse vrouw die klassiek Arabisch sprak. Praktische informatie hoorden we niet, maar ze legde wel uit waar we overal naar de moskee konden gaan. Ze waarschuwde ons ook voor het racisme van de Belgen, en voor het vlees dat hier niet halal is. Dan moet je bedenken dat de helft van de klas niet eens moslim was’.

Het voorbije jaar bracht hij vooral met vrijwilligerswerk door. Getolkt bij Caritas, soep bedeeld bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen, geholpen bij Natuurpunt en zelfs bij volkssterrenwacht MIRA. ‘Maar ik wil een echte baan. Probleem is dat mijn Syrische master hier hooguit als bachelor wordt erkend. Ik ben al op gesprek geweest bij de VDAB; maar dat is een afknapper geworden. De man van de VDAB sprak razendsnel zodat ik onmogelijk kon volgen, ook al had ik intussen al aardig wat Nederlands geleerd. Uw Nederlands is te slecht, zei hij, u moet aangepast werk zoeken, als schoonmaker of bouwvakker.  Enig lichtpunt: volgend jaar kan ik een opleiding computerwetenschappen volgen. Beneden mijn niveau, maar het levert wel een getuigschrift op’.

Eenzaam voelt hij zich niet. Sami heeft couchsurfing ontdekt als manier om vrienden te maken. ‘Intussen is ook mijn broer in België. Hij zit nog in een opvangcentrum in Broechem, daarna komt hij wellicht naar Mechelen. We hebben nog een broer die geneeskunde studeert in Damascus. Zodra hij klaar is, vertrekt hij naar Duitsland om zijn legerdienst te ontlopen. In Syrië is voor ons geen toekomst meer’.

 

Manuel Fuentealba (69)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

‘Nog niet zo lang geleden werden de archieven van de veiligheidsdiensten vrijgegeven. Ook mijn naam stond erin. Ik ben geen dag te vroeg vertrokken’.

We hebben afgesproken in provinciaal recreatiedomein De Ster in Sint-Niklaas. Hij heeft een abonnement, maakt er haast elke dag een gezondheidswandeling. Doktersvoorschrift, hij heeft al een hartaanval overleefd. Nu hij er bij stilstaat: heel wat van  zijn lot- en generatiegenoten, Chileense ballingen die tussen 1973 en 1976 naar België vluchtten, zijn al gestorven. ‘De jaren beginnen natuurlijk te wegen’, zegt hij. ‘Toch denk ik dat er meer aan de hand is. We hebben allemaal een zwaar leven achter de rug. Ik ben zelf niet fysiek gemarteld, maar als balling ga je gebukt onder de psychologische druk’.

Het concept van ballingschap kende hij reeds als kind. ‘In de regio van Concepcion wemelde het van de gevluchte Nazi’s. Vooral Duitsers, maar er was ook een volledig dorp van Vlaamse collaborateurs. Op school zaten kinderen van nazi’s die geen woord Spaans spraken. Ironisch genoeg zaten in de klas vaak ook kinderen van joodse Holocaust-slachtoffers. Soms werden die gepest door Duitse kinderen, alsof de oorlog niet voorbij was’.

Zelf koos hij als student sociologie in Concepcion resoluut voor links. ‘De Cubaanse revolutie was onze inspiratie. Uiteraard stonden we achter president Allende, al vonden we zijn coalitie van socialisten en communisten veel te soft. Je moest een kamp kiezen, Chili was begin jaren zeventig totaal gepolariseerd. De tegenstellingen tussen links en rechts beperkten zich niet tot de politiek, ze werden op de straat uitgevochten’.

De militaire staatsgreep van Augusto Pinochet op 11 september 1973 viel niet als een donderslag bij heldere hemel. Manuel, die op dat moment onderzoek deed naar arbeidsomstandigheden in de genationaliseerde industrie, stond gelukkig niet bovenaan de hitlijst van de geheime politie. ‘Het land was een complete chaos. In die verwarring werd een klopjacht gemaakt op de linkse leiders. Ik hield me gedeisd, maar mijn werk aan de universiteit was ik natuurlijk kwijt. Anderhalf jaar heb ik het nog uitgehouden, tot de grond onder mijn voeten te heet werd. Buitenkomen was gevaarlijk, want er stonden overal verklikkers klaar om linkse sympathisanten aan te geven. Nog niet zo lang geleden werden de archieven van de veiligheidsdiensten vrijgegeven. Ook mijn naam stond erin. Ik ben geen dag te vroeg vertrokken’.

De internationale contacten met linkse medestanders uit zijn academische periode bewezen hun nut. Een steuncomité van proffen en studenten van de ULB en VUB haalde hem naar België. ‘Er was enorm veel solidariteit met Chili. Socialisten, communisten, maoïsten, alle linkse stromingen die elkaar normaal rauw lustten, stonden als één blok achter ons. Maar we kregen ook veel steun van vakbonden en progressieve katholieken. Vooral in Vlaanderen leefde dat sterk, er was een organisatie voor het onthaal van Chileense vluchtelingen die haast in ieder dorp een afdeling had. Niet dat er een massale instroom was, ik schat dat in de eerste periode tussen 1973 en 1976 hooguit 150 Chilenen naar België zijn gevlucht. En ere wie ere toekomt: heel wat van die mensen hebben hun leven te danken aan Leo Tindemans. Ik weet dat het niet strookt met zijn reputatie, maar als premier heeft hij veel gedaan om visa aan Chileense dissidenten te verstrekken’.

Manuel werd achterna gereisd door zijn vrouw en oudste zoon, een tweede werd in België geboren. Hij studeerde in Louvain-la-Neuve om zijn diploma’s te laten homologeren, de bescheiden vluchtelingentoelage van de VN vulde hij aan met interimwerk. ‘Ik heb ik een garage en in de bouw gewerkt, zelfs in een munitiefabriek. Een van mijn beste vrienden was in Chili burgerlijk ingenieur, hier werkte hij als arbeider in de kerncentrale van Doel. We maalden er niet om, want we waren ervan overtuigd dat we snel terug zouden keren. De dictatuur kon toch niet eeuwig blijven duren? Pas rond 1980 drong het besef door: Pinochet zat steviger dan ooit in het zadel. Hij had een heel nieuwe samenleving gebouwd, gebaseerd op de economische recepten van de Chicago-boys. Dat was een kantelpunt, ik ben toen pas begonnen met Nederlands te studeren. Tot dan toe had ik me altijd met Frans, mijn tweede taal, gered. Zelfs in een Vlaams dorp maakte men daar geen probleem van, dat zou vandaag niet meer waar zijn’.

‘Na de dictatuur, eind jaren tachtig, zijn mijn vrouw en ik elk afzonderlijk naar Chili gereisd. De maatschappij was onherkenbaar veranderd. Het was ieder voor zich, alles was geprivatiseerd. Onderwijs was peperduur, en toch veel slechter dan in Vlaanderen. Toen we hebben de knoop doorgehakt: we zouden blijven. Ik had intussen een vaste baan in een chemische fabriek, we hebben een appartement gekocht. Een baksteen in de maag, zoals echte Vlamingen’.

Politiek blijft hem bijten, hij volgt de asielcrisis op de voet. ‘Uitspraken zoals die van Bart De Wever over die dode kleuter, daar krijg ik kippenvel van. Ik erger me ook aan het verschil dat men altijd maakt tussen politieke en economische vluchtelingen. In Syrië, Libië en Irak zijn de voorbije jaren 10.000 scholen verwoest. Ziekenhuizen zijn gesloten en er is geen drinkbaar water. Zijn de mensen die van dergelijke omstandigheden weglopen politieke of economische vluchtelingen? Het antwoord heeft geen belang, we moeten ze helpen’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kinderpsychiater Lieve Swinnen over motivatie op school

Knack, 26 augustus 2015

Een wonderpil tegen motivatieproblemen in het onderwijs heeft ze niet, maar kinderpsychiater Lieve Swinnen kent wel recepten om de leerlingen bij de les te houden. Respecteer het puberbrein, wees wijs met nieuwe media en stop de jeugd op tijd in bed. Een stimulerend gesprek over goesting in het nieuwe schooljaar.

 

025

Tradities zijn er om gerespecteerd te worden. Volgende dinsdag serveert het avondjournaal ontroostbare peuters en sniffende mama’s bij de schoolpoort. Een vertekend beeld, want niet alleen driejarige ukken kijken huizenhoog op tegen 1 september. Schoolmoeheid is een hardnekkige kwaal in het Vlaamse onderwijs. 16 procent ongekwalificeerde uitstroom bij de jongens, dat heeft onder meer met motivatieproblemen te maken.

Kinderpsychiater Lieve Swinnen heeft er het leeuwendeel van haar nieuwe boek aan gewijd. Hoe kunnen we kinderen motiveren om te studeren, luidt de hamvraag in ‘(Geen) Goesting?!’.  Ze kent de kwestie van twee kanten. In haar groepspraktijk in Neerpelt staat ze ouders en kinderen bij die hun schoolcarrière spaak zien lopen op allerlei gedrags- of leerstoornissen. Daarnaast wordt ze geraadpleegd door leraren en directies die zich het hoofd breken over methodes om hun pupillen bij de les te houden. Toverformules staan er niet in, maar het vlot geschreven boek bevat wel handvatten om het motivatieprobleem aan te pakken.

-  wat is motivatie?

Swinnen: ‘Nu goesting hebben in later, daar komt het in feite op neer. Er valt natuurlijk meer over te vertellen. In de psychologie maakt men een onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Je best doen omdat een goed rapport een nieuwe smartphone oplevert. Om niet bij de vrienden uit de toon te vallen. Omdat je er veel geld mee hoopt te verdienen. Allemaal verschillende beweegredenen, maar ze hebben dit gemeen dat het om externe prikkels gaat. Die werken goed, maar in een leerproces is intrinsieke motivatie efficiënter. Als je graag tango danst, is het geen opgave om naar de tangoles te gaan. Wie intern geprikkeld wordt, duikt vanzelf dieper in de materie’.

-  werkt dreigen met sancties in het onderwijs?

Swinnen: ‘Je kunt dat een vorm van extrinsieke motivatie noemen. In onderwijs kom je er echter niet ver mee, want negatieve boodschappen missen meestal hun doel. Zo heeft het weinig zin verwijten te maken. Je bent lui, zeggen ouders of leraren tegen een kind dat zijn huiswerk niet maakt of zijn best niet doet. Dat lucht misschien op, maar het zal het kind niet op het juiste spoor zetten. Boodschappen moeten sporen met het ABC van de motivatie’

-  ABC?

Swinnen: ‘De A van autonomie: kinderen moeten zelf achter beslissingen staan. Als ze tegen hun zin in een richting worden geduwd, gaat het gegarandeerd fout. De B staat voor verbinding: ze moeten zich goed voelen op school en in de klas. En dan de C van competentie: ze moeten de capaciteit hebben om het leerproces aan te kunnen. Ik heb dat ABC niet zelf bedacht, het komt van Maarten Vansteenkiste, professor motivatiepsychologie in Gent. Maar ik vind het een geweldig instrument. Als je door de ABC-bril naar leerstoornissen kijkt, kom je er vaak snel achter waar de knoop zit’.

-  hebben ook ouders en leraren er iets aan?

Swinnen: ‘Jawel, en dat probeer ik in mijn boek over te brengen. Geen enkel kind wordt lui geboren, ze willen allemaal iets maken van hun leven. Als een kind afhaakt, moet je het ABC-schema aflopen om de oorzaak te vinden. A en B, dat gaat van verkeerde studiekeuze, slechte sfeer op school of in de klas tot pestgedrag. Competentieproblemen zijn complexer. Vaak denken we dat kinderen niet willen, terwijl ze in feite niet kunnen. Toch krijgen ze negatieve feedback. ‘Heb je het nu nog niet begrepen? Van jou had ik toch meer verwacht’. Fout natuurlijk, daarmee ondermijn je het zelfvertrouwen en wakker je faalangst aan. Dat is des erger wanneer het om kwetsbare kinderen gaat, met ontwikkelingsstoornissen zoals adhd, dyslexie of vormen van autisme. Het probleem is dat we in een prestatiemaatschappij leven. Ouders willen niet meer horen dat hun kind iets niet kan. Waar een wil is, is een weg, luidt het gezegde. Als mijn zoon of dochter maar hard genoeg probeert, moet het wel lukken. Ik zou die zegswijze anders willen interpreteren. De weg loopt niet voor iedereen gelijk en leidt al evenmin naar dezelfde bestemming. De taak van opvoeders is kinderen te helpen bij het zoeken naar hun weg, met respect voor hun autonomie uiteraard. In feite is school de job van de kinderen. Zij moeten het waarmaken, ouders en leraren zijn de supporters langs de zijlijn’.

waar een wil is, is een weg…. naar het ASO. Ligt de oorzaak van demotivatie niet vaak bij een verkeerde studiekeuze?

Swinnen: ‘Helaas wel. Zo hoog mogelijk beginnen, is de mentaliteit, dan kun je altijd afzakken. BSO-scholen hebben bijna geen directe instroom meer. Pas in het derde en vijfde jaar stromen de klassen vol, drop-outs die in het ASO zijn begonnen en via de befaamde waterval aanspoelen, beladen met een rugzak vol faalervaringen. Wat een zonde en tijdverlies. In mijn ogen zijn het slimme ouders die direct beseffen dat hun zoon of dochter geen aanleg voor theoretische vakken heeft, maar wel graag met de handen werkt.’.

nochtans wordt er al twintig jaar geroepen dat we het beroeps en technisch onderwijs moeten herwaarderen

Swinnen: ‘Helaas met weinig resultaat. Ik heb het nochtans al vaak gezegd tegen ouders die in zak en as zitten omdat hun zoon in het ASO niet meekan. Er is niks mis met beroepsonderwijs. Die ingemaakte kast achter mijn rug, die werd gemaakt door een schrijnwerker die goed zijn brood  verdient. Natuurlijk, ik heb makkelijk praten met drie zonen die vlot hebben gestudeerd. Toch moeten we er blijven op hameren: ook als je door de natuur minder royaal werd bediend, mag je de armen niet laten’.

-  de natuur?

Swinnen: ‘Net als intelligentie zit schoolmotivatie of leergierigheid voor 40 tot 50 procent in de genen. De rest wordt nagenoeg volledig door unieke ervaringen bepaald. Door de individuele leefomgeving dus, collectieve factoren zoals gezin of milieu tellen nauwelijks mee. Die nuance is belangrijk, want anders heb je een perfect alibi voor defaitisme. Nu is het tegendeel waar: het belang van die unieke, individuele ervaringen moet ons aansporen om kansarme kinderen te blijven stimuleren’.

zoals de kanaries in de koolmijn wijzen motivatieproblemen op school vaak op onderliggende problemen. Wat schuilt er zoal onder de oppervlakte?

Swinnen: ‘Vaak begint het op school of thuis met vage klachten. Hij is lui, hij is wil zich niet inspannen. Het is in de eerste instantie aan de ouders, de school en het CLB om naar een verklaring en een oplossing te zoeken, samen met het kind in kwestie uiteraard. In onze praktijk zien we de zware dossiers. Concentratiestoornissen zoals adhd of psychiatrische stoornissen zoals autisme. Hoe wil je dat een adhd-kind gemotiveerd blijft? Als je in je hele schoolcarrière hebt ondervonden dat zich inspannen niet loont, want dat het toch niet lukt? Maar ernstige situaties kunnen ook een heel andere oorzaak hebben. Verwenning is een groot probleem, we behandelen onze kinderen veel te veel als prinsen en prinsessen’.

-  u spreek van de applausgeneratie. Wat bedoelt u daarmee?

Swinnen: ‘Ouders leggen de lat zo hoog mogelijk, liefst van al moet hun kind latijn wiskunde volgen. Diezelfde veeleisende ouders doen er anderzijds alles aan om het hun kinderen naar de zin te maken, te beschermen en met applaus te belonen. Met de fiets naar de sportclub? Geen sprake van, mama en papa spelen taxi. Ouders nemen kinderen zo voortdurend verantwoordelijkheden uit handen. Dat is zondigen tegen de autonomieregel, met als gevolg dat kinderen geen coping capacity ontwikkelen. Ze hebben geen probleemoplossend vermogen, kunnen niet met kritiek of tegenslag om. Die aanpak komt vroeg of laat als een boomerang op de ouders terecht. Want hoe vaak horen we hier niet? Op school worden ze apathisch, thuis werken ze hun frustraties uit en ontaardt het soms in regelrechte agressie. Onlangs werden we gecontacteerd door een radeloze moeder. De verwenningsproblematiek van haar 17-jarige zoon was compleet uit de hand gelopen. Omdat zo’n situatie niet makkelijk recht te trekken valt, stelden we een spoedopname voor. Tot onze verbijstering pruttelde ze tegen. Het was een vrijdag, ze vroeg of het niet tot maandag kon wachten, want haar zoon had een weekend met de vrienden gepland. Tja, een kwestie van prioriteiten zeker’.

-  hoe ernstig zijn de gevolgen van motivatieproblemen? Gaan er talenten of levensdromen onherroepelijk verloren?

Swinnen: ‘Het wordt pas ernstig als kinderen op school echt gaan afhaken. Als dan de juiste hulp wordt geboden, komt het wel goed. Een puber met een verkeerde studiekeuze kan vaak met een simpele heroriëntering worden geholpen. De echte risico’s zijn kinderen met een voorgeschiedenis, zoals gedragsproblemen of trauma’s. Soms sta je als kinderpsychiater voor verrassingen. Komt hier een jongen uit het derde middelbaar, compleet schoolmoe. Bleek dat hij stapelverliefd was op een meisje uit het vijfde dat hem niet zag staan. Het was onmogelijk zich nog te concentreren, alles stond in het teken van zijn onbereikbare vlam. Die heeft een jaar verloren, maar daarna stond hij weer op de rails. Het hoeft niet altijd dramatisch af te lopen’.

pubers vinden school saai, en wie het daar niet mee eens is, is een nerd. Kuddegedrag, maar misschien hebben ze ook wel een punt. Wijzen de motivatieproblemen niet op een didactisch probleem? Kunnen leraren hun klas niet meer boeien?

Swinnen: ‘Ze moeten het natuurlijk spannend houden. Mijn 88-jarige moeder legde als wiskundelerares breuken uit met een taart. Niet meer van deze tijd, je moet creatieve toepassingen zoeken die aansluiten bij de leefwereld van de klas. Gebruik de nieuwe media, laat ze voor kansberekening uitvissen of de Rode Duivels straks het WK winnen, dan heb je meteen de halve klas mee. Leraren moeten ook kunnen omgaan met weerstand. Neem dat niet persoonlijk, is mijn advies. Als een klas geen goesting heeft, dan zegt dat iets over de kloof tussen de leerstof en hun leefwereld. Toon empathie, en geef bijvoorbeeld op een vrijdagmiddag geen gortdroge theorievakken. Anderzijds moeten we daar ook niet in doorschieten. Kinderen moeten ook leren aanvaarden dat saaie leerstof erbij hoort’.

- interessante bedenking. De voorbije jaren is een discussie losgebarsten over de opdracht van de school. Het heet dat het onderwijs te veel op vaardigheden en te weinig op kennis mikt. Akkoord?

Swinnen: ‘Het is niet zwart-wit, maar ik ben het in grote lijnen eens met die stelling. Waarom moeten kinderen op school leren hoe ze gezond ontbijten? Dat is toch een taak voor de ouders. Een vader van een tweeling met adhd kwam hier zijn beklag maken. Hij zat thuis uren aan een stuk naast zijn kinderen om ze te helpen met lezen en rekenen. En op school gingen ze van het ene toneelstuk naar de andere uitstap. Ik zou het liever andersom zien, zei die vader, dan had ik tijd om zelf eens met mijn kinderen naar het theater te gaan’.

ouders ergeren zich vaak aan de lamlendigheid van hun kinderen. Zitten urenlang te gamen, met geen stokken aan hun huiswerk te krijgen. Weet u raad?

Swinnen: ‘Ouders moeten net als leraren beseffen dat pubers geen volwassenen zijn. Hun prioriteiten liggen omgekeerd. Eerst komen de vrienden, de gameconsole, de sportclub, ver daarachter huiswerk maken of kamer opruimen. Vele ouders proberen hun kinderen te motiveren door met de toekomst te schermen. Goed studeren, dan zul je later veel verdienen of een spannend beroep uitoefenen. Dat heeft weinig effect, pubers denken niet zover vooruit. We moeten niet per se negatief doen over hun attitude, als volwassenen kunnen we er zelfs van leren. Wat bakken wij nog van vriendschap? Vele volwassenen hebben het daar te druk voor. Onderhandelen is de boodschap. Het ideale moment voor huiswerk is meteen na de school, dat is bewezen. Verkiezen ze een ander tijdstip? Ook goed, zolang er afspraken worden gemaakt die nadien ook worden nageleefd. Respect voor autonomie is geen alibi voor een laissez faire-opvoeding. Kinderen hebben grenzen en structuur nodig’.

-  is schermverslaving een bedreiging voor de studie-ijver van onze jeugd?

Swinnen: ‘We nemen dat woord veel te snel in de mond. Je bent verslaafd, roepen ouders tegen hun zoon die urenlang zit te gamen of naar Youtube kijkt. De kans is groot dat de jongen het verwijt niet begrijpt. Wat doe ik verkeerd? Al mijn vrienden zitten even lang voor het scherm. Hij heeft nog gelijk ook, uit onderzoek naar het schermgebruik van jongeren blijkt dat slechts 5 procent een probleem heeft, terwijl 1 procent echt verslaafd is. Ik wil dat niet wegrelativeren, 1 procent staat nog altijd voor vele honderden jongeren’.

18 procent van onze schoolgaande kinderen heeft een of andere vorm van begeleiding nodig, 7 procent kampt zelfs met een zware problematiek. Verontrustende cijfers?

Swinnen: ‘Het gaat niet schitterend met de geestelijke gezondheid van onze jongeren. De oorzaken zijn erg uiteenlopend. Er is de druk van de prestatiemaatschappij, en er verschijnen steeds meer etiketten. Concentratiestoornissen bestonden vroeger niet, nu lijkt het wel een epidemie. Pas op, ik ben slecht geplaatst om dat te minimaliseren. Ik heb in mijn kabinet nog maar zelden ouders of kinderen gezien die voor een bagatel kwamen aankloppen’.

er is dus wel degelijk een probleem…

Swinnen: ‘Ja, en je kunt je suf piekeren over een sluitende verklaring. De hectiek van de maatschappij heeft er zeker mee te maken. Jongeren raken overprikkeld door de constante stroom van indrukken die ze over zich heen krijgen. Zeker nu internet en sociale netwerken mobiel zijn geworden, houdt het nooit meer op. Maar ook wij volwassenen zijn druk. We eisen veel van onze kinderen, maar vinden vaak niet de tijd om ons echt om hen te bekommeren. Intussen zie je gevestigde gezagspatronen afbrokkelen. Over meneer pastoor moeten we het niet meer hebben, maar ook ouders en leraren hebben veel aan autoriteit ingeboet. Vooral kwetsbare jongeren zijn daar slachtoffer van, want die hebben meer dan wie ook nood aan structuur. Bij de start van het vorige schooljaar stonden we hier voor een raadsel. Al op 1 september hing een wanhopige moeder aan de lijn. Haar zoon was niet meer welkom in de klas omdat hij een vervelende tic had. In de weken nadien werden nog vier gevallen van tics gerapporteerd. Nooit eerder meegemaakt’.

-  intussen een verklaring gevonden?

Swinnen: ‘Een sterk vermoeden. Een tic ontstaat als je brein overprikkeld raakt. Je krijgt _ als je filter niet goed werkt _ teveel geluiden of andere impulsen binnen, waardoor je als reactie zelf onwillekeurige geluiden of bewegingen genereert. Waarom nu die piek in september vorig jaar? De hele maand augustus was het weer rotslecht geweest. Daardoor hebben kinderen nog meer tijd dan anders achter de computer of voor een scherm doorgebracht, met een overdosis prikkels als gevolg’.

vallen motivatieproblemen medicinaal op te lossen?

Swinnen: ‘Dat zou geweldig zijn, een motivatiepil Nee dus, en gelukkig maar, want er wordt al genoeg gemedicaliseerd. Een weinig bekend probleem is het gebrek aan slaaphygiëne. Onze kinderen gaan veel te laat slapen, met alle gevolgen van dien voor hun schoolprestaties. Ouders protesteren als ik dat tijdens een consultatie aankaart. De slaapgewoonten van hun kinderen bijsturen? Alstublieft nee, kan ik niet gewoon een pilletje voorschrijven? Ik weiger dat, behalve als er sprake van een echte stoornis’.

jongens haken vaker af op de middelbare school dan meisjes. Hoe komt dat?

Swinnen: ‘Meisjes puberen vroeger en korter, ze zijn gemiddeld twee jaar rijper dan jongens van dezelfde leeftijd. Hun respectieve breinen werken ook anders. Jongens zijn gericht op actie en visuele prikkels, meisjes op taalvaardigheid, een eigenschap die beter bij een schoolomgeving past en die ook verklaart waarom ze sneller verantwoordelijkheid kunnen dragen en over hun toekomst nadenken. Vroeger, toen jongens en meisjes naar verschillende scholen gingen, viel dat niet op. Nu worden die ongeïnteresseerde jongens met hun concentratieproblemen vergeleken met ijverige meisjes in hun klas’.

sommigen pleiten voor een terugkeer naar gescheiden scholen. Een goed idee?

Swinnen: ‘Ik vind van wel. Vroeger luidde het voornaamste argument voor gemengde scholen dat jongens en meisjes er met elkaar leerden omgaan. Dat klopte, je had vroeger van die 18-jarige jongens die tilt sloegen als ze voor het eerst met een meisje werden geconfronteerd. Maar intussen zijn er buitenschools mogelijkheden zat om contact met het andere geslacht te leggen. Pas op, met die jongens komt het wel goed hoor. Tussen 18 en 21 maken ze de klik. De rede haalt langzamerhand de bovenhand, er ontstaat een toekomstbesef. Het is geen toeval dat kinderen vroeger pas op 21 meerderjarig werden bevonden’.

-  Op 1 september gaan twee nieuwe privéscholen voor hoogbegaafden van start. Ze vervelen zich en haken af in het reguliere onderwijs, zeggen de initiatiefnemers. Bent u voorstander?

Swinnen: ‘Nee. Hoogbegaafdheid is geen stoornis, het is sowieso een troef. Professor Duyck, cognitief psycholoog in Gent, heeft erop gewezen: hoogbegaafden hebben niet meer emotionele problemen dan andere kinderen. Tenzij hun hoogbegaafdheid gepaard gaat met problemen zoals adhd, maar dat geldt evengoed voor normaal begaafde kinderen. Natuurlijk moet er een aanbod zijn voor hoogbegaafden, net zo goed als voor andere kinderen. Maar dat is nu al het geval: lagere scholen organiseren kangoeroeklassen, in het middelbaar heb je sowieso een differentiatie door het aanbod van verschillende richtingen’.

-  over differentiëren gesproken: volgende week treedt het M-decreet op inclusief onderwijs in werking. Leerlingen uit het buitengewoon onderwijs moeten ook in gewone scholen terecht kunnen. Begrijpt u de huiver van vele directies en leerkrachten?

Swinnen: ‘Ik juich inclusief onderwijs toe. Kinderen met een beperking in de klas? Een verrijkende ervaring voor de medeleerlingen, uitstekend voor hun sociale en emotionele ontwikkeling. Directies vrezen dat hun leerkrachten overbevraagd worden, en dat hun niveau gaat zakken. Dat vind ik een enge benadering, al heb ik ook begrip voor de scepsis. De manier waarop het M-decreet wordt uitgevoerd, wekt weinig vertrouwen. De kinderen maken nu al de overstap van het buitengewoon naar het reguliere onderwijs, maar de nodige middelen om hen te begeleiden volgen pas later. Het belooft een lastig schooljaar te worden’.

-  geef toe: al dat differentiëren maakt de taak van de leraar niet eenvoudiger op…

Swinnen: ‘De tijd is voorbij dat een leerkracht jaar in jaar uit dezelfde stof kon geven, met de lesvoorbereiding die hij iedere ochtend kant en klaar uit de lade kon trekken. Het is maatwerk geworden. Leraren hebben veel vakantie. Wat mij betreft verdienen ze die dubbel en dwars., maar tijdens het schooljaar moeten ze bereid zijn keihard te werken. Eigenlijk blijft het een mooie job. Kinderen een jaar lang begeleiden tot ze weer een volgende stap in hun persoonlijke ontwikkeling kunnen zetten. Je zou voor minder gemotiveerd zijn’.

(Geen) Goesting!?, Hoe motiveer ik kinderen en jongeren, Lieve Swinnen, Van Halewyck, 256 pag. Verkrijgbaar vanaf 5 september