Maandelijks archief: juli 2016

Brusselse terro-advocaten maken overuren

Knack, 13 juli 2016

Brusselse balie is hofleverancier van ‘terreuradvocaten’

Cliënten bij de vleet, complexe dossiers, lange procedures: advocaten hebben een vette kluif aan de jihadterreur. Maar steeds meer strafpleiters weigeren om nog meer terreurdossiers aan te nemen. ‘De aanslagen in Brussel hebben alles in een ander licht geplaatst.’

Xavier Carette:

Xavier Carette: ‘ik verdedig geen verdachten die ideeën propageren die indruisen tegen mijn eigen waarden’. (foto: Debby Termonia)

 

Volgens de meest recente cijfers van justitie zitten er in de Belgische gevangenissen 139 terreurgedetineerden, teruggekeerde Syrië-strijders incluis. De behoefte aan juridische bijstand is groot. Driekwart van hen zit in voorhechtenis en ook de meesten van de 33 veroordeelden hebben nog procedures lopen. Brussel is de broedkamer voor terroristen van eigen bodem, geen wonder dus dat de Franstalige balie van Brussel als hofleverancier van terreuradvocaten fungeert. Het gros van de sterk gemediatiseerde dossiers wordt door een select kransje van strafpleiters ingepikt, even bekend in Brussel en Wallonië als hun Vlaamse tegenhangers in het noorden des lands.

‘Ik ben net terug van de raadkamer’, zegt advocaat Xavier Carette terwijl we een van de séparés in het Brusselse justitiepaleis inpalmen. ‘Voor Ibrahim Farisi, een verdachte in het onderzoek naar de aanslagen in Brussel. Een kleine garnaal, hij heeft gewoon de pech dat zijn oudere broer de huurder was van een van de schuilplaatsen van de aanslagplegers.’

Zo zijn er de voorbije maanden wel meer verstrikt geraakt in de netten van het parket-generaal, de instantie die alle terrorismeonderzoeken coördineert. Kleine garnalen, maar ook grote vissen zoals Mohamed Abrini en Osama Krayem, de twee zelfmoordterroristen die 22 maart hebben overleefd. ‘Voor de aanslagen in Brussel zit al een tiental verdachten vast’, zegt Carette. ‘Het contingent van Parijs is daarentegen aan het krimpen, want de meesten zijn aan Frankrijk uitgeleverd. Gisteren is ook mijn cliënt Mohamed Amri vertrokken, de chauffeur die Salah Abdeslam ’s nachts in Parijs is gaan ophalen.’

Carette heeft hemel en aarde bewogen om die uitlevering tegen te houden. Dat het om een vriendendienst ging, argumenteerde hij, Amri en Abdeslam kenden elkaar van kindsbeen af in Molenbeek. Dat ze tijdens die lange autorit over alles en nog wat hebben gepraat. Over voetbal, meisjes en muziek, maar niet over de meervoudige schietpartijen en de massa-executie in Parijs die de hele wereld die nacht in de ban hielden. En dat je in de schoenen van zo’n gast moet gaan staan om zo veel argeloosheid te begrijpen. Tevergeefs, het Hof van Cassatie heeft eind juni de laatste obstakels tegen de uitlevering weggenomen.

Xavier Carette: ‘Ik doe geen Abdeslams of Abrini’s, mijn cliënten zaten niet in het complot en pleegden geen aanslagen.’

En zo werd het voor Xavier Carette een frustrerende werkweek. Twee dagen eerder hoorde hij in ditzelfde justitiepaleis de correctionele rechtbank ook al ongemeen zware celstraffen uitspreken tegen drie verdachten van de zogenaamde cel Verviers. Zijn cliënt Souhaïb El Abdi, leverancier van valse papieren, om die reden beschouwd als logistiek brein van de cel Verviers, kreeg 16 jaar. ‘Onbegrijpelijk’, fulmineert Carette. ‘Het lijkt alsof mijn cliënt de straf heeft gekregen die was bedoeld voor de twee hoofdverdachten die tijdens de politieraid werden doodgeschoten. Op 15 januari 2015 was dat, vlak na Charlie Hebdo  maar lang voor de aanslagen in Parijs en Brussel. Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de rechters Verviers door die bril hebben bekeken. De aanslagen waren de maatstaf, terwijl in het geval van Verviers enkel sprake was van vage intenties zonder concreet doelwit. Dit is bovenal een staaltje van voorbeeldjustitie, bedoeld om anderen af te schrikken zodat ze zich niet met terrorisme inlaten. Maar dat werkt zo niet, integendeel, met zulke buitensporige straffen dreigen ze van de beklaagden martelaren te maken.’

Xavier Carette noemt zichzelf geen terreurspecialist. Drugszaken, inbraken, bankovervallen: dat is wat bij hem brood op de plank brengt. Toch heeft hij al meer dan tien terreurdossiers op de teller. ‘Mijn eerste dateert van 1994’, zegt hij. ‘Een Algerijn in een GIA-dossier. Daarna kwam het GICM-dossier, het Marokkaanse Al-Qaedafiliaal dat achter de aanslagen van 11 maart 2004 in Madrid zat. De cel Maaseik, daar ben ik toen in tussengekomen. De meeste terreurcliënten waren teruggekeerde vrijwilligers. Afghaanse, Iraakse, Somalische en Syrische filières, ik heb het allemaal gezien. Ik zat ook in de affaire-Zerkani, de jihadronselaar die als ‘de kerstman’ bekendstond. Daarna kwamen Verviers en de aanslagen van Parijs en Brussel. Een hele lijst, maar de waarheid is dat ik altijd meelopers heb verdedigd, gasten die zich lieten meesleuren in een zaak waarvan ze de draagwijdte niet beseften. Ik doe geen Abdeslams of Abrini’s, mijn cliënten zaten niet in het complot en pleegden geen aanslagen. Ze raakten er pas zijdelings of achteraf bij betrokken.’

De reacties op het forum van La Dernière Heure liegen er anders niet om. 16 jaar overdreven voor de documentenvervalser van Verviers? Ophangen moesten ze hem, of met gebonden handen en voeten in zee droppen. Carette haalt de schouders op. ‘Ik krijg weleens een boze brief, maar nooit argumenten die me aan het wankelen brengen. Jihadisten de nieuwe volksvijand? Niks nieuws onder de zon, dat zeiden ze ook van de ETA, de IRA en de Rode Brigades. Aan die druk mogen advocaten niet toegeven, anders is het over en uit met de rechtsstaat.’

Ethische vragen

Toch werd enkele weken geleden in de Franstalige media aan de alarmbel getrokken: steeds meer advocaten weigeren principieel terreurdossiers aan te nemen. ‘Dat heeft veel met de aanslagen in Brussel te maken’, beaamt Carette. ‘Rechtstreeks of onrechtstreeks, we kennen allemaal wel een van de slachtoffers. Maar is dat een reden om ons werk niet meer te doen? Uiteraard roepen terreurdossiers ethische vragen op. Maar die rijzen ook als je een beklaagde bijstaat die met voorbedachten rade iemand heeft vermoord. Voor mij is de lijn duidelijk: ik verdedig geen verdachten die ideeën propageren die indruisen tegen mijn eigen waarden, zoals het vernietigen van onze democratische rechtsstaat.’

Is dat dan niet precies wat jihaditerreurcellen beogen, met medeplichtigheid van zijn cliënten-meelopers? Carette valt niet uit zijn rol van advocaat. ‘Iemand die voor het geld documenten vervalst of wapens levert, is wel een crimineel maar daarom geen terrorist’, pareert hij.

Niet alleen principiële redenen verklaren de terughoudendheid van sommige advocaten. Terreurdossiers vreten tijd en energie en worden slecht betaald. Christophe Marchand, een van de bekendste terreuradvocaten, de man die de Belgische Staat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg liet veroordelen in de zaak van de vermeende GICM-aanhanger El Haski, heeft om die reden een stop ingelast. ‘Begrijpelijk’, vindt Carette. ‘Je kunt niet al je tijd in twee of drie terreurdossiers steken en de rest van je cliënteel verwaarlozen, zeker niet als je een kabinet met medewerkers overeind moet houden. Terreurdossiers zijn vaak complexer dan assisenzaken, maar ze worden vergoed als een banale drugszaak: 500 euro per dossier, geld waar je anderhalf jaar op moet wachten. Bij mijn terreurcliënten is het meestal de familie die betaalt. De facto aan verminderd tarief, want het is onmogelijk om alle uren aan te rekenen die je erin steekt. Ik zie het ook als een plicht. Wat is ten slotte de missie van een strafpleiter? Ervoor zorgen dat er geen onschuldigen worden gestraft en dat de rechten van verdachten worden gerespecteerd, los van de feiten waarvoor ze worden vervolgd.’

Syrië-strijders

Dimitri de Béco wordt vaak de rijzende ster van de Brusselse balie genoemd. Een achterhaald cliché, want de 34-jarige, perfect tweetalige strafpleiter heeft zijn plaats aan het firmament al lang veroverd. Onder zijn cliënten bevinden zich publieksvijanden zoals kindermoordenares Geneviève Lhermitte, zuurgooier Roland Remes en Muhammed Aytekin, de doodrijder van de 12-jarige Merel. ‘Ik ben haast vanzelf in de terrorisme-dossiers gerold’, vertelt De Béco in zijn nieuwe kantoor in de Wynantsstraat. ‘Mijn eerste terreurcliënt was Mohamed El Youssoufi, een teruggekeerde Syriëstrijder die ik op het Sharia4Belgium-proces heb verdedigd. Ik kende hem al langer voor feiten van gemeen recht. Zo gaat het vaak in terreurdossiers. Cliënten komen aankloppen omdat ze je kennen van gewone strafzaken, of omdat je ooit een van hun vrienden hebt geholpen. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat er onder mijn terreurcliënten een aantal Tsjetsjenen zitten.’

Dimitri de Béco:

Dimitri de Béco: ‘De terreurdossiers beginnen te wegen op mijn reputatie’. (foto: Debby Termonia)

De meesten van die terreurcliënten zijn Syrië-strijders, een fenomeen waarover de Béco uitgesproken meningen heeft. ‘Vaak gaat het om jongeren die in de periode 2013-2014 vertrokken zijn, sommigen nog als minderjarigen. Van de IS of het kalifaat was nog geen sprake, ze vertrokken toen echt met het ideaal om te gaan strijden tegen de vreselijke dictator Assad. Dan moet je die jongens bij hun terugkeer niet als volwassen IS-aanhangers vervolgen, zoals dat helaas in België gebeurt. Ik word geregeld door wanhopige moeders van Syriëstrijders gecontacteerd. Ze willen hun zoon overtuigen naar huis terug te keren, maar dat lukt nooit als hem hier een zware gevangenisstraf boven het hoofd hangt. Ik ben daarover al met het parket-generaal gaan praten. Of ze zich tenminste soepel zouden opstellen voor diegenen die als minderjarigen zijn vertrokken? ‘Geen sprake van,’ luidt het antwoord, ‘we onderhandelen niet met terroristen’.

Dimitri de Béco: ‘‘Terreurdossiers zullen altijd media-aandacht trekken, ideaal om een reputatie als strafpleiter mee te vestigen’

 

Over de zittende magistratuur klinkt hij, in tegenstelling tot Xavier Carette, veeleer positief. Druk van de publieke opinie? Invloed van het tastbare angstklimaat? ‘Valt wel mee’, vindt de Béco. ‘Natuurlijk zijn ook magistraten mensen die de krant lezen en televisie kijken. Toch vind ik niet dat ze hun onafhankelijkheid verloochenen. Neem nu de recente terreurprocessen in Antwerpen en Brussel. De rechters hebben de moed getoond om sommige Syrië-strijders een tweede kans te bieden, zonder toe te geven aan de publieke druk om collectieve voorbeeldstraffen uit te spreken. Ik zeg dat niet om hen de mouw te vegen of uit dankbaarheid voor een gunstig resultaat. In Brussel kreeg mijn cliënt een zware effectieve straf aangesmeerd, terwijl andere beklaagden voor vergelijkbare feiten lichtere straffen met uitstel kregen. Motief van de rechtbank: we zijn niet gerustgesteld dat uw cliënt tot inkeer is gekomen. Sneu voor mij en vooral voor mijn cliënt, maar het illustreert wel dat de rechters hun beslissingen ook in terreurzaken individueel afwegen.’

Haatmails

Na de aanslagen in Brussel werd hij door drie verschillende verdachten gepolst. Hij heeft ze allemaal afgewimpeld. Net als Christophe Marchand neemt Dimitri de Béco geen nieuwe terreurdossiers meer aan. Niet vanwege de werklast, maar om persoonlijke redenen. ‘De aanslagen in Brussel hebben alles in een ander licht geplaatst’, zegt hij. ‘Een van de slachtoffers in Maalbeek was een student rechten van Saint-Louis, de universiteit waar ik zelf les geef. Op die manier komt het wel heel dichtbij. Maar dat is niet de enige reden. De terreurdossiers beginnen te wegen op mijn reputatie. Ik heb me de voorbije jaren meer en meer toegelegd op financieel strafrecht. Dat is een ander cliënteel met andere gevoeligheden. Het wordt daar moeilijk aanvaard dat een advocaat ook als raadsman van vermeende terroristen in de schijnwerpers staat. Overigens, mijn voorbehoud geldt alleen de verdachten van de aanslagen in Brussel en Parijs. Ik heb intussen wel toegezegd om enkele slachtoffers te verdedigen.’

Het is bekend dat toppleiters wel eens pro Deo optreden in geruchtmakende assisenzaken. Fikse uurtarieven laten ze voor die ene keer graag achterwege, de media-aandacht compenseert ruimschoots de gederfde inkomsten. Sommigen zien daar het essentiële verschil met terreurdossiers: met het verdedigen van jihadisten valt geen eer te rapen, enkel publieke afkeuring en haatmails. Dimitri de Béco relativeert de dictatuur van de publieke opinie. ‘De scherpste reacties heb ik niet gekregen door mijn optreden in terreurzaken. De zaak-Aytekin, de jongeman die Merel heeft doodgereden en daarna vluchtmisdrijf pleegde, ligt veel gevoeliger. Maar de ergste verwijten heb ik geïncasseerd toen ik een minderjarige had vrij gekregen die werd verdacht in een zaak van zware agressie in de Brusselse metro. Een Bulgaarse student werd door een bende in elkaar geslagen en van zes meter hoog op de metrosporen gegooid. Ik stond recht in mijn schoenen, het bewijsmateriaal tegen mijn cliënt rammelde langs alle kanten. Ach ja, dat is het lot van strafpleiters. Mensen zien ons letterlijk als advocaat van de duivel, ze denken dat we daar alleen voor de eigen glorie en de poen staan. We kunnen alleen maar blijven uitleggen wat onze rol precies is. En de bal terugkaatsen: willen ze dan liever een justitie zonder processen en zonder procedures? Dan moeten ze maar naar het kalifaat van de IS verhuizen, daar wordt justitie op die manier bedreven.’

Veel te repressief

Voor een tekort aan terreuradvocaten hoeven we volgens de Béco niet te vrezen. ‘Voor jonge advocaten liggen er zelfs geweldige kansen voor het grijpen’, zegt hij. ‘Terreurdossiers zullen altijd media-aandacht trekken, ideaal om een reputatie als strafpleiter mee te vestigen’.

Daarvoor hoeft zijn confrater Sébastien Courtoy het niet meer te doen. Als iemand het statuut van terreuradvocaat kan claimen, dan is het deze 41-jarige strafpleiter. Zijn klandizie bestaat voor bijna honderd procent uit vermeende moslimterroristen, Syriëstrijders en andere vertegenwoordigers van de radicale islam. Anders dan Xavier Carette verdedigt hij ook de hoofdrolspelers. Zoals Marouane El Bali, de ‘toevallige’ bezoeker in Verviers die de politieraid heeft overleefd. En Mohamed Bakkali, huurder van een schuiloord in de buurt van Namen waar de aanslagen in Parijs werden beraamd. Zijn meest illustere cliënt is ontegensprekelijk Mehdi Nemmouche, de Franse ex-Syriëstrijder die verdacht wordt van de aanslag op het Joods Museum in Brussel waarbij in mei 2014 vier doden vielen. Courtoy, scherp gebekt, nooit verlegen om een provocatie, wordt in de Franstalige media met Jacques Vergès vergeleken, de legendarische Franse toppleiter die notoire slechteriken zoals SS-beul Klaus Barbie en superterrorist Carlos verdedigde.

 

Sebastien Courtoy: ‘‘Ik heb één criterium om cliënten al dan niet aan te nemen: kan ik hem geloven of niet?’

‘Voor mij is het in 2005 begonnen met een zaak van antisemitisme’, vertelt hij. ‘Mijn cliënt was de zoon van sjeik Bassam Ayashin, de stichter van het salafistische Centre Islamique Belge. Ik heb dat voor mijn cliënt glansrijk gewonnen, en daarmee was mijn naam in kringen van radicale moslims gemaakt. Afghanistan, Irak, Somalië, Syrië, al wie verdacht werd van betrokkenheid bij netwerken wist mij te vinden. Voor Syriëstrijders haal ik een succesrate van vijftig procent. Al acht van mijn beklaagden werden onschuldig verklaard. Daar vallen twee conclusies uit te trekken. Onze magistraten blijven objectief, dat is een geruststelling in deze tijden van terreurhysterie. Anderzijds betekent het ook dat het parket veel te repressief optreedt. Het spel wordt vuil gespeeld. Het dossier-Bakkali is intussen al 140.000 pagina’s dik. Dat is een bewuste strategie van het parket. Het probeert de verdediging letterlijk in het papier te verzuipen.’

Nemmouche

Courtoy heeft weinig begrip voor collega’s die sinds de aanslagen in Brussel bedanken voor terreurdossiers. ‘Is er dan een dubbele standaard als het over terreur gaat’, vraagt hij retorisch. ‘Keren onze jongens terug uit Syrië of Irak waar ze gruweldaden hebben gepleegd, dan zijn ze verdedigbaar. Maar o wee als ze diezelfde gruweldaden op eigen bodem plegen met Belgische slachtoffers, dan ineens vallen ze niet meer te verdedigen.’ Courtoy weigert zelf ook wel eens terreurdossiers. ‘Ik heb één criterium om cliënten al dan niet aan te nemen’, zegt hij. ‘Kan ik hem geloven of niet? Als bij een eerste gesprek blijkt dat ze de waarheid niet vertellen, haak ik af. Kies maar een andere advocaat, zeg ik dan, er zijn er in Brussel een stuk of vijfhonderd.’

Geldt dat ook voor Nemmouche, een verdachte die geen enkele medewerking verleent aan het onderzoek naar de aanslag op het Joods Museum? ‘Absoluut’, zegt hij. ‘Ik ben ervan overtuigd dat hij me de waarheid heeft verteld. En wees gerust, hij zal die waarheid ten gepaste tijde bekend maken, op zijn proces.’

Het zal wel in de strategie passen, maar Courtoy aarzelt niet om alvast een tip van de sluier te lichten. ‘Voor het parket was het lange tijd een uitgemaakte zaak: de aanslag was het werk van een zogenaamde eenzame wolf. Intussen zijn er echter nieuwe elementen die in een totaal andere richting wijzen. We weten nu dat Nemmouche contacten onderhield met verschillende kopstukken van de aanslagen in Parijs en Brussel, onder anderen Abaaoud, Achraoui en Bakkali. Wie is overigens de onbekende man naast Nemmouche op de videobeelden die na aanslag in de buurt van het Zuidstation werden germaakt? Twee jaar na de feiten is die nog altijd niet geïdentificeerd, maar de beelden zijn wel duidelijk: we zien dat hij Nemmouche een draagtas overhandigt die sterk lijkt op de tas waarin na zijn arrestatie in Frankrijk de wapens van de aanslag werden aangetroffen. Kijk, mijn cliënt geeft toe dat hij betrokken was bij het complot. Maar hij ontkent formeel dat hij de schutter was. Dat begint de onderzoeksrechter ook in te zien. Er is trouwens geen enkel materieel bewijs zoals DNA-sporen dat mijn cliënt aan de plaats van de aanslag linkt.’

Grootspraak van een strafpleiter die het stempel beroepsprovocateur als een geuzennaam draagt? ‘Helemaal niet’, zegt Courtoy. ‘Waarom denk je dat het proces Nemmouche met minstens een jaar werd uitgesteld, tot eind 2017? Het onderzoek moet helemaal worden overgedaan. Geloof me, ik kijk dat proces met veel vertrouwen tegemoet.’

 

 

 

 

Ere-ambassadeur Patrick Nothomb over de Culturele Revolutie: ‘China was in een woestijn herschapen’

Knack, 6 juli 2016

 

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

Japan is zijn grote liefde, maar in China had hij afspraak met de geschiedenis. Patrick Nothomb ontdekte als eerste Belgische diplomaat de smeulende puinhopen van de Culturele Revolutie die precies vijftig jaar geleden losbarstte. Zijn dochter Amélie vond er inspiratie voor een boek over een wonderlijke kindertijd, maar zelf had hij het niet onder de markt. ‘De paranoia was totaal. De mensen in Peking staken de stoep over om niet met ons te worden gezien’. Terugblik door een gepensioneerd topdiplomaat met een roestvrij geheugen.

Afspreken in Habay-La-Neuve in hartje Gaumestreek. Geen cadeau op een door regenweer en spoorstakingen getormenteerde dag. Gelukkig compenseert Patrick Nothomb het fileleed met een briljante ingeving om de stabiliteit en het imago van het vaderland te verbeteren. Waarom staken de spoormannen en de cipiers niet zoals de Japanse vakbonden? ‘Dat gaat zo’, legt de gewezen ambassadeur aanschouwelijk uit. ‘Ze knopen een doek rond hun voorhoofd met daarop de boodschap, ik staak. Zo gaan ze naar hun werk, even stipt als altijd. Geloof het of niet, maar dat heeft effect. De schande voor de werkgever is zo groot, dat hij binnen de kortste keren overstag gaat en tegemoet komt aan de vakbondseisen’.

Baron Patrick Nothomb (80), nazaat van België-stichter Jean-Baptiste, neef van oud-minister Charles-Ferdinand, heeft het niet van horen zeggen. Van zijn 42 jaar in diplomatieke dienst heeft hij een derde in Japan doorgebracht. Van 1988 tot 1998 was hij er ambassadeur, een periode waarin hij niet alleen zijn kennis van het Japans perfectioneerde, maar ook een reputatie verwierf als vertolker van traditionele No-liederen. Zijn dochter Amélie, intussen de beroemdste telg uit het geslacht Nothomb, heeft uit die Japanse periode enkele autobiografische romans gepuurd. Haar jongste boek echter speelt zich in de Ardennen af, waar ze een moord laat plegen in een adelijk kasteel. Nee, verduidelijkt een trotste vader, het gaat niet om het familiekasteel aan de overkant van de straat. ‘Maar de protagonist is wel geïnspireerd op mijn eigen grootvader. Net als graaf de Neuville leefde die boven zijn stand en gaf hij een keer per jaar een grandioos feest. Op die manier zijn we trouwens ons kasteel kwijtgespeeld’. Niet dat de gepensioneerde topdiplomaat om grandeur maalt. Hij heeft een pied-à-terre in Brussel, maar meestal woont hij met zijn vrouw in dit uitgeleefde, sjofel bemeubelde rijtjeshuis. Met uitzicht op het verloren familiekasteel aan de overkant van de straat, al wordt dat danig belemmerd door torenhoge boekenstapels op de vensterbank.

Japan is zijn tweede vaderland, maar niet het toneel waar hij afspraak met de geschiedenis had. Een eerste keer gebeurde dat in 1964 in de Congolese stad Stanleystad, het huidige Kisangani. De piepjonge consul-generaal werd samen met honderden Belgen en andere buitenlanders gedurende vier maanden door Simba-rebellen gegijzeld. De beproeving eindigde na een spectaculaire ingreep door Belgische para’s, algemeen beschouwd als een succes ondanks de dertig Belgische doden. Dat de bekendste Simba-leider Pierre Mulele een in China opgeleide guerrillero en Mao-adept was, mag ironisch heten. Zijn tweede rendez-vous met de geschiedenis vond immers acht jaar later plaats in Peking, waar Nothomb als eerste Belgische diplomaat de naschokken registreerde van Grote Proletarische Culturele Revolutie die Mao precies 50 jaar geleden ontketende.

Patrick Nothomb: Ik was al vier jaar consul-generaal in Osaka, een post die ik zelf had geopend in de aanloop naar de Wereldtentoonstelling van 1970. Daar ben ik instant verliefd geworden op Japan en zijn cultuur. Ooit, zo nam ik me voor, word ik hier ambassadeur. Ik had al op een verlenging van mijn opdracht aangedrongen, toen ik in september 1971 van Brussel een onverwachte vraag kreeg: wilt u als zaakgelastigde naar Peking om er een Belgische ambassade te openen? Jammer van Osaka, maar ik heb geen seconde geaarzeld. Peking was op dat moment de hotste bestemming in de hele diplomatie. Goed dus voor mijn carrière, bovendien was ik erg nieuwsgierig. China was sinds de communistische machtsovername in 1949 een blinde vlek voor de hele Westerse diplomatie. Net zoals de Amerikanen en de meeste Europese landen had België de Volksrepubliek niet erkend, voor ons was China het Taiwan van Chiang Kai Shek. Alleen Zwitserland en de Scandinavische landen hadden een ambassadeur in Peking, terwijl de Engelsen en de Nederlanders er een zaakgelastigde op post hielden, zelfs tijdens de hoogdagen van de Culturele Revolutie.

- waarom die koerswijziging, nog wel in volle Culturele Revolutie?

Nothomb:  In september 1971 was het ergste al achter de rug. Lin Biao, de tweede man na Mao en hardliner van de Culturele Revolutie, was net van het toneel verdwenen. Neergestort boven Mongolië toen hij met een vliegtuig naar de Sovjetunie wilde vluchten nadat zijn coup tegen Mao was mislukt. Dat is tenminste de officiële versie, volgens hardnekkige geruchten in Peking werd hij door tegenstanders uit het kamp van ‘gematigde’ premier Zhou Enlai geëxecuteerd. Dat lijkt me aannemelijk, want de Russen hebben nooit willen bevestigen dat Lin BIao aan boord was van het wrak dat ze wel degelijk hebben geborgen. Het zou nochtans fantastische propaganda zijn geweest: de nummer twee van maoïstisch China die naar Moskou vlucht. De Sovjetunie, moet je weten, was toen de aartsvijand van China. In de ogen van Mao waren Stalins opvolgers Chroetsjev en Breznjev revisionisten, zowat het ergste verwijt uit de rode canon. Van de weeromstuit had Mao toenadering tot Amerika gezocht. 1971 was immers ook het jaar van de pingpong-diplomatie, het historische staatsbezoek van president Nixon hing al in de lucht. Toen er met de dood van Lin Biao de facto een einde kwam aan de Culturele Revolutie, was het hek pas goed van de dam. Alle landen uit het Westerse kamp stonden letterlijk te drummen om de Volksrepubliek te erkennen en een ambassade te openen, de Chinezen konden niet volgen met het bouwen van residenties. Het was een echte race, want ambassades werden volgens het first come first serve-principe toegewezen. Ik ben op 11 april 1972 in Peking gearriveerd, als eerste van een peloton van zes, op de hielen gezeten door de Libanezen en de Turken. De Rwandezen, laatsten in ons groepje, hebben een jaar langer in het afgrijselijke Peking Hotel moeten wachten op hun residentie.

- U trof een land aan dat vijf jaar lang op stelten had gestaan. Viel dat eraan te merken?  

Nothomb: De grootste excessen waren voorbij. De scholen en universiteiten waren opnieuw geopend, de Rode Gardisten waren naar het platteland gestuurd, er trokken geen kolkende volksmassa’s meer door de straten van Peking, alleen voor de Russische ambassade werd nog dagelijks betoogd. De impact van de beeldenstorm viel moeilijk in te schatten. Tempels en musea bleven de hele tijd gesloten, sporen van vandalisme werden met doeken afgedekt. Mijn hart van cultuurminaar bloedde. China, met zijn vijfduizend jaar oude beschaving, was in een woestijn herschapen. Peking zag er grauw en lelijk uit, net zoals de mensen. Vrouwen droegen geen make-up, iedereen liep met hetzelfde kapsel en in hetzelfde vaalblauwe Mao-uniform. Erger nog was de paranoia. Het was voor diplomaten totaal ondenkbaar om contact met gewone Chinezen te leggen. Dat was om te beginnen niet de bedoeling. De nieuwe ambassades lagen gegroepeerd in twee wijken die voor Chinezen verboden terrein waren. Personeel zoals tolken en chauffeurs werd ons toegewezen, ze moesten ons niet alleen bijstaan maar ons en elkaar ook bespioneren. Maar zelfs zonder die controle zou het nooit gelukt zijn een Chinees aan te spreken. Als je buiten de diplomatenwijk wandelde, staken ze de straat over om je te vermijden. Niet uit xenofobie, maar uit angst. Zie je, voor 1966 was er meer openheid en onderhielden heel wat Chinezen vriendschappelijke banden met buitenlanders. Dat is hen tijdens de Culturele Revolutie bijzonder slecht bekomen, al wie ooit met buitenlanders was omgegaan, werd daar zwaar voor gestraft.

- volgens de geschiedenisboeken is de Culturele Revolutie pas in 1976, na de dood van Mao en de val van de Bende van Vier, afgelopen…

Nothomb: Ik begrijp de verwarring. Na de dood van Lin Biao is China in een overgangsperiode beland. De storm was gaan liggen, maar de Culturele Revolutie was nog niet vatbaar voor kritiek, in officiële mededelingen werd ze onverminderd als een succes bestempeld. Politiek werd het land intussen volledig verlamd door de machtsstrijd tussen gematigden en radicalen. Aan de ene kant stonden de aanhangers van Zhou Enlai die de Culturele Revolutie wilden terugdraaien, omdat ze vreesden voor een nieuwe catastrofe zoals de Grote Sprong Voorwaarts. De Bende van Vier daarentegen, met Mao’s vrouw Jiang Qing als spilfiguur, wilde het revolutionaire vuur juist oppoken. Voor ons was het erg moeilijk om die machtsstrijd te doorgronden. In de bilaterale diplomatie probeer je via je netwerk van bevriende ambtenaren of burgers de vinger aan de de pols te houden. Dat was in China onmogelijk, we moesten het stellen met een officieel bulletin met holle slogans dat dagelijks  onder alle diplomaten werd verspreid. Soms echter kon je tekens aan de wand lezen. In het Paleis van het Volk werden voortdurend banketten georganiseerd ter ere van de hoge buitenlandse gasten die elkaar opvolgden.Twee per staatsbezoek, bij aankomst en bij vertrek. Telkens werd het hele corps diplomatique uitgenodigd, volgens een strikt protocol waarin de status van de gast en de rang van de genodigden elkaar in evenwicht hielden. Saaie boel, kan ik je verzekeren. Je kon zelfs perfect het moment voorspellen waarop de Sovjet-delegatie ostentatief de zaal zou verlaten, in haar spoor gevolgd door de vrienden uit Oost-Europa, Cuba, Mongolië en Viëtnam. De Chinese gastheer, vaak Zhou Enlai himself, maakte er immers een sport van om tijdens zijn speech de Sovjets minstens een keer stevig te beledigen. Omdat de tekst vooraf werd rondgedeeld, wisten die precies wanneer ze van de tafel moesten weglopen. Het dessert hebben ze nooit gehaald. (lacht)

- maar u had het over tekens aan de wand…

Nothomb: Oh ja. Kijk, bij die banketten werden aanwezigheidslijsten verspreid. Vooral de namen van de Chinese genodigden trokken onze aandacht, want daaruit kon je soms interne verschuivingen afleiden. In april 1973 keerde onze ambassadeur met groot nieuws terug van zo’n banket: Deng Xiao Ping stond op de lijst! Dat betekende een triomf voor het gematigde kamp. Deng, de latere partijleider en sterke man, was tijdens de Culturele Revolutie in ongenade gevallen en naar een werkkamp gestuurd. Dat hij het heeft overleefd, komt alleen omdat Zhou Enlai hem kon beschermen. Maar ook de Bende van Vier scoorde punten. De wereldberoemde Italiaanse cineast Antonioni had met toestemming van Zhou Enlai een documentaire over de Culturele Revolutie gedraaid. Zijn film werd in China echter verboden en streng veroordeeld, een manier van de radicalen om Zhou Enlai te desavoueren.

- aan wiens kant stond Mao?

Nothomb: Dat bleef een mysterie. Mao was oud en ziekelijk, er werd getwijfeld aan ziijn geestelijke vermogens. Staatsbezoeken verliepen volgens een onwrikbaar scenario. Alles was tot op de minuut gepland, alleen het verplichte bezoek aan Mao werd niet vooraf ingevuld omdat de Chinezen zeker wilden zijn dat de Grote Roerganger een helder moment had. Het kon zelfs gebeuren dat een ontvangst door Zhou Enlai halfweg werd afgebroken, omdat de hoge bezoeker als de wiedeweerga bij Mao langs moest.

- een van die hoge bezoekers was de Zaïrese president en dictator Mobutu Sese Seko, een oude bekende van u. Blij weerzien?

Nothomb: Jawel. Ik had hem in mijn Congolese periode goed leren kennen. De Belgische ambassadeur heeft me daarom meegevraagd toen hij naar protocollair gebruik met de andere ambassadeurs Mobutu op de luchthaven ging verwelkomen. Ik stond daar als laagste in rang, maar tot verbijstering van de Chinezen en het voltallige corps diplomatique kreeg ik als enige een warme accolade. Mobutu had lak aan protocol. Later heeft hij me in zijn hotel voor een privé gesprek ontboden, terwijl hij op hetzelfde moment op een ontmoeting met de Afrikaanse ambassadeurs werd verwacht. Voor mij was het een buitenkans, want hij had intussen zijn bezoek aan Mao afgelegd. Compleet gaga, was zijn oordeel, er komt geen zinnig woord meer uit. Daarmee bevestigde hij wat iedereen vermoedde maar nog niemand hardop had durven zeggen.

- onvergetelijk moment, zonder twijfel. Maar volstaat dat om Mobutu in uw memoires een vriend te noemen? Toen die in 2004 verschenen, was al lang duidelijk wat een puinhoop hij van zijn land heeft gemaakt..

 

Nothomb: Ik wil zijn beleid niet vergoelijken, maar tijdens de Simba-opstand heeft hij zich als een grote meneer gedragen. Als opperbevelhebber van het Congolese leger had hij zelf een zware tijd, maar toch heeft hij zich persoonlijk ontfermd over mijn gezin terwijl ik in Stanleystad gegijzeld zat. Zoiets vergeet je niet. Ik volg Congo niet op de voet, maar van het huidige regime moet ik alleszins niet weten. Joseph Kabila is tenslotte de zoon van Laurent-Désiré, een van de leiders van de Simba-rebellie die tot het bloedbad van Stanleystad heeft geleid. Maar wees gerust, die persoonlijke appreciatie maakt mij niet blind voor Mobutu’s schaduwkant. Toen hij in 1973 op staatsbezoek kwam, stond zijn macht in het zenit. Hij had de Zaïrianisering en de authenticité gelanceerd, gekoppeld aan een personencultus die hij van Mao had afgekeken. Dat belette hem niet om tijdens het staatsbanket in Peking de zaken om te draaien. Hij vond het verheugend, zo verklaarde hij tijdens zijn speech, dat de Chinezen zijn voorbeeld waren gevolgd. De gastheren aanhoorden het met een pokerface, maar de Afrikaanse ambassadeurs waren ziedend. Mobutu had immers ook geponeerd dat Zaïre als een van de eerste Afrikaanse landen de Volksrepubliek had erkend, terwijl het in werkelijkheid zowat als hekkensluiter aan de beurt kwam.

- sinoloog Pierre Ryckmans, beter bekend onder zijn schrijversnaam Simon Leys, werkte in 1972 op de Belgische ambassade als cultureel attaché. Onwaarschijnlijk, want Leys had in zijn pas verschenen en bijzonder explosieve boek ‘De nieuwe kleren van president Mao’  brandhout gemaakt van Mao en zijn Culturele Revolutie. Waarom hebben de Chinezen hem toegelaten?

Nothomb: ‘Ik geloofde het zelf niet toen ik het bericht uit Brussel ontving. Leys was de allereerste sinoloog die poneerde dat de Culturele Revolutie niets met een revolutie en nog minder met cultuur te maken had, maar alles met een brute strijd om de macht. Mao was na het fiasco van de Grote Sprong Voorwaarts zijn greep op de partij kwijt geraakt, en daarom heeft hij de massa’s gemobiliseerd. Niet toevallig was de gematigde president Liu Shaoqi een van de eerste slachtoffers. Mao verloor echter de controle over het monster dat hij zelf had opgetrommeld, de interne zuiveringscampagne is compleet uit de hand gelopen. Leys, die met zijn Taiwanese vrouw in Brits Hong Kong woonde, heeft dat in zijn boek minutieus gedocumenteerd. Hij baseerde zich uitsluitend op Chinese bronnen, kranten, documenten en getuigenissen van vluchtelingen die met duizenden tegelijk in Hong Kong aanspoelden. Dat maakte zijn aanklacht zo krachtig, zijn conclusies waren onweerlegbaar. Leys was voor de ambassade een geweldige aanwinst, maar ik heb Brussel gewaarschuwd dat de Chinezen hem nooit ofte nimmer zouden accepteren. Geen probleem, kwam het antwoord, hij heeft al een visum. Natuurlijk had hij dat onder zijn echte naam Pierre Ryckmans aangevraagd, maar de Chinezen wisten perfect wie hij was. Mijn theorie achteraf: het kamp van Zhou Enlai wilde hem de kans geven om zijn kritiek op Culturele Revolutie kracht bij te zetten. Dat bleek ook tijdens zijn verblijf. Diplomaten hadden een vergunning nodig om naar het binnenland te reizen. Vaak werd die geweigerd, maar Leys kreeg alle faciliteiten om het land af te schuimen en zijn ogen en oren de kost te geven. Hij is uiteindelijk maar een half jaar gebleven, maar dat volstond om stof voor zijn meesterwerk ‘Ombres chinoises te verzamelen. We zijn vrienden gebleven, tot zijn dood twee jaar geleden. Het mooie is dat Amélie hem vorig jaar is kunnen opvolgen als lid van de Académie de Littérature française de Belgique. Ze heeft hem in haar aanvaardingsspeech een mooi eresaluut gebracht.

- Leys was een echte iconoclast, heel weldenkend, links Europa viel over zijn boek. Vooral Franse intellectuelen voerden een haatcampagne tegen de kleine Belg die Mao met zijn Culturele Revolutie van zijn voetstuk haalde. Hoe valt die fascinatie te verklaren?

Nothomb: Ach, intellectuelen. Soms gedragen die zich ook maar als schapen. Vooral Franse intellectuelen, die liepen allemaal Sartre achterna, een halfgod die dweepte met de Culturele Revolutie. Het lag ook aan de tijdsgeest. Velen keken naar China door de bril van Mei ’68, terwijl er werkelijk geen enkel verband bestond tussen het Europese studentenprotest en de furie van de Rode Gardisten. Ook in België had je overtuigde aanhangers. Een van mijn eerste opdrachten als zaakwaarnemer was het onthaal van een delegatie Belgische Maoïsten. China was heel gesloten, maar voor het jaarlijkse 1 Mei-feest werden Maoïsten uit de hele wereld uitgenodigd. De Albanese delegatie was uiteraard de grootste, dat land was toen het China van Europa. Ik ben de naam van hun partijtje vergeten, maar de Belgische delegatie stond onder leiding van Sarah Huysmans, de dochter van de legendarische Camille Huysmans. Vriendelijke dame, de enige met wie ik kon praten. Met de rest van de delegatie kreeg ik geen contact, die spuwden me uit als een agent van het vuige bourgeoiskapitalisme. (lacht)

- U bent tweeënhalf jaar op post gebleven. Nadien nog teruggekeerd naar China?

Nothomb: Vaak zelfs. Als Directeur Azië en Oceanïe, een functie die ik van 1980 tot 1984 heb bekleed, ben ik er zowel met koning Boudewijn als met premier Tindemans op officieel bezoek geweest. Na mijn pensionering ben ik adviseur van de provinciegouverneur van Luxemburg geworden. Omdat we een zusterschap hebben met de provincie Heilongjiang, vloog ik er minstens een keer per jaar heen. Ieder keer weer keek ik mijn ogen uit, de snelheid van de transformatie is niet te bevatten. Toen ik als diplomaat in Peking verbleef, was het observatorium van pater Verbiest een urban landmark. Hoogbouw? Bestond niet in die tijd. Vandaag moet je het observatorium met een vergrootglas zoeken tussen een oerwoud van glazen wolkenkrabbers.

- uw dochter Amélie schetst in Sabotage Amoureux een hilarisch maar tegelijkertijd idyllisch beeld van haar prille kindertijd in Peking. Hoe realistisch is dat?  

Nothomb: Voor kinderen was de afgesloten diplomatenwijk een paradijs. Amélie, André en Juliette speelden de hele tijd buiten, met kinderen van alle mogelijke nationaliteiten. Ook onder diplomaten heerste er een opvallende solidariteit. Omdat we allemaal dezelfde problemen ondervonden, werd iedere morzel informatie sportief gedeeld. Zelfs met de collega’s van het Sovjetkamp waren de relaties hartelijk. Ik was zelf goed bevriend met mijn Tsjechoslowaakse evenknie. Om de zoveel maanden reisde ik naar Hong Kong. Rest and recreation, heette dat, maar het was vooral een kans om te shoppen. Ik speelde dan ook boodschappenjongen voor mijn Tsjechische vriend, want die kreeg geen visum voor Hong Kong. Een pesterij van de Chinezen: ze hadden de Britten beloofd Hong Kong met rust te laten, op voorwaarde dat ze hun aartsvijanden uit het Sovjetkamp buiten hielden. Het idee dat communistische landen één hecht blok vormen, dat ben ik in Peking snel kwijtgeraakt. De Roemenen, dissidenten binnen het Oostblok, waren altijd bereid om de laatste nieuwtjes uit de interne rode keuken taan onze neus te hangen. Peking was een moeilijke post om vat te krijgen op het gastland, maar ook een ideale plek om de internationale politiek te observeren.