“De Volksunie hielp collaborateurs aan een Duits oorlogspensioen”

Alvin De Coninck over Duitse oorlogspensioenen voor collaborateurs

Knack Magazine, 10 april 2019

Belgische collaborateurs of nabestaanden ontvangen tot vandaag een Duits pensioen voor bewezen diensten aan het Derde Rijk. Een schande, vindt Alvin De Coninck die de zaak voor het Belgisch parlement bracht. Gesprek over een persoonlijke queeste.



Foto: Franky Verdickt

Zelfstandig denker op rust, zo staat het op Alvin De Conincks naamkaartje. Bij de pensioendienst kennen ze hem inderdaad als zelfstandige. Taxi rijden en denken, het eerste deed hij om den brode, het tweede uit noodzaak. Wie tussen beide zelfstandige activiteiten een onverenigbaarheid bespeurt, vergist zich schromelijk. ‘In elk beroep vind je wel één of twee procent intellectuelen’, ginnegapt hij tijdens een lang gesprek in een Leuvense koffiebar.

Alvin De Coninck (74) ligt aan de basis van een merkwaardig verhaal dat een knipperlicht-relatie met de actualiteit onderhoudt. Duitsland betaalt tot op heden pensioenen aan Belgische collaborateurs, zo luidt de korte samenvatting van een complex dossier waarvan de voorbije jaren meer en meer details bekend raakten. Telkens met dank aan De Coninck die zich na zijn pensionering in 2011 vastbeet in een zaak die intussen ruis zet op de doorgaans kraakvrije lijn tussen Brussel en Berlijn. Zo keurde de Kamer op 14 maart een resolutie goed met een dringende oproep aan Duitsland om sofort opheldering te verschaffen over het aantal en de identiteit van de begunstigden, bij voorkeur door middel van een bilaterale onderzoekscommissie. De tekst van de resolutie, ingediend door Défi-leider Olivier Maingain, werd goeddeels door De Coninck geïnspireerd. Zijn campagne werd internationaal opgepikt. De Coninck haalde met zijn Nazi-pensioenen onder meer de New York Times en de cover van Bild Zeitung.

Zijn drijfveer mag gerust persoonlijk worden genoemd. De Coninck kan met evenveel recht als Harry Mulisch poneren dat hij de oorlog is. Zijn in 2006 overleden vader was een monument van het verzet tegen de nazi-bezetter. Albert De Coninck, overtuigd communist, Brigadist tijdens de Spaanse burgeroorlog, schopte het tijdens de oorlog tot commandant van de Vlaamse partizanen, de gewapende arm van het communistisch geïnspireerde Onafhankelijkheidsfront. Ook Rachel Souritz, zijn joodse moeder die hem twee weken na de bevrijding op de wereld zette, verdiende haar sporen bij het verzet. Het onwaarschijnlijke verhaal van die geboorte zal hij pas op het einde van het gesprek, na enig aarzelen, prijs geven. Maar we mogen nu al weten dat zijn joodse grootvader en tante in Auschwitz werden vermoord, na eerst in Antwerpen te zijn verklikt. Zijn Mechelse opa werd dan weer doodgeslagen door de Gestapo, tijdens een zoektocht naar de ongrijpbare Albert De Coninck.

Over het aantal pensioentrekkende collaborateurs wordt gespeculeerd. In de media circuleren cijfers van 18 tot 27. De begunstigden zijn ofwel stokoud ofwel lang dood. De cijfers slaan immers op actieve dossiers, het geld kan even goed bij weduwen of andere nabestaanden belanden.

Waarom maakt u zich druk? Het probleem lost zichzelf op, binnen vijf à tien jaar staat de teller op nul.

De Coninck: Het gaat om het principe. Zelfs als alle titularissen zijn overleden en het laatste dossier wordt afgesloten, blijft het een schande. Duitsland heeft decennialang voortgezette salarissen, pensioenen en sociale uitkeringen betaald aan collaborateurs. Dat gebeurde in de grootste discretie, ironisch genoeg met medewerking van het Duitse en Belgische Rode Kruis. Want zo ging het in de praktijk: de voortgezette salarissen werden via een van de deelstaten aan het Duitse Rode Kruis overgemaakt, en van daar vloeide het via het Belgische Rode Kruis naar de rechthebbenden, belastingvrij in beide landen nota bene. Waarschijnlijk is het Rode Kruis die rol bij het uitbetalen van pensioenen blijven spelen, maar dat weten we niet zeker. Het Simon Wiesenthal Instituut in Wenen heeft dat proberen te onderzoeken, niet alleen voor België trouwens. Helaas, geen enkele Rode Kruis-afdeling wil haar archieven open stellen. Het belonen van collaborateurs is op zich al moreel verwerpelijk, maar daar stopt het niet. Even bedenkelijk is de houding die Duitsland tot op de dag van vandaag in dit dossier aanneemt. Van een bevriend buurland had België echt wel meer openheid mogen verwachten.

Heus? Rudiger Ludeking is als toenmalig Duits ambassadeur in mei 2017 voor de Kamercommissie Buitenlandse Zaken uitleg komen geven.

De Coninck: Inderdaad, en hij heeft er vooral mist gespuid. Volgens hem was er geen sprake van pensioenen, het ging om uitkeringen die pasten onder het Bundesversorgungsgesetz. Die wet uit 1950 regelt de bijstand voor oorlogsslachtoffers in dienst van het Duitse Rijk, zoals soldaten die verminkingen hadden opgelopen of jaren in krijgsgevangenschap hadden gesleten. Die regeling, een onderdeel van de Duitse sociale zekerheid, geldt ook voor niet-Duitse oorlogsslachtoffers, inbegrepen collaborateurs. Zijn opvolger Martin Kotthaus heeft onlangs nog tijdens een debat op RTL-TVI diezelfde riedel afgedraaid. Een week later echter moest hij al een bocht nemen. Journalisten van Le Soir hadden hem geconfronteerd met bewijsmateriaal uit mijn dossier. Ineens luidde het dat het toch niet helemaal ondenkbaar was dat er behalve sociale uitkeringen ook pensioenen aan collaborateurs worden betaald.

Uw detectivewerk leidde naar Berkenkruis, het ledenblad van het Sint-Maartenfonds dat tot 2006 de belangen van de Vlaamse Oostfront-strijders behartigde. Welke bewijzen vond u daarin?

De Coninck: Ik heb alle jaargangen doorploegd, tot in de jaren zeventig en tachtig verschenen er geregeld artikels over de Duitse oorlogspensioenen. Het hoorde bij de lezersservice, er werden zelfs modelformulieren voor het aanvragen van een pensioen afgedrukt. Vandaag schrikken we van deze toestand, maar na de oorlog was er helemaal geen geheim bij. Collaborateurs hadden een arbeidscontract met het Derde Rijk. Ik heb het dan specifiek over de militaire collaboratie. Behalve de SS’ers van het Vlaams en Waals Legioen hoorde daar onder meer de NSKK bij, een logistieke eenheid die de Wehrmacht hielp met transport en bewakingsopdrachten. Vooral in de eerste fase van de oorlog werden veel van die contracten voor onbepaalde duur afgesloten, vanuit de optimistische redenering dat het zaakje al tegen Kerstmis zou beklonken zijn. Al die contracten bleven na de oorlog geldig, tenminste in de Bondsrepubliek die een heel andere politiek voerde dan de DDR. De Bondsrepubliek beschouwde zichzelf in burgerrechterlijk opzicht als de opvolgstaat van het Derde Rijk. Contracten zijn heilig, en dus werden ook de arbeidscontracten van buitenlandse collaborateurs gehonoreerd. Wedden bleven gewoon doorlopen, na verloop van tijd werden dat pensioenen. Niet alleen in België, maar overal in Europa, zelfs in neutrale staten. 6.000 Zwitsers en 4.000 Zweden zijn vrijwillig voor Hitler gaan vechten, dat is weinig bekend.

In haar servicepagina’s aarzelde Berkenkruis niet om voor verdere inlichtingen naar de Volksunie te verwijzen. Welke rol speelde die partij precies?

De Coninck: De service kon verschillende vormen aannemen. Op een bepaald moment verwijst Berkenkruis zijn lezers inderdaad voor verdere inlichtingen naar de sociale dienst van de Volksunie, met adres en telefoonnummer erbij. Maar sommige mandatarissen spanden zich ook persoonlijk in om collaborateurs met hun pensioenaanvraag te helpen. Willy Kuijpers ging daar het verst in, hij reed geregeld met Oostfronters naar Aken, naar de sociale dienst van Noordrijn-Westfalen, de deelstaat bevoegd voor de pensioenen in België en Nederland.

Willy Kuijpers maakt daar geen geheim van. Integendeel, hij heeft zijn dienstbetoon in een recent televisiedebat op RTL-TVI verdedigd. Het werd een wat gênante vertoning, een van de panelleden is zelfs uit protest opgestapt. Hoe ziet u Kuijpers engagement?

De Coninck: Moeilijk vraag, want ik ken hem al heel lang. Ik heb Kuijpers vaak in mijn taxi vervoerd, vooral in de periode toen hij volksvertegenwoordiger was. Meer nog, hij heeft ervoor gezorgd dat ik een van de vaste taxichauffeurs van de quaestuur van de Kamer werd. We konden goed opschieten. Kuypers is oprecht progressief, sociaal voelend en absoluut geen racist.

Kende hij uw achtergrond?

De Coninck: Nee, daarover heb ik hem pas verteld toen ik hem vorige zomer met de bevindingen van mijn onderzoek ging confronteren. Zonder veel resultaat overigens. Hij ontkende niks, maar ik ben er niet veel wijzer van geworden. Kuijpers was ook niet de enige binnen zijn partij. De Volksunie zag collaborateurs als kameraden die misschien wel betwistbare keuzes hadden gemaakt, maar die toch vooral geestesgenoten waren die alle solidariteit verdienden. Ik wil die partij hier niet viseren. Als het gaat over het acceptabel maken van de collaboratie in Vlaanderen na de oorlog, dan heeft de CVP (voorloper CD&V, ER) een veel grotere rol gespeeld.

Er bestaat onduidelijkheid over het aantal nazi-pensioenen die in België worden uitbetaald. Heeft u een idee?

De Coninck: Volgens Duitse bronnen zou het om hooguit een twintigtal gaan, maar het is niet duidelijk waar dat cijfer vandaan komt. Toen de Kamercommissie Buitenlandse Zaken bij de Duitse instanties cijfers en namen opvroeg, kreeg ze nul op het rekest. Die vraag moesten we aan de Länder stellen, en die Länder schermen op hun beurt met privacy-bezwaren. Het hele systeem, met geld dat uit tal van verschillende fondsen komt, is sowieso weinig transparant. Maar er zijn indicaties. In 1997 heeft ARD Panorama voor het eerst de aandacht gevestigd op de pensioenkwestie. Het ging toen over Deense collaborateurs, maar die uitzending heeft ook in België voor controverse gezorgd. Fred Erdman (SP.A) heeft toen in de senaat uitleg gevraagd aan minister van pensioenen Marcel Colla, maar die beet zijn partijgenoot toe dat hij zich niet te bemoeien had met privé-aangelegenheden. Hoe dan ook, volgens Erdman ging het destijds om een kleine 400 begunstigden.

Intussen zijn we 20 jaar later. Hoeveel schieten er daarvan over?

De Coninck: Bij het begin van mijn opzoekingen in 2011 heb ik zelf een extrapolatie gemaakt. Het vertrekpunt was helder: in ons land werden tijdens de oorlog 38.000 militaire arbeidscontracten ondertekend, van Waffen SS tot logistieke collaboratie. 25.000 Vlaamse en 13.000 Waalse dossiers, ook die verdeelsleutel is bekend. Dat betekent niet dat er in België 38.000 collaborateurs rondliepen. Sommigen hebben meerdere kortlopende contracten ondertekend, gemiddeld waren er tienduizend landgenoten in militaire dienst van de Nazi’s. In 2011 waren volgens mijn gegevens 6 procent van die dossiers actief. Daarmee kwam ik uit op een theoretisch maximum van 2.400 rechthebbenden, collaborateurs en hun nabestaanden. Intussen zijn we natuurlijk alweer acht jaar verder.

Kunnen er ook oorlogsmisdadigers tussen zitten?

De Coninck: De Duitse ambassadeur heeft in de Kamercommissie Buitenlandse Zaken uitgesloten dat er onder de Belgische militaire collaborateurs veroordeelden waren voor schending van de mensenrechten of het begaan van oorlogsmisdaden. Dat klonk echter niet overtuigend, want de ambassadeur baseerde zich op een onderzoek door het ministerie van Volksgezondheid van Noordrijn-Westfalen. Dat ging dus alweer over de schadevergoeding voor oorlogsslachtoffers, niet over oorlogspensioenen.  Een onderzoek naar eventuele Belgische strafdossiers werd alleszins nooit gevoerd. Kijk, de Duitse houding is op dit punt altijd ambigu gebleven. De Bondsrepubliek heeft de Nürnberg-veroordelingen bijvoorbeeld nooit erkend. Wel werden er in de jaren vijftig ruimhartige amnestiewetten gestemd. Misdaden gepleegd op bevel van hogerhand konden niet worden vervolgd. Pas in 1998 kwam er een amendement om oorlogsmisdadigers het recht op schadevergoeding te ontzeggen. Het Simon Wiesenthal Instituut heeft toen een lijst van 300.000 verdachten aan Duitsland overgemaakt. Weet je tot hoeveel schrappingen dat heeft geleid? 99 dossiers, terwijl algemeen wordt aangenomen dat 5 procent van alle Duitse soldaten betrokken was bij oorlogsmisdaden. Maar om op je vraag te antwoorden: of er onder de Belgische rechthebbenden dossiers van oorlogsmisdadigers zitten, dat zullen we pas achterhalen wanneer we hun identiteit kennen. Maar ik heb wel al een pikant detail ontdekt: veroordeelde collaborateurs mochten hun straf in aanmerking brengen voor hun Duits oorlogspensioen. Ersatzzeit, heet dat bij onze Oosterburen. 

 Hoe hoog liggen die pensioenen? Gaat het om meer dan een habbekrats?

De Coninck: De wedde voor een NSKK’er, de laagste trap in de militaire collaboratie, bedroeg 2.000 Belgische frank (50 euro). Dat was in de jaren vijftig geen bagatel. Hoe hoog de pensioenen nu liggen, valt moeilijk te achterhalen. Elk dossier is verschillend, en het geld komt uit verschillende potjes. Feit is dat ze vele malen hoger liggen dan de 40 à 50 euro per maand die dwangarbeiders sinds 2000 van de Duitse overheid als compensatie ontvangen. En veel hoger ook dan de aalmoes die de Belgische overheid aan erkende weerstanders uitkeert.

Een gevoelig punt. Hoe was het om als kind van twee weerstanders op te groeien?

De Coninck: De oorlog was altijd aanwezig, op vele verschillende manieren. Moeder had al twee kinderen voor ze mijn vader ontmoette, een joodse weerstander die als een van de eerste verzetsstrijders werd geëxecuteerd. Mijn oudste broer en zus hebben de trauma’s van de oorlog nooit kunnen afschudden. Ik kom niet uit een doorsnee gezin. Vader is in volle Koude Oorlog nationaal-secretaris van de Belgische Kommunistische Partij (BKP) geworden. Toen we naar Edegem verhuisden, riep de pastoor de gelovigen vanop de kansel op om een kruisteken te slaan als ze aan onze deur voorbijliepen. Weet je wat merkwaardig is? Pas sinds ik zelf kleinkinderen heb, ben ik gaan beseffen hoe sneu het is om zonder grootvaders te moeten opgroeien.

Uw vader is een mythe met een Wikipedia-pagina. Maar wat deed uw moeder in het verzet?

De Coninck: Ze was koerier bij de partizanen toen ze vader leerde kennen. Het is een wonder dat ze oorlog heeft overleefd, en dat ik hier nu zit. (valt stil)

Hoezo?

De Coninck: (aarzelend) Het is pijnlijk om dit op te rakelen. Veertien dagen voor de bevalling stond moeder voor een executiepeloton, samen met zes andere partizanen. Het gebeurde tijdens de bevrijding, in Menen. Overal hingen al Belgische vlaggen uit, de collaborateurs waren al in een kelder opgesloten. Toch was het nog niet afgelopen, de frontlijn tussen de Amerikanen en de Duitsers ging nog op en neer. Zo is het misverstand ontstaan. De brug over de Leie werd door een Duitse tank bewaakt. Een verdwaald exemplaar, dachten de partizanen. Ze gingen er naartoe om de bemanning te vragen om zich over te geven, zonder te beseffen dat de brug nog in vijandelijke handen was. Een Duitse officier onderschepte hen en gaf het bevel hen stante pede te fusilleren. Ze werden meteen tegen de muur van een café gezet. Toen de soldaten al aanlegden heeft moeder vertwijfeld uitgeroepen “soll mein Kind dann leben”. Daarop heeft de bevelgevende officier het geweer weggeslagen dat op haar was gericht. Ze is de enige die de executie heeft overleefd. Dank zij die officer dus, een Oostenrijker.

Zult u dat straks kunnen vertellen in ‘Kinderen van het  verzet’, de opvolger van de succesvolle Canvas-reeks ‘Kinderen van de collaboratie’?

De Coninck: Ik heb een interessant voorgesprek met een researcher gevoerd, maar werd niet opgevist. Het zou te maken hebben met mijn jongere zus met wie de klik tijdens het voorgesprek niet is gelukt. Jammer, maar voor zo’n programma is de combinatie van broers en zussen blijkbaar onweerstaanbaar. Dat bleek ook al uit ‘Kinderen van de collaboratie’, een reeks die ik overigens graag heb bekeken. Ik ken Koen Aerts persoonlijk, ik vind hem een bekwaam historicus.

Vaak gehoord: het begrip voor collaborateurs is in Vlaanderen groter dan het respect voor het verzet. Strookt dat met uw ervaring?

De Coninck: Het mag gerust wat meer zijn. Waarom geen nieuw museum oprichten zoals de Kazerne Dossin? Dat mag zich niet beperken tot het verzet tegen de nazi’s, al valt daar veel over te vertellen. Net zoals in de Kazerne Dossin moet de focus veel breder. Zo’n museum kan vertellen hoe belangrijk het is dat burgers zich verzetten tegen dictatoriale of totalitaire systemen.

Foto: Franky Verdickt

Alvin De Coninck

Menen, 1944

Enkel lagere school in Antwerpen. Gaat als 38-jarige geschiedenis en communicatiewetenschappen studeren aan  VUB 

Taxichauffeur in Hoofdstedelijk Gewest. Sociaal en syndicaal actief in taxiwereld

1992: wordt allereerste VDAB-instructeur voor taxibestuurders. Inspireert verschillende parlementaire vragen over taxiwetgeving

publiceert in 2011 eerste bevindingen over Duitse oorlogspensioenen op website Cegesoma

onderzoeker vaderlandse vereniging Herinnering/Mémoire

2015: organiseert tentoonstelling over dwangarbeiders in Leuven

2017: deskundige voor Kamercommissie Buitenlandse Zaken over Duitse oorlogspensioenen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.