WOI: De dodendraad in Baarle-Hertog

(Knack, maart 2014)

Een grensgemeente onder hoogspanning

Niet alleen de Westhoek bood in 14-18 dapper weerstand. Het kleine Baarle-Hertog schreef een fraai hoofdstuk in het verzet tegen de Mof. Grensgehucht Zondereigen verdween achter de Dodendraad, maar Hertog gaf zich niet over. Brievensmokkel, spionage, Zeppelins afluisteren, het kon allemaal in deze enclave. De Duitsers waren woedend, de neutrale Nederlanders wisten niet naar welke kant weg te kijken. Getuigenissen uit eerste en tweede hand over een vergeten zenuwoorlog.

 foto’s: Franky Verdickt – www.frankyverdickt.be

replica schakelhuisje grens Zondereigen (foto Franky Verdickt)

replica schakelhuisje grens Zondereigen

 

Dina Van den Heuvel kan tijdreizen. Denkend aan haar kinderjaren in Zondereigen ziet ze beelden in haar hoofd. “Precies zoals in de film”, zegt ze. Een hele eeuw kan ze zo overbruggen, zonder op te staan uit haar luie zetel in Woon-en Zorgcentrum Binnenhof in Merksplas. De 104-jarige vroedvrouw in ruste moet een van de allerlaatste ooggetuigen zijn van een vergeten episode uit 14-18, de zenuwoorlog die Duitsers, Belgen en Nederlanders op de grens tussen de Lage Landen voerden. Die 450 kilometer lange scheidslijn tussen het bezette België en het neutrale Nederland was de Duitsers een constante kopzorg. Ondanks patrouilles en wegversperringen bleef de grens lek als een mandje. Om een einde te maken aan de gestage stroom van rekruten, smokkelaars, spionnen en deserteurs, begonnen ze in april 1915 met de bouw van een elektrisch hek. De heining, permanent onder 2.000 volt hoogspanning, zou de geschiedenis ingaan als de Dodendraad.

Dina was vijf toen in Zondereigen, een binnen de rijksgrenzen gelegen gehucht van enclavegemeente Baarle-Hertog, de eerste paal in de grond ging. “Op school werden we gewaarschuwd”, zegt ze. “Dat we van de draad moesten wegblijven, en hem vooral nooit mochten aanraken. Ook onze ouders hebben het ons dat ingeprent, we waren thuis met tien. Natuurlijk zijn we wel eens gaan kijken, van op een afstand. Elektriek, dat kenden we toen helemaal niet, boeren hadden thuis alleen een petroleumlamp”.  Misschien ligt het aan de rozige kinderblik waarmee ze achterom kijkt. Dina is alleszins niet de getuige die er de gruwel dik oplegt. Wel vier keer legt ze het uit, met weidse gebaren voor de slechte verstaander. Je kon niet zomaar geëlektrocuteerd worden, de gevaarlijke draad werd aan weerskanten door een stroomvrije prikkeldraad afgeschermd. Meer nog, het drieledige hek liep door een niemandsland, aan weerskanten door gewapende soldaten bewaakt. “Aan de overkant stonden de Hollanders, bij ons marcheerden constant Duitse soldaten. Ze schoten als iemand te dicht bij de draad kwam. Een eerste keer in de lucht, daarna met scherp. Zo is er een boer doodgeschoten, toen hij een afgedwaald koebeest wilde terughalen. Hij had iets tegen de Duitse soldaat gezegd, maar die had het niet begrepen. Een misverstand, in feite”.

Beleg van Antwerpen

Fatale misverstanden aan de dodendraad, zo kent Herman Janssen er wel meer. “Bijzonder tragisch is het verhaal van Jaak Verstraelen uit Zondereigen”, zegt hij. “Duitse grenswachten werden bij boeren ingekwartierd. Ook bij Verstraelen, die goed met zijn twee logés kon opschieten. Op een dag vernam hij dat er in Baarle een brief op hem lag te wachten, van zijn zoon die soldaat aan de Ijzer was. Hij gooide het op een akkoordje met een van de Duitsers. Die zou tijdens zijn volgende wacht een oogje dichtknijpen, zodat hij de brief bij de draad kon ophalen. Toen het zover was, klonk het bevel: ‘Stehen bleiben!’. Boer Verstraelen sloeg er geen acht op, wellicht heeft hij gedacht dat het bij de komedie hoorde die de grenswachter opvoerde. Zeker weten we dat niet, want een seconde later zeeg hij dodelijk gewond neer. Het schot kwam niet van de complotterende grenswachter,  maar van diens makker die eveneens bij de Verstraelens logeerde maar niet op de hoogte was. Achteraf kwam het misverstand uit. De grenswachters gingen uit van de Midden-Europese tijd, het uur van Berlijn dat de Duitsers in bezet België probeerden op te leggen, onder meer door alle kerktorenuurwerken bij te stellen. Verstraelen echter bleef zoals de meeste Belgen zweren bij de gewone tijd. Gevolg: hij is een uur te laat op de afspraak verschenen, na het wisselen van de wacht”.

De anekdote ontbreekt niet in de lezing over de Dodendraad waarmee heemkundigen Herman Janssen en Frans Van Gils parochiezalen en culturele centra afschuimen. De opvoeder en de gepensioneerde onderwijzer vormen een geoliede tandem. Ze ontvangen ons op het oude gemeentehuis in de Kerkstraat van Baarle-Hertog, ingepalmd door heemkundige kring Amalia van Solms. Kaarten vormen een belangrijk onderdeel van de collectie. Baarle telt 22 Belgische enclaves, sommige niet groter dan een bouwperceel. Op hun beurt omvatten die enclaves zeven Nederlandse exclaves. Omdat de landsgrens door straten en huizen loopt, werd  de voordeurregel ingesteld. Ook al liggen woon- en slaapkamers op Nassau, als de voordeur op Hertog uitgeeft, geldt de Belgische wet en int de Belgische fiscus belastingen. Ingewikkeld, en dat hebben de Duitsers in 14-18 geweten.

“Iedereen spreekt altijd van de Ijzer”, zegt Van Gils. “Maar ze vergeten dat er nog een stukje onbezet België was. Zondereigen lag wel achter de dodendraad, maar Hertog bleef buiten schot. Om hier te geraken, moesten de Duitsers zo’n vier kilometer over Nederlands grondgebied. Onmogelijk, want dan hadden ze de Nederlandse neutraliteit geschonden”. Het moet destijds een drukte van belang zijn geweest zijn in dit gemeentehuis.  Het beleg van Antwerpen had een massale vluchtelingenstroom op gang gebracht. Belgische soldaten die de grens overstaken, al dan niet in de hoop het Ijzerfront te vervoegen, werden in naam van de Nederlandse neutraliteit geïnterneerd. Burgers troffen een beter lot, ze werden in Belgenkampen ver van de grens ondergebracht. “Maar er was nog een derde categorie”, zegt Van Gils. “Onder de vluchtelingen zaten heel wat vrijwilligers die met het Belgische leger in de Westhoek wilden gaan vechten. Die passeerden massaal via dit gemeentehuis waar ze na medische keuring werden geregistreerd. Alleen al in de eerste oorlogsmaanden waren het er 2.000. Ze kregen hier een overnachting met ontbijt plus een treinticket richting Breda, en van daar stuurde het Belgische consulaat ze via Vlissingen en Engeland naar de Ijzer. Het is precies om die exodus te stuiten dat de Duitsers de dodendraad hebben geplaatst. Patrouilleren haalde weinig uit, en bovendien vergde het manschappen die ze hard nodig hadden aan het front”.

Dodendraad

zwartgeblakerde slachtoffers

 We rijden over Nederlands grondgebied naar de rijksgrens bij Zondereigen, destijds gelegen achter de dodendraad. Lastig, maar het kon erger. Om draad en moeite te besparen hadden de Duitsers enkele shortcuts ingelast. De drie bulten van de provincie Antwerpen, goed waarneembaar op iedere landkaart, werden afgesneden. Gevolg was dat noordelijke dorpen zoals Ravels, Poppel, Essen  en Weelde tussen twee draden vielen, de dodendraad en de door Nederland met prikkeldraad en kippengaas versperde rijksgrens.  We parkeren op die grens, in een oase van groen. Volgens de overlevering hebben de Duitsers burgemeester Henri van Gilse hier aangemaand om de enclaves over te geven. Waarop de burgervader, onverschrokken vanuit het neutrale Nederland, zou hebben geantwoord: “Après vous, messieurs les Boches!’. Onder impuls van Amalia van Solms werd een stuk dodendraad gereconstrueerd. Met flankerende prikkeldraad,  precies zoals onze 104-jarige ooggetuige het had beschreven.  “De dodendraad was spitstechnologie”, legt Janssen uit. “Zelfs in de steden was nog geen netwerk, alleen grote fabrieken hadden een eigen centrale. Voor deze sector haalden de Duitsers hun stroom uit een centrale in Merksem  en een zinkfabriek in Lommel. Om de twee kilometer was er een schakelhuis met wachtpost, zodat ze de draad bij problemen stuk per stuk konden afzetten”. Problemen waren er genoeg, want de afschrikking werkte niet perfect. “Zelfs na de bouw van de dodendraad zijn nog duizenden rekruten via Nederland naar de Ijzer getrokken”, zegt Janssen. “Er ontstond een systeem met passeurs, mannen die de grensstreek als hun broekzak kenden en tegen betaling mensen over de grens smokkelden. Het was goed georganiseerd, met tussenpersonen en verzamelplekken waar konvooien werden gevormd. Er waren oorlogsvrijwilligers bij, maar ook politieke vluchtelingen en hele families die op een beter lot in Nederland hoopten. In totaal schatten we het aantal passages tussen de 20.000 en 30.000, over de hele lengte van de dodendraad”.  Toch bleef het riskant, zo’n 1.000 grensgangers verloren het leven. De herinneringen van Dina Van den Heuvel zijn op dit vlak fragmentarisch. Alleen al in Baarle-Hertog vielen bij de draad veertig doden.

De slachtoffers waren overwegend Belgen, maar ook Fransen, Britten en Russen, vaak ontsnapte krijgsgevangenen. Opvallend: een derde van de slachtoffers waren Duitsers. Neergeschoten deserteurs of slachtoffers van een vuurgevecht met passeurs, al is ook het verhaal bekend van een onvoorzichtige grenswacht die de dodendraad met zijn bajonet raakte, toen hij een geëlektrocuteerd konijntje probeerde te recupereren.  Janssen: “Veruit de meeste slachtoffers werden doodgeschoten in de verboden zone. Toch zijn er ook heel wat aan de draad blijven hangen. Letterlijk, want de stroom was zo sterk dat de sukkelaars er niet meer los van kwamen. Het moet een vreselijk tafereel zijn geweest. Zwartgeblakerde slachtoffers, de tong uit de mond, doorgebrande ledematen die afvielen als men de stroom afzette. We hebben het getuigenis van een boer uit Minderhout die werd opgeëist om een slachtoffer te bergen. Hij was compleet getraumatiseerd. Een keer en nooit meer, heeft hij gezegd”.

dodelijke barrière van 2.000 volt (foto Franky Verdickt)

dodelijke barrière van 2.000 volt

brievensmokkel

Passeurs experimenteerden er op los om langs de draad te komen. Wollen dekens als isolatie over de draad gooien was een beproefde maar gevaarlijke methode. Een paar met dauw doorweekte vezels konden volstaan voor een stroomstoot van 2.000 volt. Iets veiliger was het optillen van de onderste draad met een gevorkte stok, waarvan de basis in een fles werd gestoken om het isolerend effect te verhogen. De spitsvondigheid mondde uiteindelijk uit in het opklapbaar passeursraam, een tuig waarvan Herman Janssen ons de werking graag demonstreert. De gescharnierde opstaande zijden vouwen open en duwen de geïsoleerde lange zijden tegen twee stroomdraden. Zo ontstaat tussen de twee onderste draden een veilige opening, net groot genoeg om zonder acrobatie door te kruipen. Van Gils: “Er werd ook sabotage gepleegd. Na een poosje hadden de passeurs rubberen laarzen en pakken, en geïsoleerde knijptangen om de draad door te knippen. Vaak hadden ze dat materiaal van Britse spionnen die actief bij het Belgische verzet ronselden”.

Passeurs hielpen niet alleen mensen over grens, bij iedere oversteek werden ook brieven gesmokkeld. Het belang van deze missie kan niet worden overschat. Om het moreel van de Belgen te kraken, had de bezetter alle correspondentie met het vrije koninkrijk achter de Ijzer verboden. De honger naar nieuws van de jongens aan het front was dan ook groot. Aanvankelijk ontstond een systeem van driehoekspost. Brieven werden naar een correspondent in Nederland gestuurd, met de bede ze via de Nederlandse post door te sturen. Die piste werd afgesneden na Duits protest tegen deze inbreuk op de Nederlandse neutraliteit. Van de weeromstuit ontstonden clandestiene netwerken zoals Post der Geallieerden, Soldatengroet en Union Belge. “Ze werkten allemaal op dezelfde manier”, zegt Janssen. “De brieven werden in Brussel gecentraliseerd en gecensureerd, alle plaatsnamen of aanduidingen van militair nut moesten eruit. Het waren brieven van flinterdun papier zonder enveloppe, in één leren zak staken er wel  5.000. De bulk van de smokkelpost passeerde via Baarle-Hertog, omdat hier het enige functionerende Belgische postkantoor in de hele grensstreek lag. De brieven werden afgestempeld en vervolgens in Nassau op de Nederlandse post gedaan die ze via Engeland naar de Westhoek stuurde. Het was een gigantische operatie, per maand gingen er 100.000 brieven en pakjes over en weer. Hertog was de draaischijf, alle smokkelorganisaties hadden hier hun hoofdkantoor”.

De sfeer in het dorp moet bijzonder zijn geweest. Behalve van ballingen, smokkelaars en koeriers wemelde het er van de spionnen. Dat waren niet alleen geallieerden op weg naar of terug van bezet België. Ook Duitse spionnen waren erg in Hertog geïnteresseerd, met name in het radiostation dat het Belgisch leger er in 1915 had geïnstalleerd. “Er stonden twee antennes van veertig meter hoog”, zegt Janssen. “Een zend- en ontvangmast waarmee Duitse berichten werden onderschept en versleutelde berichten naar Engeland of de legerleiding in de Westhoek werden verstuurd. Daarnaast stond er een antenne waarmee de communicatie van Duitse Zeppelins en U-boten kon worden gepeild. Voor de geallieerden was dat goud waard. Via ingewikkelde goniometrische berekeningen konden de Belgen de posities van Zeppelins en U-boten bepalen en aan hun bondgenoten doorseinen”. De Duitsers wisten het en waren razend. Het commando in Antwerpen smeedde plannen om het radiostation uit te schakelen. Bombarderen met een Zeppelin, of een inval met een gepantserde trein. Baarle lag op de lijn Turnhout-Tilburg, destijds een onderdeel van de belangrijke spoorverbinding Parijs-Amsterdam. In Weelde was een reusachtig grensstation met liefst 52 rangeersporen, de dodendraad liep er over de perrons en door de wachtzaal. Janssen: “Van daar zou de pantsertrein vol soldaten vertrekken. Zou, want Berlijn heeft Antwerpen teruggefloten. In Baarle lagen 2000 Nederlandse soldaten, van wie er iedere avond tachtig gelaarsd en gespoord in bed kropen, klaar om binnen de minuut uit te rukken. Een aanval op Hertog had Nederland haast zeker in de oorlog gesleurd. Stel dat ze een oogje hadden dichtgeknepen voor een Duitse aanslag op Hertog. Dan was de kans groot dat de Engelsen en de Fransen hen van pro-Duitsgezindheid hadden beschuldigd en de oorlog verklaard. De Duitsers hebben nog geëist dat de Nederlanders zelf militair zouden optreden tegen de Belgische legerpost, maar ook dat werd geweigerd”

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Zondereigen, gehucht Baarle-Hertog binnen rijksgrenzen, (foto Franky Verdickt)

Bericht van generaal Foch

Militair ingrijpen was dan wel uitgesloten, de Duitsers konden Nederland wel onder druk zetten om de Belgen uit te roken. Het centrum van Baarle werd met prikkeldraad afgerasterd, bij de acht poorten tussen Hertog en Nassau verschenen strenge marechaussees. Import van steenkool of petroleum was verboden, zoals alles wat nuttig kon zijn voor de militaire basis. “Zelfs mosterd lieten ze niet binnen”, zegt Jacques Boone. “Omdat het olie bevatte waarmee machines konden worden gesmeerd. Om dezelfde reden was chocolade verboden, want daar zat vet in. Niet dat het veel uithaalde, de Belgen hadden zich op alles voorzien. Er lag genoeg steenkool om het nog vijf jaar uit te zingen”. De 87-jarige Jacques Boone zou kunnen opscheppen over het belang van MN7, de codenaam van het Belgische zendstation. Tenslotte was zijn vader, ingenieur Jos Boone, twee jaar lang commandant van de basis. Maar opscheppen ligt niet in de aard van deze gepensioneerde parketmagistraat met een passie voor geschiedenis en archeologie. Veeleer dan zijn vader te bewieroken, brengt hij hulde aan diens voorganger. Paul Goldschmidt, pionier inzake télégraphie sans fil, werd door koning Albert persoonlijk met de bouw van het zendstation gelast. Dat diezelfde ingenieur veel later aan de wieg van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou staan, is een verhaal apart. We zijn gekomen voor Boones anekdotes over de listen waarmee de Belgen de bouwstenen voor MN7 onder de neus van de Nederlandse douane binnen loodsten. “Burgemeester van Gilse had een grote auto en twee knappe dochters. Die werden dankbaar ingeschakeld. Als de freules even lachten of wuifden, stelden de douaniers en de soldaten geen vragen. Op die manier hebben ze de zender en ontvanger binnen gesmokkeld”. Goldschmidt liet zich in 1916 naar het front overplaatsten. Jos Boone was toen al in Nederland, gevlucht met zijn vrouw en de twee oudste kinderen. Zoon Jacques: “Ook vader wilde naar het front, maar hij werd medisch afgekeurd voor de actieve dienst. Met zijn achtergrond als ingenieur was het haast logisch dat ze hem vroegen om Goldschmidt te vervangen. Als postoverste logeerde hij bij burgemeester van Gilse, een echte patriot die ook zijn privégronden voor de bouw van de antennes ter beschikking heeft gesteld. Twee terreinen die helemaal door Nederlands grondgebied werden omsloten. Slim bekeken, want op die manier konden de Duitsers de antennes niet beschieten zonder de Nederlandse neutraliteit te schenden”. 

Boone’s vader stierf doen hij vier jaar was. Herinneringen heeft hij nauwelijks, maar een recent ontdekte zolderschat heeft hem helemaal in de oorlogsjaren ondergedompeld. Via een oudere broer kwam Jacques Boone in het bezit van een schrift met transcripties van door MN7 onderschepte berichten. “Allemaal uit de laatste weken voor de wapenstilstand”, zegt hij. “Vader heeft ze na de oorlog overgeschreven, wellicht omdat hij het historische belang ervan besefte. Er zitten niet alleen Duitse maar ook Franse en Britse boodschappen tussen. Ik heb ze vertaald en in het Nederlands uitgegeven, binnenkort volgt een Franse editie. Een monnikenwerk, want vaders handschrift is bijna onleesbaar”.  Historisch belang is niet eens overdreven. Zo is er een ongecodeerde Duitse boodschap, bestemd voor de Fransen. Waar en hoe kunnen onze onderhandelaars de Franse opperbevelhebber Foch ontmoeten?  Een Frans bericht voor de eigen troepen gewaagt van een vliegtuig met Duitse officieren dat over de linies zou scheren en vooral niet mag worden neergeschoten. Op 11 november 1918 om 05u40 ving MN7 volgend bericht van generaal Foch op: gelieve om 11 uur, heure française, alle vijandelijkheden te staken.

Wapenstilstand? Dina van den Heuvel ziet het tafereel door de ogen van het negenjarige meisje dat ze toen was. “Er was een groot feest in het dorp”, zegt ze. “De ene bakte pannenkoeken, de andere haalde een fles jenever te voorschijn”. En de dodendraad? “Die werd gauw afgebroken. Ik zie ze daar nog liggen, grote rollen draad op de straat. Ze hebben die aan de boeren verkocht, die konden de draad goed gebruiken om de weiden voor hun beesten af te spannen”.

www.dodendraad.org

 

3 gedachten over “WOI: De dodendraad in Baarle-Hertog

  1. jacques Boone Hazenpad 2, 2330 MERKSPLAS

    Beste heer Raspoet,
    Bravo aan u en uw mederkers voor ditr prachtig verslag, over de dodendraad en, over de miolitaire radio MN 7, en uiiteraard over de sleutelrol van de de Belgische enclave (doortocht van rekrurten, vluchtelingen briefwisseling, spionnen, deserteteurs.

    Met uw akkoord zal ik dit doorsturen aan de heer Piet Chiele,s, directerun va

  2. Jacques Boone Hazenpad 2 B 2330 Merksplas

    Proficiat voor dit prachtige verslag, waar de dodendraad, MN 7 de militaire zender-ontvanger-goniometer en de belangrijke sleutelrol van Baarle-Hertog, de Belgische enclave, Wereldoorlog 1, worden beklemtoond.
    Inderdaad was Baarle toen een knooppunt voor spionage, doortocht van kandidaat-rekruten, vluchtelingen en briefwisseling naar het front gebracht door passeurs door de “dodendraad”. Met uw akkoord zal ik deze tekst doorsturen naar Piet Chielens, directeur van in Flanders’Fiels, die mijn werk over MN 7 oninteressant vond en dan ook niet in de boekenwinkel van zijn museum mocht verkocht worden.
    Mijn Franse uitgave is intussen verscheene, en een herdruk van de Nederlandse versie. Uw krijgt twee folders.

  3. Pingback: Het fatale uur voor Jaak Verstraelen | Martinus Evers

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.