Billen Bloot: Belgen over hun geld

In 2007 kreeg ik van Humo de vraag om de roemruchte reeks Billen Bloot nieuw leven in te blazen. In Billen Bloot gunnen beoefenaars van zeer uiteenlopende, veelal vrije beroepen de lezer een onbeschroomde blik op hun intiemste bezit, de portefeuille. Hoeveel verdienen ze met hun handel en wandel? Komt er ook zwart geld aan te pas, en wat denkt de Fiscus ervan?  Behalve over de pecunia gaat het ook over het wel en wee van hun vak, en over het verschil tussen vroeger en nu. Alle getuigenissen werden anoniem opgetekend, want de buurman, de schoonbroer en de belastingcontroleur lezen mee. Hieronder de integrale versies, ook warm aanbevolen voor studenten met twijfels over hun professionele toekomst.

De afleveringen volgen elkaar op. Ik zoek nog een betere oplossing, maar voorlopig is scrollen de boodschap.

 

(1) DE KAPPER  (Humo, 22 januari 2008)

‘na iedere zwarte knipbeurt steek ik 21 procent in eigen zak’

 

13486_billenblootkapper.jpg

 

illustratie Katrien Matthys

Een kapsalon in een niet nader genoemde Vlaamse centrumstad. Aan de wastafel zit een gesoigneerde dame te genieten. Hoofd in de hals, warm water over het bolletje, Patricks masserende vingertoppen op de kruin, er zijn slechtere manieren om een nieuwe werkweek te beginnen. Bij de kapstoel wordt intussen een potje verbale drieband gespeeld. Romain praat tegen het spiegelbeeld van zijn klant, een rimpelig besje dat zich op haar beurt tegen zijn alter ego in de spiegel richt. Onder het uitwisselen van gemeenplaatsen over weer, gezondheid en kleinkinderen verricht de kapper een half mirakel. Van dunne slierten spierwit haar boetseert hij een luchtig permanent, vormvast tot windkracht zeven. Moeizaam maar tevreden met het opgepoetste zelfbeeld rijst het oudje op uit de kappersstoel, Romain staat al klaar met haar astrakanmantel. Twee koppen, het is een kalme maandagochtend. Romain en Patrick, kapper van vader op zoon, zijn er gerust op. Ze kunnen de zaak wel een uurtje aan de meisjes overlaten, die hebben per slot van rekening hun kappersdiploma ook niet gestolen. We trekken ons met zijn drieën terug in de beslotenheid van de keuken. Privé is privé, zeker als de man van Billen Bloot op bezoek komt om heikele thema’s zoals zwart geld en facturen zonder muziek aan te snijden.

 Humo: het is maandag, sinds mensenheugenis sluitingsdag van de kappers. Wat is er van die traditie geworden?

Romain: “De tijden zijn veranderd. Vroeger kon je op maandag niet naar de kapper, alle salons waren dicht. Maandag, dat was de dag om bijscholing te volgen en beurzen af te lopen. En vooral: om uit te gaan. Na de cursus trokken we met de hele klas naar de Brusselse Nieuwstraat. In de Sinatra en de Showboot zat het vol met coiffeurs. Dat we ’s anderendaags vroeg moesten beginnen, kon de pret niet drukken. Ik ben vaak op de vroege uurtjes thuisgekomen. Een half uurtje slaap, een stevige kop koffie en ik stond weer paraat. We waren jong, ik zou er vandaag niet meer tegen kunnen. Ik was de eerste in deze stad die op maandag begon te werken. Het blijft de kalmste dag van de week, maar er is een publiek voor. Je kunt het als groot salon niet meer maken om er een hele dag van tussen te knijpen”.

Patrick: “Helemaal uitgestorven is die traditie nu ook weer niet. Er zijn nog altijd discotheken die maandag speciaal opendoen voor de kappers. Ga vanavond maar eens kijken in de Carré in Willebroek, je struikelt er over de kappers. Het heeft wel iets, fuiven terwijl de anderen werken. Gewoonlijk is het andersom. Op zaterdag draaien wij onze kas af om klanten mooi te maken zodat ze zich ’s avonds in het nachtleven kunnen storten. Zelf zijn we zaterdagavond te moe om uit te gaan, maar maandag halen we de schade in”.

 Humo:  Ston het in de sterren geschreven dat je het voorbeeld van je vader zou volgen?

Patrick: “Absoluut niet. Ik ben omzeggens opgegroeid in de zaak van onze pa, maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan om kapper te worden. Toen ik twintig was, wist ik niet hoe je een schaar moest vasthouden. Ik studeerde voor handelsingenieur aan de VUB, en zo ben ik vanzelf in het bedrijfsleven gerold. Ik had een goede baan en een leuk salaris, maar na een jaar of zeven begon ik me slecht in mijn vel te voelen. Ik had stilaan een andere kijk op de kappersstiel gekregen. Zie je, onze pa was intussen failliet gegaan met zijn salon. Ik heb met de curator onderhandeld over een doorstart. Dat kon alleen als we een bvba oprichten, met mezelf als manager. Zo raakte ik zijdelings bij de kappersstiel betrokken: ik deed de papieren, terwijl onze pa het salon beredderde. Tijdens een vakantie met mijn vriendin heb ik de knoop doorgehakt. Ik wilde me niet langer alleen met de financiën bezig houden. Koppen wassen, brushen, knippen, kleuren, dat was mijn roeping. Ik dacht dat onze pa een toeval zou krijgen. Die jaren aan de universiteit, allemaal verloren tijd. Maar integendeel, hij reageerde erg enthousiast en heeft me onmiddellijk ingeschreven voor een spoedcursus. Pivot Point, dat is zowat de duurste en meest prestigieuze opleiding in ons vakgebied. Ze keken nogal op toen ik daar arriveerde. Ik had bij onze pa twee weken koppen gewassen, de andere studenten waren gediplomeerde kappers met minstens een jaar beroepservaring. Ik heb daar afgezien, maar gelukkig toonden de lesgevers veel begrip voor mijn situatie. Als de anderen naar huis waren, kreeg ik bijles, en zo ging ik snel vooruit. Gebrek aan ervaring kan soms een voordeel zijn. Bij Pivot Point leerden ze ons knippen met de schaar en de kam in één hand. Voor de anderen was dat een probleem, omdat ze altijd geleerd hadden beide handen te gebruiken. Ik had die truc veel sneller beet, want ik moest niets afleren”.

 Humo: hoe is dat faillissement er gekomen?

Romain: “Dat is een lang verhaal. Ik ben als 18-jarige op mijn eigen begonnen, op 1 oktober 1951, ik zal de datum nooit vergeten. Het waren de fifties, de periode van de eerste kleuringen en de doorbraak van de koude permanent. Ik had al die nieuwigheden in de vingers toen ik van school kwam, in tegenstelling tot oudere kappers die weinig meer konden dan watergolven en krulspelden steken. Met dat elan heb ik een vliegende start genomen. Na een jaar had ik al zes medewerkers in dienst. Op mijn hoogtepunt, tussen 1979 en 1983, draaide ik met negen voltijdse kappers een omzet van 10 miljoen Belgische frank (250.000 euro), mijn salon was het grootste van de stad. Maar dan is de reeks tegenslagen begonnen. Een van mijn topkappers is opgestapt om een eigen zaak te beginnen, rechtover mijn deur. Hij was niet alleen een goede kapper, maar ook een lefgozer. Vanuit zijn deurgat probeerde hij mijn klanten weg te lokken. Bij de Romain moet ge niet gaan, riep hij, die is al rijk genoeg. Nu kan ik er om lachen, maar dat scheelde toen een miljoen aan omzet. Kort nadien begonnen de problemen pas goed. Onze straat werd voor anderhalf jaar opgebroken voor openbare werken. Dat is een ramp voor middenstanders, ik zag mijn zakencijfer week na week kelderen. Na een poosje heb ik de boel gesloten en ben ik op een naburig pleintje herbegonnen. Dat nieuwe salon heb ik helemaal zelf ontworpen en eigenhandig ingericht. Op twee weken was alles klaar, ik heb toen dag en nacht gewerkt. Maar de pech bleef me achtervolgen. Ik was nauwelijks geïnstalleerd, of ze begonnen ook op het pleintje te werken. Mijn zakencijfer nam een nieuwe duik van dertig procent, en de schulden begonnen zich op te stapelen. Ik ben nog met de bank en de belastingen gaan onderhandelen over uitstel van betaling, maar de put was te diep ten opzichte van het zakencijfer. Op een mooie dag stond de deurwaarder hier met een BTW-factuur van 400.000 frank (10.000 euro). Toen was het voorbij”.

 Humo: pijnlijke ervaring?

Romain: “Toch wel. Op zo’n moment leer je je echte vrienden kennen. Neem van mij aan, die zitten niet bij de bank. In mijn glorietijd werd ik bij mijn bank als een koning ontvangen. Ik regelde mijn zaken rechtstreeks met de directeur, er lag altijd een koekje bij de koffie. Een kaskrediet van een miljoen? Daar werd niet over gediscussieerd. Toen het slechter begon te gaan, werd het onthaal heel wat koeler. Van koffie met koekjes was geen sprake meer, ik geraakte niet meer voorbij het loket. Mijn kaskrediet werd van de ene dag op de andere opgezegd, ik moest de rekening zo snel mogelijk aanzuiveren. Gelukkig kon ik wel op mijn familie rekenen. Mijn twee zoons hebben hun schouders onder de BVBA gezet, mijn broer en mijn schoondochter hebben geholpen om het startkapitaal te verzamelen. Dank zij hen ben ik in de stiel gebleven”.

 Humo:  Over die stiel gesproken. Grijpt er een generatiekloof tussen vader en zoon?

Romain: “We hebben een verschillende aanpak, maar dat heeft niets met een generatiekloof te maken. Patrick is een technische kapper, mijn stijl is eerder artistiek”.

Patrick: “Onze pa durft meer. Klanten komen binnen met een heel programma. Vooraan moet het lang, achteraan kort maar niet te kort, de frou frou moet zus en de scheiding zo. Vaak raken de instructies kant nog wal. Vooral vrouwen kunnen er een potje van maken, ze weten niet wat ze willen. Ze zeggen dat het kort moet, terwijl je met je ellebogen aanvoelt dat ze het eigenlijk liever lang zouden willen. Onze pa trekt zich van die hele uitleg niets aan. Jaja, zegt hij, en dan pakt hij zijn schaar en doet hij precies zijn zin. Het resultaat lijkt niet noodzakelijk op wat de klant bij het binnenstappen had gevraagd, maar gewoonlijk zijn ze erg tevreden als ze weer buitenstappen. Dat lef en die creativiteit mis ik, ik moet het meer van mijn techniek hebben. Bij mij mogen de klanten gerust binnenstappen met een foto, ik knip graag met een model als voorbeeld”.

 Humo: gebeurt dat vaak?

Patrick: “Heel vaak. Ze scheuren een foto uit een van de boekskes, soms komen ze hier af met een plaatje ter grootte van een postzegel, uit de televisiepagina’s van de Story. Of ze doen een beroep op onze parate kennis van beroemde kapsels. Een coupe à la Jennifer Anistor, dat is een echte klassieker. De Rachel-cut heet dat in het jargon, naar het personage van Jennifer Anistor uit Friends. Tegenwoordig is de nieuwe Victoria Beckham erg in, lang haar dat schuin naar voor loopt. Kruisingen van bekende kapsels komen ook voor. Ik wil het zoals Victoria Beckham, maar dan een beetje meer zoals Rihanna. Pas op, ze gaan het niet altijd in Hollywood zoeken, ook onze BV’s tellen mee. Als kapper heb je het perfecte alibi om alle boekskes te lezen en alle foute televisieprogramma’s te volgen. We moeten er niet alleen over kunnen meepraten, we moeten vooral de kapsels kennen. Laatst vroeg een meisje om een coupe zoals die nieuwe uit ‘Boer zoekt lief’. Toen moest ik passen, want die uitzending had ik net gemist”.

 Humo: al aanvragen voor een Amy Winehouse-cut gekregen?

Patrick: “Nee, dat is me net iets te dol. Zo’n bijenkorfkapsel is trouwens specialistenwerk, daarvoor moet je in Antwerpen of Brussel zijn. Er zijn ook niet veel vrouwen met het geschikte haar voor zo’n kapsel. Daar worden we wel vaker mee geconfronteerd: klanten die een onmogelijke snit vragen. Ze willen absoluut een Rachel-cut, maar ze hebben er te weinig of te dun haar voor”.

 Humo: wat erg! Hoe breng je ze dat aan het verstand?

Patrick: “Niet bruuskeren is de boodschap. Je moet de waarheid vertellen, maar dan zachtjes. Stel iemand met een rond gezicht vraagt om een pony. Dan weet je als kapper op voorhand wat het resultaat wordt: een kop als een voetbal. Maar dat kun je natuurlijk zo niet communiceren. Tegen iemand met een eierkopje zeg je ook niet, amaai, ge ziet er precies uit als Wiske. Nee, je moet er zachtjes op inpraten, twijfel zaaien over hun keuze. Zou je echt wel een pony nemen? Zou je het niet beter wat langer laten? Je haar groeit zo snel, je gaat het voortdurend moeten laten bijknippen. Meestal draaien ze bij, zeker als je er dan ook het juiste gezicht bij trekt, iets tussen bezorgdheid en vertwijfeling in. En als ze toch willen doorzetten, tja, dan maken we er het beste van. Het is hun kop, ik moet er zelf niet mee rondlopen. Weet je, ons beroep wordt vaak onderschat. Een goede kapper moet niet alleen kunnen knippen, hij moet ook een psycholoog zijn. Om een salon te runnen moet je bovendien verstand hebben van management en goed met stress om kunnen. Soms is het een hele voormiddag kalm en staan we met onze vingers te draaien, en dan ineens komt er een heel klad tegelijkertijd binnen. Op zo’n moment moet je het hoofd koel houden. Onze pa en ik zijn op elkaar ingespeeld. Een van de twee doet de coördinatie, zodat de andere zich op zijn snit kan concentreren. Maar onze pa werkt niet voltijds, ik moet soms alleen beredderen. Dan sta ik te knippen, terwijl ik tegelijkertijd de klanten verdeel en erover waak dat mijn kappers geen foutjes maken”.

 Humo: hoezo, foutjes maken?

Patrick: “Vergeten de klant een drankje aan te bieden. Of praten aan de wastafel, dat zie ik niet graag. Praten met de klant doe je tijdens het knippen of brushen, hoe meer hoe liever. Maar aan de wastafel moet het stil zijn. Zie je, een kop wassen is een intiem moment. De klant ligt daar weerloos met zijn hoofd in de wastafel, hij geeft zich als het ware over aan je handen. Vaak sluit hij de ogen, van puur genot. Praten verstoort die intimiteit, te meer daar de klant niet goed hoort wat er wordt gezegd door het water dat langs zijn oren stroomt. Zo ontstaan er misverstanden, de klant kan denken dat ze hem uitlachen. Het zijn slechts kleinigheden, maar kleinigheden maken in ons vak het verschil. Klanten kiezen een kapsalon niet alleen omdat ze tevreden zijn over de snit, ze komen ook terug voor de kwaliteit van het onthaal en de sfeer. Begrijp me niet verkeer, ik ben heel tevreden over mijn personeel. Ik heb momenteel vier kappers in dienst, drie meisjes en één jongen. Zonder uitzondering talenten, anders hadden we ze niet uitgekozen. Met kappers is het zoals met voetballers, er bestaat een heuse transfermarkt. Sommige patroons proberen de talenten letterlijk bij de concurrentie weg te kopen. Ze liggen op de loer tegen het sluitingsuur. Zodra de geviseerde kapper het salon buitenstapt, klampen ze hem aan. Hoeveel verdien je hier? Kom bij mij werken, ik leg er driehonderd euro bovenop. Een van onze kapsters heeft al minstens een half dozijn aanbiedingen afgeslagen”.

 Humo: waarom afgeslagen? Betaal je dan zo’n royaal salaris?

Patrick: “Vijftienhonderd euro netto in de maand. Dat is meer dan gemiddeld, maar er zijn salons die nog beter betalen. Je moet echter niet alleen naar het loonzakje kijken, de relatie met de baas en de sfeer op het werk zijn minstens even belangrijk. Met vier kappers zit ik erg ruim, strik genomen zou ik het werk met een halve gast minder ook wel aankunnen. Die extra halve gast kost me op jaarbasis 20.000 euro aan loon en RSZ, maar dat heb ik er voor over. Met dat geld koop ik flexibiliteit voor mijn personeel. Ik kan al eens ja zeggen als één van mijn kappers een vrije zaterdag vraagt om naar een trouwfeest te gaan”.

 Humo: als kapper-manager doe je het wellicht niet voor 1.500 in de maand. Hoeveel schuift zo’n salon?

Patrick: “Ik betaal mezelf via de bvba maandelijks 2.400 euro uit. Ik zou dat natuurlijk kunnen optrekken, maar dat is een kostelijke grap. Ik heb eens becijferd hoeveel 100 euro loonstijging kost aan extra personenbelasting en RSZ. Bleek dat ik 400 euro extra omzet moest realiseren om dat te compenseren. Niettemin, een bvba biedt vele voordelen. Mijn auto en telefoon staan op de zaak, de bvba financiert ook de groepsverzekering voor een aanvullend pensioen. Je hoort me niet klagen. Mijn vrouw verdient netto zo’n 1.600 in de maand. Met een maandelijks gezinsbudget van 4.000  tot 5.000 komen we goed rond. Ons spaargeld steekt in ons huis, een nieuwbouw van 400.000 euro. De zware hypotheek is geen probleem, maar ze legt wel beperkingen op. De bvba kan mijn salaris niet gedeeltelijk in het zwart uitbetalen, want dan krijgen ze bij de fiscus argwaan omdat mijn officieel loon te laag is in verhouding tot de afbetalingen”.

 Humo: zwart geld, het hoge woord is eruit. Wordt er veel belastingsvrij geknipt en geföhnd?

 Romain: “Ik had een vaste verdeelsleutel: tweederde officieel, één derde in ’t zwart. Heel wat kleine kappers werkten voor de helft in ‘t zwart, maar zover kon ik niet gaan. Als je officieel met negen kappers werkt, moet je ook kunnen bewijzen dat je die kunt betalen”.

 Humo: werd dat vroeger gecontroleerd?

Romain: “Nauwelijks, de controle was een lachertje. We deden zelfs geen moeite om ons zwart geld te verstoppen. Je kon het op de bank zetten, je mocht er zelfs een lening mee afbetalen. Maar zwart geld diende vooral om goed van te leven. We gingen op restaurant zoveel we wilden, we kochten mooie kleren. Natuurlijk, af en toe moesten we het gaan uitleggen bij de belastingen. Daar ging je niet met je dikke Mercedes of blitse sportwagen op af. Als er controle was, trokken we een versleten broek aan en hingen we een beetje de sukkelaar uit. Dat werkte altijd”.

 Humo: gaat het er vandaag nog altijd zo aan toe?

Patrick: “De controle is veel scherper geworden, maar er wordt nog altijd flink in het zwart verdiend. Ik doe zelf twintig tot vijfentwintig procent in ’t zwart. Meer kan niet, vanwege het personeel. Kijk, kappers worden belast op de producten die ze aankopen. De formule is eenvoudig: aankoopfactuur maal negen is gelijk aan omzet. Tegenover elke 1.000 euro aan shampoo’s, verf, lak, gel en noem maar op, staat voor de fiscus negenduizend euro omzet. Een duidelijke regel, maar ook een regel die gemakkelijk te omzeilen is”.

 Humo: hoe dan wel?

Patrick: “Ik zal het met een streepje jargon uitleggen. Moet er muziek bij, of mag het zonder muziek? Die vraag krijgen kappers vaak als ze aankopen doen. Met factuur of zonder factuur, dat is de kwestie. Hoe minder muziek, hoe lager de officiële omzet en hoe lager de belastingen. Maar zwarte omzet is geen zuivere winst, zoals vele mensen denken. Ook als je zwart werkt heb je producten nodig. Die kun je niet in de groothandel aankopen, want daar zijn ze voorzichtig geworden. Gelukkig vind je alle benodigdheden ook in gewone winkels, in drogisterijketens zoals Di of Paris XL. Als kapper krijg je daar wel een korting, maar het blijft duurder dan in de groothandel, en je kunt de BTW niet recupereren omdat je zogezegd zelf de eindgebruiker bent. Maar dat weegt niet op tegen de voordelen. Zwarte omzet haalt de vennootschapsbelasting omlaag. En vooral: op iedere zwarte kapbeurt steek je 21 procent btw op zak”.

 Humo: het ligt zo voor de hand dat de fiscus wel op de hoogte moet zijn. Wordt er niet opgetreden?

Patrick: “Ach, dit is België, leven en laten leven is hier de boodschap. Ik ben niet vies van zwartwerk, maar ik betaal wel degelijk belastingen. Officieel draait de bvba een gemiddelde jaaromzet van 120.000. Daarvan declareer ik 10.000 euro als nettowinst, waarop liefst 40 procent vennootschapsbelastingen wordt geïnd. Ik stort maandelijks 1.500 tot 2.000 euro in de BTW-kas. Om maar te zeggen dat ik tante Fiscus niet vergeet. Zolang je met zwart geld niet overdrijft, kan er in dit land weinig gebeuren. Problemen krijg je pas als je provoceert, door bijvoorbeeld een belachelijke omzet te declareren die in totale wanverhouding staat tot het aantal stoelen of kappers in je zaak. Ook met je privé-vermogen moet je niet te veel uitpakken. Ik ben een autofreak. In mijn garage staat een prachtige Mercedes Cabrio, maar die heb ik op naam van mijn vrouw ingeschreven. Waakzaamheid en voorzichtigheid zijn geboden, want er wordt tegenwoordig veel gecontroleerd. Als je 300 doses haarverf op factuur aankoopt, dan wil de controleur ook 300 kleuringen in je boeken terugvinden. Stel dat het er maar 250 zijn. Dan moet je kunnen bewijzen dat je nog 50 doses op stock hebt liggen, anders zit je in de knoei. Wie zwart draait, moet vooral opletten dat alle sporen worden uitgewist. Ik houd mijn kassa bij op de computer. Ze mogen anonieme inspecteurs sturen zoveel ze willen, ze kunnen me niets maken want iedere betaling wordt netjes geregistreerd. De aap komt pas uit de mouw als ik ’s avonds de rekening maak. Op mijn computer staat een programma waarmee ik de daginkomsten kan manipuleren. Afhankelijk van het resultaat haal ik er een klein of minder klein stuk uit, en dat gaat dan naar de zwarte kas. Neem het van mij aan: alle kappers kennen dat programma, het werkt perfect zonder sporen achter te laten. Nadat ik de daginkomsten heb afgeroomd, noteer ik het resultaat in mijn kasboek. Daar mag je echt niet mee zeuren. Bij een controle vergelijken ze altijd drie cijferreeksen: de computer, het kasboek en de bankuittreksels. Als die niet overeenstemmen, zit je in de shit”.

 Humo: zo’n zwarte kas lijkt me niet bevorderlijk voor de financiële transparantie. Hoe bewaar je als zaakvoerder het overzicht?

Patrick: “Simpel, met een memory stick. Voor ik ’s avonds de inkomsten ‘zuiver’, sla ik ze integraal op. Die memory stick laat ik nooit rondslingeren, die draag ik altijd bij me. Honderd procent veilig, want belastingcontroleurs mogen veel, maar iemand fouilleren kunnen ze niet. Op die manier kan ik thuis de echte cijfers bijhouden en zie ik meteen wanneer er schommelingen in de cash flow optreden. Dat is nodig als je realistische feedback wil krijgen van L’Oréal”.

 Humo: pardon?

Patrick: “Kijk, de kappersmarkt wordt beheerst door drie cosmeticagroepen. Wij zitten onder de paraplu van L’Oréal, andere salons werken met Henkel-Schwarzkopf of met Procter & Gamble, de groep achter merken zoals Pantène en Wella. In dit salon vind je uitsluitend producten van L’Oréal. Dat is geen contractuele verplichting maar een gentlemen’s  agreement. In ruil voor onze merktrouw biedt L’Oréal ondersteuning op alle vlakken. Ze geven opleiding en nodigen je uit op demonstraties van nieuwe producten. Vanaf een bepaald omzetvolume mag je lid worden van de Business Club Prestige, en dan krijg je een waaier van diensten aangeboden. Specialisten helpen bij financiële analyse, ze geven workshops over personeelsbeleid, conflict management en public relations. Ieder salon krijgt ook een key account manager toegewezen, iemand die om de drie maanden de cijfers overloopt en advies geeft om de rentabiliteit te verbeteren. Hun voornaamste criterium is de verhouding tussen het aantal snitten en het aantal kleuringen. Hoe meer kleuringen, gaat de redenering, hoe beter de rentabiliteit. Zestig op honderd snitten is het gemiddelde, tachtig procent het streefdoel. We worden er bij L’Oréal op getraind om klanten een kleuring aan te praten. Onze pa is daar een virtuoos in. Vrouwen stappen binnen voor een snelle brushing, en een uur of twee later stappen ze buiten met een nieuw kleurtje. Kleuringen zijn duur en drijven de omzet op. Een kleuring levert bijvoorbeeld meer op dan vijf brushings. Maar wat meer is, ze scheppen een vertrouwensband met de klant. Haarkleur is heel persoonlijk. Een klant die tevreden is met zijn kleurtje komt zeker terug, want er zijn geen twee salons die identiek dezelfde tint maken.”.

Romain: “Kleuringen zijn mijn grote specialiteit, ik heb er vijf jaar cursus voor gevolgd. Verkopen heb ik niet geleerd, dat is gewoon aangeboren. L’Oréal heeft ooit een wedstrijd georganiseerd. Per salon een prijs voor de kapper die de meeste potjes van een nieuwe gel aan de man of vrouw kon brengen. Na een week werd de stand opgemaakt: ik had in mijn eentje dubbel zo veel verkocht als alle anderen samen. Ach, het is een kwestie van overtuigingskracht. De meeste klanten pruttelen tegen als je een product aanbeveelt. Ik heb thuis al een potje gel, zeggen ze. Dan moet je een sceptisch gezicht trekken. ‘Je kunt het natuurlijk altijd proberen met je eigen gel’, zeg ik dan, ‘maar volgens mij gaat het niet lukken. Voor jouw kapsel werkt dit nieuwe product veel beter’. Als je het op de juiste toon zegt, gaan ze allemaal door de knieën”.

 Humo: het zal volgende keer bij mij niet pakken. Tussen haakjes: wat zegt zo’n key account manager over zwarte omzet?

Patrick: “Bij L’Oréal doen ze daar niet moeilijk over. Integendeel, ze helpen ons bij _ hoe zou ik het uitdrukken?_ de fiscale optimalisatie van onze omzet. Nooit gehoord van degressief factureren? Stel ik koop voor duizend euro producten bij L’Oréal. Dan krijg ik een aankoopfactuur in twee delen. Zeshonderd euro voor de producten, vierhonderd euro voor een kapperstafeltje op wielen. In feite is dat tafeltje een geschenk van L’Oréal. Handig voor het werk, en vooral handig om de ‘witte’ omzet te drukken. Want terwijl ik wel degelijk voor 1.000 euro producten ontvang, worden de belastingen op 600 euro berekend. Dat scheelt als je die bedragen met factor negen vermenigvuldigt. Ik betaal liever belastingen en BTW op 5.400 euro dan op 9.000 euro. Allemaal perfect legaal, want er wordt niks in het zwart geleverd. Om de factuur te doen kloppen halen ze bij L’Oréal een kunstgreep uit. De eenheidsprijs van de producten wordt verlaagd zodat je met zeshonderd euro toch het volume haalt dat normaal 1.000 euro kost”.

 Humo: geniaal, ik sta sprakeloos…

Patrick: “Spaar je bewondering, want het wordt nog mooier. Voor goede klanten doen ze bij L’Oréal twee keer per jaar een extraatje. We noemen dat de truc met de tombola, maar in feite gaat het om een doorgedreven variant van degressief factureren. Laten we meteen een grote bestelling plaatsen, pakweg 6.000 euro producten. Dat wordt netjes in twee gesplitst. 3.000 euro producten, drieduizend euro voor een grote LCD- of plasmatelevisie. Ik neem nu een dure televisie, maar het kan evengoed een scooter zijn. We kunnen kiezen, L’Oréal heeft een catalogus met geschenken van klein tot groot. Officieel kopen we die geschenken aan voor de tombola die we voor onze klanten organiseren. In het begin kochten we die spullen aan als uitrusting voor het salon, maar dat werkte op de duur niet meer. Als de controleurs naar de LCD van de factuur vroegen, dan moesten we ons in bochten wringen. De eerste keer kun je nog beweren dat hij op het containerpark ligt nadat een lompe klant hem van de kast heeft geduwd, maar dat moet je geen vijf keer proberen. Vandaar het idee van die tombola. We hoeven de controleurs niks meer te tonen, want de winnaar is met de prijs gaan lopen”.

 Humo: en de winnaar is?

Patrick: “Niemand, want er wordt helemaal geen tombola georganiseerd! Ja, we vinden altijd wel een trouwe klant die bereid is het spelletje mee te spelen. In ruil voor een fles wijn of een gratis kapbeurt tekent die dan een ontvangstbewijs. Maar de echte winnaar is de kapper. Om te beginnen is er het geschenk. Want vergis je niet, die LCD of scooter wordt wel degelijk aan huis geleverd. We mogen er mee doen wat we willen, ik heb zo al een paar gloednieuwe televisietoestellen weggeschonken of tegen een zacht prijsje verkocht. Maar in feite is dat geschenk slechts een douceurtje van L’Oréal, de echte prijs zit in het belastingsvoordeel. Neem nu die bestelling van 6.000 euro. Daar draaien we 54.000 euro omzet mee, terwijl we maar op de helft worden belast”.

Humo: genoeg fiscaal vernuft, we moeten de brave loontrekker niet te veel frustreren. Hoe staat het met de concurrentie in het kappersvak?

Patrick: “De grote salons proberen elkaar geen pijn te doen. Ik vraag de gemiddelde prijs: 40 euro voor een damescoupe, 60 voor een kleuring en 80 als de klant mèches wil. Een volledige ontkleuring van zwart naar blond kan ook, dat kost dan 120 euro. Er kan wat speling op zitten naargelang het salon, maar volgens een stilzwijgende overeenkomst wordt er niet onder de prijs gedoken. Wie dat wel doen, zijn de ketens die de laatste jaren aan een offensief bezig zijn. Onlangs is er op de markt weer een filiaal geopend. 14 euro voor een kapbeurt, luidde de slogan, speciale openingscondities. Als puntje bij paaltje kwam, moest de klant voor alles en nog wat supplementen betalen, voor wassen, shampoo, mousse en gel. Maar zelfs dan bleven ze nog een stuk onder onze prijs. Ik maak me daar geen zorgen over, ketens bedienen een ander publiek. Op een keer heeft een topman van Kreatos me zijn businessmodel uitgelegd. Hun salons zien er altijd heel blits uit. Ze werken vooral met pas afgestudeerde kappers, maar ze hebben ook een paar toptalenten in dienst, echte sterren die gesoigneerd worden met een riant salaris en een dure firmawagen. Ze reizen het hele land af om nieuwe salons te lanceren. Klantentrouw is van geen belang, hit and run is de boodschap. In deze stad wonen zo’n honderdduizend mensen, randgemeenten inbegrepen. Het is de bedoeling die allemaal één keer in een stoel van Kreatos te lokken. Komen ze terug, des te beter, maar dat is niet echt noodzakelijk. Na een jaar of zeven is het vet van de soep. Dan sluiten ze de boel, en beginnen ze een straat verder met een fonkelnieuw salon. Vooral jonge mensen, kinderen van de zapcultuur, lopen naar ketens. Onze aanpak is heel anders, wij investeren juist heel veel in klantentrouw”.

Humo: jullie lokken een zeer gemengd publiek. Jong en oud, man en vrouw. Een bewuste keuze?

Romain: “Dat is vanzelf gegroeid. Ik ben ooit begonnen als zuivere dameskapper. Vroeger stonden die een trapje hoger dan herenkappers, maar dat was niet de reden waarom ik me tot het vrouwvolk beperkte. In mijn tijden zaten de mannen massaal aan de brilcrème. Ik had geen zin om vieze haren vol restanten van brilcrème te knippen”.

Patrick: “Mannen zijn nu goed voor een derde van ons cliënteel. Die verhouding is ideaal. Okay, mannen brengen minder op. Wassen, knippen, eventueel een laagje gel, voor dertig euro zijn ze doorgaans gesteld. Maar mannen zijn perfect om dode momenten te overbruggen. Ze haten wachten bij de kapper. Voor ze binnen komen, passeren ze een paar keer voor het raam. Checken of er niet te veel volk is, anders wachten ze wel een weekje. Voor vrouwen maakt het niet uit of er twee dan wel tien klanten zitten te wachten, een kapbeurt mag gerust een paar uur duren. In dat opzicht zijn mannen en vrouwen totaal verschillend. Het nieuwe kapsel van een man is voor zijn maten geen gespreksonderwerp, en mocht dat wel zo zijn, dan moet hij zich ernstige vragen stellen bij die vrienden. Voor vrouwen echter staat er veel op het spel. Een nieuwe snit wordt druk besproken, ze zouden zich beledigd voelen als hun vriendinnen geen commentaar gaven. Ik heb al vaak meegemaakt. Een vrouw stapt hier buiten, op en top tevreden met haar nieuwe kapsel. ’s Anderendaags keert ze beteuterd terug: de kleur, de snit, het is toch niet helemaal zoals ze het wilde. Dan weet je wat er aan de hand is: haar beste vriendin heeft kritiek gegeven. Of erger nog: haar man heeft de nieuwe look niet eens opgemerkt. Zo zie je maar, als kapper moet je niet alleen de klant maar ook de partner te vriend houden”.

Humo: daar hebben we hem: Il figaro, specialist van de vrouwelijke natuur…

Patrick: “Lach er maar mee. Het is geen toeval dat er zoveel homo’s in dit vak zitten. Als kapper moet je een feminiene zijde hebben, je moet vrouwen goed aanvoelen. Figuurlijk, bedoel ik dan, want als kapper verzeil je wel eens in delicate situaties. Nogal wat vrouwen zien in hun kapper een soort therapeut aan wie ze al hun kommer en kwel kwijt kunnen. Het lijkt wel alsof er rond de kappersstoel een aura hangt, waardoor ze vergeten dat andere klanten kunnen meeluisteren. Ik moet hier soms wat horen, van problemen op het werk tot de seks die het laat afweten. Dat onderwerp wordt niet expliciet aangesneden. Mijn man ziet me niet meer staan, klinkt het wat omfloerst”.

Humo: hoe reageer je daarop? 

Patrick: “Je moet vooral kunnen luisteren. Soms probeer je te troosten, of je probeert het gejammer wat te relativeren. Dat ze de situatie ook anders kunnen bekijken. Maar het is nooit de bedoeling met de klant in discussie te gaan. Sommige vrouwen willen meer dan een luisterend oor. Daar pas ik voor, ik schuw trouwens lichamelijk contact met klanten. Op een beurs heb ik ooit een kapper aan het werk gezien die misbruik maakte van zijn positie. Als hij de haarlengte van een meisje nam, schoten zijn handen toevallig uit naar haar borsten. Daar gruw ik van”.

Humo: wordt er ook over politiek gepraat?

Patrick: “In dit vak moet je over alles kunnen meepraten, van sport over auto’s tot BV’s. En ja, ook de politiek komt aan bod, er zijn hier de voorbije maanden al heel wat regeringen gevormd. De kunst is een eind mee te praten zonder klanten voor het hoofd te stoten”.

Humo: wat doe je als klanten racistische praat verkopen?

Patrick: “Dat gebeurt wel eens, vooral als het over Marokkanen gaat. Ik probeer daar subtiel tegen in te gaan. Dat je ze niet allemaal over dezelfde kam mag scheren. Meestal volstaat dat om het gesprek op een ander thema te brengen”.

Humo: in deze buurt wonen veel Marokkanen. Krijg je die over de vloer?

Patrick: “Zelden, Marokkanen hebben hun eigen kappers. Pas op, we hebben er wel een paar in ons cliënteel. Vooral meisjesstudenten, met en zonder hoofddoek. Ik geef daar geen commentaar op, in mijn salon is iedereen welkom. In deze omgeving wonen ook veel Afrikanen, maar die zien we nooit. Ik zou ook niet weten hoe ik hun haar moet knippen. Eén keer heb ik een klant gehad met kroeshaar, even stug als dat van een zwarte. Eerlijk gezegd, ik heb een uur getwijfeld of ik er aan zou beginnen. Ik heb het erop gewaagd, maar het is niet voor herhaling vatbaar. Volgende keer stuur ik hem door naar een collega in de Brusselse Matonge-wijk”.

Humo: verkopen jullie ook haargroeimiddelen?

Patrick: “Nee, daar doen we niet aan mee. Het zal sommigen verdrieten, maar een middel om haar te doen groeien, bestaat niet. Gelukkig springen steeds meer mannen nuchter om met dat probleem. Ken je de Jacques Vermeire-coup? Het haar van opzij halen, desnoods zelfs vanachter de oren, om de kale kruin te bedekken? Een riskante operatie, want bij het geringste briesje gaat zo’n coupe airborne. Wel, zo’n Jacques Vermeire-coupe wordt de laatste tijd niet veel meer gevraagd. Mannen snappen tegenwoordig dat een korte snit de beste manier is om beginnende kaalheid te verdoezelen”.

Humo: Romain is niet de enige oude rot in het vak. Heel wat kappers blijven tot op hoge leeftijd doorgaan. Waarom?

Romain: “Ik zou graag antwoorden dat het beroepsliefde is, maar de waarheid is iets genuanceerder. Er zijn weinig kappers die rijk sterven, sparen is niet onze grootste kwaliteit. Zie je, in dit vak draait alles rond schone schijn. Kappers komen graag goed voor de dag. Dure merkkledij, chique auto, het hoort erbij. Je had dat moeten zien toen ik destijds naar Brussel op cursus ging, de parking stond vol BMW’s, Mercedessen en Porsches. Ik heb zelf nog met een Oldsmobile F85 gereden, een prachtige slee. Op grote voet leven is fijn, zolang het geld blijft binnenstromen. Daar schuilt het gevaar: als de inkomsten slabakken, is het erg moeilijk om zich aan te passen. Ik kan erover meespreken. Ik viel terug op 100.000 frank in de maand, maar ik bleef doen alsof het er nog altijd 200.000 waren. Heel wat kappers eindigen hun carrière in de horeca. Ze beginnen een café, omdat ze geen geld hebben om op pensioen te gaan”.

Humo: Patrick, vrees jij ook zo’n fin-de-carrière?

Patrick: “Nee, de nieuwe lichting kappers springt heel anders om met geld. Beleggen en pensioensparen zijn geen vieze woorden meer. Ik zie mezelf niet meer staan knippen op mijn zeventigste. Binnen een jaar of tien kap ik ermee. Niet dat ik dan mijn salon verkoop, maar ik zoek iemand om de leiding over te nemen. Zelf wil ik mijn expertise verzilveren. Adviseur voor L’Oréal, dat lijkt me wel wat”.

 Humo: alvast veel plezier met de tombola’s…

 $$$$$$$$$$$$$$

(2) DE BELEGGER (Humo, 11 januari 2011)

België is een fiscaal paradijs voor beleggers”

 21619_humobeleggers(1).jpg

 

De financiële mores der Belgen, er valt geen touw aan vast te knopen. Zo creatief we zijn in het beduvelen van de fiscus, zo conservatief zijn we in het beheren van onze pecunia. Nooit stond er meer geld geparkeerd op de Belgische spaarboekjes die inzake rendement niet onderdoen voor de sok of matras van tante Clémentine. Twee procent basisrente, meer moet dat kennelijk niet zijn. Paul D’Hoore mag beurspraatjes verkopen zoveel hij wilt, maar aan avonturen op de Euronext of Nasdaq waagt de modale Belg zich niet. Heeft de kredietcrisis van 2008 niet onomstotelijk zijn gelijk bewezen? Voorzichtigheid is de moeder van porseleinkast en portefeuille. Samen met de miljarden aan beurswaarden is ook het animo om te beleggen in rook opgegaan.

Maar niet bij iedereen. Een kleine maar hardleerse minderheid blijft enthousiast beursindexen afschuimen en goochelen met aandelen, obligaties, opties en futures. En intussen maar lachen met de angsthazen en hun onderpresterende spaarboekjes. Rijk worden met de beurs na de grootste crash sinds 1929? Perfect mogelijk, weet geboren belegger Romain B  (65). Speciaal voor Billen Bloot legt hij zijn portefeuille op tafel, in zijn geval een omslachtig manoeuvre waarvoor en kandelaars en bloemstukken dienden opzij geschoven te worden.

Romain B: “Ik ben begonnen toen ik zeven was. Mijn eerste belegging was…een schaap. Dat kwam zo: mijn vader, die boer was, wilde schapen houden. Omdat hij zelf weinig tijd had, maakte hij met mij en mijn broer een deal. Als wij de beesten verzorgden, kregen we in ruil de opbrengst van de wol en het vlees. Gelukkig was mijn vader een erg redelijke man. We moesten geen pacht betalen voor het gebruik van de wei”.

Humo: was het een goede belegging?

Romain B: “We hebben er aan verdiend, maar  niet lang. Vader heeft die schapen snel weer van de hand gedaan, wegens teveel gedoe. Achteraf bekeken was het vooral een leerzame ervaring: ik heb van kindsbeen af geleerd hoe je een financiële meerwaarde kunt realiseren. Nu moet ik wel toegeven dat ik in de olie ben geboren. Vader had heel wat grond en bezittingen geërfd. Op onze boerderij liepen een stalknecht en een keukenmeid rond, dat zegt genoeg. Vader, zelf een enthousiast belegger, stimuleerde ons om op de beurs te spelen. Mij moest hij niet overtuigen, want ik besefte al vroeg dat beleggen een noodzaak was. Op een dikke erfenis moest ik niet rekenen. Als ik vaders levensstijl wilde evenaren, dan moest ik creatief omspringen met mijn geld. Toen ik als prille twintiger afstudeerde had ik al 680.000 oude Belgische franken (17.000 euro) aan de kant, een bom duiten voor die tijd. Okay, ik had al wat gewerkt, en ik kreeg thuis wel eens wat toegestopt. Maar zonder beleggen had ik nooit zo’n potje kunnen aanleggen”.

Humo: laat me raden: u hebt economie of handelswetenschappen gestudeerd.

Romain B: “Ik ben burgerlijk ingenieur chemie, ik heb een carrière in de industrie achter de rug. Maar inderdaad, ik heb er tijdens mijn ingenieursstudies wat bedrijfseconomie bijgedaan. S’ Avonds, op mijn kamer, verslond ik cursussen over beleggen. Allemaal interessant, maar achteraf bekeken heb ik veel meer geleerd uit de praktijk. Door zelf te beleggen leer je interessante mensen kennen, echte cracks die de beurs in de vingers hebben”.

Humo: wat kwam er eigenlijk na dat schaap?

Romain B: “Mijn eerste aandelen? Dat moeten mijn Ebes’kes zijn geweest, een tip van mijn vader. Ebes is al lang opgekocht door Elektrabel , maar vroeger was dat dé elektriciteitsmaatschappij van de beide Vlaanders. Het was een typisch buy and hold-aandeel, ieder jaar goed voor een flink dividend. Wat had ik toen nog in portefeuille? Kredietbank natuurlijk, dat aandeel heb ik al mijn hele leven gekocht en verkocht. Voorts had ik Dumonts, aandelen van de NV Limburgse Steenkoolmaatschappijen die ik had gekocht toen de maatschappij werd geliquideerd om samen met de andere privémijnen op te gaan in de Kempische Steenkoolmijnen”.

Humo: aandelen kopen van een bedrijf in vereffening?

Romain B: “Die Dumonts heb ik natuurlijk niet gekocht voor het dividend, het was me precies om de liquidatie te doen. Alle huizen, gronden en andere bezittingen van de NV werden verkocht, de opbrengst ging naar de aandeelhouders. Geen slechte belegging”.

Humo: graag wat cijfers. Hoe is uw portefeuille geëvolueerd?

Romain B: “Dan moeten  we dertig jaar terug gaan in de tijd, het moment waarop ik echt serieus ben gaan beleggen. Mijn portefeuille woog toen 3 miljoen frank, 75.000 euro dus.  Wel, momenteel is mijn portefeuille ruim 1 miljoen euro waard. Dat is een mooi bedrag, zeker als je bedenkt dat ik in bepaalde periodes van mijn portefeuille heb geleefd. Maar het had nog veel mooier kunnen zijn. Dat miljoen, dat is wat er nog overschiet na de bankencrisis. Drie jaar geleden was mijn portefeuille twee miljoen euro waard”.

Humo: Oeps, de helft van uw vermogen naar de Filistijnen. Wat doet zo’n aderlating met de beleggende medemens?

Romain B: “Mijn ego heeft toch wel een deuk gekregen. Zie je, ik was best trots op mijn portefeuille. Van 3 miljoen naar 80 miljoen frank, dat is een mooi resultaat. Goed bezig, Romainke, zei ik vaak tegen mezelf. En dan krijg je zo’n oplawaai”.

Humo: heeft u de tering naar gezet of bleef het een puur boekhoudkundig drama?

Romain B: “Ik heb na die aderlating mijn levensstijl aangepast, het was niet het moment om wilde dingen te doen. Goed, een miljoen euro is nog altijd een aardig bedrag. Maar wat als je negentig wordt? Dan volstaat één miljoen euro niet, toch niet als je aan een zekere levensstijl gehecht bent. Gelukkig heb ik intussen al een stuk van mijn verlies gerecupereerd”.

Humo: oh ja? Schijnt de zon weer in Beursland?

Romain B: “Man, man, het gaat heel hard. In maart 2009, toen de beurs op een absoluut dieptepunt zat, heb ik bij Keytrade een portefeuille van 150.000 euro geopend.  Tegen de stroom oproeien, heet dat. Terwijl de meeste beleggers wegvluchtten, ben ik fors ingestapt. Vanaf 9 maart zijn de koersen weer gaan stijgen, en dat is niet meer gestopt. Op dit moment weegt die Keytrade-portefeuille al 300.000 euro. 100 procent rendement in minder dan twee jaar, daar tekent iedere belegger voor. Timing is alles op de beurs, maar je moet ook nog de middelen hebben om op het juiste moment in te stappen. Ik heb er wat landbouwgrond moet voor verkopen, maar achteraf bekeken was dat meer dan de moeite waard”.

Humo: wat zit er zoal in die portefeuille?

Romain B: “Niks spectaculairs. Bekaert, D’Ieteren, saaie maar oerdegelijke Belgische aandelen. Ook Umicore zit er in, die hebben de voorbije jaren erg goed geboerd. Schilder me nu niet af als een koning Midas die alles wat hij aanraakt in goud ziet veranderen. Ik heb ook pijnlijke fouten gemaakt”.

Humo: zoals?

Romain B: “Ooit had ik een levendig een discussie met mijn schoonbroer, ook een fervente belegger. Het was rond kerstmis 2008, en de koersen bleven maar zakken. Mijn schoonbroer nam zich voor om uit te stappen als de beurs nog eens tien procent zakte. In januari was het al zover. Hij heeft alles verkocht, maar ik ben blijven zitten. We hebben de bodem bereikt, dacht ik, vanaf nu kan het enkel nog bergop gaan. Niet dus, de volgende weken was de koersval pas echt dramatisch. Die inschattingsfout verklaart waarom mijn portefeuille tot de helft is verschrompeld. En nu ik toch fouten aan het opbiechten ben. Mijn grootste flater heb ik eigenlijk een half jaar eerder, in de zomer van 2008, begaan. Iedereen zal zich die periode wel herinneren. Bear Stearns was al in de problemen geraakt, het eerste grote slachtoffer van de Amerikaanse hypotheekcrisis die nadien het hele internationale kredietsysteem aan het wankelen zou brengen. Maar dat laatste kon ik toen niet vermoeden. Nee, ik zat naar de trendlijntjes op mijn computer te kijken. En wat zag ik? Ondanks de commotie rond Bear Stearns stegen de koersen, hoger zelfs dan verwacht. Conclusie van mijn technische analyse: instappen, Romain! Dat heb ik dan ook gedaan, luttele dagen voordat Lehman Brothers over de kop ging. Een erg dure vergissing, zeker omdat ik geen stop loss op mijn orders had geplaatst”.

Humo: wat is een stop loss?

Romain B: “Een stoporder? Dat is een veiligheidsmechanisme dat vaak aan aandelen wordt gekoppeld. Het principe is simpel: als de koers voorbij een vooraf bepaald niveau valt, dan wordt er automatisch een verkooporder gegeven. Op die manier kun je de verliezen beperken. Dat klinkt goed, maar ik ben er geen hevig voorstander van. Om te beginnen is het erg moeilijk om te bepalen waar je de stop precies moet plaatsen. Als je hem te scherp zet, dan riskeer je de bij de geringste koersval een aandeel te verkopen dat even later weer flink presteert. Bovendien werkt een stoporder lang niet altijd, waardoor een vals gevoelig van veiligheid ontstaat. Even riskant als een parachute die meestal wel maar soms ook niet opengaat”.

Humo: waarom werkt het niet altijd?

Romanin B: “Een: als een koers valt, dan valt ze vaak snel en diep. Twee: bij het uitvoeren van een stoporder gaat er altijd tijd verloren, ook al gebeurt dat volautomatisch. Dat is een kwestie van minuten, maar het gevolg is wel dat je te laat komt om de stopkoers te vangen en dat je de facto aan een lagere koers verkoopt. Alleen voor high speed traders ligt dat anders, die gebruiken systemen die binnen een paar seconden reageren. In feite is het niet eerlijk meer. Als zelfstandig belegger met een PC’tje kun je tegen niet op tegen de traders met hun supercomputers, het is alsof je met een 2 PK’tje tegen een Formule 1-wagen koerst. Toch zijn we verplicht op het zelfde circuit te racen. Er is maar één markt, kleine beleggers voelen de interventies van grote traders zoals hedgefunds. Die zitten hele dagen als gekken te handelen met enorme kapitalen waarvoor ze zich eerst diep in de schulden moeten steken. Dat heeft niks meer te zien met de matigende rol die traders traditioneel op de beurs spelen”.

Humo: hoezo?

Romain B: “Traders moeten ervoor zorgen dat een aandeel verhandelbaar blijft. Als er voor een bepaald aandeel geen kopers zijn, dan kopen ze. Zijn er geen verkopers, dan verkopen ze. Op die manier sturen ze de markt naar een evenwicht. Tegenwoordig echter blijven de traders steeds vaker aan de kant staan. Gevolg: als er voor een aandeel geen kopers zijn, dan kan een koers pijlsnel tot op het nulpunt vallen. Zo wordt beleggen stilaan een gokspel, vooral als je op marktprijs verkoopt, zonder een limiet te stellen die de bodemkoers bepaalt waartegen je bereid bent te verkopen. Dat verklaart ook de extreme schommelingen die de beurs de laatste jaren laat optekenen. Op 8 mei 2010 was er zo’n spectaculaire duik. Niemand had het zien aankomen, niemand snapte achteraf waarom”.

Humo: hoe komt het dat zelfs ervaren beursratten zoals u nog dure vergissingen begaan?

Romain B: “Iedereen maakt fouten, ook doorgewinterde beleggers. Wie het tegendeel beweert, is een opschepper of een slechte verliezen. Fouten maken hoort bij het spel, de hele kunst is de verhouding tussen winners en missers gezond te houden. Veel hangt daarbij af van de omvang van winst en verlies. Je kunt 80 procent van je orders met verlies afsluiten en met de resterende twintig procent toch een flink rendement op je globale portefeuille realiseren. Houd de verliezers kort en geef de winnaars de vrije teugel, is de boodschap. Los daarvan zie ik wel verzachtende omstandigheden voor mijn uitschuiver van 2008. Ik zei het al, volgens de technische analyse moest ik instappen. Nu weet ik dat je daar niet blind mag op vertrouwen, maar er was nog een overweging die me in de val heeft gelokt. Tussen 2003 en 2007 heeft de beurs vier dips van 20 procent gekend. Als ervaren belegger wist je dat je daar vooral niet moest op reageren. Je bleef zitten, in de wetenschap dat de koersen zich binnen de kortste keren zouden herstellen. Als dat scenario zich vier keer herhaalt, zo redeneerde ik in de zomer van 2008, waarom zou het de vijfde keer dan anders gaan? Helaas, de crisis die kort nadien uitbrak was geen dip maar een tsunami. Ach ja, die onvoorspelbaarheid is precies wat de beurs zo spannend maakt”.

Humo: ook gebloed in het L&H-drama?

Romain B: “Nee, daar ben ik goed weggekomen. Een broker had me al vroeg gewaarschuwd dat er daar in Ieper vreemde dingen gebeurden. Ik ben nog een poosje blijven zitten, maar ik was wel alert. Toen het er ook technisch begon te stinken, heb ik meteen verkocht. Da’s een van de situaties waar technische analyse me echt heeft geholpen”.

Humo: beleggers worden vaak in twee kampen verdeeld: aanhangers van de technische analyse versus adepten van de fundamentele analyse. Tot welk kamp behoort u?

Romain B: “Ach, de eeuwige tegenstelling tussen de techniekers en de fundamentalisten. Zolang ik al beleg, maken ze ruzie. De waarheid is dat ze allebei deels gelijk en deels ongelijk hebben. Voor de techniekers is het simpel: volg de koers en niks dan de koers. Nu ja simpel, in de praktijk is het dat allerminst. Er komen algoritmes, statistieken, grafieken en curven bij kijken, om maar te zwijgen van software om al die data te verwerken en te analyseren. Typisch voor de techniekers is dat ze zich niks aantrekken van het bedrijf dat achter een grafiek schuil gaat. Dat druist lijnrecht in tegen het mantra van de fundamentalisten: koop altijd goedkoop, en koop altijd aandelen van een goed draaiend bedrijf, een bedrijf dat veel winst puurt uit weinig kapitaal. Dat vergt een heel andere benadering, want je moet je echt verdiepen in de sectoren waarin je als belegger actief bent. Meer nog, je moet bedrijven op de voet volgen, hun balansen en jaarrekeningen uitvlooien. Ik probeer een middenweg te bewandelen, al neig ik toch meer daar de fundamentalisten. Ik ben zijn naam vergeten, maar een Amerikaans econoom heeft ooit geschreven dat hij nog nooit van zijn leven een rijke technieker had ontmoet. Rijke fundamentalisten daarentegen kende hij bij de vleet. Warren Buffet, Joel Greenblatt, Georges Soros, om er maar een paar op te noemen”.

Humo: hoe hevig zijn die ruzies? Vliegt er al eens een paperclip door de lucht?

Romain B: “We houden het beschaafd, maar op internetfora en in beleggerclubs kan de toon hoog oplopen. Ik heb vrienden die onvoorwaardelijk in technische analyse geloven. Ze beweren dat ze de beurs kunnen voorspellen, zowel op kort als lange termijn. Ik heb dat zelf ook een poosje geloofd. Ik maakte me sterk dat ik één procent per dag op mijn portefeuille kon realiseren. Dat is hoog gegrepen, maar in theorie, als je de koersen kunt voorspellen en inspeelt op de courante bewegingen, is het haalbaar. Maar in de praktijk lukt het niet. Je dobbert rond op de golven, en dan ineens komt er een tsunami die je totaal niet ziet aankomen. Intussen ben ik ervan overtuigd: je kunt de beurs niet voorspellen, op de korte noch op de lange termijn. Het is vorig jaar alweer gebleken met de financiële waarden, de aandelen van banken en verzekeraars die het in de zomer van 2010 opvallend goed deden. Volgens de technische analyse zou de hausse blijven duren, maar sinds september hebben we niks dan doffe ellende gekend in de financiële waarden. Pech, want ik ben er ook mee blijven zitten”.

Humo: heeft u een systeem, een eigen beleggingsstrategie?

Romain B: “Een echt systeem wil ik het niet noemen, maar ik hecht veel belang aan de relatieve sterkte die aangeeft of je aandeel of portefeuille beter dan wel slechter presteert dan de referentie-index. Zelf volg ik vooral de S&P 500, de index van de grootste 500 bedrijven van de States die een goede barometer is van de Amerikaanse economie. Trend is your friend, zeg ik altijd. Uiteindelijk is het toch de economie die bepaalt of koersen zullen stijgen of dalen. Iemand die erg waardeer is Joseph Piotrovki, een Amerikaanse professor economie die een eigen beleggingssysteem heeft ontwikkeld. Piotrovki, een fundamentalist van het intelligente soort, plukt uit de boekhouding van bedrijven negen paramaters. Pas wanneer die alle negen positief zijn, gaat hij in die bedrijven beleggen. Ook de Magic Formula van superbelegger Greenblatt is interessant. Simpelweg komt het erop neer dat je goedkoop aandelen koopt van bedrijven die goed boeren. Om die te selecteren gebruikte Greenblatt twee criteria. Price-earning, de verhouding tussen de prijs van het aandeel en de winst die het oplevert. Price-book vertaalt dan weer de intrinsieke waarde van het bedrijf waarvan je als aandeelhouder een stukje eigenaar bent. Nadeel van de Magic Formula is dat ze geen rekening houdt met groeivooruitzichten. Piotrovki doet dat wel, jammer dat zijn analyse niet in mijn HGSI-pakket zit”.

Humo: waar staat HGSI voor?

Romain B: “High Growth Stock Index, een Amerikaans softwarepakket dat zowel technische als fundamentele gegevens verwerkt. Met HGSI kun je je eigen formule ontwikkelen om de interessante aandelen uit het immense aanbod te filteren. Wat koop ik vandaag en waar blijf ik best af? Dat gaat heel ver, zelfs de opinies van de meeste leidinggevende analisten zitten in het pakket. Niet Piotrovki dus, daar moet je afzonderlijk voor betalen: 50 euro in de maand voor zijn nieuwsbrief”.

Humo: zo weinig? Vijftig euro in de maand voor iemand die de weg naar de gouden graal wijst?

Romain B: “Dat is inderdaad weinig, maar die mannen spelen op volume. Er zijn wereldwijd honderdduizenden beleggers die zich op zo’n nieuwsbrief abonneren. Zo werkt het wereldje. Een formule die haar succes bewijst, wordt meteen een hype”.

Humo: hoeveel kosten softwarepakketten voor beleggers?

Romain B: “Dat valt reuze mee: voor HGSI betaal ik zo’n 500 euro per jaar. Daar zit ook Quotes Plus in, een programma waarmee je de klok rond alle koersen van alle markten waar ook ter wereld kunt ophalen. Dat is een onmisbaar instrument, want koersen zijn de grondstof voor je analyses. Naast HGSI gebruik ik ook Technifilter, een pakket dat ik ooit voor 400 euro heb gekost. Geen geld, want je kunt het naar believen kopiëren en op meerdere computer installeren. Technifilter werkt onder meer met MACD, de Moving Average Convergence Divergence. Klinkt ingewikkeld, maar in feite is het niks anders dan het vlottend gemiddelde van twee aandelen. Aan de hand van die gegevens gaat het programma koersen onderling vergelijken en de snijpunten op lange en korte termijn bepalen, en die geven dan weer de ideale aankoop- en verkoopmomenten weer.  Ach, er bestaan oneindig veel trading tools, je kunt er de harde schijf van je computer mee vol plamuren.  Maar in feite heb je dat allemaal niet meer nodig. Als je tegenwoordig bij een internet broker zoals Keytrade of Binckbank aansluit, krijg je er meteen alle mogelijke tools gratis bovenop, tot en met de opinies van de meeste analisten”.

Humo: online brokers zoals Keytrade en Binckbank schreeuwen van de daken dat hun transactiekosten veel lager liggen dan die van grootbanken. Terecht?

Romain B: “En of, de grootbanken zijn veel te duur. Vroeger had je natuurlijk geen keuze. Ik plaatste mijn orders via de Generale Bank. Anderhalf procent commissie om een aandeelke te passeren, 450 frank voor een orderke van 30.000, achteraf bekeken was dat waanzin. Gelukkig heeft de komst van de Keytrades en de Binckbanks de prijzen doen kelderen. Tegenwoordig betaal je geen commissie maar een vast tarief. Om een idee te geven:  voor een Euronext-order tot 2.500 euro rekent Keytrade 7,5 euro aan. Dat ligt al meer in lijn met de Amerikaanse tarieven die rond de 10 dollar per transactie schommelen. In feite is dat nog altijd te duur. In Amerika heb je discountbrokers die maar een paar cent per transactie rekenen. Peanuts, maar op het einde van de dag hebben ze goed verdiend. Hun klanten zijn vooral highspeed traders die er honderden orders per dag doorjagen”.

E: je moet al bijna een oen zijn om via de grootbank te beleggen….

Romain B: “Grootbanken zijn nuttig voor een hypotheeklening. Maar om te beleggen? Ik snap niet dat mensen nog altijd zo dom zijn zich daar blauw aan te betalen. Ten andere, ook hun beheerskosten voor zichtrekeningen zijn schandalig duur. Natuurlijk, beleggen via een internetbank vergt enige kennis van zaken. Grootbanken, met hun netwerk van kantoren, hebben een lage drempel. Hoeveel spaarders hebben geen persoonlijke band met hun bankier? En op een mooie dag, na te hebben gepolst naar het wel en wee van de kinderen en van de locale voetbalploeg, doet die bankier een suggestie. Meneer Janssens, u heeft hier nog een aardig gevuld spaarboekje. Zouden we dat bedrag niet beter beleggen? En dan stelt hij een of ander product voor, zogezegd op maat van de klant maar altijd met veel te hoge instapkosten. Drie procent voor een fonds dat tot overmaat van ramp ondermaats presteert. Grootbanken teren op de onwetendheid en de gemakzucht van hun klanten”.

E: er klinkt oprechte verontwaardiging in uw stem. Maakt de gemakzucht van de doorsnee spaarder u boos?

Romain B: “Ik zie het soms met lede ogen aan hoe mensen zichzelf te kort doen. Neem nu die gepensioneerde tandarts uit mijn vriendenkring. Die man heeft tijdens zijn loopbaan zeer goed verdiend. Hij komt niks te kort, maar hij moet ook niet gek gaan doen als hij een onbekommerde oude dag wil slijten. Dan denk ik stilletjes bij mezelf: jongen toch, had jij je geld maar wat beter belegd, dan kon je de rest van je dagen leven als God in Frankrijk. Okay, de laatste tien jaar heeft de aandelenbeurs het niet goed gedaan. Dat jaagt vele mensen schrik aan. Maar de werkelijkheid is veel genuanceerder, de obligatiemarkt heeft bijvoorbeeld wel goed gepresteerd. Beleggen rendeert altijd, als je maar een beetje uit je doppen kijkt”.

E: wordt u als succesvol belegger wel eens door beginners aan de mouw getrokken voor advies?

Romain B: “Zelden. Sommige collega’s die meer in de kijker lopen, hebben daar wel last van. Het is niet dat ik mijn kennis niet wil delen, maar ik vind het riskant om aan anderen advies te geven. Beleggen is zo complex, het is nooit zwart-wit, er zit veel grijs tussen. Neem nu die grap die we onlangs met Agfa hebben beleefd.  Alle audits en bedrijfsrapporten wezen in dezelfde richting: Agfa stond na een paar moeilijke jaren voor een nieuwe bloeiperiode. In de beleggerclubs en op de beleggersfora werd het wekenlang gehypet: kopen dat aandeel! Ook de analisten waren het roerend eens: laat dit buitenkansje niet liggen! En dan ineens, zonder enige waarschuwing: een patat van min 18 procent! Heel wat beleggers voelden zich naderhand bekocht door de zogenaamde kenners die hen voor dit buitenkansje hadden warm gemaakt”.

Humo: we weten al van het potje bij Keytrade. Hoe ziet de rest van de portefeuille eruit?

 Romain B:  “Erg divers, ik zou er dringend moeten in wieden. Ik beleg in Luxemburg en de States, ik heb een portefeuille bij vermogensbeheerder Petercam, en ik zit ondanks alles nog bij enkele bij grootbanken, een erfenis uit het verleden. Anderhalf jaar geleden ben ik voor 80.000 euro in een landbouwfonds van Selfinvest gestapt, dat is een Vlaamse on-line broker die onder meer op commodities speculeert. Dat kan olie of koper zijn, maar in mijn geval zijn het landbouwproducten  zoals tarwe, koffie of graan. Het werkt een beetje zoals een future: als de markt goed gaat, wordt ook de belegger er beter van. Je betaalt geen instapkosten, maar wel een commissie op iedere transactie die ze verrichten. Het rendement? Daar vraag je me wat, ik heb in geen zes maand nog naar dat fonds omgekeken. Ik zei het al, ik zou dringend eens in mijn portefeuille moeten wieden ”.

E: beseft u hoe decadent dat klinkt? Heel wat loontrekkenden moeten een hele carrière lang sparen om 80.000 euro aan de kant te zetten..

Romain B: “Ach, rijkdom is zo relatief. Ik heb niet slecht geboerd, maar het is niet als belegger dat je fortuinen verdiend. Een oude kennis, een boerenzoon zoals ik, heeft een bedrijf opgericht, groot gemaakt en goed verkocht. Die man is pas rijk, naast hem ben ik een proletariër. Het is hem van harte gegund, want hij heeft zijn nek uitgestoken. Ondernemers en beleggers, dat zijn verschillende rassen. Ondernemers zijn jagers. Soms schieten ze mis, maar als het raak is, dan is het feest en laten ze het breed hangen. Vergeleken daarmee zijn beleggers saaie pieten, mierenneukers die in alle stilte, procentje voor procentje, hun fortuin bijeenschrapen”.

Humo: beleggen in Amerika, is dat zoals voetballen in de Champions League?

Romain B: “Toch wel, Amerika is en blijft de bakermat van de belegger. Financieel-technisch spelen ze daar nog altijd een  klasse hoger. Ik ben heel vroeg naar Amerika getrokken, omdat je daar minder beperkingen hebt.  Ik wilde shorten, zodat je ook winst kun maken wanneer de beurs daalt…”

Humo: stop! Leg eerst even uit wat shorten is...

Romain B: “Er zijn verschillende manieren om short te gaan, maar ik zal het simpel houden. Je verkoopt een aandeel tegen een hoge koers. Bij shorten heb je dat aandeel echter niet in portefeuille, je koopt het pas later in tegen een lagere koers. Het verschil tussen verkoop- en aankoopprijs is de winst. In feite speculeer je dus op een dalende markt, wat meteen ook verklaart waarom shorten omstreden is. Door massaal short te gaan, kan een intrinsiek waardevol aandeel  naar de haaien aan. Het aloude mechanisme van de selffulfilling prophecy”.

Humo:  grof geld verdiend in Wall Street?

Romain B: “Nee, maar wel veel geleerd. Ik had een aardige som geparkeerd bij een Amerikaanse makelaar die alles deed. Futures, opties, derivaten, shorten, noem maar op.  Toch heeft het weinig gescheeld of ik had er een kater aan overgehouden. Mijn makelaar had de dividenden aan de Belgische fiscus doorgegeven. Logisch genoeg, want in Amerika worden beleggingswinsten belast. Voor mij echter was het een strop, want ik had hier niks aangegeven. Gelukkig heb ik er me kunnen uitpraten toen ik door de controleur op het matje werd geroepen. Ik werkte in die tijd voor een Amerikaanse multinational.  Ze geloofden me toen ik verklaarde dat ik ginder deels in aandelen werd uitbetaald en dat ik alle dividenden in Amerika zelf had opgesoupeerd”.

Humo: goed dat u het onderwerp zelf aansnijdt. Wat zegt de Belgische fiscus over uw beleggingsportefeuille?,

Romain B: “Niks. Kapitaal wordt in België niet belast. Als je kapitaal aangroeit, dan heeft de fiscus daar geen zaken mee. Een belegger wordt hier als een goede huisvader beschouwd die zijn vermogen verstandig beheert. De ontwikkeling van mijn portefeuille van drie miljoen frank tot 80 miljoen frank, die is volledig belastingsvrij verlopen. Het is niet voor niets dat ons landje in Amerika als een fiscaal paradijs voor beleggers bekend staat”.

Humo: wat als je voltijds renteniert en geen andere inkomsten hebt dan de opbrengst van je portefeuille?

Romain B: “Dat is een grijze zone. Als je professioneel belegt, moet je in principe je inkomsten aangeven en word je belast. Maar dit is België, aan alles valt een mouw te passen. Je neemt pro forma een baantje, desnoods ga je een paar uur in de week aan de kassa van de supermarkt zitten. Ik vermoed dat ze bij de fiscus wel criteria hanteren. Het kan link worden wanneer je dagelijks heel veel transacties verricht, al vraag ik me wel af hoe ze dat technisch kunnen nagaan. Eigenlijk moet je vooral voorzichtig zijn met uiterlijke tekenen van welstand. Niet met een Ferrari rondrijden als je officieel een inkomen van Jan Modaal beurt. Maar onder ons gezegd: de Belgische fiscus is al bij al zeer redelijk. En nog onder ons gezegd: de hiaten in de wetgeving zijn erg groot. Neem nu de beperking op het recupereren van geld uit het buitenland, een onderdeel van de nieuwe wet op witwaspraktijken. Banken moeten de herkomst van alle bedragen boven de 10.000 euro kunnen bewijzen. Dat valt makkelijk te omzeilen, want je mag rekeningen openen bij zoveel banken als je maar wilt. Als je per bank tienduizend euro kunt recupereren, dan kun je op korte tijd heel wat recupereren zonder dat de fiscus er lucht van krijgt“.

Humo: die verplichte discretie is wel sneu. Wat heb je aan een dikke portefeuille als je er niet openlijk kunt van genieten?

Romain B:  “Uitpakken met mijn weelde is niet mijn stijl. Maar wees gerust, ik zorg goed voor mezelf en mijn dierbaren. Ik ga vaak op restaurant, thuis komt alleen goede wijn op tafel. Reizen doe ik ook graag , altijd cultuurbestemmingen in Europa. Mijn villa in de groene rand van Antwerpen heb ik verhuurd, wonen doe ik in het huis van mijn vriendin, een oude boerderij die ik voor 300.000 euro heb laten renoveren. Mijn auto is tweedehands: een drie jaar oude BMW van de 5-reeks die ik van een dokter heb overgenomen. Discrete klasse, daar teken ik voor”.

Humo: wordt u slapend rijk of is het hard werken in Beursland?

Romain B: “Ik steek er toch makkelijk twintig uur per week in. Koersen opvolgen, analyses maken, vakliteratuur lezen, zowel in print als op allerlei websites. Alleen al met Bloomberg ben ik gauw een paar uur zoet.  Ik ga ook wekelijks naar de Brusselse beleggingsclub waar ik al dertig jaar lid van ben. Dat is heel serieus, we doen niet anders dan over beleggen praten”.

Humo: en gaan jullie dan naar Comme Chez Soi als de Bel20 door het plafond gaat?.

Romain B: “Het gebeurt wel eens dat  we gaan eten. Maar dan nog praten we de hele tijd over geld. Ik zei het al, beleggers zijn saaie pieten”.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>