Unpublished

 

Soms raakt een artikel niet gepubliceerd. Ingehaald door de actualiteit. Zoek geraakt in de mallemolen van de eindredactie. Naar het achterplan verschoven om plaats te maken voor urgentere stukken, al valt over dat oordeel te discussiëren. Uitstel wordt afstel. De redenen zijn divers, de frustratie is steeds dezelfde. Hieronder een selectie van verhalen en reportages die herkansing en publiek verdienen.

 

Mechelse troubadour Carl Cleves over 40 jaar rusteloosheid:

“Ik kan het iedereen aanraden, als alleenstaande vader door Latijns-Amerika trekken”

(november 2011)

credit:  www.carlcleves.com

 

Niet alle Australische muzikanten met Vlaamse roots heten Gotye. Singer-songwriter Carl Cleves werd 68 jaar geleden in Mechelen geboren als Carl Van Hoogenbemt. Zijn vader had hem voorbestemd om magistraat te worden, maar Carl trok met rugzak en gitaar de wijde wereld in. Afrika, Latijns-Amerika, Australië, eilanden in de Pacific en de Indische Oceaan, overal zoog hij de locale muziek op en omarmde hij het volle leven.  Geen sant in eigen land? In Belo Horizonte moet hij de fans van zijn lijf schudden.

*****

Zaterdagavond, Mechelen. Er heeft zich zowaar een bescheiden file voor de ticketbalie van het Cultuurcentrum gevormd. In de coulissen staat Carl Cleves (68) het tafereel met zichtbaar genoegen te observeren. Een honderdtal toeschouwers, goed voor een half gevulde zaal, het lijkt geen vetpot. In zijn Braziliaanse jaren heeft hij voor duizendkoppige menigten gespeeld. Maar vanavond is het niet de kwantiteit die telt. Zijn zus, zijn twee broers, de respectieve kinderen en kleinkinderen, de hele familie Van Hoogenbemt tekent present. Vrienden en oude bekenden hebben de weg gevonden, zelfs klasgenoten van het Sint-Romboutscollege die hij in geen vijftig jaar meer heeft gezien. Tijdens het concert zal hij in ietwat aarzelend Nederlands herinneringen ophalen. Hoe streng het er destijds op het College aan toeging. Na de laatste schoolbel moesten ze recht naar huis. Praten met meisjes, kijken naar de affiches van de bioscopen op de Bruul, het was allemaal taboe. “Stel je voor”, houdt hij de zaal voor. “We werden verondersteld thuis vlijtig te studeren. Tussen vijf en zeven patrouilleerden de paters per fiets door de stad. Wie op straat werd betrapt, had een strafstudie aan zijn broek”.

Wie aan het Sint-Rombouts afzwaaide, wachtte nochtans een schitterende toekomst. Universitaire studies lagen voor de hand, de plek in de hogere middenklasse was gereserveerd. De eerste verwachting heeft hij ruimschoots ingelost. Carl Van Hoogenbemt behaalde in Leuven zijn bul van dokter in de rechten, met onderscheiding alstublieft. De voorspelde carrière is er echter nooit gekomen, zeer tot ontgoocheling van pa Van Hoogenbemt. Als alom gerespecteerd magistraat, rechter in eerste aanleg, zag hij de toekomst van zijn oudste zoon in toog of hermelijn. Advocaat of rechter? Carl had andere plannen. Hij trok de wijde wereld in, met weinig meer dan rugzak en gitaar. Carl Van Hoogenbemt vervelde tot Carl Cleves, een muzikale beat poet met een onblusbare dorst naar exotische ritmes en stijlen. Kon hij de verzamelde airmiles van de voorbije veertig jaar in dollars omzetten, hij was vandaag miljonair. Afrika, Azië, Latijns-Amerika, eilanden in de Stille en de Indische Oceaan, hij heeft er diepe sporen getrokken.

Bruce Chatwin

Een dag eerder. We drinken thee in het salon van zijn zus Denise en spreken Engels. Hij vraagt om begrip. Na veertig jaar buitenland is het soms zoeken naar zijn Nederlands. “Bij ieder bezoek aan Mechelen herontdek ik  woorden”, zegt hij. “Er zitten pareltjes tussen. Desalniettemin of onomstotelijk. Die woorden proef ik als snoepjes op mijn tong”. Engels heeft ook dit voordeel dat Parissa Bouas (44), partner in bed en op het podium, ons gesprek kan volgen. Morgen zal de Australische met Griekse roots het publiek in cultuurcentrum overrompelen. Ze is niet de grootste gitariste van het zuidelijk halfrond, maar haar stem is fenomenaal. Ja, hij kent het werk van Bruce Chatwin. ‘Anatomy of restlessness’, het had niet misstaan op de cover van het boek dat hij drie jaar geleden in Australië publiceerde. Een echte autobiografie is het niet, daarvoor zitten er teveel hiaten in ‘Tarab. Travels with my guitar’. “Tarab is een Arabisch woord”, legt hij uit. “Je zou het als extase kunnen vertalen, maar in de Arabische wereld heeft het een veel diepere, spirituele betekenis. Tarab, dat is de vervoering bij het luisteren naar mooie muziek of poëzie. Ik heb het leren kennen tijdens mijn omzwervingen door Afrika. Op een keer werd ik in Mombassa door een stel Soedanezen uitgenodigd, pelgrims op weg naar Mekka. ’s Avonds, bij het schemerlicht van kerosinelampjes, begonnen ze te zingen. Ik werd meegesleept, mijn nekhaar ging overeind staan, ik kreeg overal goosebumps, kippenvlees. Zeggen ze dat niet, kippenvlees? Kippenvel? Kijk, da’s weer zo’n woord dat ik kwijt was. Anyway, die avond leerde ik dus de betekenis van tarab, maar het gevoel kende ik al van kindsbeen af. Het volstond dat ik een flard mooie muziek hoorde, en ik kreeg al kippenvel”.

Toegegeven, hij lokte het zelf uit.  De verplichte studietijd op zijn kamer, twee hoog in het ouderlijke huis, werd niet alleen met naamvallen en driehoeksmeetkunde gevuld. Carl plunderde de platenkasten van de stedelijke bibliotheek om de hoek. “Ze hadden een fantastische collectie folk, jazz, blues en wereldmuziek”, zegt hij met glinsterende ogen. “Ik was dubbel gezegend, want mijn oom had in de Onze-Lievevrouwestraat een platenzaak. Speciaal voor mij bestelde hij de nieuwste releases, desnoods bij een obscuur label in de States. Zo heb ik mijn eclectische smaak ontwikkeld. Ik luisterde ganser dagen naar klassieke Indiase muziek, nog altijd een van mijn favoriete genres. Ik begon zelf te spelen. Eerst mandoline en banjo, maar het werd pas menens toen ik de ongebruikte gitaar van mijn nichtje kreeg.  Mijn ouders waren veel minder enthousiast, ze wilden niet eens luisteren naar de eerste liedjes die ik zelf schreef. Op het eerste gezicht heb ik een eenzame jeugd gekend, altijd alleen in mijn kamertje. Maar zo voelde het niet aan. Mensen vragen me waar ik mijn reislust vandaan haal. Wel, het is daar begonnen, op mijn kamer met mijn platendraaier en mijn gitaar. In mijn hoofd was ik voortdurend op reis, meegevoerd door de muziek”.

Apartheid

De ouderlijke onverschilligheid mocht niet baten, Carl had zijn ziel aan de muze verkocht. In de zomer gaat hij klussen in de conservenfabriek Marie-Thumas in Mechelen of in de Antwerpse dokken. Met het geld maakt hij zijn eerste omzwervingen als busker in Frankrijk, Duitsland en Joegoslavië, hij is 16 jaar. Thuis start hij zijn eigen R&B-band, Carl Kent and the Dragons. “Genoemd naar mijn favoriete sigarettenmerk”, zegt Carl, intussen een gezondheidsfreak die iedere dag begint en beëindigt met een stevige yogasessie. “Later, als kleinkunstenaar, heb ik een Vlaamse naam aangenomen. Carl van Kleef heette ik oorspronkelijk, naar een personage uit mijn favoriete Suske en Wiske-album. Van Hoogenbemt bekt niet goed, bovendien zou vader het nooit hebben gepikt dat ik met mijn echte naam optrad. Hij haatte mijn muzikale avonturen. Ik trok in die tijd veel op met artiesten zoals Roland en Miek en Roel. Op een keer werden we samen gevraagd voor een festival in Gent. De organisator stuurde een koerier langs met het contract. Ik was niet thuis, vader deed open. Carl van Kleef? Die woont hier niet, zei hij. Weken later kwam ik Roland tegen. Waarom was je niet in Gent, vroeg hij, we zaten te wachten op jou. Ik viel uit de lucht”.

Studeren ging vanzelf, hij bracht meer tijd door in Londen dan in Leuven. Het waren de hoogdagen van de folk. Iedereen had de mond vol van Bob Dylan en John Baez, Greenwich Village was the place to be. New York lag buiten bereik, maar ook in Soho kwam hij als folkie aan zijn trekken. “Je stapte er van de ene club in de andere”, zegt hij. “Ik ben er heel vaak gaan optreden. Muziek was mijn leven, maar thuis werd ik voor de keuze geplaatst: militaire dienstplicht vervullen of stage lopen aan de balie. Vader had al een plaats besproken bij een bevriende advocaat. Ik zag maar één manier om aan het dilemma te ontsnappen: een buitenlandse studiebeurs versieren. Maar omdat ik zo lang in Londen was blijven plakken, waren alle interessante opties al verpatst. In feite schoot er maar één bestemming over: Zuid-Afrika”.

Een half jaar later vertrok Carl per boot, vergezeld van zijn jeugdlief met wie hij inderhaast was getrouwd. “Om van het ouderlijke gezeur af te zijn”, zegt hij, “het was in die dagen niet vanzelfsprekend dat je met je lief in bed dook. Achteraf gezien was het een vergissing. We waren allebei veel te jong, bovendien pasten we helemaal niet bij elkaar”. Het was 1967, Zuid-Afrika kreunde onder de Apartheid. Natuurlijk  was hij zich daarvan bewust toen hij inscheepte. Knaagde zijn geweten dan niet? “Nee”, zegt hij. “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld door woelige regio’s. Toch was de confrontatie hard. In Witwatersrand waren de sixties nog niet begonnen, alle studenten droegen gestreepte blazers en hadden gemillimeterd haar. Ik viel vreselijk uit de toon, met mijn jeans en Elvis-bakkebaarden. Ik had een beurs om internationaal recht te studeren, maar ik zag snel in dat ik daarover weinig kon bijleren. Toevallig ontmoette ik op een feestje John Blacking, hoofd van de vakgroep musicologie en wereldautoriteit op het vlak van Afrikaanse muziek. Kom bij mij studeren, zei hij. Het heeft voeten in de aarde gehad, maar ik werd overgeplaatst om me in de etno-musicologie te verdiepen. Wat een verademing was dat. Onze faculteit was de enige waar niet-blanken werden toegelaten. Logisch, want je kunt in Afrika moeilijk etnische muziek bestuderen als je geen zwarten mag ontmoeten. Maar vanzelfsprekend was het niet. Automobilisten spuwden toen ik met een zwarte collega naar het busstation liep. Ik speelde in een Indiase groep. Op een keer, na een uitgelopen concert, bleef de sitarspeler bij ons logeren. Buren verwittigden de politie, ze kwamen ’s nachts op onze deur bonzen. Bleek dat we de Immorality Act hadden overtreden door een Indiër een bed aan te bieden. John Blacking, mijn mentor en vriend, had stiekem een relatie met een Indiase dokter. Op een nacht werden ze van hun bed gelicht en op het politiekantoor aan een intiem onderzoek onderworpen, om na te gaan ze seksuele betrekkingen hadden. Zo’n ziek land was Zuid-Afrika”.

New South Wales

De terugreis naar België, over de hele oostelijke helft van het Afrikaanse continent, nam meer dan een jaar in beslag. Carl en zijn vrouw huurden een appartement in Antwerpen voor een kort intermezzo. Even overwoog hij een diplomatieke carrière, maar zeer tot spijt van pa en ma koos hij voor een heel andere missie. Een bezield spreker had hem tijdens een lezing in Antwerpen warm gemaakt voor vrijwilligerswerk in Andhra Pradesh. Op 4 januari 1971 _ hij herinnert zich de datum zeer precies _ stond het jonge echtpaar langs de kant van de autosnelweg in Mechelen. Liften naar India, langs toen nog vreedzame landen zoals Afghanistan en Pakistan, het was de natte droom van alle hippies. De eerste chauffeur voerde hen mee naar Leuven, Carl kon toen niet vermoeden dat hij zijn geboortestad de volgende 12 jaar niet meer zou terugzien. “In India heb ik geleerd wat sober leven is”, zegt hij. “We sliepen in tempels en treinstations. Af en toe kwam er wat geld binnen. Ik deed enkele optredens voor radiostations, en ik schnabbelde als correspondent voor Knack. Frans Verleyen had me gevraagd, we kenden elkaar van het Sint-Romboutscollege. Nieuws viel er genoeg te rapen. Overstromingen, hongersnood, de afscheidingsoorlog in Bangladesh, ik heb het ginder allemaal meegemaakt. Na dat jaar in India zijn mijn vrouw en ik definitief uit elkaar gegaan, ik trok alleen verder naar Bangkok. Totaal berooid nam ik een baantje als verkoper van Amerikaanse encyclopedieën. Bedoeling was arme shopkeepers een contract te doen ondertekenen, zonder dat ze beseften dat ze jarenlang moesten afbetalen voor een hoop waardeloze boeken. Uiteindelijk heb ik niet één encyclopedie verkocht. Mijn geweten knaagde, bovendien ben ik altijd een hopeloze verkoper geweest”.

Hoe een dubbeltje rollen kan. Eigenlijk was hij op weg naar Tokyo, maar het werd Sydney. De schuld van een stel hippievrienden die hij op het strand van Penang in Maleisië had leren kennen. Niet alleen gaven ze hoog op van Australië, ze leenden hem bovendien geld om de reis te bekostigen. Een jaar of zo later is hij mede-eigenaar van een commune in New South Wales. “We hadden een stuk woud van 500 hectaren gekocht”, zegt hij. “Het was een ruig gebied, met bergen, rivieren en  watervallen, het krioelde er van de kangoeroes, slangen en vogels. ’s Avonds vierden we feest, maar overdag stroopten we de mouwen op. Bomen rooien en irrigatiekanalen graven voor onze akkers, want uiteraard verbouwden we ons voedsel zelf. Ik vond het heerlijk, ik stuurde euforische brieven naar Mechelen. Vader was ontzet toen hij van de nieuwste wending hoorde. In Australië is een farmer een man van aanzien, maar hij bekeek het door een Vlaamse bril. Zijn oudste zoon was een boer geworden, de ultieme schande. Al die jaren is hij blijven proberen met tot inkeer te brengen. Of ik nu in India, Nepal  of Indonesië zat, ik werd achtervolgd door brieven met vaderlijke raad en vermaningen. Dat ik eindelijk moest terugkomen, hij zou alvast een plaats aan de balie regelen. Op een keer stuurde hij me de coördinaten van een bankier in Sydney, een kennis van een kennis die mij zeker aan een fatsoenlijke baan kon helpen. Hoe meer van die brieven ik ontving, hoe minder zin ik had om naar België terug te keren”.

Nachtclubs in Fidji

Denise komt er bij zitten. Ze heeft de krachtmeting tussen vader en zoon vanaf de zijlijn meegemaakt. “Ieder jaar brachten we een toast uit”, zegt ze. “Op onze broer die we nooit meer zouden terugzien. We waren ervan overtuigd dat we hem voorgoed kwijt waren”. En toen kwam de verloren zoon thuis. Denise en haar broers gingen hem in Brussel ophalen, hij arriveerde met de bus vanuit Lissabon. “Het was een schok”, zegt ze. “We herkenden hem haast niet, met zijn sjofele kleren en wilde baard”.  Het weerzien was er niet minder vreugdevol om, ook al omdat Carl een bijzonder cadeau had meegebracht. Tashi was vijf jaar eerder in de Australische commune geboren, de vrucht van een spaak gelopen relatie. Carl heeft hem als alleenstaande vader opgevoed, een uitdaging die paradoxaal genoeg zijn reislust weer aanwakkerde. Hij beschouwt het als de mooiste pagina’s uit zijn levensboek. Hij met zijn zoontje op reis door de Pacific. Vader wandelend met rugzak en gitaar, de kleuter met eigen rugzakje hoog op diens schouders. “Ik leefde toen van mijn muziek”, zegt hij. “Ik speelde in de nachtclubs van Fidji, ik trad op voor de Franse soldaten in Tahiti. Zo zijn we in Chili beland, en van daaruit ging het over de Andes, helemaal  door Bolivië naar Brazilië. Ik kan het iedereen aanbevelen, als alleenstaande vader met een kind door Latijns-Amerika trekken. Je creëert er niks dan goodwill mee.  Vrouwen smelten ervoor, mannen laten hun machismo varen. We verbleven vaak maandenlang op dezelfde plek, bij voorkeur in een dorp waar Tashi met vriendjes kon spelen. ’s Avonds was ik muzikant, overdag kinderoppas. Ik ben altijd een trage reiziger geweest. Tashi en ik zijn niet rechtstreeks van Brazilië naar België gevlogen, we hebben eerst nog een half jaar rondgezworven door Senegal, Mali en Marokko. Ik was al langer gefascineerd door de muziek en de cultuur van die landen. Als we er toch moeten passeren, dacht ik, dan kunnen we er net zo goed een tussenstop inlassen”.

Reislust, Parissa weet er alles van. Voor ze elkaar in een Australische folktent tegen het lijf liepen, had ze er zelf een paar nomadische jaren in Latijns Amerika opzitten. Officieel woont het muzikale duo ze in Byron Bay, het meest oostelijke gelegen stadje van Australië. De voorbije 15 maanden hebben ze hun huis evenwel niet gezien. Ze namen in Europa drie verschillende CD’s op, brachten een half jaar door in Argentinië en Brazilië, zopas hebben ze hun jaarlijkse tournee langs Duitse folkclubs afgewerkt. Waarom Carl Cleves in Vlaanderen een nobele onbekende is? “Omdat folk hier een marginaal genre blijft”, zegt hij. “En omdat we in België geen agent hebben, in tegenstelling tot Duitsland. Af en toe regelen vrienden een concert, zoals morgenavond in Mechelen. Vroeger probeerde Dirk Van Esbroeck ons aan optredens te helpen, maar die is helaas gestorven. Hij was een dierbare vriend”.

Nobele onbekende? Niet zo in Minas Gerais, de Braziliaanse staat waar hij in de jaren tachtig furore maakte als Carl Cleves e Banda. Parissa kon het nauwelijks geloven toen ze er voor het eerst kwam. Na twee decennia waren ze hem in de hoofdstad Belo Horizonte nog niet vergeten. “Mensen kwamen hem aanklampen als we over de straat liepen”, zegt ze. “We werden uitgenodigd voor televisie- en radioshows, we speelden op festivals met duizenden toeschouwers”. Belo Horizonte. De naam alleen al tovert een gelukzalige glimlach op zijn gelaat. België is zijn vaderland, Australië zijn adoptieland, Brazilïë het land van zijn hart. “Omdat het zo’n etnische en muzikale smeltkroes is”, zegt hij. “Iedereen associeert Brazilië met samba, maar in Minas Gerais luistert niemand naar samba, ze hebben daar een waaier van eigen stijlen en ritmes. Brazilië is een ideaal land voor muzikale omnivoren. Ach, er valt op deze planeet nog zoveel te ontdekken. We willen allebei nog eens terug naar Madagaskar. Zie je, Parissa en ik hebben in Australië musicologie gestudeerd. Via de universiteit konden we naar Madagaskar om er te helpen bij het archiveren van etnische muziek. We waren op slag verliefd. De muziek van Madagaskar is even uniek als de fauna”.

Braziliaanse gebedsgenezer

Uiteraard  putten ze tijdens het concert uit de Braziliaanse catalogus. Maar Carl Cleves laat zich niet alleen als muzikant kennen, hij ontpopt zich tevens als een geboren verteller. Gullivers reizen? Niks vergeleken bij de avonturen van de Mechelse troubadour. Het verhaal over zijn gedwongen afscheid van Brazilië laat hij evenwel wijselijk achterwege.  Alleen al het begin zou het publiek uit de zaal jagen. Hij kreeg een interne bloeding, een complicatie op de ziekte van Crohn die hij al zijn hele leven onder de leden heeft. Hij vertelt het met een grijns. De dokter die de darmkwaal op zijn 17de vaststelde, schreef hem een levenslang dieet van regelmaat en rust voor. Crises had hij al vaker beleefd, hij kan een reisgids schrijven over hospitalen in  Afrika, India en Australië.  Maar deze bloeding was anders. “Ik viel constant flauw, voelde letterlijk de krachten uit mijn lichaam wegsijpelen. In feite moest ik op het eerste vliegtuig naar België springen, maar dat ging niet. Mijn zoon zat op school, ik had een goed draaiende band, er stond een CD op stapel. Het was het tijdperk voor Lula, Brazilië kende twee soorten ziekenhuizen. Openbare waar patiënten stierven als vliegen, en particuliere die volstrekt onbetaalbaar waren. Vrienden raadden me aan Joao de Deus op te zoeken, een gebedsgenezer die zich de incarnatie van Ignatio de Loyola waant. Hij stond ervoor bekend patiënten zonder verdoving te opereren. Waarom niet, dacht ik, ik heb niks te verliezen”. Dantesk, zo klinkt zijn beschrijving van de tempel waar zich dagelijks honderden wanhopigen verdrongen. Stervenden, melaatsen, sukkelaars van wie het halve gelaat was weggeteerd. Tegen de huisregels in kreeg Carl een spoedbehandeling. De genezer zou die dag 140 mensen opereren. Op drie na kozen die allemaal voor een risicoloze, spirituele operatie, hij was één van de dapperen die voor de weg van het mes koos. Hij was getuige toen de andere twee werden geopereerd, zonder verdoving, rechtopstaand, voor een zaal met honderden toeschouwers. “Ik  kreeg het benauwd”, zegt hij. “Gelet op de aard van mijn probleem zou ik mijn broek moeten laten zakken, in front of all those people. In mijn hoofd klonk de stem van mijn vader. ‘Zie je nu wat er van komt? Je was maar aan de balie moeten gaan’. Uiteindelijk is het anders gelopen. Toen het mijn beurt was, werd ik naar een kapel gebracht waar een operatietafel stond. Ook daar waren toeschouwers, priesters en patiënten die voor een spirituele operatie hadden gekozen. Door te mediteren herwon ik mijn kalmte. De genezer stak het mes in mijn buik. Ik voelde de druk, maar pijn deed het niet. Even later begon hij me met grove steken dicht te naaien, en toen ik ben ik flauwgevallen. ’s Anderendaags stuurden ze me naar huis met zes bokalen kruidenextracten. En jawel, het bloeden hield op. Ik was nog altijd erg zwak, maar de ingreep gaf me de tijd om mijn CD af te werken, de band op te doeken, mijn spullen te verkopen en met Tashi naar België te vliegen. Ze hebben me daar meteen geopereerd en veertig centimeter verstorven darm verwijderd. Rationeel houdt het geen steek, de gebedsgenezer is niet eens in de buurt van de aangetaste darm gekomen. Maar hem een charlatan noemen? De tweede operatie in België heeft me gered, maar zonder die gebedsgenezer was het nooit zover gekomen”.

Na de bisronde wordt de CD-stand belegerd, familie en vrienden schuiven aan voor een handtekening. Erkenning door de Mechelse goegemeente, zijn ouders hadden het moeten meemaken. Na de twaalfjarige ban is hij zijn familie met enige regelmaat blijven opzoeken. “Mijn ouders zijn zelfs naar een concert komen kijken”, zegt hij. “In mijn kleinkunstperiode hebben ze zich daar nooit toe verwaardigd, maar in 1998, toen ik hier voor het eerst met Parissa optrad, konden ze er niet onderuit. Ik denk dat vader hem die avond kneep. Hij had geen benul van het soort muziek dat we maakten, wellicht vreesde hij dat ik als een punker het podium zou bestormen om ‘fuck the police’ te roepen. Het was een wonderlijke ervaring. Van op het podium zag ik hem ontdooien, hij begon zelfs mee te zingen. ’s Anderendaags belde moeder om te zeggen hoe fijn ze het allebei hadden gevonden, en dat ik een goede muzikant was. Beter laat dan nooit, maar ik had dat liever gehoord toen ik zestien was”.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>