Ethiopië

Zadelpijn in Abesinnië

 

In maart 2011 ging ik met twee vrienden fietsen in Ethiopië. Hieronder het verslag van de voornaamste etappes, verlucht met enkele foto’s.

 DSC_0287

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Goba-Sanetti

Dat bedoelen ze dus met sterven op de fiets. Zweet parelt aan mijn voorhoofd, mijn mond voelt als gelooid leer, rug en zitvlak smeken om verlossing. Zet die voet toch aan de grond, schreeuwt de stem van de Rede. Ik ben er helemaal klaar voor, maar tot mijn eigen verbazing willen de benen de strijd niet staken. Ze blijven op de trappers malen, aangevuurd door de zweep van de Wilskracht. Mijn hoofd lijkt wel een echoput. Tussen de tegenstrijdige impulsen wurmt zich de vraag die ons enkele dagen geleden door een verbaasde toeschouwer werd gesteld: why cycle?

Ja, waarom heb ik me laten meesleuren in deze onderneming? Fietsen in de Ethiopische Rift-vallei, terwijl ik helemaal geen fietser ben? Jazeker, ik doe mijn boodschappen met de fiets, en ik verdien een milieupremie voor het op twee wielen chaperonneren van zoon en dochter in de stad. Maar sportief fietsen, laat staan cols beklimmen? Mijn ervaring bestaat uit drie vlakke ritjes van 50 kilometer, afgelegd met de tweedehandse mountainbike die ik me voor deze reis heb aangeschaft.  Alles welbeschouwd was Goba een perfect eindpunt geweest. Sinds ons vertrek in Addis Abeba zeven dagen geleden hebben we 600 kilometer over berg en dal afgelegd. Wat mij betreft een eerbaar palmares, maar mijn fietsgezellen oordeelden daar anders over. Eén blik op de kaart en Dirk en Filip waren verkocht. Wijsvingers lazen het met rood gemarkeerde traject. 30 kilometer, meer kon het vanuit Goba naar het Sanetti-plateau niet zijn. De beschrijving in de Lonely Planet van dit natuurgebied deed de rest. Het platte dak van Afrika, 4.000 meter boven de zeespiegel, een plek gezegend met weergaloze vergezichten en weelderige natuurpracht. Hier woont de Ethiopische wolf, hier bloeien de lobelia’s. Konden we deze buitenkans laten liggen? “Ja”, riep ik gisteren na een saaie maar afmattende verbindingsrit. “Willen jullie per se nog eens 1.000 meter gaan klimmen, doe maar”. Zelf zou ik van een welverdiende rustdag genieten. Pocket in de hand, nippend aan een van die espresso’s  waar ze in Ethiopië een patent op hebben. Maar vanmorgen, na een ontbijt van omelet en French toast, zag de wereld er weer helemaal anders uit. Samen uit, samen thuis, was dat niet het ordewoord waarmee we koers naar Ethiopië hadden gezet? Toch maar weer op de fiets geklommen.

Addis Abeba – Butajera

Wonderlijk wat je zoal in een ronddraaiend achterwiel kunt onderscheiden. Filips bandenprofiel vormt ongrijpbare arabesken, bij Dirk zie ik lijnen die elkaar afstoten en aantrekken, twee keer per omwenteling. Ik raak er haast door in trance, waan me weer het kind dat tijdens een treinreis duizelig werd door lang en hard naar de parallel lopende sporen te staren. “Blijf in ons wiel hangen”, hadden ze me tijdens een oefenrit in België bezworen,  “dan word je vanzelf meegezogen”. En dat doe ik dus, wieltjeszuiger met permissie. Het advies komt uit onverdachte bron: Filip is een allrounder, een mountainbiker die ook een stevige tijdrit kan neerzetten en niet vies is van het betere klimwerk. Uiteraard heeft hij de Mont Ventoux beklommen. Dat heeft ook Dirk gedaan, twee keer op één dag zelfs. Overschat, is zijn mening over de mythische berg.  Geef hem maar de cols in de Pyreneeën. Of nog liever de Dolomieten, daar pas kan hij zich als geboren klimmer echt uitleven. Hoe steiler hoe liever, fietsen wordt pas leuk als het 15 procent omhoog gaat. Het lag voor de hand dat ik in dit gezelschap de rol van kneusje zou spelen. Op de eerste serieuze helling is het al zover. Het achterwiel waaraan ik zou moeten vastkleven, glijdt centimeter na centimeter weg.  Ik zal het nog vaak zien gebeuren: Dirk en Filip die langzaam uit mijn beeldvlak verdwijnen, begrensd door de bovenrand van mijn zonnebril en de klep van mijn baseballpet. Verbeten probeer ik het gat alsnog dicht te rijden, met een waas voor de ogen en overslaande hartslag als enig effect. Boodschap begrepen: de volgende keer klim ik op mijn eigen tempo, ze zullen boven wel op me wachten. 

We zetten koers naar het zuiden. Vanuit Addis Abeba een lus maken rond een van de meren die als een parelsnoer in de Riftvallei liggen, concreter is het plan niet. Slapen, eten en drinken, dat zouden we onderweg wel regelen. Perfect haalbaar, weten we van wereldfietser Bart Castelein die hier enkele jaren geleden met echtgenote Kristien Hemmerechts per tandem is gepasseerd. Zijn reistips klonken bemoedigend. Voedsel en drank zouden op onze odyssee niet ontbreken, net zomin als hotels en pensions van erg uiteenlopende kwaliteit. Extra stevige buitenbanden waren een must, zelf hadden Bart en Kristien dagen van vijf lekke banden gekend. De mensen? Vriendelijk en behulpzaam,  al zag Bart zich wel verplicht de waarschuwingen te beamen die op blogs van Westerse Ethiopië-fietsers circuleren. Pas in bergdorpen op voor stenengooiende kinderen! Ook de allereerste Belgische tandem op Ethiopische bodem werd meermaals bekogeld. “En ze kunnen mikken”, zei Bart. “Die kereltjes zijn het gewoon met stenen te gooien om geiten en koeien op te drijven”. Een rationele verklaring voor het fenomeen is er niet, tenzij onwennigheid jegens het onbekende fenomeen van blanke pretfietsers. Mijn theorie: het is de combinatie van koersbroeken en kaasbenen die de stenengooiers provoceert. Behalve kleine jongens loopt in Ethiopië niemand in korte broek.

DSC_0279

druk verkeer op de weg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Barts wegenbulletin blijkt achterhaald. We verwachtten onverharde, met keien bezaaide wegen, en karrensporen van rul zand vermengd met messcherpe doornen van de acaciastruik. Maar ziet: we vlammen over een asfaltbaan die een Belgische automobilist zou doen watertanden, gewend als hij is aan pokdalige macadams die zijn schokdempers om zeep helpen en files bij Midas en Auto 5 veroorzaken. Blijkt dat deze baan nog geen jaar oud is, zoals alle asfaltstroken die we de volgende dagen voor onze wielen krijgen geschoven. Nooit zoveel mobiele werven gezien als in Ethiopië. Bulldozers, pletwalsen en asfalteringsmachines, er wordt met man en macht aan het wegennetwerk gewerkt. De bedrijvigheid verklaart waarom ‘China’ een ereplaats versiert op de hitlijst van begroetingen die we onderweg registreren. De hele wegenbouw, een nationaal project dat het straatarme land uit de onderontwikkeling moet tillen, is aan Chinese contractors uitbesteed. Ingenieurs, landmeters, technici, met duizenden zijn ze hier neergestreken.

Het nummer één op de hitlijst? Niet ‘Where are you go?’, al staat die vraag voor eeuwig in ons geheugen gegrift. Ferenji, een verbastering van foreigner, was eveneens een sterke kandidaat. Maar de kinderen van Ethiopië, een buitengewoon talrijke bevolkingsgroep overigens, deden de balans in het voordeel van hun favoriet overhellen. Money!  Soms weerklinkt de kreet vanuit een hut of een straatwinkeltje, dan weer rolt ze van een berghelling of stijgt ze ergens op in het struikgewas. Kinderen komen van heinde en verre aangespurt, money, money  roepend in de hoop dat we zouden stoppen om hun bede te verhoren.  Maar stenen gooien? Niks van te merken, we komen weg met een high five, uitgewisseld in het voorbijrijden. Sommigen zetten het op een lopen, niet zozeer om geld te bedelen dan wel om hun Engels te oefenen. Gemeenplaatsen zat om het gesprek te animeren. Drop de namen van Haile Gebreselassie of Kenenisa Bekele, en op hun gezicht verschijnt een glimlach van oor tot oor. Beide afstandslopers zijn afkomstig uit de Rift-vallei.

Awasj, een stadje op de baan naar Butajera.  We worden op sleeptouw genomen door Tadela Getu, een behulpzame student die spontaan had aangeboden logies te regelen. “The problem is the quality”, zegt hij, alsof hij mogelijke illusies over het hotelwezen van Awasj bij voorbaat de kop wil in drukken. Hij leidt ons door een groezelige dranktent naar een overdekte koer waarop een reeks kale cellen uitgeeft. De deuren, gemaakt van gerecycleerde scheepscontainers, openen met een hels kabaal. Het beddengoed is ronduit  smerig, we prijzen onszelf gelukkig met de plompe slaapzakken die we na lang aarzelen toch maar in onze zadeltassen hebben gepropt.  De televisie in het café staat loeihard, een Engelstalige zender doet leven en werk van de Canadese cineast James Cameron uit de doeken. Terwijl we inchecken wordt een rund aan een paal op de koer vastgesjord, het beest zal ons de hele nacht gezelschap houden en verse vlaaien produceren. Voor wat hoort wat, moet Tadela hebben gedacht. Hij laat zich gewillig uitnodigen om met ons uit te gaan eten, en voor de gezelligheid inviteert hij ook zijn oudere broer. Die spreekt geen gebenedijd woord Engels, maar zijn bedoelingen zijn niettemin glashelder. Hij kan voor ons vrouwen regelen, om een of andere reden is hij de mening toegedaan dat westerlingen niet alleen in een slaapzak horen te kruipen, ook niet nadat ze een ganse dag op een fiets hebben gezeten en de stank van zweet en stof verspreiden. Tadela bestelt injera, de trots van de Ethiopische keuken. Denk aan zurig smakende pannenkoeken die ogen als een versleten schotelvod. Bedoeling is er stukken af te scheuren en daarmee aan te vallen op de bijbehorende saus, meestal een licht ontvlambaar mengsels van vlees, tomaten en chili. Filip en ikzelf laten het ons smaken, Dirk levert een dappere strijd om niet te kokhalzen. 

Nadat we onze mee-eters hebben afgeschud, rollen we de slaapzakken uit. Morpheus zal snel komen, denk je na zo’n dag, maar dat valt lelijk tegen. De televisie zit gevangen in een lus, ik zal drie keer horen hoe lelijk James Cameron uit zijn krammen kon schieten bij de zoveelste tegenslag op de set van The Abyss. In het holst van de nacht zwaait de deur van de aanpalende kamer open, iedereen op slag klaarwakker. Ik hoor een man en twee vrouwenstemmen. Dit soort pensions, zo is algemeen bekend, fungeert vaak als rendez-vous hotel. De verwachte partouze blijft evenwel uit, het trio houdt het bij een goed maar luidruchtig gesprek. Als we met kleine oogjes opstaan, is van de koe geen spoor meer te bekennen. We tuigen onze fietsen op en duwen ze over de open riool die tussen het pension en de asfaltbaan loopt. Voor de ingang liggen de afgestroopte huid plus nog enkele onverteerbare onderdelen van een rund. Het mysterie van de verdwenen hotelgast is opgelost.

 

DSC_0317

Ethiopië, waar bomen ook kunst zijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ziway-Asela

Geografie is in Ethiopië een jonge discipline. Regionale kaarten? Onvindbaar in een land 37 keer groter dan België. Telkens als we onze nationale kaart van Ethiopië openvouwen komen nieuwsgierigen over onze schouder meekijken. Voor velen is het eerste keer dat ze de contouren van hun reusachtige land aanschouwen. Enthousiast wijzen ze elkaar steden en landsdelen aan. Daar ligt Shashemene! Daar de Ogaden-woestijn! Het gebrek aan geografische kennis speelt ons parten wanneer we het Ziwaymeer oversteken. De booteigenaar wist het zeker: aan de overkant van het twintig kilometer brede meer lag het dorpje Gazory. Daar konden we de pista nemen en doorrijden naar Asela. Na ruim twee uur ploeteren in het ondiepe, met planten overwoekerde water bereikt de motorsloep de overkant, maar van een dorp geen spoor. Een moeder staat te kijken hoe twee poedelnaakte kinderen waterpret maken. Vertederend, ware het niet dat het meer bekend staat als broeihaard voor bilharziose, rivierblindheid. De vrouw wijst naar het oosten, daar moeten we heen. We duwen onze mountainbikes door het losse zand, pas na twee kilometer krijgen de banden voldoende grip om te fietsen. Wat volgt is een heerlijke rit in pure Out of Africa-stijl. Geen auto’s, maar wel druk verkeer. Paardenspannen, ezelkarren, kuddes geiten en runderen, Ethiopië lijkt soms op één groot neerhof. Dat gelooide dierenhuiden na koffie het voornaamste exportproduct zijn, ik geloof het zonder statistieken. Alweer schitteren stenengooiende minderjarigen door hun afwezigheid, we oogsten niets dan verbaasde maar vriendelijke reacties. In de gouden gloed van de ondergaande zon rijden we Aborra binnen. Het plaatsje staat niet op onze kaart, maar is wel gezegend met een schoon pension waar de schotelantenne op Al Jazeera staat gericht. De gelagzaal zit vol, ook hier wordt de Libische burgeroorlog op de voet gevolgd. Een biertje kan de hotelbaas ons als vrome moslim niet serveren, maar hij begrijpt ons zondig verlangen en verwijst ons naar zijn christelijke concurrent honderd meter verderop.

Het ontbijt ’s anderendaags lijkt verdacht sterk op het avondeten van gisteren. Injera, Dirk begroet de dampende schotel met een diepe zucht. Ik heb met hem te doen. Een kind dat brutaal van boterhammen met chocopasta op een regime van oesters en rode biet wordt gezet, zo moet hij zich nu voelen.  Maar klagen doet hij niet, hij kauwt en lijdt in stilte. Stoïcijn van nature, liefhebber van de rechte lijn, dat is Dirk. Hij was het tenslotte die per se naar Ethiopië wilde om er het echte Afrika te ontdekken en er het lief en leed  der autochtonen te delen. Dan ga je niet zeuren over een bord injera. Zelf kamp ik op dag vier met een ander ongemak. Waar komt toch dat voze gevoel in mijn jongeheer vandaan? Het is geen thema dat mannen onder elkaar lichtzinnig aansnijden, maar gezien het belang begin ik er toch maar over. Blijkt dat ik alleen sta met een euvel dat ik verkeerdelijk aan mijn spannende koersbroek toeschrijf. Pas na mijn thuiskomst wordt de juiste diagnose gesteld: zadelpijn. Het woord wekte instant herinneringen op aan een hilarisch televisiefragment. Harmen Siezen, de helemaal uit beroepsernst opgetrokken NOS-nieuwslezer, kreeg ooit de slappe lach tijdens een item over dit fenomeen. Nochtans, beweerde mijn dokter, is zadelpijn niet om mee te lachen. Ik mocht nog van geluk spreken, een verkeerde zithouding heeft al menig wielrenner impotent gemaakt. De remedie? Naar de speciaalzaak en vragen naar een aangepast platform voor mijn derrière. Een prostaatzadel heet dat, om de vernedering compleet te maken.

 Veertig kilometer is het naar Asela. Niet ver, maar op vijf kilometer na gaat de hele rit over barslechte pistes. Vrachtwagens en bussen zijn weer van de partij. We zien ze naderen, achtervolgd door een enorme stofwolk die de zon verduistert en ons naar adem doet happen. Bavianen steken de baan over, ze zijn geen greintje mensenschuw. We kopen voor 5 birr een voorraad papaja’s, een welkome afwisseling na de bananen die ons overdag gaande houden. Why cycle, roept een oudere man oprecht verbaasd, net op het moment dat we voor zijn neus een korte maar nijdige helling aansnijden. Hij draagt een elegant pak en een deukhoed, wellicht een gepensioneerde dorpsonderwijzer. Het is niet het moment om te stoppen, het antwoord op zijn filosofische vraag ligt trouwens niet voor de hand.’s Avonds, op restaurant in Asela, zindert de kwestie na. Waarom doen we dit? Afzien voor het plezier, terwijl het de meeste Ethiopiërs valt aan te zien dat armoede en ontbering tot de condition humaine van hun land behoren. Why? Wel ja, eens de veertig gepasseerd moet een mens niet talmen me dit soort avonturen. En wat hebben de Ethiopiërs er ook aan als we thuis blijven en een Harley Davidson kopen? Fietsen, zo wordt er verder betoogd, is een respectvolle manier om een land te verkennen. Tenslotte is er ook nog de repliek die de Britse bergbeklimmer George Mallory gaf toen hem werd gevraagd waarom hij zo nodig de Mount Everest wilde beklimmen. Because it’s there, zou hij hebben geantwoord. Daarom doen we het dus: omdat we het leuk vinden en toevallig geboren zijn in een welvaartsstaat die ons in staat stelt leuke dingen te doen.  We geven de kelner die avond een extra stevige fooi.

DSC_0316

Dirk in actie, achtervolgd door supporters

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dodola-Dinsho

De lus is een streep geworden. in Asela stonden we voor de keuze: terugkeren naar Addis Abeba of doorrijden naar het zuiden en daar de bus naar de hoofdstad nemen? Lang hebben we niet getwijfeld. In het zuiden wenkte het befaamde Bale Mountains National Park.  Buiten fietsbereik, dachten we, maar misschien konden we in Dodola aansluiten bij een gemotoriseerde excursie. Twee dagen later moeten we ons doel opnieuw zuidwaarts opschuiven. Gisteren immers hebben we in één ruk 130 kilometer afgemaald, beurtelings over stroken beton en pistes van rode aarde. Filip ontpopte zich tot specialist afdalen. Kin op de stuurtas, achterwerk in de lucht, pet met klep in de hals tegen het wegwaaien. In zijn zog suisden we met 50 per uur de kilometerslange hellingen af. Waarom fietsen in Ethiopië? Daarom dus, voor de kriebels in de buik, de warme wind in ons gezicht, de blikken van kinderen die te verbaasd zijn om zelfs maar ‘money, money’ te roepen.

Een dag later zijn we op weg naar Dinsho, de toegangspoort tot de Bale Mountains. De eerste dertig kilometer lopen lekker. Het gaat op en neer, maar de trend is dalend. Toen al was het alarm moeten afgaan. Volgens de legende op de kaart ligt de aankomst een kleine 1.000 meter hoger dan het vertrekpunt. In Adaba slaan we bananen in en tanken we koffie in alweer een moslimcafé. Van Mussolini kan veel kwaad worden gezegd, onder andere dat hij mosterdgas gebruikte toen hij in 1935 het Abessijnse keizerrijk binnenviel.  Maar het Italiaanse kolonialisme, hoe kortstondig ook, had zijn verdiensten. Dank zij de italo-fascisten staat in ieder baancafé een imposant espressomachine te sissen en te stomen, een zegen voor de reiziger in dit afmattende land. In het café zitten alleen mannen, jong en oud. Allen staren gebiologeerd naar het televisiescherm waar dit keer niet Kadhafi maar Cleopatra de show steelt, als protagonist in een Egyptische soap die door de kijkers druk wordt becommentarieerd. Zelfs van buiten op het terras valt te zien dat de piramides uit boordkarton zijn geknipt. We rekenen af, onze voorraad birrs wil maar niet slinken. Omgerekend kost een espresso 15 eurocent, je kunt hier een rondje trakteren. Tien kilometer verderop steken we een uitgedroogde rivierbedding over. Logisch dat het daarna bergop gaat, maar hier is meer aan de hand. Bocht na bocht slingert de weg zich omhoog, we zijn aan een heuse bergpas begonnen. Stijgingspercentage 10 à 15 procent, dat is dus wat Dirk onder genieten verstaat. Hoe hij de berg oprijdt, schijnbaar moeiteloos, een verstilde glimlach om de mond, het is om jaloers van te worden. Lang kan ik er me niet over verbazen, want even later banjer ik moederziel alleen over de hobbelige grindpiste. Wind vol op kop, dat ontbrak er nog aan. Na vijf kilometer gaat het licht uit, zonder mueslireep kom ik geen meter meer vooruit. Een bocht verderop zie ik Dirk en Filip languit in de berm liggen. Ze puffen, stel ik tot mijn opluchting vast, ook voor hen is dit dus hard labeur. Ik plof neer in de berm. Het landschap is prachtig, we zitten al hoog boven de vallei. “Nog twee, hooguit drie kilometer”, spreken de anderen me moed in, “dan steken we de pas over en kan het alleen maar dalen”.

Vijftien kilometer later. Dit is geen fietsen meer, ik vorder zoals een bergbeklimmer die zich met zijn  laatste krachten aan zijn touw optrekt. Na iedere bocht de teleurstelling, gevolgd door verontwaardiging: dit kan niet, deze weg kan niet eeuwig blijven stijgen! Scholieren hoeven niet te hardlopen, slenteren volstaat om me gezelschap te houden. Een opgeschoten puber haalt zijn gsm te voorschijn om mijn doortocht te filmen, te vrezen valt dat mijn grimassen binnenkort op YouTube staan. Compleet uitgeput bereik ik een vals plat waar godlof een drankstalletje staat.  Ik volg het voorbeeld van Dirk en Filip en gooi rink aaneen twee cola’s binnen. Een jonge trucker, zoals alle collega’s in Chinese loondienst, komt erbij zitten. Hij heeft een witte, gehaakte pots op , teken dat hij ondanks zijn jonge leeftijd reeds de hadj heeft gedaan, een neveneffect van de nationale wegenbouw dat we gemakshalve ontwikkelingsrelevant zullen noemen. De trucker heeft goed nieuws: we zijn nu echt wel op een zucht van de top. Wreed is dan ook de ontgoocheling als blijkt dat die zucht toch nog een klim van drie kwartier overspant. En dan gebeurt het, niet toevallig op een strook die aan weerskanten door hoge bermen wordt ingesloten. De eerste steen landt vlak naast mijn voorwiel. Ik kijk over mijn schouder, meer stenen ploffen in het mul. Twee meter boven mijn hoofd bukken de piepjonge daders zich om verse munitie op te rapen. Dit is een heuse hinderlaag, ik ben een gedroomde schietschijf. Filip en Dirk zijn hier probleemloos maar niet onopgemerkt voorbijgereden. De kinderen waren voorbereid op mijn komst, de steniging hoort bij mijn rol als rode lantaarn. Ik ga op de trappers staan en boor een onvermoede energiebron aan. Een haveloos joch doet een laatste worp, zijn steen komt zelfs niet in de buurt.

Het slot van de rit verloopt als in een roes. De zon is al laag gezakt als we een dorp binnenrijden. We zien een café met een espressomachine, maar tijd om te stoppen is er niet. Fietsen in het donker is geen optie, boven de 3.000 meter zijn de Ethiopische nachten trouwens bitter koud. De inzet geeft me vleugels, nooit zoveel kop gedaan als tijdens die laatste kilometers. Een bord geeft aan dat we het nationaal park binnenrijden. Alsof het door de toeristische dienst is bevolen, springt een stel zeldzame en voor de mens volstrekt ongevaarlijke Ethiopische wolven over de weg. We besteden er nauwelijks aandacht aan.

De sfeer in Dinsho. Chaotisch, ietwat agressief, een plek waar een schot even achteloos als straffeloos wordt gelost. Het stadje telt meer vrachtwagens dan huizen, de asfaltweg staat letterlijk vol geparkeerd met tientonners. Truckers zijn geen rukkers, zo luidt een van bumperstickers bekende versregel . Geen wonder dus dat in het restaurant meer diensters rondlopen dan nodig om injera te serveren. Ons pension moet 25 birr per kamer kosten, zo krijgen we ons geld echt niet op. Voor die spotprijs logeren we in een uniek etablissement. Waar vind je nog een hotel zonder ook maar één toilet? Onze vraag naar een dergelijke voorziening wordt door de staf met onverholen verbazing onthaald. Om acht uur ’s avonds vallen de lichten uit. Powercut, een geweldige regievondst om de adembenemende sterrenhemel in de verf te zetten. Die nacht zal ik in hoge nood op zoek gaan naar mijn zakmes om de teut van een waterfles te snijden, allemaal op de tast. De bevrijding bij het ledigen van de blaas, met geen pen te beschrijven.

DSC_0378

wieltjeszuigen en stofhappen op weg naar Dinsho

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Goba-Sanetti

Gisteren onszelf toch maar beloond met een kamer in het Wabe Shebelle Hotel, het duurste adres van Goba. 305 birr ofte 15 euro, dat heet in Ethiopië een uitspatting. Niet dat we ons meteen in de Hilton waanden. Wabe Shebelle is een vergane glorie uit de jaren zeventig, maar de kelners in livrei houden de schijn op en de warme douche is het geld meer dan waard. Alleen Dirk zag dat anders, hiervoor was hij niet naar Afrika gekomen.  Een bed vol wantsen, tot daar aan toe, maar geen airco alstublieft.  De kwestie leidde bijna tot een schisma. Ook vervallen prestigehotels behoren tot de Afrikaanse realiteit, betoogden Filip en ik, net zoals witte olifanten en rijke zakenlui met Rolexen en Land Cruisers. De discussie eindigde onbeslist toen een Amerikaan zich naast ons aan de ontbijttafel installeerde. De nieuwsgierigheid was wederzijds. Op een Australische rugzakreizigster na hebben we de voorbije week niet één toerist gezien. Flynn, een goed in het vlees zittende veertiger met een rood verbrand aangezicht, bleek overigens geen toerist maar een kruising tussen een boer en een missionaris. Hij had zijn farm in de Midwest enkele weken in de steek gelaten om de Ethiopische boeren te leren hoe ze aan hun schrale akkers Amerikaanse recordoogsten konden ontlokken. Gisteren nog, vertelde hij, had hij daarover een persoonlijk onderhoud met de Ethiopische minister van landbouw. Diep ploegen, met gulle hand kunstmest strooien en zo weinig mogelijk overheidsbemoeienis, zo luidde het evangelie dat hij namens een Amerikaanse NGO kwam verkondigen. De stichter van die organisatie was een persoonlijke vriend, een zakenman die schatten had verdiend met de wederopbouw van in Irak. Water verkopen in plastic flessen, het bleek een gouden greep in een land waar andere Amerikanen de hele watervoorziening kapot hadden gebombardeerd. Dankbaar voor zoveel geluk had de zakenman zich in het pak van de filantroop gehesen om een stuk van zijn fortuin aan plattelandsontwikkeling in Afrika te besteden. Enthousiast schetste Flynn het fresco: Ethiopische boeren die met de tractor over hun grootschalige en geprivatiseerde landerijen rijden. Eerst kunstmest strooien, vervolgens ploegen, en de exportgewassen zouden overvloedig opschieten. Voor de aanschaf van het rollend materiaal moesten uiteraard nog de nodige financieringsmechanismen worden ontwikkeld, maar de tint van de tractoren stond al vast. Groen, want dat is de schutskleur van de Amerikaanse constructeur John Deere die het peterschap over het project had aanvaard. Filip, zelf landbouwingenieur met ervaring in tropische ontwikkelingslanden, luisterde beleefd.  De voorbije dagen had hij zijn ogen uitgekeken, de bodemerosie bleek nog erger dan verwacht. “Pure waanzin”, luidde zijn oordeel na Flynns zelfverzekerde exposé. “Diep ploegen zal de erosie alleen maar versnellen, op die manier spoelt straks de laatste morzel vruchtbare bodem weg”.

Met het afscheid van de Amerikaan rees ook de vraag: waar moesten we die John Deere ook alweer van kennen? Het had iets met David Lynch te maken, stond me voor, ik zag de oude baas met zijn John Deere grasmaaier door de velden van Iowa rijden. De titel van de film wilde ons echter niet te binnen schieten, tot ergens halfweg tijdens de klim naar het Sanetti-plateau. Geen idee welke hersenlob en welke neuronen erbij betrokken waren, maar ineens stond het me voor ogen als een flikkerende neonreclame:  The Straight Story. Graag had ik mijn Aha-erlebnis met de anderen gedeeld, maar helaas, Dirk en Filip hebben me alweer gelost. De afgelopen week ben ik tot mijn niet geringe zelfvoldaanheid overal fietsend boven geraakt. Dit ene stuk van 20 procent is er evenwel teveel aan. Ik trap als een gek, steeds kleiner schakelend in een wanhopige poging om boven de kritische drempel te blijven. Nog trager en de wetten van de fysica doen me omvallen. Twee keer koop ik uitstel van executie door mijn voorwiel met een ruk uit het zand te trekken. Uiteindelijk haalt de stem van de Rede de bovenhand. Het duurt wel vijf minuten vooraleer ik ben uitgehijgd en bij machte om mijn fiets de berg op te duwen.

DSC_0439

beloning voor zware eindklim. Kwaaie wachter met kalashnikov blijft buiten beeld

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En nu staan we dus voor de gesloten slagboom. Waarom zijn we in godsnaam gestopt? We zien de kam van de berg, bijna letterlijk binnen handbereik. Daarachter ligt dus de beloning: het Sanetti-plateau met zijn grandioze vergezichten en natuurpracht. We kunnen gemakkelijk om de slagboom heen fietsen, dat is het probleem niet. Het probleem is de wachter die door ons gepraat wakker is geschoten uit zijn middagdut. Of we tickets hebben voor het natuurpark? Niet dus, maar we zijn graag bereid die ter plaatse aan te schaffen. Op een groot bord staat in het Engels en het Amhaars het huishoudelijk reglement. Tickets kunnen hier aan het loket worden gekocht. ‘Office closed’, zegt de wachter.  Hij wijst naar het chalet dat er inderdaad uitgestorven bijligt. Nog volgens het bord worden tickets bij voorkeur gekocht in het hoofdkantoor in….Dinsho. “Go back”, zegt de wachter die zijn Engels per sms heeft geleerd. “Go Dinsho, buy tickets, come back”. We geloven onze oren niet. Dinsho, daar zijn we honderd kilometer geleden al gepasseerd. Of hij voor één keer geen oog dicht kan knijpen, dringen we aan. Tenslotte zijn we helemaal met de fiets naar boven gereden, een prestatie die niemand ons ooit heeft voorgedaan. Van dat laatste zijn we niet helemaal zeker, maar het valt allerminst uit te sluiten. Bovendien, pleiten we met zijn drieën, is dit voor ons een unieke kans. Als hij ons geen doorgang verleent, zullen we nooit de pracht van het Sanetti-plateau aanschouwen. Misschien was het begrip ‘once in our lifetime opportunity’ te hoog gegrepen. “Dinsho”, antwoordt hij korzelig. “Go back Dinsho”.

Een uur zullen de onderhandelingen duren. Alle technieken worden gebruikt. We proberen medelijden te wekken, maken ons boos, dreigen ermee hier en nu de Grote Baas in Dinsho te bellen, een dwangmiddel dat veel aan kracht inboet door de afwezigheid van GSM-bereik. Ondanks onze principiële afkeer van corruptie bieden we geld aan, tot drie keer het bedrag van de tickets. Fraai is het allemaal niet, en efficiënt al evenmin. “Dinsho”, luidt het steeds barser. “Go Dinsho”. We zijn op de minst omkoopbare functionaris van subsaharaans Afrika gestoten. Een vrachtwagen kruipt de berg op, voor hem gaat de slagboom wel omhoog. Wat als we nu eens op onze fietsen springen en doorrijden? We maken ons voornemen toch maar duidelijk, kwestie van zijn reactie te anticiperen. Hij wordt er alleen maar bozer van. Dat hij binnen een wapen heeft, dreigt hij. De zaak is hopeloos, maar Dirk geeft zich nog niet gewonnen. Misschien is dat wapen slechts bluf? Terwijl hij tergend langzaam het natuurpark binnenrijdt, spurt de wachter naar de achterkant van de chalet. Seconden later verschijnt hij weer, Kalashnikov in aanslag. Tegen sommige argumenten valt niks in te brengen. We maken rechtsomkeer, ik voel me vreemd genoeg niet ontgoocheld. Voor het zingen de kerk uit, maar wat een mooie dienst. Filip stort zich als een havik de dieperik in. Ik gesp mijn fietshelm vast en spring hem achterna.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>