Tagarchief: Afrika Museum

De Belgisch-Congolese activiste Mireille-Tsheusi Robert over het AfricaMuseum

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Tervuren is een graftombe”

Mireille-Tsheusi Robert op de Square Patrice Lumumba: (foto: Dieter Telemans)

Koning Filip aarzelt nog, maar Mireille Tsheusi-Robert heeft de knoop al doorgehakt. De Belgisch-Congolese activiste gaat zaterdag niet naar de inhuldiging van het vernieuwde AfricaMuseum. ‘Je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst’.

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. De gesprekspartner is Belgisch-Congolees, het onderwerp is het Belgisch-Congolese verleden met zijn postkoloniale uitlopers. Dan ligt een koffiebar aan de Naamsepoort in Elsene wel voor de hand. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar deze plaats heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar ze jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Ermery Lumumba bij.

Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging  BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat men het nieuwe  dekolonisatiedebat is gaan noemen. Het zijn twintigers en dertigers met roots in Centraal Afrika die daarbij de toon zetten. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders, en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de handboeken geschiedenis domineren. Met zo’n drijfveer zou je enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd immers niet alleen het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgisch kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de peilers van de koloniale constructie, met de gruwelen in de Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties.

Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tshieusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. ‘Ik ga niet dansen op een graf’, zegt ze bij het nuttigen van een latte.

Wat bedoelt u?

Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo’n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren.

Het nieuwe KMMA wil breken met de koloniale nostalgie en propaganda uit het verleden. Dat gaat behoorlijk ver, zoals blijkt uit de aarzeling van koning Filip om de inauguratie bij te wonen, uit schrik voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II. Daar moet u toch blij om zijn?

Robert: Hoe de collectie wordt getoond, dat is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise situeert zich op het vlak van dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfernis  op te eisen,  lach ik je in gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Welnu, die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo’n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan.

BAMKO lag mee aan de basis van een open brief over koloniale roofkunst, met een oproep tot restitutie die aan weerskanten van de taalgrens veel weerklank vond in kringen van academici, kunstenaars en zelfs bepaalde museumdirecties. Wat willen jullie precies?

Robert: Om te beginnen een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part open gaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Tenslotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te bepalen, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We inspireren ons onder meer op het precedent van joodse kunstcollecties die die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de joodse gemeenschap.

Het thema is actueel, en niet alleen vanwege de heropening van het KMMA. De Franse president Macron heeft vorig jaar in Ouagadougou verklaard dat het niet langer aanvaardbaar is dat 90 procent van de Afrikaanse kunstschatten zich in buitenlandse, voornamelijk Europese musea en privécollecties bevindt. Op zijn vraag hebben een Franse en Senegalese expert een lijvig rapport met aanbevelingen geschreven dat vorige week werd voorgesteld. Liefst 70 procent van de collecties in Franse musea zou voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen?

Robert: Absoluut, Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord. Dat ze de kwestie ernstig moet nemen, want dat ons land anders het risico loopt voor heling te worden veroordeeld. Ze heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten. Alleen weet niemand wie in die werkgroep zit of met welke missie ze van start gaat. Eigenlijk weten we niet eens of die commissie al echt bestaat. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen.

In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn binnen de kortste keren verdwenen, verkwanseld door corrupte politici en ambtenaren aan buitenlandse kunsthandelaars en collectionneurs. Mobutu is al lang dood, maar de chaos en corruptie zijn in Congo niet verdwenen. Is restitutie in die omstandigheden wel een goed idee?

Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Wie was Mobutu trouwens? Een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een souvereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken.

Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder de verzamel- en inventariseerwoede en het bijbehorende wetenschappelijk onderzoek van het KMMA, was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden Afrika vernietigd of verloren voor de mensheid, inbegrepen de toekomstige generaties van Congo.

Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten.

Het KMMA heeft bij het herdenken van het museum niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien?  

Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt.

Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger wel eens?

Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte nam ik er wel eens jongeren naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel.

Infobord squarel Patrice Lumumba. Alleen het standbeeld ontbreekt nog. (foto: Dieter Telemans)

De beruchte bende van de Matongéwijk?

Robert. Niet alleen in Matonge, er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er geweldadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan?

De vraag stellen is ze beantwoorden…

Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische naratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen maar dat helemaal niet klopte. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dank zij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De jongeren uit die periode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer op de eigen gemeenschap maar op de maatschappij, tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft.

Op welke manier paste een bezoek van die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in de queeste naar een nieuwe, begeesterende identiteit?

Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal.

U heeft er samen met andere activisten lang moeten voor vechten. Eerdere plannen voor een Lumumbaplein in de gemeente Elsene werden in de gemeenteraad gedwarsboomd, mede door hardnekkig lobbywerk van oud-kolonialen. Hoe diep is het water?

Robert: We zijn geen vrienden, dat spreekt voor zich. Het gaat niet alleen om een snel slinkende groepje van bejaarde oud-kolonialen, ook hun kinderen en nazaten lobbyen. Onze tegenstanders slagen er niet altijd in om hun racistische vooroordelen te verdoezelen, vooral niet als ze loos gaan op de sociale media. La négresse de Bruxelles is een van mijn geuzennamen. Het blijft niet bij beledigingen. Kort voor de inhuldiging van het Lumumbaplein werden er bedreigingen geuit, de politie heeft zelfs extra manschappen moeten ontplooien.

De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen.

Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Blijkt dat die het slechtst scoren op de  arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma’s bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.

Mireille-Tsheusi Robert

37 jaar, geboren in Kinshasa

groeit op in Villers-Devant-Orval (Gaume)

master sciences de l’éducation, UCL

werkt als opvoedster met Brusselse probleemjongeren

2015: sticht Afro-Belgisch en feministische actiegroep BAMKO

2016: publiceert ‘Le racisme anti-Noirs. Entre méconnaissance et mépris’

2018: bijdrage aan pas verschenen boek Pietpraat, essaybundel over het fenomeen Zwarte Piet

Koloniale monumentenstrijd in Vlaanderen

Knack.be, 11 januari 2017

‘Den Olifant’ zaait verdeeldheid in Geraardsbergen

Na Oostende en Gent is ook in Geraardsbergen een koloniale beeldenstorm opgestoken. Steen des aanstoots is een trompetterende olifant die in 1949 werd onthuld als eerbetoon aan locale Congo-pioniers die ‘hun leven lieten voor de beschaving’. Anders dan in Oostende en Gent is het stadsbestuur (Open VLD- CD&V) vooralsnog niet bereid een bord te plaatsen met duiding en excuses voor de misdaden begaan in de periode van de Congo Vrijstaat en het koloniaal bewind. Hoogstens komt er in Geraardsbergen een plaat met de mededeling dat het beeld niet als een hulde aan de koloniale époque mag worden geïnterpreteerd.

Guido Gryseels (foto BelgaImage)

Guido Gryseels (foto BelgaImage)

‘De omgang met het koloniale erfgoed is een oud zeer’, zegt Guido Gryseels, directeur van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren dat momenteel een grondige renovatie ondergaat en pas halfweg volgend jaar heropent. ‘Niet alleen in België overigens. Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, overal worstelt men met monumenten en symbolen die naar het koloniale verleden verwijzen’.

Geraardsbergen maakt er zich vanaf met een disclaimer: ‘het monument mag niet als een koloniaal eerbetoon worden beschouwd’. Betwistbaar, want bij de oprichting in 1949 was het wel degelijk de bedoeling de koloniale pioniers te verheerlijken. Is dit geen gemiste kans?

 

Gryseels: Dat vind ik wel. Ooit heeft iemand voorgesteld alle koloniale monumenten uit de publieke ruimte te verwijderen en in Tervuren onder te brengen. Onzin, we moeten die  standbeelden behouden maar voorzien van gepaste duiding. Uiteraard is dat een delicate oefening. Enerzijds kun je het verleden niet beoordelen met de morele normen van vandaag. Racisme was in de koloniale periode nu eenmaal wijd verspreid. Dat blijkt onder meer uit opschriften die vertellen dat koloinale pioniers hun leven hebben opgeofferd voor de beschaving. Westers superioriteitsdenken, dat was toen heel gewoon. Je moet die context erkennen, maar zonder te vervallen in overdreven relativisme. Er werden in de Congo Vrijstaat en in de koloniale periode gruwelijke misdaden gepleegd. Dat moet je durven benoemen.

het Museum voor Midden-Afrika huist zelf in een koloinaal paleis, onder meer opgetrokken met de opbrengsten van de rubberexploitatie in Congo Vrijstaat. Hoe gaan jullie daar mee om nu het museum een grondige renovatie ondergaat?

Gryseels: Daar hebben we lang en grondig over nagedacht. Als koloniale monumenten taboe zouden zijn, dan moesten  we Tervuren tot de laatste steen afbreken. Op iedere pilaar staat de dubbele L van Leopold II gegraveerd. Het museum stond lange tijd in het teken van de koloniale verheerlijking. Geneaties Belgen hebben hier voor het eerst met Afrika kennis gemaakt. Velen koesteren nog herinneringen aan de verplichte schoolreis. De speren, de opgezette dieren, de maskers, de hele wat beangstigende maar tegelijkertijd fascinerende sfeer. Hier werden de clichés van primitief Afrika bevestigd: het zwarte continent had de natuur, wij Europeanen de cultuur.

zal dat anders zijn als in juni 2018 het nieuwe museum de deuren opent?

Gryseels: Absoluut, maar we hebben de bocht al lang geleden aangesneden. Ik ben in 2001 directeur geworden met een dubbele ambitie: het museum reoveren en een kritische kijk ontwikkelen op het koloniale verleden. Met dat laatste hebben we uiteraard niet gewacht tot de betonmolens begonnen te draaien. Die kritische benadering stond al voorop in verschillende tentoonstellingen, zoals ‘Congo, 50 jaar later’, die in 2010 massa’s volk naar Tervuren heeft gelokt. We trekken die lijn door in het nieuwe museum. Niet dat we die dubbele L’en uit de zuilen gaan verwijderen. Dat zou niet eens kunnen, want de dienst Monumentenzorg waakt over het respect voor het gebouw met zijn karakteristieken uit 1910. En nogmaals, we willen het koloniale verleden niet verdoezelen. Maar er wordt wel veel ruimte voor duiding voorzien, ook over de gruwelen in de Congo Vrijstaat en de exploitatie en het racisme in de koloniale periode. En terwijl vroeger alleen hulde werd gebracht aan de koloniale pioniers, zullen in de toekomst ook de Congolese slachtoffers van het kolonialisme worden herdacht.

– blijft de collectie met haar bonte mengeling van foto’s, standbeelden, maskers, opgezette dieren en etnografica intact?

Gryseels: We gaan wieden in de koloniale beelden. Een aantal bustes van Leopold II verhuizen naar een depot in de kelder, net zoals de luipaardman, een bekend beeld dat als een voorbeeld geldt van koloniaal exotisme, zeg maar de paternalistische blik waarmee vroeger naar de Afrikanen werd gekeken. Bezoekers zullen die beelden nog kunnen bewonderen, maar alleen onder begeleiding en met de nodige duiding erbij. Geloof me, we gaan niet over een nacht ijs. Sinds geruime tijd werken we samen met de Afrikaanse gemeenschap in België. Dat leidt soms tot felle discussies, ook binnen de staf zit niet iedereen altijd op dezelfde golflengte. Sommigen oordelen dat het verleden het verleden is, en dat je racisme en kolonialisme moet contextualiseren. Anderen vinden dan weer dat er een rechtstreekse lijn loopt van het koloniale racisme naar de hedendaagse maatschappij die helaas niet vrij is van racisme en discrimniatie. Ach ja, het is een boeiend experiment dat veel belangstelling wekt. Ik krijg nagenoeg wekelijks aanvragen van buitenlandse doctoraatsstudenten. Ons museum is dan ook behoorlijk uniek is zijn genre.

hoezo?

Gryseels: Andere koloniale musea hebben voorzichtheidshalve een nieuwe gedaante aangenomen, vaak die van museum voor wereldculturen. Wij hebben die optie overwogen maar verworpen, we kiezen er bewust voor het koloniaal verleden onder ogen te zien, maar zonder taboes. In een gebouw bovendien dat het koloniale verleden ademt. Ook dat is minder valzelfsprekend dan het lijkt. Toen we over de renovatie begonnen na te denken, kwam onder meer het kaasstolp-scenario op tafel. Er zou een nieuwbouw komen voor een soort wereldculturenmuseum. Tegelijkertijd zou het kasteel met de tentoonstelling worden gerestaureerd als een metamuseum waaer bezoekers zich konden vergapen aan de manier waarop vroeger museaal werd omgegaan met zoiets als het koloniale verleden. Die optie bleek algauw onhaalbaar, al was het maar vanwege de kostprijs. Geen spijt van, de huidige aanpak is veel interessanter.

– het Gentse stadsbestuur heeft besloten een excuusbordje te plaatsen bij de vaak bekladde buste van Leopold II in het Gentse Zuidpark. De excuses zijn bestemd voor de vele  slachtoffers die vielen bij de economische exploitatie in Congo Vrijstaat. Is dat wel gepast? Zijn het niet veeleer de nazaten van die exploitanten, vaak grootaandeelhouders van allerlei holdings, die excuses horen aan te bieden voor de misdaden waaraan hun fortuin is ontsproten? Of de nazaten van de voornaamste begunstigde, namelijk de koninklijke familie?

Gryseels: Goede vraag. Ik vertrek morgen naar Berlijn, er loopt in het Duits Historisch Museum een tentoonstelling over de volkenmoord die de Duitsers hebben gepleegd op de Herrero in hun voormalige kolonie Namibië. Het debat daarover leeft, ik denk dat de Duitsers bijna het punt hebben bereikt dat ze officiële excuses gaan aanbieden. In België loopt het zo’n vaart niet, maar ook hier zijn de geesten in beweging. Officieel blijft het taboe, maar in de wandelgangen van de Wetstraat bespeur ik een groeiend draagvlak. Toch zie ik het niet gauw gebeuren. De vrees leeft dat het aanbieden van officiële excuses de deur naar gigantische schadeclaims openzet. Amerikaanse advocatenbureaus hebben ooit de oefening gemaakt: hoeveel kunnen we van België eisen voor de slachtoffers van het koloniale leed? Dan kwamen ze met simulaties waarin bijvoorbeeld  50 procent van de exportwinsten van de Union Minière werden verrekend, vele miljarden dollars dus. Maar het is meer dan een geldkwestie. De herdenking van het koloniale verleden blijft emotioneel geladen. Natuurlijk waren er de misdaden en draaide het rond economische exploitatie. Dat belet niet dat heel wat mannen en vrouwen uit idealisme naar de kolonie zijn vertrokken. Ik heb dokters en verpleegsters ontmoet die dertig jaar van hun leven in de brousse hebben gesleten om mensen te vaccineren. Voor hen is het erg pijnlijk wanneer ze als een stel racistische uitbuiters worden afgeschilderd.