Tagarchief: allochtonen

A tale of two schools in Mechelen

bericht uit de wereld van de niet zo gelijke onderwijskansen

(verschenen Knack 10 april 2013. Dit is een uitgebreide versie, met aansluitend commentaar door onderwijsspecialist Jean-Pierre Verhaeghe).

De sociale mix in onze scholen bevorderen, ziedaar een van de doelstellingen van het tien jaar geleden goedgekeurde Gelijke Kansendecreet. Er is nog werk aan de winkel, blijkt in Mechelen. Twee basisscholen van hetzelfde onderwijsnet delen er hetzelfde gebouw, begeleiden kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad naar dezelfde eindtermen. Samensmelten?  De kloof tussen een witte freinetschool en een zuivere concentratieschool blijkt onoverbrugbaar. Welkom in de wondere wereld der niet zo gelijke onderwijskansen.

 

HofVanNassau1

  foto: Jelle Vermeersch, www.jellevermeersch.be

Een druilerige maandagochtend op het Mechelse Berthoudersplein. Twee poorten verschaffen toegang tot het imposante complex van het Gemeenschapsonderwijs (GO!). De afstand bedraagt geen twintig meter, een onoverbrugbare kloof naar zal blijken. De breedste poort, een metalen hek, geeft rechtstreeks toegang tot de speelplaats van freinetschool Villa Zonnebloem.  Conform met de gangbare clichés rijden bakfietsen aan en af. Toegegeven, er stoppen ook auto’s, om van de voetgangers te zwijgen. Maar welke transportmodus ze ook gebruiken, de begeleidende ouders beantwoorden haast zonder uitzondering aan hetzelfde socio-economisch profiel. Autochtone stedelingen, behorend tot de middenklasse van hoogopgeleide tweeverdieners. De andere poort, in feite een dubbele glazen deur met een pomp, dient als achteringang van basisschool Hof van Nassau.  Opvallend weinig fietsen hier, en al helemaal geen bakfietsen. Deze kinderen komen te voet of stappen van de exclusief voor Hof van Nassau rijdende schoolbus.  Om het beladen woord allochtoon maar niet te gebruiken: het zijn Marokkaanse Mechelaars die uit de bus stromen, met uitzondering van diegenen die hun roots hebben in landen als Roemenië, Angola, Congo, Tsjetsjenië, Afghanistan of Pakistan. Hof van Nassau, 285 leerlingen groot, is wat men in het jargon een zuivere concentratieschool pleegt te noemen.

Aan dit dagelijkse ritueel gaat een geschiedenis vooraf. Villa Zonnebloem is zo’n vijftien jaar geleden uit het niets ontstaan, op initiatief van een clubje ouders dat zijn gading niet meer vond in het reguliere onderwijsaanbod. Het onafhankelijke methodeschooltje sloot na een tumultueuze start bij het gemeenschapsonderwijs aan en opteerde definitief voor Freinet, een beproefd model binnen de waaier van ervaringsgericht onderwijs dat de leefwereld van het kind centraal stelt. Het werd een schot in de roos.  Villa Zonnebloem, de enige verstrekker van methodeonderwijs in Mechelen en omgeving, groeide als kool. De oorspronkelijke locatie, een reeks barakken geprangd tussen de Zandpoortvest en het Berthoudersplein, werd hopeloos te klein. De oplossing voor Scholengroep 5 van het GO! lag voor de hand. Verhuizen naar het aanpalende Hof van Nassau, een instituut met een roemrijke naam waarvan vermoedelijk weinig leerlingen de herkomst kennen. Ooit was dit de residentie van Margaretha van York, de hertogin van Bourgondië. Een deel van haar gotische kasteel staat nog overeind, ingekapseld in een modernistisch complex waarin na de oorlog een basis- en middelbare school werd gehuisvest. Die laatste verkaste zo’n dertig jaar geleden naar een andere campus, waardoor de basisschool veel te ruim in klaslokalen, turnzalen en sanitaire blokken kwam te zitten. Plaats zat voor de zowat 200 leerlingen van Villa Zonnebloem, al vergde de komst van de Freinetschool wel de nodige aanpassingen. Een gaanderij werd tot refter verbouwd. En de speelplaats werd verdeeld, met een hekwerk dat algauw tot een symbool zou uitgroeien. Zo is dus de curieuze situatie ontstaan. Twee basisscholen van vergelijkbare omvang van hetzelfde net, verenigd onder één dak.  Ze verstrekken onderwijs aan kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad die aan het einde van hun lagere schooltijd dezelfde eindtermen dienen te halen. Waarom niet gewoon samensmelten tot één school, luidt de naïeve vraag waarmee we naar het Berthoudersplein zijn afgezakt.

kamperen voor Freinet

Marjan Engels stapt op haar fiets, ze heeft haar kleuter in de Villa afgezet. “Ik woon vlak naast een vrije basisschool”, zegt ze. “Het zou veel praktischer zijn mijn dochter daar naartoe te brengen, maar het pedagogisch project van Villa Zonnebloem sprak me veel meer aan. Ik blijf achter die keuze staan, het is een fantastische school en mijn dochter voelt zich goed in haar vel. Toch is er iets dat me dwars zit”. Ze wijst naar de witgroene schoolbus die met een tweede groep kinderen komt aanrijden. “Ik weet dat het niet zo is bedoeld”, zegt ze. “Maar het voelt aan als segregatie, vooral met dat hek op de speelplaats. Kan dat echt niet anders, vraag ik me af. Ik maak me zorgen over mijn dochter, ze groeit op dat vlak met een vertekend wereldbeeld op”. Wim Dirckx waarschuwt voor overhaaste conclusies. De vader van drie Villa-kinderen woont om de hoek, in een van dichtbevolkte wijken binnen de stadsring. De diversiteit van de buurt is veel groter dan de populatie van beide scholen laat vermoeden. “Klopt”, zegt hij. “Maar aan wie of wat ligt dat? Ik weet uit ervaring dat Villa Zonnebloem moeite heeft gedaan om allochtonen uit de buurt aan te trekken. Maar ze komen niet, om tal van redenen. Freinet is een concept waar ze weinig voeling mee hebben. Het accent ligt niet op discipline, maar op het stimuleren van zelfstandigheid en mondigheid.  De Villa moet haar aanpak natuurlijk uitleggen, maar dat is sneller gezegd dan gedaan als je met laaggeschoolde ouders te maken hebt die amper Nederlands spreken. Ik heb het gevoel dat onze directie er zich intussen heeft bij neergelegd, ook al omdat de klassen vanzelf vol lopen. De voorbije jaren werd er letterlijk gekampeerd om kinderen in de Villa in te schrijven. Door witte ouders, inderdaad. Maar nogmaals, het is geen eenduidig verhaal. Heel wat allochtonen kiezen bewust voor een concentratieschool, sommigen kinderen komen trouwens van de andere kant van de stad naar Hof van Nassau.  Veilig in de comfortzone van de eigen gemeenschap, ook dat speelt mee”.

Jo Verhenneman heet ons welkom in zijn bureau, ondergebracht in een refter waar met gipskartonnen wanden kantoren en klaslokalen werden geïmproviseerd. De uit het Leuvense afkomstige directeur van Villa Zonnebloem kan mooie adelbrieven voorleggen. Gediplomeerd onderwijzer met vakervaring, maar ook universitair geschoold pedagoog die aan de wieg van verschillende freinetscholen in en rond Leuven stond. Acht jaar geleden werd hij als een soort crisismanager bij Villa Zonnebloem binnengehaald, met resultaat. Een gemotiveerd team, een goede sfeer, gelukkige kinderen, dat is wat hij onder succes verstaat. Dat ouders bij de start van een nieuwe inschrijvingsronde voor zijn schoolpoort kamperen, beschouwt hij eerder als een vervelend neveneffect. “Ondanks het succes leven er nog altijd hardnekkige vooroordelen over freinet”, zegt hij. “Mensen denken dat het hier vrijheid-blijheid is, een school waar kinderen alleen maar leren zingen en tekenen. Onzin, freinet is in de eerste plaats een didactische methode. We bereiken dezelfde eindtermen als gewone basisscholen, maar langs een andere weg. Onze slogan luidt niet voor niets, ‘creatief met inhoud’” .

Berlijnse Muur

We hebben de vergelijking uit de mond van een van de Villa-ouders opgetekend. Het hekwerk op de speelplaats als de Berlijnse Muur tussen twee werelden. Het was ironisch bedoeld, maar het effect is er niet minder om. “Dat vind ik een schokkende vergelijking”, zegt de directeur verbouwereerd. “Ik wens me daar uitdrukkelijk van te distantiëren. Want wat is dat hele hekwerk tenslotte? Het is nu niet dat de scholen door prikkeldraad worden gescheiden. Het gaat om een simpel draadwerk dat intussen trouwens met planten is begroeid. Het poortje staat altijd open, want we moeten erlangs op weg naar de turnzaal die we met Hof van Nassau delen. Jazeker, er wordt samengewerkt, ook de voorschoolse opvang is gemeenschappelijk. Ik onderhoud de beste relaties met mijn collega van de overkant, we bellen elkaar wekelijks en komen elkaar vaak tegen op vergaderingen. Maar afgezien van die praktische samenwerking zijn beide scholen volstrekt onafhankelijk, met verschillende directies, verschillende teams en een verschillende didactiek, we hebben zelfs elk onze eigen schoonmaaksters en onze eigen werkman. Het is louter toevallig dat we in hetzelfde gebouw zitten, door omstandigheden waarop we zelf geen greep hadden. Natuurlijk zijn we ons met het hele team van het contrast bewust. Ik beweer dan ook niet dat dit onze droomlocatie is, maar ik begrijp de keuze van het gemeenschapsonderwijs. Deze school stond half leeg, logisch dus dat ze ons er bijnamen”.

De directeur heeft wat cijfers geturfd om de nodige grijstinten in het zwart-witte verhaal aan te brengen. Villa Zonnebloem telt leerlingen uit 19 verschillende landen, in 18,9 procent van de gezinnen is een van de ouders anderstalig, een categorie die zich van Somalië over Macedonië tot Wallonië uitstrekt. Door ons geraadpleegde ouders zullen die relativering later op hun beurt relativeren. Nogal wat van de allochtone Villa-ouders zijn evenzeer leden of aspiranten van de hoogopgeleide middenklasse als de andere ouders. Niet zo verwonderlijk, want naast de bekende witte vlucht is er in het onderwijs al langer sprake van een zwarte vlucht van ‘sterke’ allochtonen naar betere of alleszins hoger aangeschreven scholen. Moeten er nog meer nuances zijn? “Laten we ook eens naar de sociaal economische status (SES) van onze kinderen kijken”’, stelt Verhenneman voor. “Het gezinsinkomen en het opleidingsniveau van de moeder zijn daarbij doorslaggevend. Welnu, 22 procent van onze kinderen komt in aanmerking voor een schooltoelage, perfect in overeenstemming met de Vlaamse mediaan. Ik bedoel maar, wij zijn geen eliteschool. Een paar jaar geleden zijn we trouwens met een tweede vestiging begonnen, buiten de stadsring. Ons Zonnehuis telt veertig procent SES-kinderen, op enkele uitzonderingen na Marokkaanse kindjes uit de buurt”.

wit bastion

De grijstinten kunnen de perceptie niet keren. Villa Zonnebloem staat alom bekend als een wit bastion, wat de school in hoge mate ook is. “Een pijnpunt van in het begin”, zegt Koen Van den Bergh, een vader die geruime tijd in de ouderwerking meedraaide. “De segregatie druist in tegen de idealen van de meeste ouders die er uitgesproken progressieve denkbeelden op nahouden. Al vraag ik me af hoe lang dat nog duurt. De Villa is ongewild geworden wat ze vooral niet wilde zijn, een wit bastion dat hoe langer meer ouders dreigt aan te trekken die niet in freinet geïnteresseerd zijn, maar in het elitaire karakter. Dat is zuur, zeker als je bedenkt wie Célestin Freinet was en waar hij voor stond. Goed onderwijs verschaffen aan de zwaksten in de maatschappij, dat was zijn ideaal”. Krasse taal, maar moeten de directeur en zijn teamleden daarom het boetekleed aan? “Vorige week nog heb ik twee Koerdische kinderen ingeschreven”, zegt Verhenneman. “SES-kinderen, wel te verstaan. Ik heb de beide ouders vooraf ontvangen, ik trek bij iedere inschrijving trouwens een vol uur uit voor een intake gesprek. Ouders moeten bewust voor onze school kiezen, want freinet vraagt ook van hen een persoonlijk engagement. De vader sprak net voldoende Nederlands om mijn uitleg te volgen. Niet dat we daarover struikelen, desnoods roepen we er een tolk bij. Om maar te zeggen: het is niet dat we geen moeite doen”. En toch blijven de Koerdische kinderen uitzonderingen op de regel. SES-kinderen, van Belgische of buitenlandse origine, raken doorgaans niet over de drempel van de freinetschool. Omdat het concept te hoog gegrepen is? Het pedagogisch project overboord gooien is voor Jo Verhenneman geen optie, daarvoor spreekt hij met te veel passie over de specificiteit en meerwaarde van Freinet. De directeur zucht diep. “De scheiding tussen wit en zwart, de wenselijkheid van concentratiescholen, dat zijn allemaal erg complexe vraagstukken. Er is al veel over gezegd en geschreven, maar ik wacht nog altijd op de eerste wetenschappelijke studie die de problematiek in al haar dimensies omvat. Dan vraag ik me af: waarom zou ik als simpele directeur de oplossing moeten kennen voor een maatschappelijk probleem dat mijn school ver overstijgt? Dat is trouwens een van mijn grote ergernissen. Voor alle maatschappelijke problemen wordt er tegenwoordig naar de lagere school gekeken. Zijn er te weinig beenhouwers of loodgieters op de arbeidsmarkt? De lagere school moet het oplossen, roept Unizo. Loopt het fout met de voedingsgewoonten van onze jeugd? Vallen er teveel slachtoffers in het verkeer? De lagere school zal wel sensibiliseren en remediëren, we worden met kant-en-klare lesmodules gebombardeerd. Ik word daar eerlijk gezegd moe van”.

anderstalige nieuwkomers

Hof Van Nassau. We hebben de hoofdingang genomen. Er staat een halfverheven beeldhouwwerk, als monumentaal eerbetoon aan gesneuvelde oud-leerlingen. Binnen geen hekwerken of schotten, je loopt zo van de ene school de andere in. Niet ongemerkt evenwel, want het contrast spat eraf. Kant Villa: met frivole taferelen beschilderde deuren, kinderen die openstaande klaslokalen in en uitlopen, gezellige rommel alom. Van de uitgestorven gangen van Nassau kan alleen worden gezegd dat ze er kraaknet bijliggen. De stijlbreuk valt ook digitaal te constateren. Speelse en wijdvertakte hocuspocus bij de Villa, met als toemaatje een fotoverslag van de uitwisselingsreis naar Hongarije, wellicht het werk van een betrokken ouder. De site van Nassau daarentegen is een droge servicepagina met louter praktische informatie.  In een van de Nassau-lokalen is een lerares één op één met een meisje aan het werk. Ze stelt zich voor als de OKAN-juf, haar pupil is een van de anderstalige nieuwkomers die voor het basisonderwijs wordt klaargestoomd.  De kleurrijke bende om de hoek? “Da’s een freinetschool”, zegt de OKAN-juf veelbetekenend. “We hebben daar niks mee te maken. Ik ken mijn collega’s nauwelijks, we zien elkaar alleen in het voorbijlopen. Vroeger was de indeling anders, die van Villa Zonnebloem zaten een verdieping hoger zodat we de hele tijd voetstappen van rondrennende kinderen hoorden. Niet dat het stoorde, maar wij zijn dan hier niet gewoon. Het is een andere methode, ik denk niet dat ze bij ons publiek zou pakken. We zijn een concentratieschool, al is dat niet altijd zo geweest. Toen ik hier 25 jaar geleden begon, telde mijn klas drie Marokkaantjes. Mijn eigen dochters liepen hier school, dat was toen trouwens verplicht voor al wie een vaste benoeming had. Die traditie is uitgestorven, jonge leerkrachten zouden het ook niet pikken dat ze hun kinderen naar een concentratieschool moeten sturen. De Belgen zijn hier niet weggelopen, ze zijn eruit gegroeid terwijl hun plaats door allochtonen werd ingenomen. Ik heb me moeten aanpassen, maar ik sta hier nog altijd met veel goesting”.

Dat geldt ook voor directeur Luc Stessens. Pas benoemd, maar geen nieuwkomer. “Ik heb hier twaalf jaar les gegeven”, zegt hij. “Een bewuste keuze, ik had hier ook mijn eindstage gelopen. Het Hof was toen al een concentratieschool, maar dat heeft me nooit afgeschrikt. Realisme is de boodschap als je hier staat. Ook onze kinderen halen de eindtermen, maar dan op onze manier. Scholen met een sterker publiek kunnen breder gaan dan de verplichte leerstof, wij niet. Ik kom wel eens een oud-leerling tegen die de sprong naar het ASO heeft gemaakt, maar de meerderheid van onze kinderen stroomt naar het TSO en BSO door”. Ook Luc Stessens roemt de goede relaties met de overkant. De carnavalstoet, een van de jaarlijkse hoogtepunten bij het Hof, trekt ook door de gangen van de Villa. Uiteraard, zo benadrukt hij, wordt zijn collega vooraf om permissie gevraagd. Verder hoeft de integratie voor zijn part niet te gaan. De kloof tussen de pedagogische visies van beide scholen is minstens even breed als die tussen de sociaal-economische status van de respectieve ouders. De vraag of men destijds geen fusie heeft overwogen, doet ook hier de wenkbrauwen fronsen. Maar waarom moest de speelplaats zo nodig worden verdeeld? “Praktische noodzaak”, zegt Stessens nuchter. “De timing van de recreaties stemt niet overeen, die van de Villa hebben langer vrij. Stel dat ze allemaal door elkaar lopen. Hoe moeten wij daar onze kinderen uitvissen? De speeltijden op elkaar afstemmen, zou nog niks oplossen. Bij de Villa gaat het er anders aan toe, kinderen lopen er zelf naar de klas terwijl die van ons in de rij moeten staan. Je kunt dat ouderwets noemen, maar het is de enige manier om ze rustig in de klas te krijgen. Discipline is belangrijk in onze school, kinderen hebben structuur nodig. Ook de betrokkenheid van de ouders is compleet verschillend. In een freinetschool is die vanzelfsprekend, maar wij moeten er voor knokken. Oudercontacten ’s avonds, daar zijn we mee gestopt. De moeders geraken vaak niet op school, en vaders zien we sowieso slechts sporadisch. Sinds een paar jaar laten we de oudercontacten aansluiten bij de schooltijd, en dat werkt veel beter. Hetzelfde met de schoolvoorstelling in het weekend. Wekenlang repeteren, en dan komt de helft van de leerlingen niet opdagen omdat ze zaterdag naar een trouwfeest of naar de Koranschool moeten. Nu organiseren we onze voorstelling tijdens een schooldag, dan komt iedereen. Je moet inspelen op de noden van je publiek”.

zeeklassen

Toch blijft het een pijnlijke anekdote: de teloorgang van de bos-en zeeklassen. Voor vele kinderen vormen die het hoogtepunt van een lagere schoolcarrière, de foto’s en souvenirs worden levenslang gekoesterd. “We hebben er alles aan gedaan om de traditie in stand te houden”, zegt Stessens. “We pikten er de goedkoopste formules uit, maar jaar na jaar zagen we het aantal inschrijvingen teruglopen. De laatste keer aan zee waren er nog maar vier kinderen, ze hebben zich rot geamuseerd. Het heeft volgens mij met de cultuur te maken, meerdaagse uitstappen passen niet in de tradities. Voor sommigen bleef ook het geld een obstakel, hoezeer we ook ons best deden om de kostprijs te drukken. Kansarmoede is voor ons geen abstract begrip. Ik zou de SES-cijfers moeten opzoeken, maar ze liggen ver boven het stedelijk gemiddelde. Neem nu die twee Pakistaanse kinderen die ik onlangs heb ingeschreven. Hun vader werkt in een nachtwinkel, het hele gezin woont in één kamertje achter de zaak. Dat is hier de realiteit”.

Tijdens de rondleiding schetst de directeur zijn toekomstplannen. Het mag allemaal wat frivoler, gangen en klassen krijgen binnenkort een fris kleurtje. “En ik wil dat vreselijke oorlogsmonument in de hall uit het zicht”, zegt hij. “Dat is geen manier om onze kinderen ’s morgens te ontvangen”. Mag hij ons gaandeweg ook op de troeven van zijn school wijzen? Het riante computerlokaal, de moderne smartboards in de klassen? “We bedienen een kansarm publiek maar we zijn geen kansarme school”, zegt Stessens. “We hebben alle middelen om onze kinderen zo goed mogelijk te helpen”. Kan dat dan in een zuivere concentratieschool? Stessens haalt de schouders op. “Ik zie voor- en nadelen”, zegt hij. “Taalverwerving is een teer punt, en het klopt natuurlijk dat in scholen met een betere mix de sterke leerlingen het klassikaal niveau opkrikken. Daar staat tegenover dat je in een concentratieschool veel beter aan zorgverbreding kunt doen. We krijgen heel wat extra lesuren waarmee we onze kinderen individueel of in brugklassen begeleiden. Pas op, ik ben het ermee eens dat een school de afspiegeling van de maatschappij hoort te zijn. Dat is deze school beslist niet, maar aan wie ligt dat? Wij kunnen of willen geen kinderen weigeren”.

Indicatorleerlingen

Een gezonde sociale mix op school, dat is een van de doelstellingen van het in 2002 goedgekeurde en intussen meermaals verfijnde GOK-decreet. Om het ideaal van de gelijke onderwijskansen te realiseren, werden de LOP’s in het leven geroepen. In zo’n Lokaal Overlegplatform zitten niet alleen scholen van verschillende netten, maar ook bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de welzijns- en integratiesector. Een LOP heeft verschillende opdrachten, maar de voornaamste is het maken van afspraken over een betere spreiding van indicatorleerlingen, de nieuwste term voor doelgroep- of SES-leerlingen. Nieuwe inschrijfregels van het LOP Mechelen moeten volgend schooljaar hun vruchten afwerpen. Er komt een soort quotumsysteem: ‘witte’ scholen zouden een deel van hun capaciteit voor indicatorleerlingen moeten reserveren. Dertig tot vijftig procent, naargelang de situatie. Bij concentratiescholen werkt het andersom, zij zouden plaats moeten vrijhouden voor 30 procent niet-indicatorleerlingen. Mooi in theorie, maar waar gaat directeur Stessens al die ouders met hun sterke sociaaleconomische status vinden? Bemiddelde, schoolbetrokken en goed geïnformeerde papa’s en mama’s die hun kinderen zonder verpinken naar Hof van Nassau sturen?  “Dat vraag ik me ook af”, antwoordt hij. “Ik vrees dat het in ons geval vooral verwarring zal veroorzaken. Zodra een klas voor 70 procent vol zit, moeten we nieuwe indicatorleerlingen op een wachtlijst zetten. Pas als op het einde van de inschrijvingsperiode blijkt dat die andere kinderen toch niet komen opdagen, kunnen we ze definitief inschrijven. Eerlijk gezegd zie ik vooral de nadelen. Veel onzekerheid voor ouders en directies, want het schoolshoppen zal er niet op verminderen. En aan onze mix zal er in de praktijk ook niet veel veranderen. Uiteindelijk zie ik maar één oplossing om concentratiescholen te mengen: één centraal aanmeldingspunt voor inschrijvingen van waaruit de kinderen over alle scholen worden verspreid. Maar dat is een utopie, want daarmee zet je de grondwettelijke vrijheid van schoolkeuze op de helling”.

De bel gaat, de gangen stromen vol. In een van de klassen is een meisje achtergebleven. Waarom ze niet gaat spelen? “Da’s een verhaal apart”, zegt de directeur. “Ze heeft een zeldzame huidziekte, waardoor ze geen zon of UV-licht kan verdragen.  Zelfs gewone buislampen zijn schadelijk, daarom hebben we de belichting in de klas aangepast. Nu zijn we aan het onderzoeken of we ook de armaturen in de refter kunnen aanpassen zodat het arme kind tenminste haar boterhammen kan opeten in het gezelschap van haar vriendinnetjes. Geen gemakkelijke klus, maar we vinden het belangrijk genoeg. Bij ons telt ieder kind, dat is trouwens ook onze slogan”.

Mahatma Gandhi

Zo’n anekdote is ideaal als uitsmijter voor een reportage. Voor de volledigheid echter moeten we nog naar de Mahatma Gandhi-wijk, in Mechelen ook wel eens klein Marokko genoemd. Hier stopt de schoolbus van Nassau, twee keer’s morgens en twee keer ’s namiddags. Behalve Mahatma Gandhi zijn de wijk Nekkerspoel en de Leuvensesteenweg de voornaamste haltes van de bus, die zowat de levenslijn van Hof van Nassau is. Zonder uitzondering betreft het buurten met een grote concentratie Belgen van vreemde origine. Een jaarabonnement op de schoolbus kost 150 euro, behalve voor kleuters die in het hele Vlaamse onderwijs gratis rijden. Goedkoop en praktisch voor ouders die geen auto en al helemaal geen fietscultuur hebben. Maar kan het busaanbod de enige reden zijn waarom Hof van Nassau zich de voorbije jaren in een forse groei mag verheugen? Ook de demografie zit er voor iets tussen, Mechelen kent al jarenlang een forse bevolkingsaanwas. Maar misschien ligt de toeloop naar het Hof ook aan de soepele omgang met diversiteit. Tijdens de rondleiding keken we met enige verbazing naar de vele meisjes met een hoofddoek in de klas, sommigen niet ouder dan zeven jaar. “We stellen ons tolerant op als het over religie gaat”, gaf directeur Stessens als verklaring. “Het gebeurt dat ouders klagen dat hun kind na school niet op tijd in de koranles geraakt. Dan zijn we niet te beroerd om de bus bij de moskee te laten stoppen. Waarom niet? We willen onze mensen tegemoet komen, ook in hun levensbeschouwelijke overtuiging”.

Kwart voor vier, de groene bus komt eraan. Fouad Boujdaine sluit zijn zevenjarige zoon Ayman in de armen. Waarom heeft hij voor een concentratieschool gekozen? “Niet alleen voor de bus”, zegt hij, “mijn religie heeft de doorslag gegeven. Ik heb ook nog een dochter. Die ging naar een katholieke school, maar ik heb ze naar het Hof van Nassau doen overstappen, de enige school waar ze een hoofddoek mag dragen. Ik vind dat belangrijk, want ik ben bang dat haar religie anders verwatert. De kwaliteit van het onderwijs? Hof van Nassau is een goede school, maar eigenlijk maak ik me daar geen zorgen over. Ik heb intelligente kinderen, mijn zoon spreekt nu al drie talen”. Misschien toch wat lichtzinnig geoordeeld, blijkt als we ons licht opsteken bij Saïda El Aisaoui. Ze werkt voor de vzw MOOJ die onder meer in de Mahatma Ghandi-wijk naschoolse huistaakbegeleiding organiseert. “We krijgen hier kinderen uit drie scholen”, zegt ze. “Naast die van Hof Van Nassau komen er leerlingen van de katholieke Colomaschool en van Hof Ter Berken, een andere GO-school in het naburige Hofstade. Ik kan vergelijken: het niveau ligt in het Hof Van Nassau beduidend lager dan in de andere twee scholen. Logisch, want Coloma en Ter Berken trekken een gemengd publiek. Concentratieschool en goed onderwijs, dat valt in mijn ogen moeilijk te rijmen”.

Fatima Talbe zit te wachten tot haar zesjarige zoon Adam klaar is met zijn huiswerk. Zelf kan ze hem niet helpen met het mondvol Nederlands dat ze in zeven jaar België heeft vergaard. Via gelegenheidstolk Saïda krijgen we het verwachte antwoord: de schoolbus heeft de keuze voor Hof van Nassau bepaald. “Het is daar een merkwaardige situatie”, komt ze wat verrassend uit de hoek. “Naast de school van mijn zoon ligt nog een tweede school, met alleen witte kinderen. Ik weet niet of het waar is, maar ze zeggen dat daar geen Marokkanen binnenmogen”.

 

REACTIE ONDERWIJSSPECIALIST JEAN-PIERRE VERHAEGHE

 “Segregatie is nefast voor burgerschapsvorming”

Jean-Pierre Verhaeghe, onderzoeker aan de universiteiten van Leuven en Gent, geldt als een autoriteit inzake kwaliteitsverbetering, gelijke kansen en diversiteit in het basisonderwijs. Hij is niet toevallig voorzitter van het Lokaal Overlegplatform Gent, een stad die een pioniersrol speelt op het vlak van onderwijsvernieuwing.  Hij reageert verbaasd op de segregatie tussen de twee Mechelse GO!-scholen.

Verhaeghe:  “Ik zie gelijkenissen met twee scholen in het stedelijk basisonderwijs in Gent. Het Trappenhuis was ooit een concentratieschool, wat volgens mijn definitie betekent dat minstens tweederden van de leerlingen een andere thuistaal dan Nederlands hanteert. Op een bepaald moment heeft de stad beslist in het Trappenhuis een filiaal van freinetschool De Harp onder te brengen, De Kleine Harp. Men noemt dat de attractiepool- of magneetschooltactiek: met die paar klasjes kon men sociaal sterkere ouders lokken die anders nooit de weg naar het Trappenhuis hadden gevonden. Na een paar jaar had men voldoende kritische massa bereikt om De Kleine Harp en de concentratieschool te integreren. Nu is het Trappenhuis een gemengde freinetschool met een kwart anderstaligen, rond het Gentse gemiddelde. De parallel met De Feniks is nog sterker. Daar is men vertrokken van één gebouw met twee poorten: aan de ene kant had je een zwarte concentratieschool, aan de andere kant een witte methodeschool. De Feniks is nu één school met ongeveer vijftig procent GOK-leerlingen, van wie eenderde anderstaligen. Beide succesverhalen zijn natuurlijk niet uit de lucht komen vallen, ze zijn het resultaat van een bewuste politiek die het stedelijk onderwijs al dertig jaar voert ”.

–        zit daar het verschil met Villa Zonnebloem en Hof van Nassau in Mechelen?

Verhaeghe: “De voorgeschiedenis van de cohabitatie is heel anders. Toch heeft het er de schijn van dat de scholengroep met beide scholen bewust verschillende niches van de onderwijsmarkt bedient. Dat blijkt onder andere uit het busvervoer bij Hof van Nassau. Ook Gent telt zuivere concentratiescholen, maar die zijn doorgaans in concentratiebuurten gelegen. Met de beste wil van de wereld krijg je daar geen 50/50 mix van GOK- en niet-GOK-leerlingen. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer je de hele stad rondrijdt om de GOK-leerlingen in concentratiebuurten op te halen. Dat laat vermoeden dat men zich in een bepaald publiek specialiseert. Men gaat ook duidelijk ver in het bedienen van zijn doelpubliek. Het is attent om ter wille van Marokkaanse mama’s  de oudercontacten op de schooltijd te laten aansluiten. Maar op die manier ga je geen tweeverdieners aantrekken, die kunnen zich nooit voor zeven uur ’s avonds vrijmaken”.

–        strookt een en ander met de intenties van het GOK-decreet?

Verhaeghe: “Nee. Zowel de onderwijsnetten als de Vlaamse regering voeren diversiteit hoog in het vaandel. Het ideaal voor het basisonderwijs is een brede school met een sociale mix die een brug slaat naar de buurt en de samenleving. Ik begrijp dat beide scholen hun eigen identiteit en pedagogisch project benadrukken, maar het moet toch mogelijk zijn om nauwer samen te werken. Segregatie is nefast voor de burgerschapsvorming, toch een van de opdrachten van de basisschool”.

–        bieden concentratiescholen minderwaardig onderwijs?

Verhaeghe: “Dat kun je niet zomaar stellen. In het kader van het interuniversitaire Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen hebben we leerlingen vanaf het derde kleuterklas tot de overstap naar het middelbaar gevolgd. Bleek dat Turkse en Marokkaanse kinderen bij de start van het eerste leerjaar al een gemiddelde leerachterstand van acht maanden hadden opgelopen, vooral onder invloed van de factor thuistaal. Opvallend genoeg verwatert die etnisch-culturele component in de loop van het lagere schooltraject, terwijl socio-economische factoren des te zwaarder gaan doorwegen. Hoe dan ook, bij uit de uitstroom naar het middelbaar stelden we heel uiteenlopende resultaten vast. In sommige concentratiescholen was de initiële leerachterstand van acht maanden tot ruim twee jaar opgelopen. Andere concentratiescholen daarentegen waren er juist in geslaagd de achterstand tot een half jaar te reduceren. Dat zijn natuurlijk uitersten, de meeste concentratie scholen zitten ergens tussenin”.

–        er zijn dus goede en slechte concentratiescholen?

Verhaeghe: “Precies. Er zijn scholen waar het team de schouders laat hangen, en er zijn scholen waar men er het beste van probeert te maken. Maar we moeten onszelf niets wijsmaken. De belangrijkste determinerende factor is niet de samenstelling van de schoolpopulatie, maar de SES van de leerlingen zelf, de thuissituatie dus. Het bed waarin men geboren wordt, bepaalt nog altijd in hoge mate de slaagkansen in het onderwijs”.

 

Bleri Lleshi: filosoof-opiniemaker over het Land van Aankomst

 

 verschenen in Zeno, weekendbijlage De Morgen, 19 augustus 2012

 

 

 

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

 

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.  

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/

 

 

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

 

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.  

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/