Tagarchief: Antwerpen

Antwerpse Sovjets over de scheur in de Russischtalige ziel

(repo dS Weekblad, 9 augustus 2014)

Rus. Drie letters, een beladen woord. Zelden wordt Rus als compliment bedoeld. Neem nu de rakettenbetogingen, putje Koude Oorlog. Tegenstanders van Amerikaanse raketten op Belgisch grondgebied marcheerden met tienduizenden door Brussel. Er waren echter ook voorstanders. Liever een raket in mijn achtertuin dan een Rus in mijn keuken, luidde de slogan. De Koude Oorlog is voorbij, het IJzeren Gordijn gevallen. De Rus is geen iconische vijand meer, we kunnen hem nu in levende lijve ontmoeten. Hij deelt onze hotels aan de Turkse riviëra, wint ritten in de Ronde van Frankrijk, rijke exemplaren kopen voetbalploegen in Londen en jachten in Marbella. Maar populair is de Rus daarmee niet geworden, zeker nu het gerucht van een nieuwe Koude Oorlog niet van de lucht is.  Het neerschieten van de Maleisische Boejing  boven Oost-Oekraïne_ naar algemeen aannemen door pro-Russische rebellen _ heeft er geen goed aan gedaan. In de Britse krant The Guardian trokken Russische Londonites aan de alarmbel. De Russofobie scheert ongeziene toppen. ‘It’s official policy to hate us’, lamenteerde een Russische handelaar met 20 jaar Londen op de teller.

pope Andrei van de Russisch-Orthodoxe Kerk (foto: Jimmy Kets)

pope Andrei van de Russisch-Orthodoxe Kerk (foto: Jimmy Kets)

Doet het pijn Rus te zijn? We stelden de diagnose in Antwerpen, de stad met de grootste Russischsprekende gemeenschap van België. Volgens het Platform Solidariteit zijn ze de voorbije twintig jaar met een dikke 10.000 vanuit de voormalige Sovjet-Unie naar de Koekenstad verkast. Een goede zaak voor het Antwerpse middenveld, zo blijkt. De koepelorganisatie, tot voor kort Platform van Russischtalige  Verenigingen geheten, telt niet minder dan 55 aangesloten leden. De pijn is er wel degelijk, en niet alleen op de verwachte plekken. De nieuwe russofobie wil niemand overdrijven. Latent racisme is altijd al hun deel geweest, de Oekraïense crisis heeft hooguit het stof van de clichés geblazen. De echte pijn zit veel dieper, in de vorm van een scheur die dwars door de gemeenschap loopt. Immers, zeg nooit zomaar Rus tegen een Rus. Tsjetsjenen, Georgiërs, Oekraïners, Kazakken, Wit-Russen, door de buitenwacht worden ze al te vaak op één hoop gegooid. Samen met de Russen, want die zijn er ook.  Ja, ze delen allemaal hun Sovjetverleden. En Russisch blijft de gemeenschappelijke taal, al wordt dat steeds vaker als een noodzaak aangevoeld. De kloof in de gedeelde grond wordt evenwel met de dag breder, dat ondervinden ze ook bij verenigingen die zich, zonder onderscheid volgens herkomstgebied, tot alle Russischtaligen richten. Het verhaal van een Slavisch koor kwam ons ter ore. Leden, naast slavofiele Vlamingen onder anderen Russen en Oekraïners, wilden onder geen beding on the record. De harmonie staat nu al onder zware druk, reden waarom een loflied over Moedertje Rusland ijlings uit het repertoire werd geschrapt. Ook bij Spoetnik kunnen ze ervan meespreken. De culturele organisatie, rechtstreekse erfgenaam van wat in de Sovjettijd de Vereniging voor Vriendschap en Samenwerking België-USSR heette, heeft afdelingen in Antwerpen, Gent en Kortrijk. Vlaamse voorzitters en coördinatoren kunnen intussen op eieren lopen. Don’t mention the war, anders komt er van culturele activiteiten niks meer in huis. De tegenstellingen tussen supporters van Moskou en Kiev zijn onverzoenbaar, klonk het, ook al door het selectieve gebruik van geschiedenis en media, Russische versus Oekraïense satelliettelevisie en websites. Desinformatie? Volgens een Vlaams Spoetnik-lid, gepassioneerd door Russische muziek, 12 jaar getrouwd met een Russin, zijn we met zijn allen in dat bedje ziek. Eigenlijk weten wij Vlamingen weinig of niks over Rusland, stelde hij vast. Zelf valt hij ook nog van de ene verbazing in de andere. Zoals toen hij constateerde dat hij zelfs met zijn eigen vrouw niet over Oekraïne kan praten zonder een kletterende ruzie te riskeren. De omerta is gelukkig niet algemeen. Aan beide kanten van de kloof vonden we ex-Sovjetburgers bereid om te praten over het drama dat hun Antwerpse zomer danig vergalt.

Pope Andrei (Foto jimmy Kets)

Pope Andrei (Foto jimmy Kets)

Andrey  Eliseev (40), tien jaar geleden in Antwerpen neergestreken als pope van de Russisch Orthodoxe Kerk, excuseert zich. Zijn Nederlands is niet goed genoeg, hij mag zich liever in traag maar bedachtzaam Engels uitdrukken. Polarisation is een van de woorden die hij met zorg hanteert. “De oorlog polariseert ook onze kerk”, zegt hij met een zucht. “Ongeveer de helft van mijn parochianen komt uit Oekraïne, de anderen uit de rest van de voormalige Sovjet-Unie. Het is de gewoonte na de zondagsdienst nog een poosje samen te blijven en te praten. Dat zijn moeilijke gesprekken geworden. Vorige week nog vertelde iemand dat zijn neef was gesneuveld. Verbrand in een tank, hij zat bij het Oekraïense leger”.

Hij schiet zijn zwarte soutane aan en geeft een rondleiding in de Sint-Jozefkerk vlakbij het Stadspark. Gehuurd van de katholieke Kerk, de iconen heeft hij zelf meegebracht. De oecumenische samenwerking mag opmerkelijk heten, tenminste als men ze tegen het licht van de Oekraïense crisis houdt. Het is geen religieuze oorlog, maar godsdienst speelt wel degelijk een rol. “Er is in Antwerpen ook nog een Oekraïense kerk”,  zegt Andreï. “Grieks-Katholiek, ze volgen de Byzantijnse ritus maar erkennen het gezag van de Paus. Daar zit het verschil, wij hangen af van het Patriarchaat van Moskou dat zowel voor Rusland als Oekraïne bevoegd is”. Het zou hem te ver leiden de kerkgeschiedenis van Oekraïne uit de doeken doen, laat staan de impact ervan op de burgeroorlog.  Feit is dat de Grieks-Katholieke kerk vooral sterk staat in het Westen van Oekraïne, het Oekraïens als liturgische taal voert en nauw verweven is met het Oekraïense identiteitsbesef. In de kerk van Andrey wordt Russisch gesproken, ook door de Oekraïense gelovigen die vaak maar lang niet altijd uit het oostelijke landsgedeelte afkomstig zijn. Toch weigert hij het stempel van Russische staatskerk. “We krijgen geen subsidies zoals in België”, zegt Andrey die tien jaar op het Patriarchaat in Moskou heeft gewerkt. “Onze relatie stoelt op wederzijds belang. Wij hebben de staat nodig voor onze humanitaire missie. Scholen, weeshuizen, armenzorg, zonder samenwerking met de overheid komen we nergens. Wat daar tegenover staat? Onze Kerk geniet erg veel respect bij de bevolking. Dat beseft Poetin. Door goede relaties met het Patriarchaat te onderhouden, straalt het respect ook op hem af”.

Hij heeft Vladimir Poetin persoonlijk ontmoet, tijdens de receptie op de ambassade voor Europalia Rusland in 2005. Het was een mooi moment, want Andrey is een fan van het eerste uur. “Jullie hebben een vertekend beeld van Poetin”, zegt hij. “Dat hij geen emoties heeft, hoor ik voortdurend. Maar Poetin is juist erg emotioneel, alleen moet je Russisch begrijpen om dat in te zien”. Een dictator? De weerlegging door vader Andrey laat zich niet vertalen. ‘A dictator dictates. But Poetin doesn’t dictate, he explains’.  Autoritair mogen we de baas van het Kremlin wel noemen. “Maar daar is niks mis mee”, betoogt de priester. “In Rusland heeft niemand heimwee naar de Jeltsin-jaren. Liever autoritaire stabiliteit dan democratische chaos. Wist je trouwens dat Poetin Westersgezind is? Hij spreekt vloeiend Duits en schaaft elke dag aan zijn Engels. Daarmee staat hij niet alleen, heel veel Russen kijken op naar het Westen. Dat is niks nieuws. Ik ben zelf opgegroeid in de Sovjet-Unie, maar op school dweepten we met Europese films en literatuur. Daarom was ik zo verbaasd toen ik voor het eerst naar het Westen reisde. Onze liefde werd niet beantwoord, ook toen al leefde er weinig sympathie voor Rusland. Dat is er niet op verbeterd, je mag nu gerust van een anti-Russische stemming spreken. De toestand in Oekraïne speelt daarin mee, maar de omslag is er al eerder gekomen. Ik denk dat ik het kantelmoment ken: 2008, het jaar toen president Poetin en premier Medvedev van stoel wisselden. Poetin heeft toen definitief zijn greep gevestigd, en zijn ambitie onderstreept om Rusland in zijn oude glorie te herstellen. Dat is volgens mij waar het paard gebonden ligt. Het Westen wil een zwak Rusland, een geografische reus die als een politieke dwerg acteert en trouw grondstoffen levert. Dat kan natuurlijk niet, daarin heeft Poetin absoluut gelijk”.

We verhuizen naar de sacristie voor een kop zwarte thee. Van graffiti of andere zichtbare sporen van de nieuwe russofobie heeft hij geen weet, het meest concrete is een verwijtende mail uit Nederland die op het aartsbisdom in Brussel binnenliep. Het ging over het neergeschoten lijnvliegtuig, een drama waar hij zo zijn eigen mening over heeft. Hij gaat niet zover te beweren dat de rebellen het niet hebben gedaan, maar…Wat volgt is een greep uit hypotheses en complottheorieën die in de Russische media welig tieren. We gaan er liever niet op, en brengen het gesprek weer op de al niet vermeende russofobie. “Ach” , zegt Andreï. “In België valt het nog mee, jullie blijven rationeel. Het is tien keer erger in voormalige Oostbloklanden zoals Polen en de Baltische staten. Daar worden ze ook opgestookt door de Amerikanen. Want zo is het toch? Georgië, Tsjetsjenië, Oekraïne, overal staan de Amerikanen klaar om gevoelens van gekwetst nationalisme te exploiteren. Ik ben erg ongerust. Als het zo verder gaat, komt er geen koude maar een echte oorlog van”.

Movchan en Anna (foto: Jimmy Kets)

Movchan en Anna (foto: Jimmy Kets)

Movchan (42) en Anna (38) Lyubomyr blijven er zich over verbazen. De toeloop voor de paasviering in de Sint-Andrieskerk, de tempel die het bisdom ter beschikking van de Greco-Katholieke parochie van Antwerpen stelt. Uiteraard herkenden ze de nieuwkomers, in de Oekraïense gemeenschap kent iedereen iedereen. “Het waren parochianen van de Russisch-orthodoxe kerk”, zegt Movchan. “Overgelopen vanwege de oorlog in Oekraïne, dat spreekt vanzelf.  Sommigen brachten meteen geld mee voor het  solidariteitsfonds waarmee we Oekraïne helpen. Resoluter kun je een overstap niet maken”.

Het is via diezelfde kerk dat we Movchan hebben gevonden. Op de website staat hij als contactpersoon, een geëngageerde leek die desgewenst ook tolkt. Zijn Nederlands is uitstekend, zo stellen we vast als we hem thuis in Zurenborg opzoeken. “Ik ben bouwkundig ingenieur”, vertelt hij. “Ik had een eigen zaak toen ik de kans kreeg hier enkele tijdelijke opdrachten aan te nemen. De rekening was snel gemaakt. Voor 100 euro die ik Oekraïne verdiende, kreeg ik er hier 1.000. In 2000 zijn we definitief naar Antwerpen verhuisd. Ik heb mijn diploma laten erkennen en ben onmiddellijk Nederlands gaan studeren, en zo heb ik vlotjes een baan als bouwkundig ingenieur gevonden”.  Zijn vrouw Anna, eveneens afkomstig uit Lvov in West-Oekraïne, heeft haar eigen hoofdstuk in dit succesverhaal. Ze werkt als verpleegster met een Vlaams diploma op zak, zoon en dochter doen het uitstekend op school. Perfect tweetalig, dank zij de zaterdagschool voor Oekraïense kinderen. Bij het Platform Solidariteit hadden ze het ons al gezegd: geen enkele gemeenschap is zo sterk georganiseerd als de Oekraïense. Draaischijf is Barvinok, een sociaal-cultureel vereniging waarvan Movchan stichtend lid is.

Een rimpelloos en gelukkig migrantenbestaan? “Sinds november vorig jaar is alles anders”, zegt Movchan. “Het studentenprotest, de bezetting van Maidan, het heeft ons enorm aangegrepen. Als Oekraïners uit de diaspora proberen we ons steentje bij te dragen. Barvinok heeft al 18.000 euro naar Oekraïne versluisd. In feite leiden we een dubbelleven. Overdag werken, alle vrije tijd gaat op aan internet en skype. Slopend, vaak doen we de hele nacht geen oog dicht. Onze hele gemeenschap gaat eronder gebukt. Voor sociale of culturele activiteiten is geen er tijd meer, bij Barvinok staat alles in het teken van de oorlog.  De sfeer is verzuurd, zelfs tijdens familiefeesten gaat het over niks anders”.

Met Russen in Antwerpen hebben ze geen persoonlijk probleem. Niet over de oorlog beginnen, is het recept. De contacten lopen vooral via het Platform Solidariteit. “Daar spreken we altijd Russisch”, zegt Anna. “Niet voor ons plezier, maar het blijft een bindtaal. Het kost ons trouwens geen moeite, alle Oekraïners spreken Russisch. Omgekeerd niet natuurlijk, Russen hebben een koloniale mentaliteit. Begrijp me niet verkeerd, dit conflict gaat niet over de taal. Een paar jaar geleden trokken we met vrienden voor een paar dagen naar Kiev. We hoorden alleen Russisch, geen woord Oekraïens in onze eigen hoofdstad Het stoorde ons niet, zo is nu eenmaal de realiteit in ons land”.

Ze zet zelfgemaakte cake op tafel. We nemen een stuk en luisteren naar flarden geschiedenis. De versie over de Russische annexatie van de Krim wijkt behoorlijk ver af van wat Andrey daarover vertelde. Een logische correctie van een absurditeit uit de Sovjetperiode. Partijleider Chroetsjev had het in 1954 opportuun geacht om de Krim van Rusland los te koppelen en bij de Sovjetrepubliek Oekraïne aan te hechten. De louter administratieve herverkaveling was bedoeld om de eeuwenoude Russisch-Oekraïense vriendschap te bezegelen, de zwartgerokte pope kon niet nalaten ons op de ironie te wijzen. Behalve ironisch is geschiedenis kneedbaar. De kunst is het juiste tijdstip te kiezen om de eigen zaak te dienen. Oost-Oekraïne? Andrey spoelde 250 jaar terug. Katharina de Grote die kozakken haar keizerlijk fiat verleende om het schier onbewoonde gebied onder Russische vlag te koloniseren. Movchan gaat het minder ver zoeken. Waarom er zoveel Russen in Oost-Oekraïne wonen? Omdat Stalin in de jaren 20 en 30 de boeren heeft uitgemoord en door Russen heeft vervangen, vaak bajesklanten die werden ingezet bij de geforceerde uitbouw van de zware industrie in Oost-Oekraïne.

Als taal noch religie de inzet van de oorlog zijn, wat dan wel? “Poetin”, zegt Movchan zonder aarzelen. “Rusland kampt met enorme problemen. Er zijn de spanningen in de Kaukasus, en er is ontzettend veel armoede. Hij heeft een buitenlandse vijand nodig om zijn volk achter zich te scharen. Het ergste is dat hij daarin slaagt, dank zij de propaganda staat 80 procent van de Russen achter de oorlog in Oost-Oekraïne. Mijn tante langs moederskant is met een Rus getrouwd, ze wonen in Krasnodar. Zelfs zij is gebrainwasht, ze steunt Poetin. Mijn moeder en haar zus spreken niet meer met elkaar. Dat is wat oorlog met families doet”.

 

Iryna (foto: Jimmy Kets)

Irina Larionova (foto: Jimmy Kets)

Irina Larionova (59) krijgt tranen in de ogen als ze eraan denkt. Ach, haar bezoekjes aan Odessa. Lang geleden intussen, ze was pas afgestudeerd aan het taleninstituut van Leningrad, thans Sint-Petersburg genoemd. Frans en Duits, het was vooral die eerste taal die van pas kwam als gids bij het voor Ruslandreizigers onvermijdelijke Intourist. “Ik begeleidde groepen doorheen de hele Sovjet-Unie, tot in de Kaukasus. Ook Odessa stond op het programma; Zo’n mooie stad, en zulke warme mensen. Alleen al daarom vind ik deze oorlog zo verschrikkelijk. Waarom toch? Russen en Oekraïners zijn als broers, we hebben altijd samen gehoord”.

We zitten in een café op De Keyserlei. Haar spuitwater zal onaangeroerd blijven, zozeer wordt ze meegesleept. Niet alleen door sombere beschouwingen. Zal ze vertellen hoe ze net niet met een Brusselaar is getrouwd? “Ik reisde voor Intourist met een Belgisch gezelschap. Het gebeurde in Kiev, een prachtige stad overigens. Ik werd tot over mijn oren verliefd op een man uit Brussel. Het was wederzijds, zoals in het liedje van Gilbert Bécaud. Nathalie, dat was ik. We maakten plannen, maar uiteindelijk is er niks van gekomen. Mijn vader was tegen, zijn moeder evenzeer. Vooroordelen, ik kan het hen niet kwalijk nemen. Het Ijzeren Gordijn stond er nog, we wisten niks van elkaar af”. Irina is toch aan een Belg geraakt. Geen Brusselaar, wel een Antwerpenaar die ze in Parijs leerde kennen. Zestien jaar geleden verhuisden ze met hun twee dochters naar de Scheldestad, waar Irina tot haar haar ontsteltenis constateerde dat haar vlekkeloze Frans vooral boze reacties uitlokte. Vanavond spreekt ze Nederlands, met royale scheuren Frans er doorheen. Ze staat in het volwassenonderwijs, een Russische die Vlamingen met hun Frans helpt.

Haar moeder is Russisch, haar vader joods. En inderdaad, ze komt uit de stad van Poetin. “We zijn generatiegenoten. Ik ben in hetzelfde district opgegroeid, een kilometer van het flatgebouw waar zijn ouders als conciërge woonden. Ik heb hem nooit gezien, maar hij heeft mijn sympathie. Poetin is oprecht begaan met zijn land, hij wil de grandeur van Rusland herstellen”. Door een buurland als Oekraïne te destabiliseren? Irina laat de voorzet voorbij waaien. Ook zij mag graag uit de geschiedenis putten. Hebben we ooit gehoord van Bogdan Khmelnystky, de 17de-eeuwse Kozakkenleider die met de steun van de Russische tsaar Oost-Oekraïne van de Polen en hun Katholieke kerk bevrijdde? Om maar te zeggen: de 15 miljoen Russischtaligen in Oekraïne hebben redenen om zich nauw verwant met hun grote buur te voelen.

“Er is weinig begrip voor Rusland”, klaagt ze. “Poetin wordt hier als de baarlijke duivel afgeschilderd, c’est le diable. Ik luister veel naar de Franse radio. Soms spreken ze letterlijk over l’empire du mal als het over Rusland gaat. Als Russische moet je hier sowieso een olifantenvel hebben. De clichés die over ons circuleren. Russen zijn agressief en lomp, op hotel lopen ze iedereen omver en plunderen het buffet. Nu eens zijn ze stinkend rijke oligarchen, dan weer profiteren ze van het OCMW. Waarom spreekt niemand van onze rijke cultuur? Tolstoi, Poesjkin, Gogol? Die laatste komt trouwens uit Oekraïne. Poltava, de plek waar ze het puurste Oekraïens spreken. Wat Tours is voor het Frans, is Poltava voor het Oekraïens. Gogol schreef uiteraard in het Russisch, als zoon van adel werd hij in het Russisch en het Frans opgevoed. Zo was het toen, Oekraïens was de taal van het volk”.

Wordt dit de doodsteek voor de Russisch-Oekraïense vriendschap? “Het is allemaal politiek”, zegt ze. “Tussen de mensen is er geen probleem. Gisteren was ik op de barbecue met mijn Oekraïense buurvrouw, een schoonmaakster. Twaalf jaar geleden is ze hier met haar zoontje gearriveerd. Ontworteld, allebei. Ze is me toen komen vragen of ik haar zoontje  kon helpen met de school. Nee, zei ik, maar mijn dochter kunnen dat wel. Anastassia en Vera hebben zich over die jongen ontfermd als over hun kleine broertje. Zo’n band, dat krijgen ze zelfs met een oorlog niet kapot”.

WOI: Spokenjagen in het Fort van Walem

(Knack Stedenspecial Antwerpen, 19 maart 2014)

‘Het moet hier een hel zijn geweest’

Vleermuizen liggen er niet wakker van, maar het is er ’s nachts niet pluis.  Welkom in het Fort van Walem, een kiezel in de laars van de Duitsers tijdens hun opmars aar Antwerpen in 1914. De aversie van Antwerpen voor Brussel? Allemaal de schuld van de fortengordels.

foto’s Lies Willaert – www.lieswillaert.be

 

binnenzicht fort van Walem (alle foto's: Lies Willaert)

binnenzicht fort van Walem (alle foto’s: Lies Willaert)

Het spookt in het fort van Walem bij Mechelen. Onderzoekers van de Nederlandse spokenjagersclub The Ghosthunter maken op hun website melding van verschijningen en andere bovennatuurlijke fenomenen. Tijdens hun nachtelijk bezoek aan het fort wisten ze zelfs enkele Entiteiten te filmen. Geesten van de Belgische soldaten die hier tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen, oppert de website. Aan de Entiteiten durven we te twijfelen, het verschijnsel in de video heeft verdacht veel weg van de lichtkegel van een zaklantaarn. Maar de soldaten zijn er wel degelijk, althans hun stoffelijke resten. Hoeveel lijken er onder het puin van de ingestorte gewelven liggen? Filip en Tony, de gastheren van Natuurpunt die ons genereus op hun zelden toegankelijk domein ontvangen, weten het niet precies. “Er zijn bij de belegering zo’n 70 soldaten omgekomen”, zegt Tony. “Maar of die hier nog allemaal liggen? De grote caponnière is ontploft na een voltreffer in een kruitkamer. De explosie en de hitte moeten verschrikkelijk zijn geweest, ik denk niet dat er veel over bleef van de sukkels die er toen inzaten. De luchtverplaatsing ging naar de binnenkant van het fort, zo krachtig dat enorme brokstukken meters ver op het plein werden geslingerd. Ook soldaten werden er langs die kant uit geblazen, zwaar verminkt of morsdood. Die laatsten zijn wellicht elders begraven”.

dikke Bertha’s

Piet Lombaerde (65) kijkt zijn ogen uit. Natuurlijk kent hij dit verhaal, het hele grondplan van het fort zit trouwens in zijn hoofd, net zoals dat van de overige 30 bolwerken die samen de eerste en tweede fortengordel rond Antwerpen vormen. Lombaerde, burgerlijk ingenieur-architect van vorming, professor stedenbouw en ruimtelijke ordening aan de Universiteit Antwerpen van beroep, is al een leven lang gepassioneerd door vestingbouwkunde. Het woord caponnière behoorde vanmorgen nog niet tot onze actieve woordenschat. Een dwars over een droge gracht uitspringende galerij met schietgaten van waar een vestingmuur kan worden verdedigd? We konden er ons weinig bij voorstellen, maar na kennismaking met Lombaerde kunnen we vlot het onderscheid maken tussen halve en volledige caponnières. We leren ook het verschil tussen bastions en polygonale vestigingen, waarvan het in 1878 voltooide Fort van Walem een prachtig voorbeeld is. Nooit zullen we nog een fort verwarren met een schans, de veel kleinere veldversterking waarmee de artillerie de hiaten in het schietbereik tussen de forten van de buitenlinie rond Antwerpen moest afdekken. Technisch en specialistisch? Jazeker, maar Lombaerde ontpopt zich tot een begeesterende verteller die kwistig met anekdotes strooit. Zien we die holle traverse? Alweer een geniale uitvinding van Vauban, de Franse maarschalk uit de 17de eeuw die als de grootste vernieuwer in de geschiedenis van vestingbouw te boek staat.“Vauban had zelf ettelijke versterkte steden belegerd. Hij had ondervonden hoe je met een welgemikte kanonskogel een hele rij vijandelijke batterijen kon uitschakelen, als dominostenen. Daarom bedacht hij de traverse, een aarden of stenen wal die haaks staat op de hoofdomwalling waardoor ricochetvuur wordt geneutraliseerd”. Precies honderd jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog staat Lombaerde zelf voor een zware campagne. De professor toert met een lezing over de Antwerpse fortengordel in 14-18  in het Davidsfonds-circuit. De aanvragen stromen binnen.

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

Poort van het uit 1878 daterend fort. Hopeloos verouderd in 1914

En toch heeft hij nooit eerder een voet gezet in het fort van Walem, waar hij zich reeds als kind aan vergaapte wanneer hij met zijn vader via de N1 naar Antwerpen reed. Hij neemt druk foto’s van de ravage bij de grote caponnière. “Buitengewoon”, zegt hij opgetogen. “Door de ontploffing kun je perfect de opbouw zien.De bakstenen gewelven uit 1878 werden met een laag zand afgedekt. De militaire technologie bleef echter niet stilstaan. Het artilleriegeschut werd steeds zwaarder, en de vestingbouwers probeerden te volgen. De recentere forten van de buitenste gordel werden in beton opgetrokken, in de oudere forten zoals dat van Walem werd begin vorige eeuw een extra laag beton gegoten en met aarde afgedekt. Het geheel was berekend op artillerie van 22 centimeter. Maar dan zie je de Duitsers in 1914 arriveren met hun Dikke Bertha’s van 42 centimeter en hun Skoda-mortieren van 30,5 centimeter. Dat is waar de Belgische legerleiding zich op verkeken heeft. Iedereen wist wel dat er zulke zware kalibers bestonden, statische batterijen die onder meer voor de kustverdediging werden gebruikt. Maar wat niemand had verwacht: de Duitsers waren er in geslaagd die enorme vuurkracht mobiel te maken! De dikke Bertha’s van Krupp waren demonteerbaar, ze werden op drie wagens geladen en via het spoor of met speciale stoomvoertuigen getransporteerd. De stukken die bij het beleg van Antwerpen werden ingezet, hadden al bij Luik en Maubeuge gediend. Ze arriveerden ’s middags per spoor in Vilvoorde, en zes uur later al waren ze schietklaar. De Dikke Bertha’s zijn legendarisch geworden, maar minstens even verwoestend waren de Skoda-mortieren, Walem is overigens uitsluitend met Skoda’s belegerd. Stel je voor, obussen van een halve ton die in een boog werden afgeschoten. Door het benutten van de zwaartekracht was de impact maximaal, ze kwamen binnen met een snelheid van bijna 1000 kilometer per uur. Het moet hier een hel zijn geweest”.

Een hel is precies wat majoor Dewitte beschreef toen hij na de oorlog voor de commissie Deguise zijn bevelvoering over het fort moest verantwoorden. Het verslag, makkelijk te traceren op het internet, leest als een vroege diagnose van shellshock. Op 2 oktober, wanneer het fort al vijf dagen onder vuur ligt, bereikt de beschieting een hoogtepunt. De hoofdcaponnière is al ontploft, zeventig van de 500 artilleristen en infanteristen zijn een vreselijke dood gestorven. Dewitte telt 18 inslagen per minuut, bij iedere explosie ziet hij mannen ineen krimpen en onbedaarlijk bibberen, gek van doodsangst. Officieren hebben de handen vol met het voorkomen van wanhoopsdaden. Voor shellshock – het woord bestond nog niet – was geen begrip. Enkele waanzinnig geworden soldaten worden door de eigen wachters neergeschoten als ze via de brug over de natte gracht trachten te ontkomen. Dewitte beklaagt zich overigens over de kwaliteit van zijn soldaten, voornamelijk oudere reservisten die bij hun wederoproeping vergeten zijn hoe ze een Mauser moeten hanteren. Familievaders, zegt Dewitte smalend waarna hij opwerpt dat voor deze missie alleen onbezorgde jongemannen bruikbaar zijn. De frustratie van de ijzervreter liep hoog op: een na een werden de geschutskoepels uitgeschakeld, zonder dat het fort ook maar iets kon terugdoen. De reikwijdte van het geschut was te beperkt om de in Hofstade en Vilvoorde opgestelde Skoda-batterijen te verontrusten. Twee keer slaagt Dewitte erin een speldenprik uit te delen. Door zich stil te houden wekte hij de indruk dat het fort verlaten was. Twee keer stuurden de Duitsers een ploeg verkenners, twee keer werden die door Belgisch mitrailleurvuur neergemaaid. Op 2 oktober om 17 uur is de veer gebroken. Het fort heist de witte vlag, voor Dewitte en zijn overgebleven mannen breekt een periode van vier jaar krijgsgevangenschap aan.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren.

ontplofte caponnière waar op 2 oktober 1914 zeventig soldaten het leven verloren. Bovenop werd het monument voor de gesneuvelden van architect Joseph Diongre gebouwd

slapende vleermuizen

En nog steeds wordt het fort belegerd! Niet meer door Duitsers, maar door sportvissers, vandalen en souvenirjager die de heerschappij van Natuurpunt uitdagen. Bij het betreden heeft Filip, bij Natuurpunt verantwoordelijk voor het fort, al een vergunningsloze visser met zijn bootje uit de gracht verjaagd. Tijdens de rondgang stelt hij nieuwe sporen van indringers vast. Een zware ijzeren deur werd kwaadwillig dichtgegooid, in de achterliggende ruimte houdt een zeldzame ingekorfde vleermuis haar winterslaap. Met veel moeite wrikt Filip de deur weer open, het diertje moet meteen kunnen uitvliegen wanneer het straks met razende honger ontwaakt. Aan het welzijn van de vleermuis wordt niet licht getild. Bij de ingestorte koepel boven een van de halve caponnières zal Filip de professor tot fluisterstilte aanmanen. “Dit is de slaapplaats van een meervleermuis, net als de ingekorfde vleermuis een bedreigde soort die onder een Europees beschermingsprogramma valt. Al jarenlang beloof ik bij Natuurpunt een gratis vat als we een van de twee bedreigde vleermuissoorten waarnemen. Nu zijn ze er allebei, het is niet te geloven”.

De omgeving is prachtig. Overal schieten eiken op, relatieve nieuwkomers die er niet stonden toen majoor Dewitte en zijn mannen hun uitzichtloze strijd leverden. De forten werden kaal gehouden, en ook in een zone van 500 meter rondom waren bomen taboe. “Om het schootsveld vrij te houden en vijandelijke infanteristen geen dekking te geven”, zegt Lombaerde. “Rond alle forten van de de Antwerpse stelling gold een non aedificandi-zone. Bouwen kon wel, maar alleen houten of lemen constructies die in geval van nood snel konden afgebroken worden. In 1924 heeft men bij wet de verdedigingsfunctie van de binnenforten opgegeven, de Eerste Wereldoorlog had afdoende bewezen dat ze hopeloos voorbijgestreefd waren”. De buitenforten zouden pas na de Tweede Wereldoorlog hun militaire betekenis verliezen, zoals duidelijk blijkt in Walem.  De holtraverse op het hoofdfront, waar de ontplofte caponnière deel van uitmaakte, werd na 14-18 tot een betonnen bunker omgebouwd. Wanneer precies kan zelfs specialist Lombaerde niet uit het blote hoofd vertellen. Alleszins voor 1930, want in dat jaar werd bovenop de bunker een imposant memoriaal voor de gesneuvelde soldaten van Walem opgericht. De architect is niemand minder dan Joseph Diongre, tevens ontwerper van het Flageygebouw. In de zomer zit het kunstwerk verscholen tussen het bladerdak van de eiken, het moet een van de minst bezochte art deco-monumenten van België zijn.

Filip en Tony willen ons een recente ontdekking tonen. Tijdens beheerswerken kwam de mond van een kanonsloop bloot te liggen. 12 centimeter, schat de professor het kabiler op zicht. Geen spek voor de bek van souvenirjagers, het stuk ligt onwrikbaar onder het puin bedolven. Maar verzamelaars van militaira kennen wel degelijk de weg naar Walem. “Voor de gasmaksers”, zegt Tony. “Tussen de twee oorlogen was dit een depot. In 1939 lagen hier gasmaskers voor burgers gestockeerd. 500.000, sommigen zeggen zelfs twee miljoen stuks. Alleszins heel veel, het ligt hier nog vol. Rubberen maskers, maar ook ijzeren dozen en koolfilters”. Verzamelaars en vandalen zijn vaste klanten, maar de nachtelijke rust wordt nog door andere inbrekers verstoord. “Spokenjagers”, zegt Filip. “Vooral Nederlandse ghost hunters zijn een plaag.We geven geen toelating meer, maar ze steken ’s nachts de gracht over met apparaten waarmee ze zogezegd paranormale waarnemingen kunnen doen. Het probleem is er niet minder op geworden na een uitzending over Walem op de Amerikaanse zender Scifi. Die heeft Natuurpunt daar stevig voor betaald, geld dat goed van pas kwam na de aankoop van het fort. Fijn, maar niet voor herhaling vatbaar”.

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkend fort

duizenden gasmaskers uit WOII slingeren rond in het als natuurgebied erkende fort

De Meetingpartij

We lopen langs het officierskwartier, een gebouw waarvan de tragische geschiedenis niet is gestopt na  14-18. Tot de val van het Ijzeren Gordijn was dit in handen van de Civiele Bescherming, het was de plek van waaruit de reactie op een nucleaire aanval zou worden gecoördineerd. Het kwartier, nagenoeg intact uit twee oorlogen gekomen, werd daartoe verbouwd en met conferentiezalen, communicatieapparatuur en slaapzalen uitgerust. Op het domein was ook een helikopterplatform, bedoeld voor hoge NAVO-officieren die vergaderingen of nucleaire rampenoefeningen kwamen bijwonen. Er schiet niets meer van over, het interieur werd door een brand compleet verwoest. “Aangestoken door asielzoekers”, zegt Filip. “In de jaren negentig heeft het fort een tijdlang als gesloten asielcentrum gefungeerd. Buiten was een kooi gemaakt om ze te luchten. Op een keer zijn er twee ontsnapt, eentje is verdronken in de gracht. Kort nadien hebben ze de boel in de fik gestoken”.

We eten met de professor een broodje in Walem. Café ’t Hoekske, misschien wel het meest deprimerende etablissement van groot Mechelen, waar mannen al ’s middags aan de toog plakken met een glazen boterham, hun aandacht verdelend tussen de bingokast en de niet onknappe waardin. Piet Lombaerde is in zijn nopjes met het afgelopen bezoek. Met dank aan Natuurpunt, een instantie nochtans waarmee hij als minnaar van militair erfgoed niet altijd dezelfde golflengte deelt. “Ze  bedoelen het goed maar zijn soms te fanatiek”, zegt hij. “De natuur gaat boven alles, voor een paar vleermuizen laten ze een historische site teloor gaan. Spreek het woord restaureren uit, en ze gaan door het lint. Ze hebben ook Fort 7 in Wilrijk in beheer, een schakel van de binnenste gordel. Als men de natuur de vrije baan geeft, schiet er binnen een paar decennia van deze forten niets meer over. Ik vind dat we naar een evenwicht tussen natuur en patrimonium moeten streven. Zoals in het fort van Stabroek dat in privé-handen is. Daar organiseren ze evenementen, van paint-ball tot recepties en congressen. Dat draait goed, en zowel het patrimonium als de natuur blijven gevrijwaard”.

 

Waar spoken en vleermuizen thuis zijn
Waar spoken en vleermuizen thuis zijn

Een paar honderd meter verderop gaat de N1 over de Nete, een van de natuurlijke hindernissen die samen met de dubbele fortengordel de stelling van Antwerpen vormde. “De Belgen namen ook hun toevlucht tot inundaties”, legt Lombaerde uit. “Hier stond alles blank, maar de Duitsers hebben zich in Duffel een weg over de Nete gevochten. Ze hadden hun sector goed gekozen. De buitenste gordel is 95 kilometer lang, van fort De Perel op Linkeroever tot Stabroek. De belegering concentreerde zich echter op drie forten, die van Walem, Sint-Katelijne Waver en Koningshooikt. Als ze die konden uitschakelen, redeneerden ze, dan konden ze de Nete oversteken waarna Antwerpen gauw zou vallen. Dat was hun doel, het neutraliseren van het Belgische leger dat zich in het nationaal reduit had teruggetrokken. De Duitsers gingen er van uit dat de binnenste gordel, de acht Brialmontforten van voor 1870 die de veiligheidsomwalling vormden, geen noemenswaardig verzet zou bieden. Het klopt dat die forten hopeloos verouderd waren, maar ze hebben weerstand geboden. De overmacht was totaal, maar de soldaten hadden geen keuze. Commandanten lieten de brug over de gracht opblazen om te beletten dat hun manschappen zouden vluchten. In feite werden ze allemaal opgeofferd. Het Belgische opperbevel besefte al vroeg, na de val van Luik begin augustus 1914, dat ook Antwerpen niet verdedigbaar was. Dat bleef echter staatsgeheim. De bevolking en vooral de vijand moesten blijven geloven in de mythe van het onneembare reduit. Het was zaak zoveel mogelijk tijd te winnen om het Belgisch leger uit Antwerpen te evacueren. Dat is ook gelukt. Het Belgische veldleger is kunnen ontsnappen, dank zij 60.000 soldaten die achterbleven om de Duitse opmars te vertragen”.

We bestellen koffie, verrassend goed in ’t Hoekske. Vooraleer koers te zetten naar zijn thuisstad Antwerpen, werpt professor Lombaerde een verrassend licht op een breuklijn in de nationale politiek. “De fortengordel verklaart de Antwerpse aversie voor Brussel”, zegt hij. “Kort na de Belgische onafhankelijkheid rees de kwestie van het nationaal reduit, een kerngebied rond een stad dat bij een buitenlandse invasie met man en macht zou worden verdedigd. Waar moest dat reduit komen, was de vraag. De liberale minister Frère-Orban liet een rapport opmaken, een soort nationaal plan van aanleg waarin verschillende steden een functie kregen toegewezen. Brussel zou zich als hoofdstad residentieel ontwikkelen, Gent, Luik en Bergen kregen een industriële inkleuring, Oostende, Namen en Spa zouden plekken worden om te villégiaturen, zich te ontspannen. En het nationaal reduit? Die rol was voor havenstad Antwerpen weggelegd. Voor Antwerpen was het een ramp. De stad en de haven waren in volle expansie, maar hun groei werd belemmerd door acht Brialmontforten, allemaal omgeven door een bouwvrije zone. Bovendien besefte men in Antwerpen heel goed het riscio bij een conflict. Het nationaal reduit wordt per definitie belegerd. Dat is ook gebleken in 14-18: in Brussel viel geen schot, Antwerpen werd wekenlang bestookt. De onvrede heeft zelfs aanleiding gegeven tot het ontstaan van een protestpartij”.

Inderdaad, zo is de Meetingpartij ontstaan die later zou opgaan in de katholieke partij. Tussen 1864 en 1872 mocht de flamingantische en pacifistische protestformatie zelfs het stadhuis opeisen. Een Antwerpse burgemeester met een Brussel-aversie. Niks nieuws onder de zon in de koekenstad.

WOI: Historicus Antoon Vrints over 14-18 in Antwerpen

“De Eerste Wereldoorlog heeft hier een bloeiende Duitse gemeenschap van de kaart geveegd”

Antwerpen een wereldstad? Anno 1914 was het geen grootspraak, maar vier jaar later schoot van het kosmopolitische karakter nog weinig over. Gesprek met historicus Anton Vrints over de teloorgang van de Duitse beau monde aan de Schelde, een drama met hoofdstukken over de Flamenpolitik en de strijd tussen loyalisten en activisten.

(Knack stedenspecial Antwerpen, 19 maart 2014)

foto: Marilyn De Smet - www.aboutmary.be

foto: Marilyn De Smet – www.aboutmary.be

Antoon Vrints (35) is een pendelaar. Doceren doet hij in Gent, wonen in de groene rand rond Antwerpen. Brasschaat, waar de herenhuizen in fraaie belle époque stijl minder onschuldig zijn dan ze lijken. “In de Tweede Wereldoorlog was deze buurt bekend bij Duitse officieren”, zegt Vrints. “Het was een publiek geheim dat bepaalde panden als luxebordelen dienden”.  Leuk weetje, maar het is niet de Tweede Wereldoorlog die ons naar Brasschaat heeft gelokt. Vrints, in Gent verbonden aan de onderzoeksgroep Sociale Geschiedenis na 1750, is een van de weinige Vlaamse historici die zich in de Grote Oorlog hebben vastgebeten. Hij schreef een standaardwerk over het activisme in Antwerpen en liet zich ook opmerken met bijdragen over sociaal protest tijdens de bezetting. Een van zijn stokpaardjes is de teloorgang van de omvangrijke Duitse gemeenschap die zich aan de vooravond van de eerste wereldbrand in de havenstad had gevestigd.

–  Vanwaar uw fascinatie voor 14-18?

Vrints: “Het is vooral de bezetting die me boeit. Ik zie het als een langgerekt experiment in een sociaal  laboratorium, België genaamd. Het dichtstbevolkte en meest geïndustrialiseerde land ter wereld, een van de grootste exportnaties bovendien. Een land geroemd om zijn liberale grondwet, maar ook een maatschappij met sterke klassentegenstellingen. Wat als de nationale staat desintegreert, vroeg ik me af. Want dat is precies wat tijdens de oorlog gebeurde. De bureaucratie, de Rijkswacht, het leger, een na een vielen de pijlers van het bestel weg. De mobiliteit kwam onder druk te staan, burgers werden op locale entiteiten zoals steden en dorpen teruggeworpen. Tijdens de bezetting onderging België bovendien een drastische desindustrialisering. Fabrieken vielen stil door gebrek aan grondstoffen of arbeidskrachten, als ze al niet door de Duitsers werden ontmanteld. Het was in menig opzicht een soort regressie, alsof de tijd in die vier jaar omgekeerd evolueerde”.

–  In publicaties over 14-18 zoomt u graag in op uw thuisstad. Hoe is Antwerpen uit de oorlog gekomen?

Vrints:  “Als een cultureel en economisch verarmde stad, met een veel provincialer karakter dan voor de oorlog.  Ik zou Lode Baekelmans kunnen citeren, de Antwerpse stadsbibliothecaris die in zijn tijd een populaire volkschrijver was. Toen hij in de jaren vijftig zijn memoires schreef, blikte hij vol nostalgie terug op het Antwerpen van voor 1914, een kosmopolitische havenstad waar iedereen welkom was, van neger tot Chinees, in zijn woorden. Oorlogen zijn natuurlijk altijd slecht nieuws voor minderheden. In de Tweede Wereldoorlog is Antwerpen een groot stuk van zijn joodse gemeenschap kwijtgespeeld. Dat is algemeen bekend, maar weinigen weten nog dat de Eerste Wereldoorlog hier een bloeiende Duitse gemeenschap van de kaart heeft geveegd. In 1914 telde Antwerpen 10.000 Duitsers, ze vormden na de Nederlanders de grootste minderheid in een stad van zo’n 300.000 inwoners. In feite was de kolonie nog groter, want heel wat Duitsers hadden intussen de Belgische nationaliteit verworven. Hoe dan ook, na de oorlog stonden nog zo’n 300 Duitsers in het bevolkingsregister vermeld, een verwaarloosbaar aantal”.

–  Zijn er nog zichtbare sporen van die kolonie?

 Vrints: “Toch wel, discrete en minder discrete. Ik denk aan de Nottebohmzaal van de Consciencebibliotheek, misschien wel de mooiste erfgoedbibliotheek van ons land. De zaal is genoemd naar een bekende Duits-Antwerpse familie. In de boekenschappen staan nog meer Duitse namen gegraveerd, allemaal mecenassen die tot fabelachtige collectie hebben bijgedragen. En dan is er natuurlijk de Brabofontein voor het stadhuis, hét symbool van Antwerpen. Weinigen weten het nog, maar dat monument was een geschenk van Duitse kooplui aan de stad. Er is een bekende foto van de Duitse intocht in Antwerpen, waarop de troepen strak in het gelid langs de Brabofontein defileren. Dat beeld is zwanger van symboliek, het illustreert de bloei van de Duitse gemeenschap en voorspelt tegelijkertijd al de teloorgang. Je moet er natuurlijk voor geporteerd zijn, maar als ik over de Keyserlei loop, zie ik de gevels van lang verdwenen Duitse cafés en hotels. Grand Café Wagner naast de opera, dat was voor de oorlog een begrip in Antwerpen”.

–  Hoe zijn die Duitsers in Antwerpen beland? 

Vrints: “De haven natuurlijk. De meeste Antwerpse Duitsers kwamen uit Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts, het hinterland van de haven. Of uit Hamburg en Bremen, havensteden met veel trafiek van en naar Antwerpen. De eerste lichting is al halfweg de 19de eeuw neergestreken, toen Antwerpen na het opheffen van de Nederlandse haventol een enorme opleving kende. Het was een internationaal georiënteerd publiek. Reders, expediteurs, groothandelaars, maritieme actoren dus. Maar er waren ook bankiers en diamantairs, vaak joden uit Gallicië dat toen nog onder Oostenrijk-Hongarije viel. Geen Duitsers dus, maar ze spraken wel Duits en rekenden zich tot de Duitse gemeenschap. Het was een erg welvarende gemeenschap. Uitgesproken bourgeois, al kwamen er mettertijd ook wel expeditieklerken, cafébazen en andere vertegenwoordigers van de lagere middenklasse. Toch frappeert het verschil met Luik. Ook daar leefde een grote Duitse gemeenschap, maar die bestond haast uitsluitend uit arbeiders. In Antwerpen hebben de Duitsers veel meer hun stempel gedrukt, op de economie maar ook op het maatschappelijke en culturele leven. Muziek, theater,weeshuizen, zelfs de dierentuin heeft zijn voordeel gedaan met Duits mecenaat. Stel je voor, de Duitse concertvereniging heeft meermaals Frans Liszt naar Antwerpen gehaald, een evenement waarvoor de hele beau monde uitliep. Dat alles wil niet zeggen dat ze zich lieten assimileren. Integendeel, de gemeenschap was heel erg op zichzelf gericht. Er waren wel vijftig Duitse verenigingen, waaronder een Duitse school en twee protestantse kerken. Voor de katholieken waren er Duitse erediensten, voor de joden een Duitse synagoge, er was zelfs een Duitse loge. Trouwen deze ze bij voorkeur binnen de eigen gemeenschap, wat uiteraard ook met taal en religie te maken had”.

–  Op 4 augustus 1914 valt het Duitse leger België binnen. Hoe reageerde de Duitse gemeenschap in Antwerpen?

Vrints: “De oorlog had een verscheurend effect, de Duitsers moesten kiezen tussen hun oude en hun nieuwe vaderland. Een minderheid bleef loyaal aan België, veelal Duitsers die al sinds verschillende generaties in Antwerpen woonden. De grote meerderheid echter schaarde zich resoluut achter de bezetter. Nagenoeg alle Duitsers zijn op 4 augustus hals over kop naar Nederland gevlucht. Ze hadden ook geen  keuze, de Belgische regering had hen verplicht het land onmiddellijk te verlaten. De schok moet enorm geweest zijn, van de ene dag op de andere veranderden ze van goed ingeburgerde stadsbewoners in vijandige vreemdelingen. Dat liet de bevolking hen ook voelen. Bovenop de verontwaardiging over de inval en de berichten over Duitse wreedheden, leefde een gevoel van verraad. De Duitsers hadden de gastvrijheid van de Antwerpenaars bedrogen!  De vluchtelingen moesten spitsroeden lopen, ze werden door de straat op gejoel en anti-Duitse leuzen onthaald. Doden zijn er niet gevallen, maar ramen van Duitse eigenaars werden ingegooid, er in Duitse cafés werd de inboedel kort en klein geslagen. In de Duitse pers verschenen verontwaarde berichten over ‘das  wilde Antwerpen’. Propaganda natuurlijk, ze probeerden de internationale aandacht voor Duitse wreedheden in België te counteren. Het was allemaal niet fraai, maar het Belgische uitwijzingsbevel viel wel te begrijpen. De Duitse gemeenschap werd als een vijfde colonne beschouwd, een onaanvaardbare risico voor Antwerpen dat tijdens de Duitse opmars de hoofdstad van België vormde. Koning Albert resideerde in het paleis op de Meir, zijn ministers verbleven in hotels en gebouwen in de buurt. Ze waanden zich veilig. Antwerpen lag beschut achter twee fortengordels, met ertussen nog twee verdedigingslinies met waterlopen en andere natuurlijke hindernissen. Na de val van Brussel op 20 augustus had Albert het hele veldleger in en rond Antwerpen teruggetrokken. De Antwerpse vesting _  men sprak ook van le réduit nationale _  gold destijds als het sterkste bolwerk ter wereld. Volstrekt onneembaar, maakten de Belgen zichzelf wijs”.

–  Het tegendeel bleek waar. Op 10 oktober, na een beleg van zes weken, heeft Antwerpen zich overgegeven. Even zag het er nochtans naar uit dat er geen beleg zou komen…

Vrints: “Inderdaad, de Duitsers beschouwden het Belgisch leger als verslagen, ze waren niet van plan Antwerpen aan te vallen. Zo snel mogelijk oprukken naar de Franse grens, was het plan, het lot van Antwerpen zou wel geregeld worden nadat Parijs zich had overgegeven. Die strategie werd verlaten toen het Belgisch leger eind augustus en begin september vanuit Antwerpen enkele uitvallen waagde, acties die een bedreiging vormden voor de Duitse aanvoer naar het westelijk front. Daarop heeft het Duitse opperbevel generaal von Besseler opdracht gegeven de Antwerpse vesting uit te schakelen. Met zwaar geschut, Von Besseler had kanonnen die projectielen van 42 centimeter afvuurden, de fameuze Dikke Bertha’s van Krupp. Daarnaast kon hij ook Skoda-houwitsers van 30 centimeter in stelling brengen. Tegen die vuurkracht waren de Antwerpse forten niet bestand”.

–  Hoe was de sfeer tijdens het beleg ?

Vrints: “Toenemende paniek, vooral toen de stad zelf werd beschoten. Even flakkerde de hoop op toen de Engelsen met een paar duizend soldaten arriveerden. Algauw bleek echter dat de Duitse overmacht te groot was. De koning en de regering hebben Antwerpen begin oktober verlaten en het leger opdracht gegeven zich in veiligheid te brengen om de strijd aan de Ijzer voort te zetten. De meeste troepen zijn via een geïmproviseerd ponton, een noodbrug over de Schelde gevormd met opgeëiste binnenschepen, kunnen ontkomen. De laatste dagen moet het een pandemonium zijn geweest. Terwijl de beschieting steeds heviger werd, kwam een massale exodus van de burgerbevolking op de gang. Over de Schelde naar Nederland, alles wat kon drijven, werd ingeschakeld. De grote massa ging echter te voet, de baan over Kapellen naar Roosendaal moet zwart van het volk hebben gezien. Na de overgave zijn de meesten teruggekeerd, de Duitsers hadden trouwens garanties gegeven voor hun veiligheid. Toch waren de Antwerpenaars erg goed vertegenwoordigd in de kolonies van ballingen die tijdens de oorlog in Nederland, Engeland en Frankrijk ontstonden”.

–  Heeft de stad zwaar geleden onder het beleg?

Vrints: “Niet als je het vergelijkt met de ravage die tijdens de Tweede Wereldoorlog werd aangericht. Uiteraard was er schade, het begon trouwens met een zeppelinbombardement waarbij een tiental doden is gevallen. De Duitsers waren er echter niet op uit Antwerpen in de as te leggen, het was er hen om te doen de forten uit te schakelen en de militaire bedreiging te neutraliseren. Bij de beschieting werd op de stadsrand gemikt, om terreur te zaaien en de stad tot overgave te dwingen. Niet dat er altijd accuraat werd gemikt. Vooral de buurt rond de Schoenmarkt werd zwaar getroffen, die hebben ze na de oorlog helemaal heropgebouwd. De Boerentoren, een uniek staaltje van modernisme in het stadscentrum, heeft Antwerpen aan de Grote Oorlog  te danken”.

–  Hoe is het de gevluchte Duitsers tijdens de bezetting vergaan?

Vrints: “Een groot aantal is teruggekeerd. Hun huizen en bezittingen waren geplunderd, maar de bezetter deed er alles aan om de Duitse gemeenschap weer op te bouwen. Ze kregen financiële en materiële steun, Duitse verenigingen werden heropgericht, en de Deutsche Schule ging weer open. De Duitsers beschouwden Antwerpen met zijn haven als een topprioriteit. De verankering van een eigen kolonie moest de Duitse belangen vrijwaren wanneer na de oorlog over het lot van Antwerpen werd beschikt, wat natuurlijk samenhing met de toekomst van België. Daarover werd in Berlijn hevig gediscussieerd. De meest radicale stemmen pleitten ervoor Vlaanderen met Antwerpen in te lijven, anderen braken een lans voor het opbreken van België waarna Vlaanderen als een soort Duitse vazalstaat zou fungeren”

–  In die strategie paste ook de Flamenpolitik, het instrumentaliseren van de Vlaamse beweging. Door het inwilligen van aloude Vlaamse eisen in het verschiet te stellen, hoopten de Duitsers de Belgische eenheid en het verzet tegen de bezetting te ondermijnen. Een deel van de Vlaamse beweging, de zogenaamde activisten, aanvaardde de uitgestoken hand. Hoe sterk leefde het activisme in Antwerpen, de stad die toch wel als de wieg van het Vlaams nationalisme wordt beschouwd?

Vrints:: “Minder dan algemeen wordt gedacht. In Gent traden de activisten veel prominenter op de voorgrond, daar had je onder meer een belangrijke kern van de pangermanistische beweging Jong-Vlaanderen. Gent was dan ook sterker verfranst, bovendien speelde de kwestie van de vernederlandsing van de universiteit. De Vlaamse beweging ageerde er vanuit een defensieve reflex, en precies daar zit het verschil. Van alle Vlaamse steden was Antwerpen in 1914 de meest vervlaamste, het publieke leven verliep er grotendeels in het Nederlands. Natuurlijk waren de flaminganten ook in Antwerpen verdeeld tussen loyalisten en activisten. August Borms was veruit de belangrijkste activist, maar zijn invloed mag niet worden overschat. Borms, toen nog leraar aan het Koninklijk Atheneum, had al zijn sporen verdiend binnen de Vlaamse beweging, maar hij was nog lang niet de beroemdheid die hij na de Bormsverkiezing in 1928 zou worden. Ook de piepjonge en alleen locaal bekende Paul van Ostaijen was een activist, van het meest fanatieke soort zelfs. Hij verspreidde anti-Belgische schotschriften en schopte keet tijdens het bezoek van Kardinaal Mercier. Radicale groupuscules zoals Jong-Vlaanderen waren in Antwerpen echter gedoemd tot een marginaal bestaan. Ze lagen overhoop met meerderheid van gematigde activisten, en ook de bezetter, goed beseffend dat radicale ideeën geen steun vonden bij de bevolking, was hen liever kwijt dan rijk”.

–  Welke rol speelde de Duitse gemeenschap in de Antwerpse Flamenpolitik?

Vrints: “Ook die werd door de bezetter geïnstrumentaliseerd. De goed ingeburgerde gemeenschap werd als een bruggenhoofd beschouwd om banden met flamingantische milieus te smeden. De Duitse gemeenschap telde voor de oorlog twee leidersfiguren.  Wilhelm von Mallinckrodt en Albert von Bary waren steenrijke havenbaronnen die tot de top van het Antwerpse establishment behoorden, maar dat heeft hen niet belet in augustus 1914 resoluut het kamp van de bezetter te kiezen. Vooral von Bary was ervan overtuigd dat Antwerpen na de oorlog koste wat het kost binnen Duitse invloedssfeer moest blijven. Hij was nauw betrokken bij de Flamenpolitik, en pleitte zelfs voor samenwerking met de pangermanistische vleugel van het activisme. Ironisch genoeg had hij zelfs nauwelijks contacten met Flaminganten. Von Bary stond voor de oorlog bekend als een echte francofiel die de Vlaamse taal minachtte en geen greintje sympathie koesterde voor de Vlaamse beweging. Hij was niet de enige, de meeste Duitsers waren bourgeois die wel Frans en desnoods ook Engels spraken, maar hun neus ophaalden voor het Nederlands. Om die reden werd de Duitse gemeenschap door de Vlaamse beweging gewantrouwd. Geen ideaal bruggenhoofd dus, en de waarheid is dat de bezetter steeds meer gefrustreerd raakte. Als het in de hoofdstad van het Vlaams nationalisme al niet lukte om een meerderheid van de flaminganten achter zich te scharen, waar zou het dan wel lukken? Want zo was het: de activisten werden in Antwerpen totaal overvleugeld door de loyaal-flamingantische strekking. Dat was mede te danken aan enkele toonaangevende figuren. Denk aan Louis Franck, de flamingantische liberaal die tijdens de bezetting de facto de rol van oorlogsburgemeester opnam, zonder in activistisch vaarwater te komen. Nog invloedrijker was de katholieke leider Frans Van Cauwelaert, die vanuit zijn Nederlandse ballingoord pamfletten schreef waarin hij radicaal Vlaamse eisen poneerde, maar tegelijkertijd scherp afstand nam van de activisten. Van Cauwelaert keerde zich tegen hun voorhoedementaliteit  en benadrukte dat de Vlaamse beweging zich vooral niet van het volk mocht vervreemden. Dat heeft veel indruk gemaakt”.

–  Zou het kunnen dat de modale Antwerpenaar andere problemen aan zijn hoofd had, zoals honger en armoede?

Vrints: “Jazeker, zowat de helft van de bevolking was afhankelijk van voedselhulp. Het Nationaal Comiteit voor Hulp en Voeding verstrekte 1.000 kilocalorieën per persoon per dag, teveel om te sterven maar te weinig om van te leven. Alle manieren waren goed om het menu aan te vullen. De Antwerpenaars timmerden massaal konijnenhokken, en wie het ook maar enigszins kon, hield thuis een varken voor de slacht.  De banden met de familie op de boerenbuiten werden aangehaald, de hele relatie stad-platteland kreeg trouwens een bijzondere lading. Boeren werden in de stad gehaat, omdat ze ervan verdacht werden hun voedselmonopolie te exploiteren en woekerprijzen te hanteren. Er zijn meermaals voedselrellen uitgebroken, op een keer werden op de markt de karren van de boeren geplunderd en vernield. Gevolg: de boeren weigerden nog naar de markt te komen, waardoor het voedsel via tussenhandelaren op de zwarte markt belandde, tegen nog hogere prijzen. Er was trouwens veel te doen over speculanten, lui die voedsel opkochten en aan de elite verkochten, als het al niet aan de Duitsers was. Sommige van die speculanten werden na de oorlog erg zwaar gestraft, ze werden veel meer gehaat dan de activisten”.

–  Hoe is het de Antwerpse Duitsers na de Wapenstilstand vergaan?

Vrints: “Ze zijn haast allemaal vertrokken toen het Duitse leger zich terugplooide. Het is dus niet tot represailles gekomen, wat niet wegneemt dat de anti-Duitse sentimenten hoog opliepen. In 1920, dik twee jaar na de oorlog, trok nog een massa door de stad om te protesteren tegen de mogelijke terugkeer van de Duitsers. Georganiseerd door het stadsbestuur, met medewerking van de Kamer van Koophandel, een instantie nota bene die voor de oorlog voor een derde uit Duitsers bestond.  En heel opvallend: er liepen ook loyale Duitsers mee, die tijdens de oorlog voor België hadden gekozen. Na de oorlog werden ook enkele straatnamen aangepast. Albert von Bary had al bij leven en welzijn een straat gekregen, wat wijst op de uitzonderlijke rol die hij voor 1914 in Antwerpen speelde. Welnu, we kennen die straat als de Jan Blockstraat. Ook de Saxenstraat  en de Coburgstraat klonken de Antwerpenaren te Duits in de oren, die veranderden in de Dendermonde- en de Ieperstraat, als eerbetoon aan twee martelarensteden uit de oorlog.  Koning Albert moest je niet vertellen hoe gevoelig dat lag. Tijdens de oorlog heeft de vorst zijn naam laten aanpassen. Albert van België, dat klonk ineens beter dan Albert van Saksen-Coburg”.

Filip Dewinter zendt zijn dochters uit

uitgebreide versie van interview met Veroniek Dewinter dat op 4/12/2013 in Knack verscheen

“Moslima’s waren welkom op verjaardagsfeestjes, maar wel onder voorwaarden. Hoofddoeken af, varkensvlees eten en mee zwemmen met meisjes en jongens in ons zwembad”.

Dewinter en dochters, de familie von Trapp van extreemrechts in Vlaanderen

Dewinter en dochters, de familie von Trapp van extreemrechts in Vlaanderen

Extreemrechts in Vlaanderen heeft eindelijk zijn familie Von Trapp. Ze woont in Ekeren-Antwerpen, en staat bij de burgerlijke stand als de familie Dewinter bekend. Vader Filip, sinds mensenheugenis boegbeeld van Vlaams Belang, heeft zijn drie dochters uitgezonden. Karolien Dewinter (24) houdt een zitje warm in de districtsraad van Merksem en figureert volgend jaar op de Europese lijst. Tweede dochter An-Sofie (21) prijkte vorig jaar in een boerkini op een provocerende anti-islamaffiche. En volgend jaar maakt ook de jongste dochter haar electorale debuut. De 19-jarige Veroniek Dewinter zal de stuntlijst versterken waarmee het Vlaams Belang op 25 mei in Henegouwen, aan gene kant van de taalgrens, wil uitpakken. We mochten de piepjonge politica thuis aan de tand voelen, onder het waakzame oog van papa Dewinter die voor de gelegenheid de rol van perswoordvoerder speelt. Wie kandidaat volksvertegenwoordiger Veroniek Dewinter wil spreken, moet vooralsnog langs hem passeren.

–  Spreekt u wel Frans? Want dat mag je wel verwachten van een kandidaat die in Wallonië campagne gaat voeren..

Veroniek Dewinter: “Ik trek mijn plan. Vloeiend is het niet, alleszins onvoldoende om een echt gesprek of debat aan te gaan. Maar de campagne is nog niet begonnen, en intussen leer ik bij. Ik studeer communicatiewetenschappen aan de Artesis-Plantijn Hogeschool, en Frans is een van mijn vakken“.

Filip Dewinter: “Mag ik even tussenkomen? Het klopt niet dat Veroniek de lijst gaat trekken, zoals ik in verschillende kranten las. Ze zal wellicht duwen, als lijsttrekker zoeken we een perfect tweetalig kandidaat”.

–   Okay, maar als dochter van wordt u wel de blikvanger. Hoe goed kent u uw kieskring?

Veroniek Dewinter:  “Euh..ik ben nog nooit in Henegouwen geweest. Maar dat zal wel gauw veranderen als de campagne begint”.

 Geef nu maar toe: dit is niet meer dan een stunt, een rondje Walen provoceren om media-aandacht te trekken en de eigen achterban te plezieren…

Veroniek Dewinter: “Ja, maar toch is het ons menens. We willen de Walen ervan overtuigen dat ze beter af zijn zonder de PS en zonder Di Rupo.  Daarom kiezen we voor Henegouwen, we gaan letterlijk in de achtertuin van Di Rupo campagne voeren. We gaan dus niet doen zoals Bart De Wever, die Di Rupo gebruikt om zich te profileren zonder hem echt pijn te doen. We willen campagne voeren op precies dezelfde manier als in Vlaanderen, we gaan folders uitdelen en met de mensen praten”.

Jullie willen in Henegouwen ook de affiche gebruiken met de vliegenmepper om Di Rupo symbolisch te pletten. Une tapette, zoals dat in het Frans heet, is toevallig ook een scheldwoord voor homo. Vindt u dat zelf niet wat ranzig?

Veroniek Dewinter: “Nee, ik vind dat eerder humoristisch. We gaan die vliegenmeppers ginder uitdelen”.

Filip Dewinter: “Op mijn communiezieltje: dat tapette een scheldwoord voor homo’s was, hebben we pas achteraf in De Morgen gelezen. We wisten het echt niet”.

 Vlaams Belang wekt in Wallonië vooral monumentale aversie op. Komen jullie in Henegouwen desalniettemin onder de eigen naam op?

Veroniek Dewinter: “Die knoop is nog niet doorgehakt, de kans bestaat dat we voor BOP kiezen.  ‘Balayons les Ordures Politiques’, het boekje van vader dat in het Frans werd vertaald en dat we tijdens de campagne zullen verspreiden”.

Niet bang voor vijandige reacties?

Veroniek Dewinter: “Nee, ik ben wel wat gewoon. Als ik met ons vader folders ging uitdelen, incasseerde ik ook vaak negatieve reacties”.

– Hoe was het om op te groeien als dochter van een bekend en door velen verfoeid politicus?

Veroniek Dewinter: “Ik werd voortdurend op mijn familienaam aangesproken. Vader was al bekend toen ik nog niet geboren was, ik heb er dus van kindsbeen af mee leren omgaan. Op school wist iedereen wie ik was. In het middelbaar waren er wel eens leerkrachten die een link legden tussen Vlaams Belang en racisme. Ik hield me dan gedeisd, dacht bij mezelf dat ik wel beter wist. Na de les kwam die leerkracht me verzekeren dat ik het vooral niet persoonlijk moest nemen. Niet dat het altijd zo gemakkelijk was. Mijn oudste zus is van school moeten veranderen omdat ze gepest werd, en niet alleen door de leerlingen. Mijn andere zus heeft bij het solliciteren al twee keer naast een vacature gegrepen omdat ze de dochter is van”.

–  Politiek is een ruwe stiel. Bagger spuiten, met bagger besmeurd worden, nergens kennen ze het beter dan bij het Vlaams Belang. Ook intern kan het er ruig aan toe gaan. De voorbije jaren heeft uw vader goede vrienden zien overlopen naar N-VA, om nog te zwijgen van de pijnlijke episode met wijlen Marie-Rose Morel en Frank Vanhecke in de hoofdrollen. Waarom kiest een jong meisje voor zo’n milieu?

Veroniek Dewinter: “Er is inderdaad veel gebeurd binnen de partij, maar dat illustreert alleen maar de nood aan een nieuwe generatie. Tegenkanting hoort erbij, heb ik van vader geleerd. Hoe meer kritiek hij kreeg, hoe standvastiger hij zich opstelde. Ik vind dat een inspirerend voorbeeld. Overigens, je moet deze kandidatuur relativeren, ik ben in de eerste plaats student.  Maar politiek heb ik wel met de paplepel meegekregen, net als mijn zussen. We zijn ook alle drie bij de Vlaams Belang Jongeren actief”.

In 2004 werd het Vlaams Blok als een racistische partij veroordeeld, een stigma dat ook aan opvolger Vlaams Belang kleeft. Bent u militant van een racistische partij?

Veroniek Dewinter: “Ik heb dat proces niet bewust meegemaakt, ik was toen tien jaar. Maar ik weet zeker dat mijn partij niet racistisch is. Vader heeft al in jaren negentig gewaarschuwd voor bepaalde fenomenen die mijn toekomst en de toekomst van mijn kinderen bedreigen. Ik kan alleen maar vaststellen dat veel van zijn voorspellingen zijn uitgekomen”.

–  Wat bedoelt u daarmee?

Veroniek Dewinter: “Iedereen kan toch zien dat de immigratie compleet is ontspoord? En ik vind het ook niet normaal dat ik word uitgescholden, als ik ’s avonds met vriendinnen op stap ga. Het is niet omdat ik als Vlaams meisje een rokje draag of een glas alcohol drink, dat ze mij voor hoer of slet mogen uitmaken”.

Spreekt u uit ervaring of is dit een cliché?

Veroniek Dewinter: “Uit ervaring! Vorige week nam ik met enkele vriendinnen de tram. Omdat we er per vergissing in station Opera waren uit gegaan, moesten we eendje eind lopen naar de Meir. Op dat korte stukje werden we tot vier keer toe uitgemaakt, wellicht omdat we wat schmink droegen. Door jonge Marokkanen, zoals meestal het geval is”.

–  Het Vlaams Belang profileert zich meer dan ooit als een anti-islampartij. Hoe gaat u zelf om met leeftijdsgenoten die toevallig moslim zijn?

Veroniek Dewinter: “Op school zitten heel wat moslims, ook meisjes met hoofddoeken. Ik heb er wel contact mee, maar niet in die mate dat we vrienden zijn”.

–  Stel dat u een groepswerk moet maken met een van die meisjes. Gaat u hen dan vertellen dat ze hun hoofddoek moeten afdoen, zoals uw partij eist?

Veroniek Dewinter: “Dat ook weer niet, groepswerk is groepswerk. Ik heb eigenlijk nooit een probleem met moslima’s  gehad. Vroeger werden ze hier op verjaardagsfeestjes uitgenodigd. Ze waren welkom, maar wel onder voorwaarden. Hoofddoeken af, varkensvlees eten en mee zwemmen met meisjes en jongens in ons zwembad”.

–  Jongeren die zich politiek engageren kiezen doorgaans voor een partij met succes en toekomst. Niet voor Het Vlaams Belang dus, een partij die de voorbije jaren vooral kiezers en mandatarissen verloor.  Nooit getwijfeld om als jonge, Vlaams nationalist voor de N-VA te kiezen, een partij die intussen drie keer zo groot is als Vlaams Belang en die niet gevangen zit in een cordon sanitaire?

Veroniek Dewinter: “Kandidaat voor de N-VA? Ondenkbaar, dat zou als verraad worden beschouwd. Ten andere, als dochter deel is sowieso de ideeën van vader. Het is wel bitter dat de N-VA nu succes oogst met ideeën die ze van ons hebben gepikt. Toch geloof ik in onze toekomst. Het is niet de bedoeling de grootste te worden. Het Belang is een zweeppartij die andere partijen aanjaagt, een rol die ons op het lijf is geschreven”.

Misschien wat voorbarig en buiten proportie: maar mogen we een parallel trekken met de dynastieke opvolging bij het Franse Front National? Marine Le Pen is een gematigder versie van haar vader Jean-Marie. Wordt u straks een zachtere kopie van Filip Dewinter?

Veroniek Dewinter:  “Vrouwelijker misschien, maar softer? Nee hoor, ik ben een echte Dewinter, net als mijn zussen. Rechtlijnigheid zit ons in de genen”.

Wat is er geworden van het Belgische Front National? Gaat die jullie straks in Henegouwen beconcurreren op de extreemrechtse flank?

Filip Dewinter: “Belgische Front National? Dat zootje ongeregeld bestaat niet meer, het Franse FN heeft het gebruik van die naam via de rechtbank laten verbieden. Overigens, wist u dat het FN van Marine Le Pen in Wallonië in de peilingen een potentieel van 8 procent heeft, terwijl die partij hier officieel niet bestaat? En off the record, het is niet uitgesloten dat Marine Le Pen onze Henegouwse lijst zal steunen, met een oproep om voor Balayons les Ordures Politiques te stemmen”.