Tagarchief: belfort

De queeste naar de Begijnhofvlaming

Franse vertaling verschenen in Wilfried N°12 (zomer 2020): “La vie insulaire des béguinages”

Patrick Dewael: “Begijnhoven vormen de rode draad in mijn leven”

Groot Begijnhof Gent. Toegangspoort. (Foto: Tim Dirven)

Bestaat er buiten de Ijzertoren iets dat Vlaanderen meer typeert dan het begijnhof? Katholieke vroomheid gedrenkt in mystiek, Georges Rodenbach mocht er graag in zwelgen. Bruges-la-Morte had even goed Lierre-la-Morte, Termonde-la-Morte of Tongres-la-Morte kunnen heten. 26 van de meer dan 40 begijnhoven bleven bewaard, de helft met Unesco-werelderfgoed-status. Ascese hoeft er niet meer zo nodig, maar hun sociale rol is niet helemaal uitgespeeld. Begijnhoven zijn progressieve, spirituele eilandjes in een seculier, rechts stemmend Vlaanderen. Voor het Franstalige blad Wilfried trok ik op verkenning en deed een verrassende ontdekking. “De oorsprong van de begijnhoven ligt in Wallonië”.

Nee, Jacques Brel dacht niet aan Lier toen hij zijn Vlaamse klassiekers schreef. Het had nochtans perfect gekund. De Mariekes zijn er even mooi als in Brugge of Gent, en er is geen gebrek aan middeleeuwse torens, noirs comme mâts de cocagnes. In feite zijn alle ingrediënten van Brels haat-liefde-verhouding met Vlaanderen in deze Antwerpse provinciestad voorradig. De kronkelende steegjes, de huizen met trapgevels, de westenwind die lage wolken voortjaagt, een spektakel dat zich weerspiegelt in de wateren van de Grote en de Kleine Nete die in Lier samenvloeien. Maar ook het Vlaanderen van pastoors en kwezels, een realiteit die Brels bijtende spotlust uitlokte, heeft zijn stempel gedrukt. Nergens valt dat beter vast te stellen dan in de Lierse Begijnhofstraat.

Vaut le détour, zou de Guide Michelin over het Sint-Margharetabegijnhof zeggen. Een uitputtende beschrijving geven is onbegonnen werk, daarvoor werd de fotografie uitgevonden. De lezer mag zich een verkeersvrije doolhof van twee hectaren voorstellen, met kasseisteegjes en huizen van wisselend formaat, in renaissance- of barokstijl. Centraal ligt de Sint-Margarethakerk, volgens kenners een parel van Vlaamse barok met rococo-elementen.  Haast alle 156 woningen afficheren een gewijde naam, van Sint-Adrianus over Sint-Appolonia en Onze-Lieve-Vrouw van Visitatie tot De 3 Coninge. Het patrimonium dateert overwegend uit de 17de en 18de eeuw, maar de gemeenschap van godsvruchtige vrouwen werd al in 1256 gesticht. In vruchtbare bodem, want een eeuw later woonden hier al ruim 300 begijnen.

Religie is behalve een sociologisch fenomeen vooral een stedenbouwkundige factor van belang. Zeker in Vlaanderen waar het Roomse geloof complete stadswijken uit de grond deed rijzen. Het blijkt namelijk geen toeval dat in deze straat ook nog eens twee godshuizen liggen. ‘Die waren complementair met het begijnhof’, vertelt stadsgids en begijnhofbewoner Eddy Klynen. ‘Ze werden door vrome mecenassen gesticht om de armen van de stad op te vangen. De huisjes waren zo klein dat het OCMW ze later heeft samengevoegd om er leefbare appartementen van te maken. Daarin schuilt het contrast met het eigenlijke begijnhof. Kijk naar deze huizen: om zo’n kasten te bouwen moest je in de 17de eeuw schatrijk zijn. Pas op, niet alle begijnen zaten er warmpjes in. In feite was het begijnhof een standenmaatschappij waar arme begijnen de was en plas deden voor rijke begijnen. Die laatsten woonden in een echt huis, de anderen moesten vaak genoegen nemen met een chambrette in een convent dat ze met tientallen begijnen deelden. Doorgaans echter waren begijnen vermogende vrouwen die een aanzienlijke bruidsschat meebrachten als ze intraden’.

Lambert Le Bège

Bestaat er iets dat Vlaanderen meer typeert dan een begijnhof? Jazeker, kathedralen en belforten horen bij het cliché. Kathedralen vind je echter in heel Europa, terwijl belforten ook in Wallonië en Noord-Frankrijk vertrouwde fenomenen zijn. Begijnhoven daarentegen lijken even exclusief Vlaams als de Ijzertoren. In 1998 heeft de Unesco in een klap 13 Vlaamse begijnhoven bijgeschreven op de lijst van werelderfgoed. Deze heugelijke gebeurtenis, het product van jarenlang lobbyen, werd in 2018 met een tentoonstelling en champagne herdacht. Niks beters voor de citymarketing dan een Unesco-stempel, dat is algemeen bekend. Brugge, Dendermonde, Diest, Gent, Hoogstraten, Kortrijk, Leuven, Lier, Mechelen, Sint-Amandsberg, Sint-Truiden, Tongeren, Turnhout, in de communicatie door Toerisme Vlaanderen wordt de alfabetische volgorde strikt gerespecteerd. Het zal de geografisch beslagen waarnemer niet ontgaan dat alle Vlaamse provincies werden bediend. Geen wonder, want twintig jaar geleden speelden de provincies bij dit soort lobbywerk nog een prominente rol.

Georges Rodenbach was erdoor gefascineerd: het Brugse begijnhof leverde inspiratie voor Bruges-La-Morte en voor Musée de béguines. De vlijtige, godsvruchtige vrouwen met hun witte kappen bepaalden zijn beeld van Vlaanderen, gehuld in dichte nevelen van mystiek en nostalgie naar een verzonnen, middeleeuws verleden. Maar begijnen typisch Vlaams? Cor Vanistendael van Erfgoedcel Noorderkempen in Turnhout ziet zich verplicht om voorbehoud te maken. ‘In feite ligt de oorsprong in Wallonië’, komt hij verrassend uit de hoek. ‘Luik was de  bakermat van de begijnenbeweging in onze contreien’.  Geen loze bewering zullen we nadien middels enkele muisklikken constateren. Lambert Le Bège (1131-1177), wiens beeld de gevel van het prins-bisschoppelijk paleis in de Vurige Stede siert, wordt als de spirituele vader van de begijnen beschouwd. Vrouwelijke volgelingen van deze charismatische kerkhervormer zouden al eind van de 12de eeuw een proto-begijnengemeenschap hebben gesticht. Ook in Ognies en Nijvel ontstonden al heel vroeg begijnhoven. ‘Het is onzin om met een communautaire bril naar dit fenomeen te kijken’, zegt Vanistendael die als expert meewerkte aan de tentoonstelling over de Unesco-herkenning. ‘Begijnen zijn het product van een religieus-spirituele vernieuwingsgolf die in de 13de en 14de eeuw heel West- en Zuid-Europa overspoelde. Het is de periode van de mystiek, met figuren zoals Hadewych en Hildegarde von Bingen. Overal leefde een sterk verlangen naar ascese, als reactie op de decadentie en praalzucht van de katholieke clerus. Niet uitzonderlijk in de geschiedenis van de Kerk, het is dezelfde breuklijn die later in de reformatie en contrareformatie zal uitmonden. In dat plaatje past dus de opkomst van de begijnenbeweging, al speelden er ook andere, sociologische factoren mee. Voedselcrisissen veroorzaakten een plattelandsvlucht waardoor steden uit hun voegen barstten. In die steden ontstond een groot vrouwenoverschot, ook al omdat veel mannen vertrokken om deel te nemen aan de kruistochten naar het Midden Oosten. Hoe moesten die vrouwen, vaak met een stel kinderen aan hun been, in zo’n omgeving overleven? Als een huwelijk geen optie was, restte alleen nog het klooster of de prostitutie. Het begijnhof bood een uitkomst voor dat dilemma, een solidaire gemeenschap van vrouwen zonder verstikkende kloosterregel”.

Begijnen legden geen geloften van eeuwige trouw, gehoorzaamheid of armoede af, maar leidden wel een spiritueel leven waarin gebed, contemplatie en handenarbeid centraal stonden. Tegelijkertijd stonden ze met beide voeten in de maatschappij. Begijnhoven waren immers zelfbedruipende ondernemingen die een waaier van activiteiten ontplooiden, vaak met een parochiaal-caritatieve inslag: zieken en melaatsen verzorgen, weeskinderen opvangen, hosties bakken en kaarsen produceren. Ze leefden heus niet alleen van de productie van kant, een thuisnijverheid die in feite pas in de 17 de eeuw ontstond. Begijnen brouwden ook bier, maakten kaas of deden de was voor de rijke burgerij, vandaar dat de meeste begijnhoven over een bleekweide beschikten. Mannen waren in hun gesloten gemeenschap niet welkom. Zelfs priesters, noodzakelijk om de mis te celebreren en de biecht af te nemen, werden hooguit gedoogd. De pastorie lag altijd aan de rand van het begijnhof, met een aparte ingang. Redenen genoeg voor feministen om begijnen als vroege rolmodellen te omhelzen. ‘Een typisch voorbeeld van culturele apropriatie’, zegt Vanistendael daarover ietwat smalend. ‘Begijnen kozen wel bewust voor een vrouwengemeenschap, maar ze waren zich helemaal niet bewust van moderne genderdiscussies’.

Besloten hof

Van Frankrijk over Duitsland tot Engeland, overal ontstonden begijnengemeenschappen, vaak niet groter dan één straat of zelfs maar een huis in de stad. Pas in de 14de eeuw ontstond in het Graafschap Vlaanderen het model van het besloten hof: huizen rond een binnenplein, rondom muren met toegangspoorten die ’s avonds op slot gingen zodat begijnhoven een stad binnen de stad vormden. Het 14de-eeuwse Graafschap Vlaanderen valt in deze context overigens niet te verwarren met de huidige Belgische deelstaat Vlaanderen. Onder de noemer pasten behalve West- en Oost-Vlaanderen gebieden in Noord-Frankrijk en de huidige Nederlandse provincie Zeeland.  Brabant, Antwerpen en Limburg hoorden er niet bij.  Het ‘besloten hof-model’ maakte echter school, ook buiten het Graafschap. In Amsterdam en Breda vallen nog altijd goed bewaarde pleinbegijnhoven te bewonderen. Het groot begijnhof van Parijs werd helaas in de 18de eeuw afgebroken, en van het eens zo bloeiende Brusselse begijnhof rest alleen nog de prachtige barokkerk, bekend van talloze acties ten faveure van sans-papiers. ‘Ook in Wallonië werd alles afgebroken’, zegt Vaninstendael. ‘Alleen Doornik heeft nog een volledig begijnhof’.

Afbraak was nooit een optie in Tongeren. Maar in de vroege jaren zestig van de vorige eeuw, toen Kamervoorzitter Patrick Dewael (Open VLD) er nog in korte broek rondliep, lag het begijnhof er vervallen bij. De muren met de toegangspoort waren al lang verdwenen, de laatste begijn had er in de vroege 19de eeuw, kort na de Franse periode,  het licht uitgedaan. Zoals in verschillende Vlaamse steden zou het begijnhof langzamerhand opgaan in het stadsweefsel. De infirmerie, waar de begijnen ooit melaatsen en pestlijders verzorgden, werd een stedelijk weeshuis. Kapellen en conventen werden als school of armenhuis gerecycleerd, grotere panden door gegoede burgers opgekocht, terwijl in de kleine huisjes arbeiders en ambachtslieden hun intrek namen. Het Tongerense begijnhof, waarvan de eerste sporen naar de vroege 13de eeuw leiden, gold als een van de oudste van Vlaanderen. Helaas, besef van historisch erfgoed was in de 19de eeuw nauwelijks ontwikkeld. In 1834 werd de bleekweide opgeofferd voor de bouw van een slachthuis, een zware ingreep waarvan Patrick Dewael meer dan een eeuw later de gevolgen zintuigelijk kon waarnemen. ‘Het stonk hier vaak in mijn kindertijd’, zegt hij. ‘Het slachthuis loosde al zijn afval in de Jeker, kun je nagaan welk effect dat bij warm weer sorteerde.  Op de duur hebben ze de rivier overwelfd om de stank te beperken’.

Ook het slachthuis is intussen alweer geschiedenis, in de plaats is een jeugdherberg gekomen. En Patrick Dewael, die is zijn korte broek goed en wel ontgroeid. Er zijn weinig topfuncties die hij als politicus niet heeft vervuld, van Vlaams minister-president tot federaal vicepremier en meervoudig Kamervoorzitter. Daarnaast is Dewael een van de langst zetelende burgemeesters van Vlaanderen. De nieuwe decumul-regels van de Kamer noopten hem tijdens zijn vijfde termijn tijdelijk een stap opzij te zetten, sinds 1 juli draagt Ann Christiaens van coalitiepartner CD&V als plaatsvervanger de sjerp. Het belet de verkozen burgemeester niet om trots te zijn op een recente verwezenlijking van zijn stadsbestuur: de Jeker werd weer opengelegd en fungeert met zijn groene jaagpad als een magneet voor fietsers en wandelaars. Je zou het de kroon op een werk van lange adem kunnen noemen, of een feestelijke strik rond het begijnhof dat de voorbije dertig jaar een opvallend reveil kende. Dewael blikt er graag op terug in De Infirmerie, intussen een prachtige horecazaak aan de oever van de Jeker. Eigendom van de stad maar succesvol uitgebaat door een concessiehouder, zo mag een liberaal het graag zien. Ook in zijn relaas van de wederopstanding van het begijnhof sluipt een ideologische boventoon. De overheid beperkt zich best tot het scheppen van het kader waarbinnen de vrije markt en het privé-initiatief kunnen floreren, ziedaar de moraal van zijn verhaal. Dat de Unesco-erkenning een boost gaf aan het herstel, wil hij relativeren. ‘Die titel van werelderfgoed is natuurlijk een troef’, geeft hij toe. ‘Goed voor het stadsimago en belangrijk voor het toerisme. Maar daarmee haal je geen verloederde stadswijk uit het slop. Wat echt het verschil heeft gemaakt, dat was de versoepeling van de stedenbouwkundige regels via een aangepast BPA (Bijzonder Plan van Aanleg). Ziet u, ook zonder de Unesco viel het begijnhof al onder de Vlaamse wetgeving op beschermde monumenten en stadsgezichten. Goed bedoeld en noodzakelijk, maar die bescherming had een verlammend effect. Heel wat jongen mensen wilden graag in het begijnhof wonen, maar dan wel op voorwaarde dat ze hun huis konden verbouwen en uitrusten met modern comfort. Dat was het probleem met de vroegere regeling. Een badkamer of een centrale verwarming installeren, een binnenmuur slopen om van twee benepen kamers een mooie living te maken, het was allemaal verboden. Met ons BPA hebben we die regels versoepeld, en daarmee is de opwaartse spiraal beginnen draaien. Nu is het begijnhof een van de populairste woonwijken van Tongeren’. Natuurlijk spreekt hier de politicus die geen kans onbenut laat om een positieve balans van zijn beleid op te maken. Toch geloven we Dewael op zijn woord als hij beweert dat hij een emotionele band met het begijnhof heeft. ‘Dat zit in de familie’, zegt hij. ‘Mijn vader is van Diest, mijn moeder van Lier waar ik geboren ben. Twee steden met prachtige begijnhoven, net zoals Tongeren. Begijnhoven zijn zowat de rode draad in mijn leven’.

Over begijnhoven werden al bibliotheken vol geschreven. Toch bespeurt erfgoedspecialist Vanistendael een  hiaat: de moderne periode en de hedendaagse rol vallen haast altijd buiten het blikveld van de onderzoekers. ‘Begijnhoven zijn gedurende vier eeuwen relevant geweest voor de Lage Landen, met afwisselende periodes van bloei en verval’. zegt hij. ‘Eind van de 18de eeuw waren ze echter op sterven na dood. De Franse revolutie heeft de genadeslag gegeven. Begijnen mochten niet meer in habijt rondlopen, hun gebouwen werden onder toezicht geplaatst van de gemeentelijke Commissions des Hospices civiles, zeg maar de voorloper van onze OCMW’s. Na de Franse periode heeft de Kerk geprobeerd de begijnhoven terug te krijgen, maar met beperkt succes. De meeste begijnhoven zijn nog altijd in handen van OCMW’s. Je zou dat een vorm van continuïteit kunnen noemen. Net als de begijnengemeenschappen hebben de OCMW’s een sociale en caritatieve functie’. 

Grootjuffrouw

Het Elisabethbegijnhof van Sint-Amandsberg, beter bekend als het Groot Begijnhof van Gent, is in menig opzicht bijzonder. Het voorziet al sinds het interbellum in sociale huisvesting, ook al heeft het OCMW er niks te vertellen. Dit begijnhof, veruit het grootste en jongste van Vlaanderen, wordt door een vzw beheerd waarin behalve leken enkele vertegenwoordigers van het bisdom en religieuzen van de orde der Dominicanen zitten. De oprichting in 1872 was een politieke kwestie. Het toenmalige stadsbestuur, van liberale, antiklerikale signatuur, voerde een waar pestbeleid tegen de begijnen die al sinds de 13de eeuw in Gent waren gevestigd. Stadsvernieuwing was het wapen waarmee hen het leven zuur werd gemaakt. Muren moesten onverwijld worden gesloopt, de bleekweide moest plaats maken voor een nieuwe straat. De redding kwam van een aristocratische mecenas. De hertog van Arenberg schonk in Sint-Amandsberg, toen nog een landelijke randgemeente, een terrein van 7 hectaren om de met dakloosheid bedreigde begijnen uit de nood te helpen. Onder hoge tijdsdruk togen twaalf verschillende aannemers aan het werk. In minder dan twee jaar tijd ontstond zo een ommuurde site met 14 conventen, 80 huizen, een kerk en een infirmerie, allemaal in dezelfde strakke, neogotische stijl. In 1874 konden de 700 bewoners van het oude begijnhof er in hun intrek nemen, wat meteen verklaart waarom Gent thans twee begijnhoven met werelderfgoed-status telt. De bouw viel niet toevallig in een kortstondige periode van katholiek reveil. Vooral de Maria-devotie laaide in Vlaanderen hoog op, een rechtstreeks gevolg van de destijds fel gehypete Lourdes-verschijningen. In feite was het niet meer dan een laatste stuiptrekking. In 1900 was het aantal Vlaamse begijnen al teruggelopen tot 1500, een halve eeuw later waren ze nog met 600. Bij de eeuwwisseling schoten er in heel Vlaanderen nog drie begijnen over. Onder hen Josepha Goethals, de onbetwiste patrones van het Groot Begijnhof in Sint-Amandsberg.

Marijke Libert herinnert zich de Grootjuffrouw nog levendig. ‘Ik zie haar nog zo in de taxi stappen en door de poort wegrijden’, vertelt ze. ‘Drie maanden later is ze in een home  gestorven. 87 jaar oud, ze was al van haar zeventiende in het begijnhof. Toen ik haar die laatste dag zag vertrekken, besefte ik het meteen: dit is het einde van een tijdperk’. Marijke Libert, een dierbare collega met enkele romans op haar palmares, nam zowat twintig jaar geleden met haar echtgenote Lut Celie haar intrek in het Groot Begijnhof. ‘Met de zegen van de Grootjuffouw ‘, zegt ze. ‘De raad van bestuur had in haar tijd niet veel te vertellen, ze nam  alle beslissingen zelf. Ook over wie in het begijnhof mocht wonen, en hoeveel huur er werd aangerekend. Probleemgevallen, alleenstaande moeders of psychiatrische patiënten, kregen voorrang. Dat vond ik erg chique van haar. Ze heeft de gemeenschap voor haar ogen zien uitsterven, maar bleef tot haar laatste snik waken over de caritatieve roeping van de begijnen. Naar het schijnt heeft ze zelfs op haar sterfbed haar opvolgers op het hart gedrukt om die koers verder te zetten’.

De nieuwe lekendirectie bestaat niet bepaald uit pilaarbijters. Naar de zondagsplicht van kandidaat-huurders wordt bijvoorbeeld niet gepolst. Vraag maar aan Rebecca Van der Wiele, een jonge moeder die er geen geheim van maakt dat haar kinderen niet werden gedoopt. Voor ze aan een nageslacht begon, deelde ze een huis met een psychotische vrouw. ‘Soms kreeg ze een aanval’, vertelt Rebecca. ‘Dan klopte ze met een pollepel op alle ramen om de geesten te verjagen. Ze woont hier nog altijd, een van de vele bewoners met een hoek af. Het blijft een aparte plek om kinderen op te voeden. Volgens het huisreglement moeten we de stilte en rust respecteren. Terechte eis, maar sommige oudere bewoners overdrijven. Als kinderen buiten met de bal spelen, beginnen ze meteen te vitten of gaan ze klagen bij de directie’. En toch vinden zowel Marijke als Rebecca dat er vooral een warm groepsgevoel leeft onder de zowat 150 vaste bewoners. Dat heeft veel te maken met de twee poorten die ’s avonds voor buitenstaanders worden gesloten. Auto’s komen er na elf uur onder geen beding meer in, visite kan vanaf dan alleen door de gastheer- of vrouw via een discrete deur worden binnengelaten. Voor brandweer en politie geldt uiteraard een speciaal toegangsprotocol, en de portier _ in loondienst van de vzw _ blijft extra alert bij vergevorderde zwangerschappen. ‘Het is een eiland’, zegt Marijke. ‘Veel Gentenaars hebben hier nog nooit een voet gezet. Hun mond valt open als ze hier binnenwandelen. De rust, de schoonheid, als het sneeuwt is dit de mooiste plek op aarde. Niet dat ik het idealiseer, op sommige dagen kan het ook benauwend aanvoelen. We wonen in een gerestaureerd convent. Prachtig, maar in de winter stoken we ons te pletter. Beschermde monumenten en moderne isolatie, dat gaat blijkbaar niet samen’.

zomer in het Groot Begijnhof Gent (foto: Tim Dirven)

In Marijkes convent is de Bleekweide gevestigd, een gerenommeerd therapeutisch centrum voor jongeren in crisis, opgericht door haar echtgenote. Ook de andere conventen, minikloosters waar ooit tientallen arme begijnen in chambrettes woonden, vervullen een  functie die spoort met de begijnenspirit. We noteren de namen van een ngo, een centrum voor begeleid zelfstandig wonen, twee organisaties die rond autisme werken. Het non-profit-karakter neemt niet weg dat ze een forse huur betalen. Noodzaak, laat de directie weten. Met de opbrengst worden systematisch verloederde panden opgeknapt. Of dachten we dat de Vlaamse subsidies volstonden? Twintig jaar na de erkenning door de Unesco staat nog altijd een kwart van het patrimonium te vervallen.

Begijnhofvlaming

Zo imposant het Groot Begijnhof van Gent is, zo intiem is dat van Antwerpen. De bescheiden allure is de schuld van de Fransen die hier lelijk hebben huisgehouden. De helft van het begijnhof werd afgebroken, reden waarom de lieflijke Sint-Catharinakerk niet langer centraal maar aan de rand ligt. Dat een van de huizenblokken wat slordig werd gerestaureerd, doet geen afbreuk aan de charme. Voor de Unesco-inspecteurs was het wel een argument om Antwerpen net zoals twaalf andere Vlaamse begijnhoven de erkenning als werelderfgoed te weigeren. Peter-Holvoet Hanssen, dichter, schrijver en literair performer van beroep, zal er niet om treuren. Zeven jaar geleden verhuisde hij met vrouw, dochter en kat vanuit de stationsbuurt Antwerpen-Berchem naar het begijnhof. ‘Als officieel stadsdichter was ik een publiek figuur geworden’, vertelt hij. ‘Ik kon de straat niet meer op zonder te worden aangeklampt. Hier vond ik de stilte en sereniteit om de balans in evenwicht te brengen. Nochtans wonen we hier erg centraal, pal in de studentenbuurt. Overdag staat de poort open, maar veel bezoekers zien we niet. Zelfs heel wat geboren Antwerpenaren weten niet dat deze plek bestaat. Toch is het telkens weer een fijn gevoel wanneer om zes uur de poort dicht gaat en we de prachtige stiltetuin helemaal voor onszelf hebben’. Hij plukt enkele bessen van de 200 jaar oude moerbeiboom. Bijna rijp, bijna pluktijd. Het oogsten van fruit is een van de collectieve ondernemingen waar alle 70 bewoners aan deelnemen. Net als in Gent laten die zich niet voor één gat vallen. Ook in dit door het bisdom beheerde begijnhof hebben sociaal zwakkeren een betaalbaar onderkomen gevonden. Stilaan echter verandert de populatie. Jong en hip Antwerpen is bereid hoge huurprijzen te betalen voor de gerenoveerde huizen in deze stadsoase.

In Gent was het ons al opgevallen. Sint-Amandsberg is een gekeurde wijk met een grote Turkse gemeenschap. Die schittert echter door afwezigheid onder de bewoners van het Groot Begijnhof. Dezelfde vaststelling in Antwerpen: het begijnhof kleurt homogeen wit, één Syrisch gezin buiten beschouwing gelaten. Toch moeten we ons hoeden voor snelle conclusies. Zo is bekend dat Belgische Turken liever vastgoed kopen dan huren, een mogelijkheid die de meeste begijnhoven niet bieden. ‘Racisme en vooroordelen vind je overal’, vatte Marijke Libert het samen. ‘Er wordt wel eens gescholden op Turkse jongeren die hier in groepjes komen hangen. Het kerkportaal is trouwens een prima plek om te vrijen, buiten het alziende oog van de familie. Maar door de bank genomen? Dit is een behoorlijk progressieve gemeenschap, ik denk dat hier vooral groen en rood wordt gestemd’.

Daarmee rijst de vraag: bestaat er zoiets als een Begijnhofvlaming? En onderscheidt dat specimen zich van de gemiddelde Vlaming van wie analisten na de voorbije verkiezingen een robotfoto maakten? Erg veel verschilde die niet van eerdere versies, alleen werden de potloodlijnen wat dikker aangezet. Economisch rechts, ethisch liberaal, in toenemende mate gecharmeerd door een nationalistisch discours. De 30 % links stemmende Vlamingen zorgden alleen voor het contrast op de achtergrond. Over afwijkend stemgedrag spreekt de Lierse stadsgids Eddy Klynen zich niet uit. Het begijnhof van Lier, waar de poort dag en nacht open blijft, is in verkiezingstijd een wijk als alle andere. ‘Maar er heerst wel degelijk een sociologisch microklimaat’, stelt hij als bewoner vast. ‘De spreekwoordelijke Vlaming met de baksteen in de maag ga je hier niet vinden, want in het begijnhof kun je geen huiseigenaar worden. Ook wie belang hecht aan autobezit heeft hier weinig te zoeken. Met zo’n filters trek je onvermijdelijk een eerder progressief publiek aan’.

Een groen-rood stemmende huurder met een Cambio-abonnement? De 81-jarige Liliane Dennen zal zich in dit profiel niet herkennen. 175 euro huur betaalt ze aan de kerkfabriek, tot voor kort eigenaar van een derde van het Lierse begijnhof. Binnenkort moet ze weg uit haar appartement in Sint-Margaretastraat waar ze al 25 jaar woont. Het begijnhof, intussen volledig eigendom van het OCMW, wordt gerenoveerd. Vlaanderen, niet langer vroom maar wel rijk, investeert 13 miljoen euro. De eerste kasseistraat ligt al open, want ook begijnhofbewoners hebben recht op deugdelijke nutsvoorzieningen en snel internet. De werken zijn noodzakelijk, maar net als in Antwerpen wordt gevreesd voor gentrificatie. ‘Het OCMW heeft altijd de sociale mix bewaard’, zegt Eddy Klynen. ‘Huizen werden verhuurd via een systeem van opbieden. Niet goedkoop weet ik uit eigen ervaring, maar de opbrengst diende om een aantal sociale woningen te financieren. Ook de kerkfabriek, die enkele maanden geleden alles aan het OCMW heeft verkocht, hanteerde sociale tarieven. Ik houd mijn hart vast voor die sociale mix. Na de renovatie dreigt het begijnhof voor vele bewoners onbetaalbaar te worden. Straks wordt het echt een reservaat voor hoogopgeleide tweeverdieners’.

Volgend jaar gaat Liliane’s huis op de schop. Terugkeren na de renovatiewerken? ‘Onmogelijk’, zegt de krasse bejaarde.  ‘Ze gaan de huur opslaan tot 1.000 euro. Ik denk dat ik de straat oversteek. Naar het Godshuis, daar is het nog goedkoop wonen’. Te arm voor het begijnhof dus. Het kan zomaar in het rijke Vlaanderen.

Gent. Begijnen bij het kapelletje der zien Weeen. Copyright archief Groot Begijnhof