Tagarchief: Brussel

Ebola-illegalen eisen regularisatie

(Knack, 5 november 2014)

“We kunnen niet terug” 

De jacht op sans papiers uit ebola-landen is tijdelijk gestaakt. Te gevaarlijk om ze gedwongen te repatriëren, oordeelt de federale politie. Gevolg: duizenden Guinéers, Liberianen en Sierra Leoniërs zitten in een juridisch niemandsland. De roep voor een tijdelijke regularisatie zal de volgende weken steeds luider klinken.

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

Het scherm van haar Chinese smartphone is gebarsten, maar het beeld is duidelijk genoeg. Twee mannen in gele beschermingspakken zeulen met een draagberrie. Fanthawa Sesay wijst op de patiënt. Dat is dus dokter Umar Khan, haar oom die als een van de eersten in Sierra Leone aan ebola bezweek. “Het is verschrikkelijk”, zegt de jonge vrouw. “Iedere dag hoor ik huiververhalen uit mijn land. Gisteren nog dat meisje van 12 dat met haar laatste krachten uit haar huis was gestrompeld om te sterven. Haar babyzusje van drie maanden was achtergebleven, maar niemand durfde binnen te gaan om het kind te helpen”.

Fanthawa’s gsm is niet de enige die uitpuilt van alarmerende sms’en en akelige foto’s uit Ebolia, een federatie van West-Afrikaanse landen verenigd door rampspoed . Guinée, Liberia, Sierra-Leone, de drie geteisterde landen zijn vertegenwoordigd in de Brusselse Begijnhofkerk. Met ruim driehonderd zijn ze komen afzakken naar het gebedshuis. Behalve de verhalen over dierbaren die in het verre thuisland aan ebola zijn gestorven, delen ze nog een kopzorg. Alle aanwezigen zijn uitgeprocedeerde asielzoekers die illegaal is België verblijven. Doel van de bijeenkomst: het bekomen van een tijdelijke beschermingsstatus. “We kunnen niet naar ons land terug”, zegt Noah Jessey. “Ik kom zelf uit Monrovia. Mensen vallen als vliegen, iedere dag hoor ik van buren of kennissen die zijn gestorven. Aan ebola, maar ook aan malaria of andere ziekten, want de hele gezondheidsinfrastructuur is ingestort. Intussen is er ook hongersnood uitgebroken, de chaos is compleet”. Jessey verblijft al tien jaar in België, de voorbije vier jaar als illegaal. In theorie loopt hij zoals alle aanwezigen een risico. De politie kan hem zo van straat plukken en in een gesloten centrum opsluiten, in afwachting dat de Dienst Vreemdelingenzaken hem op een vlucht richting Liberia zet. Sinds half augustus echter geldt een moratorium op gedwongen uitwijzingen naar ebola-landen. Reden: de federale politie vindt het gezondheidsrisico te groot om de vluchten te escorteren. “Aangezien we niet terug kunnen”, maakt Jessey zijn redenering af, “moeten ze ons maar regulariseren”.

 

De aanwezigheid van een grote groep illegalen uit ebola-landen is geen geheim. Liberianen en Sierra Leoniërs vormen slechts kleine gemeenschappen, de overgrote meerderheid zijn Guinéers. Officiële cijfers bestaan uiteraard niet, maar volgens Dokters voor de Wereld, een ngo die in verschillende grootsteden medische zorg aan illegalen verstrekt, loopt het aantal illegale Guinéers in de duizenden. Geen natte vingerwerk, wel een beredeneerde extrapolatie. Alleen al de voorbije vijf jaar vroegen meer dan 7.000 Guinéers in België asiel aan, het land is daarmee een vaste waarde in de top vijf van herkomstlanden. Het beschermingspercentage _ het aantal asielzoekers dat de vluchtelingenstatus of een andere verblijfstitel krijgt _ schommelde in die periode tussen de 20 en 40 procent. Van de anderen staat vast dat meer dan de helft geen gevolg geeft aan het bevel tot verlaten van het grondgebied en in de illegaliteit onderduikt. Veruit de meesten wonen en overleven in de verpauperde Kanaalzone, een boogscheut verwijderd van de Begijnhofkerk.

gedwongen repatriëren

De bijeenkomst in de kerk is een initiatief van Pigment, een bescheiden vzw die zich bekommert om daklozen en illegalen in Brussel. Pigment probeert zoveel mogelijk sans papiers uit de drie ebola-landen te registreren om de eis voor een tijdelijke beschermingsstatus kracht bij te zetten. “België moet consequent zijn”, betoogt projectverantwoordelijke Alexis Andries afwisselend in Frans en Engels. “De autoriteiten geven toe dat ze jullie niet gedwongen kunnen repatriëren. Wie nu wordt gecontroleerd, krijgt een verlenging van zijn bevel tot verlaten van het grondgebied en wordt verondersteld zelf terug te keren. Onzin natuurlijk. Als reizen naar een ebola-land te gevaarlijk is voor de federale politie, dan is het voor iedereen te gevaarlijk. Er is maar een oplossing: bescherming of regularisatie zolang de epidemie duurt”.

Pigment staat niet alleen, de eisen worden onderschreven door grote organisaties zoals Artsen Zonder Grenzen, Dokters voor de Wereld en de Franstalige vluchtelingenorganisatie Cire. Het gelegenheidsplatform tast simultaan een politieke en een juridische piste af. “Het valt simpel op te lossen”, zegt Mieke Van Den Broeck, asieladvocate bij Progress Lawyers Network die het Platform adviseert. “De ebola-epidemie moet worden erkend als grond voor het toekennen van subsidiaire bescherming”. Simpel? Dat valt nog te bezien. Subsidiaire bescherming is een statuut dat pas in 2006, in uitvoering van een Europese richtlijn, in het Belgische vreemdelingenrecht werd ingevoerd. Het dient als vangnet voor bepaalde categorieën van asielzoekers wier aanvraag niet onder de Conventie van Genève valt. Ook al bestaan er geen overtuigende aanwijzingen voor persoonlijke vervolging, toch lopen ze in eigen land een reëel risico op ernstige schade. De wet bakent twee gronden af. Schade door oorlog of willekeurig geweld, een motief dat onder meer voor Afghanen, Syriërs en Iraki’s vlot wordt aanvaard. Voorts wordt subsidiaire bescherming toegekend als de asielzoeker kan aantonen dat hij in eigen land blootstaat aan ‘vernederende of onmenselijke behandeling’. “Volgens de letter van de wet impliceert dat een menselijke actor als bron van het dreigende gevaar”, zegt Van den Broeck. “Maar dat is te beperkt, we moeten die beschermingsgrond verruimen. Want is het niet absurd? Oorlog of blind geweld tellen als risico’s, maar een dodelijke epidemie komt niet in aanmerking, terwijl die even willekeurig en op even grote schaal slachtoffers maakt”.

SN Brussels

Meester Van den Broeck is de auteur van het standaardformulier  _ een aanvraag voor het bekomen van subsidiaire bescherming _ dat in de Begijnhofkerk wordt uitgedeeld. Alleen de naam van de indiener moet nog worden ingevuld, de feitelijke en juridische argumentatie staat gebruiksklaar en gratis ter beschikking van zijn of haar advocaat. Er wordt uitvoerig gewezen op de rampzalige toestand in de drie ebola-landen, de weigering van de federale politie om er nog agenten heen te sturen, en het negatieve reisadvies van buitenlandse zaken. Vervolgens wordt het non-discriminatiebeginsel ingeroepen om de stelling hard te maken dat een dodelijke epidemie wel degelijk een grond voor subsidiaire bescherming vormt. Waarom onderscheid maken tussen mensen die ‘iemand’ vrezen en anderen die een dodelijke epidemie vrezen? Het weigeren van een beschermende status zou bovendien strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM dat foltering en vernederende of onmenselijke behandeling verbiedt. Uit dat artikel vloeit dan weer het ‘non-refoulementsbeginsel’ voort, een hoeksteen van het internationaal vluchtelingenrecht.

Het is de Commissaris-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen die in eerste aanleg over subsidiaire bescherming gaat. “De toetsing zit vervat in iedere asielaanvraag”, legt Dirk Van den Bulck uit .“Als er geen grond voor asiel is, onderzoeken we in bijkomende orde of de aanvrager aanspraak kan maken op subsidiaire bescherming”. Als de oproep in de Begijnhofkerk wordt gevolgd, zal zijn dienst binnenkort met aanvragen worden overspoeld. Uitgeprocedeerde asielzoekers kunnen immers ten allen tijde een nieuwe aanvraag indienen, tenminste als die een nieuw element bevat, zoals een uitslaande ebola-epidemie in hun thuisland. De kans op succes lijkt evenwel gering, zo valt af te leiden uit Van den Bulcks commentaar. “Illegalen uit Ebola-landen kunnen voorlopig niet gedwongen gerepatrieerd worden”, stelt hij vast. “Maar dat feit op zich geeft nog geen recht op verblijf in ons land”. De Commissaris-Generaal ziet alvast geen reden om het vangnet van de subsidiaire bescherming uit te gooien. “Zo’n epidemie valt niet onder het toepassingsgebied, ook niet als we de wet ruim interpreteren. Het risico bij terugkeer is trouwens relatief. Het virus is niet overal verspreid, vergeet niet dat het om grote landen gaat. Kennelijk lopen vooral bepaalde categorieën gevaar, zoals gezondheidswerkers. Met de nodige voorzichtigheid kan men de risico’s beperken, anders hadden luchtvaartmaatschappijen zoals SN Brussels al hun vluchten naar ebola-landen al lang gestaakt. Artikel 3 van het EVRM? Het moet al heel erg worden vooraleer men de algemene toestand in een land strijdig met artikel 3 verklaart. Bij mijn weten is er maar één precedent: na een uitspraak van het Europees Hof van Justitie werd een bepaalde regio van Somalië niet langer als een valabel binnenlands vluchtalternatief beschouwd. Maar de situatie in die regio was veel problematischer dan in de landen die nu door ebola worden getroffen”.

Theo Francken

“Ach ja”, zegt Mieke Van den Broeck. ”We kennen de visie van het Commissariaat-Generaal.  Dat mag ons niet ontmoedigen. Onze mensen kunnen altijd in beroep gaan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ik ben heel benieuwd hoe die zal oordelen. Er speelt trouwens nog een element: de publieke opinie. Binnenkort gaar het Platform met zijn eisen de straat op. Asielinstanties zijn daar gevoelig voor, weet ik uit ervaring met de Afghaanse illegalen. Die hebben maandenlang actie gevoerd, en intussen ligt hun beschermingspercentage bij het Commissariaat-Generaal op 80 procent”.

Toch verwacht het Platform meer heil van de zogenaamde politieke piste die in een  tijdelijke regularisatie moet uitmonden. Gehoopt wordt op een ruimhartige toepassing van artikel 9bis, de zogenaamde humanitaire regularisatie die als uitzonderingsprocedure in de Vreemdelingenwet staat. Een pasklare oplossing is het evenwel niet. 9bis is een individuele procedure die voor de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gevoerd, vaak als ultieme reddingsboei voor illegalen die schoolgaande kinderen hebben, of een uitzonderlijk lang verblijf en duurzame verankering in België kunnen bewijzen. De actievoerders beroepen zich op een ander criterium, de prangende humanitaire situatie. Het is een containerbegrip, gebaseerd op de praktijk en rechtspraak. Vaag genoeg om ook een dodelijke epidemie in het thuisland te omvatten, zo gaat de redenering. Blijft het feit dat een individuele procedure niet geschikt is als instrument om collectief duizenden illegalen uit ebola-landen tijdelijk te regulariseren. Alleen de regering kan beslissen tot een dergelijke uitbreiding van humanitaire regularisatie. Het is echter zeer de vraag of daar in de Wetstraat enig animo voor leeft.

Staatssecretaris voor asiel en migratie Theo Francken wenste niet inhoudelijk te reageren, maar kondigde aan de ebola-problematiek eerstdaags met alle asielinstanties te bespreken. De kwestie komt alleszins ongelegen. Niemand is vergeten dat Francken onmiddellijk na zijn aanstelling een drastische verstrenging van het uitwijzingsbeleid aankondigde. De capaciteit in de gesloten centra zal fors worden opgevoerd, met 1.000 extra gedwongen repatriëringen per jaar als objectief.  Het ligt voor de hand dat hij daarbij onder meer aan Guinéers dacht. Ook zijn voorganger Maggie De Block, die begin dit jaar een geruchtmakende ontradingsmissie naar Conakry ondernam, had het West-Afrikaanse land in het vizier. “Asielmisbruik door Guinéers is een van onze topprioriteiten”, zegt DVZ-woordvoerder Geert De Vulder. “We proberen het terug te dringen met een kordaat uitwijzingsbeleid. Zo hebben we vorig jaar 56 Guinéers gedwongen gerepatrieerd. Dat programma hebben we nu opgeschort. Noodgedwongen, door de beslissing van de federale politie”. Volledigheidshalve dient hier gezegd dat ook de DVZ zelf niet onverschillig is voor het ebola-gevaar. Een gedwongen repatriëring wordt altijd voorafgegaan door een bezoek aan het bestemmingsland van een DVZ-ambtenaar die de veiligheidssituatie inschat. Ook die reizen werden voor de drie ebola-landen tot nader order opgeschort.

Opstootje op het kerkplein. Een groepje Guinéers maakt onderling ruzie om een van de rondgedeelde documenten te bemachtigen, misleid door het absurde gerucht dat het om verblijfspapieren gaat. Andere illegalen kijken afkeurend toe. Het is potsierlijk, maar ook tekenend voor de wanhoop na jarenlang overleven in de illegaliteit. Een politiecombi rijdt onverrichterzake voorbij,  het illustreert de schemerzone waarin deze mensen vertoeven. De autoriteiten weten dat ze er zijn, maar doen voorlopig hard hun best om ze niet op te merken. Met enig cynisme zouden de betrokkenen dit vooruitgang kunnen noemen, dank zij ebola is de politiejacht tijdelijk afgeblazen. Noah Jessey, de Liberiaan met tien jaar België op de teller, voelde de vraag komen. Is het niet opportunistisch om ebola aan te grijpen om papieren te eisen? Okay, de epidemie maakt het tijdelijk onmogelijk naar zijn land terug te keren. Maar had hij dan plannen om terug te keren? “Nee”, geeft hij grif toe. “Onze regularisatie is vooral een humanitaire noodzaak. België wil toch helpen om ebola in Liberia, Guinée en Sierra Leone te bestrijden? Wel, geef ons dan papieren, dan kunnen we hier werk zoeken en geld verdienen om onze achtergebleven families bij te staan”.

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

 

Tiki-taka in Brussel

(verschenen in De Standaard Weekblad, 24 juni 2014)

Brussel is een supermarkt van jeugdtalent waar topclubs permanent op koopjesjacht gaan

De Rode Duivels zijn het levende bewijs: voetbaldromen komen soms uit. Nergens wordt er harder aan gewerkt dan tussen het zwerfvuil in de Brusselse volkswijk La Roue- Het Rad. Op een boogscheut van het grote Anderlecht strijken iedere zondag privécoaches met pupillen neer. Spécifiques heet het Brusselse fenomeen dat zich volledig buiten het blikveld van de voetbalbond afspeelt. “Privétrainingen zijn big business geworden”. 

foto's Frederik Buyckx, www.frederikbuyckx.be

foto’s Frederik Buyckx, www.frederikbuyckx.be

Coach Ben schudt het hoofd. Jongens toch, wat een geknoei. Zal hij nog één keer voordoen? Hij gooit de bal op en houdt hem in de lucht. Linkerbeen, rechterbeen, het lijkt wel de French Cancan. Zo moet het dus. Per twee, gezichten naar elkaar gewend, niet meer dan een halve meter afstand. De ene achteruit, de andere vooruit. En lopen maar, terwijl de bal van de ene zijn linkerdijbeen naar de andere zijn rechterdijbeen stuitert. Zes koppels trekken zich op gang. Een keer, twee keer over en weer, de ballen vliegen alle kanten op. “Amateurs”, foetert de coach. “Is dat nu zo moeilijk?”.

Ben Tahiri kent het geheim van het voetbalspel. Techniek, techniek en nog eens techniek. “Il faut manger le ballon”, betoogt hij tussen twee oefeningen door. “Balgevoel ontwikkelen, daar komt het voor jonge spelers op aan. Het leer moet aan hun voet kleven. Bij de opwarming zie je meteen wie het in zijn mars heeft. Per twee het veld op en af, en kaatsen maar. Technisch vaardige spelers kunnen het zonder naar de bal te kijken, die vertellen elkaar hun hele weekend terwijl ze aan het tiktakken zijn”.

honger naar de bal

We staan op een juweel van een voetbalveld in La Roue-Het Rad, een wat groezelige buurt in de rand van Anderlecht. Kunstgras, van de jongste generatie. Geen schuurpapier zoals vroeger, toen een onstuimige sliding met brandwonden werd bestraft. Aan het hek hangt nog een bordje van Milan Anderlecht, een derde provincialer die hier ooit zijn thuismatchen speelde. Vermoedelijk zijn met de club ook de doelen en de kleedkamers verdwenen. De hele omgeving steekt schril af bij de onberispelijke grasmat. Overal hoopt zwerfvuil zich op, tot afgedankte wc-potten en gestolen winkelkarretjes toe. Slordig van de eigenaar, de gemeente Anderlecht. Toch hoor je hier niemand klagen.“Zolang ze ons maar gerust laten”, zegt Ben. “We betalen niks, vragen niemand om toelating. C’est un terrain sauvage, vrij toegankelijk voor iedereen. Een zegen voor de Brusselse jeugd, want er is een nijpend tekort aan speelruimte. Velden genoeg, maar ze blijven onderbenut. Sportcomplexen, scholen, voetbalclubs, ze sluiten hun infrastructuur af voor buitenstaanders. Onbegrijpelijk, nu Brussel een bevolkingsexplosie kent en voetbal populairder is dan ooit. Kijk maar eens rond in de stad. Overal waar een paar vierkante meter publieke ruimte is, wordt gesjot. De honger naar de bal is enorm”.

Honger naar de bal? De spelers die deze zondag naar Het Rad zijn afgezakt, zijn eraan verslaafd. Het zijn immers geen straatvoetballers die hier samentroepen. De tweelingbroers Steve en Loïc spelen bij de U15 van eersteklasser Mons, Esad bij de U-17 van Zulte Waregem, de 12-jarige Soufrian en zijn vier jaar jongere broer Mehdi bij de elite van het grote Anderlecht. Twee laatkomers schudden Ben de hand. Opgeschoten jongens met Afrikaanse roots, zoals de kleine helft vanmorgen op het veld. Een speelt bij de beloften van tweedeklasser Antwerpen, zijn vriend is het nog verder gaan zoeken. “Virton”, zegt hij. “Helemaal in Luxemburg, Ik zit er op internaat”. Verhalen als deze zijn hier legio. Brussel is een supermarkt van jeugdtalent waar Belgische en zelfs buitenlandse topclubs permanent op koopjesjacht gaan. De meesten van deze jongens trainen vijf keer per week, om zaterdag een match te spelen. Voetbalschoenen aan de haak op die enige dag zonder clubverplichtingen? Geen sprake van, zondag is de dag van ‘les spécifiques’, extra oefensessies onder begeleiding van een resem onafhankelijke, zelfverklaarde trainingsexperts.

50 euro per uur

Hassan is er ook vandaag. Ballennet over de schouder, verkeerskegels in de hand, in zijn kielzog zes jongens van een jaar of twaalf. Hij bakent zijn oefenveld af, veel meer dan tien bij tien neemt het niet in beslag. Spurtjes zonder bal, slalommen rond kegels, driehoekjes met wisselende posities, hier wordt de basis gelegd voor het tica taca à la Barcelona. Bij elk bezoek aan Het Rad is het een komen en gaan van coaches, maar Doba is een certitude. De vriendelijke Ivoriaan met rastakapsel staat iedere zondag als eerste op het veld. Vanaf negen uur het kleine grut, daarna een sessie voor de u 12 tot en met u16. Hij legt er de pees op, zonder evenwel te bullebakken. Ervaring zat, Doba is doordeweeks jeugdtrainer bij de pas gedegradeerde tweedeklasser FC Brussels. De jonkies spelen vanmorgen op blote voeten. “Zoals in Afrika”, zegt Doba. “Ideaal om techniek te leren. Op dat punt schieten onze clubs tekort. Teveel spelers en te weinig trainers om aan individuele begeleiding te doen. Daar maken spécifiques het verschil”.

Over de financiële kant van zijn bijverdienste praat hij liever niet, maar het vergt weinig detectivewerk om te achterhalen dat een sessie tien euro per speler kost. “Een van de goedkopere in het vak”, zegt Abdel Malik terwijl hij het passenspel van zijn tienjarige zoon Momo nauwlettend volgt. “Er zijn ook coaches die inviduele trainingen aanbieden. Mannen zoals Steve of Ibrahim, die vragen gemakkelijk veertig tot vijftig euro per uur”. Abdel is het prototype van de betrokken voetbalvader. Momo, twee jaar jeugdacademie Anderlecht, intussen bij derdeklasser Zaventem-Woluwe, staat iedere weekdag in clubkleuren op het veld. Ze wonen in Sint-Joost, uren hebben ze al in de file gestaan op weg naar de training. Toch is Abdel iedere zondag op de afspraak in Het Rad. “Momo heeft een droom: hij wil voetballer worden”, zegt Abdel. “Hij is nog erg jong, misschien wordt het helemaal niks. Maar ik wil later kunnen zeggen dat ik er alles aan gedaan heb”.

coach Ben Tahiri, zelf virtuoos met woord en bal

coach Ben Tahiri, zelf virtuoos met woord en bal

Koning van het Rad

Ben Tahiri, de man die als geen ander de French Cancan danst met een voetbal, is de ongekroonde koning van Het Rad. Zijn gsm-nummer gaat viraal, trainingen lokken zelfs ouders en spelers uit Aalst, Gent of Antwerpen. De rijzige Brusselaar is dan ook een figuur. Charisma te koop, even virtuoos met de tong als met de bal. Passen met links of rechts, controles met het hoofd of borst, het gaat hem allemaal even gemakkelijk af. We geloven hem als hij zegt dat hij door passie wordt gedreven. “Er gaat in België veel talent verloren”, maakt hij zich druk. “Topclubs zoals Anderlecht hebben geen geduld, ze willen hun talent plukrijp. Jongens zoals Thielemans, Bruno of Mbemba, van wie zelfs een blinde ziet dat ze het zullen maken. Maar er zijn ook gasten die meer tijd nodig hebben om te rijpen, of die een wat moeilijker karakter hebben. Voor hen sta ik hier, zelfs in het putje van de winter. Vorig jaar moesten we met zijn allen sneeuw ruimen vooraleer we aan de training konden beginnen”.

Ben hanteert geen tariefschaal, maar een tientje als bijdrage in de kosten is altijd welkom. Niet dat hij helemaal belangeloos zijn zondag opoffert. Belangeloos bestaat niet in jeugdvoetbal, waar tientallen makelaars en scouts velden afschuimen op zoek naar de volgende Hazard of Lukaku. Aasgieren, noemt Ben hen, waarmee hij de specimen bedoelt die jongens en ouders het hoofd op hol brengen. Hier een handtekening graag, en de weg naar Chelsea of Manchester ligt wijd open! De schampere toon belet niet dat Ben zelf de nummers van alle makelaars op zak heeft. En wie kan het deze magazijnier met ziekteverlof kwalijk nemen dat hij zelf wat scouting doet, vroeger voor Standard, tegenwoordig voor Club Brugge? Het draagt allemaal bij tot zijn prestige, net zoals het feit dat hij zijn eigen zoon met vaste hand naar een profcontract bij SK Lierse heeft begeleid. Waarom is hij zelf nooit prof geworden? “Marokkanen van mijn generatie kwamen niet aan de bak”, zegt Ben. “Racisme van de clubs, maar ook gebrek aan ondersteuning thuis. Ik had niemand die me vijf keer per week naar de training kon voeren. Vandaag is alles anders. Racisme? Dat kunnen de clubs zich niet meer permitteren. Kijk naar het succes van de Rode Duivels, of naar deze jongens hier. Er zit van alles tussen, maar ik zie toch vooral Maghrebijnen en Afrikanen”.

Steve & Loïc

Steve & Loïc

Aan ondersteuning van thuis ontbreekt het die nieuwe Belgen niet meer. Alain Nkeng, vader van tweeling Steve en Loic, is een habitué van Het Rad. Het voorbije seizoen speelden zijn zonen bij de U14 van Mons. “Ik heb ze ginder op internaat gezet”, zegt de Kameroenees uit Schaarbeek. “Sports-Etudes, een combinatie van school en voetbal. Peperduur, volgend seizoen haal ik ze terug naar een kleinere club in het Brusselse, ook al omdat Mons intussen naar tweede klasse is gezakt”. Terwijl Steve en Loïc hun kopspel perfectioneren, vertelt hij over zijn eigen voetbaljeugd in Kameroen. Ook zijn vader stond soms aan de zijlijn, maar niet om te supporteren. “Papa wilde niet dat ik voetbalde”, vertelt hij met een grijns. “Hij is me meer dan eens van het veld komen sleuren. In de ogen van zijn generatie was voetbal een spelletje voor leeglopers, un sport de voyous. Vandaag is voetbal in Kameroen alomtegenwoordig. Ouders betalen zich blauw aan voetbalacademies en privétrainers, in de hoop dat hun zoon het ooit in Europa zal maken”. Zelf is hij niet zo naïef. Zeker, ook hij wil zijn zoons alle kansen geven om hun droom na te jagen. “Maar de school komt altijd op de eerste plaats. Steve en Loïc kennen de afspraak. Huiswerk klaar en les leren, anders zondag geen spécifiques. Pas op, ik ben blij met hun passie. Wat zouden ze zonder voetbal in deze stad beginnen? Met slechte vrienden rondhangen op straat. Bovendien, zonder sport zouden ze zeker tien kilo te zwaar staan”.

Van de bond los

Ook de 17-jarige Esad Guler uit Dilbeek zit op voetbalinternaat. Bij Zulte-Waregem, zijn ouders dokken er 350 euro per maand voor. Esad, zoon van een vader met gemengde Turkse-Macedonische-Albanese roots, is perfect tweetalig. Een verstandige kerel, maar studeren is geen prioriteit. “Ik zet alles op voetbal”, zegt hij. “Er is geen plan B, ook al besef ik hoe smal de weg naar de top is. Je moet er helemaal voor gaan “. Esad heeft een grillige loopbaan achter de rug. Jeugd Dilbeek Sport, potjes zaalvoetbal, niks wees in de richting van een echte roeping. De grote sprong voorwaart kwam er na een tweejarig verblijf bij Seth Nkandu, de jeugdtrainer die in Brussel het concept van de voetbalacademie op de kaart heeft gezet. We treffen hem in het gemeentelijk sportcomplex van Sint-Agatha Berchem. In 1994 verkaste Seth met een studiebeurs van Lubumbashi naar Brussel. Van een ingenieursdiploma kwam weinig in huis, maar hij voetbalde zich wel een weg naar de vierde nationale. En haalde alsnog een bul: een UEFA-trainersdiploma waarmee hij bij het prestigieuze opleidingscentrum van Sporting Anderlecht aan de slag ging. “Mijn grote voorbeeld is Frankrijk”, zegt hij. “De Franse voetbalbond heeft scholen opgericht waar de beste jeugdspelers van de regio worden klaargestoomd voor een carrière op het hoogste niveau. De nadruk ligt op techniek. Eindeloos oefenen met de bal, tot alle bewegingen volledig geautomatiseerd zijn. Ik heb dat concept bij Anderlecht proberen aan te kaarten, maar vond geen gehoor. Daarom ben ik in 2007 met mijn eigen academie begonnen”. De vergelijking is wat geflatteerd, de Franse académies legden de grondslag voor het succes van de Les Blues die in 1998 wereldkampioen werden. Niettemin, NSeth Academy oogt als een professionele organisatie met een drietalige website. Op deze woensdagmiddag bezetten een vijftigtal spelers de twee oefenvelden die de privéschool dagelijks afhuurt. Hummels van acht en beren van achttien, voor elke leeftijdsgroep staan twee door Seth geselecteerde of o pgeleide coaches klaar. Ook de Brusselse Congolees is discreet over geld, maar uit goede bron vernamen we dat aansluiten 125 euro per maand kost. “Eerst testen we het potentieel”, zegt hij . “Wie slaagt, staat voor een keuze. Aansluiten betekent dat ze hun club verlaten en geen competitie meer spelen, want we opereren volledig los van de voetbalbond. Natuurlijk organiseren we oefenmatchen, maar wedstrijden zijn niet de essentie. Oefenen in kleine groepen, schaven aan de houding en de techniek, zo kneed je toppers. Ik geef trouwens ook individuele trainingen. Vorige zondag heb ik hier een Vlaams toptalent van PSV onder handen genomen, hij zat in de knoei met zijn kopspel”.

voetbalvaders op Het Rad

voetbalvaders op Het Rad

nieuwe Batshuayi

Middelmatige spelers veranderen in goede spelers, goede spelers in nog betere spelers, zo zou de de baseline van NSeth Academy kunnen luiden. “In twee jaar tijd stomen we ze klaar voor een hoger niveau”, maakt Seth zich sterk. “Zie je ginder die groep U19’s? Die trainen zes keer per de week, telkens twee uur. Als die hier weggaan, kunnen ze zo meedraaien in eerste of tweede klasse”. Bij oefenmatchen zijn ouders niet toegelaten. Tierende voetbalvaders, hij heeft er een hekel aan. Feedback voor hun lieve geld? Ze krijgen op geregelde tijdstippen een vorderingsrapport over hun zoon. Ook scouts en managers worden geweerd, zij het om een heel andere reden. De academie is een kweekvijver waar zonder vergunning wordt gevist. Académiciens kunnen van de ene dag op de andere naar een club vertrekken. Zonder opleidingsvergoeding, want die is enkel van toepassing bij transfers tussen erkende clubs. De regelgeving daaromtrent is een kluwen van federale, Vlaamse, FIFA en KBVB-oekazes. Feit is dat een opleidingsvergoeding aardig kan aantikken als een speler echt doorbreekt en later een buitenlandse miljoenentransfer versiert. Zoals Michi Batshuayi, de topscorer van Standard die wellicht nog deze zomer naar de Premier League verkast. Een pupil van Seth in zijn periode bij Anderlecht, hij koestert de foto’s op zijn iPad.

Als morgen onder zijn handen een nieuwe Batshuayi ontbolstert, wil hij zijn deel van de koek. Maar hoe? Seth heeft twee jaar lang op de loonlijst van Club Brugge gestaan. Zijn academie diende de facto als Brussels filiaal van de West-Vlaamse club, niet de enige eersteklasser overigens die watertandend naar het onontgonnen potentieel van de hoofdstad kijkt. Hij heeft een dozijn talentjes naar Brugge doorgesluisd, maar na twee jaar liep de samenwerking dood. Partnerschappen met Anderlecht, Genk of Standard? Alle pogingen zijn op niets uitgedraaid. Enkele weken na ons eerste bezoek heeft hij verrassend nieuws. “Ik heb bij de bond een stamnummer aangevraagd. Ik ga toch maar een club oprichten. FSI wordt de naam, Football Street Intelligent. Dan kunnen we toch competitie spelen, en onze spelers vanaf zestien onder contract leggen. Als er dan eentje een toptransfer versiert, krijgen we tenminste een opleidingsvergoeding ”.

Alweer een Brusselse club erbij, nadat Vincent Kompany vorig jaar vierdeklasser BX Brussels uit de grond stampte. Het hoofdstedelijk gewest is ermee bezaaid. Acht clubs in de nationale reeksen, liefst 41 in de provinciale reeksen. Blijkbaar volstaat het allemaal niet, want het parallelle circuit groeit als kool. Voetbalacademies? De tips stromen binnen. Steve, de dure coach spécifiques over wie we op Het Rad al hoorden, is op een korfbalterrein aan het Westland Shopping Center in Anderlecht met een academie begonnen. In het Chazalstadion bij het Josaphatpark is dan weer de Académie de Foot de Schaerbeek neergestreken. 150 leden, de helft was nooit eerder bij een club aangesloten. De 220 euro lidgeld doen volgens secretaris Abdellatif Ettabaa geen afbreuk aan het sociale karakter.“We weigeren geen kinderen omdat hun ouders het niet kunnen betalen”, zegt hij. “Dat zou vloeken met ons ideaal. We zijn twee jaar geleden precies begonnen omdat we constateerden dat honderden jongens in Brussel geen club vonden. De kleintjes kampen met capaciteitsgebrek, en de grote zijn alleen geïnteresseerd in talent dat ze overigens bij de kleinere clubs gaan wegkapen. Bij ons mag iedereen aansluiten”. Idealisme? De academie, een zuiver privé-initiatief zonder enige band met de KBVB, heeft een partnerschap met de soccerschool van… Zulte Waregem. “Ze geven ons materiële steun”, zegt Ettabaa. “In ruil sturen ze af en toe een scout, er zijn trouwens al enkele beloftevolle jongens naar Zulte Waregem vertrokken”.

Emilio & Xhulio

Emilio & Xhulio

40 % jeugdwerkloosheid

Er zijn vele verklaringen voor het capaciteitsgebrek. De bevolkingsexplosie _ prognoses gewagen van anderhalf miljoen inwoners in 2030 _ is zeker niet de geringste. Maar er is meer. Nergens spreekt het succesverhaal van Rode Duivels zozeer tot de verbeelding als in Brussel. Het pad naar de top is smal en glibberig, jazeker. Maar ketten zoals Vincent Kompany, Romeo Lukaku, Marouane Fellaini, Michi Batshuayi en Adnan Januzaj bewijzen dat voetbaldromen soms uitkomen. Het is een troostrijke gedachte, zeker in achterstandswijken waar de jeugdwerkloosheid tot 40 procent oploopt.

Het Rad, een snikhete zondag later. André Kona, gewezen international van wat ooit Zaïre heette, ex-topscorer in de Turkse competitie, komt met een busje spelers aanrijden. Coach spécifiques of bezieler van een voetbalacademie, de grens is in zijn geval vaag. Nzonza legt zich toe op ambitieuze clubspelers. U16 en u19, de leeftijd waarop het moet gebeuren. De sprong naar de het A-team of de beloften, een transfer, zestien is de leeftijd waarop de carrière echt begint. Kona biedt vier extra trainingen per week. Techniek op een terrein in Vorst of op het Rad. Voor het trappenlopen, bevorderlijk voor de explosiviteit, trekken ze naar een park in Ukkel. Prijs op bestek, naargelang de service. “We volgens onze spelers desgewenst ook tijdens hun clubwedstrijden”, zegt hij. “We filmen alles met de iPad, zodat we hun positiespel nadien kunnen analyseren”.

Ben Tahiri ziet het zelf met verbazing aan. “Vijf jaar geleden was ik zowat de enige die spécifiques gaf”, zegt hij. “Intussen struikel je over de coaches. Er zijn zelfs voetbalvaders die trainingen geven, terwijl ze zelf nooit op een bal hebben getrapt. Het is big business geworden”. Voor een man die voetbal uit al zijn poriën ademt, kan hij erg somber doen over de hoogconjunctuur van zijn favoriete sport . “Waarom lopen hier vooral Marokkanen en zwarten rond”, vraagt hij retorisch. “Omdat die groepen oververtegenwoordigd zijn in de kansarmoede in Brussel. Ze dromen zich al voetballend een weg uit de miserie. Niet alleen de spelers, het zijn vaak de ouders die het hardst aan de kar duwen. Een zoon die het maakt als prof kan een hele familie uit de armoede tillen”.

Intussen lopen twee nieuwe pupillen zich warm. Emilio en Xhulio Cunaj zijn helemaal uit Antwerpen gekomen. Kansarmoede is niet wat hen drijft, de broers hebben allebei een baan bij busbouwer Van Hool in Grobbendonk. Als identieke tweeling doen ze alles samen. Samen in de spuitafdeling bij Van Hool, samen voetballen bij Berchem Sport, nadat ze ook al een jaartje samen bij een Zwitserse club hebben gespeeld. Ze beseffen het zelf wel, 23 jaar is niet bepaald jong voor een voetballer. “Het is nu of nooit”, zegt Xhulio. “We hebben een makelaar gevonden die zegt dat hij misschien een club in Engeland kan vinden. Hij is het die ons vandaag heeft gestuurd. Coach Ben gaat ons beter maken”.

De Guinese golf in Brussel

(Knack, 30 april 2014)

“Reizen en plantrekken zit ons in het bloed”

Brussel, meer dan ooit stad van aankomst, wordt door een migratiegolf uit West-Afrika overspoeld. Vooral de Guinese gemeenschap groeit als kool. Diallo, Bah, Barry, Sow, straks spelen ze Dubois, Janssens en Peeters uit de hitparade van populaire familienamen. Allemaal Peul, een volk dat reizen en plantrekken in het bloed heeft. Inburgering? Op 25 mei pakken zowat alle Franstalige partijen met een Peul-kandidaat uit.

(foto’s: Franky Verdickt, www.frankyverdict.be)

 

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Autoland, een Guinese enclave aan het Kanaal.

Een verrassend cijfer uit een recente studie van de FOD Economie: in Brussel wonen niet minder dan 2.155 Diallo’s. De West-Afrikaanse familienaam is daarmee met voorsprong de populairste van de hoofdstad.  Ook de nummer twee komt uit West-Afrika: 1.244 nieuwe Brusselaars luisteren naar de naam Bah. Janssens, Peeters en Dubois, oer-Belgische achternamen die decennialang het peloton aanvoerden, bezetten plaatsen drie tot vijf. De vraag is hoe lang nog, want Dubois wordt op de hielen gezeten door de Vietnamese Nguyen, terwijl op plaats zeven alweer een West-Afrikaanse naam staat te dringen. De Barry’s zijn intussen ook al met 847, volk genoeg om in de Brusselse nomenclatuur traditionele sterkhouders als Jacobs, Mertens en Martin achter zich te laten.

Diallo, Bah en Barry zijn typische namen van Peul,  een van oorsprong nomadisch volk uit de Sahel. Peul, ook wel Fula of Fulbe genoemd, leven verspreid over een dozijn landen, van Mauretanië over de CAR tot Noord-Soedan. Er zijn aanzienlijke gemeenschappen in Nigeria, Mali, Burkina Fasso en Senegal.  De overgrote meerderheid van de Brusselse Diallo’s, Bahs en Barry’s is echter afkomstig uit Guinée-Conakry, het enige land waar de Peul op een numeriek overwicht kunnen bogen. Dat de Guinese kolonie in het hoofdstedelijk gewest een spectaculaire groei kent, blijkt ook uit de gedetailleerde bevolkingstabellen die we van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse ontvingen. In 2000 werden in de negentien gemeenten amper 220 Guineërs geregistreerd. Dertien jaar lager vormen ze met 4.214 de op een na grootste gemeenschap uit Subsaharaans Afrika, na de Congolese diaspora die om historische redenen in de voormalige metropool verankerd is. Het is in deze materie echter oppassen geblazen met etiketten. Lang niet alle Guinëers zijn Peul,  dat zullen we tijdens onze reportage ondervinden. In het algemeen kan men in Brussel trouwens beter van een West-Afrikaanse boom spreken. 3.589 Kameroenezen, dat is een dorp in de grootstad. Over Nigerianen, Ghanezen en Togolezen ontvingen we geen aparte cijfers, maar vast staat dat ze zwaar wegen in de restgroep van 10.189 Afrikaanse Brusselaars. In deze cijfers tellen genaturaliseerde immigranten niet mee, net zo min als illegalen. Die laatste groep is zeer omvangrijk, menen insiders die bij gebrek aan data op hun buikgevoel afgaan.

Maggie De Block

Feit is dat Guinëers eruit springen. Nergens weten ze dat beter dan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De asielinstanties worden overstelpt met dossiers uit Guinée-Conakry, een vaste waarde in de top drie van herkomstlanden. 2011 was een uitschieter, met 2.134 asielaanvragen. Vorig jaar waren het er 1.247, nog altijd goed voor een tweede plaats na Afghanistan. Het is geen toeval dat staatssecretaris voor asiel- en migratie Maggie De Block (Open VLD) begin februari op ontradingsmissie naar Conakry vloog.  Zoals bekend kreeg de expeditie een staartje. De Block, die ook president Alpha Condé mocht ontmoeten, keerde terug met afspraken over gedwongen, collectieve repatriëring van uitgeprocedeerde asielzoekers. Op 17 maart zou een eerste beveiligde vlucht met 27 rapatriés, eerder verzameld in verschillende gesloten asielcentra, uit Melsbroek vertrekken. Zou, want de Guinese autoriteiten weigerden op het allerlaatste nippertje hun toestemming tot landing, tot grote woede van De Block die zich voor schut gezet voelde.

Het effect van de hele ontradingsmissie valt overigens af te wachten, zeker omdat Guinese asielzoekers allesbehalve kansloos zijn. “Het beschermingspercentage schommelt rond de 20 procent”, zegt Commissaris-Generaal Dirk Van Den Bulck. “Tussen 2009-2011, de woelige periode van de eerste democratische presidentsverkiezingen, liep het zelfs tegen de 30 procent. Massale politiek vervolging zien we intussen niet meer, maar er zijn nog altijd problemen voor bepaalde categorieën zoals kritische journalisten. Typisch voor Guinëers is de veelheid van factoren die ze inroepen, waarbij ze politieke vervolging en etnische discriminatie door elkaar mengen. Vrouwen halen meestal andere vluchtmotieven aan. Vrees voor een gedwongen huwelijk, of voor genitale verminking van hun dochter. Ook discriminatie van homo’s horen we de jongste jaren steeds vaker”.

Ook de economische migranten, viervijfden van het totaal dus, putten uit deze opties. Armoede is immers geen vluchtmotief, maar wel een realiteit in Guinée-Conakry. Het West-Afrikaanse land, de voorbije weken geteisterd door een dodelijke ebola-epidemie, bengelt onderaan in alle ontwikkelingsindexen.  De migratiedrang is groot, constateert Van Den Bulck. “Guinéers zien migratie haast als een vanzelfsprekend recht, ze zijn ervan overtuigd dat ze een kans verdienen op een nieuwe toekomst in een nieuw land. Behalve Frankrijk komt België daarbij prominent in beeld. Vanwege de taal, uiteraard. Maar bij asielstromen spelen altijd verschillende elementen. De aanwezigheid van een eigen gemeenschap is cruciaal, ze vergroot de kansen om economisch te overleven. Echte filières zoals bij Afghanen en Pakistani zien we niet, al zijn er gevallen van identiteitsfraude bekend. We stellen trouwens vast dat vele Guineërs de strenge controles op Zaventem vermijden en via de buurlanden binnenkomen. Ook de economische crisis speelt mee. Guineërs die tot 2010 in de Spaanse en Portugese landbouw werkten, zijn de voorbije jaren naar Frankrijk en België afgezakt”.

Afdankertje op weg naar Conakry

Afdankertje op weg naar Conakry

Autoland

Guineërs in Brussel? Je vindt ze in de omgeving van het Klein Kasteeltje, het oudste en bekendste opvangcentrum voor asielzoekers. De buurt valt niet meer weg te denken uit de informele economie van de hoofdstad. Iedere dag staan de stoepen er vol asielzoekers en illegalen met schijnbaar niks om handen. In feite staan ze te wachten tot een bestelwagen hen oppikt voor een onderbetaalde en vaak ongezonde klus. Alle herkomstlanden zijn vertegenwoordigd, maar Guineërs spannen de kroon. Zijn dat nu de economische overlevingskansen voor nieuwkomers in Brussel? Er zijn betere plekken, zo blijkt als we het kanaal richting Anderlecht volgen. Vergeet Matongé, voor Afrikaanse sfeer moet men op het kruispunt van de Heyvaert- en de Liverpoolstraat zijn. De oude fabrieksbuurt vlak bij de slachthuizen van Anderlecht is intercontinentaal berucht. Industrie is er al lang niet meer, fabrieken en depots dienen als parking of garage. Dit is Autoland, de grootste occasiemarkt van Europa. Ook op deze donderdagmiddag gonst het er van de bedrijvigheid. Koetswerken worden op verborgen roestplekken gekeurd, motoren in vrijloop brullen, er wordt gepingeld en gesjacherd dat het een aard heeft. Intussen rijden de opleggers af en aan, verkochte auto’s op weg naar Antwerpen. Op de voorruit kleeft een papier met de bestemming. Douala, Libreville, Cotonou, Dakar, Lomé, Lagos, Abdijan, alle havens op de Afrikaanse Westkust worden bediend. Een naam komt opvallend vaker voor dan alle andere: Conakry.  “De belangrijkste haven voor auto’s in West-Afrika”, zegt Adam Traoré trots. “Conakry is een transitbestemming, heel wat auto’s gaan over land de grens over. Zie je, de voorbije jaren hebben de meeste Afrikaanse landen het voorbeeld van Marokko gevolgd en kwaliteitsnormen opgelegd. Senegal bijvoorbeeld laat geen auto’s van voor 2006 meer binnen, en ook in Liberia en Angola geldt een maximumleeftijd. Guinée kent geen beperkingen, bovendien liggen de invoertaksen nergens lager”.  Adam staat in de open poort van Belgo-Malienne, een Antwerps expeditiebedrijf gespecialiseerd in West-Afrika. Het filiaal in de Liverpoolstraat is de drukste plek van Autoland,  op de stoep is het een permanente samenscholing. Met een schuin oog superviseert Adam het laden van zijn laatste deal, een Nissan jeep van nauwelijks vier jaar oud. “Ik kom hier dagelijks”, zegt hij. “Ook als ik niks in te klaren heb. Belgo-Malienne, dat is het vaste rendez-vous van de Guineërs, hier hoor je alle nieuwtjes ”. Dertien jaar geleden kwam Adam naar België, hij had als student tegen de militaire dictatuur van Lansana Conté betoogd. Asiel heeft hij nooit gekregen, maar hij kon zijn verblijf lang genoeg rekken om een regularisatiegolf te verzilveren.  Moeilijk doet hij er niet over. Die stenen tijdens de studentenbetoging in Conakry waren echt, maar dat belet niet dat hij zich een fortuinzoeker noemt, een economische migrant die in België zijn draai heeft gevonden. “Zoals de meeste Guineërs die je hier ziet”, zegt hij.

Futa Jallon

Toch is de politiek in Autoland nooit ver weg. Op deze donderdag ligt de Europees-Afrikaanse top nog in het verschiet. Ook de Guinese president Alpha Condé komt naar Brussel, een vooruitzicht dat de gemoederen verdeelt. De 76-jarige Condé, een in Parijs opgeleid jurist, politiek gevangene onder de militaire dictatuur, jarenlang balling in Frankrijk, werd in 2010 de eerste democratisch verkozen president van Guinée. De stembusslag werd echter gecontesteerd, net zoals de parlementsverkiezingen die vorig jaar met veel vertraging en een golf van bloedig straatprotest gepaard gingen. Dat scenario dreigt zich te herhalen, in de aanloop naar de locale verkiezingen die nog dit jaar moeten plaats vinden. De oppositie blijft op dezelfde spijker hameren: Waymark Infotech, het Zuidafrikaanse IT-bedrijf dat kiezers registreert, zou met de president onder een hoedje spelen om de uitslag te manipuleren.

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Peul aan de straatkant, Malinké en Susu aan de toogkant

Zonder scherp te stellen op de nuances in de Guinese politiek springen de etnische tegenstellingen in het oog. De Peul, goed voor 40 procent van de bevolking en dominant in economie en handel, voelen zich al van bij de onafhankelijkheid in 1958 politieke tweederangsburgers. Ondanks hun numeriek overwicht mochten ze nooit het presidentschap claimen. Ook na de democratisering botsten hun kandidaten op een coalitie van Malinké en Susu, de andere twee zwaargewichten onder de volkeren die de etnische lappendeken stofferen. Een snelle enquête in de Liverpool- en Heyvaertstraat bevestigt de kloof.  Schiet een Peul aan, en hij brandt Condé af als een corrupte usurpator die zijn land recht naar de afgrond voert.  Vraag het een Malinké zoals Adam Traoré, en hij zingt de lof van zijn volksgenoot die eerbiedig le Vieux of le Professeur wordt genoemd.  Goed bezig, alleen heeft hij meer tijd nodig om de corruptie uit te roeien en de wantoestanden uit het verleden recht te trekken.  De uitbater van het koffiehuis naast Belgo-Malienne, een Marokkaanse Molenbekenaar, kent zijn pappenheimers. “De Peul zitten bij voorkeur aan de straatkant, de anderen kiezen voor de tafels dichter bij de toog. Ca discute fort, maar alleen als het over politiek gaat. Door de bank genomen zijn Guineërs rustige klanten”. Moussa Diallo, een 63-jarige Hadj-veteraan met een grijze baard, drinkt zijn thee aan een tafeltje dicht bij de deur. Peulgebied, we konden het ook uit zijn naam afleiden. Van Moussa vernemen we de alternatieve benaming voor het kruispunt Liverpool-Heyvaert, de pleisterplaats van de Peul. Dat is dus de Futa Jallon, naar het gelijknamige gebergte in centraal Guinee dat het hartland van de Peulgemeenschap vormt. Etnische balkanisering op microniveau? Net wanneer de conclusie zich opdringt, schudt Moussa volgende anekdote uit de mouw. “Gisteren probeerden enkele jonge Arabieren een fiets van een Guineër te stelen. Hun plannetje is mislukt, want we zijn er allemaal achteraan gegaan. Als één man, Guineërs onder elkaar. Trouwens, ook de Congolezen en de Nigerianen deden mee. Als het er op aankomt, trekken Afrikanen aan een zeel”.

nomaden

Enkele dagen later. Betoging op het Schumanplein. Routine, het kantoorvolk uit de buurt slaat er geen acht op. Ook de politieagenten staan er ontspannen bij. Geen verkeershinder, de hele betoging past op een forse vluchtheuvel. Met een zestigtal zijn ze, Guineërs bewapend met spandoeken. ‘Condé Assasin!’, luidt de boodschap die ze aan de vooravond van de Europees-Afrikaanse top brengen.  We krijgen pamfletten in handen gestopt, iemand komt met vuur betogen dat de oppositie niet als een loutere Peul-aangelegenheid kan worden afgedaan. Toch is het al Diallo, Bah en Barry dat de klok slaat. Peul, net zoals Salam Sow wiens familienaam slechts nipt buiten de top tien van FOD Economie is gevallen. Driekwart van alle Guinëers in Brussel is Peul, Salam noemt het een voorzichtige schatting. Hij woont hier zelf al achttien jaar, een afgewezen maar geregulariseerde asielzoeker met twee kinderen die als echte Zinnekes in de Marollen opgroeien. Salam geldt als een spilfiguur in de Peul-gemeenschap die verrassend sterk georganiseerd is. “Iedere stad in de Futa Jallon heeft hier een eigen vereniging”, legt hij uit. “Kindia, Gaoual, Labé, Dalaba, Mamou, Mali, ze hebben allemaal een vertegenwoordiger, ik ben trouwens zelf de verantwoordelijke voor de gemeenschap uit mijn geboortestad Télimélé. Onze rol is vooral ceremonieel, we treden op bij huwelijken, geboorten en sterfgevallen. Maar we organiseren ook een eigen voetbalcompetitie. De finale vorig jaar heeft meer dan 500 toeschouwers gelokt, allemaal Guineërs”.

betoging tegen president op Schumanplein

betoging tegen president Alpha Condé op het Schumanplein

De betoging loopt zonder incidenten af, we duiken samen de metro in. Salam geeft tijdens de rit een eigen visie op een zaak die de hele gemeenschap beroert, de geaborteerde poging om 27 uitgeprocedeerde asielzoekers met een beveiligde vlucht te repatriëren. “Paniekvoetbal van de president”, zegt hij schamper. “Hij heeft in februari toezeggingen gedaan aan De Block, maar hij was toen te laf om dat aan de bevolking te vertellen. In de plaats daarvan heeft hij mist gespoten. Guinée zou toelating hebben geven voor gedwongen repatriëringen, maar alleen voor criminelen. Blijkbaar had hij niet verwacht dat De Block er zo’n haast zou mee maken. De poppen gingen aan het dansen toen bekend raakte dat de eerste 27 rapatriés helemaal geen criminelen waren, maar onschuldige landgenoten onder wie ook vrouwen en kinderen. Daarop is een storm van protest opgestoken, in Guinée maar ook in België. Migratie is een geladen thema,  iedere Guinese familie heeft wel iemand in het buitenland zitten. Vooral bij de Peul ligt het gevoelig. We zijn een volk van nomaden, reizen en plantrekken zit ons in het bloed”.

Zwarte schepen

Bea Diallo (42) heeft zijn roots in Mali, een stad in de Futa Jallon op de grens met Senegal. Een halve Peul, zijn moeder is een Wolof uit Senegal. De band met de heimat is vooral sentimenteel. Deze diplomatenzoon groeide op in Parijs, tot hij als vijftienjarige naar Brussel verhuisde. In boksmiddens klinkt zijn naam als een klok, Bea Diallo won als halfzwaargewicht verschillende Belgische en internationale titels.  Minstens even trots is hij op een ander exploot:  de eerste Guineër die zich in de Belgische politiek heeft gemanifesteerd. De zwarte PS’er is schepen in Elsene en lid van het Brussels parlement.  “Ik heb de gemeenschap zien groeien”, zegt hij. “Een eerste golf twintig jaar geleden, een tweede in de periode 2009-2010, en vorig jaar is alweer een nieuwe lichting gearriveerd. Altijd gebeurde dat tegen een achtergrond van electorale spanningen, met straatgeweld en repressie. Okay, de meeste Guineërs komen uit economische noodzaak. Maar is dan niet even goed een politiek motief? Guinée is een vruchtbaar land, rijk aan bodemschatten. Hoe komt het dan dat het straatarm is? Wanbeleid door politici, vroeger en nu.  Alpha Condé is geen Peul, maar ik was enthousiast bij zijn verkiezing in 2010. Een Westers geschoold intellectueel, die zou het land uit de slop halen. Drie jaar later ben ik diep ontgoocheld. Condé heeft er niks van gebakken”.

Twee jaar geleden trad hij zelf op de voorgrond toen rellen uitbraken in de Congolese wijk Matongé. Bea Diallo wist als plaatsvervangend burgemeester de gemoederen te bedaren, een exploot waarbij zijn prestige als straatwijze bokskampioen van pas kwam.  Het stoort hem overigens dat nogal wat buitenstaanders Afrikanen in Brussel automatisch voor Congolezen aanzien. “Absurd”, zegt hij. “Alsof je Italianen en Finnen op één hoop zou gooien. Guineërs hebben bijvoorbeeld niks met Matongé. Ze wonen vooral in Schaarbeek, Molenbeek, Anderlecht en bepaalde wijken van Brussel Stad. Buurten waar ook veel Marokkanen wonen en moskeeën staan, we zijn tenslotte moslims onder elkaar”. Bea, vader van vier, is ervan overtuigd. Zijn gemeenschap is wortel aan het schieten. In Brussel waar tweederden van alle Belgische Guineërs wonen , maar ook in steden als Antwerpen en Luik.  “De PS was een voorloper”, zegt hij, “bij de vorige verkiezingen was ik de enige Guinese kandidaat. Met goed resultaat, en dat hebben de andere partijen ook in de gaten. Op 25 mei pakken zowel Ecolo als CdH met een Diallo en een Bah uit. Zelfs de MR heeft een Guinese kandidaat gestrikt, een Diallo”.

Mamadou Bah,  kandidaat  Ecolo voor de Brusselse verkiezingen. .

Mamadou Bah, kandidaat Ecolo voor de Brusselse verkiezingen

Le Doyen

De vraag is of Sansi Bah plaats genoeg vindt om de affiches van al die kandidaten op te hangen. De vitrine van zijn kruidenierswinkel in de Rogierstraat zal alleszins niet volstaan. Het was Salam Sow die ons op weg naar de bescheiden nering heeft gezet. Het precieze adres kende hij niet, maar hij dropte namen als Brabantstraat, Poststraat, Paleizenstraat en Liedtsplein, coördinaten die naar een dichtbevolkte, ietwat verloederde buurt achter het Noordstation leidden. Salam had niet overdreven, naast Autoland is dit een tweede Brusselse buurt waar de Guineërs het straatbeeld kleuren. In de Poststraat is onlangs een nieuwe moskee geopend, de eerste in Brussel waar een Peul als imam voorgaat. Guinese kappers, kruideniers, telefoonwinkels, de concurrentie is groot. Sansi Bah heeft echter een troef: hij is de enige die zich le doyen mag noemen, de ouderdomsdeken van de Brusselse Peul-gemeenschap. “Ik was hier de allereerste”, zegt de 67-jarige die zijn titel van deken cumuleert met die van vertegenwoordiger van het in de Futa Jallon gelegen stadje Pita. “Ik ben in 1992 gearriveerd als asielzoeker. Het statuut heb ik niet gekregen, maar intussen ben ik al lang geregulariseerd”. Voor de deur staat zijn zwarte Mercedes, tweedehands maar glimmend als een spiegel.  “België is een goed land”, mompelt hij tevreden.  De vijf mannen aan de winkeltoog spreken hem niet tegen. Er wordt niks gekocht, ze zijn hier om te babbelen. We brengen het bezoek van de president te berde. Waarom hij als doyen van de Peul niet gaan betogen is op het Schumanplein? Sansi haalt de schouders op. “Er is veel cinema bij”, zegt hij. “Ik ken er die daar tegen de president stonden te betogen, terwijl ze hem volgende week op de luchthaven of op de ambassade persoonlijk gaan begroeten”.

Een frêle man komt binnen, smetteloos in een sportief jasje. Hij stelt zich voor als Mamadou Saliou Bah (43) en bleek naar ons op zoek. Zo maken we kennis met een tweede Guinese kandidaat voor het Brussels parlement. Mamadou, houder van een ULB masterdiploma internationale betrekkingen, komt op voor Ecolo. Hij wou de kans niet missen om via de Vlaamse pers zijn engagement te onderstrepen, ook al omdat de communautaire tegenstellingen in zijn nieuwe vaderland hem als politicoloog erg boeien.  “Inburgering is een werk van lange adem”, betoogt hij. “Ik wil dat proces mee helpen begeleiden, daarom ben ik ook een opleiding gaan volgen bij het Centre Bruxellois d’Action Interculturelle. We moeten op verschillende fronten werken. Vooroordelen bestrijden bij de Belgen, maar ook waakzaam blijven voor onze eigen jeugd. Guineërs belijden traditioneel een gematigde, tolerante variant van de Islam. Dat moet zo blijven, we mogen niet toelaten dat Salafisten of andere extremisten een voet tussen de deur krijgen”.  Hij vist een kaartje uit zijn boekentas, er steekt ook een Franse vertaling van “Tegen Verkiezingen” in, het essay van David Van Reybroeck over het democratisch vermoeidheidsyndroom waarvan hij zelf geen last heeft. “Ik heb bewust voor de politiek gekozen. Ik weet niet hoe het met de andere Guinese kandidaten zit, maar ik voel me geen alibi-kandidaat. Ik ben meer dan lokaas om de electorale vijver van mijn gemeenschap leeg te vissen, ik wil de dingen veranderen”. Afspraak op 25 mei in Brussel. Bah versus Diallo, het wordt een wedstrijd binnen de wedstrijd.

 

De jacht op schijnhuwelijken

(Knack, 4 november 2013)

“Liefde heeft er niks mee te maken”

 

foto: Saskia Vanderstichele

foto: Saskia Vanderstichele

De muren van Fort Europa reiken steeds hoger, en België bouwt dapper mee. Bijna geruisloos is per 3 oktober de nieuwe wet op schijnhuwelijken van kracht geworden. Met dit instrument in handen moeten de bevoegde instanties  een van de laatste poorten voor economische migratie afgrendelen. Nergens stond die poort wijder open dan in Brussel. Twee Vlaamse politievrouwen getuigen over de jacht op schijnhuwelijken in de hoofdstad.

 

Wendy Coremans (32) en Kathleen Calie (50) kunnen de nieuwe wet alleen maar toejuichen. Eerstgenoemde draait al zes jaar mee in de cel Schijnhuwelijken in politiezone Brussel Noord, de eerste in ons land. De voorbije twee jaar stond Coremans er aan het hoofd. De expertise, opgedaan in Schaarbeek, Sint-Joost en Evere, sijpelde door naar andere korpsen in de hoofdstad. Zo ging eind vorig jaar ook politiezone Brussel Zuid met een gespecialiseerde, zevenkoppige cel van start. Kathleen Calie is de verantwoordelijke die in Anderlecht, Sint-Gillis en Vorst de jacht op schijnhuwelijken coördineert. Hoe doe je dat, ware van valse liefde onderscheiden, laat staan oprechte van frauduleuze trouwplannen? Twee Vlaamse politievrouwen getuigen over de poreuze grens tussen nep en oprecht op de Brusselse huwelijksmarkt.

–          Waarom is de strijd tegen schijnhuwelijken zo belangrijk?

Kathleen Calie: “Omdat het voor illegalen zowat de enige manier is om nog aan papieren te geraken. Asiel aanvragen, studentenvisa onbeperkt verlengen, al die poortjes zijn door de strengere regelgeving nagenoeg gesloten. Zo blijft alleen nog het schijnhuwelijk over, een piste die tot voor kort nauwelijks werd gecontroleerd. In onze politiezone werd vroeger de wijkagent ingeschakeld als er een vermoeden van schijnhuwelijk bestond. Dat werkte niet goed. Wijkagenten zijn daar niet voor opgeleid, en ze hebben geen tijd voor echte controles die bovendien vloeken met hun rol als vertrouwenspersoon”.

Wendy Coremans: “Kleine gemeenten schakelen nog altijd de wijkagent in, als ze al controleren. Positief is wel dat het shoppen achteruit gaat. Toen wij in 2006 begonnen, ging het er zo aan toe: een koppel bood zich aan bij de ambtenaar van burgerlijke stand, de instantie die finaal moet beslissen of een burgerlijk huwelijk al dan niet kan worden gesloten. Als hij onraad rook en weigerde, trok dat koppel naar een andere gemeente waar de ambtenaar geen weet had van hun eerdere poging. Dat is fel verminderd, sinds de gemeenten verplicht werden alle gemengde huwelijksaanvragen van een EU-burger en een illegaal bij de Dienst Vreemdelingenzaken aan te geven, waardoor de DVZ ook kan nagaan of de betrokkene al eerdere pogingen heeft ondernomen”.

–          Wat is de rol van de politie bij een schijnhuwelijk?

Coremans: “Stel een koppel waarvan één partner geen papieren heeft, komt bij de ambtenaar van burgerlijke stand een datum voor een huwelijk vragen. De ambtenaar twijfelt echter. Omdat de antwoorden op zijn vragen over hun relatie hem niet overtuigen. Of omdat het DVZ-dossier verdachte elementen bevat, dat kan een eerder huwelijkspoging zijn, maar even goed een afgewezen asielaanvraag of een studentenvisum waar geen enkele inschrijving in een school tegenover staat. In dat geval stelt hij zijn beslissing uit en schakelt het Parket in dat de politie met een onderzoek gelast. We hebben dan twee maanden om een advies te geven, op basis van minstens twee onaangekondigde  huisbezoeken en een interview met elk van de partners. Dat moet simultaan of opeenvolgend, zodat ze hun verhaal niet op elkaar kunnen afstemmen. Bij een negatieve beslissing kunnen de kandidaat-trouwers beroep aantekenen, en dan krijgen we drie maanden extra tijd om bijkomend onderzoek te verrichten”.

Calie: “Schijnhuwelijken zijn de eigen materie waarin we het Parket ons advies vraagt, in alle andere onderzoeken beperken we ons tot loutere constateringen. Onze mening is zelfs doorslaggevend, het gebeurt zelden dat het parket of de ambtenaar van burgerlijke stand ons advies naast zich neerlegt”.

Coremans: “Die adviesrol werkt erg motiverend, maar de verantwoordelijkheid weegt zwaar. Trouwen is een mensenrecht. Het laatste wat we willen, is iemand zijn huwelijksgeluk in de weg staan. We gaan objectief en zorgvuldig tewerk. Een advies schijnhuwelijken, dat loopt snel uit tot tien pagina’s”.

Kathleen Calie (foto Saskia Vanderstichele)

Kathleen Calie (foto Saskia Vanderstichele)

–          Met welke nationaliteiten _ de Belgische buiten beschouwing gelaten _  worden jullie het vaakst geconfronteerd?

Calie:  “In onze zone zijn dat Marokkanen, wat logisch is gezien de samenstelling van de bevolking. In Schaarbeek en Sint-Joost hebben ze om die reden meer met Turken te maken hebben. Afgezien daarvan is diversiteit troef. Ik zie bijvoorbeeld veel Brazilianen, een gemeenschap die in Sint-Gillis een ongelooflijke expansie kent. Ook Afrikanen zijn vaste klanten, vooral Kameroenezen en Ghanezen. Meestal zijn dat mannen die een rijpere Belgische vrouw strikken voor een grijs huwelijk, een term die we gebruiken als een van de partners oprecht verliefd is. ”.

–          Komt dat vaak voor?

Coremans: “Toch wel. Een echt schijnhuwelijk is duur, we horen bedragen tussen 7.000 en 9.000 euro. Er wordt in schijven betaald: 2.000 bij het sluiten van de deal, 2.000 na het bezoek aan de burgerlijke stand, de rest als de verblijfsvergunning in orde is. Niet iedereen kan dat betalen. Wie geen geld heeft en toch aan papieren wil geraken via een huwelijk, moet proberen hier een partner te versieren. Meestal zijn het de mannen die de vrouw manipuleren, al kan het ook andersom, ik heb zelfs al twee grijze homohuwelijken onderzocht. Grijze huwelijken leiden vaak tot schrijnende toestanden. Na drie jaar kan men scheiden zonder de voordelen te verliezen die aan het huwelijk waren gekoppeld, denk aan de verblijfsvergunning maar ook aan sociale zekerheid of een uitkering. Dus wat zien we vaak gebeuren? Na drie jaar en één dag trapt manlief het af, in sommige gevallen blijft de vrouw zelfs achter met een kind. Bébés papiers, een nieuwe trend. Kinderen worden speciaal verwekt om een schijnhuwelijk te doen lukken”.

–          Hoe bewijs je dat een gepland huwelijk grijs is?

Coremans: “Erg moeilijk, want ze weten hun slachtoffers te kiezen. Vaak oudere vrouwen die in de puree zitten. Twee keer gescheiden, werkloos met een stel kinderen,  eenzaam en snakkend naar affectie. Of anders pikken ze er jonge meisjes uit die hun ganse leven in een instelling hebben gezeten en nooit liefde hebben gekregen, die vallen voor de eerste de beste don Juan. Hoog opgeleide vrouwen komen we zelden of nooit tegen”.

Calie: “Je mag nooit op het uiterlijk afgaan, maar soms zie je het meteen. Als een zwaarlijvige vrouw met een slecht gebit en onverzorgd haar komt aanzetten met een veel jongere gigolo, dan klopt er iets niet. Ik zeg dat ook vlakaf tegen zo’n gast, maar dan voeren ze hun nummertje op. ‘U vergist zich. Ze is echt de liefde van mijn leven, ik val trouwens op mature vrouwen”.

–          Moet je zo’n vrouw niet op andere gedachten brengen?

Coremans: “Sneller gezegd dan gedaan. Verliefde vrouwen, dat is het ergste wat er bestaat, die zijn voor geen rede vatbaar. Tranen dat er tijdens zo’n gesprek vloeien. Ik heb altijd een doos kleenex op mijn bureau staan, op het einde van de week is die leeg”.

Calie: “Ik ben daar hard in. Mevrouw, zeg ik, bekijk nu eens die twee foto’s. Gelooft ge nu echt dat die bink op u verliefd is, terwijl er zoveel jonge, knappe meisjes rondlopen? Maar zoals Wendy zegt, ze willen niet luisteren”.

–          Jullie opdracht is niet alleen preventief. Behalve geplande huwelijken worden ook afgesloten huwelijken onderzocht. Op welke basis?

Coremans: “Als er een klacht wordt neergelegd en uit ons onderzoek blijkt dat die gegrond is, kan de procureur voor de rechtbank de nietigverklaring vorderen. Dat is altijd een race tegen de tijd, want als het koppel na drie jaar uit elkaar gaat, wordt het veel moeilijker om de verblijfstitel nog ongedaan te maken. Meestal start zo’n onderzoek  met de wijkagent die vaststelt dat een pas getrouwd koppel helemaal geen gemeenschappelijk leven heeft. Of we krijgen een tip van familie of buren, doorgaans mensen uit dezelfde cultuur.  We springen daar voorzichtig mee om, want soms schuilt er een aanslepende vete achter. Vaak zijn de tipgevers slachtoffers van grijze huwelijken die nattigheid voelen. We zijn pas getrouwd, komen ze dan vertellen,  maar mijn man ziet mij niet meer staan”.

Calie: “Je moet dat soms wel met een korrel zout nemen. Er komen ook klachten van partners die willens wetens in een schijnhuwelijk zijn gestapt, maar zich anders voordoen. Ze stappen naar de politie omdat de andere zich niet aan de afspraken heeft gehouden, door bijvoorbeeld te verdwijnen zonder te betalen zodra hij zijn papieren heeft. Dan krijg je vaak het hele verhaal. Dat de man papieren wilden om een uitkering te versieren. Twee keer langs de kassa passeren dus, want ’s nachts ging hij al in het zwart werken in de Abatoir.  We moeten daar niet flauw over doen, ze willen allemaal in België verblijven voor onze sociale voorzieningen ”.

Coremans: “Via dat soort klachten kennen we ook de tarieven voor een schijnhuwelijk. Dat staat nergens op papier, alles gaat handje contantje. Schijnhuwelijken zijn keiharde business, en het is de partner met papieren die meestal de eisten stelt. Och arme, denk je, als je weer zo’n jong meisje met een veel oudere man ziet opdagen. Maar dat meisje heeft haar condities opgelegd, en niet alleen financieel. ‘Okay’, zegt ze, ‘je mag een paar onderbroeken in mijn kleerkast komen leggen. En je mag twee maanden komen logeren, de periode waarin de politie een onaangekondigd huisbezoek kan brengen. Maar jij slaapt op de bank en handen thuis. En na die twee maanden eruit, zonder discussie’.  Als je in het rijksregister kijkt, ontdek je vrouwen die al vijf keer getrouwd zijn, om de drie jaar een nieuwe man. Die hebben een half appartement met schijnhuwelijken afbetaald”.

Wendy Coremans (foto Saskia Vanderstichele)

Wendy Coremans (foto Saskia Vanderstichele)

–          Liefde en huwelijk zijn cultureel bepaalde concepten. Is het dan niet lastig om pakweg Marokkaanse of Turkse trouwplannen te beoordelen?

Calie: “We zijn daar voor opgeleid. Ik heb mijn team laatst nog naar een studiedag over het huwelijk in Marokko en het functioneren van Marokkaanse families gestuurd. Anderlecht is ook geen dorp, ik ga al dertig jaar dag in dag uit met mensen van alle mogelijke culturen om. In ons korps zitten intussen verschillende allochtonen, en we kunnen altijd ook op onze tolken terugvallen”.

Coremans: “Ach, je leert het ook al doende. Toen ik zes jaar geleden begon, stond ik versteld dat Afrikaanse vrouwen over hun man als ‘monsieur’ spraken. Zo afstandelijk, dacht ik, dat zal wel een schijnhuwelijk zijn. Intussen weet ik dat het om een traditie gaat”.

Calie: “Voor alle duidelijkheid: met liefde heeft ons werk weinig te maken. Partners hoeven helemaal niet verliefd te zijn om een wettelijk huwelijk aan te gaan. Een gearrangeerd huwelijk?  Perfect legaal, zolang het opzet niet frauduleus is. Dat is onze kerntaak: aantonen dat het de trouwers alleen om de papieren te doen is”.

–          Welke vragen stellen jullie tijdens een interview?

Coremans: “Vroeger gebruikten we een vaste vragenlijst, totdat we ontdekten dat die op allerhande internetfora circuleerde. Sommigen zaten in de wachtzaal met een kopie in de hand. Het begon op te vallen, ze gaven het antwoord al voor het einde van de vraag”.

Calie: (grinnikt) “Ook meegemaakt: een man kon een vraag niet beantwoorden. Maar ik weet wel hoeveel ze weegt, zei hij fier. Ik was helemaal niet van plan die vraag te stellen, maar ze stond wel op de lijst die ze van het internet halen”.

Coremans: “Grijze huwelijken zijn moeilijk te bewijzen  omdat de partners echt samenleven en elkaar goed kennen. Maar een echt schijnhuwelijk? Als je goed doorvraagt, vallen de meesten door de mand. Variatie inbouwen, is de kunst, en thema’s uitdiepen. Hoe goed kennen ze de gezinsituatie van hun aanstaande? Als je op trouwen staat, mag je wel weten hoeveel broers en zussen je partner heeft”.

Calie: “Sommige verhalen zijn echte evergreens. Marokkanen bijvoorbeeld hebben elkaar altijd in hetzelfde café ontmoet, op de hoek naast de Beurs”.

Coremans: “Oh ja? Bij ons zijn tram 55 en het Atomium de klassiekers. En als ik naar hun voorbije weekend pols, zijn ze altijd een snack gaan eten”.

–          Hoeveel foute antwoorden kan een stel zich permitteren?

Coremans: “Het is echt niet zo dat we voor de minste tegenspraak negatief adviseren. Een paar missers, dat zou mij ook overkomen. Maar wat als de versies helemaal uiteenlopen? De vrouw zegt dat ze het hele weekend samen televisie hebben gekeken, terwijl de man beweert dat hij de hele tijd in de garage van zijn buur aan een auto heeft zitten sleutelen. Het blijft me verbazen hoe slecht ze zich voorbereiden. Eén gezamenlijk cafébezoek volstaat echt niet om de violen gelijk te stemmen en ons te misleiden”.

Calie: “Soms zitten ze in de wachtzaal nog te bespreken wat ze ons gaan wijsmaken. Dat valt natuurlijk op, onze collega’s van het onthaal hebben hun ogen ook niet in hun zak. Ik heb er al eentje betrapt die tijdens het interview onder de tafel zat te sms’en naar zijn vrouw in de wachtzaal. Sindsdien moeten alle gsm’s tijdens het gesprek op tafel”.

–          Stellen jullie ook intieme vragen? Zelfs over het seksleven van de aanstaanden?

Coremans: “Dat gebeurt. Ze zijn overigens niet verplicht te antwoorden, dat wordt hen bij het begin van iedere sessie duidelijk verteld. Maar intieme vragen kunnen nuttig zijn. De eerste kus, de eerste keer seks, dat zijn vragen waar ze zich op voorbereiden. Vreemd genoeg laten velen zich verrassen als je vraagt wanneer ze het laatst seks hebben gehad. Ik begin daar zelf niet graag over, zeker niet als aan de overkant een piepjong meisje met een hoofddoek zit dat te verlegen is om je zelfs maar aan te kijken”.

Calie: “Latino’s hebben daar geen moeite mee, Brazilianen bijvoorbeeld doen niks liever dan over seks praten. Wat ook een goeie is: heeft uw partner intieme lichaamskenmerken waarvan alleen u op de hoogte bent? Ik vraag dat meestal op het einde, als ik nog twijfels heb. Zo was er een vrouw die meteen opbiechtte dat haar man een schoonheidsvlek op zijn geslacht had.  Bon, dacht ik, dat weten we dan ook weeral. Toen haar man binnenkwam, moest ik dat natuurlijk checken. Een intiem kenmerk waar enkel zijn vrouw van wist? J’ai une tache de beauté sur mon sexe, zei hij, en als u wilt, laat ik het even zien”.

–          Door de strengere controles op schijnhuwelijken prefereren steeds meer gegadigden een verklaring van wettelijk samenwonen. Kunnen jullie daar tegen optreden?

Coremans: “Nu wel, de nieuwe wet geldt ook voor wettelijk samenwonen. Vroeger was het dweilen met de kraan open. Ik heb het zelf gezien op het stadhuis van Schaarbeek: koppels die door de ambtenaar van burgerlijke stand werden geweigerd, gingen een loket verder een ticket nemen voor wettelijke samenwonen. Dat werd niet gecontroleerd, terwijl het statuut evengoed recht geeft op een verblijfsvergunning en andere voordelen”.

–          Klinkt als het eeuwenoude spel van stropers en boswachters.

Calie: “De creativiteit kent geen grenzen. We hebben het nog niet over carrouselhuwelijken gehad, in Anderlecht een specialiteit van de Pakistani. Ze zijn getrouwd in Pakistan, maar zien meer toekomst in België. Wat doen ze dan? Ze scheiden ginder, en verhuizen naar België waar ze een schijnhuwelijk aangaan. Na drie jaar scheiden ze opnieuw, en hertrouwen in Pakistan met hun eerste vrouw. En dan komt het doel in zicht: na een paar jaar kunnen ze de hele familie met kinderen en al in het kader van gezinshereniging naar België laten overkomen”.

Coremans: “Ik heb een grijs carrouselhuwelijk gekend van een Belgische vrouw met een veel jongere Marokkaan. Hij had een tatoeage op zijn borst, van zijn moeder zogezegd. De vrouw was tot over haar oren verliefd en geloofde alles, ook dat hij drie jaar lang geen seks wilde omdat hij haar zo erg respecteerde. Natuurlijk heeft hij haar in de steek gelaten zodra zijn statuut in orde was, ze was er intussen trouwens achter gekomen dat de naam op zijn borst die van zijn Marokkaanse echtgenote was.  Zie je, dat is een verhaal op zich. Die Marokkaanse echtgenote stond eerst sceptisch tegenover het plan. Migreren naar België via een schijnhuwelijk?  Allemaal goed en wel, maar wat als je ginder echt verliefd wordt? Om haar gerust te stellen, heeft hij die tatoeage laten zetten”.

–          Is België een dankbaar land voor huwelijksmigranten?

Coremans: “Toch wel. In Nederland is de wet veel strenger, daarom is de Belgische route er zo populair. Een illegaal komt met een Nederlands meisje naar België, ze doen hier een huwelijksaanvraag en keren terug zodra de papieren in orde zijn.  Ze kunnen ook blijven plakken, of terugkeren maar toch een fictief adres aanhouden zodat ze hier een uitkering kunnen ontvangen.

–          hoe schoon toch, de liefde. Kunnen jullie daar zelf nog in geloven?

Calie: “Mijn maken ze niks meer wijs, ik ben intussen trouwens zelf een gescheiden vrouw van vijftig”.

Coremans: “Geloof het of niet, maar ik ben een maand geleden met mijn  vriend getrouwd”.

 

 

Bleri Lleshi: filosoof-opiniemaker over het Land van Aankomst

 

 verschenen in Zeno, weekendbijlage De Morgen, 19 augustus 2012

 

 

 

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

 

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.  

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/

 

 

Identiteit is een gelaagd gegeven, net zoals de ajuin. Niemand die dat beter beseft dan de Belgisch- Vlaams-Brusselse Albanees Bleri Lleshi (31). Zo gelaagd als zijn achtergrond, zo divers is zijn curriculum. Behalve docent filosofie en economie, jeugdwerker en documentairemaker is hij een onvermoeibare blogger en tegendraadse opiniemaker. Seksisme in de Brusselse straten? Geweld van allochtone jongeren tegen de politie? “Kijk eerst en vooral naar de socio-economische context”. De verontwaardigde lezersbrieven zijn nu al onderweg.

 

Bleri Leshi zou zichzelf een modelmigrant kunnen noemen mocht hij dat willen. Inburgeren? De Albanese Brusselaar heeft zich in een mum van tijd de twee voornaamste landstalen eigen gemaakt. Lokale verankering? Hij heeft vrienden bij de vleet en kent het verenigingsleven zoals een spin haar web.  Werk zoeken? Lleshi, aan de VUB afgestudeerd als politiek wetenschapper, weet niet waar eerst zijn handen uitgestoken. Hij doceert in Antwerpen, schrijft boeken, regisseert documentaires en begeleidt kansarme jongeren. Maar vooral: hij timmert via zijn meertalige blog aan de weg met scherpe opiniestukken die steeds vaker de Vlaamse media beroeren.  Zijn favoriete thema _ de groeipijnen van de multiculturele samenleving _ is dan ook brandend actueel. De voorbije maanden stroomde de inspiratie als een klaterende beek:  seksisme in de Brusselse straten, de uitwijzing van de Afghaanse asielzoeker Parwais Sangari, rellende hangjongeren en politiegeweld, het hengelen naar de allochtone stem in de kiescampagne. Lleshi bekijkt het allemaal door een geëngageerde bril, want linkser dan deze gretige Marx-lezer worden ze niet meer gemaakt. Het neoliberale bestel is de grote vijand, maar vaak treffen zijn scherpste pijlen linkse doelen. Er wordt overigens teruggeschoten. Zijn commentaar bij de ophefmakende documentaire ‘Femme de la Rue’ kwam hem op de toorn van menige feministe te staan.  

Desalniettemin:  België, Land van Aankomst, heeft er een kritische burger met een constructieve agenda bij. Verbeter de wereld, luidt zijn moto, begin in je eigen buurt. In Brussel dus, de stad die hij op zijn achttiende ontdekte en die hij intussen als een geboren Zinneke bemint. Over zijn migratie van Albanië naar België zal hij slechts mondjesmaat en pas na hardnekkig porren vertellen. “Mijn persoonlijk verhaal doet weinig ter zake”, zegt hij wanneer we hem in zijn appartement nabij het Elsense Flageyplein opzoeken. “Ik wil dat er naar mij wordt geluisterd omwille van mijn boodschap, niet omwille van mijn persoon of mijn achtergrond.  Ik wil bovendien vermijden dat ze me in het hokje van de modelmigrant duwen. Want hoe vaak heb ik het al niet gehoord? Waren alle allochtonen maar mensen zoals jij, die studeren, werken en goed geïntegreerd zijn. Waarom ik dat haat? Rolmodellen worden gebruikt om stereotiepen te benadrukken. Alsof een allochtoon pas een volwaardige burger wordt wanneer hij een universitair diploma heeft, zes talen spreekt en boeken schrijft”.

–          de heisa over seksuele agressie tegen vrouwen in de Brusselse straten zindert na. U wierp zelf een steen in de kikkerpoel met een pleidooi om de sociaaleconomische context van de vuilbekkende jongeren niet uit het oog te verliezen. U nam ook Ter Zake-anker Kathleen Cools op de korrel omdat het ze het fenomeen tot een probleem van allochtonen en moslims zou hebben herleid. Waarop Cools dan weer van zich afbeet door jou een struisvogelhouding te verwijten. Kansarmoede kan geen alibi zijn om vrouwen op straat te bepotelen of verbaal te molesteren. Ja toch?

Lleshi: “Voor alle duidelijkheid: ik keur seksuele agressie niet goed. Sofie Peeters heeft haar documentaire in de Anneessenswijk gedraaid. Die buurt ken ik door en door, ik heb er met jongeren gewerkt en me vaak zelf aan machogedrag op straat geërgerd. Mijn opiniestuk was niet bedoeld om die uitwassen te vergoelijken, ik wilde alleen vermijden dat het debat bleef steken in het zoveelste potje schelden op Brusselse jongeren. Als we het probleem willen oplossen, moeten we wel naar de onderliggende oorzaken kijken. En ja, dan kun je niet om de sociaaleconomische realiteit heen. Armoede, werkloosheid, slechte huisvesting, dat zijn de kwalen die we moeten aanpakken. Of dacht je echt dat we dit probleem met het uitdelen van GAS-boetes gaan oplossen, zoals de Brusselse burgemeester aankondigt? Ik probeer mij nu al de verwarring op het politiekantoor in te beelden. Bewijs als vrouw maar eens dat een man je in het voorbijlopen op een seksistische manier heeft bejegend”.

–          Wat met de factor cultuur? Negen van de tien agressors zijn jonge, allochtone mannen van hoofdzakelijk Marokkaanse origine. Zegt niet Kathleen Cools, maar reportagemaakster Sofie Peeters…

Lleshi: “Is dat echt zo? Ik heb nergens in de documentaire gehoord dat het om Marokkanen gaat, laat staan om moslims. Hoe kun je trouwens op iemands gezicht zien dat het om een moslim gaat? Ik heb veel moeite met die culturele factor. Het ligt aan de religie, hoor ik sommigen zeggen, die jongeren zijn seksueel gefrustreerd. Sorry, maar wie dat beweert, bewijst alleen maar dat hij niks snapt van de grootstedelijke jeugd. Ik wil die mensen graag meenemen op een rondleiding in Brussel. Ga kijken in scholen en jeugdhuizen, geef je ogen de kost in de metro. Marokkanen of Turken, hoe jonger ze zijn, hoe vrijer beide geslachten met elkaar omgaan. Achteraf bekeken denk ik dat mijn column een positief effect heeft gesorteerd, want het debat is er een stuk genuanceerder op geworden. Sofie Peeters onderstreept nu zelf het belang van werkloosheid en kansarmoede.  In haar documentaire had ze het trouwens ook over de nefaste rol van de reclamewereld in het propageren van de vrouw als lustobject.  Precies wat ik zelf in mijn opiniestuk aan de kaak heb gesteld”.

–          De beetgare thema’s voor uw blog volgen elkaar in ijltempo op. Zo gonsde het de voorbije weken van de berichten over balorige hangjongeren en straatbendes die politiecombi’s bekogelen en agenten aanvallen. Waar komt de haat tegen de politie vandaan?

Lleshi: “Allereerst dit: geweld tegen politie kan in een democratische rechtstaat niet worden getolereerd. Maar we moeten de vraag durven stellen waarom het zo vaak mis gaat. Het antwoord ligt niet voor de hand, want de ene rel is de andere niet. In Anderlecht ging het blijkbaar om opgezet spel, de politie zou in een val zijn gelokt. Dat is iets heel anders dan de incidenten in Etterbeek en Vilvoorde waar het telkens om een uit de hand gelopen identiteitscontrole ging. Ik waag me dus niet aan algemene verklaringen, maar als jeugdwerker in Brussel ben ik wel vertrouwd met deze materie. De schuld ligt niet alleen bij de jongeren, ook de politie moet de hand in eigen boezem steken”.

–          Wat bedoelt u?

Lleshi: “De politie is niet voorbereid op haar taak. Dat de agenten niet in Brussel wonen, is hun goed recht. Maar het is wel een probleem als ze geen voeling hebben met de bewoners, en al helemaal niet met de jeugd.  Er schort wat aan de opleiding, agenten komen niet los van de stereotiepen van allochtonen en jongeren die ze meedragen. Ik wil niet in een vroeger-was-alles-beter-verhaal vervallen, maar ik hoor vaak oudere Brusselaars met heimwee vertellen over de tijd van de wijkagent. Dat was geen boeman, maar iemand die de buurt kende en geen repressieve maar een sociale rol vervulde”.

–          Terug naar de wijkagent, die slogan hoorde ik al toen ik twintig jaar geleden mijn eerste reportages in Brussel maakte. Wie gelooft daar nog in, nu sommige buurten bijna in no-go zones zijn veranderd?

Lleshi: “Geloof me, de aversie beperkt zich niet tot de zogenaamde quartiers chauds. Ik hoorde onlangs een agent van de spoorwegpolitie zijn beklag maken. Tien jaar geleden was er niemand die zijn mond open deed als we ergens tussenkwamen, zei hij.  Maar als we ons nu in een station vertonen, worden we op scheldpartijen en provocaties getrakteerd. Sommigen zeggen dat het aan de toegenomen mondigheid van de burger ligt, maar volgens mij zit het zit veel dieper.  Uit een onderzoek van de Leuvense socioloog Swyngedouw blijkt dat Brusselse jongeren de politie als de voornaamste bron van discriminatie ervaren, op ruime afstand gevolgd door het onderwijs en de arbeidsmarkt. De Molenbeekse commissaris Pierre Collignon liet het zich onlangs ontvallen: ‘er zijn mensen die eigenlijk bij de politie gaan om Arabieren te kraken’”.

“We moeten het trouwens niet alleen over de politie als slachtoffer van geweld hebben. Waarom wordt er zo weinig gesproken over slachtoffers van politiegeweld? Tijdens de recente betoging van Congolese activisten voor de Rwandese ambassade werden manifestanten door de politie geschopt, bespuwd en toegetakeld, door diegenen dus die verondersteld worden ons te beschermen. Onaanvaardbaar in een rechtstaat, maar helaas geen precedent. Na de betoging in Matongé eind vorig jaar werden bij het Comité P vijftig klachten wegens overdreven politiegeweld ingediend. Nog vorig jaar werd een jongeman door agenten zwaar toegetakeld toen hij op weg was naar een solidariteitsconcert voor mensen zonder papieren. Als reactie daarop heb ik de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Annemie Turtelboom een open brief geschreven om opheldering te vragen en nultolerantie voor politiegeweld te eisen. Een soortgelijke brief heb ik recent naar Joëlle Milquet gestuurd. Op geen van beide brieven heb ik een antwoord gekregen, terwijl Milquet er wel als de kippen bij was om zich in het recente seksismedebat te profileren”.

–          Steek het maar op de politie. Is dat niet wat gemakkelijk?

Lleshi: “Begrijp me niet verkeerd, ik heb veel sympathie voor de agenten die op het terrein een falend beleid moeten uitvoeren. Wat ik daarmee bedoel?  Politie en justitie worden in dit land met verantwoordelijkheden opgezadeld waarvoor ze niet zijn berekend. Of om een beeld te gebruiken: ze dienen als ventiel om stoom van de ketel te laten. Je moet geen marxist om in te zien wat de echte problemen zijn van onze neoliberale consumptiemaatschappij: de duizelingwekkende ongelijkheid en de peilloze welvaartskloof die zich vooral in onze grootsteden manifesteren. Heel wat stedelingen hebben geen keuze, ze zijn verplicht hun toevlucht te nemen tot overlevingsstrategieën zoals de illegale economie en de criminaliteit. Lees de jongste armoederapporten over Brussel. Meer dan dertig procent van de gezinnen leeft van een uitkering, in sommige wijken bedraagt de werkloosheid vijftig procent en meer, scholen kampen met een uitval van 26 procent en behoren volgens internationale statistieken tot de slechtst presterende van Europa wat allochtone leerlingen betreft . Het is aan de overheid om die problemen aan te pakken, maar om allerlei redenen gebeurt dat niet. Dan wordt repressie een manier om de onmacht van de staat te verdoezelen. Kijk naar de reactie op de voorbije incidenten. Nultolerantie, GAS-boetes, meer blauw op straat, politici staken elkaar de loef af met peptalk. Allemaal pleisters op een houten been , maar dank zij de buitensporige aandacht die de media aan rellen besteden, wordt de indruk van een daadkrachtig beleid gewekt. Inderdaad, ook media laten zich in deze maskerade gebruiken. Focussen op incidenten maar zwijgen over de oorzaken, zo bestendigen jullie het status-quo”.

–          U kent de Brusselse achterstandswijken als jeugdwerker en documentairemaker. Hoe explosief is de sfeer?

Lleshi: “De wanhoop is veel groter dan men in Vlaanderen wil beseffen. Ik heb een aantal jongeren individueel begeleid, dertien- en veertienjarigen die een verleden achter zich aansleepten. Een vader heb ik daarbij nooit ontmoet, ze leefden zonder uitzondering met hun alleenstaande moeder in een krottig appartement.  Het is de schuld van de ouders, roepen sommigen, ze kijken niet om naar hun kinderen. Onzin, vaak zijn het die jongeren zelf die hun moeder door de dagelijkse sleur moeten helpen. Cultuur en godsdienst? Ik heb bij die gasten geen verschil tussen de allochtonen en de Belgo-Belges opgemerkt”.

“Nergens zitten de frustraties dieper dan bij de hoogopgeleide migrantenjongeren in Brussel.  Stel je in hun plaats: ze hebben alles gedaan om aan het ideaalbeeld van de blanke middenklasse te beantwoorden, en toch komen ze nergens aan de bak, ook niet op de arbeidsmarkt. Daar zou ik me als politicus zorgen over maken, want dat is de groep die het grootste risico loopt om te radicaliseren”.

–          Klinkt alsof er in Brussel meer rellen en sociale explosies op komst zijn…

Lleshi: “Ik hoop van niet, want de rellen zijn chaotisch, zonder politieke omkadering. Vaak worden ze gemanipuleerd door drugsdealers of jongeren die alleen maar aandacht zoeken. Ik heb een hekel aan het discours van een bepaald soort links dat straatrellen vergoelijkt. Het zijn namelijk de armen zelf die er het meest onder lijden. Ze slaan de auto van de buurman in de prak, terwijl die buurman in hetzelfde schuitje zit. Ze slopen een bushokje, maar het is hetzelfde hokje waar hun eigen moeder of zus onder schuilt voor de regen. Dat soort blinde woede haalt niks uit, we moeten de frustraties langs politieke weg kanaliseren”.

–          Ondanks alle grootstedelijke ellende bent u een enthousiaste Brusselaar. Hoe valt dat te rijmen?

Lleshi: “Ik val voor de diversiteit van Brussel, de verschillende kleuren, talen, culturen en godsdiensten. Een plek zoals het Flageyplein is een feest, ik kan er een hele namiddag zitten kijken naar de bonte mensenstoet die er constant voorbijtrekt. Ik moest eens naar een meerdaags congres in Sevilla. Prachtige stad met fraaie architectuur, daar niet van, maar na een paar dagen voelde ik al heimwee. Je hoort in Sevilla alleen maar Spaans en je ziet er haast uitsluitend Spanjaarden. Ik miste de verscheidenheid van Brussel, op de duur ging ik zelfs meisjes met een hoofddoek missen. Ik zie trouwens niet alleen de problemen, er gebeuren hier ook fantastische dingen.  Voor mijn laatste documentaire heb ik een jaar lang zes jongeren gevolgd, meisjes en jongens die elk op hun manier hun omgeving inspireren. Een ervan is Stella, een asielzoekster die al na twee jaar vloeiend Nederlands spreekt en overal in Brussel als vrijwilligster jonge kinderen begeleidt. Jammer dat goed nieuws zo slecht verkoopt. Er was niet één journalist bij de presentatie van mijn documentaire, ondanks de aanwezigheid van de Brusselse staatssecretaris Bruno De Lille die trouwens de opdrachtgever was.  Ach ja, de media. Onlangs belden ze me van een redactie: of ik geen Marokkaan kende die niet aan de ramadan meedeed? Dat soort vragen krijg ik vaak, terwijl ik geen moslim ben. Maar ja, als je een beetje donker en mediterraan uitziet, word je in dit land automatisch als moslim beschouwd”.

–          U schrijft geregeld over identiteit, net zoals Bart De Wever. Volgens de N-VA-voorzitter is identiteitsbesef het ultieme bindmiddel, het criterium bovendien dat bepaalt wie al dan niet tot het eigen volk behoort. Mee eens?

Lleshi: “Uiteraard niet. De Wever ziet identiteit als een eenduidig en vaststaand gegeven, terwijl het integendeel gelaagd en voortdurend in beweging is. Geen betere plek om dat vast te stellen dan deze stad waar mensen wonen die zich zowel Belg, Vlaming als Brusselaar noemen. Natuurlijk, identiteit is een handig instrument voor een partij die een discours voert waarin alle sociaaleconomische problemen aan cultuur en godsdienst worden toegeschreven.  Ik ken Antwerpen tamelijk goed, ik heb er aan de Artesis Hogeschool gedoceerd. Ik maak me grote zorgen over de populariteit van de N-VA, want achter haar nationalistische agenda verbergt die partij een keihard neoliberaal programma”.

–          Een partij ook met een groeiende achterban in de allochtone gemeenschap. Begrijpt u dat?

Lleshi:  “Niet overdrijven, het gaat nog altijd om een piepklein percentage. Maar er zijn inderdaad allochtonen die voor de N-VA vallen. Hoe dat komt? Die gemeenschap is veel minder homogeen dan men doorgaans denkt, er zijn ook Marokkanen of Turken die denken belang te hebben bij een neoliberaal beleid. De Wever hengelt vooral naar stemmen van allochtone middenstanders. Geen toeval”.

–          U wil geen rolmodel zijn, maar allochtone politici hebben die keuzevrijheid niet. Ze lopen vanzelf in de kijker en oogsten daarbij niet alleen applaus van hun eigen gemeenschap. Beledigingen als excuustruus en Alibi Ali zijn gemeengoed. Hoe komt dat?

Lleshi: “Eerlijk gezegd, ik heb zelf grote moeite met onze allochtone politici. Ze laten zich door hun gemeenschap verkiezen, maar zodra ze een mandaat beet hebben, kijken ze er niet meer naar om. Ik zat onlangs in Gent in een verkiezingsdebat met CD&V-lijsttrekker Veli Yüksel. Hij maakte zich sterk dat er in België geen sprake kon zijn van discriminatie. Kijk naar mij, argumenteerde hij, ik zou toch niet op deze stoel zitten moest ik het slachtoffer van discriminatie zijn? Dat is een belachelijke redenering, alsof hij de maatstaf der dingen is. Het doet me denken aan de positieve discriminatie in de Verenigde Staten. Heel wat zwarte senatoren en volksvertegenwoordigers hebben daarvan geprofiteerd, net zoals Barak Obama en Condoleeza Rice overigens. Toch zie je dat diezelfde zwarte leiders hun stem hebben gebruikt om affirmative action af te schaffen. Ze worden er zelfs liever niet meer aan herinnerd, want het klinkt zoveel beter als je kunt zeggen dat je louter op eigen kracht bent komen bovendrijven”.

–          U pleit hartstochtelijk voor een nieuw links alternatief. Nochtans is het nu al drummen ter linkerzijde, met naast de Sp.a en Groen kleinere partijen zoals PVDA en Rood…

Lleshi: “Ik weet het, de ergste vijand van links is links. Hoe de PVDA en Rood weer aan het bekvechten zijn, zo komen we er nooit. Groen en sp.a  beschouw ik niet meer als linkse partijen omdat ze het neoliberalisme als kader aanvaarden. Men zegt vaak dat alle partijen naar het centrum opschuiven. Onzin, rechts is rechts gebleven, alleen links is opgeschoven. De sociale welvaartstaat werd in de jaren vijftig en zestig opgebouwd. Dat was een linkse triomf, met socialisten die erin slaagden rechtse partijen achter hun agenda te scharen. Nu gebeurt precies het tegenovergestelde:  de sociale verworvenheden van toen worden door rechts afgebroken, met steun van links. Triest, maar we mogen  de moed niet opgeven. Het succes van Syriza in Griekenland en Mélenchon in Frankrijk bewijst dat er ruimte is voor een links alternatief.  Zonder Mélenchons stemadvies was Hollande geen president geworden”.

–          Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Maar waarom bent u als achttienjarige uitgerekend naar België gekomen? Studeren kon toch ook in Albanië?

Lleshi: “Ik wilde mijn horizon verruimen. Ik was nooit in Brussel geweest, maar ik had gehoord dat het een bruisende, multiculturele stad was. Dat trok me toen al geweldig aan”.

–          Waarom in het Nederlands studeren? Veruit de meeste buitenlandse studenten kiezen voor Frans of Engels..

Lleshi: “Ik heb een passie voor talen, ik spreek er intussen zes. Hoe moeilijker hoe liever, daarom vond ik Nederlands zo interessant. Frans leer ik wel vanzelf, redeneerde ik, en dat is ook gebleken. Ik pik talen op door heel veel onder de mensen te komen en scherp te luisteren. Na drie maanden begon ik al Nederlands te spreken, en later ben ik me aan de VUB gaan inschrijven. De eerste twee jaar heb ik er niet veel van gebakken, ik had het te druk met het verkennen van deze stad. Ik heb vaak met verbazing naar mijn Vlaamse medestudenten gekeken. Na vier jaar aan de VUB spraken sommigen nog altijd geen woord Frans. Ze leefden op een eiland, er waren er die mij na vier jaar studeren kwamen smeken om een rondleiding in Brussel te geven. Weet je wat ik zo jammer vind in België? Taal wordt hier gebruikt om grenzen te trekken en verdeeldheid te zaaien, terwijl het de mensen juist dichter bij elkaar moet brengen. Pas op, ik ken de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. En ik snap ook dat het niet aangenaam is als je in het ziekenhuis van Elsene niet in je eigen taal wordt geholpen. Maar dit is 2012, we moeten vooruit kijken. Meertaligheid is de toekomst, dat blijkt nergens duidelijker dan in Brussel”.

–          Bent u ook in Albanië actief als opiniemaker?

Lleshi: “Nee, ik volg Albanië maar van op een afstand. Tegenwoordig moeten we allemaal reizende kosmopolieten zijn, maar wat is er mis met lokaal engagement? Je hebt nergens een grotere impact dan op de plek waar je leeft. Mijn voornaamste engagement, dat is een beter Brussel.  Ik wil dat iedereen zo hard van deze stad kan genieten als ikzelf. En nee, ik ervaar dat niet als tegenstrijdig met mijn inzet voor de rest van de wereld”.

–          Albanezen hebben niet zo’n beste reputatie.  Bij de doorsnee Vlaming roept de naam associaties op met vrouwenhandel, prostitutie, banditisme en ongure portiers.  Nooit last gehad van die vooroordelen?

Lleshi: “Meermaals, maar ik heb mijn reactie paraat. Uiteraard houd ik me zoals alle Albanezen bezig met drugsmokkel en vrouwenhandel, zeg ik. En daarnaast heb ik nog een aantal andere bezigheden, zoals politieke economie doceren, boeken en analyses schrijven en documentaires maken”.

Bleri Lleshi’s blog:  http://blerilleshi.wordpress.com/

 

Alhambra, het openluchtbordeel van Brussel

verschenen in Zeno, weekendbijlage De Morgen, 21 april 2012

Hoerenlopers zijn wild van de Brusselse Alhambrawijk. Altijd verse aanvoer van  Oost-Europese meisjes, ook liefhebbers van Marokkaanse travestieten en Ecuadoriaanse transseksuelen vinden er hun gading. De bewoners van deze dichtbevolkte buurt rond de KVS zijn minder enthousiast. Nachtlawaai, wildplassen, zwerfvuil, agressie, de frustraties lopen hoog op. Tippelen wordt een verkiezingsthema in de Europese hoofdstad.

 

Zaterdag, twee uur ’s nachts. Het is feest in de Tropicana. Op de stoep voor het café staat een bont gezelschap te dollen. De dames zijn zonder uitzondering kort gerokt en voorzien van diepe décolletés. Bij de heren geldt er geen dresscode, patsers in trainingspak staan schouder aan schouder met heren in kostuum en schlemielen op afgetrapte schoenen.

Het feestje deint uit naar de stoep van de buren, de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Het imposante theatergebouw is al lang uitgestorven, maar de verkeersdrukte doet vermoeden dat er een première op til is. Een colonne van wel tien auto’s is in de Lakensestraat tot stilstand gekomen. De stop van de flessenhals zit om de hoek met de Hooikaai. Saab mag dan een dood merk zijn, de cabrio van de Zweedse constructeur is nog altijd een bak om mee te pronken. Twee bruingebrande kerels in T-shirt, zonnebril op de neus als was het hoognoen, zijn voor de deur van de Tropicana gestopt. Uit de luidsprekers schalt salsamuziek, ze  laten zich uitgebreid door de meisjes bewonderen. Het is de wereld op zijn kop, alsof zij het zijn die hun lichaam moeten verkopen. Achterin wordt getoeterd, geblokkeerde chauffeurs verliezen hun geduld.

Een half uur geleden stonden we zelf in de file. We namen in de tunnel uitrit Ijzer en reden het carrousel d’amour om meisjes te tellen. Na het drukbezette kruispunt Koopliedenstraat-Lakensestraat raakten we de tel al kwijt. De Tropicana, de Hooikaai, de Van Gaverstraat, met kladden tegelijk stonden ze op de stoep. Waren het er veertig of vijftig? Het is alleszins een conservatieve schatting die geen rekening houdt met de meisjes die op het moment van onze passage klanten aan het afwerken waren, noch met de collega’s die hun diensten op en rond de Jacqmainlaan aanbieden. Niemand kent het exacte cijfer, maar feit is dat Brussel Stad een attractie telt die in geen enkele toeristische gids prijkt. Nochtans zijn er weinig Europese hoofdsteden die dit spektakel kunnen aanbieden: een bruisende tippelzone in het hart van een drukke woonwijk.

We hebben de chronometer ingedrukt. Vijf minuten duurt een ritje op het carrousel d’amour. Zoals het peloton in een kermiskoers duikt de karavaan weer de Hooikaai in. De Saab ligt nog altijd aan de leiding, maar in het pak zijn auto’s verdwenen en door nieuwkomers vervangen. Wie zijn de afvallers? Klanten die hun gading hebben gevonden en opgepikt? Of toeristen die hun voyeurisme hebben bevredigd? Vijf minuten is de omlooptijd voor wie het officiële circuit volgt. De Brusselse politie heeft her en der betonblokken geplaatst om de verkeersoverlast voor de bewoners te beperken. Vroeger reden de hoerenkijkers ultrakorte lussen via de  onooglijke Van Gaverstraat, tegenwoordig moeten ze de hele Hooikaai uit om dan een halve kilometer via de kleine ring terug naar start te rijden. Maar er zijn ook valsspelers die een stukje spookrijden om via de Arduinkaai terug te draaien, langs de redactie van deze krant terug naar de KVS waar ze met aanzienlijke tijdwinst aan een nieuwe ronde beginnen. Een BMW met spoiler trekt met gierende banden op. Bronstig, zowel auto als chauffeur.

De Alhambrawijk, genoemd naar een reeds lang verdwenen theater, valt grofweg te situeren tussen de Jacqmainlaan, de Handelskaai, de Arduinkaai en de kleine ring. Behalve de KVS en het Franstalige Théâtre National zijn er weinig opvallende gebouwen. Maar ondanks de afwezigheid in de Brusselse citymarketing lokt Alhambra heel wat buitenlanders. We bespeuren vier Franse en één Duitse nummerplaat in de karavaan. Niemand die ervan opkijkt, de Franse invasie op vrijdag en zaterdagavond is een traditie. Anders dan in België is prostitutie bij onze zuiderburen verboden, reden waarom behoeftige mannen uit Noord-Frankrijk massaal de grens oversteken. Er zijn faciliteiten dichterbij huis, de steenwegen om en rond  Kortrijk, Gent en Moeskroen zijn met bars bezaaid. Toch kijken vele Fransen niet op honderd extra kilometers naar Brussel, een stad die ook op het vlak van prostitutie de claim van Europese hoofdstad hard maakt. Het aantal sekswerkers wordt op 5.000 geschat, alle categorieën inbegrepen, van escorte over raamprostitutie en paaldanseressen tot diensters van massagesalons. Over het aandeel van de straatprostituees, een beroep met meer verloop dan voetbaltrainer in de Jupiler League, bestaan geen exacte cijfers. Bij de zedenbrigade van de Brusselse politie houden ze op minstens 250, verdeeld over de Louizalaan en de Alhambrawijk.

Prijs-kwaliteit

Straatprostitutie geldt als de laagste trap binnen de sector. Maar noblesse oblige, de mondaine Louizalaan staat net iets beter aangeschreven dan de Alhambrawijk. Tippelen gebeurt er discreter, de prijzen liggen hoger en de afwerkhotels zijn net iets chiquer dan rond KVS. Op gespecialiseerde sites voor hoerenlopers worden de voor en nadelen van de verschillende prostitutiebuurten druk besproken. Alhambra krijgt lof voor zijn prijs-kwaliteitverhouding en gevarieerd aanbod. Altijd verse aanvoer van Bulgaarse, Roemeense en Albanese meisjes, ook liefhebbers van Marokkaanse travestieten of Ecuadoriaanse transseksuelen komen er aan hun trekken. Vijftig euro voor een beurt plus twintig voor de kamer is de norm, maar het kan goedkoper mits goed onderhandelen. Zonder condoom? Valt te bespreken in de Alhambrawijk. Op de sites staan echter ook waarschuwingen. Het gaat er soms ruig aan toe, er worden al eens klanten overvallen of portefeuilles in kamers gepikt, en voor de schone straten moet men er ook niet zijn.

“Er wordt nochtans schoongemaakt”, geeft Hugues Goossens toe. “Iedere ochtend passeert de straatveger met zijn kar om de smurrie van de voorbije nacht op te ruimen. Niet dat het veel uithaalt. Het tippelen stopt nooit, vanaf acht uur zijn de eerste hoeren al op post. Etensresten, lege sigarettenpakjes, ze gooien alles zomaar op straat. Tegen ’s middags ligt het hier weer vol”. Kaderwinkel Goossens, al drie generaties lang uw adres voor lijstwerk op maat, ligt in het eerste, smalle stuk van de Hooikaai. Zaakvoerder Hugues kent de buurt als zijn broekzak, hij is opgegroeid in de schaduw van le théâtre flamand. Voor zijn eigen zoon heeft hij andere plannen. “Ik wil weg”, zegt hij. “De zaak kunnen we niet verhuizen, maar dit is geen buurt meer om te wonen, laat staan een kind op te voeden. Gelukkig verkopen we veel via het internet, want steeds meer klanten blijven weg. Vooral vrouwen vinden het vervelend om door hoerenlopers te worden aangeklampt met de vraag hoeveel het moet kosten. Er zijn hotelletjes in de buurt, maar sommige hoeren werken hun klanten liever op straat af. De inham van de parkeergarage naast mijn deur, de wasserette naast de Tropicana, Jan en alleman mag meekijken”.

“Het ergste is het nachtlawaai. Ze staan constant onder je raam te tetteren, om de haverklap passeert een rijdende discotheek door de straat. Ik heb de bedden al naar de achterkant verhuisd, maar dat helpt niet veel. ‘s Nachts is de sfeer veel grimmiger dan overdag. Heel wat van die meisjes staan stomdronken of apenstoned op de stoep, ze vechten of maken ruzie om elke klant. Ik ben al een paar keer uit mijn krammen geschoten, maar wat haalt het uit? Je jaagt ze weg, en vijf minuten later staan ze opnieuw voor je deur. We hebben pech met de ligging, dit schijnt de beste plek te zijn voor de business. Ze kunnen zich aan weerskanten van de straat opstellen, en als het regent gaan ze onder het balkon van de KVS schuilen. De politie? Ik neem zelfs de moeite niet meer om ze te bellen. Als je protesteert, verwijzen ze naar burgemeester Thielemans (PS), maar die steekt geen vinger uit. Ja, ze hebben betonblokken geplaatst. Goed voor de bewoners van de betrokken straten, maar bij ons is het alleen maar erger geworden. Ik snap ook niet hoe een café als de Tropicana kan openblijven, terwijl iedereen weet dat het daar voor pooiers en surveillanten zit. Okay, ze hebben het al eens gesloten. Maar de Tropicana heeft twee entrees. Ze sluiten het op de Lakensestraat, en even later levert de Stad een nieuwe vergunning af voor de Hooikaai”.

Anders dan de beruchte Aarschotstraat is de Alhambrawijk niet historisch vergroeid met de prostitutie. “Hier werd nooit getippeld”, zegt Hugues. “Ja, aan de kant van de Jaqmainlaan stonden altijd wel een paar Belgische straatmadelieven. Maar de Lakensestraat? Jamais. Tot in 1999, toen is de invasie begonnen. Bulgaarse en Roemeense meisjes werden met tientallen tegelijk voor onze deur gedropt”. Niet dat die meisjes rechtstreeks uit Oost-Europa kwamen, de meesten waren gewoon de kleine ring overgestoken. Traditioneel immers was de Koning Albert II-laan, een brede expresweg met gescheiden rijrichtingen die dwars door de Noordwijk loopt, de plek waar automobilisten een prostitué oppikten. Eind jaren negentig echter werd de tippelzone door de politie opgedoekt. Onder druk van Belgacom, wordt gezegd, de top van de het telecombedrijf vreesde voor reputatieschade als klanten bij het verlaten van het glazen hoofdkwartier door hoertjes werden opgewacht. Andere bronnen schrijven eenzelfde lobbyfunctie toe aan de Vlaamse gemeenschap. De ambtenaren van het bekende Boudewijngebouw plegen ’s middags hun boterhammen op te eten in het plantsoen van de Albert II-laan. De aanblik van gebruikte condooms, drugspuiten en andere viezigheid deed de appetijt geen deugd.

1999 is niet toevallig het jaar waarin het Alhambracomité werd gesticht. “Straatprostitutie hoort niet thuis in een woonwijk”, zegt voorzitter Jan Leerman. “In Antwerpen hebben ze dat al lang begrepen, daar hebben ze de straatprostitutie uitgeroeid door de klanten te beboeten. Voor mijn part moeten ze in Brussel zover niet gaan, er bestaan alternatieven. In verschillende Nederlandse steden hebben ze buiten het centrum gedoogzones ingericht, met camerabewaking, sanitaire voorzieningen en luifels waar de meisjes kunnen schuilen. Waarom kan dat niet in Brussel? Er zijn genoeg plaatsen waar kan getippeld worden zonder overlast”. Leerman woont sinds 2001 in de wijk waar hij een bed & breakfast uitbaat. “Sommige buitenlandse gasten geloven hun ogen niet”, zegt hij. “Dat zoiets kan in de hoofdstad van Europa. Voor toeristen is het misschien een boeiend schouwspel, maar voor de bewoners is het een hel. Sommigen gaan door het lint van het lawaai. Er is al eens iemand met een honkbalknuppel in aanslag op de meisjes afgevlogen. Een emmer water uit het raam kiepen, ook dat is al voorgevallen. Extreem? Het verbaast met dat er nog geen ergere zaken zijn gebeurd”.

Camera’s

Het Alhambracomité protesteert al twaalf jaar tegen de overlast van de straatprositutie. Op de website staan getuigenissen en videofilmpjes die de wantoestanden moeten illustreren, burgemeester Thielemans mocht al vier petities in ontvangst nemen. “Zonder resultaat”, zegt Leerman. “De burgemeester kent nochtans de problemen, hij woont hier om de hoek. Hij heeft ons al meermaals ontvangen. Altijd hoffelijk, hij wekt de indruk dat hij echt naar onze grieven luistert. Maar meer dan pleisters op een houten been heeft dat niet opgeleverd. Neem nu de twee camera’s die ze 2007 in de Lakensestraat hebben geplaatst. We hadden gehoopt dat die ontradend zouden werken,  maar het tegendeel is waar. De meisjes zoeken de camera’s juist op, omdat ze zich veiliger voelen wanneer de politie een oogje in het zeil houdt. Ach, we botsen op een muur van onverschilligheid, Waarover klagen jullie, kregen we ooit van een politiecommissaris te horen. Vergeleken met pakweg de Anneessenswijk is dat beetje overlast een luxeprobleem. Ook de burgemeester laat graag uitschijnen dat we kleinzerig zijn en dat straatprostitutie bij een grootstad hoort. Bullshit, ik heb jarenlang in New York gewoond, ik ben thuis in Berlijn. Daar heb je geen straatprostitutie, net zomin als de hopen zwerfvuil waar de Brusselse straten al jaren vol mee liggen”.

De tippelprostitutie belooft een hot item te worden in de verkiezingscampagne. Oppositiepartijen MR en VLD trokken onlangs op studiereis naar het Antwerpse Schipperskwartier. De liberalen zijn vastbesloten de onvrede in de Alhambrawijk tegen PS-burgemeester Thielemans uit te spelen. “Ik begrijp de burgemeester niet”, zucht Leerman. ”Deze wijk heeft veel potentieel. De voorbije jaren werden aan de lopende band huizen opgekocht en gerenoveerd, vaak door jonge eigenaars. Overlast van de prostitutie? Valt nogal mee, denken ze in het begin, die van het buurtcomité overdrijven. Tot ze hier effectief wonen en de realiteit aan den lijve ondervinden, ook ’s nachts. Na een jaar of twee zie je uit de buurt wegvluchten. De Stad heeft hier trouwens zelf zwaar geïnvesteerd, vooral in de renovatie van de KVS . We hadden gehoopt dat ze na de heropening van de schouwburg eindelijk komaf zouden maken met de prostitutie, maar niks van. Ze doen alsof de KVS op een eiland ligt”. 

Men kan in de Tropicana ook koffie drinken en zich in een gewoon café wanen. Het is middag, de zon schijnt over Brussel. Geen betere plek om de polsslag van de grootstad te voelen dan een tafel in dit groezelige hoekcafé. Aan de overkant van de drukke Lakensestraat zijn bouwvakkers een opvallend Jugendstilgebouw aan het opknappen. Het pand, eigendom van het Brusselse OCMW,  is een baken van hoop en nieuwsgierigheid in de buurt. Binnenkort moet hier de Flamingo opengaan, de nieuwste creatie van de horecatycoon Frédéric Nicolay die in Brussel al een stuk of dertig hippe cafés en restaurants heeft ingericht. Bonsoir Clara, de Potemkim, Café Central, Bar Beton, Zebra, alles wat deze 42-jarige Brusselaar aanraakt, verandert in goud. Zal de Flamingo, die nog voor de zomer moet opengaan, de buurt een lift geven en de prostitutie als sneeuw voor de zon doen verdwijnen? Sommige buurtbewoners durven erop te hopen, maar de scepsis overweegt. Van de heropening van de KVS werd geleden eenzelfde effect verwacht, het is alweer zes jaar geleden.

Toegegeven, de indruk van normaliteit in de Tropicana vergt van de observator een grote dosis argeloosheid. Meisjes lopen binnen en buiten. Zonder consumeren, gekleed om subiet een kou te vatten. En wie zijn de mannen die uitgerekend dit etablissement hebben uitgekozen om hun dorst te lessen? Klanten, voyeurs, pooiers? Dat laatste is weinig waarschijnlijk. Prostitutie is in België niet verboden, pooierschap wel. De meeste souteneurs zijn wel zo slim hun personeel van op afstand te controleren. Met de gsm, of via een surveillant, doorgaans een ervaren prostitué die op straat een oogje in het zeil houdt en het werk verdeelt. We staken ons licht op bij Espace P, een door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde organisatie die sociale, juridische en medische bijstand verstrekt aan sekswerkers. Heel wat prostituees werken voor eigen rekening, kregen we te horen. De Oost-Europese meisjes echter, een ruime meerderheid in de Alhambrawijk, staan in regel een flink stuk van hun recette af. Reden genoeg voor de Brusselse zedenpolitie om van mensenhandel te spreken, maar bij Espace P. zien ze dat anders. Meisjes in Bulgarije en Roemenië stappen willens wetens in het vak, klinkt het daar. Dat ze meer dan de helft van hun gage moeten afstaan aan een netwerk of tussenpersoon die hun transfer en naar Brussel of andere wingewesten heeft georganiseerd, dat nemen ze voor lief. Een goede nacht op de Hooikaai levert meer op dan een maand in een Bulgaarse fabriek, heel wat meisjes gaan trouwens wekelijks bij Western Union langs om geld naar het thuisfront te sturen. Espace P. pleit overigens voor een gedoogzone in de Alhambrawijk. “Prostitutie en bewoning hoeven elkaar niet te bijten”; poneerde de verantwoordelijke buurtwerker. “Goede afspraken en meer politiepatrouilles kunnen de overlast beperken. Emmers water over meisjes uitkiepen, dat gaat de sfeer niet vooruithelpen”.

Aan een tafeltje bij het raam zit een Roemeense vrouw te sms’en. Ze huilt stilletjes, misschien is er slecht nieuws binnengelopen. We schatten haar veertig, maar schijn bedriegt. Uit gegevens van de Brusselse zedenpolitie, die zich niet om overlast bekommert maar wel streng op mensenhandel controleert, blijkt dat de overgrote meerderheid van Oost-Europese meisjes tussen de 18 en de 25 zijn. “Vaak gaat het om Roma-vrouwen die thuis een stel kinderen te voeden hebben”, vertelde commissaris Karine Minnen. “Minderjarigen zijn gelukkig zeldzaam, gemiddeld worden er vijf per jaar onderschept en naar de gespecialiseerde opvang doorverwezen. Vroeger pakten we in de Alhambrawijk vaak illegalen op,  maar ook dat is fel verminderd sinds Bulgarije en Roemenië bij de Europese Unie horen”.

De Roemeense dept haar tranen, fatsoeneert haar korset en loopt weer de straat op.  Hoeveel pech moet een vrouw hebben om hier te belanden? Hoe nijpend is de nood op het thuisfront? Alle pogingen tot gesprek met Oost-Europese meisjes lopen helaas spaak. De bemoedigende lach op hun gestifte lippen versterft zodra we onze bedoelingen kenbaar maken. Hun Frans, Engels of Duits is ontoereikend, hun wantouwen overvloedig. Een Bulgaarse vrouw roept de fotograaf op het matje, in vloeiend Frans. Ze wil niet in beeld komen. Niemand mag het weten, en vooral haar Marokkaanse schoonbroer niet. En ook geen details, s’il vous plait, want een schoen kan genoeg zijn om herkend te worden.

Afwerkhotel

Gelukkig lopen we in de Van Gaverstraat Gina tegen het lijf. Deze praatvaar eerste klas heeft haar vaste plek bij de ingang van Studio 2000, het grootste afwerkhotel van de buurt. Ze is half Argentijns, half Italiaans, heeft twaalf jaar in Nederland gewerkt, zowel escorte als tippelen. “Ook in gedoogzones ”, vertelt ze in een mengelmoes van Spaans, Frans en Nederlands. “Fantastisch hoe die Hollanders dat organiseren. Klanten halen bij het binnenrijden vanuit hun raampje een pakje condooms uit de automaat, het zijn echte drive-ins. Inmiddels woon ik al vijftien jaar in Antwerpen, ik pendel iedere morgen naar Brussel. Om vijf uur vijf stop ik ermee, zoals de kantoren. ’s Nachts tippelen? Voor geen geld van de wereld, het is hier veel te gevaarlijk”.

We blijven een poosje bij Gina staan. Veel aantrek heeft ze niet, maar misschien heeft onze nabijheid hetzelfde effect als een bezetbordje voor de deur. Nu is Gina ook niet allemans snoepje. Ondanks haar indrukwekkende boezem blijven we zitten met de vraag: is dit een vrouw of een omgebouwde man zoals haar Ecuadoriaanse vriendin die wat verderop naar voorbijgangers staat te lonken? Op termijn wil ze een schoonheidsalon openen, maar het sparen gaat moeizaam. “Het is crisis”, zucht Gina. “Mannen hebben minder geld voor plezier. Bovendien speelt de concurrentie van het internet, voor honderd euro spreken ze privé af. Duurder dan hier, maar dan zonder verplaatsing naar een risicobuurt. Ik vraag vijftig plus twintig voor de kamer, maar er zijn meisjes die het voor dertig doen. Roemeense, maar ook junks die tot alles bereid zijn. Ik krijg vaak de vraag om het zonder condoom te doen. Ik weiger, maar dan zie ik dat dezelfde klant bij het volgende meisje toch zijn zin krijgt”. Een getunede bulderkar met Bulgaarse nummerplaat en vier gozers aan boord rijdt voorbij, het lawaai is oorverdovend. Ze lopen vast op de betonnen wegversperring waar zich een half dozijn meisjes rond de auto verdringt, even later rijden ze weer achterwaarts en onverrichter zake voorbij.“Toeristen”, snuift Gina minachtend. “Zij zijn het die de meeste overlast veroorzaken, echte klanten houden het liever stil”.

Het is een absurd beeld. Van op een balkon op het eerste waakt de heilige Rita over de binnenkoer van Studio 2000. “Na iedere klant zeggen de meisjes een schietgebedje”, vertelt de gastvrouw. “Instant vergiffenis voor alle zonden”. Gastvrouw, nou ja. Ze kwam toevallig aanlopen toen we met Gina en haar Ecuadoriaanse vriendin stonden te praten. De begroeting was hartelijk, Gina en co zijn dan ook trouwe klanten. De vrouw bleek de zus van de eigenaar te zijn. Nee, haar naam hoeft niet in de krant, maar ze wil wel praten. Overlast? “Kom ’s nachts kijken”, zegt ze. “Dan is het hier gewoon onleefbaar door het lawaai”. De verklaring klinkt merkwaardig uit de mond van een belanghebbende partij. Studio 2000 is een van de drie hotels die volledig op tippelprostitutie teren, al mag die niet hardop worden gezegd. Karine Minnen had het over proxénétisme immobilier, een van de weinige begrippen die in haar Nederlandse woordenschat ontbraken. Vastgoedpooierschap, zo legde de Brusselse politiecommissaris uit, is bij wet verboden. Waarom die wet in de Alhambrawijk niet werd toegepast? Omdat, zo vervolgde ze, er een achterpoortje in de wet schuilt. Zolang uit de prijslijst van de afwerkhotels blijkt dat ze hun kamers ook aan gewone klanten verhuren, hoeft men de eigenaars niet als hoerenmelkers te beschouwen. “Dit is altijd al een daghotel geweest”, zegt de zus van de eigenaar. “Kamers per uur voor de baas die het met zijn secretaresse kwam doen. We maken ons geen illusies. Als er een nieuwe burgemeester komt, is het hier afgelopen met de prostitutie. Maar dat is geen probleem, dan verhuren we onze kamers opnieuw aan overspelige koppeltjes. Wees maar gerust, het loopt zo weer vol”.