Tagarchief: China

Zelfverbranding in Tibet: activisme met wanhoop als brandstof

Knack.be 25 maart 2017

Contour 08 Mechelen biedt artistieke blik op een controversiële praktijk

147 Tibetanen staken zichzelf de voorbije tien jaar in brand, meestal met dodelijke afloop. Contour, de biënnale van het bewegend beeld in Mechelen, zoomt in op deze gruwelijke vorm van politiek protest. Een schokkende kijkervaring, en niet alleen vanwege de zwartgeblakerde slachtoffers.

 

boeddhistische monnik Quan-Duc steekt zichzelf in Saigon in brand uit protest tegen militaire dictatuur. Inspiratie voor Tibetaanse activisten?  (foto:

Viëtnamese monnik Thich Quang Duc steekt zichzelf in 1963 Saigon in brand uit protest tegen militaire dictatuur. Inspiratie voor Tibetaanse activisten. (foto: Malcolm Browne)

Wat drijft een mens om zichzelf met kerosine te overgieten en vervolgens in brand te steken? Een mogelijk antwoord op deze vraag kan men vinden in De Garage in Mechelen. Het tentoonstellingshuis is het startpunt van Contour 08, de biënnale van het bewegend beeld die voor de gelegenheid in het stadsfestival Op.Recht.Mechelen werd ingebed. Twintig Belgische en internationale kunstenaars presenteren filmisch werk rond het thema ‘Polyphonic words: justice as a medium’. De keuze van curator Natasha Ginwala voor het werk van Ritu Sarin en Tenzing Sonam, een Indiaas-Tibetaans echtpaar dat samen films en videoinstallaties maakt, lag voor de hand. Hun inzending ‘I will burn myself again and again: notes on the self-immolations in Tibet’ past perfect bij het thema. Een strijd voor rechtvaardigheid en een schreeuw om media- en andere aandacht, het zijn twee voorname motieven die de voorbije jaren tientallen Tibetanen tot zelfverbranding dreven. De teller staat op 147, van wie 118 hun daad met de dood bekochten. Zelfverbranding moet hier worden gezien als een extreme vorm van politiek activisme, een daad van verzet tegen de Chinese bezetting van Tibet die intussen al 67 jaar aansleept. Belangstelling vanwege de internationale gemeenschap is er nauwelijks, geen enkel land wil de diplomatieke en handelsrelaties met de Volksrepubliek China op het spel zetten voor het lot van zes miljoen Tibetanen.

Bezoekers van Contour zijn gewaarschuwd: de beelden van zelfverbranding, door omstaanders clandestien met gsm’s gefimd en het land uitgesmokkeld, zijn bijzonder gruwelijk. De agonie van de protagonisten laat niets aan de verbeelding over. Te zien valt hoe een levende mens in enkele minuten tijd letterlijk verschrompelt tot een zwartgeblakerd kadaver, gevat in een rigor mortis die de onbeschrijfelijke pijn van de doodstrijd verraadt. Even schokkend is het getuigenis van de jongen die zijn poging overleefde en zwaar verbrand naar een klooster werd afgevoerd. Kort na het gefilmde interview werd het klooster door de politie bestormd. De jongen zou enkele weken later in gevangenschap aan zijn verwondingen bezwijken. Van sensatiezucht is evenwel geen sprake, alle beelden zijn trouwens op het internet te vinden. De installatie, voor het eerst buiten India  gepresenteerd, is een krachttoer. Meer dan door de gruwel wordt de bezoeker geraakt door de context waarin de zelfverbrandingen zich afspelen. De brutale repressie, het versmachten van de eigen taal en cultuur, de uitzichtloosheid van de strijd voor autonomie, het zijn vaste onderdelen in de afscheidsbrieven die de zelfverbranders nalieten. Niet toevallig zijn  monniken en nonnen. Een van de monitors is in een draaiende gebedsmolen ingebouwd, een krachig beeld dat de rol van het boeddhisme in de protestbeweging benadrukt. Niet toevallig zoomen de makers ook in op Thich Quang Duc, de absolute pionier van deze makabere protestvorm. De boeddhistische monnik stak zichzelf op 11 juni 1963 in Saigon in brand uit protest tegen de onderdrukking van zijn geloofsgenoten door de Zuid-Viëtnamese junta. Beelden van Duc, stoïcijns in lotushouding terwijl de vlammen hem verteren, gingen de wereld rond en hadden een reële impact op het verdere verloop van de Viëtnamese burgeroorlog.

Is zelfverbranding een boeddhistische traditie?

Tenzing Sonam: Helemaal niet, in Tibet is het zelfs een heel recent fenomeen. Er was wel een precedent: in 1998 heeft een Tibetaanse balling zich in New Delhi in brand gestoken, een geïsoleerd geval geïnspireerd door persoonlijke frustraties. In Tibet is het pas begonnen in 2008, een tijdstip dat allesbehalve toevallig was. 2008 was het jaar van de Olympische Spelen in Peking. Het jaar ook waarin het voor alle Tibetanen duidelijk was dat de onderhandelingen tussen Peking en de Dalai Lama tot mislukken gedoemd waren, omdat China niet wil weten van Tibetaanse autonomie. Tot verbijstering van China is er massaal protest op gang gekomen, niet alleen in de autonome regio Tibet maar ook in gebieden van de omliggende provincies die in feite bij het historische Tibet horen. Dit keer deden niet alleen monniken mee, alle lagen van de bevolking trokken de straat op. Voor Peking was het een internationale blamage, zeker toen de doortocht van de Olympische vlam door Tibetaanse betogers werd verstoord. De reactie was keiharde repressie. Honderden betogers werden opgepakt, Tibet veranderde meer dan ooit in een politiestaat. Kloosters werden gesloten of onder toezicht van de communistische partij geplaatst, en overal infiltreerden verklikkers. Jonge Tibetanen werden naar heropvoedingskampen gestuurd waar ze trouw aan de partij moesten zweren, een praktijk uit de hoogdagen van de Culturele Revolutie. De buitenwereld heeft er weinig van gemerkt, ook al omdat Tibet hermetisch werd afgegrendeld. Daar en toen is het begonnen. Alle kanalen om te protesteren waren afgesneden. Zelfverbranding was de enige vorm van activisme die nog mogelijk was, want zelfs een politiestaat kan vastberaden mensen niet beletten om zo’n daad te stellen. Het was een kreet van diepe wanhoop.

Niet alle Tibetanen juichen het toe, sommigen vinden het indruisen tegen de leer van Boeddha. Wat vindt u?

Sonam:  Het is erg controversieel. Vele Tibetanen vinden inderdaad dat het niet de juiste weg is om bewandelen. In het boeddhisme is alle leven heilig, dus kan het niet dat iemand zichzelf van het leven beroofd. Maar volgens anderen kan het juist wel, als het motief klopt. Zelfverbranders zijn niet uit of roem op erkenning. Hun daad is extreem, maar anders dan pakweg zelfmoordterroristen berokkenen zelfverbranders alleen zichzelf leed. Ze offeren hun leven voor hun volk, wat wel degelijk spoort met de leer van Boeddha. Vaak wordt dan verwezen naar het bekende verhaal van Boeddha en de hongerige tijger. Om te voorkomen dat ze haar welpen zou opeten, biedt Boeddha haar zijn lichaam aan om haar honger te stillen. Ik kan me in die visie vinden. Zelfverbranding is geen zelfmoord, toch niet zoals het door een Westerse bril wordt gezien. Het is een appèl op het eigen volk, een oproep tot de solidariteit en verzet. De wereld is ons vergeten, is de boodschap, maar we zijn niet verloren.

protest tegen Chinese bezetting

protest tegen Chinese bezetting

De beelden in jullie installatie dateren van de periode 2011-2013, toen er sprake was van een echte golf van zelfverbrandingen. Is die intussen gaan liggen?

Sonam: Niet helemaal. Een week geleden heeft in Garze een jonge boer zich in brand gestoken, het eerste bekende geval van 2017. Maar inderdaad, de frequentie is fel afgezwakt. Aanvankelijk wisten de Chinese autoriteiten niet hoe er mee om te gaan, maar intussen hebben ze een tegenstrategie ontwikkeld. Nabestaanden worden zwaar gestraft, waardoor de legitimatie dat zelfverbranders alleen zichzelf schaden, niet langer opgaat. Vijf jaar geleden, op het hoogtepunt van de campagne, werden zelfverbranders door het volk als martelaren begraven. Dat is nu totaal ondenkbaar, de stoffelijke resten worden zonder enig ritueel in de grond gestopt. Komt daarbij nog dat de censuur steeds efficiënter werkt. Wie beelden maakt van een zelfverbranding, riskeert erg lange gevangenisstraffen. Zelfverbranding is ook een vorm van communicatie, de daders zochten niet voor niets publieke plaatsen op. Door performante firewalls is het echter moeilijk om opnames via sociale media te verspreiden. Moeilijk maar niet onmogelijk, zoals het geval in Garze bewijst. Er zijn nog altijd activisten die erin slagen informatie via India of Nepal buiten te smokkelen.

Het hele oeuvre dat u samen met uw partner Ritu Sarin heeft gemaakt, staat in het teken van de Tibetaanse vrijheidsstrijd. Hoe reageren de Chinese autoriteiten daarop?

Sonam: Ze proberen ons op alle mogelijke manieren te saboteren. Zoals die keer in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh waar we een installatie hadden met afscheidsbrieven van Tibetaanse zelfverbranders. De Chinese ambassadeur heeft er zich persoonlijk mee bemoeid, hij eiste dat onze werken uit de groepstentoonstelling werden verwijderd. We hebben met de organisator een compromis kunnen sluiten. De werken bleven hangen, maar werden afgedekt met witte doeken. In feite bereikten de Chinezen zo het omgekeerde van wat ze beoogden, want onze zelfcensuur trok uiteraard veel aandacht. Op het Film Festival van Palm Springs in 2010 stelden ze hun veto tegen ‘The sun behind the clouds’, onze documentaire over de Tibetaanse strijd waarin ook de Dalai Lama aan het woord komt. Omdat de organisator niet wilde buigen, hebben ze als represaille twee Chinese inzendingen teruggetrokken.

U bent als zoon van ballingen in India geboren. Heeft u Tibet ooit kunnen bezoeken?

Sonam: Toch wel. De jongste jaren ligt het moeilijk, maar ballingen konden vroeger een visum krijgen als ‘overseas Chinese’. Voor mij was het nog eenvoudiger, want ik heb ook een Brits paspoort. Toch dateert mijn laatste bezoek al van 1996. Door mijn werk als filmmaker loop ik te veel in de kijker, ze laten me er niet meer in.

de Tibetaanse zaak zit muurvast. Hoe ziet u de toekomst?

Sonam: Als boeddhist mag ik niet wanhopen, maar de situatie is heel erg en de vooruitzichten zijn somber. Toen ik 1996 in Lhasa kwam, was de stad al veranderd in een Chinese metropool met een getto voor de Tibetanen. Dat is intussen de realiteit in het hele land: door de zwaar gesubsidieerde massa-immigratie van Han Chinezen zijn we een minderheid in ons eigen land geworden. De hoop op vrijheid of autonomie lijkt verderaf dan ooit te voren, maar we mogen de strijd niet opgeven. We moeten er nu alles aan doen om onze cultuur, taal en tradities te vrijwaren, en ons verzetten tegen de Chinese pogingen om onze geschiedenis te herschrijven. Ook wij, Tibetanen van de diaspora, dragen in die strijd een grote verantwoordelijkheid.

 

Contour Biënnale 08: tot 23 mei op diverse locaties in Mechelen. Info: http://contour8.be/

Ere-ambassadeur Patrick Nothomb over de Culturele Revolutie: ‘China was in een woestijn herschapen’

Knack, 6 juli 2016

 

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

Japan is zijn grote liefde, maar in China had hij afspraak met de geschiedenis. Patrick Nothomb ontdekte als eerste Belgische diplomaat de smeulende puinhopen van de Culturele Revolutie die precies vijftig jaar geleden losbarstte. Zijn dochter Amélie vond er inspiratie voor een boek over een wonderlijke kindertijd, maar zelf had hij het niet onder de markt. ‘De paranoia was totaal. De mensen in Peking staken de stoep over om niet met ons te worden gezien’. Terugblik door een gepensioneerd topdiplomaat met een roestvrij geheugen.

Afspreken in Habay-La-Neuve in hartje Gaumestreek. Geen cadeau op een door regenweer en spoorstakingen getormenteerde dag. Gelukkig compenseert Patrick Nothomb het fileleed met een briljante ingeving om de stabiliteit en het imago van het vaderland te verbeteren. Waarom staken de spoormannen en de cipiers niet zoals de Japanse vakbonden? ‘Dat gaat zo’, legt de gewezen ambassadeur aanschouwelijk uit. ‘Ze knopen een doek rond hun voorhoofd met daarop de boodschap, ik staak. Zo gaan ze naar hun werk, even stipt als altijd. Geloof het of niet, maar dat heeft effect. De schande voor de werkgever is zo groot, dat hij binnen de kortste keren overstag gaat en tegemoet komt aan de vakbondseisen’.

Baron Patrick Nothomb (80), nazaat van België-stichter Jean-Baptiste, neef van oud-minister Charles-Ferdinand, heeft het niet van horen zeggen. Van zijn 42 jaar in diplomatieke dienst heeft hij een derde in Japan doorgebracht. Van 1988 tot 1998 was hij er ambassadeur, een periode waarin hij niet alleen zijn kennis van het Japans perfectioneerde, maar ook een reputatie verwierf als vertolker van traditionele No-liederen. Zijn dochter Amélie, intussen de beroemdste telg uit het geslacht Nothomb, heeft uit die Japanse periode enkele autobiografische romans gepuurd. Haar jongste boek echter speelt zich in de Ardennen af, waar ze een moord laat plegen in een adelijk kasteel. Nee, verduidelijkt een trotste vader, het gaat niet om het familiekasteel aan de overkant van de straat. ‘Maar de protagonist is wel geïnspireerd op mijn eigen grootvader. Net als graaf de Neuville leefde die boven zijn stand en gaf hij een keer per jaar een grandioos feest. Op die manier zijn we trouwens ons kasteel kwijtgespeeld’. Niet dat de gepensioneerde topdiplomaat om grandeur maalt. Hij heeft een pied-à-terre in Brussel, maar meestal woont hij met zijn vrouw in dit uitgeleefde, sjofel bemeubelde rijtjeshuis. Met uitzicht op het verloren familiekasteel aan de overkant van de straat, al wordt dat danig belemmerd door torenhoge boekenstapels op de vensterbank.

Japan is zijn tweede vaderland, maar niet het toneel waar hij afspraak met de geschiedenis had. Een eerste keer gebeurde dat in 1964 in de Congolese stad Stanleystad, het huidige Kisangani. De piepjonge consul-generaal werd samen met honderden Belgen en andere buitenlanders gedurende vier maanden door Simba-rebellen gegijzeld. De beproeving eindigde na een spectaculaire ingreep door Belgische para’s, algemeen beschouwd als een succes ondanks de dertig Belgische doden. Dat de bekendste Simba-leider Pierre Mulele een in China opgeleide guerrillero en Mao-adept was, mag ironisch heten. Zijn tweede rendez-vous met de geschiedenis vond immers acht jaar later plaats in Peking, waar Nothomb als eerste Belgische diplomaat de naschokken registreerde van Grote Proletarische Culturele Revolutie die Mao precies 50 jaar geleden ontketende.

Patrick Nothomb: Ik was al vier jaar consul-generaal in Osaka, een post die ik zelf had geopend in de aanloop naar de Wereldtentoonstelling van 1970. Daar ben ik instant verliefd geworden op Japan en zijn cultuur. Ooit, zo nam ik me voor, word ik hier ambassadeur. Ik had al op een verlenging van mijn opdracht aangedrongen, toen ik in september 1971 van Brussel een onverwachte vraag kreeg: wilt u als zaakgelastigde naar Peking om er een Belgische ambassade te openen? Jammer van Osaka, maar ik heb geen seconde geaarzeld. Peking was op dat moment de hotste bestemming in de hele diplomatie. Goed dus voor mijn carrière, bovendien was ik erg nieuwsgierig. China was sinds de communistische machtsovername in 1949 een blinde vlek voor de hele Westerse diplomatie. Net zoals de Amerikanen en de meeste Europese landen had België de Volksrepubliek niet erkend, voor ons was China het Taiwan van Chiang Kai Shek. Alleen Zwitserland en de Scandinavische landen hadden een ambassadeur in Peking, terwijl de Engelsen en de Nederlanders er een zaakgelastigde op post hielden, zelfs tijdens de hoogdagen van de Culturele Revolutie.

– waarom die koerswijziging, nog wel in volle Culturele Revolutie?

Nothomb:  In september 1971 was het ergste al achter de rug. Lin Biao, de tweede man na Mao en hardliner van de Culturele Revolutie, was net van het toneel verdwenen. Neergestort boven Mongolië toen hij met een vliegtuig naar de Sovjetunie wilde vluchten nadat zijn coup tegen Mao was mislukt. Dat is tenminste de officiële versie, volgens hardnekkige geruchten in Peking werd hij door tegenstanders uit het kamp van ‘gematigde’ premier Zhou Enlai geëxecuteerd. Dat lijkt me aannemelijk, want de Russen hebben nooit willen bevestigen dat Lin BIao aan boord was van het wrak dat ze wel degelijk hebben geborgen. Het zou nochtans fantastische propaganda zijn geweest: de nummer twee van maoïstisch China die naar Moskou vlucht. De Sovjetunie, moet je weten, was toen de aartsvijand van China. In de ogen van Mao waren Stalins opvolgers Chroetsjev en Breznjev revisionisten, zowat het ergste verwijt uit de rode canon. Van de weeromstuit had Mao toenadering tot Amerika gezocht. 1971 was immers ook het jaar van de pingpong-diplomatie, het historische staatsbezoek van president Nixon hing al in de lucht. Toen er met de dood van Lin Biao de facto een einde kwam aan de Culturele Revolutie, was het hek pas goed van de dam. Alle landen uit het Westerse kamp stonden letterlijk te drummen om de Volksrepubliek te erkennen en een ambassade te openen, de Chinezen konden niet volgen met het bouwen van residenties. Het was een echte race, want ambassades werden volgens het first come first serve-principe toegewezen. Ik ben op 11 april 1972 in Peking gearriveerd, als eerste van een peloton van zes, op de hielen gezeten door de Libanezen en de Turken. De Rwandezen, laatsten in ons groepje, hebben een jaar langer in het afgrijselijke Peking Hotel moeten wachten op hun residentie.

– U trof een land aan dat vijf jaar lang op stelten had gestaan. Viel dat eraan te merken?  

Nothomb: De grootste excessen waren voorbij. De scholen en universiteiten waren opnieuw geopend, de Rode Gardisten waren naar het platteland gestuurd, er trokken geen kolkende volksmassa’s meer door de straten van Peking, alleen voor de Russische ambassade werd nog dagelijks betoogd. De impact van de beeldenstorm viel moeilijk in te schatten. Tempels en musea bleven de hele tijd gesloten, sporen van vandalisme werden met doeken afgedekt. Mijn hart van cultuurminaar bloedde. China, met zijn vijfduizend jaar oude beschaving, was in een woestijn herschapen. Peking zag er grauw en lelijk uit, net zoals de mensen. Vrouwen droegen geen make-up, iedereen liep met hetzelfde kapsel en in hetzelfde vaalblauwe Mao-uniform. Erger nog was de paranoia. Het was voor diplomaten totaal ondenkbaar om contact met gewone Chinezen te leggen. Dat was om te beginnen niet de bedoeling. De nieuwe ambassades lagen gegroepeerd in twee wijken die voor Chinezen verboden terrein waren. Personeel zoals tolken en chauffeurs werd ons toegewezen, ze moesten ons niet alleen bijstaan maar ons en elkaar ook bespioneren. Maar zelfs zonder die controle zou het nooit gelukt zijn een Chinees aan te spreken. Als je buiten de diplomatenwijk wandelde, staken ze de straat over om je te vermijden. Niet uit xenofobie, maar uit angst. Zie je, voor 1966 was er meer openheid en onderhielden heel wat Chinezen vriendschappelijke banden met buitenlanders. Dat is hen tijdens de Culturele Revolutie bijzonder slecht bekomen, al wie ooit met buitenlanders was omgegaan, werd daar zwaar voor gestraft.

volgens de geschiedenisboeken is de Culturele Revolutie pas in 1976, na de dood van Mao en de val van de Bende van Vier, afgelopen…

Nothomb: Ik begrijp de verwarring. Na de dood van Lin Biao is China in een overgangsperiode beland. De storm was gaan liggen, maar de Culturele Revolutie was nog niet vatbaar voor kritiek, in officiële mededelingen werd ze onverminderd als een succes bestempeld. Politiek werd het land intussen volledig verlamd door de machtsstrijd tussen gematigden en radicalen. Aan de ene kant stonden de aanhangers van Zhou Enlai die de Culturele Revolutie wilden terugdraaien, omdat ze vreesden voor een nieuwe catastrofe zoals de Grote Sprong Voorwaarts. De Bende van Vier daarentegen, met Mao’s vrouw Jiang Qing als spilfiguur, wilde het revolutionaire vuur juist oppoken. Voor ons was het erg moeilijk om die machtsstrijd te doorgronden. In de bilaterale diplomatie probeer je via je netwerk van bevriende ambtenaren of burgers de vinger aan de de pols te houden. Dat was in China onmogelijk, we moesten het stellen met een officieel bulletin met holle slogans dat dagelijks  onder alle diplomaten werd verspreid. Soms echter kon je tekens aan de wand lezen. In het Paleis van het Volk werden voortdurend banketten georganiseerd ter ere van de hoge buitenlandse gasten die elkaar opvolgden.Twee per staatsbezoek, bij aankomst en bij vertrek. Telkens werd het hele corps diplomatique uitgenodigd, volgens een strikt protocol waarin de status van de gast en de rang van de genodigden elkaar in evenwicht hielden. Saaie boel, kan ik je verzekeren. Je kon zelfs perfect het moment voorspellen waarop de Sovjet-delegatie ostentatief de zaal zou verlaten, in haar spoor gevolgd door de vrienden uit Oost-Europa, Cuba, Mongolië en Viëtnam. De Chinese gastheer, vaak Zhou Enlai himself, maakte er immers een sport van om tijdens zijn speech de Sovjets minstens een keer stevig te beledigen. Omdat de tekst vooraf werd rondgedeeld, wisten die precies wanneer ze van de tafel moesten weglopen. Het dessert hebben ze nooit gehaald. (lacht)

– maar u had het over tekens aan de wand…

Nothomb: Oh ja. Kijk, bij die banketten werden aanwezigheidslijsten verspreid. Vooral de namen van de Chinese genodigden trokken onze aandacht, want daaruit kon je soms interne verschuivingen afleiden. In april 1973 keerde onze ambassadeur met groot nieuws terug van zo’n banket: Deng Xiao Ping stond op de lijst! Dat betekende een triomf voor het gematigde kamp. Deng, de latere partijleider en sterke man, was tijdens de Culturele Revolutie in ongenade gevallen en naar een werkkamp gestuurd. Dat hij het heeft overleefd, komt alleen omdat Zhou Enlai hem kon beschermen. Maar ook de Bende van Vier scoorde punten. De wereldberoemde Italiaanse cineast Antonioni had met toestemming van Zhou Enlai een documentaire over de Culturele Revolutie gedraaid. Zijn film werd in China echter verboden en streng veroordeeld, een manier van de radicalen om Zhou Enlai te desavoueren.

aan wiens kant stond Mao?

Nothomb: Dat bleef een mysterie. Mao was oud en ziekelijk, er werd getwijfeld aan ziijn geestelijke vermogens. Staatsbezoeken verliepen volgens een onwrikbaar scenario. Alles was tot op de minuut gepland, alleen het verplichte bezoek aan Mao werd niet vooraf ingevuld omdat de Chinezen zeker wilden zijn dat de Grote Roerganger een helder moment had. Het kon zelfs gebeuren dat een ontvangst door Zhou Enlai halfweg werd afgebroken, omdat de hoge bezoeker als de wiedeweerga bij Mao langs moest.

een van die hoge bezoekers was de Zaïrese president en dictator Mobutu Sese Seko, een oude bekende van u. Blij weerzien?

Nothomb: Jawel. Ik had hem in mijn Congolese periode goed leren kennen. De Belgische ambassadeur heeft me daarom meegevraagd toen hij naar protocollair gebruik met de andere ambassadeurs Mobutu op de luchthaven ging verwelkomen. Ik stond daar als laagste in rang, maar tot verbijstering van de Chinezen en het voltallige corps diplomatique kreeg ik als enige een warme accolade. Mobutu had lak aan protocol. Later heeft hij me in zijn hotel voor een privé gesprek ontboden, terwijl hij op hetzelfde moment op een ontmoeting met de Afrikaanse ambassadeurs werd verwacht. Voor mij was het een buitenkans, want hij had intussen zijn bezoek aan Mao afgelegd. Compleet gaga, was zijn oordeel, er komt geen zinnig woord meer uit. Daarmee bevestigde hij wat iedereen vermoedde maar nog niemand hardop had durven zeggen.

onvergetelijk moment, zonder twijfel. Maar volstaat dat om Mobutu in uw memoires een vriend te noemen? Toen die in 2004 verschenen, was al lang duidelijk wat een puinhoop hij van zijn land heeft gemaakt..

 

Nothomb: Ik wil zijn beleid niet vergoelijken, maar tijdens de Simba-opstand heeft hij zich als een grote meneer gedragen. Als opperbevelhebber van het Congolese leger had hij zelf een zware tijd, maar toch heeft hij zich persoonlijk ontfermd over mijn gezin terwijl ik in Stanleystad gegijzeld zat. Zoiets vergeet je niet. Ik volg Congo niet op de voet, maar van het huidige regime moet ik alleszins niet weten. Joseph Kabila is tenslotte de zoon van Laurent-Désiré, een van de leiders van de Simba-rebellie die tot het bloedbad van Stanleystad heeft geleid. Maar wees gerust, die persoonlijke appreciatie maakt mij niet blind voor Mobutu’s schaduwkant. Toen hij in 1973 op staatsbezoek kwam, stond zijn macht in het zenit. Hij had de Zaïrianisering en de authenticité gelanceerd, gekoppeld aan een personencultus die hij van Mao had afgekeken. Dat belette hem niet om tijdens het staatsbanket in Peking de zaken om te draaien. Hij vond het verheugend, zo verklaarde hij tijdens zijn speech, dat de Chinezen zijn voorbeeld waren gevolgd. De gastheren aanhoorden het met een pokerface, maar de Afrikaanse ambassadeurs waren ziedend. Mobutu had immers ook geponeerd dat Zaïre als een van de eerste Afrikaanse landen de Volksrepubliek had erkend, terwijl het in werkelijkheid zowat als hekkensluiter aan de beurt kwam.

sinoloog Pierre Ryckmans, beter bekend onder zijn schrijversnaam Simon Leys, werkte in 1972 op de Belgische ambassade als cultureel attaché. Onwaarschijnlijk, want Leys had in zijn pas verschenen en bijzonder explosieve boek ‘De nieuwe kleren van president Mao’  brandhout gemaakt van Mao en zijn Culturele Revolutie. Waarom hebben de Chinezen hem toegelaten?

Nothomb: ‘Ik geloofde het zelf niet toen ik het bericht uit Brussel ontving. Leys was de allereerste sinoloog die poneerde dat de Culturele Revolutie niets met een revolutie en nog minder met cultuur te maken had, maar alles met een brute strijd om de macht. Mao was na het fiasco van de Grote Sprong Voorwaarts zijn greep op de partij kwijt geraakt, en daarom heeft hij de massa’s gemobiliseerd. Niet toevallig was de gematigde president Liu Shaoqi een van de eerste slachtoffers. Mao verloor echter de controle over het monster dat hij zelf had opgetrommeld, de interne zuiveringscampagne is compleet uit de hand gelopen. Leys, die met zijn Taiwanese vrouw in Brits Hong Kong woonde, heeft dat in zijn boek minutieus gedocumenteerd. Hij baseerde zich uitsluitend op Chinese bronnen, kranten, documenten en getuigenissen van vluchtelingen die met duizenden tegelijk in Hong Kong aanspoelden. Dat maakte zijn aanklacht zo krachtig, zijn conclusies waren onweerlegbaar. Leys was voor de ambassade een geweldige aanwinst, maar ik heb Brussel gewaarschuwd dat de Chinezen hem nooit ofte nimmer zouden accepteren. Geen probleem, kwam het antwoord, hij heeft al een visum. Natuurlijk had hij dat onder zijn echte naam Pierre Ryckmans aangevraagd, maar de Chinezen wisten perfect wie hij was. Mijn theorie achteraf: het kamp van Zhou Enlai wilde hem de kans geven om zijn kritiek op Culturele Revolutie kracht bij te zetten. Dat bleek ook tijdens zijn verblijf. Diplomaten hadden een vergunning nodig om naar het binnenland te reizen. Vaak werd die geweigerd, maar Leys kreeg alle faciliteiten om het land af te schuimen en zijn ogen en oren de kost te geven. Hij is uiteindelijk maar een half jaar gebleven, maar dat volstond om stof voor zijn meesterwerk ‘Ombres chinoises te verzamelen. We zijn vrienden gebleven, tot zijn dood twee jaar geleden. Het mooie is dat Amélie hem vorig jaar is kunnen opvolgen als lid van de Académie de Littérature française de Belgique. Ze heeft hem in haar aanvaardingsspeech een mooi eresaluut gebracht.

Leys was een echte iconoclast, heel weldenkend, links Europa viel over zijn boek. Vooral Franse intellectuelen voerden een haatcampagne tegen de kleine Belg die Mao met zijn Culturele Revolutie van zijn voetstuk haalde. Hoe valt die fascinatie te verklaren?

Nothomb: Ach, intellectuelen. Soms gedragen die zich ook maar als schapen. Vooral Franse intellectuelen, die liepen allemaal Sartre achterna, een halfgod die dweepte met de Culturele Revolutie. Het lag ook aan de tijdsgeest. Velen keken naar China door de bril van Mei ’68, terwijl er werkelijk geen enkel verband bestond tussen het Europese studentenprotest en de furie van de Rode Gardisten. Ook in België had je overtuigde aanhangers. Een van mijn eerste opdrachten als zaakwaarnemer was het onthaal van een delegatie Belgische Maoïsten. China was heel gesloten, maar voor het jaarlijkse 1 Mei-feest werden Maoïsten uit de hele wereld uitgenodigd. De Albanese delegatie was uiteraard de grootste, dat land was toen het China van Europa. Ik ben de naam van hun partijtje vergeten, maar de Belgische delegatie stond onder leiding van Sarah Huysmans, de dochter van de legendarische Camille Huysmans. Vriendelijke dame, de enige met wie ik kon praten. Met de rest van de delegatie kreeg ik geen contact, die spuwden me uit als een agent van het vuige bourgeoiskapitalisme. (lacht)

U bent tweeënhalf jaar op post gebleven. Nadien nog teruggekeerd naar China?

Nothomb: Vaak zelfs. Als Directeur Azië en Oceanïe, een functie die ik van 1980 tot 1984 heb bekleed, ben ik er zowel met koning Boudewijn als met premier Tindemans op officieel bezoek geweest. Na mijn pensionering ben ik adviseur van de provinciegouverneur van Luxemburg geworden. Omdat we een zusterschap hebben met de provincie Heilongjiang, vloog ik er minstens een keer per jaar heen. Ieder keer weer keek ik mijn ogen uit, de snelheid van de transformatie is niet te bevatten. Toen ik als diplomaat in Peking verbleef, was het observatorium van pater Verbiest een urban landmark. Hoogbouw? Bestond niet in die tijd. Vandaag moet je het observatorium met een vergrootglas zoeken tussen een oerwoud van glazen wolkenkrabbers.

uw dochter Amélie schetst in Sabotage Amoureux een hilarisch maar tegelijkertijd idyllisch beeld van haar prille kindertijd in Peking. Hoe realistisch is dat?  

Nothomb: Voor kinderen was de afgesloten diplomatenwijk een paradijs. Amélie, André en Juliette speelden de hele tijd buiten, met kinderen van alle mogelijke nationaliteiten. Ook onder diplomaten heerste er een opvallende solidariteit. Omdat we allemaal dezelfde problemen ondervonden, werd iedere morzel informatie sportief gedeeld. Zelfs met de collega’s van het Sovjetkamp waren de relaties hartelijk. Ik was zelf goed bevriend met mijn Tsjechoslowaakse evenknie. Om de zoveel maanden reisde ik naar Hong Kong. Rest and recreation, heette dat, maar het was vooral een kans om te shoppen. Ik speelde dan ook boodschappenjongen voor mijn Tsjechische vriend, want die kreeg geen visum voor Hong Kong. Een pesterij van de Chinezen: ze hadden de Britten beloofd Hong Kong met rust te laten, op voorwaarde dat ze hun aartsvijanden uit het Sovjetkamp buiten hielden. Het idee dat communistische landen één hecht blok vormen, dat ben ik in Peking snel kwijtgeraakt. De Roemenen, dissidenten binnen het Oostblok, waren altijd bereid om de laatste nieuwtjes uit de interne rode keuken taan onze neus te hangen. Peking was een moeilijke post om vat te krijgen op het gastland, maar ook een ideale plek om de internationale politiek te observeren.

Jonathan Holslag over de expansie van China: “vroeg of laat komt er oorlog van”

Knack, 25 februari 2015

Hij voorspelt een oorlog tussen China en zijn buurlanden. Toch wist VUB-professor Jonathan Holslag de Chinese ambassadeur te strikken voor zijn boekpresentatie. Interview met een specialist internationale politiek met een mening over zijn eigen land. Uplace in Machelen? “Het vehikel van de Chinese machtspolitiek die onze welvaart rechtstreeks bedreigt”.

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

VUB-professor Jonathan Holslag laat zijn licht niet alleen in de aula schijnen. Boeken, columns, colloquia, de specialist internationale politiek is op vele fronten actief. Zeggen dat de wereld luistert als Holslag spreekt, is misschien wat overdreven. Maar de 34-jaar jonge Limburger mocht het toch al mooi gaan uitleggen op nieuwszenders zoals BBC World, CNN en Al Jazeera, en zijn naam valt met enige regelmaat in bladen zoals The Economist en de Financial Times. Een zucht naar reële invloed is hem niet vreemd. Holslag stond mee aan de wieg van de Vrijdaggroep, een denktank waar jonge Belgische talenten piekeren over een betere samenleving. Hij zit  haast vanzelfsprekend in de twaalfkoppige club van wijzen, die minister van landsverdediging Vandeput (N-VA) adviseert over de hervorming van het Belgisch leger. Holslag kent de cenakels van de Europese Unie, en zo nu en dan wordt hij door een commissie of werkgroep in Washington aan de mouw getrokken. Een man met een mening over een verrassend brede waaier van onderwerpen, ook dat is Jonathan Holslag. Vorige week nog kraakte hij in een messcherpe column in De Morgen het Uplace-project af.

Het is echter zijn favoriete stokpaard China dat de aanleiding voor dit gesprek vormt. Holslag, constant pendelend tussen Brussel en het Verre Oosten, heeft al vier boeken geschreven over de opkomst van China en over de impact hiervan op de buurlanden en de rest van de wereld. Volgende week verschijnt zijn nieuwste boek, onder een enigszins verontrustende titel. ‘China’s coming war with Asia’, de Nederlandse vertaling is nog in de maak.

– de titel klinkt als een voorspelling. Mogen we aannemen dat de auteur zelf hoopt dat die niet uitkomt?

Holslag: “Als politieke realist reken je er altijd op dat een aantal van je uitgangspunten niet bewaarheid wordt. Maar als je de Aziatische realiteit analyseert en daar vervolgens nuchter de gevolgen uit trekt, dan kun je niet om de slotsom heen. We stevenen af op een periode van turbulentie en geweld”.

– waarom?

Holslag: “China heeft sinds 1949 een onvoorstelbare weg afgelegd, politiek, militair en economisch. Maar het buitenlandse beleid draait nog altijd rond dezelfde kern van harde, nationalistische belangen. Na de communistische machtsovername werden die vastgelegd in de zogenaamde Vier Grote Aspiraties. Veilige grenzen en controle over perifere gebieden zoals Tibet, Xinjiang en Binnen Mongolië. Economische groei, welvaart en stabiliteit om het machtsmonopolie van de Partij te vestigen. Terugwinnen van verloren territoria zoals Taiwan, de betwiste grensgebieden in India, en een resem eilanden in zowel de Oost-Chinese als Zuid-Chinese zee. Ten slotte zou het nieuwe China geen buitenlandse inmenging meer dulden en ten allen tijde zijn soevereiniteit laten respecteren. Die krachtlijnen, sinds 1949 talloze keren herbevestigd, vallen op zich perfect te verdedigen. Het is ook niet zo dat China een uitzonderlijk expansionistische agenda nastreeft, het koestert ambities die heel normaal zijn voor een opkomende grootmacht. Probleem is alleen dat China die ambities onmogelijk kan realiseren zonder met zijn buurlanden in conflict te komen”.

– waar ligt het buskruit?

Holslag: “Neem nu het respect voor de eigen soevereiniteit. Op zich valt daar weinig op af te dingen, maar waar ligt de grens? Valt onder die soevereiniteit ook de controle over de grote rivieren van Azië die toevallig allemaal in China ontspringen? Want dat is de geografische realiteit: Peking controleert letterlijk de watertoren van een groot deel van  Azië. De Brahmaputra, van vitaal belang voor miljoenen boeren in India en Bangladesh, ontspringt in de Chinese Himalaya. China controleert ook de bovenloop van rivieren zoals de Ili en de Irtysh die een groot stuk van Kazakstan van water voorzien. Voor de Chinezen is het evident: ze hebben het volste recht om die rivieren voor eigen ontwikkeling te gebruiken. Ze hebben de voorbije decennia naar believen irrigatiekanalen en stuwdammen gebouwd, zonder veel rekening te houden met de buurlanden. De grootste omleidingsplannen houden ze voorlopig nog in de lade, maar nu al lopen de spanningen over de waterverdeling erg hoog op”.

– verrassend voorbeeld. Zelf dachten we spontaan aan de territoriale claims als grootste twistappel…

Holslag: “Dat is ook zo. Vooral het statuut van Taiwan en de door China en Japan betwiste eilanden in de Oost-Chinese zee zijn explosief. Dat heeft met de geschiedenis te maken, en met decennialange propaganda en nationalistisch gekleurd onderwijs. Ik heb het vaak ondervonden met Chinese studenten of academici. Zelfs al hebben ze jarenlang in de States gewoond, ze maken allemaal dezelfde associaties. Japan is de vijand, en Taiwan een onlosmakelijk deel van het moederland. Binnenkort zijn er trouwens verkiezingen in Taiwan, een spannend moment. Het ziet er naar uit dat de Kuomintang-regering, principieel gewonnen voor hereniging, het onderspit zal delven tegen de nationalisten van de DPP. Die zullen niet meteen alle bruggen met Peking opblazen, maar zich nog veel terughoudender opstellen. Gevaarlijk, want in China lopen de frustraties nu al hoog op. De Chinezen vinden van zichzelf dat ze de voorbije tien jaar erg veel in de samenwerking met Taiwan hebben geïnvesteerd, onder meer in de vorm van handelsakkoorden die voordelig zijn voor Taipei. Tijd om te oogsten, is hun redenering. China is nu aan zijn vijfde generatie leiders toe. Xi Jinping en co zijn het aan zichzelf en aan de propaganda verplicht om binnen dit en tien jaar een doorbraak te forceren. Helaas voor China zien ze dat in Taiwan niet zitten. Hoe nauwer de economische samenwerking met mainland, hoe sterker de aversie voor een hereniging. Het onderdrukken van het burgerprotest in Hong Kong vorige zomer heeft de zaak natuurlijk geen deugd gedaan. In Taiwan hebben ze nu wel begrepen wat de Chinese beloftes van politiek zelfbestuur waard zijn. Al die spanningen krijgen pas hun volle betekenis als je weet dat in Azië in een duizelingwekkende wapenwedloop aan de gang is. China is de absolute koploper, het land geeft in zijn eentje meer uit aan defensie dan Rusland, Japan, Zuid-Korea en India samen”.

–  in 2007 poneerde uw eerste boek dat China geen wereldmacht zou worden. Blijft u daarbij?

Holslag: “Ik blijf ervan overtuigd dat China het erg moeilijk zal krijgen om de rol van de Verenigde Saten over te nemen. Een supermacht, dat is toch een beetje the king of the hill, de enige die ongenaakbaar en wereldwijd zijn invloed kan doen gelden. Amerika heeft die status in de 19de en 20ste eeuw  kunnen verwerven zonder concurrerende of tegenstribbelende buurlanden. Die luxe heeft China niet, vroeg of laat moet de Chinese opkomst botsen met de belangen van de buren. Wat China intussen wel is: een regionale grootmacht met wereldwijde belangen, van petroleumvelden in het Midden Oosten, over plantages in Latijns Amerika, tot ertsen en mijnen in heel Afrika”.

– leggen de Chinezen zich neer bij de rol van tweede viool?

Holslag: “Ze zijn realistisch genoeg om te beseffen dat ze het nog niet kunnen halen. Zowel militair als qua bondgenoten lopen de Amerikanen nog ver voorop. Maar zich erbij neerleggen? Als je daarover met hoge officials praat, schermen ze met termijnen van 20 tot 30 jaar. Zo rond 2050 hopen ze de Amerikanen bij te benen. In afwachting aanvaarden ze een G2-scenario, waarbij Peking en Washington in Azië de macht delen. Streven naar een militair evenwicht, en tegelijkertijd samenwerken in dossiers zoals het stabiliseren van het Midden Oosten en de strijd tegen het internationale terrorisme. De Amerikanen gaan daarin mee, maar het is allemaal erg dubbel. De doctrine van het Pentagon is er immers op gericht in alle geledingen het overwicht te behouden en China in te dammen. De militaire opbouw van de Amerikanen in Azië is dan ook dramatisch. Van Japan tot de Filippijnen hebben ze een keten van sensoren aangelegd om Chinese onderzeeërs te detecteren. Ze hebben hun basis op Guam fors uitgebouwd, extra onderzeeërs en schepen gestuurd, ze zijn volop aan het experimenteren met nieuwe wapensystemen zoals razendsnelle antischeepsraketten en onbemande aanvalsvliegtuigen. De Chinezen reageren daarop, ze ontwikkelen hypersonische raketten en zetten zwaar in op elektronische oorlogsvoering. Toch zijn ze beducht om zich al te ver te laten meeslepen. De Chinezen kennen de geschiedenis, ze hebben gezien hoe de Sovjetunie aan een moordende wapenwedloop met de Amerikanen is ten onder gegaan”.

–  het lijkt een paradox. U twijfelt er niet aan dat de Chinese leiders oprecht streven naar vreedzame co-existentie. Toch brengen diezelfde leiders hun land stap voor stap dichter bij een conflict met de buren

Holslag: “Ze zijn zich daar zelf meer dan wie ook van bewust. Ze vinden dat ze de voorbije jaren erg veel in vreedzame relaties met de buurlanden hebben geïnvesteerd. Tegelijkertijd vinden ze het normaal dat China zich militair en economisch verder blijft ontplooien, en dat het zijn territoriale aanspraken probeert hard te maken. Daar wringt het schoentje: op termijn moet er een escalatie van komen. Waar of hoe valt moeilijk te voorspellen, er zijn heel wat scenario’s denkbaar. Japan en India zijn twee landen die nu al kreunen onder de Chinese druk. Niet alleen militair, China speelt ook zijn economische en financiële macht uit. Japan, dat al twintig jaar in een economische stagflatie zit, ziet met de lede ogen hoe zijn industrie steeds meer onder de Chinese concurrentie te lijden heeft. Ooit komt het moment van de waarheid: leggen landen als Japan en India zich neer bij de Chinese suprematie? Of gaan ze in het tegenoffensief, al dan niet met Amerikaanse steun? In zo’n klimaat kan één vonk volstaan om de boel te doen ontploffen. ”

–  wat zou die vonk kunnen veroorzaken?

Holslag: “Een verdwaalde vissersboot in de Oost-Chinese zee, een vlag in een omstreden stuk van de Himalaya. Zulke incidenten zijn er al veel geweest, maar tot dusver hebben alle partijen het hoofd koel gehouden. Ik maak me zorgen over twee randvoorwaarden. Er is het oplopende nationalisme. In China, maar ook in Japan waar Shinzo Abe bij de voorbije verkiezingen openlijk anti-Chinese gevoelens heeft bespeeld. Peking is trouwens woedend over de Japanse, door Amerika warm gesteunde plannen om zich te herbewapenen. Vele Japanners zijn daar zelf niet over te spreken. Zolang de Chinezen van onze eilanden afblijven, is er voor hen geen probleem. India is een ander verhaal. Economisch is dat land geen partij voor China, ook onder de nieuwe president Modi ziet het er trouwens niet naar uit dat India de sprong naar een moderne industriestaat zal maken. Tegen die achtergrond flakkert het nationalisme op, met een laag opgeleide bevolking die erg vatbaar is voor de propaganda van heetgebakerde media. Nationalisme is een kracht die een oorlog kan uitlokken, maar dat geldt ook voor interne problemen in China. Wat als de economische motor sputtert? Niets zo gevaarlijk als een opkomende grootmacht die stagneert”.

– stagneren is niet denkbeeldig. China kent veel sociale onrust, een door u geciteerd rapport maakt gewag van 40.000 massa-incidenten in een jaar tijd. Vooral de kloof tussen de rijke, geïndustrialiseerde Oostkust en het verpauperde binnenland genereert frustraties. Is de Volksrepubliek een reus op lemen voeten?

Holslag: “Dat beeld wil ik liever niet gebruiken, maar de Chinese leiders hebben redenen tot bezorgdheid. De communistische partij heeft haar legitimiteit altijd gekoppeld aan de belofte van een egalitaire samenleving. Dat verklaart de obsessie met economische groei. China moet en zal evolueren naar een hoog inkomen land, met een gemiddeld inkomen per capita van 12.000 dollar. Als dat niet lukt, zal China nooit de middelen hebben om een paar honderd miljoen inwoners in het binnenland en de periferie uit het moeras van de armoede te tillen. Het volk is daarbij bereid tot zware offers, maar wel met de verwachting dat het ooit kan profiteren van de economische strategie. De Partij speelt hoog spel, ze heeft via de staatsbanken minstens 4.500 miljard dollar spaargeld van de gezinnen overgeheveld naar investeringen in industrie en vastgoed. Wat als daar bubbels ontstaan en een deel van dat geld verdampt? Dan zit de overheid met een gigantisch probleem. In zo’n scenario is het allerminst denkbeeldig dat de Chinese leiders de bekende truc van de externe vijand opvoeren om hun vel te redden”.

–  aan doemscenario’s geen gebrek. Toch vond u de Chinese ambassadeur in Brussel bereid om de boekvoorstelling met zijn aanwezigheid op te luisteren. Hoe heeft u dat voor mekaar gekregen?

Holslag: “Oh maar, mijn boek heeft ook al een warme aanbeveling van een topman van de Partijschool in Peking gekregen. Kijk, ik ben scherp in mijn analyse. Maar wat ik niet doe, is de Chinezen met de vinger wijzen. Dat is het verschil met heel wat andere China-watchers, vooral Amerikanen hebben de gewoonte om China als boeman af te schilderen. Ik doe niet aan China bashing, en ik wens ook helemaal niet dat de Chinezen op hun bek gaan, want dat zou een ramp zijn voor de hele wereld. Mijn boek heeft ook oog voor de positieve aspecten van het Chinese verhaal. Het is zonder meer indrukwekkend hoe de leiders er tot dusver in geslaagd zijn om spanningen te ontmijnen. Conflicten rond territoriale claims en vertrouwenwekkende maatregelen wisselen af als eb en vloed. De Chinezen spelen het spel meesterlijk. Hoe ze als kredietverstrekker hun financiële macht aanwenden om de landen in Zuid-Oost China tegen elkaar uit te spelen. Hoe ze de belofte van een gemeenschappelijke, glorieuze toekomst als een wortel aan een stok laten bengelen. Voorlopig is de Chinese boom vooral slecht nieuws voor de ontwikkeling van de buurlanden. Handelstekorten, competitieve nadelen omdat China zijn schaalgrootte exploiteert om grondstoffenprijzen te drukken, noem maar op. Geduld, zeggen de Chinezen, ooit zetten we de stap naar een consumptie-gedreven economie, en dan wordt onze binnenlandse markt de motor om de hele regio te ontwikkelen. Je kunt alleen maar bewonderend toekijken hoe ze het altijd weer verkocht krijgen. De kracht van de Chinese diplomatie is dan ook ongeëvenaard. Kwaliteit, mankracht, ze spelen iedereen naar huis. Ook de Europese diplomatie schiet hopeloos te kort, we zijn niet meer in staat de Chinese strategie te doorgronden”.

–  is dat erg?

Holslag: “Ja, want de Chinezen doen hier net als in Azië, ze buiten onze verdeeldheid schaamteloos uit. De Britten worden gepaaid met de belofte dat de City de exclusieve bestemming wordt voor Chinese beleggingen. Duitsland wordt hofleverancier van machines en auto’s, de Fransen krijgen het monopolie op het bouwen van kerncentrales, en dwergstaat België wordt blij gemaakt met het perspectief dat we de Europese gateway voor Chinese export worden. We trappen er met open ogen in, terwijl de Chinezen ondertussen volop aan alternatieven bouwen door Zuid-Europese havens op te kopen”.

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

–  zijn we naïef in onze relaties met China?

Holslag: “Zeer zeker. Chinezen hebben de mond vol van samenwerking, maar de baten zijn vaak ongelijk verdeeld. Westerse bedrijven krijgen pas toegang tot de Chinese markt als ze hun technologie delen. Het omgekeerde gebeurt nooit, en toch rollen we de loper uit voor Chinese investeerders. Onze universiteiten lopen zich het vuur uit de sloffen om Chinese partners te vinden, en uiteraard stellen ze daarbij hun kennis royaal ter beschikking. Andersom is ondenkbaar, de Chinese toplabo’s blijven potdicht. Naïef is ook onze visie op de Chinese industriële politiek die onze koopkracht rechtstreeks bedreigt. Voorlopig voelen we het nog niet in onze portefeuille, maar dat zal veranderen wanneer ze erin geslaagd zijn de laatste resten van onze maakindustrie weg te concurreren. Daar zit een strategie achter, maar we willen het niet zien. Ook Europa laat zich betoveren door de belofte dat de Chinese markt op termijn een bonanza wordt. Een fatale vergissing. Als China ooit een consumptie-gedreven economie wordt, schieten er hier nauwelijks nog fabrieken over om ginder de vraag te bevredigen. Het is ook vanuit die optiek dat ik zo hard ageer tegen fenomenen zoals Uplace”.

–  dat moet u even uitleggen…

Holslag: “Ik bekijk de realiteit altijd door een strategische bril, meestal vertrekkend vanuit een Aziatische context. Zo borrelt vanzelf de vraag op: hoe kunnen we de welvaart van onze kinderen waarborgen, rekening houdend met de scherpe economische machtspolitiek die vanuit Azië wordt gevoerd? Voor mij is het antwoord duidelijk: we kunnen die ambitie alleen waarmaken als we hier een maakindustrie bouwen die competitief is maar ook meer inzet op duurzaamheid, schoonheid en creativiteit. Ik geloof niet dat we de bestaande industrie kost wat kost moeten proberen te behouden. Het gaat er me om iets beters neer te zetten, een sterkere industrie in functie van een sterkere samenleving. Eigenlijk komt het neer op een nieuw Europees ontwikkelingsmodel. Verstedelijking is daarbij een cruciaal gegeven, zeker in een regio als Vlaanderen. In plaats van onze economie meer afhankelijk te maken van diensten in enkele grootsteden, met fileleed en pendelstress als gevolg, pleit ik ervoor om de economische activiteit opnieuw te decentraliseren naar kleinere steden. Dat kan met wat vooruitstrevender standaarden, en het zal op termijn bijdragen tot een hechtere, bewustere samenleving. Dan moet je niet komen aanzetten met koopparadijzen die steden leegzuigen en zich opdrinken als surrogaat voor goede maakindustrie”.

–  de N-VA reageerde bits op uw column. Touché?

Holslag: “Ik maak me erg kwaad om het uitblijven van een volwaardige economische strategie. De regio’s die nu de bevoegdheid hebben moeten durven sturen. Ik hoor van de N-VA dat Vlamingen wijs genoeg zijn om voor zichzelf uit te maken wat goed voor ze is en waar ze willen gaan shoppen.  Ja, zeg ik dan, in een echte vrije markt kan de burger louter op basis van vraag en aanbod rationele keuzes maken. Maar de vrije markt is een mythe, de hele economie wordt door politieke interventies gemanipuleerd, of dat nu e beslissing van de ECB om de geldsluizen te openen betreft of het industrieel beleid van China dat zich een weg dumpt uit zijn overcapaciteit. Wat wordt het aanbod van zo’n Uplace? Negentig procent made in China, 100 procent zelfs als het gaat over Primark, de modeketen die Bart De Wever toch zo graag naar Antwerpen wil lokken. Zien ze het dan niet? Ze verschuiven wat werkgelegenheid en scheppen een vals gevoel van welvaart. Terwijl fenomenen zoals Uplace en Primark in feite vehikels zijn die de economische ambities van landen als China helpen realiseren terwijl ze onze welvaart bedreigen. Onbegrijpelijk dat iemand als De Wever met zijn aura van een staatsman dat niet snapt. Dat hij maar eens wat harder probeert om de containerschepen die in Antwerpen aanmeren terug te laten varen met volle containers kwaliteitsgoederen ‘made in Flanders’”

u schuwt de controverse niet. Uw pleidooi voor een sterk leger met een vloot nieuwe jachtbommenwerpers, maakte veel ophef. Bent u een havik?

Holslag: “Ik ben een realist. Een leger blijft noodzakelijk als laatste optie, een redmiddel dat je pas gebruikt als al de rest heeft gefaald. Zoals een brandverzekering. Die kost je elk jaar een stevige duit terwijl je ze wellicht nooit nodig hebt. Maar als het ooit brandt, dan wil je ze niet missen. Kijk ook naar de geopolitieke context. Ik durf echt niet uit te sluiten dat we vroeg of laat onze handen weer moeten vuil maken, zoals we dat in de vorige eeuw een paar keer hebben gedaan. Hoe gaan we onze kinderen uitleggen als we dan weerloos staan, zonder middelen om de opmars van de vijand af te remmen? België heeft nu al het laagste defensiebudget van heel Europa, en toch wordt er de komende jaren nog 1,4 miljard wegbezuinigd. Komaan zeg, schaf de hele krijgsmacht dan meteen af. Ik vind het ook hypocriet dat we ons achter Europa verschuilen. We gaan ons in transportvliegtuigen specialiseren binnen de schoot van een toekomstig communautair leger, hoor ik. Flauwe kul, met het huidige defensiebudget zijn nieuwe transportvliegtuigen even onbetaalbaar als jachtbommenwerpers. We kunnen ons ook binnen Europa niet specialiseren in besparingen”.

– de geopolitieke barometer staat inderdaad op storm. Het brandt niet in het Verre Oosten, maar veel dichter bij huis. Vindt u net als Timothy Garton Ash dat we Vladimir Poetin in Oost-Oekraïne een krachtig halt moeten toeroepen?

Holslag: “De Russen hebben in Oekraïne al verschillende rode lijnen overschreden. Toch geloof ik dat Poetin beseft dat hij zich geen nieuwe Koude Oorlog kan veroorloven, anders dreigt zijn land helemaal het knaapje van China te worden. Want vergis je niet, Peking zal niet nalaten de zwakte van Rusland uit te buiten. Poetin heeft er dus belang bij de boel niet uit de hand te laten lopen, maar de realiteit op het terrein blijft onvoorspelbaar. Ik geloof niet in het leveren van wapens leveren aan Oekraïense. De Russen hebben eindeloze arsenalen om dat tegen te werken. We moeten de Russen de kans geven om een nieuw partnerschap voor te bereiden maar ons ook schrap zetten voor een mogelijke harde confrontatie, waarbij boots on the ground niet uitgesloten zijn”.

– is Europa daar klaar voor?

Holslag: “Daar vrees ik voor. Het drama in Oekraïne is toch eerder een uiting van  Europese zwakte dan van Russische sterkte”.

–  een nog veel grotere brandhaard is het Midden Oosten. IS heeft nu ook delen van Libië ingepalmd, het jihadi-leger staat voor de poorten van Italië en dus ook van Europa. Hoe moeten we daarop reageren?

Holslag: “We moeten de harde macht behouden om ons tegen de ergste uitwassen te beschermen en intern werken aan een performant antiterreursysteem. Op lange termijn moeten we ons echter bewust zijn dat Europa nooit voldoende gewicht in de schaal zal kunnen werpen om het met repressie alleen te redden, al was het alleen maar vanwege de bevolkingsexplosie in Noord-Afrika en het Midden Oosten. Op lange termijn zullen we dus heel hard moeten nadenken over hoe we die bevolking kunnen steunen om kansen te krijgen. Dat brengt ons terug bij dat nieuwe ontwikkelingsmodel dat zo hard nodig is, en dat meer banen oplevert en duurzamer is. We zijn het aan ons zelf verplicht daarop in te zetten, en het is een geopolitieke noodzaak. Maar nu militair ingrijpen? Nee, ik geloof niet we ons dat moeras moeten wagen. Afschermen is de boodschap”.

–  klinkt wat cynisch. Heet dat niet de Somalië-aanpak?

Holslag: “Dat is een platitude, maar in zekere zin past ze wel. Noord-Afrika en het Midden Oosten zijn aan het verworden tot één groot Mogadishu”.