Tagarchief: Holocaust

Dochters Tobias Schiff over opgroeien met een vader die acht concentratiekampen overleefde

Humo, 28 februari 2017

heruitgave ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’

het onweerlegbare verhaal van een dwanggetuige

Schaakkampioen, chansonnier, acteur, moppentapper, diamantair, autofreak, Tobias Schiff was het allemaal. Bovenal was de Antwerpse Jood een onvermoeibare getuige over de concentratiekampen die met zijn enige boek de hoogste toppen van de Holocaust-literatuur bereikte. ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ ligt vanaf deze week opnieuw in de winkel, met een warme aanbeveling van Arnon Grunberg. Reden genoeg om Anny en Isabelle Schiff te verenigen voor een goed gesprek over een unieke vaderfiguur.  ‘Rechtsextremisme en antisemitisme steken weer de kop op. Vader zou zich in zijn graf omdraaien’

Tobias Schiff

Tobias Schiff

Als de immer sceptische Arnon Grunberg de loftrompet over een boek steekt,  dan heeft hij onze aandacht.  Zeker wanneer de auteur van het geprezen boek een Auschwitz-overlever is. Zoals bekend werd de bekendste krullenbol der Nederlandse letteren zelf opgevoed door twee slachtoffers van de Shoah. Het zal Grunberg dan ook menens zijn wanneer hij volgende zinnen aan scherm en papier toevertrouwt: “Levi, Borowski, Arnoni, Kertész, Améry, om maar vijf schrijvers van kampliteratuur te noemen, zijn niet alleen ooggetuigen, ze zijn ook goede, nee uitstekende schrijvers. En aan dat rijtje voeg ik  toe: Tobias Schiff”.

De bewierookte schrijver is ons al in 1999 ontvallen. Toch durven we te vermoeden dat hij het compliment met ongeloof en verbazing in ontvangst had genomen. Tobias Schiff, in een adem genoemd met literaire grootheden zoals Imre Kertész en Primo Levi? Wonderlijk als je bedenkt dat hij maar één boek heeft geschreven. En zelfs daar kan over gediscussieerd worden. Heeft Schiff het in 1997 verschenen ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ wel zelf geschreven? Het gaat om een lang uitgesponnen getuigenis over de 33 maanden waarin hij als tiener een helletocht ondernam langs acht verschillende werk- en concentratiekampen, met haltes in onder meer Trzebinia, Auschwitz-Birkenau, Buna-Monowitz, Dora en Bergen-Belsen.  Opgetekend door de toenmalige Epo-uitgever Hugo Franssen die een pluim krijgt in het voorwoord dat Arnon Grunberg voor de pas verschenen heruitgave bezorgde.  Dik verdiend, want het is zonder meer briljant hoe Franssen de urenlange monologen van Schiff heeft gevat. Als een staccato gedicht,  met clusters van korte, pulserende zinnen die de lezer tegen een verschroeiend tempo meesleuren.

Zelden werd het nulpunt van de menselijke geschiedenis zo navrant beschreven. Hoe Tobias _ Toshek voor de vrienden _ in Auschwitz afscheid nam van zijn vader. Twee jaar lang hadden ze voor elkaar gezorgd, door met verve de kunst te bedrijven van het overleven in onmogelijke omstandigheden. Hilarisch hoogtepunt: de zwerende enkelwonde die Tobias in Trzebinia opliep. Ze had hem fataal kunnen worden, het geringste vermoeden van arbeidsongeschiktheid betekende immers een gewisse dood. Toshek echter sloeg er een slaatje uit. Het pus van de zweer lokte vliegen aan,  op dat moment een felbegeerd ruilmiddel. In het kamp heerste tyfus, de kampleiding beloofde een extra kom soep voor wie 20 doodgemepte ziekteverspreiders inleverde. In Auschwitz-Birkenau overleefden vader en zoon zeven selecties, onder meer geleid door de infame kamparts Mengele. Bij de achtste, op 18 januari 1944, werd de 46-jarige Mozes Schiff wegens te oud en te zwak naar de gaskamer verwezen. De motor van de industriële moordmachine sputterde wegens overbelasting, waardoor vader Schiff met honderden andere geselecteerden nog drie dagen naakt in een ijskoude barak moest antichambreren. Tobias wist een SS-bewaker te vermurwen en kreeg toegang tot de barak. Zijn beschrijving, opgetekend 53 jaar na datum, twee jaar voor zijn eigen overlijden, grijpt naar de keel. Schiff, gezegend of vervloekt met een ijzersterk geheugen, heeft de titel van zijn boek goed gekozen. Hoe ouder hij werd, hoe dichter het verleden hem op de hielen zat.

Ondanks de alomtegenwoordige gruwel leest het boek als een schelmenroman. Schiff dankte zijn overleven aan een combinatie van stom geluk en duizend toevalligheden. Zijn enige verdienste bestond er naar eigen zeggen in dat hij het toeval een handje heeft geholpen. Dat is een understatement, Schiff was een overlevingskunstenaar die tientallen keren door het oog van de naald kroop. Lef, charme, koopmansgeest en perfect Duits waren de troeven die hij beurtelings uitspeelde.  En levenslust, een eigenschap die hij na de oorlog op zijn kinderen heeft overgedragen.

Twee van die kinderen zitten ons op te wachten in het Crown Plaza Hotel aan het Rogierplein, geen toevallige keuze naar zal blijken. Anny Schiff (69) is de oudste van de vier kinderen uit een eerste huwelijk, de periode na de oorlog toen hij als diamantair in Antwerpen woonde. Isabelle Schiff (43) is de enige dochter uit een tweede huwelijk dat hem naar Brussel voerde, waar hij een fotowinkel in het Manhattan Center aan het Rogierplein begon. ‘Binnenkort verhuizen we de zaak naar Elsene’, zegt Isabelle. ‘Dichter bij mijn woonplaats en mijn doelpubliek. Ik maak vooral huwelijksreportages en portretten in de Afrikaanse gemeenschap. Vaak in Matonge, ik hou van de Afrikaanse ambiance’. Van ambiance maken kan Anny meespreken. Ze heeft een gevarieerd beroepsleven achter de rug, maar de periode als rechterhand van Paul _ Boogie Boy _ Ambach springt eruit. ‘Ik was een wild meisje, gek op dansen en op zwarte muziek. Bij Paul Ambach kwam ik aan mijn trekken. James Brown, Johnny Lee Hooker, ik heb ze daar allemaal ontmoet.  Afrika, daar heb ik ook iets mee. Ik ben nooit getrouwd, maar ik heb wel een dochter met een Peul uit Senegal’.

 

Anny en Isabelle Schiff (foto: Marco Mertens)

Anny en Isabelle Schiff (foto: Marco Mertens)

Humo: swingend begin voor een gesprek over een topzwaar thema. Horen jullie niet gebukt te gaan onder het trauma van jullie vader?

Anny: Ho maar, vader bruiste zelf van de energie en levenslust.  Op de diamantbeurs was hij een fenomeen. Had hij ergens op de Meir een aanbod gezien, dan stopte hij niet voor iedere collega op de hoogte was. ‘Laat die kans niet liggen! Drie hemden voor de prijs van twee’. Toen de Citroën DS uitkwam, liep hij over van enthousiasme. Iedereen moest en zou delen in zijn bewondering voor dat staaltje van stijl en techniek. Vader was trouwens dol op autorijden, ik herinner me heroïsche tochten in de DS. Naar Brindisi, de boot op naar Griekenland, de hele Peloponnesos rond en dan via Kreta terug naar huis.

Isabelle: Die passie voor autorijden heb ik van hem geërfd, mijn vrienden noemen me nog altijd Schumacher. Papa had veel passies, maar schaken was een van de allergrootste, hij is nog Belgische kampioen snelschaken geweest. Als kind moest ik na school altijd mee naar café Greenwich vlakbij de Beursschouwburg, zijn vaste rendez-vous om te schaken.

Anny: Hij speelde toneel en was een geweldig muzikant. Hoewel hij geen noot kon lezen, componeerde hij aan de lopende band. In 1955 is een zangeres met een van zijn nummers bekroond op een internationaal concours van Frans chanson. Een geboren entertainer, hij hield een onuitputtelijk arsenaal aan moppen en anekdotes paraat. Ook in de kampen animeerde hij de boel. Als iedereen in de put zat, nam hij zijn mondharmonica of stak hij een sterk verhaal af.

Isabelle: En vertellen, het hield nooit op. Over de oorlog en zijn tijd in de kampen. Sommige overlevers probeerden na de bevrijding alles te verdringen. Bij papa was het omgekeerd, hij voelde een onweerstaanbare dwang om te getuigen. Daarom is dat boek er uiteindelijk gekomen. Ik denk niet dat hij zichzelf ooit als schrijver zag, het was gewoon een extra wapen om de vergetelheid te bestrijden. Papa zag het als zijn heilige plicht om de herinnering aan de slachtoffers te bewaren. Dat had hij ook beloofd toen hij in Auschwitz afscheid moest nemen van zijn eigen vader.

Anny: Die belofte heeft hij meer dan vervuld, onder meer door honderden lezingen te geven in Vlaamse scholen. Maar hoe vrolijk en vrij hij na de oorlog ook door het leven stapte, het was allemaal slechts façade. Diep vanbinnen raakte hij nooit los van het kamp. Schaken, musiceren, entertainen, dat waren allemaal manieren om niet aan dat zwarte gat te denken. ’s Avonds echter haalde het verleden hem in. Vader was een slechte slaper. Hij lag uren in bed te lezen, met het licht aan en BBC World op de achtergrond. Op de hoogte blijven van de toestand in de wereld, want je wist nooit wat er kon gebeuren.

HUMO: in zijn boek drukt hij spijt uit dat hij jullie op jonge leeftijd met al die vreselijke verhalen heeft geconfronteerd. Hebben jullie daar onder geleden?

Isabelle: Ik besef dat hij niet anders kon, dat schrijft hij trouwens zwart op wit in zijn boek.  Toch was het niet gemakkelijk, er zijn periodes geweest dat ik er niet tegen kon en wegliep. Als kind kreeg ik nachtmerries van zijn verhalen. Dan zag ik papa in het kamp, samen met zijn vader en andere gedeporteerden over wie hij vertelde. Ik wilde hem helpen, maar dat lukte niet, want het tafereel zat achter een onbreekbare, glazen wand.

Anny: Ik had een andere hardnekkige nachtmerrie: ons huis stond in brand en we probeerden wanhopig aan de vlammen te ontsnappen. Nee, eenvoudig was het niet om met getraumatiseerde ouders op te groeien. Want het kwam niet alleen van ons vader. Moeder heeft de oorlog als onderduikkind overleefd, haar ouders en grootouders werden gedeporteerd en vermoord, haar hele Poolse familie werd uitgeroeid. Net als mijn broers en zussen ben ik er niet ongeschonden uitgekomen, we zijn allemaal wel eens bij een psychiater of therapeut gepasseerd. Het probleem van onze generatie is dat we ons als kind hebben weggecijferd. Wat viel er te klagen? Ons leed zonk in het niets naast de verschrikkingen die onze ouders hadden doorstaan. Moeder was daar hard in, ze kon het echt niet verdragen dat ik over iets huilde. Ik herinner me nog vakanties aan zee.  Weer of geen weer, ze sleurde ons mee op  kilometerslange wandelingen langs de branding. Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd, maar ik ben zeker dat die manie uit haar oorlogsverleden voortvloeide. Als het weer misliep, moesten we klaar zijn om te vluchten.

HUMO: de gruwel waarvan hij in de kampen getuige was, tart alle verbeelding.  Sadistische kapo’s, willekeurige executies, uitgemergelde gevangenen die hun beulen smeken om een kogel en prompt op hun wenken worden  bediend. In Auschwitz zag Toshek een groep Italiaanse joden, niets vermoedend aanschuiven voor de gaskamer. Als hij er een uur later passeert, is de groep veranderd in een stapel lijken. Hij herkent ze meteen, zijn blik haakt zich vast aan dat ene meisje met de pop en de schattige krullen. Zo gaat het door, 200 pagina’s lang. Het hele boek is een roetsjbaan van verkillende passages, maar zijn wake in de barak bij zijn nog levende maar gedoemde vader, springt eruit. Delen jullie die indruk?

Isabelle:  Die passage is heftig, maar dat geldt evenzeer voor het afscheid van zijn moeder. Probeer het je voor te stellen. Ze vertrokken vanuit Drancy, het Franse doorvoerkamp dat je kunt vergelijken met onze Dossinkazerne. Drie dagen en drie nachten in beestenwagens. Het was snikheet, ze zaten zonder eten of drinken als haringen in een ton. Van de 1.000 zouden er uiteindelijk acht de oorlog overleven. De eerste selectie gebeurde bij hun aankomst in Silezië. Vrouwen en kinderen moesten in de trein blijven, maar papa mocht van de SS’ers samen met grootvader afstappen, ook al was hij volgens de regels een jaar te jong voor arbeidsdienst.  Stom geluk, dat heeft zijn leven meermaals gered. Omdat ze stierven van de dorst, probeerde zijn moeder uit de wagon te stappen met een kruik water die ze had bemachtigd. Een SS’er hield haar tegen en roste haar af met de zweep. Dat is dus de laatste herinnering die papa zijn leven lang heeft meegedragen: zijn moeder met een bloedende striem over haar gezicht in de wagon op weg naar de gaskamer.

Anny: In feite is de gruwel al begonnen in Antwerpen, toen zijn oudere zus Lunia uit zijn leven werd weggerukt. Een drama, vader aanbad zijn zus. Lunia werd op 22 juni 1942 opgepakt, bij de eerste razzia in de buurt van het Centraal Station. Ze hebben haar nooit meer teruggezien, ook al hebben ze nog geld betaald aan zwendelaars die beweerden dat ze Lunia uit Breendonk konden vrijkopen. Profiteurs die menselijke wanhoop uitbuiten, dat is van alle tijden, denk maar aan de huidige mensensmokkelaars in Libië en Syrië. Na die eerste razzia is vader met zijn ouders ondergedoken. Ze hebben hun hele fortuin uitgegeven aan passeurs om hen naar Zwitserland te smokkelen. Zeker weten we het niet, maar wellicht waren ook dat oplichters die hen aan de Duitsers hebben uitgeleverd. Ach, arme Lunia! Vader heeft nooit de volledige waarheid gekend. Ze was die dag met een vriendin naar het Centraal Station gelopen om Victor te begroeten, een neef uit Nederland die een oogje op haar had. Victor, die de oorlog wist te overleven als verzetsstrijder in het Franse maquis, heeft papa nooit durven vertellen dat hij ongewild de aanleiding voor haar arrestatie vormde. Hij woont nu in Jeruzalem, 92 jaar oud. Zijn geheugen gaat achteruit, maar als ik de naam van Toshek laat vallen, schiet zijn gemoed vol. De laatste keer liet hij me een koffertje met persoonlijke brieven zien. En wat lag er bovenop de stapel? Een portret van Lunia, hij kreeg er zeventig jaar later nog altijd tranen van in de ogen.

Isabelle: Papa had dat ook, hoe ouder hij werd, hoe sterker de herinneringen aan al zijn vermoorde dierbaren. In de periode rond 21 januari, de sterfdag van zijn vader, was hij thuis en in de winkel ongenietbaar. Dan liep hij op alles te vitten, gespannen als een veer, zijn hele gezicht in een kramp. Hij is zelf totaal onverwacht aan de gevolgen van een beroerte gestorven. Op 19 januari, bijna dag op dag de datum waarop zijn vader voor de gaskamer werd geselecteerd. Volgens mij kan dat geen toeval zijn.

Tobias geliefde zus Lunia, opgepakt bij eerste razzia in Antwerpen. Hij ou haar nooit meer weerzien.

Tobias geliefde zus Lunia, opgepakt bij eerste razzia in Antwerpen. Hij zou haar nooit meer weerzien.

HUMO: waarom heeft hij een halve eeuw gewacht om zijn kampmemoires te schrijven?

Anny: Dat boek is een verre uitloper van ‘Monsieur S’, een documentaire film uit 1990 over zijn kampverleden. Hij zat ook prominent in ‘De Laatste Getuigen’, de VTM-reeks van Luckas Vander Taelen die een dikke boon voor vader had. Getuigen, altijd weer die drang om getuigen. Dat er een boek van kwam, komt omdat vader zich in zijn laatste levensjaren grote zorgen maakte over de politiek. De opkomst van het Vlaams Blok vond hij verschrikkelijk. En hij liet zich niet sussen met commentaren dat het wel zou loslopen en dat de geschiedenis zich niet zou herhalen. Duitsland was in de jaren twintig een hoogontwikkeld land, met een grandioze cultuur en vooraanstaande wetenschappers. Ook toen kon niemand voorspellen dat zo’n land in enkele jaren tijd in totale barbarij zou verglijden.

HUMO: Het boek werd in 1997 uitgegeven met een disclaimer: ‘De hier verhaalde gebeurtenissen zijn waar. Ze staan onomstootbaar vast’. Was jullie vader beducht voor negationisme?

Anny: Hij lag daar wakker van: het idee dat jongere generaties niet meer zouden geloven wat er in de kampen is gebeurd. Op een keer, na een van zijn talloze schoollezingen, stelde een leerling hem een vraag over zijn moeder. ‘Hoe weet u zo zeker dat ze door de nazi’s werd vermoord? U was toch niet bij haar?’ Vader bleef daar kalm onder, hij wist hoe hij met zulke provocaties moest omgaan. Maar zulke ervaringen sterkten hem in zijn overtuiging dat de strijd tegen extremisme en negationisme nooit gestreden is.  Zo denk ik er ook over, en daarom ben ik zo blij met deze heruitgave. Want we kunnen er niet omheen: rechtsextremisme zit in de lift. Wilders in Nederland, Le Pen in Frankrijk, Trump in Amerika, ik denk dat vader zich in zijn graf omdraait. Ook in Oost-Europa gaat het de verkeerde kant uit, samen met het rechts-populisme steekt daar het spook van het antisemitisme de kop op. Vooral in Polen, nota bene het land waar drie miljoen joden werden vermoord.

Isabelle: Papa haatte dat land. Ik heb het hem vaak horen zeggen: kon ik Polen maar in een zakdoek wringen en in brand steken. Dat kwam van heel diep, met de nodige gebaren erbij om het aanschouwelijk te maken. Wat wil je ook, hij kwam uit een Pools-Joodse familie die in de oorlog compleet werd uitgeroeid. Door Duitse nazi’s, jazeker, maar het was geen toeval dat ze hun uitroeiingskampen in Polen hebben gevestigd. Het antisemitisme zat daar heel diep ingebakken.

Anny: Nog altijd. Denk maar aan de pogingen van de Poolse Kerk om Auschwitz te recupereren. Het moest een memoriaal voor alle slachtoffers worden, waarbij het begrip jood zoveel mogelijk zou worden verdoezeld. Vader is dikwijls in Auschwitz geweest, hij vond het heel belangrijk om de plaats te bezoeken waar zijn vader, moeder en zus werden vermoord. Ik was nog jong toen hij mij heeft meegenomen. Een beklijvende ervaring, maar ik denk niet ik dat ik er vandaag nog naartoe wil. Auschwitz is een toeristische trekpleister geworden, waar bezoekers in short door de gaskamers lopen. Zo respectloos, ik word daar kwaad van.

HUMO: Arnon Grunberg roemt ‘terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ als grote literatuur. Maar heeft het boek twintig jaar geleden ook succes gekend?

Anny: Best wel, er zijn trouwens twee toneelbewerkingen van gemaakt. De Franse vertaling was helaas geen succes, maar het boek is wel door mijn zus Lunia in het Hebreeuws vertaald. De dochter van mijn beste vriendin die in Amerika woont, loopt al jaren rond met plannen voor een Engelse vertaling. Wie weet komt het ervan na deze heruitgave.

HUMO: Was het moeilijk om Arnon Grunberg te strikken voor het voorwoord? 

Anny: Ik had zelf bij Epo aangeklopt. Het boek was al lang niet meer beschikbaar. Konden ze de 20ste verjaardag niet aangrijpen voor een heruitgave? Goed idee, vond uitgever Thomas Blommaert, maar om een heruitgave te lanceren moest er iets extra’s bovenop. Zo is Arnon in beeld gekomen. In het begin schoot het niet op, de uitgeverij geraakte niet voorbij zijn secretariaat. Maar als ik mijn zinnen op iets zet, kan ik heel koppig zijn. Ik zag dat Arnon naar Brussel kwam voor een literaire avond bij Passa Porta. Ik er naartoe met een exemplaar van de eerste druk.  Na de voorstelling heb ik hem zowat besprongen. Hij heeft het boek gelezen, en twee weken later kregen we via zijn secretariaat de bevestiging dat hij het voorwoord zou schrijven. Vader zou trots zijn geweest over de manier waarop ik dat heb geregeld. Vechtlust en plantrekkerij, dat heb ik van hem.

 

Tobias Schiff, ‘Terug naar de plaats die ik nooit heb verlaten’, met voorwoord Arnon Grunberg, Epo, 19€90

 

Psychogenocide, de vergeten Holocaust

Knack, 4 november 2015

 

Pyschiater en kunstenaar Erik Thys heeft een schokkend boek geschreven. Psychogenocide gaat over de moord door de nazi’s op 300.000 psychiatrische patiënten. Gesprek over eugenetica, psychiatrie, ontaarde kunst en al te gewillige medici. ‘De komst van Hitler was goed nieuws voor Duitse artsen’.

Ideale mensen volgens Nazi's, paneel tentoontselling Wunder des Lebens

Ideale mensen volgens de Nazi’s, paneel tentoonstelling Wunder des Lebens

Met boeken over de Nazi-misdaden kan men stilaan de evenaar plaveien. Toch is Erik Thys erin geslaagd een originele bijdrage aan het genre te leveren. Psychogenocide gaat over de liquidatie tussen januari 1939 en augustus 1941 van 300.000 Duitse geesteszieken en verstandelijk gehandicapten, een geheime operatie die het onverbiddelijke eindpunt van een fanatieke, eugenetische ideologie vormde. Tegen deze inktzwarte achtergrond schetst Thys de ambivalente relatie tussen kunst en psychiatrie onder de nazi’s, terwijl hij ook een schril licht werpt op de sleutelrol die psychiaters, artsen en andere zorgverstrekkers bij de massamoord speelden. De materie is hem in meerdere opzichten vertrouwd. De auteur werkt als psychiater in het PSC Sint-Alexius in Elsene en het Universitair Psychiatrisch Centrum in Kortenberg, hij legt er  zich vooral toe op de behandeling van psychosen. Behalve psychiater is Thys ook een creatieve duizendpoot. Hij maakt en exposeert grafisch werk, componeert en acteert, onder meer in videofilms en performances van zijn bekende kunstbroer Harald Thys die onbewust de voorzet voor het boekproject gaf.

Erik Thys: ‘Ik had van Harald een facsimile van Entartete Kunst gekregen, de beruchte tentoonstelling waarmee de nazi’s moderne kunst belachelijk probeerden te maken als het werk van gestoorde, ontaarde mensen. Dat zette me aan het denken over de verschrikkelijke maar tegelijkertijd fascinerende combinatie van kunst en geneeskunde, en ook over het onderliggende concept van volksgezondheid waarbij alles in het teken van zuiverheid staat. Ik heb niks onthuld, de feiten zijn bekend. Toch blijft de massamoord op psychiatrische patiënten onderbelicht, ze wordt volledig overschaduwd door de herinnering aan de holocaust. Ook daarom heb ik dit boek geschreven. Terwijl de holocaust vaak wordt gebruikt om te waarschuwen tegen hedendaags racisme, doet men alsof de psychogenocide een geïsoleerd feit zonder actuele relevantie is’.

– is dat niet zo?

Thys: ‘Ik wil absoluut niet zwartgallig doen over de hedendaagse psychiatrie, maar we moeten alert blijven voor bepaalde fenomenen. De nazi’s maakten een scherp onderscheid tussen behandelbare en hopeloze patiënten. Dat gebeurt nog altijd, uiteraard met andere gevolgen. Ook het utilitaire denken, een van de hoekstenen van de psychogenocide, is nooit helemaal uit de geestelijke gezondheidszorg verdwenen’.

– de psychogenocide is het monster dat werd gebaard door de eugenetica, 100 jaar geleden alom bejubeld als een nieuwe wetenschap die het beste met de Mens voorhad. Hoe kon dat gebeuren?

Thys: ‘Eugenetica heeft een lange voorgeschiedenis, Plato voorzag in zijn ideale staat al een systeem van geleide procreatie. De moderne eugenetica begint in de tweede helft van de 19de eeuw, geïnspireerd door de evolutie in de landbouw. Als we gewassen en dierenrassen kunnen veredelen, zo ging de redenering, dan kunnen we ook de mens verbeteren. Uiteraard hadden de vroege eugenetici Mendels erfelijkheidswetten en Darwins evolutietheorie gelezen, maar in feite was hun wetenschappelijke basis erg wankel. De kennis van moderne genetica was nihil’.

campagne tegen 'Ballastmenschen'

campagne tegen ‘Ballastmenschen’

– was Duitsland de bakermat ?

Thys: ‘Nee, het enthousiasme leefde in alle landen van de geïndustrialiseerde wereld. De eerste eugenetische wetgeving kwam trouwens in de Verenigde Staten tot stand, in de vorm van regels die migranten met ernstige geestelijke problemen de toegang tot het grondgebied ontzegden. En wat te denken van het verbod op gemengde huwelijken en andere rassenwetten in zuidelijke staten? Dat waren niks anders dan eugenetische maatregelen om het blanke ras zuiver te houden. De VS pionierden ook met verplichte sterilisatie van psychiatrische patiënten, een praktijk die ook in de Scandinavische landen enthousiast werd toegepast. In Finland heeft zich trouwens een interessante case voorgedaan. Harry Federley, professor zoölogie en overtuigd eugeneticus, pleitte in 1918 op biologische gronden voor het aanpassen van het één man één stem-principe. Federley zag met lede ogen hoe de Zweedse minderheid, de maatschappelijk elite in het Finland van die tijd, zich minder talrijk voortplantte dan de Finnen. Door hen meer stemmen te geven wilde hij die scheve balans rechttrekken, in het belang van de volksgezondheid. Zijn voorstel bleef dode letter, maar het illustreert perfect de paradox van het sociaaldarwinisme, een van de voorlopers van de nazi-eugenetica’.

– paradox?

Thys: ‘Sociaaldarwinisme gaat zogezegd uit van the survival of the fittest, een passief principe dat erop neerkomt dat men de natuur zijn gang laat gaan. Concreet zou dat betekenen dat de fitte Finnen zich vrolijk en onbeperkt mogen voortplanten. Daar zit de paradox, want Federley bepleit precies het tegenovergestelde. In feite is sociaaldarwinisme uitgesproken interventionistisch, het is een instrument om de maatschappij te kneden, zoals de nazi’s met ongeëvenaard fanatisme hebben geprobeerd’.

– Duitsland was dan niet de bakermat, maar nergens namen sociaaldarwinisme en eugenetica een hogere vlucht. Hoe komt dat?

Thys: ‘De nederlaag in de Eerste Wereldoorlog had Duitsland in een diepe crisis gestort. Alle waarden stonden op de helling, het maatschappelijk debat was erg heftig. Het ging ook over ethische thema’s die voorheen taboe waren, zoals echtscheiding of vrijwillige euthanasie. In dat klimaat hebben enkele prominente eugenetici de bakens verzet. Figuren zoals Ernst Rüdin, de pionier van genetische psychiatrie die de erfelijkheid van geestelijke aandoeningen onderzocht en een levenslange kruistocht voerde voor het steriliseren van ontaarden en minderwaardigen. Hij was overigens de schoonbroer van Alfred Ploetz, de arts die al in 1895 het begrip rassenhygiëne had bedacht. Rüdin en Ploetz hebben samen ’s werelds eerste vereniging voor rassenhygiëne gesticht, een voorbeeld dat snel internationale navolging kreeg. Vandaag is rassenhygiëne een beladen begrip, maar Rüdin was tijdens het interbellum een wereldautoriteit wiens ideeën door toonaangevende wetenschappers en intellectuelen werden gedeeld. Niemand minder dan Max Planck is persoonlijk tussengekomen toen hij na de oorlog voor zijn rol in de psychogenocide werd vervolgd. Met succes, Rüdin ontsnapte aan vervolging’.

‘Er zijn teveel namen om op te noemen, maar die van Karl Binding en Alfred Hoche, een jurist en een psychiater, allebei fanatieke eugenetici, mogen niet ontbreken. In 1920, toevallig het jaar waarin de nazipartij werd opgericht, hebben ze een dun maar erg invloedrijk boekje gepubliceerd. Sterilisatie volstond niet, argumenteerden ze, het moest de overheid ook mogelijk worden gemaakt mentaal gehandicapten en geesteszieken te doden. De auteurs omschreven het doelpubliek onder meer als ballastmensen, Fremdkörper en lege menselijke hulzen, en bedachten ook het afschuwelijke concept van het levensonwaardig leven, terminologie die de nazi’s gretig hebben overgenomen”.  

– het was Hitler zelf die op 1 september 1939 groen licht gaf voor het euthanasieprogramma. Is hij daarmee de hoofdverantwoordelijke?

Thys: ‘Ik hoed me voor een reductio ad hitlerum. De eugenetische denkbeelden bestonden al voor hij aan de macht kwam, maar hij is natuurlijk diegene die ze tot hun uiterste consequentie heeft toegepast. Eugenetica behoorde werkelijk tot de kern van Hitlers ideologie. Kijk, de nazi’s bespeelden in hun propaganda twee snaren. Er was het economische motief van de onproductieve mens, de nutteloze eter. In propagandafilms werd het er dik opgelegd: instellingen voor psychiatrische patiënten werden als luxueuze paleizen voorgesteld en tegenover schamele arbeidshuisjes geplaatst. Schoolkinderen kregen in de wiskundeles vraagstukken voorgeschoteld: de bouw van een psychiatrische kliniek kost 6 miljoen Mark. Hoeveel huizen kunnen we voor dat bedrag bouwen? Het tweede thema was puur eugenetisch: psychiatrische patiënten als bedreiging voor de volksgezondheid. Voor Hitler woog dat laatste duidelijk het zwaarst door. Op een bepaald moment probeerden kerkverantwoordelijken het euthanasieprogramma te stoppen, door aan te bieden de kosten voor de zorg zelf te dragen. Hitler wees dat voorstel resoluut af, alle psychiatrische patiënten moesten eraan geloven’.

– Hitler had zelf een psychiatrisch verleden, hij werd in 1918 na een gasaanval aan het Ijzerfront als hysteriepatiënt opgenomen. Heeft dat zijn houding beïnvloed?

Thys: ‘Misschien, maar dat blijft voer voor speculatie. Het verhaal gaat dat de nazi’s later alle betrokken artsen en verplegers hebben geliquideerd. Klinkt aannemelijk, maar ook hier ontbrekende sluitende bewijzen. Die heb ik ook niet om mijn persoonlijke overtuiging te staven, namelijk dat Hitler zichzelf als genetisch onvolmaakt beschouwde. Hij had een achternicht in de psychiatrie, het nichtje met wie hij vermoedelijk een relatie had, heeft zelfmoord gepleegd. Ik denk echt dat daar de reden ligt waarom hij geen kinderen wilde, en ook zijn zus verbood een relatie te beginnen’.

 

personeelsfeest in Hartheim, een van de zes T4-vernietigingscentra waar 18.200 psychiatrische patiënten werden vergast (bron: Dokumentationsstelle Hartheim)

personeelsfeest in Hartheim, een van de zes T4-vernietigingscentra waar 18.200 psychiatrische patiënten werden vergast (bron: Dokumentationsstelle Hartheim)

– anders dan bij de holocaust waren de 300.000 slachtoffers van de psychogenocide volkseigen Duitsers. Hoe konden de Nazi’s daarmee wegkomen?

Thys: ‘Ze waren erg beducht voor de reactie van het volk. Via uitgekiende propaganda probeerden ze de geesten te doen rijpen. Je ziet hoe de boodschap steeds explicieter wordt. In 1935 liep in Berlijn Das Wunder des Lebens, een knappe, modern vormgegeven tentoonstelling over de natuur. Positief en optimistisch van toon, maar er was wel een paneel over erfelijke zieken met in grote gotische letters de vraag: is dit nog leven? Een jaar later ging Opfer der Vergangenheit in première, een van Hitlers favoriete films. Hij opent met prachtige natuurbeelden, vergezeld van de commentaar dat alles wat niet leefbaar is, in de natuur ten gronde gaat. Cut, en in de volgende scène zie je beelden van een overbevolkte psychiatrische afdeling met patiënten die op een obscene manier worden gekarikaturiseerd. Boodschap: we hebben gezondigd tegen de natuur door onwaardig leven te behouden en het zelfs toe te staan zich via voort te planten.  Zo pakten de nazi’s het dus aan: het probleem omschrijven en gigantisch opblazen. De volgende stap, het propageren van de Endlösung, durfden ze niet aan. De massamoord, met als hoogtepunt de vergassing van 70.000 instellingspatiënten tijdens de beruchte T4-operatie, werd met de grootste discretie gepland en uitgevoerd’.

–  hoe valt zoiets te verbergen?

Thys: ‘De geheimhouding was relatief. Ik ben zelf op bezoek gegaan in Hadamar, een van de zes T4-vernietigingscentra waar bijna 15.000 psychiatrische patiënten werden vergast en gecremeerd. Het centrum ligt op een heuvel, het is ondenkbaar dat de inwoners zich geen vragen hebben gesteld bij de stinkende, zwarte rook. Dat hele bezoek heeft een diepe indruk gemaakt. De gaskamer bleek een omgebouwde kelder van vier bij drie. Ook de snijtafel, waar interessante lijken voor medische experimenten werden ontleed, staat er nog. Toen de 10.000ste patiënt werd vergast, heeft het T4-personeel die tafel gebruikt om een feestje te bouwen. Hadamar is nog altijd een psychiatrisch centrum, die bewuste tafel werd tot lang na de oorlog in het mortuarium gebruikt. Intussen hoort de kelder bij een Gedenkstätte, net zoals de weide waaronder een massagraf ligt met 5.000 patiënten die in het ziekenhuis werden vermoord.  De centraal geleide T4-operatie was immers maar een onderdeel van een bredere campagne. Bij de zogenaamde wilde euthanasie werden vanaf 1941 nog eens naar schatting 200.000 psychiatrische patiënten vermoord. Dodelijke injecties, vergiftiging, elektrocutie, alle manieren waren goed. Valentin Faltlhauser, een psychiater die ook enthousiast aan T4 had meegewerkt, propageerde de E-Kost als humane methode. Euthansasiekost, een verhongeringsdieet dat binnen een paar maanden tot de dood leidde’.

– kwam er helemaal geen verzet tegen de campagne?

Thys: ‘Toch wel. De katholieke bisschop von Galen van Münster heeft een donderpreek tegen het euthanasieproject afgestoken, en ook de protestantse bisschop Wurm leverde openlijk kritiek. Moedig, maar het heeft geen zoden aan de dijk gezet. Al bij al kwam er bitter weinig verzet. De meeste instellingen hebben gewillig meegewerkt, ook als ze door de katholieke of protestante kerk werden gerund. Er waren wel directies die stil verzet pleegden. Sommigen manipuleerden diagnoses om patiënten van de dodenlijst te halen, anderen waarschuwden stiekem de familie om hun zoon of dochter op te halen vooraleer de T4-bus kwam. Ook dat is een verbijsterend verhaal: heel wat families repten zich na die waarschuwing effectief naar de instelling. Niet om hun kind te redden, maar om afscheid te nemen’.

–  de discretie over de psychogenocide was dus nergens voor nodig. Hoe valt de publieke inschikkelijkheid te verklaren?

Thys: ‘Blijkbaar hadden de nazi’s de impact van hun eugenetische propaganda onderschat. Duitsers gingen massaal mee in de redenering dat het tenslotte beter was voor iedereen’.

–  in dat propaganda-offensief paste ook de tentoonstelling Entartete Kunst. Leg dat eens uit..

Thys: ‘Het grote verhaal is bekend. Entartete Kunst was de pendant van de GroBe Deutsche Kunstausstellung die in 1937 in München werd geopend. Tegenover de volkseigen, traditionele kunst plaatste men werken van surrealisten, dadaïsten, expressionisten en andere moderne kunstenaars. Geen moeite bleef bespaard om de bezoekers in te prenten dat dergelijke creaties alleen aan de fantasie van ontaarden en gedegenereerde konden ontsproten zijn. De juxtapositie typeerde het wereldbeeld van de nazi’s:  goed versus slecht, het verschil kan met het blote oog worden gemaakt.  Diezelfde wij-zij-tegenstelling loopt als een rode draad doorheen de psychogenocide, de psychiatrische patiënt was de ultieme andere. Maar het verband was nog veel directer. Entartete Kunst was een reizende tentoonstelling die overigens veel meer volk lokte dan de officiële Kunstausstellung. Om echt te onderstrepen hoe ontaard de geselecteerde kunstenaars wel waren, werd de tentoonstelling in Berlijn uitgebreid met een greep uit de Prinzhorncollectie, een verzameling met kunst van psychiatrische patiënten. Vandaag noemen we dat outsiderkunst of art brut. Er zit fantastisch werk tussen, heel wat van die Prinzhorn-kunstenaars waren erg getalenteerd. Dat maakte de nazi’s niks uit, ze werden even goed vermalen in de T4-operatie’.

– was de psychogenocide de opmaat voor de holocaust?

Thys: ‘Zonder enige twijfel. De schaalgrootte verschilt, maar de hele methodiek en machinerie voor de industriële massamoord werd tijdens de psychogenocide ontwikkeld. De allereerste vergassing vond plaats tijdens de opruiming van een psychiatrische kliniek in september 1939 in Polen, nog voor de start van de T4-operatie in Duitsland. Er werd constant naar meer efficiëntie gestreefd. De tot gaskamers omgebouwde vrachtwagens die het voordeel boden dat lijken rechtstreeks in een massagraf konden worden gedumpt? Een innovatie tijdens de psychogenocide, net zoals de douches die nog efficiënter bleken. Lijken moesten niet meer uitgekleed worden, dat scheelde een lastig karwei. T4 was een blauwdruk voor de holocaust. Patiënten werden uit instellingen opgehaald, in overslagcentra verzameld en van daaruit just in time afgeleverd in een van de vernietigingscentra waar ze meteen werden vergast en gecremeerd. Een maand nadat T4 werd afgerond, is de holocaust begonnen, met deelname van zowat alle T4-experts. Hannah Arendt beschreef de holocaust als een bureaucratische massamoord. Dat geldt evenzeer voor de psychogenocide. Bij T4 kwamen heel veel paperassen kijken. Voor elke patiënt moesten uitgebreide aanmeldingsformulieren en medische fiches worden ingevuld, en na de vergassing ontvingen familieleden een standaardbrief met een verzonnen doodsoorzaak. Die procedures hadden maar een doel: afstand scheppen zodat het moorden anoniem en vlot kon verlopen. Patiënten waren louter dossiers, ondanks de betrokkenheid van psychiaters en artsen kwam er geen enkele diagnose aan te pas. Het enige contact vond plaats vlak voor de vergassing, tijdens een vluchtig pre mortem onderzoek. Patiënten met een interessante pathologie of met een gouden tand, kregen een stempel op de schouder zodat men ze even later sneller uit de stapel lijken kon halen’.

zelfportret Elfriede Lohse-Wächtler, een van de T4-slachtoffers

zelfportret Elfriede Lohse-Wächtler, een van de T4-slachtoffers

– medici, psychiaters op kop, speelden een hoofdrol in de psychogenocide. Hoe kijkt u daar als psychiater naar?

Thys: ‘Het blijft een schokkende vaststelling. Artsen werkten niet alleen mee aan de massamoord, ze gebruikten psychiatrische patiënten voor allerlei medische experimenten. Het geval is bekend van een professor die patiënten met een welbepaalde pathologie bestelde. Die werden dan à la carte vermoord, en niet veel later kreeg hij hersenpreparaat of andere gewenste lichaamsdelen in zijn labo geleverd. Het is niet voor niets dat de nazi-artsen in Nürnberg een apart proces hebben gekregen. 20 kopstukken stonden terecht, het topje van de ijsberg. De meeste collaborerende artsen zijn erg goedkoop of zelfs ongestraft weggekomen, sommigen hebben zelfs nog een carrière gemaakt met de medische kennis die ze tijdens hun gruwelijke experimenten hadden opgedaan’.

–  valt allemaal moeilijk te rijmen van de eed van Hippocrates…

Thys: ‘De vraag is hoe het zover kon komen. Hitler was natuurlijk mateloos populair bij Duitse artsen, liefst 45 procent werd lid van de partij, veruit het grootste percentage van alle beroepsgroepen. Ik zie daar twee verklaringen voor. De komst van Hitler was voor vele artsen goed nieuws: door het beroepsverbod voor joodse artsen kregen vooral jonge, Duitse artsen onverhoopte carrièrekansen. Maar er was ook een diepere reden waarom ze zich aangesproken voelden: het hele nazisme was een medisch-biologische ideologie, doorspekt met jargon dat artsen vertrouwd in de oren klonk. Rassenwetten werden afgekondigd in naam van de volksgezondheid. Dat volk was een soort organisme, en artsen waren biologische soldaten die streden tegen ziektes of parasieten die het organisme bedreigden. Ik heb een affiche gevonden waarop de vier ideale mensentypes worden afgebeeld. Naast de goed geproportioneerde man en de blonde vrouw, staan de SS-soldaat in zwart uniform en de arts in witte jas. Dat zegt het allemaal’.

– België is met Nederland het enige land waar vrijwillige euthanasie onder strikte voorwaarden werd gelegaliseerd. Tegenstanders verwijzen vaak naar de nazi-s om hun argumenten kracht bij te zetten. Het meest omstreden is trouwens de mogelijkheid euthanasie te vragen in geval van ondraaglijk psychisch lijden. Ziet u enig verband met de psychogenocide?

Thys: ‘Nee, maar om dat te verduidelijken zag ik me toch verplicht de kwestie in mijn boek aan te snijden. De terminologie is natuurlijk verwarrend. In Duitsland is het woord euthanasie definitief verbrand, het verwijst er rechtstreeks naar de psychogenocide. Wat wij euthanasie noemen, heet daar Sterbehilfe. Ik heb een tabel gemaakt met de fundamentele verschillen, maar in feite ligt het voor de hand. Vrijwillige levensbeëindiging op verzoek van de patiënt, dat staat diametraal tegenover de gedwongen, door de overheid georganiseerde liquidatie van weerloze patiënten’.

 

Psychogenocide, Erik Thys, Epo, 320 pag, 24,50 euro

 

 

 

Met de politie op mensenrechtenstage in Kazerne Dossin

De Standaard, 11 april, 2015. (passage over zigeuners als code voor rondtrekkende daders heeft een staartje gekregen. Na een groot vervolgartikel van een collega in De Standaard besloot de Federale Politie haar nomenclatuur aan te passen)

Het verband tussen de feestende massa van een zomerfestival en de massamoord in Auschwitz? Politieagenten vinden in de Kazerne Dossin het antwoord. Onze reporter mocht een hele dag mee op HPM-stage in het Holocaust Museum. Verslag vanuit het spanningsveld tussen politie en mensenrechten.

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

Vroege vogels, die van de politie. Vanaf half acht druppelen de eerste cursisten binnen in de Kazerne Dossin. Commissaris Marc Van Gestel zet ze op weg naar een kop koffie, zijn collega Isabelle Diependaele streept de namenlijst af. Veertig worden er vandaag verwacht, op te tellen bij de 1.800 die het afgelopen jaar de eendaagse opleiding Holocaust, Politie en Mensenrechten (HPM) hebben gevolgd. “We liggen op kruissnelheid”, zegt coördinator Van Gestel tevreden. “Twee dagen in de week palmen we het museum in. Bedoeling is het volledige korps, meer dan 40.000 mannen en vrouwen sterk, door dit bad te jagen. We zijn hier dus nog niet weg, in een volgende fase willen we trouwens ook de aspiranten van de politiescholen naar Dossin halen”.

Het concept komt uit Amerika. Tijdens een stage bij de FBI in Washington beleefde hoofdcommissaris Dirk Allaerts zijn ping-moment. Het verplichte bezoek aan het holocaustmuseum, was dat geen idee voor de Belgische politie? Commissaris-generaal Catherine De Bolle was meteen enthousiast, en ook in Kazerne Dossin viel het zaadje in vruchtbare grond. Het nieuwe museum, een sober maar indrukwekkend ontwerp van architect Bob Van Reeth, stond nog in de steigers. Conservator Herman Van Goethem en zijn team piekerden zich suf. Het museum moest meer zijn dan een geïllustreerd exposé over het nulpunt van de Westerse geschiedenis. Herinneringseducatie, werd het toverwoord. Het verhaal van de holocaust moest als casus dienen waaruit lessen voor heden en toekomst vielen te trekken. Het voorstel van de politietop kon dan ook niet beter getimed zijn. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum sprong als derde partner op de kar. Eind 2013 stond het project Holocaust, Politie en Mensenrechten in de steigers, vier maanden later gingen de cursussen van start.

Bende van Nijvel

Een delegatie uit Luik waait binnen, mopperend over de files op de Brusselse ring en de moeilijke zoektocht naar een parkeerplaats. “Dit is een verplicht nummer”, zegt een van de agenten. ‘Van onze korpschef moeten we allemaal naar Mechelen, wij zijn zowat de laatsten in de rij. Wat de anderen erover vertellen? Niks bijzonders, er zijn tegenwoordig ook zoveel opleidingen. Ach ja, zo ziet een mens nog eens een stukje van zijn land”. Scepsis is veeleer uitzonderlijk, stellen we tijdens de briefing vast. Nagenoeg alle cursisten in onze groep hebben zelf het initiatief genomen om in te schrijven. Negen mannen en drie vrouwen, wetsdienaren van zeer divers pluimage. Speurders van de federale gerechtelijke politie zitten naast agenten van lokale korpsen. Een deelnemer stelt zich voor als instructeur op de schietbaan van de Nationale Politieacademie, een andere als coördinator bij de cavalerie in Etterbeek. Ook Robert Watzeels doceert aan de Nationale Politieacademie. Geweldbeheersing, een vak waarbij hij aspiranten inpepert dat hun tong hun beste wapen is. Een vijfde van zijn diensttijd besteedt hij in Kazerne Dossin, als een van de anciens onder de 54 HPM-opleiders. Vandaag vormt hij een tandem met Danny Debersaques van de wegpolitie Gentbrugge. Ook de andere groepen, twee Nederlandstalige en een Franstalige, worden door een duo begeleid. “Alleen zou dit te vermoeiend zijn”, zegt Robert. “Het is telkens een lange en intensieve dag”.  Een cursist is extra gemotiveerd. Pieter, negen jaar verbindingsofficier in Parijs, staat op een zucht van zijn pensioen. “Ik zoek een nuttige tijdsbesteding”, zegt hij. “Misschien kom ik hier zelf opleiding geven”.

We overlopen de Vier Hoofddoelen van HPM. Een beter begrip van de  mechanismen achter discriminatie en uitsluiting. Stimuleren om kritisch na te denken, en te handelen in overeenstemming met hun persoonlijke overtuiging. “Bovenal proberen we de cursisten bewust te maken van de marge om nee te zeggen”, zegt Robert. “Ook tegen een bevel van hogerhand. Als politieman sta je vaak voor ethische dilemma’s, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de hoogdagen van de Bende van Nijvel moest ik als jonge rijkswachter een bank bewaken. Ik had van mijn overste een duidelijke opdracht gekregen. Als ik iemand van de bende in het vizier kreeg, moest ik schieten zonder waarschuwen. Stapte hij uit een auto zonder een directe bedreiging te vormen? Niet aarzelen, direct schieten. Vandaag klinkt dat schokkend, maar het hele land was toen in de greep van de Bende-terreur. Ik zou er wellicht applaus voor gekregen hebben”.

Jonathan Jacobs

Het staat niet in het rijtje met doelstellingen, maar HPM moet ook een preventief medicijn tegen politionele uitschuivers vormen. Recente voorbeelden worden hier openlijk besproken. De zware mishandeling van daklozen door leden van de federale spoorwegpolitie in een lokaal onder het Zuidstation? Onze eigen rondvraag zal uitsluitend scherpe veroordelingen opleveren. Een staaltje van ongezonde kuddegeest, wordt het genoemd. Een leidersfiguur die over de schreef gaat, en de anderen die hem volgen veeleer dan in te grijpen. Over Jonathan Jacobs, doodgeslagen in een cel door leden van het Bijzonder Bijstandsteam van de Antwerpse politie, zijn de meningen genuanceerder. “Absoluut verwerpelijk”, vindt Robert. “Voor mijn part mogen die agenten streng gestraft worden. Maar wat met de psychiatrische kliniek die tot twee keer toe heeft geweigerd om Jacobs op te nemen? De directie is even schuldig als de betrokken politiemannen”.

Groepsdenken, ontmenselijken van medeburgers, bureaucratische lafheid, bereidheid tot het plegen van geweld. Allemaal thema’s die als vlechtdraad doorheen de opstelling in het museum lopen. Robert en Danny nemen ons  mee naar het memoriaal in de kazerne, het zwarte gat waarin 25.484 joden en 352 zigeuners verdwenen. 1.200 keerden uit de vernietigingskampen terug, geen 5 procent. Nadia, van politiezone Brussel-Noord, verbaast zich over de luxeappartementen rond het als park aangelegde binnenplein. “Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze. “Niet op een plek met zo’n verleden”. Het wordt geen klassieke rondleiding, we houden alleen halt bij de HTM-relevante onderdelen. Zoals het kunstwerk dat Philip Aguirre voor het memoriaal maakte. ’15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen’, de naam verwijst meteen naar een van donkerste pagina’s uit de geschiedenis van de Belgische politie. Op 15 augustus 1942 werden in de Antwerpse stationsbuurt meer dan 800 joden opgepakt en naar de Dossinkazerne afgevoerd. Aan de razzia, bevolen door de bezetter, dociel uitgevoerd door burgemeester Delwaide en zijn korpschef De Potter, namen een vijftigtal agenten deel. Het kunstwerk, een gedekte tafel waaronder een drieledig gezin zich, plat op de grond liggend, verscholen houdt, stelt het morele dilemma op scherp. “De agenten stonden voor de keuze”, legt Danny uit. “Ze konden het bevel naar de letter opvolgen en de familie van onder de tafel vandaan halen. Maar ze konden ook stil verzet plegen. Hun kop binnen steken, ‘hallo is daar iemand’ roepen, en vooral niet onder de tafel kijken”.

Artistieke impressie van de razzia van 21 augustus 1942, een zwarte pagina in de geschiedenis van de politie (Foto: Geertje De Waegeneer)

Artistieke impressie van de razzia van 15 augustus 1942 (Foto: Geertje De Waegeneer)

We steken opnieuw over naar het museum, voor een hinkelparcours doorheen de geschiedenis van de holocaust. Danny trekt onze aandacht op de fotowand. Een uitgelaten menigte van jonge mensen, dansend op de beats van Tomorrowland. Welke indruk maakt dit beeld? De begeleider kijkt zijn cursisten vorsend aan. Vinger opsteken hoeft niet, maar de sfeer van de schoolreis is helemaal terug. Vrolijk, zomers, jeugdig, de rondvraag levert vooral vrijblijvend gemompel op. Tot een van de speurders _ foto’s en namen zijn taboe, anonimiteit is hun levensverzekering _ zijn bril van ordehandhaver opzet. “Ik vind massa’s intimiderend”, zegt hij. “Groepen zijn manipuleerbaar. De sfeer kan zo omslaan, van vrolijk naar grimmig”. Was dit een toets, dan kreeg hij een tien. Van massa naar massamoord, daar gaat de hele tentoonstelling over. In onze werkmap staan ze netjes uitgespeld, de tien stappen die de Amerikaanse genocide-specialist Gregory Stanton onderscheidt, van classificatie en polarisatie naar uitroeiing en ontkenning.

Einsatzgruppe

De klas is nu helemaal bij de les. De spotprent van Joden op insectenpoten, sprinkhanen die Antwerpen overspoelen? Ontmenselijking, luidt het antwoord, stap 4 in het schema van Stanton. Precies wat in Rwanda is gebeurd, laat iemand pienter opmerken, daar werden de genocideslachtoffers als kakkerlakken bestempeld. We staan lang stil bij een beroemde foto van een lynchpartij in het Amerika van de jaren dertig. Wat zien we? Twee sukkelaars die aan een boom bengelen. Robert nodigt ons uit om beter te kijken, en scherp te stellen op de omstaanders. Sommigen blikken in de lens alsof ze zich betrapt voelen, bij de meesten spat het enthousiasme over het schouwspel van het beeld. Niemand die een vinger uitstak om de lynchpartij te voorkomen, net zomin als dat er iemand van de Rijkswacht tijdens de eerste pogrom in april 1941 iets ondernam om de relschoppers tegen te houden. We zijn intussen al bij stap 6, de polarisatie, aanbeland. Joden en zigeuners zijn al geregistreerd, gelabeld en geïsoleerd. Met medewerking van Belgische autoriteiten, vaak lokale administraties die de Duitse verordeningen ijverig uitvoerden, uit defaitisme of opportunisme. “Ze hadden nochtans een marge om te weigeren”,  zegt Robert. “Belgische instanties mochten van de bezetter gewetensbezwaren inroepen om niet aan de Jodenvervolging deel te nemen. De Brusselse burgemeester heeft geweigerd een jodenregister aan te leggen, en werd daar niet voor gestraft”.

Waarom lieten de Joden zich zomaar oppakken en uitmoorden? Het was Agnieszka, ondersteunende dienst FGP Brugge, die de vraag tijdens de briefing had opgeworpen. “Ik zou vechten als ze aan mijn kinderen raakten”, zei ze fel. En ineens staat ze daar op de derde verdieping van het museum, bij een van de beruchtste foto’s van de Holocaust. Een soldaat van een Einsatzgruppe legt van dichtbij aan op een naakte vrouw die wanhopig haar kind in de armen klemt. Twee joden met een kogel afgemaakt, daar kon je bij de SS trots op zijn. De hele verdieping is gewijd aan deportatie en uitroeiing. Met spaarzame middelen, zonder effectbejag.  De beelden en citaten komen des te harder binnen. Tekeningen van gaskamers en crematoria in Birkenau hangen tegenover een selectie uit het befaamde Höcker Album, foto’s van kampbeulen tijdens hun vrije tijd, aan de borrel op het zonnedek, even weg van de sleur van de industriële volkenmoord.  We houden het kort, Agnieszka heeft het trouwens al lang gesnapt. Er viel in deze fase niks meer te vechten, de strijd werd verloren op de eerste en de tweede verdieping.  Het is stil als we naar de kantine op de min-1 afdalen. “Ik had al een en ander over de Holocaust gelezen”, zegt Nadia. “Maar dit maakt toch indruk”.

Vinci Park

Lunchtijd. Een milde vorm van collectieve haat jegens Vinci Park steekt de kop op. Het SMS-parkeren draait in de soep, er moeten dringend parkeertickets worden vervangen en auto’s verplaatst. Als er straks maar geen bon onder de ruitenwisser steekt! Robert en Danny zijn intussen druk doende met de voorbereiding van de workshop mensenrechten. “Meestal is de sfeer constructief”, zegt Robert. “Maar soms krijg je onverwachte reacties. Jaja, zei er eentje, de Holocaust was erg. Maar wat doen de Joden met de Palestijnen? Dan moet je als moderator ingrijpen, want daar gaat het natuurlijk niet over. Op een keer had ik enkele agenten van een interventieteam uit een grootstedelijke probleemwijk. Ze hadden moeite met bepaalde stellingen over de rechten van arrestanten. Fysiek en verbaal geweld tijdens interventies? Moest kunnen, vonden ze, ze hadden hun eigen codes. En dat het gemakkelijk was om dat van achter een bureau af te keuren. Want je moest het maar doen, orde handhaven in een kansarme buurt die wemelt van drugscriminelen en mensen zonder papieren. Hun korpschef zat er bij, zijn mond viel open van verbazing. Die sessie is niet zonder gevolgen gebleven”.

We vormen een halve cirkel. Robert steekt van wal met een exposé over het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Wisten we dat Duitsland in Straatsburg ooit werd veroordeeld tot een zware schadevergoeding, te betalen aan een bewezen kindermoordenaar? Speurders hadden tijdens het onderzoek met geweld gedreigd om hem te dwingen te verklappen waar hij het slachtoffer _ op dat moment nog in leven gewaand _ had verborgen. Het argument van de tijdsdruk maakte voor de rechters in Straatsburg geen verschil. Dura lex, sed lex, mensenrechten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Na deze opwarmer krijgen we een primeur: de case Claeys en Vermuyten, uitgewerkt als toetssteen voor ethisch politiehandelen. We worden uitgenodigd om in de schoenen te gaan staan van de enige twee agenten die op 15 augustus 1942 weigerden aan de jodenrazzia deel te nemen. Vandaag worden Claeys en Vermuyten als helden vereerd, destijds als dienstweigeraars gestraft. Mild gestraft, weliswaar, met verlies van drie verlofdagen. Waarom waren ze dan de enige agenten die de marge om nee te zeggen hebben benut? Danny stelt de vragen, Robert noteert de antwoorden in een raster. De verschillende actoren, de opties, de geanticipeerde en de reële gevolgen, ethisch politiehandelen is even complex als de tabellen van Mendeljev.

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

Andy de homo

De marge om nee te zeggen? Agnieszka pikt het thema graag op. Is het normaal, vraagt ze zich luidop af, dat ze bij het invullen van persoonsgegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank een vakje met ‘Zigeuner’ kan aanvinken? “Ik weiger dat te doen”, zegt ze. “We hebben niet het recht om mensen op basis van hun etnische achtergrond te labelen”. Twee Leuvense speurders steigeren. Wat is het probleem? In dezelfde databank wordt toch ook genoteerd of iemand als veelpleger bekend staat of betrokken was bij drugsfeiten? Het stempel zigeuner is gewoon relevante informatie voor de strijd tegen rondtrekkende daderbendes. Robert kan het nauwelijks geloven. Hier, op deze plek, vernemen dat zigeuner anno 2015 codetaal is voor rondtrekkende daderbende. Hij pleegt een telefoon naar de bevoegde dienst, het blijkt te kloppen. “Dit kan absoluut niet”, zegt hij. “We mogen minderheden niet reduceren tot een crimineel fenomeen”.

De commotie luwt, we besluiten met een hedendaagse casus. Agent Andy out zich tegenover de collega’s als homo en wordt nadien met steeds ergere pesterijen geconfronteerd. Hoe zouden ze reageren? Heulen met de pesters? De andere kant opkijken? Openlijk partij kiezen voor Andy? De hiërarchische oversten inschakelen? De laatste twee opties worden met een geruststellende unanimiteit verkozen, maar één dissident draagt een pragmatische oplossing aan. “We kunnen Andy ook gewoon overplaatsten”. Robert kijkt naar zijn raster. Daar heeft hij geen vakje voor.