Tagarchief: joden

Dochters Tobias Schiff over opgroeien met een vader die acht concentratiekampen overleefde

Humo, 28 februari 2017

heruitgave ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’

het onweerlegbare verhaal van een dwanggetuige

Schaakkampioen, chansonnier, acteur, moppentapper, diamantair, autofreak, Tobias Schiff was het allemaal. Bovenal was de Antwerpse Jood een onvermoeibare getuige over de concentratiekampen die met zijn enige boek de hoogste toppen van de Holocaust-literatuur bereikte. ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ ligt vanaf deze week opnieuw in de winkel, met een warme aanbeveling van Arnon Grunberg. Reden genoeg om Anny en Isabelle Schiff te verenigen voor een goed gesprek over een unieke vaderfiguur.  ‘Rechtsextremisme en antisemitisme steken weer de kop op. Vader zou zich in zijn graf omdraaien’

Tobias Schiff

Tobias Schiff

Als de immer sceptische Arnon Grunberg de loftrompet over een boek steekt,  dan heeft hij onze aandacht.  Zeker wanneer de auteur van het geprezen boek een Auschwitz-overlever is. Zoals bekend werd de bekendste krullenbol der Nederlandse letteren zelf opgevoed door twee slachtoffers van de Shoah. Het zal Grunberg dan ook menens zijn wanneer hij volgende zinnen aan scherm en papier toevertrouwt: “Levi, Borowski, Arnoni, Kertész, Améry, om maar vijf schrijvers van kampliteratuur te noemen, zijn niet alleen ooggetuigen, ze zijn ook goede, nee uitstekende schrijvers. En aan dat rijtje voeg ik  toe: Tobias Schiff”.

De bewierookte schrijver is ons al in 1999 ontvallen. Toch durven we te vermoeden dat hij het compliment met ongeloof en verbazing in ontvangst had genomen. Tobias Schiff, in een adem genoemd met literaire grootheden zoals Imre Kertész en Primo Levi? Wonderlijk als je bedenkt dat hij maar één boek heeft geschreven. En zelfs daar kan over gediscussieerd worden. Heeft Schiff het in 1997 verschenen ‘Terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ wel zelf geschreven? Het gaat om een lang uitgesponnen getuigenis over de 33 maanden waarin hij als tiener een helletocht ondernam langs acht verschillende werk- en concentratiekampen, met haltes in onder meer Trzebinia, Auschwitz-Birkenau, Buna-Monowitz, Dora en Bergen-Belsen.  Opgetekend door de toenmalige Epo-uitgever Hugo Franssen die een pluim krijgt in het voorwoord dat Arnon Grunberg voor de pas verschenen heruitgave bezorgde.  Dik verdiend, want het is zonder meer briljant hoe Franssen de urenlange monologen van Schiff heeft gevat. Als een staccato gedicht,  met clusters van korte, pulserende zinnen die de lezer tegen een verschroeiend tempo meesleuren.

Zelden werd het nulpunt van de menselijke geschiedenis zo navrant beschreven. Hoe Tobias _ Toshek voor de vrienden _ in Auschwitz afscheid nam van zijn vader. Twee jaar lang hadden ze voor elkaar gezorgd, door met verve de kunst te bedrijven van het overleven in onmogelijke omstandigheden. Hilarisch hoogtepunt: de zwerende enkelwonde die Tobias in Trzebinia opliep. Ze had hem fataal kunnen worden, het geringste vermoeden van arbeidsongeschiktheid betekende immers een gewisse dood. Toshek echter sloeg er een slaatje uit. Het pus van de zweer lokte vliegen aan,  op dat moment een felbegeerd ruilmiddel. In het kamp heerste tyfus, de kampleiding beloofde een extra kom soep voor wie 20 doodgemepte ziekteverspreiders inleverde. In Auschwitz-Birkenau overleefden vader en zoon zeven selecties, onder meer geleid door de infame kamparts Mengele. Bij de achtste, op 18 januari 1944, werd de 46-jarige Mozes Schiff wegens te oud en te zwak naar de gaskamer verwezen. De motor van de industriële moordmachine sputterde wegens overbelasting, waardoor vader Schiff met honderden andere geselecteerden nog drie dagen naakt in een ijskoude barak moest antichambreren. Tobias wist een SS-bewaker te vermurwen en kreeg toegang tot de barak. Zijn beschrijving, opgetekend 53 jaar na datum, twee jaar voor zijn eigen overlijden, grijpt naar de keel. Schiff, gezegend of vervloekt met een ijzersterk geheugen, heeft de titel van zijn boek goed gekozen. Hoe ouder hij werd, hoe dichter het verleden hem op de hielen zat.

Ondanks de alomtegenwoordige gruwel leest het boek als een schelmenroman. Schiff dankte zijn overleven aan een combinatie van stom geluk en duizend toevalligheden. Zijn enige verdienste bestond er naar eigen zeggen in dat hij het toeval een handje heeft geholpen. Dat is een understatement, Schiff was een overlevingskunstenaar die tientallen keren door het oog van de naald kroop. Lef, charme, koopmansgeest en perfect Duits waren de troeven die hij beurtelings uitspeelde.  En levenslust, een eigenschap die hij na de oorlog op zijn kinderen heeft overgedragen.

Twee van die kinderen zitten ons op te wachten in het Crown Plaza Hotel aan het Rogierplein, geen toevallige keuze naar zal blijken. Anny Schiff (69) is de oudste van de vier kinderen uit een eerste huwelijk, de periode na de oorlog toen hij als diamantair in Antwerpen woonde. Isabelle Schiff (43) is de enige dochter uit een tweede huwelijk dat hem naar Brussel voerde, waar hij een fotowinkel in het Manhattan Center aan het Rogierplein begon. ‘Binnenkort verhuizen we de zaak naar Elsene’, zegt Isabelle. ‘Dichter bij mijn woonplaats en mijn doelpubliek. Ik maak vooral huwelijksreportages en portretten in de Afrikaanse gemeenschap. Vaak in Matonge, ik hou van de Afrikaanse ambiance’. Van ambiance maken kan Anny meespreken. Ze heeft een gevarieerd beroepsleven achter de rug, maar de periode als rechterhand van Paul _ Boogie Boy _ Ambach springt eruit. ‘Ik was een wild meisje, gek op dansen en op zwarte muziek. Bij Paul Ambach kwam ik aan mijn trekken. James Brown, Johnny Lee Hooker, ik heb ze daar allemaal ontmoet.  Afrika, daar heb ik ook iets mee. Ik ben nooit getrouwd, maar ik heb wel een dochter met een Peul uit Senegal’.

 

Anny en Isabelle Schiff (foto: Marco Mertens)

Anny en Isabelle Schiff (foto: Marco Mertens)

Humo: swingend begin voor een gesprek over een topzwaar thema. Horen jullie niet gebukt te gaan onder het trauma van jullie vader?

Anny: Ho maar, vader bruiste zelf van de energie en levenslust.  Op de diamantbeurs was hij een fenomeen. Had hij ergens op de Meir een aanbod gezien, dan stopte hij niet voor iedere collega op de hoogte was. ‘Laat die kans niet liggen! Drie hemden voor de prijs van twee’. Toen de Citroën DS uitkwam, liep hij over van enthousiasme. Iedereen moest en zou delen in zijn bewondering voor dat staaltje van stijl en techniek. Vader was trouwens dol op autorijden, ik herinner me heroïsche tochten in de DS. Naar Brindisi, de boot op naar Griekenland, de hele Peloponnesos rond en dan via Kreta terug naar huis.

Isabelle: Die passie voor autorijden heb ik van hem geërfd, mijn vrienden noemen me nog altijd Schumacher. Papa had veel passies, maar schaken was een van de allergrootste, hij is nog Belgische kampioen snelschaken geweest. Als kind moest ik na school altijd mee naar café Greenwich vlakbij de Beursschouwburg, zijn vaste rendez-vous om te schaken.

Anny: Hij speelde toneel en was een geweldig muzikant. Hoewel hij geen noot kon lezen, componeerde hij aan de lopende band. In 1955 is een zangeres met een van zijn nummers bekroond op een internationaal concours van Frans chanson. Een geboren entertainer, hij hield een onuitputtelijk arsenaal aan moppen en anekdotes paraat. Ook in de kampen animeerde hij de boel. Als iedereen in de put zat, nam hij zijn mondharmonica of stak hij een sterk verhaal af.

Isabelle: En vertellen, het hield nooit op. Over de oorlog en zijn tijd in de kampen. Sommige overlevers probeerden na de bevrijding alles te verdringen. Bij papa was het omgekeerd, hij voelde een onweerstaanbare dwang om te getuigen. Daarom is dat boek er uiteindelijk gekomen. Ik denk niet dat hij zichzelf ooit als schrijver zag, het was gewoon een extra wapen om de vergetelheid te bestrijden. Papa zag het als zijn heilige plicht om de herinnering aan de slachtoffers te bewaren. Dat had hij ook beloofd toen hij in Auschwitz afscheid moest nemen van zijn eigen vader.

Anny: Die belofte heeft hij meer dan vervuld, onder meer door honderden lezingen te geven in Vlaamse scholen. Maar hoe vrolijk en vrij hij na de oorlog ook door het leven stapte, het was allemaal slechts façade. Diep vanbinnen raakte hij nooit los van het kamp. Schaken, musiceren, entertainen, dat waren allemaal manieren om niet aan dat zwarte gat te denken. ’s Avonds echter haalde het verleden hem in. Vader was een slechte slaper. Hij lag uren in bed te lezen, met het licht aan en BBC World op de achtergrond. Op de hoogte blijven van de toestand in de wereld, want je wist nooit wat er kon gebeuren.

HUMO: in zijn boek drukt hij spijt uit dat hij jullie op jonge leeftijd met al die vreselijke verhalen heeft geconfronteerd. Hebben jullie daar onder geleden?

Isabelle: Ik besef dat hij niet anders kon, dat schrijft hij trouwens zwart op wit in zijn boek.  Toch was het niet gemakkelijk, er zijn periodes geweest dat ik er niet tegen kon en wegliep. Als kind kreeg ik nachtmerries van zijn verhalen. Dan zag ik papa in het kamp, samen met zijn vader en andere gedeporteerden over wie hij vertelde. Ik wilde hem helpen, maar dat lukte niet, want het tafereel zat achter een onbreekbare, glazen wand.

Anny: Ik had een andere hardnekkige nachtmerrie: ons huis stond in brand en we probeerden wanhopig aan de vlammen te ontsnappen. Nee, eenvoudig was het niet om met getraumatiseerde ouders op te groeien. Want het kwam niet alleen van ons vader. Moeder heeft de oorlog als onderduikkind overleefd, haar ouders en grootouders werden gedeporteerd en vermoord, haar hele Poolse familie werd uitgeroeid. Net als mijn broers en zussen ben ik er niet ongeschonden uitgekomen, we zijn allemaal wel eens bij een psychiater of therapeut gepasseerd. Het probleem van onze generatie is dat we ons als kind hebben weggecijferd. Wat viel er te klagen? Ons leed zonk in het niets naast de verschrikkingen die onze ouders hadden doorstaan. Moeder was daar hard in, ze kon het echt niet verdragen dat ik over iets huilde. Ik herinner me nog vakanties aan zee.  Weer of geen weer, ze sleurde ons mee op  kilometerslange wandelingen langs de branding. Ze heeft het nooit met zoveel woorden gezegd, maar ik ben zeker dat die manie uit haar oorlogsverleden voortvloeide. Als het weer misliep, moesten we klaar zijn om te vluchten.

HUMO: de gruwel waarvan hij in de kampen getuige was, tart alle verbeelding.  Sadistische kapo’s, willekeurige executies, uitgemergelde gevangenen die hun beulen smeken om een kogel en prompt op hun wenken worden  bediend. In Auschwitz zag Toshek een groep Italiaanse joden, niets vermoedend aanschuiven voor de gaskamer. Als hij er een uur later passeert, is de groep veranderd in een stapel lijken. Hij herkent ze meteen, zijn blik haakt zich vast aan dat ene meisje met de pop en de schattige krullen. Zo gaat het door, 200 pagina’s lang. Het hele boek is een roetsjbaan van verkillende passages, maar zijn wake in de barak bij zijn nog levende maar gedoemde vader, springt eruit. Delen jullie die indruk?

Isabelle:  Die passage is heftig, maar dat geldt evenzeer voor het afscheid van zijn moeder. Probeer het je voor te stellen. Ze vertrokken vanuit Drancy, het Franse doorvoerkamp dat je kunt vergelijken met onze Dossinkazerne. Drie dagen en drie nachten in beestenwagens. Het was snikheet, ze zaten zonder eten of drinken als haringen in een ton. Van de 1.000 zouden er uiteindelijk acht de oorlog overleven. De eerste selectie gebeurde bij hun aankomst in Silezië. Vrouwen en kinderen moesten in de trein blijven, maar papa mocht van de SS’ers samen met grootvader afstappen, ook al was hij volgens de regels een jaar te jong voor arbeidsdienst.  Stom geluk, dat heeft zijn leven meermaals gered. Omdat ze stierven van de dorst, probeerde zijn moeder uit de wagon te stappen met een kruik water die ze had bemachtigd. Een SS’er hield haar tegen en roste haar af met de zweep. Dat is dus de laatste herinnering die papa zijn leven lang heeft meegedragen: zijn moeder met een bloedende striem over haar gezicht in de wagon op weg naar de gaskamer.

Anny: In feite is de gruwel al begonnen in Antwerpen, toen zijn oudere zus Lunia uit zijn leven werd weggerukt. Een drama, vader aanbad zijn zus. Lunia werd op 22 juni 1942 opgepakt, bij de eerste razzia in de buurt van het Centraal Station. Ze hebben haar nooit meer teruggezien, ook al hebben ze nog geld betaald aan zwendelaars die beweerden dat ze Lunia uit Breendonk konden vrijkopen. Profiteurs die menselijke wanhoop uitbuiten, dat is van alle tijden, denk maar aan de huidige mensensmokkelaars in Libië en Syrië. Na die eerste razzia is vader met zijn ouders ondergedoken. Ze hebben hun hele fortuin uitgegeven aan passeurs om hen naar Zwitserland te smokkelen. Zeker weten we het niet, maar wellicht waren ook dat oplichters die hen aan de Duitsers hebben uitgeleverd. Ach, arme Lunia! Vader heeft nooit de volledige waarheid gekend. Ze was die dag met een vriendin naar het Centraal Station gelopen om Victor te begroeten, een neef uit Nederland die een oogje op haar had. Victor, die de oorlog wist te overleven als verzetsstrijder in het Franse maquis, heeft papa nooit durven vertellen dat hij ongewild de aanleiding voor haar arrestatie vormde. Hij woont nu in Jeruzalem, 92 jaar oud. Zijn geheugen gaat achteruit, maar als ik de naam van Toshek laat vallen, schiet zijn gemoed vol. De laatste keer liet hij me een koffertje met persoonlijke brieven zien. En wat lag er bovenop de stapel? Een portret van Lunia, hij kreeg er zeventig jaar later nog altijd tranen van in de ogen.

Isabelle: Papa had dat ook, hoe ouder hij werd, hoe sterker de herinneringen aan al zijn vermoorde dierbaren. In de periode rond 21 januari, de sterfdag van zijn vader, was hij thuis en in de winkel ongenietbaar. Dan liep hij op alles te vitten, gespannen als een veer, zijn hele gezicht in een kramp. Hij is zelf totaal onverwacht aan de gevolgen van een beroerte gestorven. Op 19 januari, bijna dag op dag de datum waarop zijn vader voor de gaskamer werd geselecteerd. Volgens mij kan dat geen toeval zijn.

Tobias geliefde zus Lunia, opgepakt bij eerste razzia in Antwerpen. Hij ou haar nooit meer weerzien.

Tobias geliefde zus Lunia, opgepakt bij eerste razzia in Antwerpen. Hij zou haar nooit meer weerzien.

HUMO: waarom heeft hij een halve eeuw gewacht om zijn kampmemoires te schrijven?

Anny: Dat boek is een verre uitloper van ‘Monsieur S’, een documentaire film uit 1990 over zijn kampverleden. Hij zat ook prominent in ‘De Laatste Getuigen’, de VTM-reeks van Luckas Vander Taelen die een dikke boon voor vader had. Getuigen, altijd weer die drang om getuigen. Dat er een boek van kwam, komt omdat vader zich in zijn laatste levensjaren grote zorgen maakte over de politiek. De opkomst van het Vlaams Blok vond hij verschrikkelijk. En hij liet zich niet sussen met commentaren dat het wel zou loslopen en dat de geschiedenis zich niet zou herhalen. Duitsland was in de jaren twintig een hoogontwikkeld land, met een grandioze cultuur en vooraanstaande wetenschappers. Ook toen kon niemand voorspellen dat zo’n land in enkele jaren tijd in totale barbarij zou verglijden.

HUMO: Het boek werd in 1997 uitgegeven met een disclaimer: ‘De hier verhaalde gebeurtenissen zijn waar. Ze staan onomstootbaar vast’. Was jullie vader beducht voor negationisme?

Anny: Hij lag daar wakker van: het idee dat jongere generaties niet meer zouden geloven wat er in de kampen is gebeurd. Op een keer, na een van zijn talloze schoollezingen, stelde een leerling hem een vraag over zijn moeder. ‘Hoe weet u zo zeker dat ze door de nazi’s werd vermoord? U was toch niet bij haar?’ Vader bleef daar kalm onder, hij wist hoe hij met zulke provocaties moest omgaan. Maar zulke ervaringen sterkten hem in zijn overtuiging dat de strijd tegen extremisme en negationisme nooit gestreden is.  Zo denk ik er ook over, en daarom ben ik zo blij met deze heruitgave. Want we kunnen er niet omheen: rechtsextremisme zit in de lift. Wilders in Nederland, Le Pen in Frankrijk, Trump in Amerika, ik denk dat vader zich in zijn graf omdraait. Ook in Oost-Europa gaat het de verkeerde kant uit, samen met het rechts-populisme steekt daar het spook van het antisemitisme de kop op. Vooral in Polen, nota bene het land waar drie miljoen joden werden vermoord.

Isabelle: Papa haatte dat land. Ik heb het hem vaak horen zeggen: kon ik Polen maar in een zakdoek wringen en in brand steken. Dat kwam van heel diep, met de nodige gebaren erbij om het aanschouwelijk te maken. Wat wil je ook, hij kwam uit een Pools-Joodse familie die in de oorlog compleet werd uitgeroeid. Door Duitse nazi’s, jazeker, maar het was geen toeval dat ze hun uitroeiingskampen in Polen hebben gevestigd. Het antisemitisme zat daar heel diep ingebakken.

Anny: Nog altijd. Denk maar aan de pogingen van de Poolse Kerk om Auschwitz te recupereren. Het moest een memoriaal voor alle slachtoffers worden, waarbij het begrip jood zoveel mogelijk zou worden verdoezeld. Vader is dikwijls in Auschwitz geweest, hij vond het heel belangrijk om de plaats te bezoeken waar zijn vader, moeder en zus werden vermoord. Ik was nog jong toen hij mij heeft meegenomen. Een beklijvende ervaring, maar ik denk niet ik dat ik er vandaag nog naartoe wil. Auschwitz is een toeristische trekpleister geworden, waar bezoekers in short door de gaskamers lopen. Zo respectloos, ik word daar kwaad van.

HUMO: Arnon Grunberg roemt ‘terug op de plaats die ik nooit heb verlaten’ als grote literatuur. Maar heeft het boek twintig jaar geleden ook succes gekend?

Anny: Best wel, er zijn trouwens twee toneelbewerkingen van gemaakt. De Franse vertaling was helaas geen succes, maar het boek is wel door mijn zus Lunia in het Hebreeuws vertaald. De dochter van mijn beste vriendin die in Amerika woont, loopt al jaren rond met plannen voor een Engelse vertaling. Wie weet komt het ervan na deze heruitgave.

HUMO: Was het moeilijk om Arnon Grunberg te strikken voor het voorwoord? 

Anny: Ik had zelf bij Epo aangeklopt. Het boek was al lang niet meer beschikbaar. Konden ze de 20ste verjaardag niet aangrijpen voor een heruitgave? Goed idee, vond uitgever Thomas Blommaert, maar om een heruitgave te lanceren moest er iets extra’s bovenop. Zo is Arnon in beeld gekomen. In het begin schoot het niet op, de uitgeverij geraakte niet voorbij zijn secretariaat. Maar als ik mijn zinnen op iets zet, kan ik heel koppig zijn. Ik zag dat Arnon naar Brussel kwam voor een literaire avond bij Passa Porta. Ik er naartoe met een exemplaar van de eerste druk.  Na de voorstelling heb ik hem zowat besprongen. Hij heeft het boek gelezen, en twee weken later kregen we via zijn secretariaat de bevestiging dat hij het voorwoord zou schrijven. Vader zou trots zijn geweest over de manier waarop ik dat heb geregeld. Vechtlust en plantrekkerij, dat heb ik van hem.

 

Tobias Schiff, ‘Terug naar de plaats die ik nooit heb verlaten’, met voorwoord Arnon Grunberg, Epo, 19€90

 

Met de politie op mensenrechtenstage in Kazerne Dossin

De Standaard, 11 april, 2015. (passage over zigeuners als code voor rondtrekkende daders heeft een staartje gekregen. Na een groot vervolgartikel van een collega in De Standaard besloot de Federale Politie haar nomenclatuur aan te passen)

Het verband tussen de feestende massa van een zomerfestival en de massamoord in Auschwitz? Politieagenten vinden in de Kazerne Dossin het antwoord. Onze reporter mocht een hele dag mee op HPM-stage in het Holocaust Museum. Verslag vanuit het spanningsveld tussen politie en mensenrechten.

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

Vroege vogels, die van de politie. Vanaf half acht druppelen de eerste cursisten binnen in de Kazerne Dossin. Commissaris Marc Van Gestel zet ze op weg naar een kop koffie, zijn collega Isabelle Diependaele streept de namenlijst af. Veertig worden er vandaag verwacht, op te tellen bij de 1.800 die het afgelopen jaar de eendaagse opleiding Holocaust, Politie en Mensenrechten (HPM) hebben gevolgd. “We liggen op kruissnelheid”, zegt coördinator Van Gestel tevreden. “Twee dagen in de week palmen we het museum in. Bedoeling is het volledige korps, meer dan 40.000 mannen en vrouwen sterk, door dit bad te jagen. We zijn hier dus nog niet weg, in een volgende fase willen we trouwens ook de aspiranten van de politiescholen naar Dossin halen”.

Het concept komt uit Amerika. Tijdens een stage bij de FBI in Washington beleefde hoofdcommissaris Dirk Allaerts zijn ping-moment. Het verplichte bezoek aan het holocaustmuseum, was dat geen idee voor de Belgische politie? Commissaris-generaal Catherine De Bolle was meteen enthousiast, en ook in Kazerne Dossin viel het zaadje in vruchtbare grond. Het nieuwe museum, een sober maar indrukwekkend ontwerp van architect Bob Van Reeth, stond nog in de steigers. Conservator Herman Van Goethem en zijn team piekerden zich suf. Het museum moest meer zijn dan een geïllustreerd exposé over het nulpunt van de Westerse geschiedenis. Herinneringseducatie, werd het toverwoord. Het verhaal van de holocaust moest als casus dienen waaruit lessen voor heden en toekomst vielen te trekken. Het voorstel van de politietop kon dan ook niet beter getimed zijn. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum sprong als derde partner op de kar. Eind 2013 stond het project Holocaust, Politie en Mensenrechten in de steigers, vier maanden later gingen de cursussen van start.

Bende van Nijvel

Een delegatie uit Luik waait binnen, mopperend over de files op de Brusselse ring en de moeilijke zoektocht naar een parkeerplaats. “Dit is een verplicht nummer”, zegt een van de agenten. ‘Van onze korpschef moeten we allemaal naar Mechelen, wij zijn zowat de laatsten in de rij. Wat de anderen erover vertellen? Niks bijzonders, er zijn tegenwoordig ook zoveel opleidingen. Ach ja, zo ziet een mens nog eens een stukje van zijn land”. Scepsis is veeleer uitzonderlijk, stellen we tijdens de briefing vast. Nagenoeg alle cursisten in onze groep hebben zelf het initiatief genomen om in te schrijven. Negen mannen en drie vrouwen, wetsdienaren van zeer divers pluimage. Speurders van de federale gerechtelijke politie zitten naast agenten van lokale korpsen. Een deelnemer stelt zich voor als instructeur op de schietbaan van de Nationale Politieacademie, een andere als coördinator bij de cavalerie in Etterbeek. Ook Robert Watzeels doceert aan de Nationale Politieacademie. Geweldbeheersing, een vak waarbij hij aspiranten inpepert dat hun tong hun beste wapen is. Een vijfde van zijn diensttijd besteedt hij in Kazerne Dossin, als een van de anciens onder de 54 HPM-opleiders. Vandaag vormt hij een tandem met Danny Debersaques van de wegpolitie Gentbrugge. Ook de andere groepen, twee Nederlandstalige en een Franstalige, worden door een duo begeleid. “Alleen zou dit te vermoeiend zijn”, zegt Robert. “Het is telkens een lange en intensieve dag”.  Een cursist is extra gemotiveerd. Pieter, negen jaar verbindingsofficier in Parijs, staat op een zucht van zijn pensioen. “Ik zoek een nuttige tijdsbesteding”, zegt hij. “Misschien kom ik hier zelf opleiding geven”.

We overlopen de Vier Hoofddoelen van HPM. Een beter begrip van de  mechanismen achter discriminatie en uitsluiting. Stimuleren om kritisch na te denken, en te handelen in overeenstemming met hun persoonlijke overtuiging. “Bovenal proberen we de cursisten bewust te maken van de marge om nee te zeggen”, zegt Robert. “Ook tegen een bevel van hogerhand. Als politieman sta je vaak voor ethische dilemma’s, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de hoogdagen van de Bende van Nijvel moest ik als jonge rijkswachter een bank bewaken. Ik had van mijn overste een duidelijke opdracht gekregen. Als ik iemand van de bende in het vizier kreeg, moest ik schieten zonder waarschuwen. Stapte hij uit een auto zonder een directe bedreiging te vormen? Niet aarzelen, direct schieten. Vandaag klinkt dat schokkend, maar het hele land was toen in de greep van de Bende-terreur. Ik zou er wellicht applaus voor gekregen hebben”.

Jonathan Jacobs

Het staat niet in het rijtje met doelstellingen, maar HPM moet ook een preventief medicijn tegen politionele uitschuivers vormen. Recente voorbeelden worden hier openlijk besproken. De zware mishandeling van daklozen door leden van de federale spoorwegpolitie in een lokaal onder het Zuidstation? Onze eigen rondvraag zal uitsluitend scherpe veroordelingen opleveren. Een staaltje van ongezonde kuddegeest, wordt het genoemd. Een leidersfiguur die over de schreef gaat, en de anderen die hem volgen veeleer dan in te grijpen. Over Jonathan Jacobs, doodgeslagen in een cel door leden van het Bijzonder Bijstandsteam van de Antwerpse politie, zijn de meningen genuanceerder. “Absoluut verwerpelijk”, vindt Robert. “Voor mijn part mogen die agenten streng gestraft worden. Maar wat met de psychiatrische kliniek die tot twee keer toe heeft geweigerd om Jacobs op te nemen? De directie is even schuldig als de betrokken politiemannen”.

Groepsdenken, ontmenselijken van medeburgers, bureaucratische lafheid, bereidheid tot het plegen van geweld. Allemaal thema’s die als vlechtdraad doorheen de opstelling in het museum lopen. Robert en Danny nemen ons  mee naar het memoriaal in de kazerne, het zwarte gat waarin 25.484 joden en 352 zigeuners verdwenen. 1.200 keerden uit de vernietigingskampen terug, geen 5 procent. Nadia, van politiezone Brussel-Noord, verbaast zich over de luxeappartementen rond het als park aangelegde binnenplein. “Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze. “Niet op een plek met zo’n verleden”. Het wordt geen klassieke rondleiding, we houden alleen halt bij de HTM-relevante onderdelen. Zoals het kunstwerk dat Philip Aguirre voor het memoriaal maakte. ’15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen’, de naam verwijst meteen naar een van donkerste pagina’s uit de geschiedenis van de Belgische politie. Op 15 augustus 1942 werden in de Antwerpse stationsbuurt meer dan 800 joden opgepakt en naar de Dossinkazerne afgevoerd. Aan de razzia, bevolen door de bezetter, dociel uitgevoerd door burgemeester Delwaide en zijn korpschef De Potter, namen een vijftigtal agenten deel. Het kunstwerk, een gedekte tafel waaronder een drieledig gezin zich, plat op de grond liggend, verscholen houdt, stelt het morele dilemma op scherp. “De agenten stonden voor de keuze”, legt Danny uit. “Ze konden het bevel naar de letter opvolgen en de familie van onder de tafel vandaan halen. Maar ze konden ook stil verzet plegen. Hun kop binnen steken, ‘hallo is daar iemand’ roepen, en vooral niet onder de tafel kijken”.

Artistieke impressie van de razzia van 21 augustus 1942, een zwarte pagina in de geschiedenis van de politie (Foto: Geertje De Waegeneer)

Artistieke impressie van de razzia van 15 augustus 1942 (Foto: Geertje De Waegeneer)

We steken opnieuw over naar het museum, voor een hinkelparcours doorheen de geschiedenis van de holocaust. Danny trekt onze aandacht op de fotowand. Een uitgelaten menigte van jonge mensen, dansend op de beats van Tomorrowland. Welke indruk maakt dit beeld? De begeleider kijkt zijn cursisten vorsend aan. Vinger opsteken hoeft niet, maar de sfeer van de schoolreis is helemaal terug. Vrolijk, zomers, jeugdig, de rondvraag levert vooral vrijblijvend gemompel op. Tot een van de speurders _ foto’s en namen zijn taboe, anonimiteit is hun levensverzekering _ zijn bril van ordehandhaver opzet. “Ik vind massa’s intimiderend”, zegt hij. “Groepen zijn manipuleerbaar. De sfeer kan zo omslaan, van vrolijk naar grimmig”. Was dit een toets, dan kreeg hij een tien. Van massa naar massamoord, daar gaat de hele tentoonstelling over. In onze werkmap staan ze netjes uitgespeld, de tien stappen die de Amerikaanse genocide-specialist Gregory Stanton onderscheidt, van classificatie en polarisatie naar uitroeiing en ontkenning.

Einsatzgruppe

De klas is nu helemaal bij de les. De spotprent van Joden op insectenpoten, sprinkhanen die Antwerpen overspoelen? Ontmenselijking, luidt het antwoord, stap 4 in het schema van Stanton. Precies wat in Rwanda is gebeurd, laat iemand pienter opmerken, daar werden de genocideslachtoffers als kakkerlakken bestempeld. We staan lang stil bij een beroemde foto van een lynchpartij in het Amerika van de jaren dertig. Wat zien we? Twee sukkelaars die aan een boom bengelen. Robert nodigt ons uit om beter te kijken, en scherp te stellen op de omstaanders. Sommigen blikken in de lens alsof ze zich betrapt voelen, bij de meesten spat het enthousiasme over het schouwspel van het beeld. Niemand die een vinger uitstak om de lynchpartij te voorkomen, net zomin als dat er iemand van de Rijkswacht tijdens de eerste pogrom in april 1941 iets ondernam om de relschoppers tegen te houden. We zijn intussen al bij stap 6, de polarisatie, aanbeland. Joden en zigeuners zijn al geregistreerd, gelabeld en geïsoleerd. Met medewerking van Belgische autoriteiten, vaak lokale administraties die de Duitse verordeningen ijverig uitvoerden, uit defaitisme of opportunisme. “Ze hadden nochtans een marge om te weigeren”,  zegt Robert. “Belgische instanties mochten van de bezetter gewetensbezwaren inroepen om niet aan de Jodenvervolging deel te nemen. De Brusselse burgemeester heeft geweigerd een jodenregister aan te leggen, en werd daar niet voor gestraft”.

Waarom lieten de Joden zich zomaar oppakken en uitmoorden? Het was Agnieszka, ondersteunende dienst FGP Brugge, die de vraag tijdens de briefing had opgeworpen. “Ik zou vechten als ze aan mijn kinderen raakten”, zei ze fel. En ineens staat ze daar op de derde verdieping van het museum, bij een van de beruchtste foto’s van de Holocaust. Een soldaat van een Einsatzgruppe legt van dichtbij aan op een naakte vrouw die wanhopig haar kind in de armen klemt. Twee joden met een kogel afgemaakt, daar kon je bij de SS trots op zijn. De hele verdieping is gewijd aan deportatie en uitroeiing. Met spaarzame middelen, zonder effectbejag.  De beelden en citaten komen des te harder binnen. Tekeningen van gaskamers en crematoria in Birkenau hangen tegenover een selectie uit het befaamde Höcker Album, foto’s van kampbeulen tijdens hun vrije tijd, aan de borrel op het zonnedek, even weg van de sleur van de industriële volkenmoord.  We houden het kort, Agnieszka heeft het trouwens al lang gesnapt. Er viel in deze fase niks meer te vechten, de strijd werd verloren op de eerste en de tweede verdieping.  Het is stil als we naar de kantine op de min-1 afdalen. “Ik had al een en ander over de Holocaust gelezen”, zegt Nadia. “Maar dit maakt toch indruk”.

Vinci Park

Lunchtijd. Een milde vorm van collectieve haat jegens Vinci Park steekt de kop op. Het SMS-parkeren draait in de soep, er moeten dringend parkeertickets worden vervangen en auto’s verplaatst. Als er straks maar geen bon onder de ruitenwisser steekt! Robert en Danny zijn intussen druk doende met de voorbereiding van de workshop mensenrechten. “Meestal is de sfeer constructief”, zegt Robert. “Maar soms krijg je onverwachte reacties. Jaja, zei er eentje, de Holocaust was erg. Maar wat doen de Joden met de Palestijnen? Dan moet je als moderator ingrijpen, want daar gaat het natuurlijk niet over. Op een keer had ik enkele agenten van een interventieteam uit een grootstedelijke probleemwijk. Ze hadden moeite met bepaalde stellingen over de rechten van arrestanten. Fysiek en verbaal geweld tijdens interventies? Moest kunnen, vonden ze, ze hadden hun eigen codes. En dat het gemakkelijk was om dat van achter een bureau af te keuren. Want je moest het maar doen, orde handhaven in een kansarme buurt die wemelt van drugscriminelen en mensen zonder papieren. Hun korpschef zat er bij, zijn mond viel open van verbazing. Die sessie is niet zonder gevolgen gebleven”.

We vormen een halve cirkel. Robert steekt van wal met een exposé over het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Wisten we dat Duitsland in Straatsburg ooit werd veroordeeld tot een zware schadevergoeding, te betalen aan een bewezen kindermoordenaar? Speurders hadden tijdens het onderzoek met geweld gedreigd om hem te dwingen te verklappen waar hij het slachtoffer _ op dat moment nog in leven gewaand _ had verborgen. Het argument van de tijdsdruk maakte voor de rechters in Straatsburg geen verschil. Dura lex, sed lex, mensenrechten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Na deze opwarmer krijgen we een primeur: de case Claeys en Vermuyten, uitgewerkt als toetssteen voor ethisch politiehandelen. We worden uitgenodigd om in de schoenen te gaan staan van de enige twee agenten die op 15 augustus 1942 weigerden aan de jodenrazzia deel te nemen. Vandaag worden Claeys en Vermuyten als helden vereerd, destijds als dienstweigeraars gestraft. Mild gestraft, weliswaar, met verlies van drie verlofdagen. Waarom waren ze dan de enige agenten die de marge om nee te zeggen hebben benut? Danny stelt de vragen, Robert noteert de antwoorden in een raster. De verschillende actoren, de opties, de geanticipeerde en de reële gevolgen, ethisch politiehandelen is even complex als de tabellen van Mendeljev.

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

Andy de homo

De marge om nee te zeggen? Agnieszka pikt het thema graag op. Is het normaal, vraagt ze zich luidop af, dat ze bij het invullen van persoonsgegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank een vakje met ‘Zigeuner’ kan aanvinken? “Ik weiger dat te doen”, zegt ze. “We hebben niet het recht om mensen op basis van hun etnische achtergrond te labelen”. Twee Leuvense speurders steigeren. Wat is het probleem? In dezelfde databank wordt toch ook genoteerd of iemand als veelpleger bekend staat of betrokken was bij drugsfeiten? Het stempel zigeuner is gewoon relevante informatie voor de strijd tegen rondtrekkende daderbendes. Robert kan het nauwelijks geloven. Hier, op deze plek, vernemen dat zigeuner anno 2015 codetaal is voor rondtrekkende daderbende. Hij pleegt een telefoon naar de bevoegde dienst, het blijkt te kloppen. “Dit kan absoluut niet”, zegt hij. “We mogen minderheden niet reduceren tot een crimineel fenomeen”.

De commotie luwt, we besluiten met een hedendaagse casus. Agent Andy out zich tegenover de collega’s als homo en wordt nadien met steeds ergere pesterijen geconfronteerd. Hoe zouden ze reageren? Heulen met de pesters? De andere kant opkijken? Openlijk partij kiezen voor Andy? De hiërarchische oversten inschakelen? De laatste twee opties worden met een geruststellende unanimiteit verkozen, maar één dissident draagt een pragmatische oplossing aan. “We kunnen Andy ook gewoon overplaatsten”. Robert kijkt naar zijn raster. Daar heeft hij geen vakje voor.