Tagarchief: kerkfabrfiek

De Grote Kerkenkrimp in Vlaanderen

Knack Magazine, 28 augustus 2019

“Er komt een tsunami van kerkspullen op ons af

De ontkerkelijking heeft een bakstenen fase bereikt. Zo’n 600 Vlaamse kerken worden op korte en middellange termijn herbestemd. Zoals de verhuizing van een riante villa naar een serviceflat vergt de operatie pijnlijke keuzes. Wat met de inboedel? Knack dook onder in de wereld van kerkfabrieken en experts religieus vaatwerk.


Sint-Martinuskerk – Schelderode. Christusbeeld wachtend op een ongewisse toekomst. (foto: Jonas Lampens)

Het lijkt wel uitverkoop in de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Kandelaars, paaskaarsen, processielantaarns, kerkstoelen, kazuifels, reliekhouders, alles moet weg, zelfs de gebeeldhouwde kruisweg. De 14 staties werden al van de muur gehaald en op de vloer uitgestald. Met respect voor de chronologie, een rondgang begint nog altijd bij de terdoodveroordeling om te eindigen bij de graflegging. Het is natuurlijk geen uitverkoop, noch is er sprake van een faillissement. Wel waar is dat het in plaaster gebeitelde lijdensverhaal van Christus hoe langer hoe minder gelovigen op de been brengt. Niet alleen in Schelderode. Uit een in 2017 gepubliceerd onderzoek van de KU Leuven blijkt dat nog 6 procent van de Vlamingen wekelijks naar de mis gaat. Het verval gaat snel, bij een eerder onderzoek in 1996 scoorde de zondagspraktijk nog 20 procent. Intussen nijpt het priestertekort steeds harder, terwijl roepingen even zeldzaam blijven als sneeuw na Pasen.

Was ontkerkelijking tot dusver vooral een sociologisch begrip, dan heeft het fenomeen intussen een nieuwe, bakstenen fase bereikt. De uitdunnende geloofsgemeenschap is veel te ruim behuisd. Sinds 2013 werden al 62 Vlaamse parochiekerken aan de eredienst onttrokken, maar de plannen voor een veel grotere krimp liggen klaar. Het in Leuven gevestigde CRKC, het expertisecentrum voor religieus erfgoed waarbij ook het bekendere museum PARCUM hoort, houdt de cijfers bij. Een derde van de 1789 kerken krijgt op korte of middellange termijn een neven- of herbestemming: gecombineerd liturgisch en profaan gebruik of een volledige onttrekking aan de eredienst. Katalysator in het proces zijn de voorwaarden die de Vlaamse overheid sinds 2015 koppelt aan het subsidiëren van kerkrestauraties. Alleen steden en gemeenten met een kerkenbeleidsplan komen voor bepaalde subsidies nog in aanmerking. De maatregel, reeds aangekondigd in 2011 door de toenmalige vice-minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in zijn conceptnota “Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerken”, veroorzaakte een schokgolf. Lokale overheden en kerkfabrieken, samen bevoegd voor het beheer van kerkgebouwen, schoten in actie.

Napoleon Bonaparte

De confectie van een deugdelijk kerkenbeleidsplan bleek geen simpele opgave. Het Oost-Vlaamse Merelbeke bijvoorbeeld telt zeven parochies en evenveel gebedshuizen, waaronder de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Iedere kerk heeft een kerkfabriek, een instituut met wortels in het concordaat dat Napoleon Bonaparte in 1801 met paus Pius VII afsloot. Concreet gaat het om vijf onbezoldigde parochianen plus een vertegenwoordiger van het bisdom, meestal de pastoor. Op hun schouders rustte de taak om in samenspraak met de gemeente en het bisdom een strategische visie op het Merelbeekse kerkenpatrimonium te ontwikkelen. Het plan, tot stand gekomen met advies van de regionale erfgoedcel De Viersprong en het CRKC werd in september 2017 door gemeenteraad goedgekeurd. Het oogt behoorlijk drastisch: drie kerken worden op korte termijn aan de eredienst onttrokken en herbestemd, voor twee andere valt de hakbijl mogelijk na 2020. Op termijn kunnen parochianen nog maar in twee kerken terecht, de Sint-Pietersbanden in het centrum en de Sint-Annakerk in Bottelare.

Sint-Martinuskerk – Schelderode. Ontwijd wegens te weinig gelovige zielen. (foto: Jonas Lampens)

Deze oefening wordt in nagenoeg alle Vlaamse gemeenten gemaakt. 2019-2024 zal de geschiedenis van de lokale besturen ingaan aan de legislatuur van de Grote Kerkenkrimp. Daarmee rijst een prangende vraag: wat aanvangen met al die overtollige tempels? De controverse rond de Gentse Sint-Annakerk _ die de stad in erfpacht wil geven aan een vastgoedgroep rond winkelketen Delhaize _ bewijst hoe gevoelig de kwestie ligt. Maar de operatie stelt nog een uitdaging waar zelden over gesproken wordt: wat met de inboedels? Kerkmeubilair, liturgisch vaatwerk, kandelaars, beelden, religieus textiel, onze kerken puilen letterlijk uit van wat met een containerbegrip roerend religieus erfgoed wordt genoemd. Er zit veel rommel tussen, maar ook kunst en artisanaat met grote museale of heemkundige waarde.

In die laatste categorie is geen plaats voor de kruisweg van de Sint-Martinuskerk. Een banaal gipswerk, zo luidde het oordeel van experts van Erfgoedcel Viersprong die de inboedel kwamen inventariseren. ‘Goed voor het containerpark’, zegt Lucie De Moor (63) die als secretaris van de kerkfabriek de boedelbeschrijving bijwoonde. ‘Zo hebben we hier wel meer spullen. Neem nu de kazuifels en koormantels in de sacristie. In perfecte staat, maar niemand wil ze nog hebben’. Ze ontvangt ons samen met Gaby Brain (71), al meer dan dertig jaar penningmeester van de kerkfabriek. Hun bestuursmandaat zit er bijna op. Sint-Martinus verdampt straks in een megafusie van 12 kerkfabrieken en evenveel parochies, verspreid over Merelbeke en buurgemeente Oosterzele. Ook dat is geen unicum, de Grote Kerkenkrimp gaat gepaard met een nog ingrijpender hertekening van het parochiale landschap. Het bisdom Gent reduceert het aantal parochies van 425 tot 48. In andere bisdommen worden gelijkaardige samenwerkingsverbanden opgezet, al gaat het onttrekken aan de eredienst er minder hard.

enkeltje containerpark

Het herbestemmen van de inboedel wordt de laatste missie van de kerkfabriek. Penningmeester Brain neemt het eerder gelaten op, secretaris De Moor heeft er meer moeite mee. Het voelt als een terdoodveroordeelde die zijn eigen graf moet delven, zeker voor een parochiaan die zich niet alleen als kerkbestuurder betrokken voelt. ‘Ik ben in Gent geboren maar in Schelderode getogen’, zegt ze. ‘Dit gebouw betekent veel voor mij. Ik heb hier mijn plechtige communie gedaan, ben hier getrouwd, heb hier mijn beide ouders begraven’. Ze voelt zich als een curator in haar persoonlijk museum. Die twee knielstoelen tussen de rommel bij het koor? Daar heeft ze op gezeten, zij aan zij met haar aanstaande, terwijl pastoor Debruyne hen in de echt verbond. Hun lot is nog niet bezegeld, maar een enkeltje containerpark zit er dik in. Voor de kapel van Sint-Blasius, aan te roepen bij keelontstekingen en brandwonden, staat een verzameling koperen kandelaars van wisselend formaat. Een vondst uit een kast die in geen decennia meer werd geopend. ‘Ik herkende ze meteen’, zegt De Moor. ‘Mijn moeder, een diepgelovig mens, stond altijd klaar voor parochie. In de zomer werd het koper gepoetst, dan ging ik als kind helpen. Ik heb het de laatste maanden vaak gedacht. Moesten mijn ouders weten wat er nu met hun kerk gebeurt, ze zouden zich omdraaien in hun graf’.

Lucie De Moor en Gabie Brain inspecteren de sacristie. “Niemand wil die kazuifels nog hebben”. (foto: Jonas Lampens)

Vrome parochianen van zo’n kaliber zijn zeldzaam geworden. Toch heerste er verslagenheid in Schelderode toen Sint-Martinus in het gemeentelijk kerkenbeleidsplan als prioritair te herbestemmen werd aangewezen. Een centenkwestie, langer wachten had een streep getrokken door een reeds toegezegde restauratiesubsidie. “Je had de laatste zondagsmis twee jaar geleden moeten meemaken’, zegt De Moor. ‘Stampvol, er waren heel veel bezoekers die in geen jaren nog een mis hadden bijgewoond maar persoonlijke herinneringen hadden aan onze kerk. Maandag ben ik de bloemstukken gaan ophalen om ze naar de kerk van Melsen te brengen. Toen pas sijpelde het door: het is nu echt afgelopen. Niet veel later is het decreet van de bisschop is in Kerk en Leven verschenen. Sint-Martinus is ontwijd, er is geen weg terug’.

De geprofaniseerde kerk krijgt een toekomst als polyvalent dorpshuis, met onder meer een afhaalpunt van de bibliotheek en blokruimtes voor studenten. Het is een bestemming waarmee ze zich kunnen verzoenen, zeker omdat het koor als stille ruimte wordt ingericht. Voor introspectie, desgewenst onder de vorm van een gebed. Beter alleszins dan de voorbeelden uit Nederland die tijdens een voorlichtingsavond van het CRKC de revue passeerden. ‘Daar steken ze zwembaden en discotheken in kerken’, zegt De Moor. ‘Ik mag er niet aan denken’. De nakende verbouwing noopt echter tot harde keuzes. Wat hoort in de kerk te blijven? Wat mag weg en waarheen? Er bestaan regels, zowel in het kerkelijk en burgerlijk wetboek als in de uitdeinende Vlaamse erfgoedregulering. Gewijde voorwerpen zoals kelken en monstranzen mogen volgens canoniek recht niet worden vermarkt. Kandelaars of lantaarnhouders daarentegen kunnen wel worden verkocht, en meubilair is een verhaal apart. Attributen zoals lambriseringen, monumentale altaren of kerkorgels zijn onroerend door aard. Die status geldt vaak wel maar niet altijd voor biechtstoelen. In geval van twijfel kan het criterium van nagelvastheid de doorslag geven, een merkwaardig begrip overigens in een kerkelijke context. Roerende goederen kunnen onroerend worden door bestemming, omdat ze bijvoorbeeld speciaal voor de kerk werden vervaardigd, zoals een beeld in een nis of een schilderij van een patroonheilige. In de praktijk is het allemaal nog veel complexer, want er moet ook rekening worden gehouden met een waaier van beschermingsregimes voor kerken en kerkinterieurs. Zo vergt een middeleeuwse kerk een totaal andere aanpak dan een exemplaar uit de 19de of 20ste eeuw. De Moor heeft goede hoop voor een van haar favoriete stukken: een reusachtig doek uit de 16de eeuw, voorstellend de heilige Martinus die de tempel van Jupiter vernielt. Niet echt nagelvast, maar wel een cultuurgoed waarvan de functie duidelijk bij het beschermde kerkgebouw hoort. ‘Ik hoop dat ze die naar de stille ruimte verplaatsen’, zegt ze. ‘Net zoals de biechtstoelen waar ik als kind nog heb in gezeten’.

tsunami

In theorie is het simpel. Het CRKC heeft twee jaar geleden een stappenplan voor het waarderen, selecteren en herbestemmen van roerend religieus erfgoed in parochiekerken opgesteld, in samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Het document staat online ter beschikking van kerkbestuurders en andere erfgoedbeheerders. Overzichtelijk en volledig, maar toch worden instanties zoals het CRKC, bisdommen en erfgoedcellen overstelpt met vragen van radeloze kerkbestuurders. ‘De procedures zijn te complex om het hele traject over te laten aan de  kerkfabrieken’, zegt Bert Van der Veken, consulent religieus erfgoed van de provincie Oost-Vlaanderen. ‘Het gaat om vrijwilligers, doorgaans niet van de jongsten. Met het stappenplan redden ze niet, er moet begeleiding bij’. Jan Klinckaert, senior adviseur bij het CRKC, kan het beamen. ‘De herbestemmingen zijn nog maar goed begonnen, de volgende jaren krijgen we een vloedgolf van roerend religieus erfgoed over ons heen. Er is dringend nood aan meer expertise’. Aan de inspanningen van het CRKC ligt het niet. Medewerkers reizen Vlaanderen rond om herbestemmingstrajecten te initiëren of inventariseringen te begeleiden. Vanaf dit najaar zal extra worden ingezet op de vorming en ondersteuning van regionale adviseurs, een rol die lange tijd door de provincies werd vervuld. Door de zesde staatshervorming echter is de bevoegdheid roerend erfgoed per 1 januari 2018 naar Vlaanderen verhuisd.t

Naar een zusterkerk? Een museum of een opkoper? Of wordt het toch een enkeltje containerpark? Moeilijke keuzes dringen zich op. (Foto: Jonas Lampens)

In feite werd het CRKC in 1997 opgericht _ toen nog zonder museum PARCUM _ om een crisis te bezweren. Het was een periode waarin kloosterkerken, rusthuishuiskapellen en andere niet-parochiale gebedsruimten stelselmatig werden afgebroken of van hun liturgische functie ontheven. Het verschil tussen parochiaal en niet-parochiaal is in deze essentieel. Kerkfabrieken, onderworpen aan een publiekrechterlijk regime, staan onder streng toezicht. Ze zijn verplicht hun rekeningen en begroting aan de gemeente, bisdom en provincie voor te leggen. Daar staat tegenover dat lokale overheden verplicht zijn financiële tekorten bij te passen, meteen een goede reden waarom ze met hun neus bovenop herbestemmingsdossiers zitten. Heel wat oude kerken zijn overigens eigendom van steden en gemeenten, een situatie die aan de Franse revolutie te danken is. Het reeds vermelde concordaat maakte geen einde aan de nationalisering van parochiekerken. De meeste kerkgebouwen bleven openbaar bezit, met die restrictie dat ze verplicht ter beschikking van de eredienst werden gesteld, onder beheer van een kerkfabriek. Dat keurslijf ontbreekt bij kloosters, abdijen of inrichtende machten van scholen of rusthuizen. De ontmanteling van privaatrechterlijke kerken en kapellen was dan ook een feest voor antiquairs en brocanteurs die voor een prikje complete inboedels konden verwerven, in zoverre die niet zonder meer op het containerpark werden gedumpt. Het CRKC kon gelukkig heel wat waardevolle stukken redden en in het eigen depot opslaan. Dat zit intussen bomvol, voor de aanzwellende tsunami van roerend parochiaal erfgoed zijn andere oplossingen aangewezen.

Het zijn vuistregels uit het stappenplan: laat staan wat mag of moet blijven staan. Bestem de rest zoveel mogelijk lokaal, bij voorkeur met een liturgische of religieuze functie. De unieke kandelaar voor paaskaarsen of het fraaie wierrookvat kunnen banale exemplaren in een naburige kerk vervangen. Sommige rusthuizen maken graag een plek vrij voor een mooi Mariabeeld. Uitzonderlijk waardevolle stukken horen uiteraard in een museum thuis. Klinkt logisch, maar Annemie Van Dyck weet beter.  ‘Je moet echt leuren om een stuk geplaatst te krijgen. Vlaamse musea leggen een terminale onverschilligheid voor religieus erfgoed aan de dag. Helaas spoort dat met de houding van onze maatschappij. De huidige generatie heeft geen benul van de waarde van ons religieus patrimonium’. Van Dyck deed tien jaar expertise op bij het CRKC, sinds begin dit jaar werkt ze als freelance erfgoedconsulent. Op haar palmares staat onder meer de inventaris van de veelbesproken Sint-Annakerk in Gent, evenals een gezaghebbend boek over religieus textiel. ‘Misschien is dit een voorbijgaande fase’, zegt ze, ‘Ik heb soms het gevoel dat we ons nog altijd aan het afzetten zijn tegen de Kerk als instituut. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn. We moeten ons religieus erfgoed vrijwaren voor de toekomstige generaties die het wel naar waarde zullen schatten’.

Kerk in Nood

Bij het CRKC leggen ze er de nadruk op: bij herbestemming weegt de lokale en heemkundige betekenis even zwaar als de kunsthistorische waarde. Een beeld van middelmatige kwaliteit kan het voorwerp hebben uitgemaakt van lokale devotie, in de kerk of in de processie. Idem voor een banaal schrijn met een reliek van een patroonheilige. Dergelijke identitieitsbepalende stukken worden bij voorkeur lokaal bewaard. Toch gaat er heel wat religieus erfgoed de grens over, vaak richting Oost-Europa waar een halve eeuw communisme grote gaten in de kerkelijke menagerie heeft geslagen. Een organisatie zoals Kerk in Nood heeft al menige vrachtwagen richting Polen, Hongarije of Slowakije gestuurd. Meubilair, kelken, zelfs kazuifels komen er nog van pas. Verrassend genoeg is ook Frankrijk een afnemer. ‘De wet op de laïcité van 1905 heeft de Franse kerken zowat kaalgestript”, zegt Jan Klinckaert. ‘Nu het parochieleven in enkele regio’s zoals het Zuidwesten een voorzichtige heropbloei kent, kampen ze met tekorten. We hebben zelf onlangs een mooie abdijretabel op transport naar Bayonne gezet’. Voor een deel van de inboedels echter is een herbestemming met liturgische, museale of heemkundige meerwaarde geen optie. Vermarkten valt te overwegen, tenminste als er geen canonieke bezwaren zijn. De vraag naar plaasteren beelden of koperen kandelaars is echter niet onbeperkt. Een tombola of uitverkoop voor het goede doel kan een oplossing zijn voor onverwoestbare maar ongemakkelijk zittende kerkstoelen. Toch kan niet worden vermeden dat grote hoeveelheden kerkgoederen roemloos op het containerpark of bij de schroothandelaar eindigen.

Ook onze kerken hebben vorige eeuw een beeldenstorm beleefd. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) heeft er met zijn aggiornamento stevig ingehakt. De mis, niet langer in het latijn maar in de volkstaal, moest worden opgedragen in een kader zonder tierelantijntjes en klatergoud. In de drang naar versobering vlogen de kroonluchters en beelden met dozijnen tegelijkertijd de kerkdeur uit, in Schelderode werden zelfs de fresco’s van het koor met saai wit overschilderd. Zo’n vaart zal het met de herbesttemmingsgolf niet lopen, maar de Mechelse erfgoedconsulent Patick De Greef is er toch niet gerust op. Door het gebrek aan expertise en de grote tijdsdruk dreigt er volgens hem een erfgoedkundige aderlating. Hij maakt zijn punt bij een plaasteren beeld in de Sint-Albertuskerk in deelgemeente Muizen, reeds aan de eredienst onttrokken en op weg naar een toekomst als wijkcentrum. ‘Kunsthistorisch is dit beeld waardeloos’, zegt De Greef. ‘Toch is het bijzonder, want niemand weet wie het voorstelt. Deze mysterieuze heilige staat in geen enkel iconografisch naslagwerk. Of neem het wierrookvat dat we bij het inventariseren hebben ontdekt. Klein, sober, zwart uitgeslagen, maar wel handgeslagen zilver. Een uniek stuk, we kunnen alleen gissen naar de herkomst. Vermoedelijk komt het uit een Waalse abdij en werd het door de kerkfabriek als welkomsgeschenk aan een pas benoemde pastoor gegeven. Als je even niet oplet, belandt zo’n stuk bij het oud ijzer. Voor topwerken is er geen gevaar, er zal heus geen Rubens of Van Eyck verloren gaan. Het is de categorie daaronder, de minder opvallende parels in de bulk, die me zorgen baart. De verleiding is immers groot om er met de grove borstel doorheen te gaan. Een herbestemming is voor de veelal gepensionneerde vrijwilligers van een kerkfabriek een loodzware opdracht die ze bovendien met frisse tegenzin moeten klaren. Want met of zonder kerkenbeleidsplan, velen zijn boos omdat uitgerekend hun kerk wordt opgedoekt. Heel wat bestuurders geven er de brui aan, het is trouwens bekend dat de bisdommen nauwelijks nog vrijwilligers vinden om de overblijvende kerkfabrieken te bevolken. Geen wonder, want door de megafusies wegen de verantwoordelijkheden veel zwaarder. Kerkfabrieken zouden geprofessionaliseerd moeten worden’.

superpli’s

De ontmanteling van de Sint-Albertuskerk, eigendom van de stad Mechelen, is een pilootproject van CRKC en de provincie Antwerpen. In lijn met het stappenplan werd eerst geïnvesteerd in een lokaal draagvlak. Behalve de stedelijke erfgoeddienst en de kerkfabriek zaten lokale verenigingen en betrokken parochianen mee aan de tafel. Eens de knoop over de herbestemming doorgehakt, verschoof de focus naar de inboedel. De kerkfabriek huurde De Greef in om de inventaris te maken. De historicus en stadsgids heeft zich gespecialiseerd in kerkelijk erfgoed. Koorkappen, stola’s, manipels, dalmatieken en superpli’s, weinigen kunnen zoals hij begeesterend praten over religieus textiel. Maar De Greef is ook beslagen in kerkmeubilair, en over religieus vaatwerk maakt niemand hem iets wijs. Wie het verschil wil kennen tussen een miskelk en een ciborie is bij hem aan het goede adres. ‘We beseffen niet welke schatten er in onze kerken liggen’, zegt hij. ‘Zilversmeden, houtbewerkers, brokaatwevers, hun namen zijn onbekend, maar het waren toppers in hun vak. Ze werkten in opdracht van kerkfabrieken, maar ook van rijke families die wilden bijdragen aan de luister van een kerk en het heil van hun ziel. De productie van kerkgoederen was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke nijverheid. In Mechelen waren tientallen gespecialiseerde ateliers en winkels. Dit is natuurlijk de zetel van het aartsbisdom, maar ook in Antwerpen was er een belangrijke industrie. In deze kerk hebben we op twee mooie heiligenbeelden uit de 19de eeuw de namen van twee verschillende Antwerpse ateliers ontdekt. Het zou zonde zijn dat allemaal weg te gooien, want we weten nog maar bitter weinig af van die hele 19de eeuwse nijverheid. Zelfs de 20ste eeuwse periode, toen er van artisnale naar machinale productie werd overschakeld, is niet te versmaden. Stadelmaier, dat was de Gucci van de religieuze mode. Pokkeduur, een standaardset met een kazuifel, een koorkap en twee dalmatieken kostte een half huis. Sint-Albertus was een arbeidersparochie met een arme kerkfabriek. Toch hebben we in de sacristie een Stadelmaier gevonden. Oudere parochianen kenden het verhaal nog. Pastoor Mollekens had zijn ietwat vermogende parochianen aangepord om te doneren voor zijn Stadelmaier. Hij was dan wel herder op een arbeidersparochie, hij wilde goed voor de dag komen. Geweldig toch? De verhalen zijn even waardevol als de spullen waaraan ze kleven’.

gedenkpenningen van processies die ooit jaarlijkse uitgingen in Schelderode. (foto: Jonas Lampens)

De Greef bouwde met het stappenplan zijn eigen drietrapsraket: inventariseren, waarderen en uitvoeren. Het eerste spreekt voor zichzelf. Opmeten, fotograferen, beschrijven, per object was hij een half uur tot een uur kwijt. Bij de tweede stap boog een gemengde commisie zich over de inventaris, gecomprimeerd tot 150 ensembles. Van depot over museum en rusthuis tot vermarkten en afvoeren naar het containerpark, per lot werd een consensueel besluit genomen dat nog op uitvoering wacht. ‘Het is allemaal ontzettend tijdrovend’, zegt De Greef. ‘De waarderingsronde heeft een tiental vergaderingen gekost. Sint-Albertus is maar een bakstenen kerkje uit 1903 met weinig belangwekkend erfgoed. Binnenkort komen ook middeleeuwse kerken aan de beurt, met erfgoed van voor de Franse revolutie. We staan voor een titanenklus’.