Tagarchief: kinderpsychiatrie

kinderpsychiater Lieve Swinnen over motivatie op school

Knack, 26 augustus 2015

Een wonderpil tegen motivatieproblemen in het onderwijs heeft ze niet, maar kinderpsychiater Lieve Swinnen kent wel recepten om de leerlingen bij de les te houden. Respecteer het puberbrein, wees wijs met nieuwe media en stop de jeugd op tijd in bed. Een stimulerend gesprek over goesting in het nieuwe schooljaar.

 

025

Tradities zijn er om gerespecteerd te worden. Volgende dinsdag serveert het avondjournaal ontroostbare peuters en sniffende mama’s bij de schoolpoort. Een vertekend beeld, want niet alleen driejarige ukken kijken huizenhoog op tegen 1 september. Schoolmoeheid is een hardnekkige kwaal in het Vlaamse onderwijs. 16 procent ongekwalificeerde uitstroom bij de jongens, dat heeft onder meer met motivatieproblemen te maken.

Kinderpsychiater Lieve Swinnen heeft er het leeuwendeel van haar nieuwe boek aan gewijd. Hoe kunnen we kinderen motiveren om te studeren, luidt de hamvraag in ‘(Geen) Goesting?!’.  Ze kent de kwestie van twee kanten. In haar groepspraktijk in Neerpelt staat ze ouders en kinderen bij die hun schoolcarrière spaak zien lopen op allerlei gedrags- of leerstoornissen. Daarnaast wordt ze geraadpleegd door leraren en directies die zich het hoofd breken over methodes om hun pupillen bij de les te houden. Toverformules staan er niet in, maar het vlot geschreven boek bevat wel handvatten om het motivatieprobleem aan te pakken.

–  wat is motivatie?

Swinnen: ‘Nu goesting hebben in later, daar komt het in feite op neer. Er valt natuurlijk meer over te vertellen. In de psychologie maakt men een onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Je best doen omdat een goed rapport een nieuwe smartphone oplevert. Om niet bij de vrienden uit de toon te vallen. Omdat je er veel geld mee hoopt te verdienen. Allemaal verschillende beweegredenen, maar ze hebben dit gemeen dat het om externe prikkels gaat. Die werken goed, maar in een leerproces is intrinsieke motivatie efficiënter. Als je graag tango danst, is het geen opgave om naar de tangoles te gaan. Wie intern geprikkeld wordt, duikt vanzelf dieper in de materie’.

–  werkt dreigen met sancties in het onderwijs?

Swinnen: ‘Je kunt dat een vorm van extrinsieke motivatie noemen. In onderwijs kom je er echter niet ver mee, want negatieve boodschappen missen meestal hun doel. Zo heeft het weinig zin verwijten te maken. Je bent lui, zeggen ouders of leraren tegen een kind dat zijn huiswerk niet maakt of zijn best niet doet. Dat lucht misschien op, maar het zal het kind niet op het juiste spoor zetten. Boodschappen moeten sporen met het ABC van de motivatie’

–  ABC?

Swinnen: ‘De A van autonomie: kinderen moeten zelf achter beslissingen staan. Als ze tegen hun zin in een richting worden geduwd, gaat het gegarandeerd fout. De B staat voor verbinding: ze moeten zich goed voelen op school en in de klas. En dan de C van competentie: ze moeten de capaciteit hebben om het leerproces aan te kunnen. Ik heb dat ABC niet zelf bedacht, het komt van Maarten Vansteenkiste, professor motivatiepsychologie in Gent. Maar ik vind het een geweldig instrument. Als je door de ABC-bril naar leerstoornissen kijkt, kom je er vaak snel achter waar de knoop zit’.

–  hebben ook ouders en leraren er iets aan?

Swinnen: ‘Jawel, en dat probeer ik in mijn boek over te brengen. Geen enkel kind wordt lui geboren, ze willen allemaal iets maken van hun leven. Als een kind afhaakt, moet je het ABC-schema aflopen om de oorzaak te vinden. A en B, dat gaat van verkeerde studiekeuze, slechte sfeer op school of in de klas tot pestgedrag. Competentieproblemen zijn complexer. Vaak denken we dat kinderen niet willen, terwijl ze in feite niet kunnen. Toch krijgen ze negatieve feedback. ‘Heb je het nu nog niet begrepen? Van jou had ik toch meer verwacht’. Fout natuurlijk, daarmee ondermijn je het zelfvertrouwen en wakker je faalangst aan. Dat is des erger wanneer het om kwetsbare kinderen gaat, met ontwikkelingsstoornissen zoals adhd, dyslexie of vormen van autisme. Het probleem is dat we in een prestatiemaatschappij leven. Ouders willen niet meer horen dat hun kind iets niet kan. Waar een wil is, is een weg, luidt het gezegde. Als mijn zoon of dochter maar hard genoeg probeert, moet het wel lukken. Ik zou die zegswijze anders willen interpreteren. De weg loopt niet voor iedereen gelijk en leidt al evenmin naar dezelfde bestemming. De taak van opvoeders is kinderen te helpen bij het zoeken naar hun weg, met respect voor hun autonomie uiteraard. In feite is school de job van de kinderen. Zij moeten het waarmaken, ouders en leraren zijn de supporters langs de zijlijn’.

– waar een wil is, is een weg…. naar het ASO. Ligt de oorzaak van demotivatie niet vaak bij een verkeerde studiekeuze?

Swinnen: ‘Helaas wel. Zo hoog mogelijk beginnen, is de mentaliteit, dan kun je altijd afzakken. BSO-scholen hebben bijna geen directe instroom meer. Pas in het derde en vijfde jaar stromen de klassen vol, drop-outs die in het ASO zijn begonnen en via de befaamde waterval aanspoelen, beladen met een rugzak vol faalervaringen. Wat een zonde en tijdverlies. In mijn ogen zijn het slimme ouders die direct beseffen dat hun zoon of dochter geen aanleg voor theoretische vakken heeft, maar wel graag met de handen werkt.’.

– nochtans wordt er al twintig jaar geroepen dat we het beroeps en technisch onderwijs moeten herwaarderen

Swinnen: ‘Helaas met weinig resultaat. Ik heb het nochtans al vaak gezegd tegen ouders die in zak en as zitten omdat hun zoon in het ASO niet meekan. Er is niks mis met beroepsonderwijs. Die ingemaakte kast achter mijn rug, die werd gemaakt door een schrijnwerker die goed zijn brood  verdient. Natuurlijk, ik heb makkelijk praten met drie zonen die vlot hebben gestudeerd. Toch moeten we er blijven op hameren: ook als je door de natuur minder royaal werd bediend, mag je de armen niet laten’.

–  de natuur?

Swinnen: ‘Net als intelligentie zit schoolmotivatie of leergierigheid voor 40 tot 50 procent in de genen. De rest wordt nagenoeg volledig door unieke ervaringen bepaald. Door de individuele leefomgeving dus, collectieve factoren zoals gezin of milieu tellen nauwelijks mee. Die nuance is belangrijk, want anders heb je een perfect alibi voor defaitisme. Nu is het tegendeel waar: het belang van die unieke, individuele ervaringen moet ons aansporen om kansarme kinderen te blijven stimuleren’.

– zoals de kanaries in de koolmijn wijzen motivatieproblemen op school vaak op onderliggende problemen. Wat schuilt er zoal onder de oppervlakte?

Swinnen: ‘Vaak begint het op school of thuis met vage klachten. Hij is lui, hij is wil zich niet inspannen. Het is in de eerste instantie aan de ouders, de school en het CLB om naar een verklaring en een oplossing te zoeken, samen met het kind in kwestie uiteraard. In onze praktijk zien we de zware dossiers. Concentratiestoornissen zoals adhd of psychiatrische stoornissen zoals autisme. Hoe wil je dat een adhd-kind gemotiveerd blijft? Als je in je hele schoolcarrière hebt ondervonden dat zich inspannen niet loont, want dat het toch niet lukt? Maar ernstige situaties kunnen ook een heel andere oorzaak hebben. Verwenning is een groot probleem, we behandelen onze kinderen veel te veel als prinsen en prinsessen’.

–  u spreek van de applausgeneratie. Wat bedoelt u daarmee?

Swinnen: ‘Ouders leggen de lat zo hoog mogelijk, liefst van al moet hun kind latijn wiskunde volgen. Diezelfde veeleisende ouders doen er anderzijds alles aan om het hun kinderen naar de zin te maken, te beschermen en met applaus te belonen. Met de fiets naar de sportclub? Geen sprake van, mama en papa spelen taxi. Ouders nemen kinderen zo voortdurend verantwoordelijkheden uit handen. Dat is zondigen tegen de autonomieregel, met als gevolg dat kinderen geen coping capacity ontwikkelen. Ze hebben geen probleemoplossend vermogen, kunnen niet met kritiek of tegenslag om. Die aanpak komt vroeg of laat als een boomerang op de ouders terecht. Want hoe vaak horen we hier niet? Op school worden ze apathisch, thuis werken ze hun frustraties uit en ontaardt het soms in regelrechte agressie. Onlangs werden we gecontacteerd door een radeloze moeder. De verwenningsproblematiek van haar 17-jarige zoon was compleet uit de hand gelopen. Omdat zo’n situatie niet makkelijk recht te trekken valt, stelden we een spoedopname voor. Tot onze verbijstering pruttelde ze tegen. Het was een vrijdag, ze vroeg of het niet tot maandag kon wachten, want haar zoon had een weekend met de vrienden gepland. Tja, een kwestie van prioriteiten zeker’.

–  hoe ernstig zijn de gevolgen van motivatieproblemen? Gaan er talenten of levensdromen onherroepelijk verloren?

Swinnen: ‘Het wordt pas ernstig als kinderen op school echt gaan afhaken. Als dan de juiste hulp wordt geboden, komt het wel goed. Een puber met een verkeerde studiekeuze kan vaak met een simpele heroriëntering worden geholpen. De echte risico’s zijn kinderen met een voorgeschiedenis, zoals gedragsproblemen of trauma’s. Soms sta je als kinderpsychiater voor verrassingen. Komt hier een jongen uit het derde middelbaar, compleet schoolmoe. Bleek dat hij stapelverliefd was op een meisje uit het vijfde dat hem niet zag staan. Het was onmogelijk zich nog te concentreren, alles stond in het teken van zijn onbereikbare vlam. Die heeft een jaar verloren, maar daarna stond hij weer op de rails. Het hoeft niet altijd dramatisch af te lopen’.

– pubers vinden school saai, en wie het daar niet mee eens is, is een nerd. Kuddegedrag, maar misschien hebben ze ook wel een punt. Wijzen de motivatieproblemen niet op een didactisch probleem? Kunnen leraren hun klas niet meer boeien?

Swinnen: ‘Ze moeten het natuurlijk spannend houden. Mijn 88-jarige moeder legde als wiskundelerares breuken uit met een taart. Niet meer van deze tijd, je moet creatieve toepassingen zoeken die aansluiten bij de leefwereld van de klas. Gebruik de nieuwe media, laat ze voor kansberekening uitvissen of de Rode Duivels straks het WK winnen, dan heb je meteen de halve klas mee. Leraren moeten ook kunnen omgaan met weerstand. Neem dat niet persoonlijk, is mijn advies. Als een klas geen goesting heeft, dan zegt dat iets over de kloof tussen de leerstof en hun leefwereld. Toon empathie, en geef bijvoorbeeld op een vrijdagmiddag geen gortdroge theorievakken. Anderzijds moeten we daar ook niet in doorschieten. Kinderen moeten ook leren aanvaarden dat saaie leerstof erbij hoort’.

interessante bedenking. De voorbije jaren is een discussie losgebarsten over de opdracht van de school. Het heet dat het onderwijs te veel op vaardigheden en te weinig op kennis mikt. Akkoord?

Swinnen: ‘Het is niet zwart-wit, maar ik ben het in grote lijnen eens met die stelling. Waarom moeten kinderen op school leren hoe ze gezond ontbijten? Dat is toch een taak voor de ouders. Een vader van een tweeling met adhd kwam hier zijn beklag maken. Hij zat thuis uren aan een stuk naast zijn kinderen om ze te helpen met lezen en rekenen. En op school gingen ze van het ene toneelstuk naar de andere uitstap. Ik zou het liever andersom zien, zei die vader, dan had ik tijd om zelf eens met mijn kinderen naar het theater te gaan’.

– ouders ergeren zich vaak aan de lamlendigheid van hun kinderen. Zitten urenlang te gamen, met geen stokken aan hun huiswerk te krijgen. Weet u raad?

Swinnen: ‘Ouders moeten net als leraren beseffen dat pubers geen volwassenen zijn. Hun prioriteiten liggen omgekeerd. Eerst komen de vrienden, de gameconsole, de sportclub, ver daarachter huiswerk maken of kamer opruimen. Vele ouders proberen hun kinderen te motiveren door met de toekomst te schermen. Goed studeren, dan zul je later veel verdienen of een spannend beroep uitoefenen. Dat heeft weinig effect, pubers denken niet zover vooruit. We moeten niet per se negatief doen over hun attitude, als volwassenen kunnen we er zelfs van leren. Wat bakken wij nog van vriendschap? Vele volwassenen hebben het daar te druk voor. Onderhandelen is de boodschap. Het ideale moment voor huiswerk is meteen na de school, dat is bewezen. Verkiezen ze een ander tijdstip? Ook goed, zolang er afspraken worden gemaakt die nadien ook worden nageleefd. Respect voor autonomie is geen alibi voor een laissez faire-opvoeding. Kinderen hebben grenzen en structuur nodig’.

–  is schermverslaving een bedreiging voor de studie-ijver van onze jeugd?

Swinnen: ‘We nemen dat woord veel te snel in de mond. Je bent verslaafd, roepen ouders tegen hun zoon die urenlang zit te gamen of naar Youtube kijkt. De kans is groot dat de jongen het verwijt niet begrijpt. Wat doe ik verkeerd? Al mijn vrienden zitten even lang voor het scherm. Hij heeft nog gelijk ook, uit onderzoek naar het schermgebruik van jongeren blijkt dat slechts 5 procent een probleem heeft, terwijl 1 procent echt verslaafd is. Ik wil dat niet wegrelativeren, 1 procent staat nog altijd voor vele honderden jongeren’.

– 18 procent van onze schoolgaande kinderen heeft een of andere vorm van begeleiding nodig, 7 procent kampt zelfs met een zware problematiek. Verontrustende cijfers?

Swinnen: ‘Het gaat niet schitterend met de geestelijke gezondheid van onze jongeren. De oorzaken zijn erg uiteenlopend. Er is de druk van de prestatiemaatschappij, en er verschijnen steeds meer etiketten. Concentratiestoornissen bestonden vroeger niet, nu lijkt het wel een epidemie. Pas op, ik ben slecht geplaatst om dat te minimaliseren. Ik heb in mijn kabinet nog maar zelden ouders of kinderen gezien die voor een bagatel kwamen aankloppen’.

– er is dus wel degelijk een probleem…

Swinnen: ‘Ja, en je kunt je suf piekeren over een sluitende verklaring. De hectiek van de maatschappij heeft er zeker mee te maken. Jongeren raken overprikkeld door de constante stroom van indrukken die ze over zich heen krijgen. Zeker nu internet en sociale netwerken mobiel zijn geworden, houdt het nooit meer op. Maar ook wij volwassenen zijn druk. We eisen veel van onze kinderen, maar vinden vaak niet de tijd om ons echt om hen te bekommeren. Intussen zie je gevestigde gezagspatronen afbrokkelen. Over meneer pastoor moeten we het niet meer hebben, maar ook ouders en leraren hebben veel aan autoriteit ingeboet. Vooral kwetsbare jongeren zijn daar slachtoffer van, want die hebben meer dan wie ook nood aan structuur. Bij de start van het vorige schooljaar stonden we hier voor een raadsel. Al op 1 september hing een wanhopige moeder aan de lijn. Haar zoon was niet meer welkom in de klas omdat hij een vervelende tic had. In de weken nadien werden nog vier gevallen van tics gerapporteerd. Nooit eerder meegemaakt’.

–  intussen een verklaring gevonden?

Swinnen: ‘Een sterk vermoeden. Een tic ontstaat als je brein overprikkeld raakt. Je krijgt _ als je filter niet goed werkt _ teveel geluiden of andere impulsen binnen, waardoor je als reactie zelf onwillekeurige geluiden of bewegingen genereert. Waarom nu die piek in september vorig jaar? De hele maand augustus was het weer rotslecht geweest. Daardoor hebben kinderen nog meer tijd dan anders achter de computer of voor een scherm doorgebracht, met een overdosis prikkels als gevolg’.

– vallen motivatieproblemen medicinaal op te lossen?

Swinnen: ‘Dat zou geweldig zijn, een motivatiepil Nee dus, en gelukkig maar, want er wordt al genoeg gemedicaliseerd. Een weinig bekend probleem is het gebrek aan slaaphygiëne. Onze kinderen gaan veel te laat slapen, met alle gevolgen van dien voor hun schoolprestaties. Ouders protesteren als ik dat tijdens een consultatie aankaart. De slaapgewoonten van hun kinderen bijsturen? Alstublieft nee, kan ik niet gewoon een pilletje voorschrijven? Ik weiger dat, behalve als er sprake van een echte stoornis’.

– jongens haken vaker af op de middelbare school dan meisjes. Hoe komt dat?

Swinnen: ‘Meisjes puberen vroeger en korter, ze zijn gemiddeld twee jaar rijper dan jongens van dezelfde leeftijd. Hun respectieve breinen werken ook anders. Jongens zijn gericht op actie en visuele prikkels, meisjes op taalvaardigheid, een eigenschap die beter bij een schoolomgeving past en die ook verklaart waarom ze sneller verantwoordelijkheid kunnen dragen en over hun toekomst nadenken. Vroeger, toen jongens en meisjes naar verschillende scholen gingen, viel dat niet op. Nu worden die ongeïnteresseerde jongens met hun concentratieproblemen vergeleken met ijverige meisjes in hun klas’.

– sommigen pleiten voor een terugkeer naar gescheiden scholen. Een goed idee?

Swinnen: ‘Ik vind van wel. Vroeger luidde het voornaamste argument voor gemengde scholen dat jongens en meisjes er met elkaar leerden omgaan. Dat klopte, je had vroeger van die 18-jarige jongens die tilt sloegen als ze voor het eerst met een meisje werden geconfronteerd. Maar intussen zijn er buitenschools mogelijkheden zat om contact met het andere geslacht te leggen. Pas op, met die jongens komt het wel goed hoor. Tussen 18 en 21 maken ze de klik. De rede haalt langzamerhand de bovenhand, er ontstaat een toekomstbesef. Het is geen toeval dat kinderen vroeger pas op 21 meerderjarig werden bevonden’.

–  Op 1 september gaan twee nieuwe privéscholen voor hoogbegaafden van start. Ze vervelen zich en haken af in het reguliere onderwijs, zeggen de initiatiefnemers. Bent u voorstander?

Swinnen: ‘Nee. Hoogbegaafdheid is geen stoornis, het is sowieso een troef. Professor Duyck, cognitief psycholoog in Gent, heeft erop gewezen: hoogbegaafden hebben niet meer emotionele problemen dan andere kinderen. Tenzij hun hoogbegaafdheid gepaard gaat met problemen zoals adhd, maar dat geldt evengoed voor normaal begaafde kinderen. Natuurlijk moet er een aanbod zijn voor hoogbegaafden, net zo goed als voor andere kinderen. Maar dat is nu al het geval: lagere scholen organiseren kangoeroeklassen, in het middelbaar heb je sowieso een differentiatie door het aanbod van verschillende richtingen’.

–  over differentiëren gesproken: volgende week treedt het M-decreet op inclusief onderwijs in werking. Leerlingen uit het buitengewoon onderwijs moeten ook in gewone scholen terecht kunnen. Begrijpt u de huiver van vele directies en leerkrachten?

Swinnen: ‘Ik juich inclusief onderwijs toe. Kinderen met een beperking in de klas? Een verrijkende ervaring voor de medeleerlingen, uitstekend voor hun sociale en emotionele ontwikkeling. Directies vrezen dat hun leerkrachten overbevraagd worden, en dat hun niveau gaat zakken. Dat vind ik een enge benadering, al heb ik ook begrip voor de scepsis. De manier waarop het M-decreet wordt uitgevoerd, wekt weinig vertrouwen. De kinderen maken nu al de overstap van het buitengewoon naar het reguliere onderwijs, maar de nodige middelen om hen te begeleiden volgen pas later. Het belooft een lastig schooljaar te worden’.

–  geef toe: al dat differentiëren maakt de taak van de leraar niet eenvoudiger op…

Swinnen: ‘De tijd is voorbij dat een leerkracht jaar in jaar uit dezelfde stof kon geven, met de lesvoorbereiding die hij iedere ochtend kant en klaar uit de lade kon trekken. Het is maatwerk geworden. Leraren hebben veel vakantie. Wat mij betreft verdienen ze die dubbel en dwars., maar tijdens het schooljaar moeten ze bereid zijn keihard te werken. Eigenlijk blijft het een mooie job. Kinderen een jaar lang begeleiden tot ze weer een volgende stap in hun persoonlijke ontwikkeling kunnen zetten. Je zou voor minder gemotiveerd zijn’.

(Geen) Goesting!?, Hoe motiveer ik kinderen en jongeren, Lieve Swinnen, Van Halewyck, 256 pag. Verkrijgbaar vanaf 5 september