Tagarchief: Koen Geens

Radicaliseren achter de tralies

Knack, 2 maart 2016

In de nasleep van Charlie Hebdo lanceerde justitieminister Koen Geens een actieplan tegen radicalisering in de gevangenis. Besmettelijke gedetineerden zullen in speciale afdelingen door deradicaliseringsexperts en moslimaalmoezeniers tot betere gedachten worden gebracht. De uitvoering loopt communautaire vertraging op, maar het nut staat buiten kijf. ‘Ons systeem kan wel één Nizar Trabelsi aan, maar geen vijf tegelijkertijd’.

778209

 

Wat, behalve een lemma in het Lexicon Jihadterreur, hebben Mohamed Merah, Mehdi Nemmouche, Amedy Coulibaly en de broers Kouachi met elkaar gemeen? Alle vijf zaten korte tijd voor het plegen van hun aanslagen in een Franse gevangenis voor feiten van gemeenrecht. Vier van de vijf kwamen zelf om, alleen Nemmouche kan op zijn carrière als terrorist terugblikken. Niet dat men daar veel wijzer van is geworden, de man achter de aanslag op het Joods museum in Brussel zwijgt sinds zijn arrestatie als een graf. Toch laten de vele daderportretten die na de verschillende aanslagen verschenen, geen ruimte voor twijfel.  Het verblijf in de gevangenis heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de radicalisering en de dadendrang waarmee deze werd botgevierd. Deden de profielen van Merah en Nemmouche al wenkbrauwen fronsen, het waren de aanslagen op Charlie Hebdo en Hyper Casher begin vorig jaar in Parijs die in heel Europa politie, justitie en inlichtingendiensten wakker schudden. Behalve teruggekeerde Syrië-strijders worden sindsdien ook geradicaliseerde ex-gedetineerden als een risicogroep gebrandmerkt.

Pierre Carette

Ook de Belgische minister van justitie Koen Geens (CD&V) schoot in actie. Een jaar geleden, op 11 maart 2015 om precies te zijn, stelde hij zijn actieplan ‘Radicalisering in de gevangenissen’ voor. De helft van de tien maatregelen zijn preventief. Naast het aanpakken van de algemene leefomstandigheden zal werk worden gemaakt van een betere detectie en een vlottere informatiestroom tussen penitentiaire instanties, politie en staatsveiligheid. De spectaculairste maatregel is zonder meer het oprichten van twee speciale afdelingen voor geradicaliseerde gedetineerden, communautair netjes verdeeld over de gevangenissen van Hasselt en Ittre. In totaal zal er plaats zijn voor 40 risicogevangenen die van de reguliere populatie worden geïsoleerd. Daarnaast komen er tweekoppige satellietteams in de gevangenissen van Brugge, Lantin, Gent, Sint-Gillis en Andenne. Bedoeling is gedetineerden tijdens hun verblijf in de speciale afdelingen of in de satellietteams te deradicaliseren of op zijn minst te de-engageren. Met dat laatste wordt bedoeld dat ze afzien van pogingen om hun radicale gedachtengoed te verspreiden of, erger nog, in terreurdaden om te zetten. Pierre Carette, leider van extreemlinkse terreurbeweging CCC, geldt daarbij als een voorbeeld. Bij zijn vrijlating in 2003 was hij nog even radicaal als voorheen, maar hij vindt het niet meer nodig zijn marxistische idealen met bomaanslagen te bekrachtigen.

Deradicaliseren of de-engageren, het is makkelijker gezegd dan gedaan. Bij de missie zijn dan ook vele actoren betrokken. In het plan is sprake van speciaal opgeleide cipiers, justitiële welzijnswerkers en psychologen. Veel wordt verwacht van externe specialisten en van islamconsulenten, zeg maar moslimaalmoezeniers. Voor de financiering van een en ander wordt onder meer geput uit de 400 miljoen euro die de regering in november voor anti-terreurmaatregelen heeft vrijgemaakt.

Guantanamo

België kiest dus voor concentratie, een van de twee opties waar heel penitentiair Europa momenteel mee worstelt. Moet je geradicaliseerde gevangenen over de algemene populatie verspreiden met het risico dat ze anderen besmetten? Of sluit je ze samen op, met het gevaar dat zo’n speciale afdeling een soort Guantanamo wordt, een terroristische eliteschool waar gelijkgezinden elkaar nog verder opjutten in hun haat tegen de westerse maatschappij ‘Een duivels dilemma’, noemt de Nederlandse radicaliseringsexpert Omar Ramadan het. ‘Besmetting is een reëel risico. Je wilt het niet hebben dat een simpele tasjesdief onder invloed van een geradicaliseerde medegevangene als een fanatiek jihadist in de maatschappij terugkeert. De penitentiaire context kan daarbij als een katalysator werken. Vele gevangenen zijn sociaal geïsoleerd en voelen zich losers zonder enig perspectief. Dat maakt hen vatbaar voor charismatische figuren die hen een heilige missie aanpraten, en de solidariteit van de broeders en zusters als een warm deken aanbieden. Maar ook concentreren heeft nadelen. Want wie zet je allemaal samen? Radicalisering is ook zo’n vaag begrip. Onder de teruggekeerde Syriëstrijders zitten geharnaste jihadisten, maar evengoed vertwijfelde pubers of naïeve idealisten die werkelijk naar Syrië zijn vertrokken om te helpen, maar nooit verder dan de Turkse grens zijn geraakt. Door iedereen op een hoop te gooien, maak je het de leidersfiguren erg gemakkelijk. Ze kunnen constant invloed uitoefenen op hun volgers, gedetineerden die in een ander omgeving misschien gemakkelijk te deradicaliseren vallen’.

radicaliseringsexpert Omar Ramadan

radicaliseringsexpert Omar Ramadan

Omar Ramadan heeft in Nederland een eigen adviesbureau radicalisering en gewelddadig extremisme. Zijn voornaamste opdrachtgevers zijn ministeries en gemeenten, maar hij is ook coördinator van het in 2011 door de Europese Commissie opgerichte Radicalisation Awareness Network. Bedoeling  is penitentiaire terreinervaring en best practices tussen lidstaten uit te wisselen. Screening is volgens Ramadan de manier om aan het hogervermelde dilemma te ontsnappen. ‘Je moet de rotte appels uit de mand halen. Grondig selecteren is dus de boodschap. Niet alleen aan de poort, maar ook tijdens de detentie. Bijzondere regimes moeten voldoende flexibel zijn, wie gunstig evolueert moet terug naar het reguliere systeem kunnen. In feite pleit ik voor een gemengd model waarin zowel concentreren als spreiden een plaats hebben. Al blijft het altijd oppassen met valse modelgevangenen die pas hun ware aard tonen als ze in een open regime belanden’.

Radicalisering achter de tralies. Onwillekeurig denkt men Islamitische Staat of Al Qaeda. ‘Maar het fenomeen bestaat al veel langer’, benadrukt Ramadan. ‘Landen als Spanje, Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië worden er al tientallen jaren mee geconfronteerd. Groot-Brittannië en Spanje hebben overwegend voor het concentratiemodel gekozen. Dat IRA-aanhangers of ETA-leden elkaar verder zouden radicaliseren, was geen punt. Men ging er immers van uit dat men die toch nooit op andere gedachten kon brengen. Frankrijk kent al sinds de jaren negentig moslimterrorisme, naast Corsicaans separatisme en extreemlinkse terreur. Daar opteren ze eerder voor spreiding’.

terro-gedetineerden

In het Frankrijk is het roer echter om. In januari gingen twee afdelingen voor terro-gedetineerden open, tegen eind maart worden nog twee eenheden in gebruik genomen. ‘In Frankrijk is het probleem dan ook veel urgenter dan bij ons’, zegt een anonieme bron binnen het gevangeniswezen. ‘Wij hebben hier nog geen Merah’s of Kouachi’s gezien, terroristen van wie vast staat dat ze in de gevangenis zijn geradicaliseerd. Neem de Belgische daders en verdachten van de recente aanslagen in Parijs. De meesten hebben wel een gerechtelijk verleden, sommigen hebben korte tijd in de gevangenis gezeten. Maar dat heeft geen rol van betekenis gespeeld, hun radicalisering heeft zich buiten de gevangenis voltrokken, via sociale media of andere kanalen’.

Waarom dan een speciale afdeling voor geradicaliseerde gevangenen? ‘Om Franse toestanden te vermijden. Jihadisme is op zich niet nieuw, we hebben in de jaren negentig al het proces tegen de Algerijnse GIA gehad. In een rapport van de Staatsveiligheid uit 2011 staat er geen probleem van radicalisering is. Maar intussen is de context radicaal veranderd, door de aantrekkingskracht van groepen zoals IS en Al Qaeda. Alleen al de instroom van terreurverdachten en teruggekeerde Syrië-strijders heeft het fenomeen een heel nieuwe dimensie gegeven’.

Nizar Trabelsi. De naam klinkt in de Belgische gevangenissen nog altijd als een klok. De Tunesische ex-voetballer werd in 2001 gearresteerd toen hij aanslagen op de luchtmachtbasis Kleine-Brogel en de Amerikaanse ambassade in Parijs aan het beramen was. Toen hij in 2013 aan de Verenigde Staten werd uitgeleverd, had hij er een penitentiaire odyssee opzitten. ‘Erger dan Farid Le Fou’, zegt onze bron. ‘Trabelsi had een geweldig aura. Als hij in een nieuwe gevangenis kwam, voelde men de sfeer omslaan. Na verloop van tijd werd de toestand onhoudbaar en zat er niks anders op dan hem weer te verkassen. Dat is waarom die speciale afdelingen nodig zijn. Ons penitentiair systeem kan wel één Trabelsi aan, maar geen vijf tegelijkertijd. Niet dat we het gevaar op besmetting moeten opblazen. In de Belgische gevangenissen zitten zo’n 4.000 moslims. De overgrote meerderheid is absoluut niet vatbaar voor radicale ideeën, velen zijn zelfs nauwelijks bezig met hun religie. Maar 1 procent van 4.000, dat maakt nog altijd een hoop potentiële terreurcellen’.

halal maaltijden

 Geens’ actieplan viseert zowel actieve als passieve geradicaliseerden, rekruteerders en volgers. In de praktijk valt de doelgroep evenwel moeilijk te omschrijven. Ons land telt momenteel een negentigtal terro-gedetineerden. Versta daaronder veroordeelden van recente terrorismeprocessen tegen groepen zoals Sharia4Belgium, maar ook arrestanten in lopende terreuronderzoeken en teruggekeerde Syriëstrijders die in voorhechtenis zitten. Het laat zich raden dat deze groep op de eerste rij staat om de speciale afdelingen in Hasselt en Ittre te bevolken. Toch is het niet zo simpel, laat het kabinet van justitieminister Geens weten. Woordvoerder Sieghild Lacoere: ‘Terro-gedetineerden die geen besmettingsrisico vormen kunnen in principe in een normaal gevangenisregime verblijven. Omgekeerd is het perfect denkbaar dat ‘gewone’ criminelen radicaliseren, waardoor we ze van de reguliere populatie moeten isoleren. Alles zal afhangen van de individuele risico-taxatie die met de grootste zorgvuldigheid moet gebeuren’.

De wet verbiedt gevangenen naar religieuze of filosofische overtuiging te registreren. 4.000 moslims op 11.000 gedetineerden is dan ook een ruwe schatting, onder meer gebaseerd op de bestellingen van halal-maaltijden. ‘Het varieert nogal’, zegt een ervaren cipier die zijn naam liever niet prijs geeft. ‘’In Sint-Gillis zijn het er wel 75 procent, in Brugge tussen de 30 en de 40 procent’.  De vraag is hoe vatbaar die zijn voor radicalisering. De cipier, een man die verschillende gevangenissen van binnenuit kent, wil niet dramatiseren. ‘We zien inderdaad dat meer moslims hun geloof openlijk belijden. De ramadan wordt intenser beleefd, de voorbidder krijgt ’s avonds meer respons dan pakweg 15 jaar geleden. Daar is niks mee, ze hebben ook niks anders om handen. In een gevangenis zoals Sint-Gillis mag je dat laatste letterlijk nemen. Uit protest tegen de overbevolking en het personeelstekort hebben de vakbonden meer dan een jaar geleden besloten alle extra activiteiten schrappen’.

Fouad Belkacem

Geen vuiltje aan de lucht? Dat zal niemand beweren. De gevangenis van Andenne werd in juni 2013 door woedende moslimgedetineerden kort en klein geslagen. Geen primeur, want in november 2011 brak in dezelfde gevangenis een soortgelijk pandemonium uit. Aanleiding was telkens het uitvaardigen door de directie van interne regels die het bidden tijdens de wandeling en op de gang aan banden legden. ‘Ook in Antwerpen heeft dat al tot problemen geleid’, zegt de cipier. ‘Zoiets wordt altijd aangestoken door een of meerder leiders. Daarom proberen we kort op de bal te spelen. Ik herinner me een jonge gast die ineens zijn baard liet staan en zich anders ging gedragen. Bleek dat hij zich liet opstoken door zijn buurman, een echte fundamentalist. We hebben die twee uit elkaar gehaald, en die jongen is binnen de kortste keren bijgedraaid. Ook een veeg teken: gedetineerden die ineens weigeren om bevelen van vrouwelijke cipiers te krijgen. Radicale elementen sluiten we bij voorkeur niet op in een isoleercel met zicht op de wandeling. Ook al mogen ze zelf niet deelnemen, toch proberen ze de anderen te intimideren. Jij daar, waarom bid je niet mee? Waarom was je niet op het vrijdaggebed? Fouad Belkacem was zo’n geval, die had ook een echte entourage. Intussen is hij gekalmeerd, maar in het begin hebben ze hem een paar keer moeten isoleren’.

Fouad Belkacem had een entourage van epigonen in de gevangenis

Fouad Belkacem had een entourage van epigonen in de gevangenis

Volgens de cipier staan zijn collega’s overwegend positief tegenover het plan Geens. ‘Op voorwaarde dat er voldoende middelen worden vrijgemaakt zodat de werkdruk niet nog meer toeneemt’, nuanceert hij. ‘Maar op zich zijn die speciale afdelingen een goed idee, ook voor onze eigen veiligheid. De toevloed van terro-gedetineerden zorgt immers voor enorme stress. Heel wat   van die kerels zit nu reeds in speciale veiligheidsregimes, wat onder meer inhoudt dat ze individueel moeten wandelen. Iedere beweging gaat meet zware veiligheidsprocedures gepaard, voor sommigen moet de hele vleugel worden stilgelegd als ze uit hun cel worden gehaald’.

islamconsulenten

Het plan Geens kent een grote rol toe aan de islamconsulenten, zowel voor de preventie als het eigenlijke deradicaliseren. Momenteel staan er voor gans België 18 voltijdse equivalenten op de betaalrol van Justitie. In Vlaanderen werken zeven moslimaalmoezeniers, plus twee vrouwen die deeltijds meedraaien in de vrouwengevangenissen van Antwerpen en Hasselt. Ter vergelijking: Vlaanderen telt 23 officieel benoemde katholieke gevangenisaalmoezeniers, plus tientallen vrijwilligers die aan gevangenispastoraal doen. Dat er een tekort is aan islamconsulenten _ er zijn ook nauwelijks vrijwilligers _ staat als een paal boven water. ‘In Brugge bijvoorbeeld zie je ze nooit’, zegt de cipier. ‘Alleen tijdens de ramadan komt er wel eens iemand om het vrijdaggebed te leiden’.

Volgens het plan Geens moest het aantal benoemde islamconsulenten al tegen eind 2015 tot 25 worden opgetrokken, maar de rekrutering loopt vertraging op. Die heeft onder meer te maken met de moeizame hervorming van de Belgische Moslimexecutieve, het orgaan dat de islamconsulenten selecteert en voordraagt aan de minister van justitie die ze, na screening door de Staatsveiligheid, benoemt. Maar ook de lat ligt een stuk hoger. Teveel islamconsulenten zijn immers in hetzelfde bedje ziek als de imams. Laag geschoold, beperkte theologische kennis, sommigen spreken onvoldoende Nederlands of Frans om zelfs maar het interne gevangenisreglement te lezen. Geens wil dat de Moslimexecutieve de reeds benoemde islamconsulenten evalueert  en bijschoolt, en voor de nieuwkomers een strengere selectieprocedure uitdoktert. Op termijn zullen moslimconsulenten, net zoals erkende imams, een diploma Islamitische Theologie moeten voorleggen, bij voorkeur behaald aan een Belgische Universiteit. Bedoeling is de beste krachten nauw te betrekken bij het deradicalisering van zware gevallen in Hasselt en Ittre.

Laatste Oordeel

Saïd Aberkan, hoofd-islamconsulent Vlaanderen, is een van de architecten en tegelijkertijd uitvoerders van het hervormingsplan. Gebrek aan scholing is wel het laatste wat je deze 36-jarige Antwerpenaar met Marokkaans-Berberse roots kunt verwijten. Aberkan behaalde een master aan de Islamitische Universiteit Rotterdam, een tweede masteropleiding interreligieuze dialoog aan de Leuvense faculteit theologie is bijna afgerond. In zijn geval kan men van een roeping spreken. Aberkan, als kind gefascineerd door voorbidders in de moskee, ontpopte zich op jonge leeftijd tot een kampioen Koran-reciteren. Op zijn 16de trok hij naar het befaamde Islamic Institute in het Engelse Dewsbury, daarna heeft hij in verschillende Arabische landen gestudeerd.

Aberkan, lesgever interne vorming bij de Moslimexecutieve, in zijn schaarse vrije tijd rondreizend imam, pleit voor een gematigde, rationele islam. Die visie draagt hij ook als aalmoezenier in de gevangenis van Antwerpen uit. ‘Ik praat met iedereen, ook terro-gedetineerden en teruggekeerde Syrië-strijders. Vaak zijn dat jongens met een heel beperkte kennis van hun religie, ze kennen alleen een paar uit hun verband gerukte verzen die hun radicale overtuiging lijken te ondersteunen. Velen koesteren bovendien een verkeerd concept van berouw. Ze hebben in hun verleden zware misstappen begaan, en zijn bang voor het Laatste Oordeel. Om onze fouten uit te wissen, redeneren ze, moeten we ons leven aan God geven. Een heel kleine minderheid gaat daar erg ver in, tot en met het doden van ongelovigen toe. Als islamtheoloog kan ik die verkeerde denkbeelden gemakkelijk doorprikken. Ik kan de koran en de Hadith wel correct citeren en verzen in hun juiste context plaatsen. Daar win je veel respect mee’.

moslimaalmoezenier Saïd Aberkan

moslimaalmoezenier Saïd Aberkan

nepradicalen

Over concrete gevallen mag en wil hij niet praten, beroepsgeheim. ‘Maar ik heb er al zien bijdraaien in de gevangenis. Een gewezen Syrië-ganger overwoog zelfs na zijn vrijlating als pentiti te getuigen voor jongeren. Uiteindelijk heeft hij dat toch maar niet gedaan. Bang voor zijn kansen op de arbeidsmarkt, maar ook voor represailles’. Aberkan waarschuwt voor overdreven paniek. Niet elke vrome moslim is een salafist, en niet elke salafist een strijdbaar jihadist. ‘Maar ik begrijp de bekommernis over radicalisering’, zegt hij. ‘Directies moeten alert zijn. Als islamconsulent hebben we een vertrouwensrelatie met gedetineerden, we zijn geen informanten. Maar we gaan soms wel op vraag van de directie of de cipiers praten met probleemgedetineerden, een manier om conflicten te voorkomen of te ontmijnen. Neem nu de wrevel over gebedstijden, een oud zeer. Het moet echt niet op de gang of tijdens de wandeling. Van cipiers nemen ze dat niet aan, van mij wel. Ik heb intussen ook ervaring met het ontmaskeren van nepradicalen, gedetineerden die hun religie misbruiken om zich als leidersfiguur op te werpen. Voorbidden tijdens de wandeling is een van de trucs. Ze spreken weliswaar geen Arabisch en kennen niks van de Koran, maar dat weten ze handig te verdoezelen door gebeden te selecteren die niet hardop worden gereciteerd maar half binnensmonds worden gepreveld. Als theoloog is het een koud kunstje om zo iemand op zijn plaats te zetten’.

Nuttig werk, maar slecht betaald. Het plan Geens stelt echter een beter statuut en verloning in het vooruitzicht. ‘Een eis die al meegaat sinds de eerste islamconsulenten in 2007 werden benoemd’, zucht Aberkan. ‘Alle vorige ministers van justitie hebben daar beloftes over gedaan, om die nadien om budgettaire redenen weer in te trekken. Ik hoop dat het deze keer wel gebeurt, want zonder beter statuut is het plan om meer islamconsulenten aan te trekken, tot mislukken gedoemd. Welke hooggeschoolde moslim wil nog werken voor 16.000 euro per jaar, verplaatsingskosten inbegrepen? Mijn collega’s in Nederland verdienen dubbel zoveel’.

maximum security

De rekrutering van moslimaalmoezeniers is niet het enige onderdeel dat stroef loopt. Ook de ingebruikneming van de speciale afdelingen in Hasselt en Ittre, voorzien voor december 2015, laat op zich wachten. De oorzaak is merkwaardig genoeg van communautaire aard. Hasselt is helemaal klaar, de cellen en gemeenschappelijke ruimten zijn ingericht, het personeel aangeworven en opgeleid. Zolang echter Ittre, waar de werving en training aanslepen, niet opengaat, blokkeren de Vlaamse vakbonden de opening van Hasselt. ‘We willen geen herhaling van het scenario Lantin’, zegt Gino Hoppe, justitie-verantwoordelijke bij het socialistische ACOD. ‘In Lantin hebben gevangenen de hoge veiligheidsafdeling tijdens een opstand gesloopt. Ze werd nooit heropgebouwd, en sindsdien zitten nagenoeg alle hoog risico-gedetineerden in Brugge, de enige gevangenis met een maximum security-afdeling in ons land.  Niet ideaal voor Franstalige gedetineerden, maar vooral rampzalig voor het personeel dat  de druk niet meer aankan’.

Daar had Omar Ramadan in zijn adviesverstrekking vast geen rekening mee gehouden. De urgentie van deradicalisering ligt nochtans voor de hand, vindt de coördinator van het Radicalisation Awareness Network. ‘Niets doen is geen optie. Straffen pakken altijd minder lang uit dan het Openbaar Ministerie vraagt en het publiek wenst. Ook ex-jihadisten keren  vroeg of laat terug naar de maatschappij’.

 

(bij dit dossier hoort ook nog volgend kaderstuk)

Advocaat Jürgen Millen: ‘Ik verwacht problemen met Straatsburg’

Niet iedereen is enthousiast over de aanpak van radicalisering in de Belgische gevangenissen. Jürgen Millen, advocaat van verschillende terro-gedetineerden, ziet zowel principiële als legale bezwaren.

Millen: ‘Ik heb grote twijfels bij die speciale afdelingen. Bedoeling is er niet alleen veroordeelden maar ook mensen in voorlopige hechtenis op te sluiten. Dat is op zich al problematisch: wat met het vermoeden van onschuld? Het systematisch isoleren van gedetineerden staat bovendien op erg gespannen voet met de Basiswet die de rechten van gedetineerden vastlegt. Het is overigens zeer de vraag of dit systeem een toetsing door het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg zal doorstaan’.

hoezo?

Millen: ‘Terro-gedetineerden worden in extreme veiligheidsregimes geïsoleerd, zonder dat ze daartegen in beroep kunnen gaan. Dat gebeurt op basis van een niet-publieke omzendbrief die lijnrecht ingaat tegen de bepalingen in de Basiswet. Daar staat immers in dat gedetineerden altijd over een effectief rechtsmiddel moeten kunnen beschikken, maar helaas is die bepaling tot dusver dode letter gebleven. Dat is volgens mij in strijd met het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens en de rechtspraak van Straatsburg. België is daar trouwens al een paar keer zwaar voor veroordeeld in Straatsburg, onder meer in de zaak Farid Bamouhammad (nvdr Farid Le Fou)’.

terrorisme is een reëel gevaar. Logisch toch dat men met risico-gedetineerden maximale voorzorgsmaatregelen neemt?

Millen: ‘Als dat de remedie zou zijn, dan vrees ik dat ze de kwaal alleen maar kan verergeren. In principe moet het initiatief om iemand onder een extreem veiligheidsregime te plaatsen, van de gevangenisdirectie uitgaan. In de praktijk echter zien we dat het ministerie van justitie aan de directies verplicht om deze regimes op te leggen. Zodra een verdachte binnenkomt, volgt er meteen een bevel vanuit Brussel om hem te isoleren. Eerst vier keer zeven dagen, nadien telkens voor één of twee maanden, een termijn die routinematig wordt verlengd’.

– is concentreren geen manier om uitbreiding van radicaliseren te voorkomen?

Millen: “Ik denk niet dat het isoleren laat staan concentreren van gedetineerden die het etiket van geradicaliseerd hebben opgeplakt gekregen, het correcte antwoord is. Juist door dialoog en spreiding van dit soort gedetineerden kun je resultaat boeken. Vergelijk het met een leraar op school. Een probleemleerling in de klas, die kan hij nog bijsturen. Maar wat als er twintig van die probleemleerlingen in zijn klas zitten? Daar valt geen land mee te bezeilen. En waar ik me vreselijk aan erger: de focus ligt uitsluitend op terrorisme met een religieuze inslag, terwijl het gevaar ook uit andere richtingen, zoals racistische groupuscules, kan komen aanwaaien’.

 

 

 

Juristenpraat: Koen Geens neemt oud-leerlingen Bert Kruismans & Wim De Vilder herexamen af

(Knack, 8 oktober 2014, studentenspecial Leuven) 

‘Recht is eigenlijk politiek, in de edele betekenis van het woord’ (Koen Geens)

Het was lachen tijdens de fotosessie. Zegt komiek Bert Kruismans tegen televisieanker Wim De Vilder: “We schurken ons letterlijk aan tegen de macht”. Die machtsfactor heet Koen Geens, landswijd bekend als de immer welbespraakte minister van financiën. In hun studentenjaren leerden Kruismans en De Vilder hem als de even welbespraakte professor vennootschapsrecht kennen. Gesprek met drie volbloed juristen over de universiteit vroeger en nu.

foto: Lies Willaert

foto: Lies Willaert

 

De deuren zwaaien open, de lege aula 01.54 ligt aan onze voeten. Bert Kruismans en Wim De Vilder zeggen het haast tweestemming. Lang geleden dat ze hier nog zijn geweest, in College De Valk aan de Tiensestraat. Ze moeten elkaar op de trappen gekruist hebben, wellicht zonder blijk van herkenning. Bert Kruismans (48) zwaaide in 1989 af als licentiaat in de rechten, Wim De Vilder (45) volgde twee jaar later. “Mijn kandidaturen heb ik aan de KUB in Brussel gedaan’”, zegt Kruismans. “In Leuven was alles veel groter, we begonnen met een stuk of 500 aan de eerste licentie. Veel te veel voor deze aula, sommige studenten brachten hun eigen stoel mee naar de les.  Ik heb hier in oktober verschillende studenten zien flauwvallen van de warmte, de kranten spraken er schande van. Nadien zijn we uitgezwermd over verschillende gebouwen in de stad”.  De ene verzonken anekdote kust de andere tot leven. Capaciteitsgebrek in de aula’s? “Bij ons was het zo erg dat we voor sommige vakken naar een grote cinemazaal trokken”, zegt De Vilder. “De Superclub op de Bondgenotenlaan, die bestaat al lang niet meer. Het was er nogal donker, en de pluchen zetels waren net iets te comfortabel. Vooral op vrijdagochtend zag je de ene na de andere student in slaap vallen”.

En ineens staat Koen Geens vooraan op het podium. Leer hem de binnenwegen van de rechtsfaculteit kennen. De ontslagnemende minister van financiën doceert hier al dertig jaar. Financieel recht en deontologie zijn optionele colleges in de masteropleiding, maar vennootschapsrecht is sinds jaar en dag een plichtvak. Het moeten er vele duizenden zijn, de aspirant-juristen die zoals Bert Kruismans en Wim De Vilder langs professor Geens zijn gepasseerd. “Zonder iemand te willen vleien”, zegt De Vilder als we in het bescheiden kantoor van de professor plaatsnemen. “Maar u was een van de betere docenten, wat niet kon gezegd worden van alle politici die hier lesgaven”.

–       Welke andere politici hebben jullie als professor meegemaakt?

Kruismans: “Zo talrijk waren ze nu ook weer niet. Toen ik hier studeerde heeft Roger Blanpain een korte uitstap naar de politiek gemaakt, hij was geloof ik senator voor de Volksunie. Een uitstekende docent arbeidsrecht, ik denk niet dat Wim het over hem had”.

De Vilder: “Nee, ik dacht eerder aan Hugo Vandenberghe, in mijn tijd senator voor de CVP.  Het kan ook aan mij liggen. Vandenberghe doceerde zakenrecht, een materie die me slechts matig kon boeien. Peentjes heb ik gezweet op zijn vuistdikke cursus”.

Geens:  (verontwaardigd) “Hugo Vandenberghe? Die ken ik toch vooral als een bekwame collega en een uitstekend politicus bovendien”.

Kruismans: “Ach ja, Vandenberghe en zijn zakenrecht. Als ik daaraan terugdenk, zie ik in gedachten altijd duiventillen en konijnenkoten verschijnen. Ik geloof dat het artikel 564 van het burgerlijk wetboek is, maar check het toch voor alle zekerheid. Het komt hier op neer: (declameert) Duiven, konijnen of vissen die van hun til, hok of vijver naar een andere til, hok of vijver overlopen, vliegen of zwemmen, vallen onder het eigendomsrecht van de eigenaar van die nieuwe til, hok of vijver. Mits _ en nu komt het  _ ze niet door list of bedrog werden binnengelokt. Dat is toch humor van de bovenste plank? Sluit je ogen en probeer je dat concreet voor te stellen. Vandenberghe heeft me ook de thuja occidentalis leren kennen, een plant die destijds voor heel wat betwistingen omtrent overhangende takken zorgde. Zakenrecht saai? Razend interessant was het, je kon er zelfs je botanische kennis mee verdiepen”.

–       Professor, de voorbije twee jaar hield u een zware ministerpost warm. Hoe valt zoiets met een universitaire lesopdracht te combineren?

 Geens: “Ik heb geen volledige opdracht meer. De keuzevakken geef ik zelf, maar het plichtvak vennootschapsrecht deel ik met collega Wyckaert die samen met de assistenten ook de seminaries, thesissen en werkcolleges voor haar rekening neemt. In de praktijk doceer ik vier uur per week, dat zijn twee halve voormiddagen. Het is een kwestie van goed plannen. Ik ben nu, tussen de regeringsonderhandelingen door, twee artikels tegelijkertijd aan het schrijven voor het nieuwe academiejaar”.

Kruismans: “Ik vond het altijd verfrissend om les te krijgen van proffen die er een carrière buiten de universiteit op nahielden. Ze konden als geen ander een brug slaan tussen de academische wereld en de echte wereld”.

Geens: “Die proffen zijn doorgaans erg gemotiveerd. Zelf doe ik het nog altijd doodgraag, doceren is wel het laatste dat ik zou willen opgeven. Ik hoop er nog vijftien jaar bij te doen. Als het mag, zie ik me wel doorgaan tot mijn zeventigste. Of wie weet, misschien is de pensioenleeftijd voor professoren tegen dan opnieuw tot 70 opgetrokken

De Vilder: “Vennootschapsrecht was niet helemaal mijn ding, ik was vooral in publiek recht geïnteresseerd, grondwettelijk en Europees recht of strafrecht. Toch ging ik niet met tegenzin naar uw les. Ik had trouwens weinig keuze, want u gebruikte een dunne syllabus. Ik heb het me altijd afgevraagd: deed u dat met opzet om studenten te verplichten naar de les te gaan?”.

Geens: “Kijk, er zijn twee manieren om te studeren, synthetisch of analytisch. Met dikke cursussen verplicht je studenten tot condenseren en memoriseren. Een dunne cursus werkt alleen als je er het wetboek naast legt. Dat vind ik veel interessanter, op die manier verwerven studenten een veel diepere kennis. Ik had zelf een hekel aan het blokken van dikke turven, laat staan aan de mondelingen examens die eruit werden gepuurd. Schorsingsrecht, zei de prof, en dan werd je verondersteld het hele telefoonboek af te rammelen”.

–       Voor professor Geens spreekt het antwoord vanzelf, maar wat hebben jullie in professioneel opzicht aan een diploma rechten gehad?

De Vilder: “Ik ben na Leuven in Gent communicatiewetenschappen gaan studeren. Zo ben ik dus in de journalistiek gerold, maar dat betekent niet dat mijn rechtenstudie tijdverlies was. Vooral mijn kennis van staatsrecht, strafrecht en internationaal recht komt me als journalist goed van pas. Zoals de economisten op de redactie sneller sociaaleconomische onderwerpen oppikken, zo ben ik nog altijd beter thuis in juridische materies”.

Kruismans: “Ik heb nooit als jurist gewerkt, maar ik ben het altijd gebleven. Je leert hier denken met een juridisch brein en naar de wereld kijken door een juridische bril. Ook als humorist. Na na een show of column hoor ik vaak dezelfde commentaar. ‘Meneer Kruismans, het is wel om te lachen, maar het klopt allemaal wat u vertelt’. Dat is ook zo, ik vertrek altijd vanuit feiten. Dat is de grondlaag, de humor komt er bovenop. Dat respect voor feiten en voor logisch redeneren, dat is de jurist in mij ”.

Geens: (instemmend) “Ik begrijp heel goed wat Bert bedoelt. Het heeft ook met taal te maken. Als jurist leer je daar zorgvuldig mee om te springen, een tekst mag zichzelf nooit tegenspreken”.

De Vilder: “Deze opleiding kruipt inderdaad onder je huid, het heeft een hele tijd geduurd vooraleer ik er los van kwam. Ik werkte nog niet lang op de nieuwsredactie, toen het  beroemde spaghetti-arrest in zaak Dutroux viel. Je weet wel, de Raad van State had beslist onderzoeksrechter Connerrotte van de zaak te halen omdat hij een bord pasta had gegeten op een benefiet voor de slachtoffers. Ik was op de redactie zowat de enige die het arrest verdedigde, met verhitte discussies als gevolg. Dat neutraliteit voor een onderzoeksrechter heilig is, betoogde ik, en dat Connerotte die neutraliteit had kwijtgespeeld. Tevergeefs, de meeste collega’s deelden de verontwaardiging van de publieke opinie. Intussen kan ik die juridische reflex al beter intomen”.

Kruismans: “Ik  schrijf columns voor de Juristenkrant en het vakblad van de notarissen. Mijn stijl steekt wel wat af bij de andere bijdragen, het moet tenslotte humoristisch blijven. Maar het jargon heb ik in de vingers, daarmee val ik helemaal niet uit de toon. Een paar jaar geleden heb ik trouwens een boek geschreven over notarissen. Tientallen heb ik er geïnterviewd, en overal werd ik ontvangen als one of the boys. Het verwondert me niet. Als ik in een nieuw gezelschap kom, haal ik er de juristen zo uit.”

 –       Ergeren jullie zich soms aan het gebrek aan juridische kennis in de media?

Kruismans: “Dacht je dat het met economische kennis beter gesteld is?  Vraag de gemiddelde journalist wat BTW precies is of hoe een jaarrekening wordt gelezen, en er zal een pijnlijke stilte vallen. Maar het zou inderdaad geen slecht idee zijn: wat meer juristen op de redacties en wat minder in de politiek”.

Geens: “Helemaal eens met Bert”.

–       Inderdaad, het krioelt in parlementen en op kabinetten van de juristen. Wat maakt deze opleiding tot een ideale springplank voor de politiek?

Geens: “Mijn antwoord zal sommigen shockeren: omdat recht eigenlijk politiek is, in de edele betekenis van het woord, beleid dus. Neem nu dat bekende spaghetti-arrest. Iedereen reageerde verbolgen, naar verluidt ook de juristen binnen de regering Dehaene. Die wisten natuurlijk ook dat de raadsheren van Cassatie perfect de tegenovergestelde beslissing hadden kunnen nemen, met een even briljant en logisch onderbouwd arrest. Zo is het toch? Ik heb het professor Walter Van Gerven, een van de grootste juristen die ik ken, vaak horen zeggen. Hoe intelligent en uitvoerig een beslissing ook gemotiveerd is, het volstaat dat je hier en daar een negatie schrapt of in een dubbel negatie verandert, om met dezelfde tekst het omgekeerde resultaat te bekomen”.

De Vilder (verbaasd): “Daarmee zegt u dat recht subjectief is”.

Geens: “Maar natuurlijk. Er zijn universiteiten waar ze recht definiëren als een set van onwrikbare regels waaruit met ijzeren logica onvermijdelijke resultaten kunnen worden afgeleid. Hier, in de Leuvense school, huldigen we de visie dat recht in wezen een beleidsinstrument is dat ons naar een maatschappelijk aanvaardbare oplossing duwt. Er bestaat geen unieke waarheid. In de Amerikaanse Supreme Court stemmen de 9 rechters met 7 tegen 2 over de verhouding tussen abortus en de grondwet. In recht is het nooit helemaal rechts of helemaal links”.

Kruismans: (grinnikend): “Dat noemen ze ook enerzijds-anderzijds. Recht is politiek, ik kan daar wel inkomen. Neem nu onze communautaire akkefietjes. Het is blijkbaar van doorslaggevend  belang of een conflict voor de Franstalige dan wel de Nederlandstalige kamer van de Raad van State wordt gebracht. Merkwaardig toch, want ze moeten allebei dezelfde feiten aan dezelfde wetten toetsen”.

–       Laten we het even hebben over studenten en politiek, tenslotte draagt u zowel de pet van professor als van minister. Worden er in de colleges vennootschapsrecht of financieel recht geen politieke vragen gesteld? We willen het dossier niet aansnijden, maar Arco lijkt ons boeiende leerstof…

Geens: “Nee. Ik maak uiteraard in de eerste les meteen duidelijk dat ik vanwege mijn als politieke functie een zekere terughoudendheid aan de dag moet leggen. En ik moet zeggen, mijn studenten hebben daar respect voor. Slechts een keer is er iets op Twitter verschenen. De studenten zaten hier tevergeefs te wachten, terwijl ik nog in Athene verbleef. Een misverstand, ze waren mijn afwezigheid vergeten te communiceren. Daarover heeft een student dus een tweet verstuurd. Niet dat ik zo bang of voorzichtig ben. In de cursus deontologie komt de actualiteit wel aan bod, maar altijd bekeken vanuit een  juridische optiek”.

Kruismans: “Dat deed u vroeger ook al. Ik had het geluk vennootschapsrecht te mogen volgen tijdens de overnamestrijd om de Generale Maatschappij. De komst van Carlo de Benedetti, het offensief van André Leysen, het was beter dan een soap. In de les kregen we iedere week een juridische vertaling van wat we via de media vernamen”.

Geens: “Dat was ook een ongemeen boeiende periode. Ik ben daar als een liberaal denkend jurist ingegaan en op het einde van de rit als een overtuigd verankeraar uitgekomen. Vennootschappen moeten vlot van eigenaar kunnen wisselen, was aanvankelijk mijn overtuiging.  Maar gaandeweg begon ik in te zien dat zo’n openbare bieding een soort oorlog is, zonder bloedvergieten, maar daarom niet minder brutaal. Uiteindelijk werd de Generale door een holding overgenomen die maar half zo groot was. Het resultaat was er naar voor ons land, Suez heeft bijna het hele industriële imperium van de Generale ontmanteld”.

–       Na dertig jaar kunt u generaties vergelijken. Verschillen de huidige studenten van de lichtingen Kruismans en De Vilder?

Geens: “Uiteraard zijn ze anders, ze leven ook in een totaal andere maatschappij. Hoe ze omspringen met beeldschermen en smartphones, daar kan ik met bewondering naar kijken. Blokken is heel anders dan in mijn tijd. Ik sloot me op in mijn kamer, de enige plek waar ik me kon concentreren. Tegenwoordig troepen studenten samen om te blokken, in gebouwen die de universiteit speciaal daarvoor ter beschikking stelt. Die groepsdruk hebben ze nodig om aan de verleidingen van computer en internet te weerstaan. Het zijn kinderen van hun tijd, net zoals wij dat ook waren. Ik kan er goed mee over de baan. Ze zijn geïnteresseerd, en niet alleen vanwege de studiepunten. Ze benaderen hun studies als consumenten, dat is misschien de beste manier om deze generatie te typeren. Dat maakt hen veeleisend. De syllabus moet goed zijn, de lessen moeten heel stipt beginnen (lacht), en hun slides willen ze up to date. Proffen worden op al die criteria door studenten geëvalueerd. Daar wordt niet mee gelachen, dat weet ik als gewezen voorzitter van de onderwijscommissie. Studenten brossen ook veel minder dan vroeger. We hebben ervoor betaald, redeneren ze, dus gaan we naar de les. Allemaal heel normaal, onze hele maatschappij is tenslotte van het consumentisme doordrongen”.

De Vilder: “Studenten die proffen evalueren, dat was in onze tijd ondenkbaar. Professoren waren ongenaakbaar, als goden op de berg Olympus. Heel af en toe, als je eerst al je moed had samengeraapt, durfde je na de les een prof aan te klampen om een vraag te stellen. Ik kan me inbeelden dat de slinger intussen naar het andere uiterste doorslaat, zeker nu docenten permanent online bereikbaar zijn. Hoe zit het nog met het gevoel voor etiquette van de studenten? Krijgt u vele berichten met ‘Beste Koen’ in uw mailbox?”

Geens: (lacht) “’Beste Komma’, zo steken ze van wal. Ik krijg inderdaad heel veel mails van studenten. Die worden ook allemaal beantwoord. Door mezelf als het kan, anders door onze assistenten. Gisteren nog kreeg ik een mail van een studente die vond dat ik haar te weinig punten had gegeven, waardoor ze een onderscheiding had gemist. Aanvechten van examenresultaten, dat komt nu veel vaker voor dan vroeger. Alweer die consumentenreflex. Soms zijn het de ouders die een procedure starten. Het strafste dat ik heb meegemaakt: ouders die op de faculteit verhaal kwamen halen omdat hun kind in de tweede master was gestruikeld. Ze maakten zich erg boos, totdat de aap uit de mouw kwam. Bleek dat hun spruit wel geslaagd was voor alle vakken van de masteropleiding, maar nooit de bachelor had volgemaakt. Kindlief had daar thuis niks over verteld, ook weer iets van deze tijd. Vroeger hingen de punten ad valvas, zichtbaar voor iedereen, maar tegenwoordig verloopt alle communicatie online”.

–       Klopt het cliché dat studenten minder geëngageerd dan vroeger?

Geens: “Nee, dat is te gemakkelijk. Ze zijn betrokken, maar op een eigentijdse manier. Het is allemaal minder spectaculair, maar dat geldt niet alleen voor studenten. Massabetogingen van boze boeren of staalarbeiders die in Brussel alles kort en klein slaan, dat is ook al lang voltooid verleden tijd”.

Kruismans: “Er is toch veel veranderd. Neem nu het protest tegen de geplande verhoging van het inschrijvingsgeld. Dat stelt niks voor vergeleken met onze tijd. Ik heb zelf meegelopen in de betogingen van oktober en november 1986 tegen het Sint-Annaplan van Verhofstadt. Daar kan ik echte oudstrijdersverhalen over vertellen. Hoe we de rijkswacht uitdaagden, en hoe we gebouwen en pleinen bezet hielden. Jonge mensen werpen me dan zo’n vreemde blik, alsof ik recht uit de 19de eeuw kom. Rijkswachters die chargeren met de wapenstok? Leuven dat geel ziet van het traangas? Ze kunnen er zich niks bij voorstellen. Natuurlijk, er zijn tegenwoordig andere manieren om engagement te tonen. Nu richten ze een Facebook-groep op, wij waren verplicht fysiek samen te komen. Die dadendrang heeft zelfs jurisprudentie opgeleverd. Kennen jullie het fietspomparrest? Twee studenten hadden er mee gedreigd het rectoraat op te blazen. En jawel, op de bewuste dag trokken ze met een fietspomp naar het rectoraat om hun dreigement hard te maken. De politie kon er niet mee lachen. Ze werden opgepakt en in eerste aanleg veroordeeld voor het uiten van bedreigingen. Die zaak is tot in Straatsburg gegaan”.

De Vilder: “Volgens mij heeft het ook met de studiedruk te maken. Studenten worden permanent geëvalueerd, ze moeten voortdurend deadlines halen. Door het semestersysteem zijn er nu minstens twee examenperiodes, drie zelfs voor diegenen die vakken over de zomer tillen. Vergeleken daarmee hadden wij een luxeleven, je moest gewoon zorgen dat je er stond voor de eindexamens in juni. Zeker voor kerstmis had je zeeën van tijd voor andere activiteiten. In mijn kandidaturen was ik in een blokbeest, maar in de licenties heb ik de bloemetjes buitengezet. Ik was erg actief binnen onze studentenkring VRG. Veel van opgestoken, vooral over organiseren en mensen samenbrengen. Ik ben nog altijd bevriend met de andere leden van het presidium 91-92”.

Kruismans: “Ik heb bij het VRG de fameuze presidiumverkiezingen van 1988 meegemaakt, een campagne die behoorlijk uit de hand is gelopen. Een week aan een stuk werd er hier beneden gefuifd, met gratis optredens en bier à volonté. Onze kandidaat was Bart Somers, een geboren volksmenner. Met of zonder megafoon, Bart zweepte de massa’s op. Ons team heeft nipt verloren, maar de leden zijn vrienden voor het leven geworden”.

–       De slaagcijfers van eerstejaars aan Vlaamse universiteiten zijn al vele jaren dramatisch laag. Steeds meer stemmen pleiten voor een algemene toelatingsproef als middel om maatschappelijke kost in te perken. Mee eens?

 Geens: “Nee, maar ik zie wel heil in een niet-bindende oriëntatieproef. Ik heb zelf tot de laatste dag getwijfeld tussen Germaanse of rechten. Precies daarom heb ik altijd voor een gemeenschappelijke bachelor gepleit, met vakken als recht, geschiedenis, wijsbegeerte en economie. Dat is geen utopie, met zo’n basis is het  perfect mogelijk in twee masterjaren goede juristen te vormen. Weet je, Vlaamse universiteiten zijn eigenlijk verschrikkelijk efficiënt. Onze rechtsfaculteiten leveren gebruiksklare juristen van 23 jaar af. Dat is sterk, in Amerika is een jurist gemiddeld 26 tot 27 jaar vooraleer hij klaar is voor de arbeidsmarkt. Onze opleidingen werden in de loop der jaren trouwens steeds meer op de arbeidsmarkt afgestemd. Vroeger werden de kandidaturen volgestouwd met algemeen vormende vakken zoals filosofie en geschiedenis. Tegenwoordig krijgen studenten vanaf hun eerste jaar echte rechtsvakken. Ze eisen dat ook. ‘Ik ben hier niet gekomen om me in wijsbegeerte te verdiepen’, zeggen ze, ‘ik wil jurist worden’. Begrijpelijk, maar we mogen daar niet in doorschieten want een goede algemene vorming blijft waardevol”.

De Vilder: “Ik vond de kandidaturen saai, na twee jaar heb ik serieus overwogen te stoppen met rechten. Pas in de licenties, wanneer we diep in het recht doken, raakte ik geboeid. Ik ben dan ook niet echt te vinden voor ingangsexamens of zelfs oriëntatieproeven. Ik vrees dat je jongen mensen daarmee kansen gaat ontnemen. Geef studenten tijd om te groeien in een opleiding, ook al is dat met vallen en opstaan”.

–       slotvraag: hoe waren de examens van professor Geens?

Kruismans: “Volgens mij nam u altijd schriftelijke proeven af”.

Geens: “Klopt, een combinatie van multiple choice en open boek. In het begin nam ik mondelinge examens af, maar in het academiejaar 85-86 werd ik met een recordlichting geconfronteerd. 1.100 mondelinge examens, dat heeft zes weken geduurd. Ik zat iedere weekdag plus zaterdag van acht uur ’s morgens tot 8 uur ’s avonds studenten te ondervragen. Iedereen had de mond vol van het WK in Mexico, maar ik heb er geen match van gezien. Na die zes weken ben ik ziek geworden, door uitputting wellicht”.

Kruismans: “Ik was een fan van mondelinge examens, ik haalde daar altijd veel hogere punten dan op een schriftelijk examen”.

Geens en De Vilder (unisono, met gespeelde verbazing): “Echt waar? Dat verwondert ons, Bert”.