Tagarchief: Leopold II

De Belgisch-Congolese activiste Mireille-Tsheusi Robert over het AfricaMuseum

verschenen in Knack Magazine 5 december 2018

“Tervuren is een graftombe”

Mireille-Tsheusi Robert op de Square Patrice Lumumba: (foto: Dieter Telemans)

Koning Filip aarzelt nog, maar Mireille Tsheusi-Robert heeft de knoop al doorgehakt. De Belgisch-Congolese activiste gaat zaterdag niet naar de inhuldiging van het vernieuwde AfricaMuseum. ‘Je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst’.

Je zou de plaats van afspraak als een cliché kunnen bestempelen. De gesprekspartner is Belgisch-Congolees, het onderwerp is het Belgisch-Congolese verleden met zijn postkoloniale uitlopers. Dan ligt een koffiebar aan de Naamsepoort in Elsene wel voor de hand. Toch is het niet de als vanouds bruisende Matongéwijk die Mireille-Tsheusi Robert naar deze plaats heeft gelokt. Het metrostation Naamsepoort geeft sinds een half jaar uit op het Lumumbaplein, een nieuwkomer in de hoofdstedelijke wegenatlas waar ze jarenlang voor gevochten heeft. Niet zonder trots zal ze voor de fotograaf poseren bij het infopaneel over de allereerste premier van de onafhankelijke republiek Congo, brutaal vermoord na machinaties waarin Belgen een groot aandeel hadden. Als het van haar afhangt, komt er straks nog een monument voor Patrice Ermery Lumumba bij.

Mireille-Tsheusi Robert, voorzitster van de Afro-Belgische, feministische vereniging  BAMKO, is in Franstalig België een belangrijke stem in wat men het nieuwe  dekolonisatiedebat is gaan noemen. Het zijn twintigers en dertigers met roots in Centraal Afrika die daarbij de toon zetten. Ze stellen vragen bij de alomtegenwoordigheid van koloniale monumenten in de publieke ruimte, ijveren voor het vernoemen van pleinen en straten naar Afrikaanse onafhankelijkheidsstrijders, en keren zich tegen racisme en koloniale stereotypen die volgens hen zowel de media als de handboeken geschiedenis domineren. Met zo’n drijfveer zou je enthousiasme verwachten voor het vernieuwde Koninklijk Museum Midden-Afrika (KMMA) in Tervuren dat zaterdag onder internationale mediabelangstelling wordt heropend. De voorbije vier jaar werd immers niet alleen het imposante, door Leopold II gebouwde paleis gerenoveerd en uitgebreid. Er wordt vooral uitgekeken naar de vernieuwde tentoonstelling. De collectie blijft wat ze is, een van de rijkste verzamelingen Afrikaanse etnografica ter wereld, de rijkste zonder meer waar het Congo betreft. Het gaat om het narratief waarin deze kunstschatten worden geplaatst. Decennialang stond Tervuren bekend voor zijn paternalistische voorstelling van het Belgisch kolonialisme, met veel nadruk op het blanke beschavingswerk ten bate van een primitieve, inheemse bevolking die nauwelijks een actieve rol in haar eigen geschiedenis speelde. Het nieuwe museum, waaraan onder anderen Afrikaanse experts meewerkten, belooft een radicale breuk. Congolezen krijgen een volwaardige stem. Racisme, repressie en exploitatie worden geduid als de peilers van de koloniale constructie, met de gruwelen in de Congo Vrijstaat van Leopold II als een van de treffendste illustraties.

Een opsteker voor eenieder die de dekolonisatiestrijd genegen is? Daar heeft het alle schijn van. En toch zal Mireille-Tshieusi Robert de persoonlijke uitnodiging voor het openingsfeest zaterdag onbenut laten. ‘Ik ga niet dansen op een graf’, zegt ze bij het nuttigen van een latte.

Wat bedoelt u?

Mireille-Tsheusi Robert: In Tervuren liggen twee mummies, naast fetisjen waarin menselijke resten zitten verwerkt. Heel wat van die etnografische kunstvoorwerpen werden eigenlijk gemaakt als een representatie van onze voorouders. Op zo’n plek wil je niet feesten, er valt trouwens niks te vieren.

Het nieuwe KMMA wil breken met de koloniale nostalgie en propaganda uit het verleden. Dat gaat behoorlijk ver, zoals blijkt uit de aarzeling van koning Filip om de inauguratie bij te wonen, uit schrik voor de ontluistering van zijn voorzaat Leopold II. Daar moet u toch blij om zijn?

Robert: Hoe de collectie wordt getoond, dat is voor mij irrelevant. Modern of oubollig, dat oordeel laat ik graag aan museumspecialisten over. Ik ben geen kunsthistorica, mijn expertise situeert zich op het vlak van dekolonisering. Dat is precies mijn punt: je kunt geen museum dekoloniseren zolang het uitpuilt van de koloniale roofkunst. Best mogelijk dat ze die voorwerpen in een nieuwe context hebben geplaatst, maar dat noem ik geen vooruitgang. Stel ik val bij jou binnen, vermoord je grootmoeder en neem haar schedel en juwelen mee naar een ver land. Als jij dan later komt aankloppen om je erfernis  op te eisen,  lach ik je in gezicht uit. Die schedel en die juwelen? Je mag ze gaan bekijken in mijn museum, maar je moet wel eerst 10 euro entree betalen. Een kind kan toch zien hoe onrechtvaardig dat is? Welnu, die situatie blijft even onrechtvaardig als ik de schedel en de juwelen op dezelfde plek in een andere context toon. Zo’n ingreep verandert helemaal niets aan het feit dat jij je rechtmatige erfenis niet terugkrijgt, en het verzacht evenmin de pijn van de gruwel die aan dat gemis is voorafgegaan.

BAMKO lag mee aan de basis van een open brief over koloniale roofkunst, met een oproep tot restitutie die aan weerskanten van de taalgrens veel weerklank vond in kringen van academici, kunstenaars en zelfs bepaalde museumdirecties. Wat willen jullie precies?

Robert: Om te beginnen een moratorium op het tentoonstellen van koloniale roofkunst. Het nieuwe museum in Tervuren mag voor ons part open gaan, maar dan zonder illegaal verkregen voorwerpen. We willen voorts dat er zo snel mogelijk een onafhankelijke commissie komt om de kwestie in kaart te brengen. Tenslotte moet er een internationale conferentie worden georganiseerd om richtlijnen voor Europese musea te bepalen, in overeenstemming met de spelregels die daarover al door de UNESCO werden opgesteld. We inspireren ons onder meer op het precedent van joodse kunstcollecties die die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd. Als daar restitutie mogelijk is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat voor koloniale roofkunst niet zou kunnen. We werken trouwens nauw samen met mensen binnen de joodse gemeenschap.

Het thema is actueel, en niet alleen vanwege de heropening van het KMMA. De Franse president Macron heeft vorig jaar in Ouagadougou verklaard dat het niet langer aanvaardbaar is dat 90 procent van de Afrikaanse kunstschatten zich in buitenlandse, voornamelijk Europese musea en privécollecties bevindt. Op zijn vraag hebben een Franse en Senegalese expert een lijvig rapport met aanbevelingen geschreven dat vorige week werd voorgesteld. Liefst 70 procent van de collecties in Franse musea zou voor restitutie in aanmerking komen. Moet België dat voorbeeld volgen?

Robert: Absoluut, Macrons initiatief is er trouwens gekomen onder druk van de Afrikaanse diaspora. Het verschil met België is frappant. We hebben staatssecretaris voor wetenschapsbeleid Zuhal Demir (N-VA) al via onze advocaat aangepord. Dat ze de kwestie ernstig moet nemen, want dat ons land anders het risico loopt voor heling te worden veroordeeld. Ze heeft in september beloofd een federale werkgroep op te richten. Alleen weet niemand wie in die werkgroep zit of met welke missie ze van start gaat. Eigenlijk weten we niet eens of die commissie al echt bestaat. Wat een verschil met de transparante aanpak van de Fransen.

In de jaren zeventig heeft Tervuren een aanzienlijke collectie geschonken aan de Musées Nationaux du Zaïre, een prestigeproject van de toenmalige dictator Mobutu. Heel wat van die schatten zijn binnen de kortste keren verdwenen, verkwanseld door corrupte politici en ambtenaren aan buitenlandse kunsthandelaars en collectionneurs. Mobutu is al lang dood, maar de chaos en corruptie zijn in Congo niet verdwenen. Is restitutie in die omstandigheden wel een goed idee?

Robert: (geërgerd) Mobutu inzetten als joker, dat ben ik stilaan beu. Wie was Mobutu trouwens? Een creatuur van de Belgen die ervoor moest zorgen dat Congo vooral niet kon uitgroeien tot een echt onafhankelijke staat. Kijk, bij corruptie zijn altijd twee partijen betrokken, de omkopers en de omgekochten. En wie waren in dit geval de corrumpeurs? Ik heb het een Belgische kunsthandelaar in Kinshasa ooit horen vertellen: telkens wanneer een Belgische museumdelegatie naar ginder werd gestuurd, verdwenen er werken uit de Musées nationaux. Die zogenaamde schenking aan Mobutu was overigens geen restitutie. Tervuren heeft wel de objecten maar niet de eigendomstitel aan de Zaïrese staat overgedragen. Toen die voorwerpen even later bij bepaalde antiekhandelaars aan de Brusselse Zavel opdoken, kon Tervuren ze met de papieren in de hand als eigendom claimen. Voor koloniale roofkunst moet er een volledige restitutie komen, met overdracht van eigendomstitels. Congo is een souvereine staat die zelf over zijn erfgoed kan beslissen. Misschien verkiest Congo wel om de collectie geheel of gedeeltelijk in Tervuren te laten, tot het land klaar is om ze zelf te ontvangen. Dat is slechts een kwestie van tijd. In Kinshasa wordt met Koreaanse steun een hypermodern nationaal museum gebouwd, waardoor de hele restitutieproblematiek alleen maar urgenter wordt. Het kan niet dat er straks in dat nieuwe museum alleen maar hedendaagse kunst wordt getoond. Het Congolese volk heeft het recht om zijn culturele erfgoed in eigen land te ontdekken.

Moeten we Tervuren niet geven wat Tervuren toekomt? Zonder de verzamel- en inventariseerwoede en het bijbehorende wetenschappelijk onderzoek van het KMMA, was een groot deel van het culturele erfgoed van Midden Afrika vernietigd of verloren voor de mensheid, inbegrepen de toekomstige generaties van Congo.

Robert: Dat is alsof een verkrachter zijn slachtoffer achteraf zou zeggen dat ze hem dankbaar moet zijn, want dat hij haar toch maar mooi een kind heeft geschonken. Altijd weer die neiging van de Belgen om zich op de borst te kloppen voor de goede daden die ze voor de arme Afrikanen hebben gesteld. Ja, die kunstvoorwerpen werden bewaard en voor het publiek ontsloten. In België, en alleen ten behoeve van de Belgen. Dat zeg ik als Belg van Afrikaanse oorsprong, een dubbele identiteit waar velen het hier moeilijk mee hebben. Een conservator van Tervuren heeft het me een keer letterlijk voor de voeten geworpen: als echte Belg heb je niet het recht om voor restitutie te pleiten. Onzin, ik laat me niet de mond snoeren met loyauteitsargumenten.

Het KMMA heeft bij het herdenken van het museum niet alleen het advies van Afrikaanse experts gevraagd, maar ook van Congolese diaspora in België. U verkoos aan de kant te blijven staan. Is het dan niet gemakkelijk kritiek spuien?  

Robert: Ieder zijn rol. Ik wil de vrijheid hebben om kritisch toe te kijken en actie te voeren. Maar nu u de vraag stelt: behalve de kwestie van de roofkunst heb ik ook problemen met het proces van de zogenaamde dekolonisering. Het klopt dat de diaspora werd uitgenodigd om mee na te denken over de transitie. Er werden verschillende werkgroepen opgericht, in een ervan zat een medestander van BAMKO. Dat is echter met een sisser afgelopen. De diasporavertegenwoordigers mochten wel adviezen geven, maar daar werd niets mee gedaan. Op de duur hebben ze het opgegeven, ze kregen het gevoel dat ze als alibi werden gebruikt. Kijk ook eens naar de raad van bestuur: de enige Afrikaanse vertegenwoordigster heeft alleen een raadgevende stem, de beslissingsmacht is volledig in handen van witte mannen, zoals in de tijd van Belgisch Congo. Dat kan toch niet? Dekoloniseren betekent dat je ook de macht deelt.

Het AfricaMuseum is vier jaar gesloten gebleven voor renovatiewerken. Kwam u er vroeger wel eens?

Robert: Jawel, toen ik als opvoedster werkte nam ik er wel eens jongeren naartoe, soms samen met hun ouders. Die ervaring staat niet los van mijn engagement voor dekolonisering. Ik werd in die periode volop geconfronteerd met het bendegeweld onder Afrikaanse jongeren in Brussel.

Infobord squarel Patrice Lumumba. Alleen het standbeeld ontbreekt nog. (foto: Dieter Telemans)

De beruchte bende van de Matongéwijk?

Robert. Niet alleen in Matonge, er waren in Brussel een tiental Afrikaanse jongerenbendes, onder meer in Schaarbeek, Evere en aan het Madouplein. Het ging er geweldadig aan toe, tussen 2001 en 2016 zijn een dertigtal doden gevallen. Opvallend genoeg keerde de agressie zich niet tegen blanken of Maghrebijnen, het geweld was op de eigen gemeenschap gericht. Dan rijst toch de vraag: waar komt die zelfhaat vandaan?

De vraag stellen is ze beantwoorden…

Robert: Aliënatie, culturele vervreemding. Door gebrek aan omkadering zijn Afrikaanse jongeren het dominante, Belgische naratief over zwarten gaan volgen. Zwarten zijn wilden, zijn lui, kunnen niet eens een appartement onderhouden. Omdat niemand, ook hun ouders niet, een tegenstem liet horen, zijn ze die witte stereotypen gaan verinnerlijken. Vroeg of laat slaat die zelfhaat om in zelfdestructie. Dat fenomeen is bekend, ik ben trouwens voor het Brussels gewest op studiereis naar Frankrijk en Canada getrokken waar ze met soortgelijke problemen kampten. In feite ging het om een revolte tegen een zelfbeeld dat hen door de maatschappij werd opgedrongen maar dat helemaal niet klopte. We hebben het bendegeweld onder controle gekregen, onder meer dank zij een speciale politiecel. Maar de echte oplossing lag natuurlijk elders, in het herstellen van hun zelfbeeld en het construeren van een identiteit waarop ze trots konden zijn. Dat is een van de missies van BAMKO. We halen bijvoorbeeld Afrikaanse professoren naar hier die jongeren uitleggen dat Afrika ook voor de komst van de blanken een geschiedenis en beschaving had. De jongeren uit die periode zijn intussen twintigers en dertigers die werken of een gezin hebben. Hun boosheid is niet verdwenen, maar ze richt zich niet meer op de eigen gemeenschap maar op de maatschappij, tegen racisme en discriminatie. Het is niet toevallig de generatie die de dekolonisatiebeweging drijft.

Op welke manier paste een bezoek van die jongeren aan het vroegere AfricaMuseum in de queeste naar een nieuwe, begeesterende identiteit?

Robert: Het was de ideale plek om stereotypen te duiden en te deconstrueren. De representatie van Afrika was hilarisch: een wild en maagdelijk continent, bewoond door primitieve stammen die dankbaar waren dat ze door de blanken met harde hand werden beschaafd. Tervuren was één groot koloniaal, racistisch cliché. Maar laten we het niet alleen over het museum hebben. Onze strijd gaat veel breder, het gaat om de erkenning van onze cultuur en identiteit, en om wederzijds respect tussen Belgen en Congolezen. In dat opzicht was de erkenning van het Lumumbaplein door het Brusselse stadsbestuur niets minder dan een mijlpaal.

U heeft er samen met andere activisten lang moeten voor vechten. Eerdere plannen voor een Lumumbaplein in de gemeente Elsene werden in de gemeenteraad gedwarsboomd, mede door hardnekkig lobbywerk van oud-kolonialen. Hoe diep is het water?

Robert: We zijn geen vrienden, dat spreekt voor zich. Het gaat niet alleen om een snel slinkende groepje van bejaarde oud-kolonialen, ook hun kinderen en nazaten lobbyen. Onze tegenstanders slagen er niet altijd in om hun racistische vooroordelen te verdoezelen, vooral niet als ze loos gaan op de sociale media. La négresse de Bruxelles is een van mijn geuzennamen. Het blijft niet bij beledigingen. Kort voor de inhuldiging van het Lumumbaplein werden er bedreigingen geuit, de politie heeft zelfs extra manschappen moeten ontplooien.

De campagne tegen koloniale monumenten slorpt veel energie op. Loont dat wel de moeite? Het gaat tenslotte maar om symbolen.

Robert: Symbolen zijn belangrijk in een emancipatieproces. Zopas is een nieuwe studie over de discriminatie van Afro-Belgen verschenen. Blijkt dat die het slechtst scoren op de  arbeidsmarkt en het minst zichtbaar zijn in de media, terwijl ze de hoogst opgeleide bevolkingsgroep van het land vormen. Het ergst is de situatie van zwarte vrouwen, en dat ondanks de vaststelling dat ze meer diploma’s bezitten dan zwarte en witte mannen. Dat moet dus veranderen, daar draait het echt om.

Mireille-Tsheusi Robert

37 jaar, geboren in Kinshasa

groeit op in Villers-Devant-Orval (Gaume)

master sciences de l’éducation, UCL

werkt als opvoedster met Brusselse probleemjongeren

2015: sticht Afro-Belgisch en feministische actiegroep BAMKO

2016: publiceert ‘Le racisme anti-Noirs. Entre méconnaissance et mépris’

2018: bijdrage aan pas verschenen boek Pietpraat, essaybundel over het fenomeen Zwarte Piet

Leopold II versus Patrice Lumumba: de koloniale monumentenstrijd

Knack, 15 mei 2018

“Pas als we ons van die koloniale vooroordelen bevrijden, kunnen Afro-Belgen zich echt emanciperen”

Nergens in Europa staan meer koloniale monumenten dan in België. Tot stijgende ergernis van vele vooral jonge Afro-Belgen. Bordjes met context zullen niet volstaan. Sommigen willen Leopold II van zijn sokkel, in schande met de baard naar de grond gekeerd. De nakende inhuldiging van een Lumumbasquare in Brussel doet oud-kolonialen intussen het ergste vrezen. “Tervuren is in handen van gefrustreerde Congolezen gevallen”.

DSCF1019

De Bolwerksquare behoort tot de minder gezellige pleinen van de hoofdstad. Volk passeert er genoeg, de uitgang van metrohalte Naamsepoort zorgt voor een gestage stroom passanten. Zelden echter blijft iemand er langer dan noodzakelijk hangen. Shoppers slaan gezwind de Elsensesteenweg in, pendelaars benen met flukse pas naar de vele kantoren langs de Kleine Ring. Zou iemand de naam van de rommelige transitzone kennen? De kans is klein, maar daar komt binnenkort verandering in. Vanaf 30 juni heet deze plek officieel de Lumumbasquare. Ook wie geen straatnaamborden leest, zal er niet naast kunnen kijken. Op termijn moet er een monument verrijzen ter nagedachtenis van Patrice Emery Lumumba, de eerste premier van de onafhankelijke staat Congo die op 17 januari 1961 door politieke rivalen werd vermoord. Met impliciete maar effectieve Belgische steun, zo weten we sinds ons land op aanbeveling van de parlementaire Lumumba-commissie in 2002 excuses presenteerde aan de nabestaanden en aan het Congolese volk.

Toch zal de Bolwerksquare niet verdwijnen. De naamsverandering beperkt zich tot een hoekje van het plein dat op het grondgebied van Brussel-stad ligt. Bekend is dat de 19 hoofdstedelijke gemeenten niet uitblinken in het coördineren van beleidsmaatregelen. Dat verklaart evenwel niet waarom Elsene, bevoegd voor driekwart van de Bolwerksquare, weigert mee te stappen in het eerbetoon. Jarenlang hebben actiegroepen geijverd voor een Lumumbaplein achter de Sint-Bonifatiuskerk, in het hart van de ‘Congolese’ Matongéwijk in Elsene. Onbespreekbaar voor MR-burgemeester Dominique Dufourny die aan het hoofd staat van een coalitie met de PS, de partij nota bene van de Brusselse burgemeester Philippe Close die twee weken geleden juist uitpakte met zijn Lumumba-initiatief. Kenners van de hoofdstedelijke politiek spreken van een electorale zet. Anders dan algemeen wordt aangenoment telt Brussel-stad veel meer Congolese Belgen dan Elsene, in totaal een dikke 6.000. Potentiële kiezers dus die de PS op 14 oktober hoopt te verleiden. Zeker in Brussel-stad, waar socialisten en liberalen elkaar rauw lusten, telt iedere stem in strijd om het politieke leiderschap.

Che Guevarra

Bij Mireille Tsheusi-Robert heeft Close alvast gescoord. ‘Een uitstekende locatie’, zegt ze. ‘Het monument wordt zelfs zichtbaar vanaf de Kleine Ring. De Lumumbasquare wordt de nieuwe poort van de Matongéwijk’. Tsheusi-Robert is voorzitter van de Bamko, een feministische Afro-Belgische vereniging die met vier gelijkgezinde actiegroepen de campagne voor het Lumumba-eerbetoon trekt. ‘Dat doen we al sinds 2003’, zegt ze. ‘De eerste aanzet kwam van wijlen acteur en muzikant Dieudonné Kabongo. Geen toeval, er zijn veel artiesten die zich achter deze zaak hebben geschaard. Voor ons is dit is een grote stap: eindelijk erkenning van de rol die Congolezen in de geschiedenis hebben gespeeld. Ken je het gezegde? Jachtverhalen worden altijd door jagers en nooit door leeuwen verteld. Zo is het ook met manier waarop België naar zijn koloniaal verleden kijkt. Het perspectief van de de onderdrukten, de Congolese bevolking, ontbreekt volkomen. Dit is slechts een begin, ons doel is België echt te dekoloniseren. Bewustmaking is daarbij de voornaamste opdracht. Vooral het geschiedenisonderwijs moet beter. Een op de vier Franstaige scholieren weet niet eens meer dat Congo ooit een Belgische kolonie was’.

Ook Nadia Nsayi, beleidsmedewerker Centraal-Afrika bij Pax Christi en Broederlijk Delen, gewaagt van een doorbraak. ‘Ik was reeds als student in Leuven actief in deze campagne’ , zegt ze. ‘Natuurlijk is Lumumba omstreden. Veel Belgen houden hem verantwoordelijk voor het geweld dat onmiddellijk na de onafhankelijkheid is losgebarsten. Ook de Congolezen zijn verdeeld, vooral in de Kasai-streek nemen ze hem het bloedig neerslaan van de secessie kwalijk. Dat neemt niet weg dat Lumumba een icoon is van de dekolonisatie-strijd. Tot ver buiten Congo, je kunt zijn status haast vergelijken met die van Che Guevarra. Binnen de Afro-Belgische gemeenschap staat een overgrote meerderheid achter dit eerbetoon’. Nsayi hoopt dat Brussel navolging krijgt, bij voorkeur in steden die zichtbaar van de koloniale rijkdom hebben geprofiteerd. ‘Ik denk bijvoorbeeld aan Oostende en Antwerpen, mijn eigen stad. Het is nog niet zover, zeker onder het huidige stadsbestuur. Brussel, met zijn grote en goed georganiseerde Congolese gemeenschap, loopt vooruit. Maar ook in Antwerpen en andere Vlaamse steden stel ik een groeiende dynamiek vast. Die richt zich niet alleen op de figuur van Lumumba, het gaat om de manier waarop we op ons koloniaal verleden terugblikken’.

geamputeerde armen

Aan actiecomités en burgerbewegingen is er inderdaad geen gebrek. Afro-Belgen trekken de kar, vaak met de hulp van wisselende coalities waarin alle tinten links herkenbaar zijn, van syndicaal en groen over andersglobalistisch tot anarchistisch en klein-links. Niet zelden kristalliseert de locale dynamiek rond een monument of straatnaambord. Zo ook in Mons, het bolwerk van burgemeester en PS-voorzitter Elio Di Rupo die zijn Brusselse collega en partijgenoot Close in feite de loef heeft afgestoken. In september al keurde de gemeenteraad unaniem een motie goed om het portaal van het stadhuis met een Lumumbaplakaat op te smukken, en om alvast uit te kijken naar een geschikte straat of plein die de naam van de vermoorde Congolese premier zal dragen. Het plakaat komt te hangen tegenover een bronswerk met halfverheven figuren, in 1930 geplaatst als hulde aan de Belgische pioniers van Congo Vrijstaat. Bordjes in evenwicht, zo gaat de redenering.

De motie kwam er typisch genoeg na een betoging van dekolonisatie-activisten voor het standbeeld van Leopold II in Mons. Ze bepleisterden het monument met slogans en de intussen welbekende foto’s van werkonwillige rubberkappers met geamputeerde armen, bewijzen van de gruwelen die werden gepleegd toen Congo Vrijstaat nog als een privé-ondermening van de Belgische koning werd gerund. Het draaiboek voor de actie lag klaar. Te paard, ten voeten uit of als buste, standbeelden van de baardige monarch kregen het de voorbijen jaren hard te verduren. In januari werd de buste van Leopold II in het Dudenpark in Vorst door onbekenden ontvoerd en vervangen door een met vogelzaad afgewerkt exemplaar. Antikoloniale, iconoclastische guerrilla heeft intussen een lange traditie. Legendarisch was de actie van het anarchistische collectief De Stoete Ostendenoare dat in 2004 een hand van een beeld uit het monument ‘De Drie Gapers’ afzaagde. Het verminkte beeld stelde een Congolees voor, beaat opkijkend naar een imposant ruiterbeeld van Leopold II die volgens het opschrift de Congolezen van de slavernij der Arabieren heeft bevrijd.

 Pater De Deken

Aan vandalisme of iconoclasme heeft Seckou Ouologuem zich nooit gewaagd. De Antwerpse slam poet en performer met Malinese roots nam wel het voortouw bij een actie om pater Constant De Deken van zijn voetstuk in Wilrijk te halen. De missionaris-Scheutist staat te boek als een ontdekkingsreiziger en antropoloog, een kwalificatie die hem niet belette om zijn reiservaringen in Congo Vrijstaat met gierend racistische clichés te doorspekken. Decennialang had pater De Deken ongecontesteerd op zijn sokkel in zijn geboortestad gestaan. Na een tijdelijke verhuizing als gevolg van openbare werken zou hij naar de Bist terugkeren, zo stond in het bestuursakkoord dat N-VA, CD&V en Open VLD in 2012 voor het district hadden afgesloten. ‘Toen pas viel het ons op hoe flagrant racistisch dat beeld is’, zegt Ouologuem. ‘De missionaris plant zijn knie in de rug van een knielende Congolees, het lijkt wel een symbool van witte suprematie en zwarte onderwerping’. De verontwaardiging leidde tot de oprichting van Decolonizebelgium, een burgerbeweging van dichters, rappers en slammers uit verschillende landen. Het collectief maakte tijdens een sit-in zijn eis bekend: er moest een bordje bij het standbeeld met historisch correcte uitleg over de missionaris en zijn tijdsgewricht. Pas na lang soebatten stond het districtsbestuur een compromis toe. Decolonizebelgium mocht op eigen kosten een bordje maken, in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Midden Afrika in Tervuren. Echt bevredigen doet die uitkomst niet. ‘Het beeld staat nog altijd op een prominente plek’, zegt Ouologuem. ‘Ze hebben er zelfs een spot op gezet zodat het ’s avonds des te meer opvalt’.

bron: standbeelden.be

bron: standbeelden.be

De polemiek, die meer dan een jaar aansleepte, legde een diepe kloof bloot. De actievoerders botsten op een muur van onwil en onverschilligheid. Waarom moeilijk doen over een monument dat in de loop der jaren met het straatbeeld was vergroeid? En mochten ze in Wilrijk alstublieft een beetje trots zijn op die ene telg die ooit geschiedenis heeft geschreven? In 2012 was Pater De Deken de spil van de jaarlijkse Erfgoeddag. Niemand was er over gestruikeld, en ook de bewoners van Pater De Dekenstraat hebben nooit geklaagd. ‘Voor het bordje met context moesten we samenwerken met de plaatselijke heemkundige kring’, zegt Ouologuem, ‘een club met nul diversiteit in de rangen. Ook daar bekeken ze De Deken louter als de onverschrokken ontdekkingsreiziger en bevlogen missionaris die zijn leven had gegeven om de zegeningen van het christelijk geloof op het donkere continent te verspreiden. Die onwetendheid leeft in heel Vlaanderen. Burgemeesters of lokale bestuurders weten niet hoe te reageren als ze met kritische vragen over koloniale monumenten worden geconfronteerd. Ze zijn allemaal universiair geschoold, maar tijdens hun hele onderwijstraject hebben ze geen woord over het kolonialisme gehoord, laat staan over Belgisch Congo’.

Anti-kolonialistische Denkmal

Moeten we koloniale monumenten uit het straatbeeld verwijderen en naar een museum verhuizen? Mireille Tsheusi-Robert en Nadia Nsayi klonken genuanceerd. Verwijderen hoeft niet meteen, maar contextualiseren is een must. Even belangrijk vonden ze aandacht voor de andere kant van het koloniale plaatje. ‘Het mag niet blijven bij één Lumumbaplein’, aldus Tsheusi-Robert. ‘Er moet veel meer publieke erkenning komen voor slachtoffers en tegenstanders van racisme en kolonialisme. Als feministe vind ik dat er ook vrouwen bij moeten. Iemand als Winnie Mandela verdient zeker een straat in België’.

Idesbald Goddeeris, professor koloniale geschiedenis aan de KU Leuven, pleit wel voor een selectieve beeldenstorm. ‘Natuurlijk kun je niet alle monumenten zomaar weghalen, zeker niet als ze in de lokale geschiedenis zijn ingebed. Maar ik verzet me tegen de eenzijdigheid van het straatbeeld. We hebben in België wel erg veel monumenten ter verheerlijking van ons koloniale verleden. De meeste dateren uit het interbellum, het hoogtepunt van de koloniaal-patriottische propaganda. Leopold II had de kolonie in 1908 aan België overgedragen, in een schandaalsfeer nadat internationaal commotie was ontstaan over wreedheden in Congo Vrijstaat. De monumenten moesten helpen om die pijnlijke bladzijde om te slaan en de bevolking warm te maken voor de koloniale onderneming. In een moeite door werden Leopold II en zijn hele Congo Vrijstaat gerehabiliteerd, dankbaar gebruik makend van de gezwollen patriottische sfeer en de monarchistische cultus rond koning-ridder Albert. Daarom staan er zoveel pioniers van de Vrijstaat op een sokkel, voornamelijk Belgische militairen die in feite slechts een klein aandeel hadden in de stichting. Voor de vele buitenlanders en missionarissen die een even grote rol speelden, was er veel minder brons of marmer beschikbaar’.

Niet alleen het aantal koloniale beelden, plakaten en naamborden maakt België uniek. Even frappant is volgens Goddeeris het ontbreken van de koloniale subjecten in de publieke ruimte. ‘In Londen staat Ghandi, nochtans een van de voortrekkers in de strijd tegen het Britse kolonialisme, op Parliament Square. Nederland heeft verschillende monumenten voor de slachtoffers van de slavernij, in Bremen staat een antikolonialistische Denkmal. Wij hebben niks, en precies daarom is het toekomstige Lumumbaplein in Brussel zo’n belangrijk symbool. Overigens, ik vind niet dat alle koloniale monumenten moeten verdwijnen. Laten we geval per geval oordelen, afhankelijk van de plaatselijke dynamiek. Maar gecontessteerde monumenten mogen voor mijn part weg. Gemeentebesturen weten doorgaans niet wat ermee aan te vangen. Waarom dan geen museum van koloniale propaganda oprichten, of een beeldentuin zoals in Boedapest of Moskou, waar ze een collectie communistische beelden in een park hebben gedropt. Het alternatief, de bordjes met context die de voorbije jaren bij verschillende beelden werden geplaatst, is niet efficiënt. De meeste van die teksten zijn wollig, onvolledig en naast de kwestie’.

Veel animo voor een afschot onder de koloniale monumenten heeft Goddeeris nog niet vastgesteld. Integendeel zelfs, er komen er nog bij. In 2008 werd in Deinze een vergeten beeld van Jules Van Dorpe, een houwdegen van de Congo Vrijstaat, prominent op een heraangelegd plein geplaatst. ”Het lokale bestuur zag het louter als een decoratieve opportuniteit’, zegt Goddeeris, ‘ze hadden wellicht geen benul van de bedenkelijke reputatie die aan Van Dorpe kleeft. Erger nog was Genval waar drie jaar eerder een borstbeeld van Leopold II in ere werd hersteld. Dat was geen onwetendheid maar pure symboliek. In koloniale kringen waren ze in die periode erg verbolgen over King Leopold’s Ghost, de bestseller van de Adam Hochschild die definitief het imago van Leopold II als koloniale massamoordenaar heeft gevestigd. Het beeld in Genval was daar een reactie op’.

Jacques de Dixmude

Waarmee meteen de vraag rijst: wie zit in de koloniale monumentestrijd in het kamp van Leopold en co? Identitair rechts lijkt een beredeneerde gok. De aanvallen op het koloniaal erfgoed kunnen gezien worden als de zoveelste veldslag in de sluipende cultuuroorlog. Afro-migranten die net zoals andere minderheden aan de historische grondvesten van onze witte maatschappij knagen. Maar zo eenduidig is het niet, blijkt uit een artikel dat Goddeeris in een historisch vakblad publiceerde. Pakweg tien jaar geleden stond het Vlaams Belang op de barricaden tegen Leopold II en zijn koloniale helden, een manier om de monarchie en de Belgische instellingen in discrediet te brengen. In Wilrijk echter wierp de plaatselijke partijafdeling zich op als onvoorwaardelijke verdediger van ‘onze’ Pater De Deken, belaagd als hij werd door gekleurde nieuwkomers van wie sommigen zelfs een islamitische geloofsovertuiging aankleefden. In Diksmuide voerde de N-VA het verzet aan tegen het pompeuze monument van Jacques de Dixmude, held van zowel de Congo Vrijstaat als van het Ijzerfront. Voor de gelegenheid stonden antikolonialisten en flaminganten schouder aan schouder, zij het niet per se met dezelfde motieven. Voor de N-VA was Generaal Jacques niet alleen een koloniale geweldenaar, maar vooral een franskiljon wiens standbeeld na WOI door het Belgisch establishment werd opgedrongen.

inlander kijkt bewonderend op naar Alphonse Jacques de Dixmude (foto: toerisme West-Vlaanderen)

inlander kijkt bewonderend op naar Jacques de Dixmude (foto: Westhoek.be)

De echte oppositie tegen de koloniale beeldenstormers zit uitgerekend bij datzelfde establishment. Misschien ligt het aan de leeftijd, maar de vertegenwoordigers zijn minder zichtbaar in het debat en vooral minder aanwezig in de sociale media dan de dekolonisatie-activisten. Wie heeft ooit gehoord van UROME-KBUOL, een koepel waarvan de Nederlandstalige afkorting staat voor Koninklijke Belgische Unie voor de Overzeese Landen? ‘We tellen 32 aangesloten verenigingen’, zegt woordvoerder Robert Devriese. ‘Samen zo’n 3.000 leden die banden hebben met Congo, Rwanda en Burundi. Ook twee Congolese verenigingen hebben zich aangesloten, een ervan draagt zelfs de naam van Leopold II. Weinig Belgen beseffen dat, maar vele Congolezen koesteren het grootste respect voor Leopold II als stichter van hun land’.

Devriese is een gepensioneerde diplomaat die in Congo werd geboren en getogen. Als 12-jarige maakte hij in Leopoldstad de onafhankelijkheid mee. Het Brussels eerbetoon aan hoofdrolspeler Patrice Lumumba ligt hem zwaar op de maag. ‘Het is hoog tijd om die figuur te demystifiëren’, zegt hij. ‘Lumumba was helemaal geen staatsman, de meeste Congolezen haten hem als de pest. Lumumba had veel bloed aan zijn handen, vraag dat maar in Kasai of in Katanga. Moet je zo’n man op een voetstuk plaatsen? Ik begrijp dat er een behoefte leeft aan monumenten voor Congolezen. Maar waarom polariseren? Voor mijn part mogen ze de Grote Markt in Brussel omdopen tot Plein van de Belgisch-Congolese Samenwerking. Of als ze per se een standbeeld willen: kies dan voor Etienne Tshisekedi, die heeft echt gestreden voor zijn volk. Ik heb dat allemaal opgeschreven in een open brief aan de Brusselse burgemeester. Niet dat ik me illusies maak, want dat hele Lumumbaplein is in de allereerste plaats een verkiezingsstunt. De stem van de Afro-Belgen weegt veel zwaarder dan de onze, want electoraal stellen oud-kolonialen niks voor’.

Museum van Tervuren

Dat betekent niet dat ze geen invloed hebben. Devriese maakt er geen geheim van dat hij en zijn medestanders politici hoog en laag aanklampen om hun punt te maken. Het verzet van Elsene tegen een Lumumbaplein werd mede door KBUOL ingefluisterd. De grote luisterbereidheid bij de MR hoeft overigens niet te verwonderen. Als het koloniale, koningsgezinde establishment ergens op de ledenlijst weegt, dan is het wel bij de Franstalige liberale partij waar een aristocratische stamboom weinig opzien baart. De overwegend bejaarde KBUOL-bestuurders hebben er intussen een dagtaak aan: reageren op iedere actie tegen koloniale monumenten. ‘Ze gaan echt te ver’, zegt Devriese. ‘In Hasselt wilden ze Leopold II neerleggen, met zijn gezicht naar de grond gekeerd, als teken van schaamte. Daar hebben we gelukkig een stokje voor gestoken, dank zij onze goede contacten met de burgemeester’. Dat koloniale monumenten een doorn in het oog zijn van Afro-Belgen, daar kan de gewezen diplomaat naar eigen zeggen geen enkel begrip voor opbrengen. ‘Daarmee bewijzen de actievoerders alleen maar hun gebrek aan historische kennis. Ja, de kolonisering van Congo draaide in de eerste plaats rond exploitatie en ging gepaard met onrecht en geweld. Dat was in alle kolonies het geval, maar België heeft er wel iets voor in de plaats gesteld. Bij de onafhankelijkheid in 1960 was Congo het rijkste land van Afrika. Kijk waar ze nu staan, drie generaties na de onafhankelijkheid’.

Intussen wordt in Tervuren naarstig gewerkt. In december gaat het vernieuwde Afrika-museum open, na een renovatie van 5 jaar die op 66 miljoen euro werd begroot. Naar de vernieuwde permanente tentoonstelling wordt reikhalzend uitgekeken. Voor de meeste Belgen is Tervuren de eerste en vaak ook enige kennismaking met zowel Midden Afrika als ons koloniaal verleden. Roger Devriese is er niet gerust op. ‘Het gaat de verkeerde kant op’, klaagt hij. ‘Tervuren is in handen gevallen van gefrustreerde Congolezen en fanatieke antikolonialisten. Stel je voor, ook daar wilden ze Leopold in de inkomhall strijk leggen, met zijn gezicht op het marmer. Gelukkig is Tervuren een beschermd monument waar ze zich niet alles kunnen veroorloven’.

Luipaardman

Bambi Ceuppens, als cultureel antropologe verbonden aan het Afrika Museum en nauw betrokken bij de transformatie, voelt zich niet aangesproken. ‘We gaan niet over een nacht ijs’, zegt ze. ‘Zo worden alle teksten door internationale peer reviewers nagelezen. Een permanente tentoonstelling bouwen is een zware verantwoordelijkheid, dat beseffen we heel goed’. Ze kan Devriese geruststellen: het wordt geen beeldenstorm noch een tabula rasa. Het in goudletters gevatte huldebetoon aan het genie van de louter door beschavingsijver gedreven Leopold II? Blijft gewoon zichtbaar in de majestueuze inkomhall.  ‘De stempel van Leopold II blijft nadrukkelijk’, zegt Ceuppens. ‘Niet alleen het gebouw maar ook de inboedel is beschermd. Tervuren blijft wat het altijd al was: het belangrijkste koloniaal monument van ons land. Binnen dat kader moeten we ons verhaal vertellen. Daar zit de breuk met het verleden: we gaan bijvoorbeeld veel meer aandacht besteden aan het hedendaagse Congo, en aan de manier waarop het koloniale verleden daarin blijft doorwegen. En ja, sommige iconische stukken verdwijnen uit de permanente tentoonstelling. Zoals de bekende Luipaardman, een beeld dat zowat alle racistische clichés over zwart Afrika en zijn primitieve bewoners samenvat. Maar de liefhebbers mogen gerust zijn: de Luipaardman blijft in Tervuren. We gaan die samen met soortgelijke beelden in een aparte ruimte ontsluiten’.

Luipaardman in Tervuren (foto: Afrikamuseum Tervuren)

Luipaardman in Tervuren (foto: Afrikamuseum Tervuren)

Ook binnen de Afro-Belgische gemeenschappen weerklinken kritische stemmen over de dekolonisatie-beweging. Volgens sommigen is het een symboolstrijd die de aandacht afleidt van de reële problemen die recent nog door de Koning Boudewijnstichting in kaart werden gebracht. De werkloosheid onder de 110.000 Congolese, Rwandese en Burundese Belgen ligt vier keer hoger dan gemiddeld, ondanks een bovengemiddeld opleidingsniveau. 80 procent van de respondenten noemde zich slachtoffer van racistische beledigingen en allerlei vormen van discriminatie, onder meer op de huisvestingsmarkt. Opvallend: de meesten legden een verband met de koloniale blik die op Afro-Belgen rust. Bambi Ceuppens is de laatste om zich daarover te verwonderen. ‘Zwaren worden in België nog altijd als minderwaardig bekeken’, zegt  ze. ‘Goed in dans en sport, maar onmogelijk serieus te nemen. Die paternalistische blik is sinds de onafhankelijkheid nauwelijks veranderd. Daarom is dit geen achterhoedegevecht. Pas als we ons van die koloniale vooroordelen bevrijden, kunnen Afro-Belgen zich echt emanciperen’.

Koloniale monumentenstrijd in Vlaanderen

Knack.be, 11 januari 2017

‘Den Olifant’ zaait verdeeldheid in Geraardsbergen

Na Oostende en Gent is ook in Geraardsbergen een koloniale beeldenstorm opgestoken. Steen des aanstoots is een trompetterende olifant die in 1949 werd onthuld als eerbetoon aan locale Congo-pioniers die ‘hun leven lieten voor de beschaving’. Anders dan in Oostende en Gent is het stadsbestuur (Open VLD- CD&V) vooralsnog niet bereid een bord te plaatsen met duiding en excuses voor de misdaden begaan in de periode van de Congo Vrijstaat en het koloniaal bewind. Hoogstens komt er in Geraardsbergen een plaat met de mededeling dat het beeld niet als een hulde aan de koloniale époque mag worden geïnterpreteerd.

Guido Gryseels (foto BelgaImage)

Guido Gryseels (foto BelgaImage)

‘De omgang met het koloniale erfgoed is een oud zeer’, zegt Guido Gryseels, directeur van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren dat momenteel een grondige renovatie ondergaat en pas halfweg volgend jaar heropent. ‘Niet alleen in België overigens. Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, overal worstelt men met monumenten en symbolen die naar het koloniale verleden verwijzen’.

Geraardsbergen maakt er zich vanaf met een disclaimer: ‘het monument mag niet als een koloniaal eerbetoon worden beschouwd’. Betwistbaar, want bij de oprichting in 1949 was het wel degelijk de bedoeling de koloniale pioniers te verheerlijken. Is dit geen gemiste kans?

 

Gryseels: Dat vind ik wel. Ooit heeft iemand voorgesteld alle koloniale monumenten uit de publieke ruimte te verwijderen en in Tervuren onder te brengen. Onzin, we moeten die  standbeelden behouden maar voorzien van gepaste duiding. Uiteraard is dat een delicate oefening. Enerzijds kun je het verleden niet beoordelen met de morele normen van vandaag. Racisme was in de koloniale periode nu eenmaal wijd verspreid. Dat blijkt onder meer uit opschriften die vertellen dat koloinale pioniers hun leven hebben opgeofferd voor de beschaving. Westers superioriteitsdenken, dat was toen heel gewoon. Je moet die context erkennen, maar zonder te vervallen in overdreven relativisme. Er werden in de Congo Vrijstaat en in de koloniale periode gruwelijke misdaden gepleegd. Dat moet je durven benoemen.

het Museum voor Midden-Afrika huist zelf in een koloinaal paleis, onder meer opgetrokken met de opbrengsten van de rubberexploitatie in Congo Vrijstaat. Hoe gaan jullie daar mee om nu het museum een grondige renovatie ondergaat?

Gryseels: Daar hebben we lang en grondig over nagedacht. Als koloniale monumenten taboe zouden zijn, dan moesten  we Tervuren tot de laatste steen afbreken. Op iedere pilaar staat de dubbele L van Leopold II gegraveerd. Het museum stond lange tijd in het teken van de koloniale verheerlijking. Geneaties Belgen hebben hier voor het eerst met Afrika kennis gemaakt. Velen koesteren nog herinneringen aan de verplichte schoolreis. De speren, de opgezette dieren, de maskers, de hele wat beangstigende maar tegelijkertijd fascinerende sfeer. Hier werden de clichés van primitief Afrika bevestigd: het zwarte continent had de natuur, wij Europeanen de cultuur.

zal dat anders zijn als in juni 2018 het nieuwe museum de deuren opent?

Gryseels: Absoluut, maar we hebben de bocht al lang geleden aangesneden. Ik ben in 2001 directeur geworden met een dubbele ambitie: het museum reoveren en een kritische kijk ontwikkelen op het koloniale verleden. Met dat laatste hebben we uiteraard niet gewacht tot de betonmolens begonnen te draaien. Die kritische benadering stond al voorop in verschillende tentoonstellingen, zoals ‘Congo, 50 jaar later’, die in 2010 massa’s volk naar Tervuren heeft gelokt. We trekken die lijn door in het nieuwe museum. Niet dat we die dubbele L’en uit de zuilen gaan verwijderen. Dat zou niet eens kunnen, want de dienst Monumentenzorg waakt over het respect voor het gebouw met zijn karakteristieken uit 1910. En nogmaals, we willen het koloniale verleden niet verdoezelen. Maar er wordt wel veel ruimte voor duiding voorzien, ook over de gruwelen in de Congo Vrijstaat en de exploitatie en het racisme in de koloniale periode. En terwijl vroeger alleen hulde werd gebracht aan de koloniale pioniers, zullen in de toekomst ook de Congolese slachtoffers van het kolonialisme worden herdacht.

– blijft de collectie met haar bonte mengeling van foto’s, standbeelden, maskers, opgezette dieren en etnografica intact?

Gryseels: We gaan wieden in de koloniale beelden. Een aantal bustes van Leopold II verhuizen naar een depot in de kelder, net zoals de luipaardman, een bekend beeld dat als een voorbeeld geldt van koloniaal exotisme, zeg maar de paternalistische blik waarmee vroeger naar de Afrikanen werd gekeken. Bezoekers zullen die beelden nog kunnen bewonderen, maar alleen onder begeleiding en met de nodige duiding erbij. Geloof me, we gaan niet over een nacht ijs. Sinds geruime tijd werken we samen met de Afrikaanse gemeenschap in België. Dat leidt soms tot felle discussies, ook binnen de staf zit niet iedereen altijd op dezelfde golflengte. Sommigen oordelen dat het verleden het verleden is, en dat je racisme en kolonialisme moet contextualiseren. Anderen vinden dan weer dat er een rechtstreekse lijn loopt van het koloniale racisme naar de hedendaagse maatschappij die helaas niet vrij is van racisme en discrimniatie. Ach ja, het is een boeiend experiment dat veel belangstelling wekt. Ik krijg nagenoeg wekelijks aanvragen van buitenlandse doctoraatsstudenten. Ons museum is dan ook behoorlijk uniek is zijn genre.

hoezo?

Gryseels: Andere koloniale musea hebben voorzichtheidshalve een nieuwe gedaante aangenomen, vaak die van museum voor wereldculturen. Wij hebben die optie overwogen maar verworpen, we kiezen er bewust voor het koloniaal verleden onder ogen te zien, maar zonder taboes. In een gebouw bovendien dat het koloniale verleden ademt. Ook dat is minder valzelfsprekend dan het lijkt. Toen we over de renovatie begonnen na te denken, kwam onder meer het kaasstolp-scenario op tafel. Er zou een nieuwbouw komen voor een soort wereldculturenmuseum. Tegelijkertijd zou het kasteel met de tentoonstelling worden gerestaureerd als een metamuseum waaer bezoekers zich konden vergapen aan de manier waarop vroeger museaal werd omgegaan met zoiets als het koloniale verleden. Die optie bleek algauw onhaalbaar, al was het maar vanwege de kostprijs. Geen spijt van, de huidige aanpak is veel interessanter.

– het Gentse stadsbestuur heeft besloten een excuusbordje te plaatsen bij de vaak bekladde buste van Leopold II in het Gentse Zuidpark. De excuses zijn bestemd voor de vele  slachtoffers die vielen bij de economische exploitatie in Congo Vrijstaat. Is dat wel gepast? Zijn het niet veeleer de nazaten van die exploitanten, vaak grootaandeelhouders van allerlei holdings, die excuses horen aan te bieden voor de misdaden waaraan hun fortuin is ontsproten? Of de nazaten van de voornaamste begunstigde, namelijk de koninklijke familie?

Gryseels: Goede vraag. Ik vertrek morgen naar Berlijn, er loopt in het Duits Historisch Museum een tentoonstelling over de volkenmoord die de Duitsers hebben gepleegd op de Herrero in hun voormalige kolonie Namibië. Het debat daarover leeft, ik denk dat de Duitsers bijna het punt hebben bereikt dat ze officiële excuses gaan aanbieden. In België loopt het zo’n vaart niet, maar ook hier zijn de geesten in beweging. Officieel blijft het taboe, maar in de wandelgangen van de Wetstraat bespeur ik een groeiend draagvlak. Toch zie ik het niet gauw gebeuren. De vrees leeft dat het aanbieden van officiële excuses de deur naar gigantische schadeclaims openzet. Amerikaanse advocatenbureaus hebben ooit de oefening gemaakt: hoeveel kunnen we van België eisen voor de slachtoffers van het koloniale leed? Dan kwamen ze met simulaties waarin bijvoorbeeld  50 procent van de exportwinsten van de Union Minière werden verrekend, vele miljarden dollars dus. Maar het is meer dan een geldkwestie. De herdenking van het koloniale verleden blijft emotioneel geladen. Natuurlijk waren er de misdaden en draaide het rond economische exploitatie. Dat belet niet dat heel wat mannen en vrouwen uit idealisme naar de kolonie zijn vertrokken. Ik heb dokters en verpleegsters ontmoet die dertig jaar van hun leven in de brousse hebben gesleten om mensen te vaccineren. Voor hen is het erg pijnlijk wanneer ze als een stel racistische uitbuiters worden afgeschilderd.

 

Zomerreeks Knack: legendarische winkelstraten

In opdracht van Knack trok ik deze zomer ( 2013) samen met fotograaf Jef Boes op reportage naar vier bekende winkelstraten in Vlaanderen en Brussel. Niet helemaal lukraak viel de klot op de Sleepstraat in Gent, de Kammenstraat in Antwerpen, de Louizalaan in Brussel en _ het was tenslotte vakantie en heerlijk zomerweer _  de Zeedijk in Knokke-Het Zoute. Met de scrolltoets vindt u ze alle vier hieronder, integraal en met foto’s.

 

(1) De Louizalaan

Paarden en koetsen vallen er niet meer te bespeuren, auto’s des te meer. Gelukkig zijn de kastanjelaars gebleven, net zoals de talloze standbeelden. Nog altijd ademt de Louizalaan grandeur, precies zoals de ontwerpers het hadden bedoeld. En nee, Leopold II was niet de architect van deze mythische avenue.

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

Op zoek naar een discrete plek in de natuur doen we een ontdekking: een heus pissijn in massief arduin, precies op de grens van de Louizalaan en het Terkamerenbos! Volstrekt onzichtbaar voor de automobilisten die hier collectief het bos induiken en met stank en lawaai de rust verpesten. Sluipweg voor pendelaars, zo hadden de vroede vaderen van Brussel het niet bedoeld. Het Ter Kamerenbos werd halfweg de 19de eeuw als park aangelegd, ten behoeve van aristocraten en bourgeois die het te benauwd kregen in de uit haar voegen barstende binnenstad. De groene lusthof vroeg om een passende ontsluiting. Dat werd dus de Louizalaan, een 2,7 kilometer lange, bijna kaarsrechte promenade met de allures van de Champs Elysées. Dankbaar voor de bekommernis van de toenmalige stadsplanners maken we gebruik van de sanitaire installatie, een daad waarmee we ons in een rijke traditie plaatsen. Wie heeft er de voorbije 150 jaar op deze uitgesleten plaveien gestaan? Mannen met hoge hoeden en rijlaarzen, is onze beredeneerde gok. Bij de aanleg van de zeer weidse boulevard werd immers niet alleen aan flaneurs gedacht, het hele middendeel was voor ruiters en koetsen gereserveerd. Tussen het gras en onkruid ligt een leeg flesje energiedrank. Joggers, de enigen die nog gebruik maken van deze publieke voorziening.

Clos des Millionaires

Voor diegenen die onze tip wil natrekken: het meest discrete openbare toilet van de hoofdstad ligt achter een van de twee neoklassieke tempeltjes die het einde van de Louizalaan markeren. Rechts, voor wie met de rug naar de stad staat. Tempels? Het gaat in feite om twee nagenoeg identieke tolhuisjes die oorspronkelijk aan de Naamse Poort stonden. Na de afschaffing van de heffing in 1868 werden ze afgebroken en steen voor steen heropgebouwd als sluitstuk voor de nieuwe Louizalaan. Lange tijd was er een politiekantoor gevestigd, maar intussen wordt er weer geld verdiend. Niet door tol te heffen, maar met vastgoed. Beide paviljoenen zijn in handen van Engel & Völkers. Een blik uit het raam moet zelfs doorgewinterde vastgoedmakelaars doen watertanden, want de Louizalaan geldt met prijzen rond de 10.000 euro per vierkante meter als een van allerduurste straten van het land. Datzelfde raam kijkt overigens uit op het nummer 539, een voor Brusselse postbodes legendarisch cijfer waarachter geen huis maar een hele straat schuilt. Het imposante hek gaat alleen open voor wie, nauwlettend in de gaten gehouden door een half dozijn camera’s,  de correcte code intikt. Square du Bois heet deze privéstraat, maar in Brussel spreekt men gemeenzaam van de Clos des Millionaires. Navo-baas Rasmussen en PRL-politicus  François-Xavier de Donnéa zijn de bekendste residenten, maar de jongste jaren hebben zich hier ook fiscale ballingen uit Frankrijk gevestigd. Voor wie de bewoners beter wil leren kennen: er staan verschillende appartementen te koop. Anderhalf miljoen euro voor 150 m², parkeerplaats niet inbegrepen.

De fiets blijkt eens te meer een onmisbaar instrument. Parkeren is hier een hel, lopen een uitputtende bezigheid. De 2,7 kilometer dekken immers maar de helft van het traject, door de buitenissige afstand tussen paar en onpaar moet de Louizalaan als een langgerekte lus worden beschouwd. Geschiedenisliefhebbers en patrimoniumminnaars kunnen best een volledige dag uittrekken, want deze laan is met monumenten en historische referenties bezaaid. Bijna waren we de reusachtige Abdij Ter Kameren voorbij gefietst, een verschoonbare misser gezien de discrete ligging. De abdij werd in de 13de eeuw bij de bron van de Maalbeek gesticht, intussen 25 meter lager dan de Louizalaan. Tegenwoordig biedt het onderdak aan de bekende kunstschool Bois de la Cambre en het Nationaal Geografisch Instituut. Er is zelfs een winkel, de enige in ons land waar topografische kaarten van Mannekesvere tot Zoutenaaie uit voorraad leverbaar zijn.

De propagandawaarde van standbeelden? Geen betere plek om er zich van te vergewissen dan deze laan die van bij de eerste spadesteek een patriottische agenda diende. Dat de Brusselse burgermeesters Karel Buls en Emile Demot er een memoriaal hebben, mag gezien hun verdiensten in de aanleg niet verwonderen. En weinigen ook die Jean de Selys Longchamps zijn buste misgunnen. De Belgische RAF-piloot gooide op 20 januari 1943 in zijn eentje het Gestapo-hoofdkwartier op het nummer 453 plat, een bravourestukje dat door zijn Britse superieuren met een disciplinaire sanctie werd gehonoreerd. Een kniesoor die er op wijst dat de heroïsche soloslim gruwelijke represailles tegen gevangen weerstanders heeft uitgelokt, zijn plaats in het tricolore pantheon staat buiten kijf. Minder eensgezindheid is er over koloniale beelden zoals ‘Voortvluchtige negerslaven door honden achterhaald”, een larmoyant tableau van een vader en zoon die door Dobbermannen worden verscheurd. Geplaatst in 1895, perfect passend in de apologie van de Congo Vrijstaat die tenslotte niet voor grondstoffenroof maar als humanitair project tegen de Arabische slavenhandelaars werd opgericht. Eerder dit jaar gingen er stemmen op om het beeld als geschiedenisvervalsing uit de openbaarheid te verwijderen, een pleidooi waarbij zelfs de nabijheid van de Afrikaanse Matongéwijk als argument werd gebruikt. Ironisch genoeg inspireerde beeldhouwer Louis Samain zich op een episode uit ‘De hut van Oom Tom’, een mijlpaal voor de abolitionistische beweging in Amerika.

Leopold II

De Tuin van de Koning is een bescheiden park, ter hoogte van het verkeersplein dat chauffeurs kennen vanwege het monumentale sculptuur van Olivier Strebelle. Voor wie er de volgende keer voorbij raast: het stelt een gestileerde v van Victory voor. Abstractie was nog geen artistieke stroming toen Leopold II uit een blok graniet werd gehakt. De baardige monarch staat er wat stijfjes op, de blik strak gericht op de vijvers van Elsene. ‘Hij was de stichter van deze tuin en hij schonk hem ons ter aangename verpozing’,  zo luidt het Nederlandstalige opschrift dat zichtbaar recenter is dan het Franse origineel. “Het is een populair misverstand dat Leopold II de Louizalaan heeft aangelegd”, zegt Xavier Duquenne. “De eerste plannen dateren uit 1850, toen hij nog een tiener was. Maar het onderschrift klopt wel. Veel later, toen ook de Louizawijk vorm begon te krijgen, heeft hij als koning een actieve rol gespeeld. In 1873 lag er een plan klaar om tussen het rond punt en de vijvers van Elsene een villawijk te bouwen. Leopold had niet de wettelijke bevoegdheid om dat project tegen te houden, hij zag zich zelfs verplicht het bij koninklijk besluit te bekrachtigen. Dik tegen zijn zin, want hij was erg gehecht aan het panorama. Nu was Leopold II niet van gisteren. Vooraleer hij zijn handtekening zette, heeft hij uit zijn eigen vermogen de terreinen gekocht zodat er niet kon gebouwd worden”.

Louisalaan2_JefBoes-13-960x640

Xavier Duquenne, een gepensioneerd econoom van de Nationale Bank, is een echte archieftijger. Hij heeft talloze publicaties over de geschiedenis van parken en kasteeldomeinen op zijn naam. Na een turf over het Ter Kamerenbos kon een standaardwerk over de Louizalaan niet uitblijven. We ontvangen een exemplaar in zijn met antiek volgestouwde appartement halverwege de pare kant van de Louizalaan. Hij woont al meer dan 30 jaar op de illustere laan waarvan hij als voorzitter van het buurtcomité het aanzien heeft bepaald. “Ik heb er persoonlijk voor gezorgd dat het onding van Strebelle op het rond punt staat. Oorspronkelijk zou het pal tegenover de ingang van het Ter Kamerenbos worden neergepoot. Stel je voor, daar zou het pas helemaal vloeken met de omgeving”. Met een aanzienlijk zwaardere rugzak vervolgen we onze weg. Het is ons intussen duidelijk waarom de Louizalaan integraal onder het gezag van de Stad Brussel valt, ook al steekt het tracé als een dolk in het grondgebied van Elsene en Sint-Gillis. Ten tijde van de aanleg waren beide gemeenten nog onooglijke boerendorpen, bestuurskundig onmachtig om een stedenbouwkundige operatie van zo’n omvang tot een goed einde te brengen. Brussel, de naar Lebensraum strevende hoofdstad, nam het stuur gretig over. Duquenne kende overigens meer voorbeelden van Brussels imperialisme. Op dezelfde manier als de Louizalaan en het Ter Kamerenbos werd eerder al de Leopoldswijk geannexeerd, later volgde nog de gemeente Laken waarmee Brussel de controle over de haven verwierf. Men zou haast betreuren dat deze strategie niet tot het bittere einde werd gevolgd, dan waren we gespaard gebleven van het gezeur over de negentien gemeenten in het hoofdstedelijk gewest.

Victor Horta

We bekijken de laan met nieuwe ogen. De opeenvolgende tunnels, gevreesd door deelnemers van de 20 kilometer van Brussel, hebben er niet altijd gelegen. Ze werden gegraven in het vooruitzicht van de Expo 58, toen de auto nog de heraut was van welvaart en vooruitgang.  In het volgende decennium verschenen ook de eerste wolkenkrabbers, zoals de ITT-tower en de iets jongere Blue Tower waarvan het dak het hoogste punt van Brussel vormt. De louter residentiële Louizalaan bleef een met plantsoenen en kastanjelaars opgesmukt juweel, maar veranderde niettemin in een kantoorwijk. Met standing, dat wel. Hier vind je chique advocatenkantoren zoals Afschrift en Hirsch & Vanhaelst, of de betere headhunter zoals  KornFerry. Brazilië en Paraguay hebben er hun ambassade, Italië en Marokko hun verkeersbureau.  Shoppen kan ook, liefst met een dikke portefeuille. Het moederhuis van Natan, de favoriete couturier van het Belgisch koningshuis, ligt op de 158. Op het nummer 300 kun je het jaar door verse truffels kopen, en op de 231 schuilt de Benelux-dealer van de zeer exclusieve Britse sportwagenconstructeur McLaren. De transformatie had een prijs, de Louizalaan werd het toneel van een kaalslag zonder weerga. Tot in het interbellum was dit een speeltuin waar de toparchitecten van hun tijd voor de rijkste families van Brussel het ene hotel de maître na het andere bouwden, de laan gold niet voor niets als uitstalraam voor de art nouveau. Veel schiet er niet meer van over, van de vier panden van grootmeester Victor Horta werd alleen het hotel Solvay op het nippertje van de sloop gered.

We stallen onze fietsen op het Stefaniaplein, waar de brede Louizalaan in een strak keurslijf wordt gedwongen. Le Goulet, de flessenhals, zo wordt het stuk tussen het plein en de Gulden Vlieslaan genoemd. De afwijkende morfologie laat zich simpel verklaren. De 300 meter lange flessenhals is ouder dan de Louizalaan, het is niks anders dan het begin van de Charleroisesteenweg die nu van het Stefaniaplein afstakt. Eigenaars en handelaars vonden het een goed idee om zich af te scheuren en zich onder de prestigieuze Avenue Louise te scharen, en geef ze eens ongelijk. “De Goulet is de beste winkelstraat van Brussel”, vernemen we van een gespecialiseerde vastgoedmakelaar die liever anoniem blijft. “De Nieuwstraat blijft met 260.000 bezoekers per week ongenaakbaar, maar de 120.000 wekelijkse bezoekers van de Goulet hebben een veel grotere koopkracht. De hele Louizalaan staat nog altijd voor geld en prestige, alle dure merken zijn hier aanwezig. Toch is er een zekere democratisering merkbaar.  Zara is hier ondertussen neergestreken, dat was vroeger ondenkbaar”.

Straatprostituees

In de Goulet rekenen vastgoedmakelaars niet in vierkante meters, commerciële panden worden volgens hun ‘yield’ ingeschat. Hoe graag zouden we ons de eigenaar noemen van het hoekpand vlakbij de metro waar Nespresso zijn flagship store heeft ondergebracht, voor 55.000 euro in de maand. Hoogconjunctuur? Niet in het overdekte shoppingcenter met ingangen op de Gulden Vlieslaan, de Louizalaan en het Stefaniaplein. We lopen door een van centrale gangen van de Louizagalerij, de oudste van de drie galerijen die samen een stad in de stad vormen. Het gelijkvloers is een labyrint van veelal kleine handelszaken, af en toe onderbroken door portalen die toegang verschaffen tot negen etages met appartementen. We zien veel leegstand en gesloten rolluiken, her en der slingeren op de deurmat de aanmaningen van incassobureaus. “Dit was tot diep in de jaren tachtig een goudmijn”, zegt een handelaar die ook al naamloos wenst te blijven. “Maar intussen zit de klad erin. Door de crisis, maar vooral door speculatie. De voorbije jaren heeft een promotor hier zestig procent van de galerij opgekocht. Als het huurcontract verstrijkt of een zaak op de fles gaat, laat hij de winkel bewust leegstaan. Een kwestie van strategie: hij wil kleine winkels tot grotere ruimtes samenvoegen, zodat hij die voor veel geld aan ketens kan verhuren. Zelfstandige winkels krijgen het steeds moeilijker, want leegstand jaagt klanten weg”.

Er staat een loden zon boven Brussel, maar de alomtegenwoordige kastanjelaars spelen voor parasol. ’s Avonds bieden ze beschutting aan de straatprostituees die op de Louizalaan een dankbaar jachtterrein hebben gevonden. Een Jaguar stopt voor het Grand Hotel Steigenberger aan de overkant van het Stefaniaplein, de voiturier staat klaar om de sleutels in ontvangst te nemen. Het vroegere Conrad geldt als het summum van de Brusselse hotellerie, ook al kreeg die reputatie een deuk toen de politie er in 2008 binnenviel in een ophefmakende zaak van mensenhandel.  Bleek dat er 17 dienstmeisjes letterlijk werden opgesloten, slaven in dienst van een steenrijke familie uit Abu Dhabi die een volledige verdieping had afgehuurd. We fietsen richting Ter Kamerenbos langs de onpare kant. De Baljuwgalerij, een lilliputter naast de galerie Louise, is zo’n plek die alle commerciële logica tart. Weinig passage, een anonieme entree, hoe houden middenstanders hier het hoofd boven water? Specialisatie, luidt het antwoord. Je vindt er behalve een echte schoenmaker en een dealer van Märklin miniatuurtreinen niet minder dan drie Afrikaanse schoonheidssalons. Mini Matongé aan de Louizalaan? Daniëlle Doyen van Pause-toi, _ rechts voor het kapsalon, links voor de soins estéthiques _ reageert verontwaardigd. Dat ze Kameroenese is, ze laat het aan ons over daar de passende conclusies uit te trekken. “En dit is geen Afrikaans getto”, vervolgt ze. “Wij werken voor een Europees publiek, vooral via Groupon. Epileren en peelings zijn onze specialiteiten, en voor Braziliaans stijlen bestaat er in Brussel geen beter adres”.

Louisalaan2_JefBoes-29-960x640

Hergé

L’Ecuyer is gesloten, maar we hebben een afspraak. Bij een eerste verkenning was de antiekzaak ons meteen opgevallen, ook al omdat de etalage door metershoog beelden wordt geflankeerd. “Komt van de Banque du Congo” zegt Gilbert Weynans. “Na de onafhankelijkheid in 1960 heeft de Belgische staat de inboedel verkocht. 6.000 frank voor betaald, het was een helse klus om te transporteren. Massieve teak, ze wegen een ton per stuk”.  En hup, we zijn vertrokken voor een dolle rit over memory lane. Weynans mag dan 86 zijn, hij beschikt over een feilloos geheugen en een onuitputtelijke voorraad anekdotes. Antiquair is maar een van zijn hoedanigheden, deze estheet heeft ook juwelen en stropdassen voor Dunhill ontworpen, thonet stoelen met scheepsladingen tegelijk naar Amerika geëxporteerd, en filmdecors voor zowel Hollywood als de Belgische televisie gestoffeerd. Schipper naast Mathilde? Werd opgenomen in zijn decor. Bovenal is Weynans een van de pioniers die in Brussel de art nouveau heeft herontdekt. “Vandaag geven ze er zot veel geld voor, maar ik heb andere tijden gekend. Op de eerste Foire des Antiquaires in 1953 werd ik uitgelachen. Art nouveau, c’est du caca, stond er ooit op mijn vitrine”. Niet dat hij eenkennig was als het over kunst ging. Het beeld van Henry Moore dat jarenlang voor het Brusselse hoofdkwartier van de BBL, thans ING, heeft gestaan? Door Weynans in Londen uitgekozen, in opdracht van madame Lambert herself. Hij begint erover, omdat het beeld onlangs tot algemene consternatie van Brusselse kunstminnaars aan een Duitse verzamelaar werd verkocht.  Ach, ronkende namen. De Solvays, de Stocklets, de nazaten van Fernand Khnopff en Henri Van de Velde, hij heeft ze allemaal gekend, net zoals René Margritte en de piepjonge Audrey Hepburn. De Louizalaan loopt als een rode draad door zijn verhaal, hij herinnert zich nog levendig hoe ruiters over een aparte middenstrook richting Ter Kamerenbos galoppeerden. “Aan de overkant woonde mijn goede vriend Hergé”, zegt hij mijmerend. “Toen ik van mijn eerste China-reis terugkeerde, liet ik hem een foto zien met een tafereel dat zo uit de Blauwe Lotus leek geplukt. Hij was ontroerd, ik heb het hem cadeau gegeven”.

Ietwat duizeling staan we weer op de Louizalaan. Zonder plooifiets, want die blijkt foetsie. Kettingslot doorgeknipt, bij volle daglicht. Op het politiekantoor zijn ze niet verbaasd. “Dat is de Louizalaan”, zegt de agent fatalistisch. “Mensen met veel geld, dat trekt misdaad aan. Het is heus niet in Molenbeek dat ze hun slag gaan slaan”.

 

 

(2) Zeedijk Knokke-Het Zoute

Mosselen gaan er vlot in, maar voor Cava halen ze de neus op. Welkom op de Zeedijk in Knokke-Het Zoute, de meest exclusieve boulevard van de Noordzeekust. Reservaat voor parvenu’s en snobs? “Het draait niet om geld, maar om stijl”.

Knokke_JefBoes-3-960x640

foto’s Jef Boes

Liefst van al waren we met een Maserati naar Knokke gereden, maar het is toch weer de Kangoo geworden. Gelukkig steekt in de koffer een hippe plooifiets om de laatste kilometers naar het meest exclusieve strand van de Noordzee te overbruggen. Met onze zonnebril, bermuda en ruitjeshemd gaan we naadloos op in de massa, want anders kun je de toeloop vandaag niet omschrijven. De hittegolf zit er voor veel tussen, maar hier is meer aan de hand. Straks is het de Nacht van het Zoute, de start van de quinzaine mondaine, het ware hoogtepunt van het zomerseizoen in Knokke. Op de Zeedijk en de Kustlaan gonst het al van de bedrijvigheid. Juweliers, galerijhouders, modeboetieks, overal worden partytenten opgezet. Vanavond ontvlammen hier tientallen vip-feestjes en cocktails. Exclusief voor genodigden, al kan het voor doortastende partycrashers geen kunst zijn om zich gratis en voor niks vol bubbels te gieten. Pique-assiettes heten deze sympathieke parasieten in het Frans, een taal die in Knokke nog altijd even natuurlijk klinkt als in Brussel of Parijs.

“Juli was erg druk”, zegt Trui Onjaerts van restaurant Si Versailles tevreden. “Maar nu steken we nog een tandje bij.  De echte Knokke-gangers zie je niet in juli, die zitten dan aan de Côte d’Azur. Maar op het einde van de maand stromen ze allemaal toe. De eerste helft van augustus, dan moet iedereen in het Zoute zijn”. Onjaerts, zoals de meeste inwoners een aangespoelde Knokkenaar, komt niet uit een  horecageslacht. “Eerder uit een kunstzinnige familie”, zegt ze wat nuffig. “Mijn moeder heeft de zaak 26 jaar geleden overgenomen, Si  Versailles was toen nog op de Kustlaan, vlak om de hoek, gevestigd. Een typisch mosselrestaurant, maar moeder heeft een goede chef aangetrokken en haar artistieke connecties aangesproken. Kunst aan de muur, dat gaf meteen een ander cachet aan het restaurant. De zaak is al lang naar de Zeedijk verhuisd. Een galerijfunctie hebben we niet meer, maar de link met kunst is gebleven. Ronny Van de Velde heeft wat verderop een nieuwe galerij geopend, hij geeft hier al zijn feestjes. Guy Pieters is kind aan huis, die is gisteren nog komen dineren met Christo”.

Cava

Zeedijk 795, diep in het Zoute. De beste plek van de kust, volgens Trui. “Weinig auto’s maar veel passage, want verderop begint de verkeersvrije Wandeldijk. Naast ons niks dan kunstgalerijen en boetieks, dat lokt vanzelf een mooi publiek. De Zeedijk is lang, maar er zijn onzichtbare barrières. Eens het Rubensplein gepasseerd, voel ik me niet meer thuis. Het is daar nog altijd Knokke, maar toch anders dan hier”. Is Knokke mondain, dan geldt Het Zoute als de overtreffende trap van mondain. Een reservaat van miljonairs en snobs? Trui Onjaerts relativeert met een anekdote uit eigen keuken. “Ik heb de gastronomische koers van moeder bijgestuurd. Niet alleen dure producten zoals tarbot en kaviaar, een pladijs kan even lekker smaken. En mosselen natuurlijk, want ook rijke mensen eten wel eens graag met de vingers. Mosselen komen bij ons in een prachtige koperen pan op tafel. Volkskeuken mag, zolang je ze met stijl brengt”. Toch, zo heeft de gastvrouw moeten vaststellen, zijn er grenzen aan de bereidheid van haar publiek om zich aan plebejische geneugten over te leveren. “Toen de Cava-rage begon, ben ik mee op de kar gesprongen. Vergeefse moeite, ik raakte mijn Spaanse bubbels niet kwijt. Een coupeke champagne,  dat is hier nog altijd de norm”.

Hoe mooi kan het leven van een galerijhouder zijn? Op één dag twee vernissages met ronkende namen mogen openen. Arne Quinze op de Zeedijk, Christo op de Kustlaan. Guy Pieters, witte bermuda om de ietwat Bourgondische  lenden,  Zwitsers uurwerk om de pols, Cubaanse sigaar tussen de vingers, staat zichtbaar te genieten. Het schriele, brildragende mannetje aan zijn zijde? Blijkt niemand minder dan Christo, de wereldberoemde Bulgaarse inpakkunstenaar die al dertig jaar met galerie Pieters samenwerkt.  Aan de muren  hangen schetsen en collages van Mastaba, letterlijk het grootste kunstproject ooit ondernomen. De150 meter hoge monoliet, opgebouwd met 410.000 in felle kleuren geschilderde olievaten, moet ooit in de woestijn van golfstaat Abu Dhabi verrijzen. Anders dan alle voorgaande projecten van Christo en zijn overleden vrouw Jeanne-Claude wordt het voor de eeuwigheid gebouwd. Gefinancierd met petrodollars, nog een nieuwigheid in het oeuvre van Christo die in het verleden allergisch was voor alle vormen van subsidies of sponsoring.

Dat beide vrienden uitgerekend bij Si Versailles zijn gaan dineren, is geen toeval. “In dat restaurant is mijn liefde voor Knokke ontstaan”, vertelt de 60-jarige Pieters. “Mijn ouders hadden een drogisterij in Sint-Martens Latem. Het was een traditie tijdens het mosselseizoen: als ze zondagmiddag de winkel sloten, reden we naar Knokke om bij Si Versailles te eten. Dat was hier dus, in dit eigenste pand”.  In 1982 heeft hij de sprong naar Knokke gewaagd. Zijn eerste galerij lag honderd meter verder op de Kustlaan, in een stuk van het Zoute dat toen nog compleet verloederd was. “De enige plek die we ons in die pioniersjaren konden permitteren. Een volledig huis voor 18.000 frank (450 euro), daar huur je vandaag nog geen garagebox voor.  Toen ik later de kans kreeg om naar dit adres te verhuizen, heb ik niet getwijfeld. Ik doe dat graag, panden uit mijn jeugd nieuw leven inblazen”.

Galerijen, galerijen en nog meer galerijen. De Zeedijk van het Zoute is er mee bezaaid, en op de parallelle Kustlaan is het niet minder. Tachtig zijn het er volgens een recente telling. Er zit kaf tussen het koren, de grens tussen kunst en decoratie is soms vaag. Niettemin: het aanbod moderne en hedendaagse kunst is indrukwekkend genoeg om zelfs doorgewinterde collectioneurs  te doen watertanden. Guy Pieters, die ook galerijen heeft in Sint-Martens Latem en het Franse Saint-Paul de Vence, is met twee zalen en een portefeuille vol ronkende namen incontournable. “Drie jaar geleden heb ik de galerij van mijn broer op de Zeedijk overgenomen”, vertelt hij. “Aanvankelijk fungeerde het als pop-up expositieruimte, maar de reacties waren zo positief dat ik er geld heb ingestoken om een tweede, volwaardige galerij te beginnen. Precies wat de dijk nodig had, want alle mooie galerijen zaten op de Kustlaan. In mijn kielzog zijn onder anderen Ronny Van de Velde en Patrick De Brock zich op de dijk komen vestigen, toppers die het niveau serieus hebben opgekrikt. Wildgroei? Zo wil ik het niet noemen. Het is natuurlijk niet allemaal kunst met een grote K. Het aanbod is eclectisch, net zoals het publiek. Want wat is tenslotte Knokke? Een dorp van 30.000 inwoners dat in de zomer aanzwelt tot een stad van 200.000 inwoners”.

Belle époque

Zonder de rol van galerij Pieters te geringschatten: de faam van Knokke in de plastische kunsten werd al veel eerder in het Casino gevestigd. Met dank aan de Antwerpse familie Nellens, schatrijke industriëlen die tijdens het interbellum in Duinbergen en Knokke 220 hectaren duinen en polders verwierven en rijp maakten voor het opkomende kusttoerisme, met het casino en het onder hun impuls aangelegde Albertstrand als trekpleisters. Zij waren het die werken kochten of bestelden bij coryfeeën als Margritte, Delvaux, Niki de Saint Phalle en Keith Haring, zij ook die vanaf de jaren vijftig avant-garde van Beuys, Panamarenko, Warhol en Rauschenberg exposeerden. De Margrittezaal met haar fresco’s blijft verbluffend, en je kunt er  nog altijd ’s werelds grootste kroonluchter bewonderen. Ook de roulette draait als vanouds, en er wordt tot in de vroege uurtjes gedanst. Maar ondanks de glitter overheerst het patina van verval. Het Casino is al lang niet meer de verplichte rendez-vous van de beau monde. “Er is veel veranderd”, stelt financieel directeur Slabbinck, een oude rot in het vak, vast. “Het spelen in de eerste plaats. In 2003 werden slotmachines gelegaliseerd, we hebben er intussen zo’n 200 staan. De tijd dat je hier alleen in avondkledij werd toegelaten, is ook voorbij. Bij een short of zwembroek trekken we de streep, maar een gescheurde jeans? Best mogelijk dat het een Armani is, recht uit de boetiek”. Frank Sinatra, Jacques Brel, Charles Aznavour, het is maar een greep uit de lijst van supersterren die hier zijn opgetreden. “Ook dat is voltooid verleden tijd”, zucht Slabbinck.”Onze grootste zaal heeft 700 zitjes, daarmee lok je geen Lady Gaga naar Knokke. De deejays die op Tomorrowland spelen? Volstrekt onbetaalbaar voor Knokke”.

Knokke_JefBoes-13-960x640

Misschien keren de gouden jaren terug, wanneer Leopold Lippens zijn droom kan waarmaken. De burgemeester wil een nieuw casino, een spectaculair baken van honderd meter hoog. Dat het huidige gebouw van architect Léon Stynen desgevallend wordt gesloopt, daar doen ze in Lippensland niet flauw over. De modernistische parel uit 1930 werd door verbouwingen al danig verknoeid, en straks dreigt het op de lange lijst van verdwenen erfgoed te belanden. Goede smaak in Knokke-Le Zoute? Daarvoor moet je in de boetieks , galerijen en restaurants zijn, de architectuur daarentegen is even zoutloos als elders aan de Kust. Alle sporen van de belle époque werden uitgewist, de Zeedijk is één gesloten pui van acht verdiepingen glas en beton, rendabel tot de laatste vierkante centimeter.

Hotel des Nations springt helaas niet uit de band, maar toch is het uniek. “Dit is het laatste hotel op de dijk”, vertelt eigenares Monique Bolle in vanzelfsprekend Frans. “Het is al sinds 1926 in handen van mijn schoonfamilie. Zelf ben ik hier al 54 jaar. Vroeger lagen er wel elf hotels op de dijk tussen het Albertstrand en het Zoute. Vanaf de jaren zestig zijn die één na één gesloten, uitgekocht door promotoren die met veel geld zwaaiden om appartementen te bouwen. Ach meneer, er is zoveel veranderd. Vroeger hadden we gasten die iedere zomer terugkeerden. Twee weken, drie weken, bij het uitcheckten reserveerden ze meteen voor het volgend jaar. Tegenwoordig blijven ze hooguit een week, en reserveren doen ze op het laatste nippertje, met één oog op het weerbericht. Het zijn niet alleen de appartementen die de hotels hebben genekt. In het hoogseizoen kost een kamer bij ons 250 euro, ontbijt en zeezicht inbegrepen. Geen euro teveel, maar voor die prijs vlieg je met de kinderen haast een week naar Turkije”.

Bij de balie hangen foto’s en prentkaarten uit de oude doos. Hotel des Nations was een juweel, opgetrokken in Anglo-Normandische stijl. “Zie je die duin?”, vraagt Monique. “Zo was het overal, de dijk was nog bijlange niet volgebouwd. Het strand was veel kleiner, bij vloed kwam het water tot tegen de dijk. Als er wat golven stonden, klotste het over het terras en moesten de gasten schuilen. Met onze vier verdiepingen waren we lange tijd het hoogste gebouw op de dijk. Maar toen zijn ze met appartementen begonnen, en ineens werden we links en rechts door torens van acht verdiepingen overschaduwd. In 1991 hebben we het oude hotel afgebroken, de kosten voor aanpassingswerken en brandpreventie wogen te zwaar. We stonden voor een verscheurende keuze: herbeginnen of zoals alle anderen verkopen? We hebben toch maar een nieuwbouw gezet: 38 kamers over acht verdiepingen, met parking voor alle gasten. Zie je, dit is een stuk van ons leven. Hotel des Nations in Knokke, dat kennen ze tot aan de Côte d’Azur. Niet dat de promotoren ons met rust laten. We zijn al meermaals benaderd met duizelingwekkende bedragen. Hoeveel? Dat zeg ik niet, maar ik heb er drie nachten niet van geslapen”.

Wandeldijk

Dochter Martine Blomme komt erbij zitten. Perfect tweetalig, ze ergert zich trouwens aan het kreupele Nederlands van haar moeder met wie ze zelf Frans spreekt. Mammie gaat in het defensief.  Ze is in ‘Renaix’ opgegroeid, heeft haar hele jeugd in Franse pensionaten gesleten. Dat is na vijftig jaar Knokke geen excuus, oordeelt haar dochter streng. Voor het overige zijn beide generaties het roerend eens: er bestaat geen betere plaats om te wonen dan Knokke. “Ik ben hier opgegroeid”, zegt Martine. “Het zicht op de zee, dat wil ik voor geen geld van de wereld missen. Als echte Knokse behoor ik tot een uitstervend ras. Jonge mensen lopen hier weg, de huizen zijn niet meer te betalen”. Dat laatste mag vooral niet als onrechtstreekse kritiek op het gemeentebestuur worden geïnterpreteerd. Geen kwaad woord over de burgermeester, klinkt het vermanend in beide landstalen. “Ik ken hem van de golfclub”, zegt Martine. “Lippens is helemaal geen snob, hij is eenvoudig en sympathiek. Zelfs zijn grootste tegenstanders erkennen dat hij van deze gemeente een parel heeft gemaakt. Deze zomer heeft hij Cirque du Soleil naar Knokke gehaald, je moet het toch maar doen als burgemeester van een kleine gemeente”. De heraanleg van het Albertplein, daarover zijn moeder en dochter toch weer verdeeld. Monique vindt het een draak, Martine is enthousiast. Hoe dan ook, de befaamde Place m’as tu vu, carrousel voor patsers met dure auto’s, is niet meer. “Nu rijden ze lussen op de Lippenslaan en de Kustlaan”, zegt Martine minachtend. “Nouveaux riches, gelukkig is dat een minderheid. Het draait in Knokke niet om geld,maar om stijl”.

Behalve mentale barrières kent de Zeedijk vooral financiële grenzen. In Agence Het Zoute kunnen ze die precies lokaliseren. Heist, Duinbergen,Albertstrand, Knokke, Het Zoute, de prijzen gaan crescendo van West naar Oost. Zaakvoerder Thibault Vanden Berghe: “Hoe dichter bij het Zwin, hoe duurder. Zoek je een tweekamerappartement met zicht op zee? In Het Zoute bestaal je vier tot vijf keer meer dan in Heist. Dat is de algemene regel, op microniveau zijn er nuances. Het stuk tussen het Casino en het Rubensplein is bijvoorbeeld duurder dan het volgende stuk tussen het Rubensplein en de Lippenslaan. Daar is het patrimonium verouderd, en bovendien zijn er gelijkvloers weinig winkels. Een stedenbouwkundige vergissing, want winkels brengen leven op de dijk, cruciaal nu het kusttoerisme een seizoensbestendige business is geworden. Daarom is Duinbergen in de winter doods, omdat er niks te beleven valt”. Is de Zeedijk in Het Zoute peperduur, het echte walhalla ligt nog oostelijker, langs de Wandeldijk waar de appartementen tussen de 1.2 en de 1.5 miljoen gaan. “Op de Zeedijk zit je aan 6.000 tot 12.000 euro per vierkante meter”, zegt Vanden Berghe. “Op de Wandeldijk begint het pas bij 10.000 euro, en de prijzen gaan tot ver boven de 20.000 euro. Wie dat kan betalen? Ach, kandidaten genoeg. Al wie in de Belgische industrie en zakenwereld meetelt, heeft wel iets in Knokke”.

Knokke_JefBoes-19-960x640

Finis Terrae

Iets in Knokke? Het is een understatement als we het over Finis Terrae hebben. Het residentiële complex ligt op het terrein van het oude openluchtzwembad, in een hoek van het Zwin waarover de Compagnie du Zoute en de Vlaamse gemeenschap jarenlang hebben geruzied. Er kwam een compromis van: de Compagnie kreeg haar sloop- en bouwvergunning, Vlaanderen verwierf met de Zwinbosjes een extra stuk beschermde natuur. Het is dan ook fijn toeven in de Finis Terrae, met een panorama op zowel zee als duinen. Appartementen gaan hier drie tot vijf miljoen euro. Eerder dit jaar werd zelfs een verkoopsrecord gevestigd, toen een optrekje van 600 m² met 300 m² terras _ in feite drie geïntegreerde appartementen _ van eigenaar verwisselde. Ruim boven de 20 miljoen, meubels en kunstcollectie inbegrepen. In Knokke is het een nationale sport: gissen wie de eigenaars zijn die zich alleen in de zomer en tijdens verlengde weekends vertonen. Omegha Pharma-baas Marc Coucke, Ghelamco-topman Paul Ghijsen en ex-Picanol-baas Jan Coene zij enkele certitudes.

Frank Vanleenhove vat het ietwat gezwollen samen. “De mensen die daar wonen, besturen België”, zegt de eigenaar van het Surfers Paradise op het strand voor Finis Terrae. Vanleenhove, een geboren Knokkenaar en gewezen windsurfkampioen, heeft gemengde gevoelens bij zijn machtige overburen.  Zijn club, die zo overgeheveld lijkt uit Malibu, werd zonder vergunning gebouwd. “Maar met toelating van de gemeente”, preciseert hij. “Alleen bleek het wettelijk onmogelijk een bouwvergunning voor het strand af te leveren. Zeventien jaar heb ik gestreden voor erkenning, een absurde ervaring. Minister van ruimtelijke ordening Philippe Muyters wilde ons regulariseren, maar ondertussen probeerde zijn eigen administratie ons met alle middelen kapot te maken. Eerste aanleg in Brugge, beroep in Gent, we wonnen slag na slag. Maar de administratie gaf niet op, ze tekende zelfs cassatieberoep aan”. Vanwaar die hardnekkigheid? Vanleenhove wijst naar Finis Terrae. “Ik kan het niet bewijzen”, zegt hij. “Maar sommige eigenaars wilden ons weg. Omdat we het zicht op zee bederven? Omdat we de rust verstoren? Geen idee, ze zijn het nooit aan mijn neus komen hangen, ook niet tijdens de bewonersvergadering van Finis Terrae die op mijn terras heeft plaatsgevonden. Overigens, de meeste eigenaars zien ons wel zitten, al was het maar omdat hun kinderen hier komen surfen”. De procedure is nog niet helemaal rond, maar de toekomst lijkt verzekerd. Surfers Paradise werd opgenomen in het nieuwe RUP Zwinpolder. “Het eerste natuurgebied met een surfclub”, zegt Vanleenhove met een grijns.

Pas op de terugweg valt het ons op: het laatste stukje van de oude Zeedijk dat aan de sloopwoede is ontsnapt. Ooit vormde het Plaza-hotels met twee zusterhotels het U-vormige Wielingenplein. Intussen zit het frivole gebouw gekneld tussen twee strakke torens, een typische clash van stijlen waarvoor buitenlandse toeristen graag een omweg naar België maken. Het verval slaat van de gevel, op het vastgoedkantoor werd Plaza geciteerd als het laatste grote project dat op de Zeedijk op stapel staat. Voor Thierry Zachary, met vrouw, schoonmoeder en kinderen huurder op de eerste verdieping,  is er geen haast bij. “Het is allemaal wat uitgeleefd”, zegt de horecabaas uit Ukkel. “Maar wat een terras en wat een uitzicht. We huren dit op jaarbasis, samen met een andere familie.  400 euro in de maand, en dan bedenken dat een groot appartement in het hoogseizoen hier tot 3.000 euro voor twee weken kost. Het is de eigenaar dan ook niet om de huurinkomsten te doen, hij heeft dit gekocht om het met een monsterwinst aan een promotor door te verkopen”.  Hij steekt een sigaret op, laat zijn ogen over de afgebladderde gevel gaan. “Hoe is het mogelijk”, zegt hij hoofdschuddend. “Zoiets afbreken, terwijl ze elders de laatste steen van voor de oorlog als monument beschermen”.

 

 

(3) De Sleepstraat

Je kunt er voor tien euro lekker eten, en nergens zijn oriëntaalse gordijnen goedkoper dan in de Sleepstraat. Ooit het koopcentrum van de binnenschippers, al lang dé Turkse straat van Vlaanderen. Als Galatasaray in Europa wint, wordt hier gefeest. De slechte reputatie? Onverdiend, zeggen Belgen en Turken in koor.

 

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

 

Het leek een goed idee onze rondgang bij de begrafenisondernemer te beginnen. Een huis met vijftig jaar traditie in de Sleepstraat laat je niet zomaar links liggen. Helaas, de meer dan pensioengerechtigde zaakvoeder wil niets met ons delen, behalve dan zijn gevoel van verbittering. Dat de Sleepstraat dé winkelstraat van Gent was toen hij er in 1960 begon. En moet je nu zien: dit is België niet meer, hij waant zich in Turkije. De scheldwoorden laten we hier fatsoenshalve onverlet, hij gebruikt ze ook wanneer ‘ze’ weer eens schaamteloos zijn dubbele oprit hebben geblokkeerd. Turkse klanten? Ach meneer, dat is het hem juist. Ze laten zich allemaal in Turkije begraven. Door een Brusselse begrafenisondernemer, ook al een Turk.

Dé winkelstraat van Gent? Dat was en is teveel eer. Maar een echt koopcentrum is de Sleepstraat nog altijd. Zeventig winkels en horecazaken verspreid over een halve kilometer, voor viervijfden in handen van Gentse Turken. Als de Sleepstraat een reputatie mag opeisen, dan wel deze: het is dé Turkse straat van Gent en bij uitbreiding van Vlaanderen. Wie, behalve de locale begrafenisondernemer, zou dat betreuren? Zeker niet de klanten van het dozijn restaurants, kebabzaken en pizzabakkers die hier twee maal per dag de smalle stoepen plat lopen. Een hartig maal voor 10 euro, goedkoper vind je niet in de Arteveldestraat. Urfa Kebab op het nummer 90 is een van de populaire adressen. Een simpele pitatent? Ersin Colaker (32) plooit zijn menukaart open.  Stoofpotjes, grillades, voorgerechten, salades, assortiment Turkse en Franse wijnen, dit is een volwaardig restaurant. “Ik heb in Turkije voor kok geleerd”, vertelt de zaakvoeder in wat aarzelend Nederlands. “Zestien jaar geleden ben ik uit Emirdag overgekomen. Ik heb hier eerst vijf jaar in de keuken gewerkt, tot ik de zaak kon overnemen. Met de steun van mijn vader, maar ook van mijn ooms die al veel langer in België wonen. Zie je, mijn grootvader is in 1976 met drie zonen naar België gekomen om er als bouwvakker te werken. Alleen vader is achtergebleven, omdat hij leraar wilde worden. Zo gaat dat in Turkse families. We helpen elkaar vooruit, en we werken keihard.  Ik klop hier twaalf uur per dag, zeven dagen in de week”.

Dampoortturken

Een van zijn sponsors is toevallig op bezoek. Oom Isa zal het familieverhaal vertellen, stelt Ersin voor, want hij spreekt beter Nederlands. Dat klopt wel, al moet er de eerste minuten flink wat stof van dat Nederlands worden geblazen. “Vroeger sprak ik veel vlotter”, verontschuldigt Isa Colaker (50) zich. “Ik was dertien toen ik in België arriveerde. We woonden in Hamme, op school en in de buurt waren we de enige Turken. Nederlands leren ging vanzelf, het was van moeten. Maar na een paar jaar zijn we naar de Dampoort verhuisd. Bij de buren, in de winkels, in de cafés, er werd alleen nog maar Turks gepraat. Overal  verschenen schotelantennes, we keken alleen naar Turkse televisie. Het zou niet mogen, maar ja”. De Colakers zijn echte Dampoorturken, een van de subidentiteiten waar buitenstaanders geen benul van hebben. De gemeenschap onderscheidt ook Rabotturken, Muideturken, Brugse Poortturken, ooit moet er een Westside Story aan de Leie van komen. “Maar de Sleepstraat is er voor iedereen”, zegt Isa. “Ik kom hier al van in de jaren tachtig. Café Ankara, vooraan in de straat, dat was de plek waar de Gentse Turken in mijn jonge jaren uitgingen”.

Kathleen De Booserie (42) moet de Ankara nog hebben gekend. Vlak bij De Musketiers, de supermarkt annex wijnhandel die ze met haar man uitbaat. “Een echte familiezaak, zegt ze. “Ik ben al de derde generatie. Geboren en getogen in de Sleepstraat die toen nog een echte Belgische winkelstraat was. Als ik er door loop, kan ik de panden zo aanwijzen. De twee schoenwinkels, de twee bh-winkels, de vishandel, de speelgoedwinkel, de tabakswinkel rechtover onze deur. Allemaal verdwenen, alleen de beenhouwer en de horlogemaker zijn gebleven. Ik liep school in het Sint-Salvator, zoals de meeste meisjes uit de buurt. Er was ook een internaat voor schipperskinderen, allemaal vriendinnen van mij. Op een dag zat er een Turks meisje in mijn klas, het moet de dochter van het eerste Turkse restaurant in de straat zijn geweest. De school bestaat nog altijd, ik denk dat er alleen nog Turken zitten ”.

Mag ze eerlijk zijn? Ze is blij dat ze haar zaak helemaal vooraan in de straat ligt. De kant van het Sluizeken, de verbinding met de bruisende uitgangsstraat Oudburg en de door hippe vogels ingepalmde Krommewal. “Dieper in de Sleepstraat voel ik me haast een vreemde in eigen land. Niet dat ik me ongemakkelijk beweeg tussen de Turken, integendeel. Hartelijk mensen zijn het, als er feesten zijn, verrassen ze hun Belgische buren met een dampende schotel. Harde werkers ook, ze willen net als wij vooruitkomen in het leven. Ik krijg vele Turkse klanten over de vloer, en verschillende Turkse meisjes hebben hier gewerkt. Goede krachten, het moet gezegd. Dienstbaar en vriendelijk in de omgang met de klanten, alleen jammer dat je ze nooit lang kunt houden. Want eens getrouwd, zijn ze weg.  Ik mag niet werken van mijn man, vertellen ze als je ze later tegenkomt, meestal met twee of drie kinderen aan hun been. Zonde, maar ik zie toch een evolutie. Onze Turkse buren sturen hun kinderen niet meer naar concentratiescholen, maar naar uniformscholen, bij voorkeur naar de ‘groentjes’ van Sint-Bavo of de ‘grijskes’ van Nieuwen Bosch”.

Binnenschippers

Ze werpt een blik op een van de monitoren. De hele zaak hangt vol camera’s. Een noodzaak, net zoals de elektronische halsbandjes rond de flessen wijn en sterke drank. “Winkeldieven zijn een plaag. Soms zijn het Belgen, vooral junks. Meestal echter zijn het Oost-Europeanen, en de laatste tijd is er een bende Tunesiërs aan de slag. Mensen van buiten de buurt dus, maar ze geven de Sleepstraat wel een slechte naam.  Een paar jaar geleden hadden we een schietpartij, in een café hiernaast dat intussen is verdwenen. Een afrekening, de daders kwamen niet eens uit Gent. Het is onrechtvaardig, maar onze straat komt uitsluitend negatief in het nieuws. Die slechte reputatie dateert trouwens niet van gisteren. Mijn man is van Sint-Niklaas. Zelfs daar fronsten ze de wenkbrauwen toen ze hoorden dat hij met een meisje uit de Sleepstraat ging”.

Het is een bescheiden straat, in een kwartier loop je er erdoor. Overdreven haast is echter ongepast. Wie de tijd neemt, ziet niet alleen schurftige gevels en afbladderende kroonlijsten. Er wordt geïnvesteerd, vooral door horecabazen. Voor een special in het betere interieurblad is het nog te vroeg, maar een Turkse restaurant is geen kantine met neonlampen meer. Hier en daar staat springt een fraai herenhuis uit de band, een relict van een vorige glorieperiode. In de gevel van de stedelijke basisschool werd een fraaie gedenksteen voor de gesneuvelden en ‘opgeëischten’  van 14-18 gemetseld. Alleen Vlaamse namen, Turken sneuvelden toen nog 3.000 kilometer verder.  Echte monumenten liggen aan het pleintje op het einde van de straat. De Heilige Kerstkerk is beslist geen architecturale hoogvlieger, maar de hoekpanden in neorenaissancestijl zijn het verpozen waard. Blikvanger op het pleintje is het stuk binnenschip dat achter het bushokje werd neergepoot. Met de ingewerkte bloemperken ziet het er wat surrealistisch uit, maar de afgezaagde voorplecht is authentiek. Het monument ligt er ook niet zomaar, vernemen we op de pastorij naast de Heilige Kerstkerk. “Dit is Sint-Salvator, de parochie van de Gentse binnenschippers”, zegt Toon Suffys, een ingeweken Jezuïet.  “Hiernaast was de schippersbeurs gevestigd, waar de vrachten werden verdeeld. Dat is lang geleden, en het aantal schippers is fors teruggelopen. Maar de traditie is gebleven. Schippers uit Gent en omgeving komen hier om te trouwen. Ze laten hier hun kinderen dopen, vieren hier hun plechtige communie, en worden hier begraven. Bij zo’n viering loopt de kerk nog aardig vol, heel wat gepensioneerde schippers zijn trouwens in deze buurt komen wonen”. Goed voor pastoor Suffys, want van gewone parochianen moet hij het in deze kerk niet hebben. “Vijftig procent zijn islamieten”, zegt hij. “Haast allemaal Turken, dat maakt deze buurt zo bijzonder. Vriendelijke mensen, maar als pastoor heb ik er nauwelijks contact mee”.

Sleepstraat_JefBoes-36-960x640

 

huisjesmelkers

Roger Albrecht, een gewezen binnenschipper van 82, is voorzitter van de Gentse Scheepvaartgemeenschap. Al dertig jaar organiseert hij in een feestzaal in de Sint-Salvatorstraat maandelijkse bijeenkomsten van oud-varenden, telkens goed voor een oploop van meer dan 100 leden.  Het kantelen van de buurt, hij heeft er een originele visie op. “De bouw  van Ringvaart”, steekt hij wat mysterieus van wal. “Kijk, vroeger moest alle trafiek tussen Nederland en Frankrijk door Gent, langs ’t Klein Sas, langs de Visserij of langs de Muidesluis die een echte flessenhals was. In tijden van hoogconjunctuur lagen de schepen hier soms twee dagen aan te schuiven. De schippers profiteerden ervan om zich te bevoorraden, vandaar de vele winkels in de Sleepstraat en de Sint-Salvatorstraat. Na de openstelling van de Ringvaart eind jaren zestig hadden de schippers hier niet veel meer te zoeken. Ja, er was nog wel de schippersbeurs op het kerkplein. Twee keer per dag werden daar de vrachten verdeeld, een alibi om in de Sleepstraat te winkelen of pinten te pakken. Maar ook de beurs is al 25 jaar opgedoekt, tegenwoordig worden alle vrachten via de telefoon of fax verdeeld. Die ommekeer heeft de Belgische middenstanders in de Sleepstraat genekt”.

De uitleg spoort met de ruimere analyse die Hasan Cakir maakt. “Het is niet dat de Turken de Belgen hebben verdrongen”, zegt de zaakvoeder van Haskrediet. “Kijk naar de periode: eind jaren zestig, begin jaren zeventig. De doorbraak van supermarkten, fataal voor de kleine middenstand in en rond de stad. Ze gingen failliet, of vonden geen opvolger meer.  Gevolg: veel leegstand, en een groot aanbod van goedkope huizen en winkelpanden. Er was een gat gevallen, en de Turken zijn er met hun aangeboren ondernemingszin in gesprongen. Eerst waren het cafés, kebabtenten, restaurants en groentenwinkels, zaken die nog altijd het cliché van de Turkse ondernemer bepalen. Een beetje jammer,  want na drie generaties staan we een stuk verder. Heel wat Turken hebben bloeiende kmo’s opgericht. Let er maar eens op als er in je buurt straat- of kabelwerken worden uitgevoerd, de kans is groot dat de aannemer een Turk is”. De 40-jarige Hasan Cakir is zelf een geslaagde ondernemer, een van initiatiefnemers overigens achter de veelbesproken Turkse Lucernacolleges. Deze industrieel ingenieur chemie had één jaar in loondienst gewerkt toen hij zich als zelfstandig makelaar op het verzekeringswezen stortte. “Eerst heb ik de knepen geleerd van een kennis op een Axa-kantoor in Schaarbeek”, vertelt hij. “Ik kom zelf van de Brugse Poort, maar ik moest en zou een kantoor in de Sleepstraat openen. In 1995 was dit nog the place to be. Zele, Temse, Lokeren, zelfs vanuit Brussel en Antwerpen kwamen de Turken naar de Sleepstraat om te shoppen. Dat is voorbij, er zijn nu overal Turkse winkels. De Dendermondsestenweg, de Dampoortstraat, de Wondelgemstraat en de Bevrijdingsstraat kunnen zich met de Sleepstraat meten. Alleen de concentratie van restaurants en snacks blijft ongeëvenaard”.

Het kantoor op het nummer 186 is ruim bemeten en modern ingericht. Drie medewerkers, ooit waren het er twintig. Haskrediet had toen filialen in Hasselt, Antwerpen en Charleroi, maar na de bankencrisis van 2009 heeft hij er flink het mes is gezet. ‘We zijn groot geworden met kredietverstrekking”, vertelt hij. “Turken die bij Belgische banken geen hypotheek kregen, werden bij ons met open armen ontvangen. Via de brokermarkt konden we hen scherpe tarieven aanbieden. Aankoopprijs,  notariskosten, verbouwingen, we gingen vlotjes tot 120 procent van de geschatte waarde. Risico was er niet bij, want tot 2009 zaten de huizenprijzen in de lift. Ik heb zo tientallen klanten rijk gemaakt. Ze kochten aan de lopende band huizen tussen de 20.000 en 40.000 euro, en na vijf jaar waren die eigendommen twee tot drie keer meer waard. Leningen betaalden zichzelf terug. Snel renoveren en dan goed verhuren, dat is nog altijd de truc”. Hasan is niet te beroerd om het toe te geven. Aan die wonderbaarlijke vastgoedlift zit een geur van huisjesmelkerij. “Ik sta soms versteld als ik de contracten zie. Ze vragen het dubbele van de normale huur. Meestal zijn de klanten Turkse Bulgaren, een groep die nergens anders terecht kan”.

Laagvliegers

Avond. De restaurants lopen vol, op de stoep voor de cafés staan mannen te babbelen en te roken. Druk in de Sleepstraat? “En of”, zegt Alev Aydin (30) die de vraag verrassend interpreteert. “De sociale druk is enorm. Als jonge vrouw word je voortdurend in de gaten gehouden. Goed dat we hier in de winkel staan, want anders zouden de mannen in de cafés erover beginnen. Met wie staat ze daar nu weer te praten? Alleszins niet met haar man. Ik kom uit Wondelgem, daar is het veel gemoedelijker. Ik woon hier niet graag, maar mijn schoonouders hebben hier een zaak en dus was er geen keuze”. Ze geeft een rondleiding. Handelszaken met gordijnen en textiel zijn er wel meer in de Sleepstraat, maar deze is uniek. De smalle winkel geeft uit op een reusachtige hall, een bioscoop die ook nog als dancing werd gebruikt. Het scherm hangt er nog, de noodverlichting is intact, de tribune dient als stapelruimte. “Het grootste pand van de straat”, zegt Alev. “Ik denk niet dat mijn schoonouders er drie miljoen frank voor hebben betaald”.

Sleepstraat_JefBoes-17-960x640

Twee laagvliegers scheuren voorbij,  ze gaan zo hard dat we ons onwillekeurig in een portiek terugtrekken. Snelheidsduivels zijn een oud zeer in de Sleepstraat, een van de weinige kwalen die niet in de schoenen van de ‘Bulgaren’ worden geschoven . Omer Gök, voorzitter van de dekenij Sleepstraat, ergert zich blauw. “Patsers van buiten Gent komen in onze straat show verkopen. Publiek verzekerd, want er staat altijd volk voor de cafés. Levensgevaarlijk met die smalle stoepen, moeders worden met hun buggy op de straat gedwongen. Ik heb het al bij de stad aangekaart. Hier is geen ruimte voor terrassen, ze moeten de cafébazen verplichten hun klanten binnen te houden. Afgezien daarvan eisen we een definitieve oplossing. Verkeersdrempels, flitspalen, we willen er desnoods zelf voor betalen. Beloftes genoeg, vooral in verkiezingstijd. Maar in de praktijk gebeurt er niks”.

Gök is een begrip in de Sleepstraat, de naam siert niet minder dan drie succesrestaurants. Alles begon aan het Sluizeken, waar vader Gök met zijn vijf zonen een eerste restaurant opende. Vanuit Gök 1 ontstonden Gök 2 en Gök Palace. “Alle broers zitten in de horeca”, zegt Omer. “Mijn vader is hier in 1965 aangekomen, drie jaar later is moeder met de twee oudste aan de hand en mij in de buik gevolgd. Recht naar het ziekenhuis, ik ben hier geboren op de dag van haar aankomst. Je moet het maar doen. Recht uit Emirdag, geen woord Nederlands kennen, nog nooit een auto of fiets van dichtbij gezien. En toch een toekomst voor hun kinderen gebouwd”. En nu is zoon Omer dus voorzitter van Dekenij Sleepstraat, een titel met een eeuwenoude traditie in de Lage Landen. Twee jaar geleden werd de dekenij opgericht, in het bestuur zitten alleen Turken. Omer: “De Belgische handelaars hebben wel een lidkaart gekocht, maar met het bestuur willen ze zich niet inlaten. Jammer, want onze belangen lopen samen. We willen een veilige en schone winkelstraat met een goede reputatie”. De ambitie is niet vrijblijvend,  Omer Gök belichaamt meer hoop dan hij kan waarmaken. Zwerfvuil, parkeerproblemen, laagvliegers, criminaliteit, drugsdealers, de voorzitter van de dekenij moet het oplossen. “Maar ik heb helemaal geen bevoegdheden”, jammert hij. “Willen we bloempalen plaatsen? De straat is te smal, luidt het bij de stad. Kerstverlichting? Eandis maakt een bestek om van achterover te vallen. We doen nochtans ons best. Tijdens de voorbije ramadan wilden we een lange tafel organiseren, als ontmoetingsplaats voor moslims en andere Gentenaars. De stad en de politie waren akkoord, dit keer was het De Lijn die ging dwars liggen. Het is geen gemakkelijke strijd”.

Misschien moet hij Peter Decroubele als bestuurslid polsen. Als radiojournalist van de VRT kan hij geen handelaar worden genoemd, maar een gemotiveerd resident van de Sleepstraat is hij wel. We lopen hem toevallig tegen het lijf, wanneer hij met de fiets uit een groot huis achteraan in de straat verschijnt. “Vorig jaar gekocht”, zegt hij. “Na lang twijfelen. Is dit wel de plek waar we onze twee kinderen willen opvoeden,w as de vraag. De Sleepstraat heeft een slechte reputatie, maar uiteindelijk heeft die in onze kaart gespeeld. In het centrum zou zo’n huis volstrekt onbetaalbaar zijn”.  De twee laagvliegers razen opnieuw voorbij. Overlast? “Ach, zegt hij. “Als ik mijn deur dichttrek, merk ik er niks van. Ik geloof in deze straat. Er staan enkele zeer ambitieuze stadsvernieuwingsprojecten op stapel die een impact op de hele buurt zullen hebben. Kom binnen tien jaar nog eens kijken, misschien is de Sleepstraat wel de hipste van heel Gent”.

 

 

 

(4) De Kammenstraat

Ze is bekend van Londen tot New York. Wie de pols van Antwerp Fashion wil voelen, kan nergens beter terecht dan in de bescheiden Kammenstraat. Ooit stond Walter Van Beirendonck er als levende paspop in de etalage, maar Intussen is het allemaal wat braver geworden. Hoe mainstream kan het worden als Esprit, Guess en Scapa met grote middelen neerstrijken? Maar de Kammenstraat verkoopt haar ziel niet voor een bord linzensoep. Reportage uit een weerbarstige straat waaraan al menige keten zich heeft vertild.

foto's: Jef Boes

foto’s: Jef Boes

Een reportage over de Antwerpse Kammenstraat beginnen in de Sint-Antoniusstraat?  Moet kunnen, van de stoep van Dreadlovers tot de hoek van de alternatieve modestraat is het tenslotte geen tien meter. Wat meer is, dreadlock virtuoso Cathy Maes heeft een markant verleden in de Kammenstraat. Tot voor een jaar was haar zaak op het nummer 34 een curiosum dat occasionele passanten in verwarring bracht. Vier glazen wanden, ingekapseld in de royale entree van Harry Beaver, een speciaalzaak van skate, surf en snowboardmateriaal. Was dit werkelijk een kapsalon of een gimmick met levende rekwisieten van een bevlogen etalagist? “Behalve een gemeenschappelijk huisbaas hadden we niks met elkaar te maken”, vertelt Cathy terwijl ze vingervlug lokken in het haar van een klant weeft. “We werkten vaak met drie. Twee voor de dreads, en dan nog een meisje dat producten verkocht. Op vier vierkante meter, het moet de kleinste winkel van Antwerpen zijn geweest. Sanitair was er niet, gelukkig heb je voor dreads geen water nodig. In de zomer kon het snikheet worden, dan verhuisden we naar de stoep. Comfortabel kon je het niet noemen, maar de huur was historisch laag. Ik deed alleen open als ik echt zin had om te werken, het was toch onmogelijk om mijn broek te scheuren. Negen jaar heeft de pret geduurd, toen heeft de eigenaar het pand verkocht aan de zaakvoerder van Harry Beaver. Die heeft me meteen opgezegd, blijkbaar heeft hij mijn kapsalon nooit zien zitten. Gelukkig viel dit pand net op tijd vrij. Nog altijd klein, maar wel groot genoeg om onze activiteiten uit te breiden”. En inderdaad, bij Dreadlovers kun je voortaan ook  terecht voor een koffie, een smoothie, een kruidenthee, al dan niet met een morzel chocoladecake. We moeten maar eens in de kelder gaan kijken, nodigt Cathy ons uit. De ondergrondse verdieping is nog niet klaar voor het publiek, maar de psychedelische sfeer valt al op te snuiven. “Een extra verbruiksruimte”, zegt Cathy. “We gaan er ook mad hatter tea parties organiseren, alleen toegankelijk met een buitenissig hoofddeksel. Underground, maar dan letterlijk”.

Walter Van Beirendonck

Underground, het was lange tijd het epitheton van de Kammenstraat. In de jaren negentig groeide de reputatie als pleisterplaats voor fashionistas, skaters, rasta’s en neo-punks. Nog altijd pronkt de handelaarsvereniging met de officieuze titel van hipste winkelstraat van het land. Toegegeven, saai zal het in de Kammenstraat nooit worden, de vierhonderd meter tussen Oudaan en het kruispunt met de Nationalestraat staan nog altijd borg voor onbespoten shoppersgeluk. Waar vind je tussen de vintage boetieks en design lampenwinkels een groothandel in piercing juwelen? Waar elders ligt er een Lomography Gallery Store?  En is er ook nog altijd de Fish & Chips, sinds jaar en dat het adres waar hipsters jong en oud komen snuffelen in de hoop er dat ene shirt te vinden dat niet het stempel van dertien in een dozijn draagt. “De Kammenstraat is nog altijd speciaal”, zegt store manager Ylli Engels. “Maar het undergroud-sfeertje is eruit, het is allemaal veel commerciëler geworden.  De voorbije vijf jaar zijn hier grote merken als Replay, Guess en Scapa neergestreken. Hoe mainstream kan het worden?”.  Een klant aan de kassa, we nemen de tijd om eens goed rond te kijken. Sjofel en druk tegelijkertijd. Graffitispuiters hebben zich flink kunnen uitleven in de omgebouwde loods die vorige levens als meubelzaak en roepzaal voor faillissementen heeft uitgediend. In de beginjaren stond een nog jonge Walter Van Beirendonck als levende paspop in de etalage, het is maar een van de vele anekdotes die faam van de Kammenstraat maken. “Het is nog altijd cool”, zegt Ylli. “We organiseren geregeld concerten en tentoonstellingen. Toch is het ook bij ons allemaal wat braver geworden. Toen ik hier zelf als jonge gast kwam shoppen, was het al zwart dat de klok sloeg, het wemelde hier van de punks. Kijk maar eens rond, er hangen nu ook bekende merken in de rekken. Met veel kleurtjes, je kunt je hier ook kleden als je naar een receptie moet. Fish & Chips is ook geen zelfstandige winkel meer. De vorige baas heeft de zaak vier jaar geleden aan Men at Work verkocht, een Nederlandse keten. Met het pand erbij, een gouden zaak want dat hij had het zelf gekocht in de tijd toen de Kammenstraat nog betaalbaar was. Dat is vandaag haast ondenkbaar. Het is hier natuurlijk de Meir niet waar winkels aan 800 euro de vierkante meter worden verhuurd, maar veel scheelt het niet meer”.

KAMMENSTRAAT_JefBoes-10-426x640

Chinezen

Vinnie Stones van Sinsin Tattoo, een wandelend uithangbord voor zijn eigen zaak, heeft vier jaar geleden een smalle winkel gehuurd. “Nadat ik zeven jaar in Spanje had gesleten”, zegt hij. “Bij mijn terugkeer herkende in de Kammenstraat niet meer. Waar waren al de punks en de ruige winkels gebleven? Met de komst van grote merken heeft de straat veel aan karakter ingeboet. Pas op, ik beklaag me mijn keuze niet. De zaken draaien fantastisch, maar dat heeft weinig met de locatie maar des te meer met de populariteit van onze business te maken. Tattoo is fashion geworden, de helft van Antwerpen heeft er een. Goed voor onze omzet, maar ik vond het vroeger spannender. Alles wat verboden is, is leuker, toch?”. We mogen hem niet te lang ophouden, een prille twintiger staat te wachten voor een grote beurt. Zijn armen, torso en hals zijn al in flamboyante tableaus herschapen, vandaag is het moment gekomen om zijn aangezicht te tatoeëren. “Da’s tenminste een klant die het meent“, zegt Vinnie goedkeurend. “Zo’n stap  zet je niet omdat de fashion het voorschrijft. Dat is geen lifestyle, maar een way of live”.

Geen kwaad woord anders over fashion, zeker niet uit de mond van Nico Volckeryck. Voorzitter van winkeliersvereniging Kammenstraat United, voorzitter eveneens van Unizo Antwerpen. Als iemand het belang van mode voor de city marketing van de Antwerpse binnenstad beseft, dan is het wel deze geboren Sinjoor. “Het fashion district is natuurlijk veel ruimer dan de Kammenstraat”, betoogt hij bij een koffie in het bekende eetcafé Berlin. “De Nationalestraat, de Kloosterstraat, de Volkstraat, die hebben allemaal een eigen karakter, precies wat nodig is om buitenlandse shoppers aan te trekken. De imagocampagne rond Antwerp Fashion begint te werken, met de solden staan de Japanners en de Chinezen hier rijen dik aan te schuiven”. De komst van grote merken? Nico ziet het met gemengde gevoelens aan. “Fransen en Nederlanders komen heus niet naar hier om ketens te bezoeken die ze dichter bij huis ook vinden. Maar ik ben optimistisch, de invasie is al over haar hoogtepunt heen. Heel wat ketens hebben zich mispakt. De Kammenstraat is de Meir niet, waar altijd passage is. Het blijft een wat verloren straatje, je moet gemotiveerd zijn om hier te komen shoppen. Guess, Scapa, Esprit, die hebben het geprobeerd en zijn allemaal weer verdwenen. Niet dat merken hier niet kunnen aarden. Vans bijvoorbeeld doet het hier erg goed, maar dat merk schoenen sluit dan ook naadloos aan bij de skating scene die hier altijd kind aan huis is geweest. Ketens of zelfstandigen, je moet een verhaal hebben om in de Kammenstraat te floreren”.

Sex Pistols

Zelf heeft Nico Volckeryck het langste verhaal van allemaal. Zijn mode- en accessoirewinkel op het nummer 80 is een begrip bij punks, goths en adepten van scifi trash, Amerikaanse superhelden en Japanse mangas. Je kunt er de badjas van Darth Vader kopen, het werkplunje van captain Kirk, schaalmodellen van Superman of een handtas van Frankenstein. De kleur van façade en interieur is vanzelfsprekend zwart, wat niet belet dat FANS bij de oude garde nog altijd als het roze winkeltje bekend staat. “We hebben de gevel eerst roze geschilderd”, zegt Nico. “Het moet een kleine dertig jaar geleden zijn toen mijn vriend en ik op dat pand zijn gevallen. Onze ouders waren er op tegen. Toch niks kopen in de Kammenstraat!  En dat we beter een winkel konden openen in de Offerandestraat of op het Sint-Jansplein, want dat was de buurt die toen in de lift zat. Toegegeven, het was een trieste bedoening toen we hier arriveerden. Dichtergetimmerde etalages, duivenkrengen, de hele straat ademde verval. We zaten op een eilandje, alleen punks wisten ons wonen. FANS, dat was de plek waar je t-shirts en pins van de Sex Pistols en The Kids kon vinden. Het klikte niet echt tussen ons stampubliek en de overburen van  Oudaan. Hanenkammen, hakenkruisen, opgestoken middenvingers, niet alle politieagenten konden de provocaties relativeren.  Ik blijf dat hele politiecommissariaat een gedrocht vinden, maar het kon nog erger. Onder burgermeester Cools werden er plannen gemaakt om de Kammenstraat met de grond gelijk te maken en nog drie van die torens te bouwen. We hebben dat op het nippertje kunnen tegenhouden, met de steun van de kerkfabriek die hier veel eigendommen heeft”.

Een van die eigendommen heet nu Amuz, een muziekcentrum dat polyfonie en renaissanceconcerten organiseert in de prachtig gerestaureerde Sint-Augustinuskerk. Temidden van de winkels ligt hier ook het hoofdkwartier van de Sint-Egidiusgemeenschap,  een christelijke lekenbeweging die zich onder meer toelegt op armoebestrijding in de grootstad. “We werken samen met Sint-Egidius”, zegt Nico Volceryck als we er voorbij lopen. “De handelaars van de straat schenken prijzen voor de tombola die ze tijdens hun kerstdiner voor thuislozen organiseren. Armoede is in deze buurt trouwens geen onbekend fenomeen. Sint-Andries, waar wij deel van uitmaken, werd vroeger de ‘parochie van miserie’ genoemd. Het hek aan de kade van ’t Scheld is er gekomen om te beletten dat de arme sloebers van Sint-Andries opgeslagen goederen zouden plunderen”.

KAMMENSTRAAT_JefBoes-32-960x640

Parochie van miserie

Het is geen polyfonie maar muziek van een heel ander genre dat de Kammenstraat op de kaart heeft gezet. Laundry Day, intussen uitgegroeid tot een van de grootste dance festivals in Europa, is hier ontstaan. “Heel spontaan”, zegt Nico die mee aan de wieg stond. “De naam verwijst naar de traditionele wasdag, wanneer de mensen van Sint-Andries voor hun deur hun kleren in een teil stonden te schrobben en er ondertussen een gezellig boeltje van maakten. Er waren een stuk vier of handelaars bij betrokken. We hadden tweedehandskleren voor onze ramen gehangen, en een triomfboog met lege Omodozen gebouwd. Die eerste keer waren er vier deejays en een paar honderd bezoekers. De ambiance ging als een lopend vuurtje door de stad, en sindsdien is de toeloop met iedere editie groter geworden. Op de duur werd het te massaal, en heeft de politie beslist het evenement naar de kaden te verhuizen. Maar intussen had Laundry Day de reputatie van de Kammenstraat gevestigd”.

Fuck the police? Nico’s contestatiejaren zijn al lang voorbij. Hij hangt constant aan de lijn met zijn contactpersoon bij het District om wantoestanden te rapporteren. Voor het nummer 42 wordt de stoep door een afbraakcontainer versperd. Hoe is dat toch mogelijk, foetert onze gids terwijl hij naar zijn gsm grijpt. Bouwvakkers gooien intussen de hele inboedel van ’t Allumeurkesgasthuis op de container. Hopelijk blijft de opvallende lichtreclame aan de gevel hangen: twee bonenstaken reppen zich met een zieltogende aansteker op de brancard naar het Allumeurkesgasthuis. De voorbije vijf jaar was er een schoenwinkel gevestigd, maar vroeger was dit inderdaad de plek waar Antwerpenaars hun haperende Zippo’s en Cartiers lieten herstellen. Weer een winkel minder dus, en er was al behoorlijk wat leegstand in de Kammenstraat. Aan de overkant biedt de Guess-etalage een desolate aanblik. In de straat wordt nog altijd nagekaart over de inval van de deurwaarder. Het was kort na de middag, klanten werden dringend verzocht het pand te verlaten. Veel zullen het er niet geweest zijn, wordt er besmuikt aan toegevoegd, want de Guess draaide voor geen meter. Weer een keten die zich heeft vertild aan het ondanks alles weerbarstige karakter van deze straat? Jawel, maar de golf van faillissementen en stopzettingen heeft evenzeer te maken met de hausse in vastgoedprijzen waarin diezelfde ketens een instrumentele rol hebben gespeeld.

Marc Van Looveren, zaakvoerder van schoenenwinkel Zappa, weet er alles van. “Ik ben hier in 2000 aangekomen”, vertelt hij. “Ik had al een modezaak in Antwerpen, maar ik wilde met mijn vrouw een nieuwe winkel beginnen. Het was ons opgevallen hoe saai het aanbod van schoenen was. Winkels bij de vleet, maar overal dezelfde bruine of zwarte modellen. Ping, ging het, we hebben het winnende idee! We doen met schoenen wat we eerder met mode hebben gedaan, we brengen er kleur en schwung in. Zodra die knop om was, stond eigenlijk ook de locatie vast. Als het ergens kon lukken, dan was het in de Kammenstraat”. Bijna was het afgelopen met Zappa. Twee jaar geleden was Marc aan een nieuw huurcontract toe. Een stijging was ingecalculeerd, het eerste contract was te mooi om waar te zijn. Maar dat de huur ineens maal zes zou gaan? Marc trok naar de vrederechter, er werd een expert aangesteld die op basis van het buurtgemiddelde een billijke handelshuur schatte . “Tot onze verbijstering kwam hij op een nog hoger bedrag uit. We hebben die zaak verloren, maar toch nog een vergelijk gevonden. Maal zes betekende voor ons boeken toe, maar voor de eigenaar betekende het ook het afscheid van een betrouwbare en correcte huurder. We betalen fors meer dan vroeger, maar wel binnen de perken van het redelijke. Ons verhaal is niet uniek, tussen 2005 en 2008 zijn de prijzen ontploft. Panden van 400.000 euro werden verkocht voor 1,5 miljoen euro. Het vuur aan de lont werd naast onze deur aangestoken. Er was een verlopen fitnesszaak, waar vooral mannen met bierbuiken en te krappe marcellekes kwamen. Die fitness is gestopt en verkocht, het eerste grote pand waar een keten is neergestreken. Esprit, ze betaalden 15.000 euro huur in de maand. Toen is de spiraal gaan draaien, ineen wilden alle grote merken in de Kammenstraat zitten. Ironisch genoeg is Esprit daar zelf het slachtoffer van geworden. Drie jaar geleden werd hun huur opgeslagen: 25.000 euro, dat vonden ze zelfs bij Esprit te gortig. Nu is hiernaast een grote skatewinkel gevestigd”.

Piramidespel

Juwelenontwerpster Anne Zellien weet het nog precies: 15.000 Belgische frank in de maand betaalde ze in 1996 voor het smalle pand op 47/1. “Weinig, maar er was dan ook geen sanitair of verwarming. We hebben alles zelf ingericht, beneden de winkel en boven het atelier. Ik heb drie keer geprobeerd het pand te kopen, maar de bejaarde eigenares hapte niet toe. Tien jaar na mijn eerste poging heb ik alsnog van de erfgenamen kunnen kopen, maar wel voor vier keer meer geld. Hun schatter heeft me niet alleen de reputatie van de straat doen betalen, maar ook de verbouwingswerken die ik nota bene zelf als huurder had gefinancierd”. Anne Zellien is een van de absolute anciens, ze zit hier al langer dan Fish & Chips. “Mensen denken nu dat ik bewust voor de Kammenstraat heb gekozen, maar destijds was hier alleen leegstand en verval.  Mode? Ja, toen ik nog een kind was stond de Kammenstraat bekend voor zijn kleermakers. Hier kwamen de Antwerpenaars schooluniformen kopen en mannenkostuums op maat. Van fashion hadden ze toen nog niet gehoord”.

Yves Heylen van vastgoedkantoor Walls spreekt sussende taal. De leegstand in de Kammenstraat is een tijdelijk fenomeen, voorspelt deze specialist die een opmerkelijke carrièrewending heeft gemaakt. Tot zes jaar geleden baatte hij een kapsalon uit… in de Kammenstraat. “Commercieel vastgoed in de Kammenstraat is oververhit”, stelt hij vast. “Investeerders hebben een soort piramidespel gespeeld. Eerst hebben ze de zelfstandige eigenaars voor een flinke som uitgekocht, daarna de panden voor grof geld verhuurd, liefst aan internationale retailers die buitenlandse prijzen gewoon zijn. Kandidaten zat, want de Kammenstraat was hot, iedereen wilde er aanwezig zijn. Panden werden gekocht en onmiddellijk weer doorverkocht, telkens voor meer geld. De huurprijzen bleven stijgen, tot het huidige peil. Echt kleine winkels blijven betaalbaar, maar voor een beetje pand schommelt de handelshuur naargelang de oppervlakte tussen de 6.000 en de 20.000 euro. Intussen is de markt aan het afkoelen, zoals op alle triple A-locaties. De economische crisis heeft internationale merken voorzichtiger gemaakt. Ze constateren dat Antwerpen toch niet Amsterdam is, en dat het sop de kool niet waard is. Dan kan het vlug gaan bij grote modespelers. Parijs of Londen beslist om te sluiten, en tsjakka! Ze betalen de eigenaar zijn verbrekingsvergoeding en een dag later gaan de rolluiken dicht. Voorlopig vertaalt die afkoeling zich nog niet in lagere huurprijzen, maar dat komt door de aard van het piramidespel, waarin de laatste die erin stapt de pineut is. Ze hebben hun pand aan de hoogste prijs gekocht en proberen hun inleg te verzilveren. Liever een paar maanden leegstand trotseren, dan zich langdurig te binden met een lager huurcontract.  Die strategie is niet eindeloos rekbaar, binnen een jaar of twee zie ik de prijzen in Kammenstraat op een normaal niveau stabiliseren”.  En de toekomst? “Handelstraten kennen cycli van 20 tot 30 jaar”, zegt Heylen.  “Denk maar aan de opgang en neergang van de Offerandestraat. De Kammenstraat zit nog goed, maar het is niet meer dé alternatieve straat van weleer. Hippe jongeren met geld kunnen er nog altijd terecht. Hippe jongeren zonder geld kennen betere plekken, zoals de Lange Koepoortstraat waar de voorbije jaren 2dehandswinkels, platenzaken en urban bike shops zijn neergestreken. Precies de winkels die vroeger blindelings voor de Kammenstraat hadden gekozen”.