Tagarchief: Mobutu

Angelo Turconi: het oog van de Congolese brousse

Knack, 28 maart 2017

 

In de luwte heeft de Italiaanse fotograaf Angelo Turconi een uniek oeuvre opgebouwd. Vijftig jaar fotograferen in het Congolese binnenland: niemand deed het hem na. Even rijk als zijn verzameling beelden is zijn voorraad verhalen over het land waarop hij als bij toeval verliefd werd. ‘De mens maakt geen reis, het is de reis die de mens maakt.’

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

 

Sijsele-Damme. Angelo Turconi woont discreet, in een omgebouwde hoeve. Het ontvangst is warm, de handdruk stevig. Het valt de heer des huizes niet aan te zien dat hij 78 is en van een operatie herstelt. Als u dit leest, vertoeft de Italiaanse fotograaf alweer in Congo om het geesteskind voor te stellen dat ons naar Sijsele heeft gelokt. Lunda is zijn vijfde fotoboek, opnieuw gewijd aan het Congolese binnenland met zijn veelheid aan volkeren en culturen. De titel verwijst overigens naar een volk in de provincie Lualaba, nog niet zo lang geleden een onderdeel van de intussen opgedeelde provincie Katanga. Een volk met een roemrijke geschiedenis: het koninkrijk der Lunda was een van de  machtigste in pre-koloniaal Afrika, met uitlopers tot diep in Angola en Zambië.

Er hangt een heel verhaal aan vast, zoals altijd bij Angelo Turconi. Het begint in 1987, naar zijn maatstaven tamelijk recent. Turconi had al tientallen volkeren groot en klein bezocht, de camera gericht op hun rituelen, chefs en genezers, maar evengoed op de dagelijkse beslommeringen van gewone mannen, vrouwen en kinderen. Toch maakte de ontvangst in Musumba, de hoofdstad van het Lunda-rijk op 800 kilometer van Lubumbashi, een diepe indruk. ‘Ik kwam aanvliegen met de Lunda-koning in eigen persoon. De hele stad was uitgelopen om hem te verwelkomen en in een tipoy (draagstoel) naar zijn paleis te dragen. Ik ben tien dagen in Musamba gebleven, het was een intense ervaring. ‘Als de koning ooit overlijdt’, nam ik me voor, ‘keer ik terug om de kroning van zijn opvolger vast te leggen.’

 

hippieparadijs Afghanistan

Kabwit Yisoj Kawel II stierft in 2005. Meteen werd een opvolger gekozen wiens naam ook in België bekend in de oren klinkt: Benjamin Tshombe, advocaat bij het Hooggerechtshof in Kinshasa, is de zoon van de legendarische Moïse Tshombe die zich van 1960 tot 1963 president van het afgescheurde Katanga mocht noemen. Toch zou het nog tot 2012 duren vooraleer Angelo de kans kreeg zijn eed gestand te doen. ‘De kroningsceremonie is een voettocht door het Lunda-gebied’, legt hij uit. ‘Ze duurt een hele week, met als apotheose het overhandigen aan de koning van de rukan, de armband die zijn macht symboliseert. Ik ben Benjamin Tshombe in Kinshasa gaan opzoeken om hem te vragen of hij die traditie zou respecteren. Graag genoeg,  zie hij, maar ik heb er geen middelen voor. Zie je, tijdens zo’n ceremonie moet hij als gastheer een hoop vips ontvangen: Lunda-chefs uit Angola en Zambië, notabelen van zijn vazalvolkeren, de Yaka en de Tshokwe, maar ook ministers, gouverneurs en andere politici. Ik vond het een verschrikkelijk vooruitzicht. Als hij niets deed, dan zou de hele kroningsceremonie bij de volgende troonsopvolging definitief verloren gaan’. Angelo, behalve fotograaf archivaris van tradities en rituelen, sprak zijn netwerk aan. Details hoeven we niet te kennen, maar het is niet zonder belang dat de grootmoeder van president Joseph Kabila een Lunda was. De démarche werkte. Jaren gingen voorbij, maar op een dag ontving hij in Sijsele een uitnodiging voor de kroning. ‘Ik ben op het eerste het beste vliegtuig naar Kinshasa gesprongen’, zegt hij grijnzend. ‘Van die ceremonie heb ik geen minuut gemist’.

Angelo Turconi heeft geen website, zijn naam sorteert geen hits op het internet, enkele bibliografische verwijzingen niet te na gesproken. Toch zijn er geen fotografen die de voorbije vijftig jaar meer hebben gedaan om het Congolese binnenland te documenteren dan deze Milanees. ‘Ik kom uit Inzago, een dorpje op 20 kilometer van Milaan’, preciseert hij. ’Op mijn veertiende ben ik naar de stad gaan werken in een drukkerij. Als oudste van vier kinderen, er moest brood op de plank’. Een autodidact dus met een late roeping: hij was al 24 toen hij voor het eerst een voet buiten Italië zette. Met enkele vrienden had hij een VW Kubelwagen gekocht, een amfibievoertuig achtergelaten door het Duitse leger. Na veel sleutelen zijn ze ermee op expeditie vertrokken naar Libië en de Maghreb. Die eerste reis smaakte naar meer. Angelo ging in Zwitserland voor Le Journal de Genève werken. Voor het geld, maar evenzeer om er de nodige vaardigheden te verwerven voor zijn reisplannen. Frans spreken, fotograferen, printen, lay-out, 16 millimeter films draaien en monteren, hij zoog zich vol als een spons. Weekends bracht hij door in Inzago waar hij met zijn snel groeiende fanclub plannen smeedde voor nieuwe avonturen. Zo ging het in 1965 ging met de Kubelwagen helemaal naar India. Hij kan nog altijd smakelijk vertellen over de passage door het hippie-paradijs genaamd Afghanistan. Na die trip was hij klaar voor het echte werk: een reis zonder einddatum door alle landen van het Afrikaanse continent. Angelo had intussen een heus zakenmodel op punt. Sponsors, van vrienden in Inzago tot bedrijfsleiders in Milaan, sprongen bij om de expeditie te financieren. Hij had een uitgeefcontract voor een boek op zak, werd bezoldigd om kunstvoorwerpen te spotten voor een verkooptentoonstelling in Milaan, Coca Cola Italië bestelde een 16 millimeter reclamefilm over de doorsteek van de Sahara. Op het thuisfront stond de fanclub klaar om de per vliegtuigpost verstuurde pellicule te ontwikkelen en naar klanten te versturen. Waar die commerciële flair vandaan komt? ‘Typisch Lombardije’, zegt hij heel gemeend. ‘Ondernemen, handel drijven, bankieren, dat doen de Lombarden al eeuwen. Het zit me in het bloed’.

 
stoet kroningsritueel Lunda (foto: Angelo Turconi)

stoet kroningsritueel Lunda (foto: Angelo Turconi)

 

 

Congo River

Eind 1967 vertrok hij met een reisgezel per Land Rover. Een dik jaar later stonden ze te twijfelen op de oever van de Oubangi, de rivier die de grens vormt tussen de Centraal Afrikaanse Republiek en Congo. Er heerste chaos in de voormalige Belgische kolonie. President Mobutu had pas de opstand van de Simba’s bedwongen, met de hulp van blanke huurlingen die intussen zelf in opstand waren gekomen omdat ze niet werden betaald. Het ging er grimmig aan toe, op een bepaald moment heeft Mobutu alle huurlingen laten uitmoorden die in Kinshasa waren gelegerd. ‘Congo was een chaos’, zegt Angelo. ‘In Bangui werden we gewaarschuwd: ze gaan jullie voor huurlingen aanzien. Reizigers op weg naar het zuiden kregen de raad om Congo te omzeilen, via Soedan en Kenia. Maar wij hadden geen geld voor zo’n omweg. En bovendien: ik kon toch geen ronde van Afrika maken zonder Congo te bezoeken, het hart van het continent? We hebben de oversteek gewaagd. En jawel, het duurde niet lang of we werden door een militaire patrouille onderschept. Eerst zochten ze wapens. Die hadden we niet. Nooit gehad trouwens. Als je in Congo echt problemen zoekt, dan moet je vooral met wapens rondreizen. De officier had meteen een ander voorwendsel klaar. We stonden links van de weg geparkeerd, een duidelijke overtreding van het verkeersreglement. (bulderlach). Op een piste in volle brousse waar per week twee auto’s passeren!  Absurd, maar er viel niet discussiëren, we moesten mee naar de kazerne’.

Hoe hij zich uit die netelige situatie redde. Praatjes maken met de militair die naast hem in de Land Rover had post gevat, sigaretten delen, ijs breken. En dan staalhard bluffen: dat ze nog diezelfde avond bij le père Eugène in Lisala werden verwacht. ‘Ik kende helemaal geen père Eugène’, zegt hij. ‘Maar die brave militair had die naam al eens gehoord. Hij was zodanig onder de indruk dat hij ons heeft laten gaan’. Achter zijn rug, tijdens de fotosessie, zal zijn vrouw het ons toevertrouwen. Angelo en de Congolezen, dat was een perfecte match. Frans of Lingala, haar man kon met iedereen palaveren. Ze hebben elkaar in Kinshasa leren kennen, de stad waar de ronde van Afrika zou eindigen. Maar dat besefte Angelo niet toen zijn Land Rover in Lisala aan boord van een duwkonvooi werd gehesen, een drijvend dorp vol marktkramers op weg naar Kinshasa, met groenten, fruit, kippen, geiten, gedroogde vis, gerookte antiloop, levende krokodillen en andere specialiteiten uit de Equateur. Wie ooit de documentaire Congo River van Thierry Michel zag, zal begrijpen waarom hij tijdens deze driedaagse, slome bootreis instant verliefd werd op het land en zijn bewoners.

Inga stuwdam

‘Het was nooit de bedoeling in Kinshasa te blijven. Ik zou doen zoals in alle hoofdsteden: ons aanmelden bij de Italiaanse ambassade en een ronde maken langs de ministeries om alle vergunningen te verzamelen voor mijn echte missie, het binnenland verkennen. Dat was helaas buiten de bureaucratie gerekend, ze deden erg moeilijk over de permis minier, een absolute vereiste om de Kasai-rivier richting Lubumbashi over te steken. Drie keer heb ik een aanvraag ingediend, uiteindelijk heeft dat een klein jaar aangesleept. Niet dat ik me verveelde, er viel heel wat te fotograferen in Kinshasa. In die tijd woonden er nogal wat Italianen, naast militaire adviseurs vooral ingenieurs die bezig waren met de bouw van de Inga stuwdam. Slapen deden we in de jeep die we bij Italiaanse vrienden parkeerden. Er waren wel gastenkamers, maar ik vertikte het onze spullen uit te pakken omdat ik mezelf bleef mezelf wijsmaken dat we zo snel mogelijk zouden doorreizen. In die periode heb ik voor het eerst Belgen ontmoet. Ons plan om het binnenland te verkennen vonden ze pure waanzin, levensgevaarlijk met al die Simba’s en huurlingen. Velen waren in tien jaar nooit verder geraakt dan de luchthaven van Ndjlli’.

Het settelen gebeurde zonder dat hij er erg in had. De Kasai was buiten bereik, maar tegen excursies naar Bandundu of Bas Congo was geen bezwaar. Op een dag vroeg de Italiaanse aannemer van het Inga-project hem foto’s te maken van de superwerf op de Congo-stroom. Hij zou de megawerf tien jaar lang blijven fotograferen en filmen, meestal vanuit de lucht. Zijn archief zit overigens vol met luchtbeelden, hij heeft zowat het hele land per petit porteur overvlogen en in beeld gebracht. Het gerucht verspreidde zich snel in Kinshasa: er is een Italiaanse fotograaf in de stad die uitstekend werk aflevert, mede dankzij de superieure labo-kwaliteit waarvoor de back-office in Italië garant stond. Er volgden meer opdrachten, ideaal om de wachttijd te overbruggen. Op een avond landde in Ndjili een jonge, blonde vrouw uit Brugge, op bezoek bij een vriendin in Kinshasa. Bij het ontvangstcomité op de tarmac stond ook Angelo. ‘Ik was intussen bevriend geraakt met de man van haar vriendin’, vertelt hij. ‘In die tijd was de komst van een ongehuwde blanke vrouw naar Kinshasa een sensatie. Als er een huwbaar exemplaar kwam aanvliegen, schoten alle vrijgezellen een schoon hemd aan om zich naar Ndjili te reppen’. Hij heeft de concurrentie in snelheid genomen, door Anne letterlijk van het vliegtuig te plukken. Niet veel later vormden ze ook professioneel een duo, Anne hielp hem bij de productie van een documentaire film die hem definitief in Kinshasa zou verankeren. De minister van landbouw _ Mobutu’s oom Jean-Josepth Lito  _ bestelde een documentaire over zijn beleidsdomein, van plantages tot jacht en visvangst. Werk voor een heel jaar met een onbeperkt budget. Hij mocht overal naartoe vliegen, zelfs op de kleinste broussepiste stond een chauffeur klaar. Twee keer over en weer naar Milaan voor de montage? Geen probleem. ‘De film zit in mijn archief’, zegt hij. ‘Nooit vertoond. Toen de uitnodigingen voor de première klaar lagen, heeft Mobutu zijn regering herschikt. Litho was minister af, waardoor de film meteen onbruikbaar werd’.

In zijn biografie krijgt monsieur Litho een mooie paragraaf. Le parfumé, luidde zijn bijnaam, omdat hij zo kwistig met eau de Cologne omsprong dat je hem van op een afstand kon ruiken. Na de politiek is hij in zaken gegaan: importeren zonder invoerrechten te betalen, daar heeft hij fortuinen mee verdiend. Zuivere corruptie, maar hij geneerde zich niet. Als gewezen minister vond hij het niet meer dan logisch dat hij vrijgesteld was van belastingen en taksen. ‘Zo gaat dat in Congo’, zegt Angelo. ‘Politici staan boven de wet’.

machetes

Machtsmisbruik en corruptie zijn met Mobutu niet uit de Congolese politiek verdwenen. Hoe verklaart hij met een halve eeuw Congo-ervaring achter de rug, de eeuwige paradox? Dat Congo, met zijn onuitputtelijke bodemrijkdommen en vruchtbare gronden, helemaal onderaan bengelt in alle  ontwikkelingsstatistieken? Angelo legt vork en mes neer. ‘De vraag van één miljoen’, zegt hij met een zucht. ‘Er bestaat niet één antwoord, het zijn er tientallen. Om er een uit te pikken: hoe kan een land zich ontwikkelen als het niets produceert maar alles importeert? Intussen zijn Indiërs en vooral Chinezen ook de kleinhandel aan het overnemen. Overal zie je kramen opduiken met goedkope spullen die ze uit hun thuisland importeren. Congolezen kunnen daar niet tegenop. Ze zijn zich scherp bewust van dat onrecht, de wrok tegen Indiërs en Chinezen zit diep. Een gevaarlijke situatie als de boel ooit ontploft’.

Hij heeft zowel wijlen Mobutu als Joseph Kaibla ontmoet en gefotografeerd. Afstand houden was het parool, in figuurlijke zin. Op politieke uitspraken laat hij zich niet graag betrappen. Niet gezond voor de toekomstplannen die hij als 78-jarige koestert. ‘Maar het doet pijn om de ellende te zien waarin de gewone Congolezen leven’, geeft hij toe. ‘Neem nu mobiliteit. De Chinezen mogen dan de hoofdwegen asfalteren, grote delen van het binnenland zijn totaal onbereikbaar voor autoverkeer. Vrienden in Kinshasa missen de begrafenis van hun ouders omdat ze niet naar hun geboortedorp kunnen. Een drama als je weet hoe belangrijk de zorg voor de doden in hun traditie is. Wat ook niet helpt is de bevolkingsexplosie.  Zes à zeven kinderen per vrouw is in de dorpen nog altijd de norm. Iedere familie hoopt er daarvan een of twee naar Europa te smokkelen om voor de rest te zorgen. Dat is niet alleen in Congo. De Europese vluchtelingencrisis is slechts een voorsmaakje, de tsunami vanuit Afrika moet nog komen’.

een weg in de brousse (Foto: Angelo Turconi)

een weg in de brousse (Foto: Angelo Turconi)

En toch wil hij zich niet als de zoveelste Congo-pessimist laten afschilderen. ‘Een van mijn Congolese vrienden is psychiater en antropoloog, een intellectueel met een scherpe visie. Laat alle buitenlanders vertrekken, zegt hij, dan zijn we verplicht de problemen zelf op te lossen. Daar ben ik het mee eens. European, Amerikanen, Chinezen, we moeten ophouden ons met Congo te bemoeien. Ondanks alles heeft de jeugd hoop en ambitie. We  moeten hen de kans geven om die waar te maken. Mijn fotografie is een eerbetoon aan de vitaliteit van het Congolese volk. Met veel aandacht en respect voor vrouwen, want zij zijn het die het land overeind houden’. Dat blijkt wanneer we Infini Congo doorbladeren, een in 2010 verschenen greep uit 40 jaar fotograferen. Gesponsord door Georges Forrest, de Belgisch-Congolese grootindustrieel die een omstreden reputatie geniet. Angelo haalt de schouders op. ‘Ik heb veel respect voor meneer Forrest. Dat hij zaken doet met  de machtshebbers van dienst? Wat een loos verwijt, alsof er in Congo andere manieren bestaan om iets te ondernemen’. Ook zijn jongste boek is gesponsord, door een mijnbouwbedrijf met concessies in Lunda-gebied. De titel Congo-realist vindt Angelo geen verwijt, net zomin als die van fotograaf met zakeninstinct. In Infini Congo zien we veel jeugd en veel vrouwen, vaak met een gulle lach. Hij is geen sluipschutter met een telelens. Altijd eerst contact maken, pas dan komt de camera in actie. De broeierige foto van twee haveloze bengels met speelgoedauto’s van ijzerdraad en conservenblik is hem erg dierbaar. ‘Mijn chauffeur maakte zich druk toen ik hem vroeg om te stoppen, hij vond het tafereel vernederend. In mijn ogen echter symboliseren die twee jongens de veerkracht en creativiteit van Congo’.

tribalisme

Het klinkt verfrissend over een land dat doorgaans associaties met oorlog, vluchtelingenkampen en verkrachte vrouwen oproept. Hoe realistisch ook, die beelden ontbreken in zijn boeken. Bewust, hij is geen oorlogsreporter maar noemt zichzelf un photographe de la paix. Ontbreken even opvallend: foto’s van Kinshasa, de bruisende metropool die hij nochtans als zijn broekzak kent. Angelo en Anne hebben er dik 20 jaar gewoond, tot ze met hun drie schoolplichtige kinderen naar Europa terugkeerden, eerst naar Italië en vervolgens naar België. Kinshasa bleef evenwel zijn tweede thuis, hij vliegt erheen zoals wij de trein naar Oostende nemen. ‘Een fascinerende stad, maar er zijn al fotografen genoeg die er grandioos werk over hebben gemaakt. Mijn missie is het documenteren van het andere Congo, het binnenland waar niemand naar omkijkt. Dat wordt me soms verweten, ook door Congolezen. Je schildert Congo af als een primitief land dat de afspraak met de moderniteit heeft gemist’.

Zijn fascinatie voor etnische kunst en traditiies stemde de criticasters niet milder. Geen wonder, onder Congolese intellectuelen is koketteren met tribalisme taboe. Waren het niet de Belgen die de etnische verschillen graag in de verf zetten? Het was de ideale verdeel-en heers-methode om opkomend nationalisme in de kiem te smoren. ‘Die aversie is compleet doorgeslagen’, vindt Angelo. ‘Het is zo erg geworden dat stedelingen zich schamen voor hun afkomst. Ik ga daarover in discussie. Je wordt niet minder modern of ontwikkeld als je weet waar je vandaan komt’. Congo, met zijn 404 ethniën, blijft voor antropologen en etnografen een hoorn des overvloeds. Angelo heeft er niet voor gestudeerd, maar hij mag zich een kenner noemen. Koningen, chefs, tovenaars, initiatierituelen, dansers in uitzinnige plunjes van luipaardenbont, schelpen en veren, zijn oeuvre puilt ervan uit. ‘Infini Congo is een historisch document’, zegt hij terwijl het boek liefdevol dichtklapt. ‘Er staan beelden in die nooit ofte nimmer meer gemaakt zullen worden. Tradities en rituelen sterven pijlsnel uit, mede onder druk van de protestantse ontwakingskerken die zich als een lopend vuurtje over heel Congo hebben verspreid. Predikanten fulmineren constant tegen voorouderlijke gebruiken, terwijl ze zelf mirakels beloven in de vorm van geld, gezondheid en geluk. Het zijn charlatans die de armoede en onwetendheid exploiteren, maar helaas kennen ze veel succes’.

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

 

Léopold Senghor

Zijn fotoboeken vertegenwoordigen maar een fractie van zijn archief, een schat waar heel wat musea een moord voor willen plegen. Hij wil er dringend orde in scheppen, maar wanneer? Eerst moet zijn volgende project worden voltooid: een boek over de Musées Nationaux du Congo waarvan hij het ontstaan van nabij heeft meegemaakt. Een prestigeproject van Mobutu was het, ontsproten aan het staatsbezoek dat de Senegalese president en cultuurminnaar Léopold Senghor in 1970 aan Kinshasa bracht. ‘Mobutu gaf hem als gastheer een rondleiding’, grinnikt  Angelo. ‘Zijn paleis, het nieuwe parlement, alle monumenten passeerden de revue. Heel mooi Joseph, zei Senghor op een bepaald moment, maar ik zou graag jullie museum zien. Mobutu was van zijn melk. Bleek dat er in heel zijn land geen museum voor Congolese kunst bestond’. Zo raakte Angelo als fotograaf betrokken bij la récolte nationale. Onder leiding van de Belgische broeder-kunsthistoricus Jospeh Cornet werden teams uitgestuurd naar de verste uithoeken van het immense land om kunstvoorwerpen te verzamelen. Maskers, sculpturen, ritualia, in vijf jaar tijd groeide een collectie van 45.000 voorwerpen. Daaronder stukken van onschatbare waarde, zoals de wereldvermaarde koningsbeelden van de Bakuba. ‘Helaas’, zegt Angelo. ‘Na vijf jaar verloor Mobutu zijn belangstelling en droogden de middelen op. Vanaf dan begon het verval. Stukken werden gestolen en het land uit gesmokkeld. Bij de val van Mobutu in 1997 werd het museum geplunderd. Zowat alle waardevolle stukken zijn verdwenen, het enige spoor dat ervan overblijft, zijn de foto’s in mijn archief. In 2003 heb ik er een kalender mee gemaakt, een schreeuw om aandacht voor dit schandaal. Mijn boek gaat niet alleen daarover, het wordt ook een eerbetoon aan mensen zoals Joseph Cornet, Jan Vansina en Daniel Biebuyck. Allemaal Belgische Congo-kenners met wereldfaam die in eigen land weinig erkenning kregen. Veel werk en veel reizen, ik kan alleen hopen dat de gezondheid me niet in de steek laat’.

Zijn vrouw schiet in een lach. Dat alle alibi’s goed zijn om naar Congo te vliegen, zegt ze plagend. Angelo ontkent niet. ‘Zo heb ik altijd geleefd’, zegt hij. ‘Als ik van een reis terugkeerde, begon ik op het vliegtuig al mijn volgende reis te plannen. Zeggen ze dat ook in het Nederlands? Dat je als mens een reis maakt? Bij mij is het andersom, het zijn de reizen die me als mens hebben gemaakt’.

 

manicure (foto: Angelo Turconi)

manicure (foto: Angelo Turconi)

 

 

Ere-ambassadeur Patrick Nothomb over de Culturele Revolutie: ‘China was in een woestijn herschapen’

Knack, 6 juli 2016

 

foto: Johan Jacobs

foto: Johan Jacobs

Japan is zijn grote liefde, maar in China had hij afspraak met de geschiedenis. Patrick Nothomb ontdekte als eerste Belgische diplomaat de smeulende puinhopen van de Culturele Revolutie die precies vijftig jaar geleden losbarstte. Zijn dochter Amélie vond er inspiratie voor een boek over een wonderlijke kindertijd, maar zelf had hij het niet onder de markt. ‘De paranoia was totaal. De mensen in Peking staken de stoep over om niet met ons te worden gezien’. Terugblik door een gepensioneerd topdiplomaat met een roestvrij geheugen.

Afspreken in Habay-La-Neuve in hartje Gaumestreek. Geen cadeau op een door regenweer en spoorstakingen getormenteerde dag. Gelukkig compenseert Patrick Nothomb het fileleed met een briljante ingeving om de stabiliteit en het imago van het vaderland te verbeteren. Waarom staken de spoormannen en de cipiers niet zoals de Japanse vakbonden? ‘Dat gaat zo’, legt de gewezen ambassadeur aanschouwelijk uit. ‘Ze knopen een doek rond hun voorhoofd met daarop de boodschap, ik staak. Zo gaan ze naar hun werk, even stipt als altijd. Geloof het of niet, maar dat heeft effect. De schande voor de werkgever is zo groot, dat hij binnen de kortste keren overstag gaat en tegemoet komt aan de vakbondseisen’.

Baron Patrick Nothomb (80), nazaat van België-stichter Jean-Baptiste, neef van oud-minister Charles-Ferdinand, heeft het niet van horen zeggen. Van zijn 42 jaar in diplomatieke dienst heeft hij een derde in Japan doorgebracht. Van 1988 tot 1998 was hij er ambassadeur, een periode waarin hij niet alleen zijn kennis van het Japans perfectioneerde, maar ook een reputatie verwierf als vertolker van traditionele No-liederen. Zijn dochter Amélie, intussen de beroemdste telg uit het geslacht Nothomb, heeft uit die Japanse periode enkele autobiografische romans gepuurd. Haar jongste boek echter speelt zich in de Ardennen af, waar ze een moord laat plegen in een adelijk kasteel. Nee, verduidelijkt een trotste vader, het gaat niet om het familiekasteel aan de overkant van de straat. ‘Maar de protagonist is wel geïnspireerd op mijn eigen grootvader. Net als graaf de Neuville leefde die boven zijn stand en gaf hij een keer per jaar een grandioos feest. Op die manier zijn we trouwens ons kasteel kwijtgespeeld’. Niet dat de gepensioneerde topdiplomaat om grandeur maalt. Hij heeft een pied-à-terre in Brussel, maar meestal woont hij met zijn vrouw in dit uitgeleefde, sjofel bemeubelde rijtjeshuis. Met uitzicht op het verloren familiekasteel aan de overkant van de straat, al wordt dat danig belemmerd door torenhoge boekenstapels op de vensterbank.

Japan is zijn tweede vaderland, maar niet het toneel waar hij afspraak met de geschiedenis had. Een eerste keer gebeurde dat in 1964 in de Congolese stad Stanleystad, het huidige Kisangani. De piepjonge consul-generaal werd samen met honderden Belgen en andere buitenlanders gedurende vier maanden door Simba-rebellen gegijzeld. De beproeving eindigde na een spectaculaire ingreep door Belgische para’s, algemeen beschouwd als een succes ondanks de dertig Belgische doden. Dat de bekendste Simba-leider Pierre Mulele een in China opgeleide guerrillero en Mao-adept was, mag ironisch heten. Zijn tweede rendez-vous met de geschiedenis vond immers acht jaar later plaats in Peking, waar Nothomb als eerste Belgische diplomaat de naschokken registreerde van Grote Proletarische Culturele Revolutie die Mao precies 50 jaar geleden ontketende.

Patrick Nothomb: Ik was al vier jaar consul-generaal in Osaka, een post die ik zelf had geopend in de aanloop naar de Wereldtentoonstelling van 1970. Daar ben ik instant verliefd geworden op Japan en zijn cultuur. Ooit, zo nam ik me voor, word ik hier ambassadeur. Ik had al op een verlenging van mijn opdracht aangedrongen, toen ik in september 1971 van Brussel een onverwachte vraag kreeg: wilt u als zaakgelastigde naar Peking om er een Belgische ambassade te openen? Jammer van Osaka, maar ik heb geen seconde geaarzeld. Peking was op dat moment de hotste bestemming in de hele diplomatie. Goed dus voor mijn carrière, bovendien was ik erg nieuwsgierig. China was sinds de communistische machtsovername in 1949 een blinde vlek voor de hele Westerse diplomatie. Net zoals de Amerikanen en de meeste Europese landen had België de Volksrepubliek niet erkend, voor ons was China het Taiwan van Chiang Kai Shek. Alleen Zwitserland en de Scandinavische landen hadden een ambassadeur in Peking, terwijl de Engelsen en de Nederlanders er een zaakgelastigde op post hielden, zelfs tijdens de hoogdagen van de Culturele Revolutie.

– waarom die koerswijziging, nog wel in volle Culturele Revolutie?

Nothomb:  In september 1971 was het ergste al achter de rug. Lin Biao, de tweede man na Mao en hardliner van de Culturele Revolutie, was net van het toneel verdwenen. Neergestort boven Mongolië toen hij met een vliegtuig naar de Sovjetunie wilde vluchten nadat zijn coup tegen Mao was mislukt. Dat is tenminste de officiële versie, volgens hardnekkige geruchten in Peking werd hij door tegenstanders uit het kamp van ‘gematigde’ premier Zhou Enlai geëxecuteerd. Dat lijkt me aannemelijk, want de Russen hebben nooit willen bevestigen dat Lin BIao aan boord was van het wrak dat ze wel degelijk hebben geborgen. Het zou nochtans fantastische propaganda zijn geweest: de nummer twee van maoïstisch China die naar Moskou vlucht. De Sovjetunie, moet je weten, was toen de aartsvijand van China. In de ogen van Mao waren Stalins opvolgers Chroetsjev en Breznjev revisionisten, zowat het ergste verwijt uit de rode canon. Van de weeromstuit had Mao toenadering tot Amerika gezocht. 1971 was immers ook het jaar van de pingpong-diplomatie, het historische staatsbezoek van president Nixon hing al in de lucht. Toen er met de dood van Lin Biao de facto een einde kwam aan de Culturele Revolutie, was het hek pas goed van de dam. Alle landen uit het Westerse kamp stonden letterlijk te drummen om de Volksrepubliek te erkennen en een ambassade te openen, de Chinezen konden niet volgen met het bouwen van residenties. Het was een echte race, want ambassades werden volgens het first come first serve-principe toegewezen. Ik ben op 11 april 1972 in Peking gearriveerd, als eerste van een peloton van zes, op de hielen gezeten door de Libanezen en de Turken. De Rwandezen, laatsten in ons groepje, hebben een jaar langer in het afgrijselijke Peking Hotel moeten wachten op hun residentie.

– U trof een land aan dat vijf jaar lang op stelten had gestaan. Viel dat eraan te merken?  

Nothomb: De grootste excessen waren voorbij. De scholen en universiteiten waren opnieuw geopend, de Rode Gardisten waren naar het platteland gestuurd, er trokken geen kolkende volksmassa’s meer door de straten van Peking, alleen voor de Russische ambassade werd nog dagelijks betoogd. De impact van de beeldenstorm viel moeilijk in te schatten. Tempels en musea bleven de hele tijd gesloten, sporen van vandalisme werden met doeken afgedekt. Mijn hart van cultuurminaar bloedde. China, met zijn vijfduizend jaar oude beschaving, was in een woestijn herschapen. Peking zag er grauw en lelijk uit, net zoals de mensen. Vrouwen droegen geen make-up, iedereen liep met hetzelfde kapsel en in hetzelfde vaalblauwe Mao-uniform. Erger nog was de paranoia. Het was voor diplomaten totaal ondenkbaar om contact met gewone Chinezen te leggen. Dat was om te beginnen niet de bedoeling. De nieuwe ambassades lagen gegroepeerd in twee wijken die voor Chinezen verboden terrein waren. Personeel zoals tolken en chauffeurs werd ons toegewezen, ze moesten ons niet alleen bijstaan maar ons en elkaar ook bespioneren. Maar zelfs zonder die controle zou het nooit gelukt zijn een Chinees aan te spreken. Als je buiten de diplomatenwijk wandelde, staken ze de straat over om je te vermijden. Niet uit xenofobie, maar uit angst. Zie je, voor 1966 was er meer openheid en onderhielden heel wat Chinezen vriendschappelijke banden met buitenlanders. Dat is hen tijdens de Culturele Revolutie bijzonder slecht bekomen, al wie ooit met buitenlanders was omgegaan, werd daar zwaar voor gestraft.

volgens de geschiedenisboeken is de Culturele Revolutie pas in 1976, na de dood van Mao en de val van de Bende van Vier, afgelopen…

Nothomb: Ik begrijp de verwarring. Na de dood van Lin Biao is China in een overgangsperiode beland. De storm was gaan liggen, maar de Culturele Revolutie was nog niet vatbaar voor kritiek, in officiële mededelingen werd ze onverminderd als een succes bestempeld. Politiek werd het land intussen volledig verlamd door de machtsstrijd tussen gematigden en radicalen. Aan de ene kant stonden de aanhangers van Zhou Enlai die de Culturele Revolutie wilden terugdraaien, omdat ze vreesden voor een nieuwe catastrofe zoals de Grote Sprong Voorwaarts. De Bende van Vier daarentegen, met Mao’s vrouw Jiang Qing als spilfiguur, wilde het revolutionaire vuur juist oppoken. Voor ons was het erg moeilijk om die machtsstrijd te doorgronden. In de bilaterale diplomatie probeer je via je netwerk van bevriende ambtenaren of burgers de vinger aan de de pols te houden. Dat was in China onmogelijk, we moesten het stellen met een officieel bulletin met holle slogans dat dagelijks  onder alle diplomaten werd verspreid. Soms echter kon je tekens aan de wand lezen. In het Paleis van het Volk werden voortdurend banketten georganiseerd ter ere van de hoge buitenlandse gasten die elkaar opvolgden.Twee per staatsbezoek, bij aankomst en bij vertrek. Telkens werd het hele corps diplomatique uitgenodigd, volgens een strikt protocol waarin de status van de gast en de rang van de genodigden elkaar in evenwicht hielden. Saaie boel, kan ik je verzekeren. Je kon zelfs perfect het moment voorspellen waarop de Sovjet-delegatie ostentatief de zaal zou verlaten, in haar spoor gevolgd door de vrienden uit Oost-Europa, Cuba, Mongolië en Viëtnam. De Chinese gastheer, vaak Zhou Enlai himself, maakte er immers een sport van om tijdens zijn speech de Sovjets minstens een keer stevig te beledigen. Omdat de tekst vooraf werd rondgedeeld, wisten die precies wanneer ze van de tafel moesten weglopen. Het dessert hebben ze nooit gehaald. (lacht)

– maar u had het over tekens aan de wand…

Nothomb: Oh ja. Kijk, bij die banketten werden aanwezigheidslijsten verspreid. Vooral de namen van de Chinese genodigden trokken onze aandacht, want daaruit kon je soms interne verschuivingen afleiden. In april 1973 keerde onze ambassadeur met groot nieuws terug van zo’n banket: Deng Xiao Ping stond op de lijst! Dat betekende een triomf voor het gematigde kamp. Deng, de latere partijleider en sterke man, was tijdens de Culturele Revolutie in ongenade gevallen en naar een werkkamp gestuurd. Dat hij het heeft overleefd, komt alleen omdat Zhou Enlai hem kon beschermen. Maar ook de Bende van Vier scoorde punten. De wereldberoemde Italiaanse cineast Antonioni had met toestemming van Zhou Enlai een documentaire over de Culturele Revolutie gedraaid. Zijn film werd in China echter verboden en streng veroordeeld, een manier van de radicalen om Zhou Enlai te desavoueren.

aan wiens kant stond Mao?

Nothomb: Dat bleef een mysterie. Mao was oud en ziekelijk, er werd getwijfeld aan ziijn geestelijke vermogens. Staatsbezoeken verliepen volgens een onwrikbaar scenario. Alles was tot op de minuut gepland, alleen het verplichte bezoek aan Mao werd niet vooraf ingevuld omdat de Chinezen zeker wilden zijn dat de Grote Roerganger een helder moment had. Het kon zelfs gebeuren dat een ontvangst door Zhou Enlai halfweg werd afgebroken, omdat de hoge bezoeker als de wiedeweerga bij Mao langs moest.

een van die hoge bezoekers was de Zaïrese president en dictator Mobutu Sese Seko, een oude bekende van u. Blij weerzien?

Nothomb: Jawel. Ik had hem in mijn Congolese periode goed leren kennen. De Belgische ambassadeur heeft me daarom meegevraagd toen hij naar protocollair gebruik met de andere ambassadeurs Mobutu op de luchthaven ging verwelkomen. Ik stond daar als laagste in rang, maar tot verbijstering van de Chinezen en het voltallige corps diplomatique kreeg ik als enige een warme accolade. Mobutu had lak aan protocol. Later heeft hij me in zijn hotel voor een privé gesprek ontboden, terwijl hij op hetzelfde moment op een ontmoeting met de Afrikaanse ambassadeurs werd verwacht. Voor mij was het een buitenkans, want hij had intussen zijn bezoek aan Mao afgelegd. Compleet gaga, was zijn oordeel, er komt geen zinnig woord meer uit. Daarmee bevestigde hij wat iedereen vermoedde maar nog niemand hardop had durven zeggen.

onvergetelijk moment, zonder twijfel. Maar volstaat dat om Mobutu in uw memoires een vriend te noemen? Toen die in 2004 verschenen, was al lang duidelijk wat een puinhoop hij van zijn land heeft gemaakt..

 

Nothomb: Ik wil zijn beleid niet vergoelijken, maar tijdens de Simba-opstand heeft hij zich als een grote meneer gedragen. Als opperbevelhebber van het Congolese leger had hij zelf een zware tijd, maar toch heeft hij zich persoonlijk ontfermd over mijn gezin terwijl ik in Stanleystad gegijzeld zat. Zoiets vergeet je niet. Ik volg Congo niet op de voet, maar van het huidige regime moet ik alleszins niet weten. Joseph Kabila is tenslotte de zoon van Laurent-Désiré, een van de leiders van de Simba-rebellie die tot het bloedbad van Stanleystad heeft geleid. Maar wees gerust, die persoonlijke appreciatie maakt mij niet blind voor Mobutu’s schaduwkant. Toen hij in 1973 op staatsbezoek kwam, stond zijn macht in het zenit. Hij had de Zaïrianisering en de authenticité gelanceerd, gekoppeld aan een personencultus die hij van Mao had afgekeken. Dat belette hem niet om tijdens het staatsbanket in Peking de zaken om te draaien. Hij vond het verheugend, zo verklaarde hij tijdens zijn speech, dat de Chinezen zijn voorbeeld waren gevolgd. De gastheren aanhoorden het met een pokerface, maar de Afrikaanse ambassadeurs waren ziedend. Mobutu had immers ook geponeerd dat Zaïre als een van de eerste Afrikaanse landen de Volksrepubliek had erkend, terwijl het in werkelijkheid zowat als hekkensluiter aan de beurt kwam.

sinoloog Pierre Ryckmans, beter bekend onder zijn schrijversnaam Simon Leys, werkte in 1972 op de Belgische ambassade als cultureel attaché. Onwaarschijnlijk, want Leys had in zijn pas verschenen en bijzonder explosieve boek ‘De nieuwe kleren van president Mao’  brandhout gemaakt van Mao en zijn Culturele Revolutie. Waarom hebben de Chinezen hem toegelaten?

Nothomb: ‘Ik geloofde het zelf niet toen ik het bericht uit Brussel ontving. Leys was de allereerste sinoloog die poneerde dat de Culturele Revolutie niets met een revolutie en nog minder met cultuur te maken had, maar alles met een brute strijd om de macht. Mao was na het fiasco van de Grote Sprong Voorwaarts zijn greep op de partij kwijt geraakt, en daarom heeft hij de massa’s gemobiliseerd. Niet toevallig was de gematigde president Liu Shaoqi een van de eerste slachtoffers. Mao verloor echter de controle over het monster dat hij zelf had opgetrommeld, de interne zuiveringscampagne is compleet uit de hand gelopen. Leys, die met zijn Taiwanese vrouw in Brits Hong Kong woonde, heeft dat in zijn boek minutieus gedocumenteerd. Hij baseerde zich uitsluitend op Chinese bronnen, kranten, documenten en getuigenissen van vluchtelingen die met duizenden tegelijk in Hong Kong aanspoelden. Dat maakte zijn aanklacht zo krachtig, zijn conclusies waren onweerlegbaar. Leys was voor de ambassade een geweldige aanwinst, maar ik heb Brussel gewaarschuwd dat de Chinezen hem nooit ofte nimmer zouden accepteren. Geen probleem, kwam het antwoord, hij heeft al een visum. Natuurlijk had hij dat onder zijn echte naam Pierre Ryckmans aangevraagd, maar de Chinezen wisten perfect wie hij was. Mijn theorie achteraf: het kamp van Zhou Enlai wilde hem de kans geven om zijn kritiek op Culturele Revolutie kracht bij te zetten. Dat bleek ook tijdens zijn verblijf. Diplomaten hadden een vergunning nodig om naar het binnenland te reizen. Vaak werd die geweigerd, maar Leys kreeg alle faciliteiten om het land af te schuimen en zijn ogen en oren de kost te geven. Hij is uiteindelijk maar een half jaar gebleven, maar dat volstond om stof voor zijn meesterwerk ‘Ombres chinoises te verzamelen. We zijn vrienden gebleven, tot zijn dood twee jaar geleden. Het mooie is dat Amélie hem vorig jaar is kunnen opvolgen als lid van de Académie de Littérature française de Belgique. Ze heeft hem in haar aanvaardingsspeech een mooi eresaluut gebracht.

Leys was een echte iconoclast, heel weldenkend, links Europa viel over zijn boek. Vooral Franse intellectuelen voerden een haatcampagne tegen de kleine Belg die Mao met zijn Culturele Revolutie van zijn voetstuk haalde. Hoe valt die fascinatie te verklaren?

Nothomb: Ach, intellectuelen. Soms gedragen die zich ook maar als schapen. Vooral Franse intellectuelen, die liepen allemaal Sartre achterna, een halfgod die dweepte met de Culturele Revolutie. Het lag ook aan de tijdsgeest. Velen keken naar China door de bril van Mei ’68, terwijl er werkelijk geen enkel verband bestond tussen het Europese studentenprotest en de furie van de Rode Gardisten. Ook in België had je overtuigde aanhangers. Een van mijn eerste opdrachten als zaakwaarnemer was het onthaal van een delegatie Belgische Maoïsten. China was heel gesloten, maar voor het jaarlijkse 1 Mei-feest werden Maoïsten uit de hele wereld uitgenodigd. De Albanese delegatie was uiteraard de grootste, dat land was toen het China van Europa. Ik ben de naam van hun partijtje vergeten, maar de Belgische delegatie stond onder leiding van Sarah Huysmans, de dochter van de legendarische Camille Huysmans. Vriendelijke dame, de enige met wie ik kon praten. Met de rest van de delegatie kreeg ik geen contact, die spuwden me uit als een agent van het vuige bourgeoiskapitalisme. (lacht)

U bent tweeënhalf jaar op post gebleven. Nadien nog teruggekeerd naar China?

Nothomb: Vaak zelfs. Als Directeur Azië en Oceanïe, een functie die ik van 1980 tot 1984 heb bekleed, ben ik er zowel met koning Boudewijn als met premier Tindemans op officieel bezoek geweest. Na mijn pensionering ben ik adviseur van de provinciegouverneur van Luxemburg geworden. Omdat we een zusterschap hebben met de provincie Heilongjiang, vloog ik er minstens een keer per jaar heen. Ieder keer weer keek ik mijn ogen uit, de snelheid van de transformatie is niet te bevatten. Toen ik als diplomaat in Peking verbleef, was het observatorium van pater Verbiest een urban landmark. Hoogbouw? Bestond niet in die tijd. Vandaag moet je het observatorium met een vergrootglas zoeken tussen een oerwoud van glazen wolkenkrabbers.

uw dochter Amélie schetst in Sabotage Amoureux een hilarisch maar tegelijkertijd idyllisch beeld van haar prille kindertijd in Peking. Hoe realistisch is dat?  

Nothomb: Voor kinderen was de afgesloten diplomatenwijk een paradijs. Amélie, André en Juliette speelden de hele tijd buiten, met kinderen van alle mogelijke nationaliteiten. Ook onder diplomaten heerste er een opvallende solidariteit. Omdat we allemaal dezelfde problemen ondervonden, werd iedere morzel informatie sportief gedeeld. Zelfs met de collega’s van het Sovjetkamp waren de relaties hartelijk. Ik was zelf goed bevriend met mijn Tsjechoslowaakse evenknie. Om de zoveel maanden reisde ik naar Hong Kong. Rest and recreation, heette dat, maar het was vooral een kans om te shoppen. Ik speelde dan ook boodschappenjongen voor mijn Tsjechische vriend, want die kreeg geen visum voor Hong Kong. Een pesterij van de Chinezen: ze hadden de Britten beloofd Hong Kong met rust te laten, op voorwaarde dat ze hun aartsvijanden uit het Sovjetkamp buiten hielden. Het idee dat communistische landen één hecht blok vormen, dat ben ik in Peking snel kwijtgeraakt. De Roemenen, dissidenten binnen het Oostblok, waren altijd bereid om de laatste nieuwtjes uit de interne rode keuken taan onze neus te hangen. Peking was een moeilijke post om vat te krijgen op het gastland, maar ook een ideale plek om de internationale politiek te observeren.