Tagarchief: Napoleon

De Grote Kerkenkrimp in Vlaanderen

Knack Magazine, 28 augustus 2019

“Er komt een tsunami van kerkspullen op ons af

De ontkerkelijking heeft een bakstenen fase bereikt. Zo’n 600 Vlaamse kerken worden op korte en middellange termijn herbestemd. Zoals de verhuizing van een riante villa naar een serviceflat vergt de operatie pijnlijke keuzes. Wat met de inboedel? Knack dook onder in de wereld van kerkfabrieken en experts religieus vaatwerk.


Sint-Martinuskerk – Schelderode. Christusbeeld wachtend op een ongewisse toekomst. (foto: Jonas Lampens)

Het lijkt wel uitverkoop in de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Kandelaars, paaskaarsen, processielantaarns, kerkstoelen, kazuifels, reliekhouders, alles moet weg, zelfs de gebeeldhouwde kruisweg. De 14 staties werden al van de muur gehaald en op de vloer uitgestald. Met respect voor de chronologie, een rondgang begint nog altijd bij de terdoodveroordeling om te eindigen bij de graflegging. Het is natuurlijk geen uitverkoop, noch is er sprake van een faillissement. Wel waar is dat het in plaaster gebeitelde lijdensverhaal van Christus hoe langer hoe minder gelovigen op de been brengt. Niet alleen in Schelderode. Uit een in 2017 gepubliceerd onderzoek van de KU Leuven blijkt dat nog 6 procent van de Vlamingen wekelijks naar de mis gaat. Het verval gaat snel, bij een eerder onderzoek in 1996 scoorde de zondagspraktijk nog 20 procent. Intussen nijpt het priestertekort steeds harder, terwijl roepingen even zeldzaam blijven als sneeuw na Pasen.

Was ontkerkelijking tot dusver vooral een sociologisch begrip, dan heeft het fenomeen intussen een nieuwe, bakstenen fase bereikt. De uitdunnende geloofsgemeenschap is veel te ruim behuisd. Sinds 2013 werden al 62 Vlaamse parochiekerken aan de eredienst onttrokken, maar de plannen voor een veel grotere krimp liggen klaar. Het in Leuven gevestigde CRKC, het expertisecentrum voor religieus erfgoed waarbij ook het bekendere museum PARCUM hoort, houdt de cijfers bij. Een derde van de 1789 kerken krijgt op korte of middellange termijn een neven- of herbestemming: gecombineerd liturgisch en profaan gebruik of een volledige onttrekking aan de eredienst. Katalysator in het proces zijn de voorwaarden die de Vlaamse overheid sinds 2015 koppelt aan het subsidiëren van kerkrestauraties. Alleen steden en gemeenten met een kerkenbeleidsplan komen voor bepaalde subsidies nog in aanmerking. De maatregel, reeds aangekondigd in 2011 door de toenmalige vice-minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in zijn conceptnota “Een toekomst voor de Vlaamse parochiekerken”, veroorzaakte een schokgolf. Lokale overheden en kerkfabrieken, samen bevoegd voor het beheer van kerkgebouwen, schoten in actie.

Napoleon Bonaparte

De confectie van een deugdelijk kerkenbeleidsplan bleek geen simpele opgave. Het Oost-Vlaamse Merelbeke bijvoorbeeld telt zeven parochies en evenveel gebedshuizen, waaronder de Sint-Martinuskerk in Schelderode. Iedere kerk heeft een kerkfabriek, een instituut met wortels in het concordaat dat Napoleon Bonaparte in 1801 met paus Pius VII afsloot. Concreet gaat het om vijf onbezoldigde parochianen plus een vertegenwoordiger van het bisdom, meestal de pastoor. Op hun schouders rustte de taak om in samenspraak met de gemeente en het bisdom een strategische visie op het Merelbeekse kerkenpatrimonium te ontwikkelen. Het plan, tot stand gekomen met advies van de regionale erfgoedcel De Viersprong en het CRKC werd in september 2017 door gemeenteraad goedgekeurd. Het oogt behoorlijk drastisch: drie kerken worden op korte termijn aan de eredienst onttrokken en herbestemd, voor twee andere valt de hakbijl mogelijk na 2020. Op termijn kunnen parochianen nog maar in twee kerken terecht, de Sint-Pietersbanden in het centrum en de Sint-Annakerk in Bottelare.

Sint-Martinuskerk – Schelderode. Ontwijd wegens te weinig gelovige zielen. (foto: Jonas Lampens)

Deze oefening wordt in nagenoeg alle Vlaamse gemeenten gemaakt. 2019-2024 zal de geschiedenis van de lokale besturen ingaan aan de legislatuur van de Grote Kerkenkrimp. Daarmee rijst een prangende vraag: wat aanvangen met al die overtollige tempels? De controverse rond de Gentse Sint-Annakerk _ die de stad in erfpacht wil geven aan een vastgoedgroep rond winkelketen Delhaize _ bewijst hoe gevoelig de kwestie ligt. Maar de operatie stelt nog een uitdaging waar zelden over gesproken wordt: wat met de inboedels? Kerkmeubilair, liturgisch vaatwerk, kandelaars, beelden, religieus textiel, onze kerken puilen letterlijk uit van wat met een containerbegrip roerend religieus erfgoed wordt genoemd. Er zit veel rommel tussen, maar ook kunst en artisanaat met grote museale of heemkundige waarde.

In die laatste categorie is geen plaats voor de kruisweg van de Sint-Martinuskerk. Een banaal gipswerk, zo luidde het oordeel van experts van Erfgoedcel Viersprong die de inboedel kwamen inventariseren. ‘Goed voor het containerpark’, zegt Lucie De Moor (63) die als secretaris van de kerkfabriek de boedelbeschrijving bijwoonde. ‘Zo hebben we hier wel meer spullen. Neem nu de kazuifels en koormantels in de sacristie. In perfecte staat, maar niemand wil ze nog hebben’. Ze ontvangt ons samen met Gaby Brain (71), al meer dan dertig jaar penningmeester van de kerkfabriek. Hun bestuursmandaat zit er bijna op. Sint-Martinus verdampt straks in een megafusie van 12 kerkfabrieken en evenveel parochies, verspreid over Merelbeke en buurgemeente Oosterzele. Ook dat is geen unicum, de Grote Kerkenkrimp gaat gepaard met een nog ingrijpender hertekening van het parochiale landschap. Het bisdom Gent reduceert het aantal parochies van 425 tot 48. In andere bisdommen worden gelijkaardige samenwerkingsverbanden opgezet, al gaat het onttrekken aan de eredienst er minder hard.

enkeltje containerpark

Het herbestemmen van de inboedel wordt de laatste missie van de kerkfabriek. Penningmeester Brain neemt het eerder gelaten op, secretaris De Moor heeft er meer moeite mee. Het voelt als een terdoodveroordeelde die zijn eigen graf moet delven, zeker voor een parochiaan die zich niet alleen als kerkbestuurder betrokken voelt. ‘Ik ben in Gent geboren maar in Schelderode getogen’, zegt ze. ‘Dit gebouw betekent veel voor mij. Ik heb hier mijn plechtige communie gedaan, ben hier getrouwd, heb hier mijn beide ouders begraven’. Ze voelt zich als een curator in haar persoonlijk museum. Die twee knielstoelen tussen de rommel bij het koor? Daar heeft ze op gezeten, zij aan zij met haar aanstaande, terwijl pastoor Debruyne hen in de echt verbond. Hun lot is nog niet bezegeld, maar een enkeltje containerpark zit er dik in. Voor de kapel van Sint-Blasius, aan te roepen bij keelontstekingen en brandwonden, staat een verzameling koperen kandelaars van wisselend formaat. Een vondst uit een kast die in geen decennia meer werd geopend. ‘Ik herkende ze meteen’, zegt De Moor. ‘Mijn moeder, een diepgelovig mens, stond altijd klaar voor parochie. In de zomer werd het koper gepoetst, dan ging ik als kind helpen. Ik heb het de laatste maanden vaak gedacht. Moesten mijn ouders weten wat er nu met hun kerk gebeurt, ze zouden zich omdraaien in hun graf’.

Lucie De Moor en Gabie Brain inspecteren de sacristie. “Niemand wil die kazuifels nog hebben”. (foto: Jonas Lampens)

Vrome parochianen van zo’n kaliber zijn zeldzaam geworden. Toch heerste er verslagenheid in Schelderode toen Sint-Martinus in het gemeentelijk kerkenbeleidsplan als prioritair te herbestemmen werd aangewezen. Een centenkwestie, langer wachten had een streep getrokken door een reeds toegezegde restauratiesubsidie. “Je had de laatste zondagsmis twee jaar geleden moeten meemaken’, zegt De Moor. ‘Stampvol, er waren heel veel bezoekers die in geen jaren nog een mis hadden bijgewoond maar persoonlijke herinneringen hadden aan onze kerk. Maandag ben ik de bloemstukken gaan ophalen om ze naar de kerk van Melsen te brengen. Toen pas sijpelde het door: het is nu echt afgelopen. Niet veel later is het decreet van de bisschop is in Kerk en Leven verschenen. Sint-Martinus is ontwijd, er is geen weg terug’.

De geprofaniseerde kerk krijgt een toekomst als polyvalent dorpshuis, met onder meer een afhaalpunt van de bibliotheek en blokruimtes voor studenten. Het is een bestemming waarmee ze zich kunnen verzoenen, zeker omdat het koor als stille ruimte wordt ingericht. Voor introspectie, desgewenst onder de vorm van een gebed. Beter alleszins dan de voorbeelden uit Nederland die tijdens een voorlichtingsavond van het CRKC de revue passeerden. ‘Daar steken ze zwembaden en discotheken in kerken’, zegt De Moor. ‘Ik mag er niet aan denken’. De nakende verbouwing noopt echter tot harde keuzes. Wat hoort in de kerk te blijven? Wat mag weg en waarheen? Er bestaan regels, zowel in het kerkelijk en burgerlijk wetboek als in de uitdeinende Vlaamse erfgoedregulering. Gewijde voorwerpen zoals kelken en monstranzen mogen volgens canoniek recht niet worden vermarkt. Kandelaars of lantaarnhouders daarentegen kunnen wel worden verkocht, en meubilair is een verhaal apart. Attributen zoals lambriseringen, monumentale altaren of kerkorgels zijn onroerend door aard. Die status geldt vaak wel maar niet altijd voor biechtstoelen. In geval van twijfel kan het criterium van nagelvastheid de doorslag geven, een merkwaardig begrip overigens in een kerkelijke context. Roerende goederen kunnen onroerend worden door bestemming, omdat ze bijvoorbeeld speciaal voor de kerk werden vervaardigd, zoals een beeld in een nis of een schilderij van een patroonheilige. In de praktijk is het allemaal nog veel complexer, want er moet ook rekening worden gehouden met een waaier van beschermingsregimes voor kerken en kerkinterieurs. Zo vergt een middeleeuwse kerk een totaal andere aanpak dan een exemplaar uit de 19de of 20ste eeuw. De Moor heeft goede hoop voor een van haar favoriete stukken: een reusachtig doek uit de 16de eeuw, voorstellend de heilige Martinus die de tempel van Jupiter vernielt. Niet echt nagelvast, maar wel een cultuurgoed waarvan de functie duidelijk bij het beschermde kerkgebouw hoort. ‘Ik hoop dat ze die naar de stille ruimte verplaatsen’, zegt ze. ‘Net zoals de biechtstoelen waar ik als kind nog heb in gezeten’.

tsunami

In theorie is het simpel. Het CRKC heeft twee jaar geleden een stappenplan voor het waarderen, selecteren en herbestemmen van roerend religieus erfgoed in parochiekerken opgesteld, in samenwerking met de provincies Oost-Vlaanderen en Antwerpen. Het document staat online ter beschikking van kerkbestuurders en andere erfgoedbeheerders. Overzichtelijk en volledig, maar toch worden instanties zoals het CRKC, bisdommen en erfgoedcellen overstelpt met vragen van radeloze kerkbestuurders. ‘De procedures zijn te complex om het hele traject over te laten aan de  kerkfabrieken’, zegt Bert Van der Veken, consulent religieus erfgoed van de provincie Oost-Vlaanderen. ‘Het gaat om vrijwilligers, doorgaans niet van de jongsten. Met het stappenplan redden ze niet, er moet begeleiding bij’. Jan Klinckaert, senior adviseur bij het CRKC, kan het beamen. ‘De herbestemmingen zijn nog maar goed begonnen, de volgende jaren krijgen we een vloedgolf van roerend religieus erfgoed over ons heen. Er is dringend nood aan meer expertise’. Aan de inspanningen van het CRKC ligt het niet. Medewerkers reizen Vlaanderen rond om herbestemmingstrajecten te initiëren of inventariseringen te begeleiden. Vanaf dit najaar zal extra worden ingezet op de vorming en ondersteuning van regionale adviseurs, een rol die lange tijd door de provincies werd vervuld. Door de zesde staatshervorming echter is de bevoegdheid roerend erfgoed per 1 januari 2018 naar Vlaanderen verhuisd.t

Naar een zusterkerk? Een museum of een opkoper? Of wordt het toch een enkeltje containerpark? Moeilijke keuzes dringen zich op. (Foto: Jonas Lampens)

In feite werd het CRKC in 1997 opgericht _ toen nog zonder museum PARCUM _ om een crisis te bezweren. Het was een periode waarin kloosterkerken, rusthuishuiskapellen en andere niet-parochiale gebedsruimten stelselmatig werden afgebroken of van hun liturgische functie ontheven. Het verschil tussen parochiaal en niet-parochiaal is in deze essentieel. Kerkfabrieken, onderworpen aan een publiekrechterlijk regime, staan onder streng toezicht. Ze zijn verplicht hun rekeningen en begroting aan de gemeente, bisdom en provincie voor te leggen. Daar staat tegenover dat lokale overheden verplicht zijn financiële tekorten bij te passen, meteen een goede reden waarom ze met hun neus bovenop herbestemmingsdossiers zitten. Heel wat oude kerken zijn overigens eigendom van steden en gemeenten, een situatie die aan de Franse revolutie te danken is. Het reeds vermelde concordaat maakte geen einde aan de nationalisering van parochiekerken. De meeste kerkgebouwen bleven openbaar bezit, met die restrictie dat ze verplicht ter beschikking van de eredienst werden gesteld, onder beheer van een kerkfabriek. Dat keurslijf ontbreekt bij kloosters, abdijen of inrichtende machten van scholen of rusthuizen. De ontmanteling van privaatrechterlijke kerken en kapellen was dan ook een feest voor antiquairs en brocanteurs die voor een prikje complete inboedels konden verwerven, in zoverre die niet zonder meer op het containerpark werden gedumpt. Het CRKC kon gelukkig heel wat waardevolle stukken redden en in het eigen depot opslaan. Dat zit intussen bomvol, voor de aanzwellende tsunami van roerend parochiaal erfgoed zijn andere oplossingen aangewezen.

Het zijn vuistregels uit het stappenplan: laat staan wat mag of moet blijven staan. Bestem de rest zoveel mogelijk lokaal, bij voorkeur met een liturgische of religieuze functie. De unieke kandelaar voor paaskaarsen of het fraaie wierrookvat kunnen banale exemplaren in een naburige kerk vervangen. Sommige rusthuizen maken graag een plek vrij voor een mooi Mariabeeld. Uitzonderlijk waardevolle stukken horen uiteraard in een museum thuis. Klinkt logisch, maar Annemie Van Dyck weet beter.  ‘Je moet echt leuren om een stuk geplaatst te krijgen. Vlaamse musea leggen een terminale onverschilligheid voor religieus erfgoed aan de dag. Helaas spoort dat met de houding van onze maatschappij. De huidige generatie heeft geen benul van de waarde van ons religieus patrimonium’. Van Dyck deed tien jaar expertise op bij het CRKC, sinds begin dit jaar werkt ze als freelance erfgoedconsulent. Op haar palmares staat onder meer de inventaris van de veelbesproken Sint-Annakerk in Gent, evenals een gezaghebbend boek over religieus textiel. ‘Misschien is dit een voorbijgaande fase’, zegt ze, ‘Ik heb soms het gevoel dat we ons nog altijd aan het afzetten zijn tegen de Kerk als instituut. Precies daarom moeten we voorzichtig zijn. We moeten ons religieus erfgoed vrijwaren voor de toekomstige generaties die het wel naar waarde zullen schatten’.

Kerk in Nood

Bij het CRKC leggen ze er de nadruk op: bij herbestemming weegt de lokale en heemkundige betekenis even zwaar als de kunsthistorische waarde. Een beeld van middelmatige kwaliteit kan het voorwerp hebben uitgemaakt van lokale devotie, in de kerk of in de processie. Idem voor een banaal schrijn met een reliek van een patroonheilige. Dergelijke identitieitsbepalende stukken worden bij voorkeur lokaal bewaard. Toch gaat er heel wat religieus erfgoed de grens over, vaak richting Oost-Europa waar een halve eeuw communisme grote gaten in de kerkelijke menagerie heeft geslagen. Een organisatie zoals Kerk in Nood heeft al menige vrachtwagen richting Polen, Hongarije of Slowakije gestuurd. Meubilair, kelken, zelfs kazuifels komen er nog van pas. Verrassend genoeg is ook Frankrijk een afnemer. ‘De wet op de laïcité van 1905 heeft de Franse kerken zowat kaalgestript”, zegt Jan Klinckaert. ‘Nu het parochieleven in enkele regio’s zoals het Zuidwesten een voorzichtige heropbloei kent, kampen ze met tekorten. We hebben zelf onlangs een mooie abdijretabel op transport naar Bayonne gezet’. Voor een deel van de inboedels echter is een herbestemming met liturgische, museale of heemkundige meerwaarde geen optie. Vermarkten valt te overwegen, tenminste als er geen canonieke bezwaren zijn. De vraag naar plaasteren beelden of koperen kandelaars is echter niet onbeperkt. Een tombola of uitverkoop voor het goede doel kan een oplossing zijn voor onverwoestbare maar ongemakkelijk zittende kerkstoelen. Toch kan niet worden vermeden dat grote hoeveelheden kerkgoederen roemloos op het containerpark of bij de schroothandelaar eindigen.

Ook onze kerken hebben vorige eeuw een beeldenstorm beleefd. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) heeft er met zijn aggiornamento stevig ingehakt. De mis, niet langer in het latijn maar in de volkstaal, moest worden opgedragen in een kader zonder tierelantijntjes en klatergoud. In de drang naar versobering vlogen de kroonluchters en beelden met dozijnen tegelijkertijd de kerkdeur uit, in Schelderode werden zelfs de fresco’s van het koor met saai wit overschilderd. Zo’n vaart zal het met de herbesttemmingsgolf niet lopen, maar de Mechelse erfgoedconsulent Patick De Greef is er toch niet gerust op. Door het gebrek aan expertise en de grote tijdsdruk dreigt er volgens hem een erfgoedkundige aderlating. Hij maakt zijn punt bij een plaasteren beeld in de Sint-Albertuskerk in deelgemeente Muizen, reeds aan de eredienst onttrokken en op weg naar een toekomst als wijkcentrum. ‘Kunsthistorisch is dit beeld waardeloos’, zegt De Greef. ‘Toch is het bijzonder, want niemand weet wie het voorstelt. Deze mysterieuze heilige staat in geen enkel iconografisch naslagwerk. Of neem het wierrookvat dat we bij het inventariseren hebben ontdekt. Klein, sober, zwart uitgeslagen, maar wel handgeslagen zilver. Een uniek stuk, we kunnen alleen gissen naar de herkomst. Vermoedelijk komt het uit een Waalse abdij en werd het door de kerkfabriek als welkomsgeschenk aan een pas benoemde pastoor gegeven. Als je even niet oplet, belandt zo’n stuk bij het oud ijzer. Voor topwerken is er geen gevaar, er zal heus geen Rubens of Van Eyck verloren gaan. Het is de categorie daaronder, de minder opvallende parels in de bulk, die me zorgen baart. De verleiding is immers groot om er met de grove borstel doorheen te gaan. Een herbestemming is voor de veelal gepensionneerde vrijwilligers van een kerkfabriek een loodzware opdracht die ze bovendien met frisse tegenzin moeten klaren. Want met of zonder kerkenbeleidsplan, velen zijn boos omdat uitgerekend hun kerk wordt opgedoekt. Heel wat bestuurders geven er de brui aan, het is trouwens bekend dat de bisdommen nauwelijks nog vrijwilligers vinden om de overblijvende kerkfabrieken te bevolken. Geen wonder, want door de megafusies wegen de verantwoordelijkheden veel zwaarder. Kerkfabrieken zouden geprofessionaliseerd moeten worden’.

superpli’s

De ontmanteling van de Sint-Albertuskerk, eigendom van de stad Mechelen, is een pilootproject van CRKC en de provincie Antwerpen. In lijn met het stappenplan werd eerst geïnvesteerd in een lokaal draagvlak. Behalve de stedelijke erfgoeddienst en de kerkfabriek zaten lokale verenigingen en betrokken parochianen mee aan de tafel. Eens de knoop over de herbestemming doorgehakt, verschoof de focus naar de inboedel. De kerkfabriek huurde De Greef in om de inventaris te maken. De historicus en stadsgids heeft zich gespecialiseerd in kerkelijk erfgoed. Koorkappen, stola’s, manipels, dalmatieken en superpli’s, weinigen kunnen zoals hij begeesterend praten over religieus textiel. Maar De Greef is ook beslagen in kerkmeubilair, en over religieus vaatwerk maakt niemand hem iets wijs. Wie het verschil wil kennen tussen een miskelk en een ciborie is bij hem aan het goede adres. ‘We beseffen niet welke schatten er in onze kerken liggen’, zegt hij. ‘Zilversmeden, houtbewerkers, brokaatwevers, hun namen zijn onbekend, maar het waren toppers in hun vak. Ze werkten in opdracht van kerkfabrieken, maar ook van rijke families die wilden bijdragen aan de luister van een kerk en het heil van hun ziel. De productie van kerkgoederen was tot diep in de 19de eeuw een belangrijke nijverheid. In Mechelen waren tientallen gespecialiseerde ateliers en winkels. Dit is natuurlijk de zetel van het aartsbisdom, maar ook in Antwerpen was er een belangrijke industrie. In deze kerk hebben we op twee mooie heiligenbeelden uit de 19de eeuw de namen van twee verschillende Antwerpse ateliers ontdekt. Het zou zonde zijn dat allemaal weg te gooien, want we weten nog maar bitter weinig af van die hele 19de eeuwse nijverheid. Zelfs de 20ste eeuwse periode, toen er van artisnale naar machinale productie werd overschakeld, is niet te versmaden. Stadelmaier, dat was de Gucci van de religieuze mode. Pokkeduur, een standaardset met een kazuifel, een koorkap en twee dalmatieken kostte een half huis. Sint-Albertus was een arbeidersparochie met een arme kerkfabriek. Toch hebben we in de sacristie een Stadelmaier gevonden. Oudere parochianen kenden het verhaal nog. Pastoor Mollekens had zijn ietwat vermogende parochianen aangepord om te doneren voor zijn Stadelmaier. Hij was dan wel herder op een arbeidersparochie, hij wilde goed voor de dag komen. Geweldig toch? De verhalen zijn even waardevol als de spullen waaraan ze kleven’.

gedenkpenningen van processies die ooit jaarlijkse uitgingen in Schelderode. (foto: Jonas Lampens)

De Greef bouwde met het stappenplan zijn eigen drietrapsraket: inventariseren, waarderen en uitvoeren. Het eerste spreekt voor zichzelf. Opmeten, fotograferen, beschrijven, per object was hij een half uur tot een uur kwijt. Bij de tweede stap boog een gemengde commisie zich over de inventaris, gecomprimeerd tot 150 ensembles. Van depot over museum en rusthuis tot vermarkten en afvoeren naar het containerpark, per lot werd een consensueel besluit genomen dat nog op uitvoering wacht. ‘Het is allemaal ontzettend tijdrovend’, zegt De Greef. ‘De waarderingsronde heeft een tiental vergaderingen gekost. Sint-Albertus is maar een bakstenen kerkje uit 1903 met weinig belangwekkend erfgoed. Binnenkort komen ook middeleeuwse kerken aan de beurt, met erfgoed van voor de Franse revolutie. We staan voor een titanenklus’.

200 jaar Waterloo: De Belgische pachters van de Wellingtons

Knack, 10 juni 2015

‘De privileges afschaffen? België is altijd bang geweest voor een diplomatieke rel met de Engelsen’

200 jaar na de Slag van Waterloo is ook het laatste achterhoedegevecht gestreden. De dotatie van 1.083 hectaren landbouwgrond in Waals-Brabant, geschonken door de Nederlandse koning Willem I aan de hertog van Wellington, blijft buiten schot. Tot grote vreugde van de Belgische pachters. Nergens is het beter boeren dan hij den Duc.

 

Broers De Paepe, enthousiaste pachters van de Hertog van Wellington (foto: Steven Richardson)

Broers De Paepe, enthousiaste pachters van de Hertog van Wellington (foto: Steven Richardson)

Bos-de-Nivelles, een gehucht op de grens van Waals-Brabant en Henegouwen. De avondzon werpt een warme gloed over een glooiend tapijt van akkers en weilanden. “Allemaal van de hertog”, zegt Geert De Paepe. “Behalve de grond waar die windmolens staan. Ze hebben het hem nochtans aangeboden. Had hij toegehapt, dan stonden ze nu op onze pacht. Maar de oude hertog wilde er niet van weten, ook al kon hij er net als wijzelf wat aan verdienen. Hij had nogal uitgesproken ideeën over landbouw en plattelandsontwikkeling, en windmolens pasten daar niet in”.

Mark en Jan De Paepe zijn erbij gekomen. Drie broers, twee bedrijven. Geert combineert veeteelt en akkerbouw met aardbeien. Mark en Jan kweken op het ouderlijke bedrijf varkens en verbouwen onder meer appels en aardbeien. Ze spreken nog ‘Vlaams’ onder elkaar, thuis geleerd van hun ouders die zoals vele boeren na de oorlog de taalgrens overstaken op zoek naar grond. Achteraf bekeken was het een gouden zet: ze konden een bedrijf overnemen, gelegen in wat in deze uithoek van Waals Brabant bekend staat als la dotation des Wellington.

Slag van Waterloo

Op oudejaarsavond, 31 december 2014, blies de 99-jarige Arthur Valerian Wellesley, achtste hertog van Wellington, zijn laatste adem uit. Volgens het ongeschreven gewoonterecht van de Britse adel gingen zijn titels over op zijn eerstgeboren zoon, de thans 67-jarige Arthur Charles Wellesley die in afwachting als Markies van Douro door het leven was gegaan. Als upgrade in de Europese aristocratie kon het tellen. Behalve Duke of Wellington mag Charles Wellesley zich voortaan ook Hertog van Ciudad Rodrigo, Hertog van Victoria en Graaf van Vimeira noemen. Maar vooral: als hertog van Wellington werd hij volautomatisch tot Prins van Waterloo verheven.

De Wellingtons zijn na de Windsors misschien wel de bekendste dynastie van het Verenigd Koninkrijk. Hun discretie is even legendarisch als hun reputatie. The Daily Telegraph was dan ook geen beetje trots toen ze de pas gepromoveerde hertog bereid vonden terug te blikken op het lange leven van zijn voorganger en verwekker. Hoe sneu het niet was dat zijn vader de geest had gegeven, luttele maanden voor de 200ste verjaardag van de Slag van Waterloo, het evenement waar hij op zijn oude dag reikhalzend naar had uitgekeken. Een verplaatsing naar Waterloo was wellicht te hoog gegrepen, maar de viering in de Saint Pauls Cathedral, misschien wel in aanwezigheid van koningin en huisvriendin Elisabeth, had hij onder geen beding willen missen.

Zeggen dat het voor de Wellingtons allemaal in Waterloo begon, zou de waarheid geweld aandoen. De in Dublin geboren veldmaarschalk en politicus Arthur Wellesley had al lang voor 1815 zijn sporen verdiend, onder meer tijdens de Iberische Onafhankelijkheidsoorlog. Maar onsterfelijke roem vergaarde hij pas op 18 juni 1815, toen hij als opperbevelhebber van de Britse en Nederlandse troepen op het slagveld in de rand van het Zoniënwoud Napoleon Bonaparte en zijn Grande Armée een beslissende nederlaag toebracht. Drie weken na de veldslag nam Willem van Oranje-Nassau zijn pen ter hand om in krullende Franse volzinnen de dankbaarheid van het volk der Verenigde Nederlanden met een ad hoc verzonnen titel uit te drukken. Prins van Waterloo, erfelijk in mannelijke lijn volgens het eerstgeboreneprincipe. Willem I liet het niet bij een symbolisch gebaar. Om de nieuwbakken prins in staat te stellen zijn stand op te houden, werd aan de titel een dotatie gekoppeld: 1.083 hectaren bosgrond, verspreid over de gemeenten Nijvel, Obaix, Thines, Baisy-Thy, Vieux Genappes en Frasnes. Er is geen overlapping met het slagveld, nochtans een populair misverstand. De dotatie werd integraal geput uit de zogenaamde nationale goederen, gronden van kloosters en abdijen die tijdens de Franse revolutie werden verbeurd verklaard en na de Franse periode in handen van de overheid vielen.

Generaal Blücher

“Prins van Waterloo is dus een Nederlandse titel”, zegt Yves Vander Cruysen.  “Maar na de onafhankelijkheid heeft België als opvolgstaat de titel met de bijbehorende rechten overgenomen, zoals trouwens vermeld in het Verdrag van Londen van 1839 dat de Belgische onafhankelijkheid definitief bevestigde. Niet alle Belgische revolutionairen waren daar blij mee, maar het was niet het moment voor een klein en jong landje om de machtige Britten in de gordijnen te jagen”. Vander Cruysen, eerste schepen in Waterloo, weet waarover hij spreekt. De oud-journalist schreef met ‘Waterloo démythifié, een van de stilaan ontelbare naslagwerken over de beroemdste veldslag uit de krijgsgeschiedenis. De dotatie van de Wellingtons ontsnapte niet aan zijn aandacht. “Het gaat om een majorat, een zelden gebruikte juridische constructie. De Belgische staat blijft naakte eigenaar van de gronden, maar de Wellingtons genieten voor onbepaalde tijd het vruchtgebruik. Ze mogen de gronden onder geen beding verkopen, maar wel exploiteren of verpachten”.

Willem I was niet eenkennig. Ook de Pruisische generaal Blücher, die met zijn tussenkomst de slag van Waterloo in het voordeel van de geallieerden beslechtte, kreeg in 1815 een hoge ridderorde plus een erfelijke dotatie op Nederlands grondgebied. De Blüchers echter zijn hun landerijen al lang kwijt, een represaille na de Duitse invasie in mei 1940. Zo ging het in heel Europa met soortgelijke dotaties. Revoluties, regimewissels, uiteenvallende en opvolgende staten, in de loop der jaren werden de relicten van het ancien regime een na een afgeschaft. Zo verloren ook de Wellingtons hun landerijen in Spanje en Portugal. Hun dotatie in Waals Brabant zou echter alle historische schokgolven doorstaan, van de Belgische omwenteling over twee wereldoorlogen tot het algemeen enkelvoudig stemrecht. Tot op heden, twee eeuwen na de Slag van Waterloo, verpacht de Britse hertog er een dikke duizend hectaren landbouwgrond. Landbouwgrond, inderdaad, want de eerste hertog van Wellington/prins van Waterloo bleef niet bij de pakken zitten. Hij liet de bossen op zijn dotatie rooien, wat overigens aanleiding gaf tot het ontstaan van een nieuwe bron van inkomsten. “Het kappen van de bossen behoorde niet tot het gewone vruchtgebruik”, legt Vander Cruysen uit. “Wellington heeft daar in 1817 een akkoord met de Nederlandse thesaurie over gesloten: de opbrengst van de houtverkoop werd geruild voor een staatsobligatie die hem een jaarlijkse rente opleverde. Ook dat akkoord werd door België overgenomen”.

Rassemblement Wallon

In 1988 sloot toenmalig minister van financiën Philippe Maystadt (CdH) een deal met de 8ste hertog van Wellington. België kocht de eeuwigdurende renteverplichting, bepaald op 100.000 Bef (2.500 euro) per jaar, terug. In ruil kreeg de hertog 25 hectaren van zijn eigen dotatie in volle eigendom, met mogelijkheid tot verkoop. Naar eigen zeggen wilde de hertog daarmee komaf maken met het gezeur over zijn adellijke voorrechten dat bij tijd en wijle in de Waalse politieke middens opsteeg. Vooral Jean-Emile Humblet, jurist en econoom, professor in Mons, senator voor het Rassemblement Wallon, heeft onvermoeibaar geijverd voor de afschaffing van die privileges. De deal van Maystadt vond in zijn ogen geen genade. Afkopen van de jaarlijkse rente? Nergens voor nodig, oordeelde Humblet die in 200O met enkele gelijkgezinden naar de rechtbank stapte om de hele dotatie ongeldig te laten verklaren. Volgens het verzoekschrift was het koppelen van privileges aan een adellijke titel een anakronisme uit het ancien regime, en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Humblet, die in 2001 een boek over de affaire publiceerde, schatte de tot dan toe gecumuleerde winst van de Wellingtons op ruim 50 miljoen euro. Zijn vordering werd echter afgewezen, en de ironie wil dat flamboyante activist in december op 94-jarige leeftijd stierf, drie weken voor zijn ook al hoogbejaarde opponent.

Humblet was een linkse Wallingant  met rattachistische sympathieën, een milieu waar de nederlaag van Napoleon in Waterloo en de scheiding van het Franse moederland nog altijd openlijk wordt betreurd. Maar de dotatie werd ook vanuit andere hoeken in vraag gesteld. Een opvallende criticaster was graaf Yves du Monceau de Bergendal, burgemeester van Ottignies-Louvain-La-Neuve, PSC-senator en kamerlid voor Waals Brabant, tevens medestichter van warenhuisketen GIB. Als parlementslid bewoog hij hemel en aarde om de dotatie onderuit te halen, maar zonder resultaat. “Het was ongezien”, zegt Serge de Meeûs. “Een aristocraat die een andere aristocraat aanvalt. Ach ja, du Monceau was natuurlijke in de eerste plaats een politicus die zich op de kap van de hertog in zijn kieskring wilde profileren”.

Niet dat vastgoedmakelaar Serge de Meeûs ook maar iets tegen aristocraten heeft, voluit heet hij trouwens de Meeûs d’Argenteuil. Deze Belgische graaf beheert de dotatie van de Britse hertog, een besogne die al sinds 1937 door zijn familie wordt waargenomen.  Een interview daarover ziet hij na ruggenspraak met Londen niet zitten. In het licht van de nakende herdenkingsfeesten in Waterloo kunnen de Wellingtons stennis over de dotatie missen als kiespijn, geeft hij tussen neus en lippen toe. De hertog wordt immers een van de eregasten, zijn geplande handdruk met de nazaten van Napoleon en Blücher belooft een symbolisch hoogtepunt van Europese verzoening te worden. Het mag trouwens worden gezegd: de Wellingtons hebben zwaar gelobbyd en bij wijlen ook stevig gedokt om de nagedachtenis aan de veldslag te vrijwaren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werden plannen gesmeed om de Brusselse Ring zuidwaarts door te trekken, dwars doorheen het slagveld van Waterloo. Dat het plan mislukte, is mede aan het vastberaden verzet van de achtste hertog van Wellington te danken.

zware successierechten

Een ding wil graaf  de Meeûs wel kwijt. “Het gestook tegen de Wellingtons is zinloos. De dotatie is perfect legaal”. Dat is ook wat Didier Reynders als minister van financiën in 2009 antwoordde op een parlementaire vraag van Vlaams Belanger Bruno Stevenheydens. Het extreemrechtse kamerlid had nochtans een dijk van een argument geleend bij de extreemlinkse Jean-Emile Humblet: sinds 1815 werden de opvolgingsregels al drie keer met de voeten getreden. Een blik op de stamboom van de Wellingtons volstaat om zich daarvan te vergewissen. De derde, vierde en zevende hertog waren respectievelijk neef, broer en oom van hun voorganger. Geen opvolging van vader op oudste zoon dus, zoals Willem I het in 1815 uitdrukkelijk had bepaald. Heeft België tot drie keer toe de kans gemist om de prinselijke titel met de bijbehorende dotatie te annuleren? Reynders poneert in zijn antwoord op de parlementaire vraag dat de strikte interpretatie van de erfopvolging foutief is, zonder evenwel argumenten aan te dragen. Maar misschien ligt de echte verklaring buiten de juridische arena. “België is altijd bang geweest voor een diplomatieke rel met de Engelsen”, hoorden we van verschillende bronnen.

Yves Vander Cruysen vindt de controverse vooral kouwe drukte. “Het is helemaal niet zo dat de Wellingtons op de Belgische schatkist teren. De door Humblet geciteerde opbrengsten zijn compleet uit de lucht gegrepen. De dotatie brengt jaarlijks 125.000 euro op, een bedrag waarop de hertog netjes belastingen betaalt. In feite doet de Belgische schatkist een goede zaak, want bij iedere erfopvolging worden ook nog zware successierechten geheven. Vraag maar eens aan de pachters wat ze van de dotatie denken. De boeren zijn de grootste supporters van de Wellingtons”.

De broers De Paepe willen het graag beamen. “Het is niet dat we bij de duc minder betalen dan normaal”, zegt Marc. “De pachttarieven worden per provincie door een officiële commissie vastgesteld. De hertog rekent een dubbel maximumtarief aan, dat mag omdat hij met langdurige contracten werkt. We pachten telkens voor 27 jaar, een onbetaalbare luxe. Ga maar eens vragen bij boeren buiten de dotatie. Landbouwgrond is peperduur, er gaan voortdurend gronden verloren aan industrie of verkavelingen. Eigenaars geven geen langdurige contracten, ze grijpen iedere kans om meer uit hun grond te slaan. Kleine bedrijven worden eruit geduwd. Als er ergens een paar hectaren vrij komen, dan worden die door grote agrobedrijven ingepikt. Van die stress hebben wij geen last. De hertog kan of mag zijn grond niet verkopen of verkavelen. Als je in de dotatie zit, ben je zeker dat je niet van de ene op de andere dag de helft van je areaal verliest. Zonder de hertog zou het hier nu heel anders uitzien. Wat verderop ligt de industriezone Nivelles Sud. De gemeente zou die willen uitbreiden, maar de plannen botsten letterlijk op de grenzen van de dotatie”.

Voor studenten notariaat is het een interessante case. De boerderij, loodsen, en installaties zijn eigendom van de boer. De grond eronder valt onder een erfpacht van 99 jaar, de cultluurgronden onder een gewone pacht van 27 jaar. Een tachtigtal boeren geniet van dit unieke regime. De meesten bewerken maar een paar hectaren, de broers De Paepe behoren tot het selecte kransje grote pachters wier bedrijf grotendeels of zelfs integraal binnen het hertogelijke domein valt. Het is een gesloten club. Als een bedrijf stopt, krijgen boeren uit de dotatie voorrang om tegen elkaar op te bieden. “Zo heb ik 27 jaar geleden dit bedrijf overgenomen”, zegt Geert. “Er waren nog drie kandidaten uit de dotatie. Ik heb het gehaald, ook omdat ik altijd al de chouchou van de duc ben geweest”.

zuinig maar correct

Dat zou best kunnen. De hertog beperkt zijn rol als landheer niet tot het natellen van zijn pachtwinsten. Gemiddeld om de twee jaar brengt hij een bezoek aan Waals Brabant, een expeditie waarbij de aandacht wordt verdeeld over de voorvaderlijke monumenten in Waterloo en de prinselijke landerijen in en om Nijvel. “Het is de Meeûs die alles organiseert”, vertelt Geert. “Hij heeft thuis een extra paar rubberlaarzen staan, die trekt de hertog aan als ze samen de boer op gaan. Gewoonlijk pikken ze er twee of drie bedrijven uit. Als kind heb ik de oude hertog bij mijn ouders weten passeren, maar de voorbije jaren was het altijd de zoon, de markies die nu pas hertog is geworden”. De broers zijn het roerend eens: Charles Wellesley, gewezen Europarlementslid voor de Tories, bestuurder van beursgenoteerde vennootschappen, komt als een beslagen man op het boerenerf. “Hij heeft echt verstand van de stiel”, zegt Geert. “Koeien interesseren hem niet, maar over serreteelt of boerenmarkten wil hij alles weten. Hij spreekt Frans, maar met een zwaar accent. Een vriendelijke man, maar het moet vooruitgaan. Gewoonlijk nodigt de Meeûs bij zo’n bezoek nog een paar andere grote pachters uit, dat werkt efficiënter. Bij ons is de markies een jaar of tien geleden voor het laatst gepasseerd. Ik zal het tafereel nooit vergeten. Toen we hem na de rondleiding voor de koffie binnenriepen en hij zijn laarzen uittrok, bleken zijn sokken vol pluis te zitten. Mijn vrouw heeft hem een paar van mijn sokken gegeven, de oude nam hij mee in een plastiekzak. Twee weken later ontvingen we een pakje uit Engeland, met mijn sokken erin. Zuinig maar correct, zo zijn ze wel”.

En gesteld op tradities, ook dat. Bij decimale verjaardagen of andere plechtigheden ten huize Wellington werden de pachters door graaf de Meeûs aangespoord om hun betrokkenheid met een passend gebaar te manifesteren. Ook bij de begrafenis van Arthur Valerian Wellesley begin januari werd namens de Belgische pachters een bloemenkrans afgeleverd. De broers De Paepe herinneren zich hoe hun ouders zich opdirkten voor de feestjes die ter ere van de hertog op het familiekasteel van de Meeûs in Lillois werden gegeven. Een van de mooiste geplogenheden is helaas verwaterd. Tot kort voor de eeuwwende was het usance dat de hertog zijn Belgische pachters om de twee, drie jaar op zijn kasteel in Stratfield Saye in Hampshire uitnodigde. Christian Fayt, met een goeie 100 hectaren de grootste dotatiepachter, was er met zijn ouders bij. “Voor de 80ste verjaardag van de hertog”, vertelt de Nijvelse boer aan de telefoon. “We vertrokken met een volle bus, boeren met hun vrouwen. Drie dagen zijn we ginder gebleven. Er was een ontvangst op het kasteel en een rondleiding op het domein. We bezochten ook pachthoven, want de Wellingtons hebben ook in Engeland veel grond liggen. Voor vele boeren was het hun allereerste buitenlandse vakantie”.

De broers De Paepe zijn nooit in Stratfield geraakt, maar hun vader was er wel bij. Wat hij erover vertelde? “Niet veel”, zegt Jan. “Maar dat ligt aan onze pa, een man van weinig woorden”. Misschien krijgen ze nog wel de gelegenheid om zelf te gaan kijken. De kans dat de dotatie snel wordt afgeschaft, is immers klein. “Dat kan alleen als er geen mannelijke erfopvolger meer is”, zegt Geert. “Op dat punt moeten we ons geen zorgen maken. De nieuwe hertog heeft een zoon en een kleinzoon, de toekomst is verzekerd”.

Slachting zonder bloedvergieten: reenactors spelen Waterloo na

 De Standaard 17 juli 2015

Reenactment? Geschilderde figuranten die tot leven werden gewekt maar nog stram staan van de vernis.

5000 figuranten en 300 paarden doen vrijdag en zaterdag  de Slag van Waterloo over. Onze verslaggever maakte in Ligny de generale repetitie mee. ‘Reenactment is een passie, al mijn vrije gaat eraan op’

Slag bij Ligny bis, zonder afgerukte ledematen (foto: Brecht Van Maele)

Slag bij Ligny bis, zonder afgerukte ledematen (foto: Brecht Van Maele)

Ligny, een gat in Namen. Waar de klaprozen bloeien, vallen de soldaten als vliegen. Ook in Wallonië, meer bepaald in het korenveld langs de rue du Bois du Loup. Rookpluimen stijgen ten hemel, we horen kanonnen bulderen en silexgeweren snerpen. Het is half elf, dit is nog maar het voorspel van wat tot een bloederige veldslag zal escaleren. Ook al schieten ze met losse flodders, toch valt al een slachtoffer te betreuren. Benny Degeest, officier in het 14de regiment huzaren van Napoleon, is uit zijn rol gevallen.  ‘Stom’, foetert hij. ‘Vanmorgen bleek dat ze me een zesjarige Engelse volbloed als huurpaard hadden gegeven. Niet in te tomen, ook al heb ik vijf jaar Spaanse rijschool gevolgd. Hij begon meteen te bokken en te stampen. Gevaarlijk voor het publiek, en een slecht voorbeeld voor de andere paarden. Er zat niets anders op dan af te stappen en het slagveld te verlaten. Doodzonde, want ik had een geweldige rol als verbindingsofficier, de liaison tussen Napoleon en generaal Pelet’.

Rusland

Hij heeft zijn paard ingeleverd, met de assistentie van een bevriende dragonder. Op de terugweg naar het slagveld, voortdurend onderbroken door selfiejagers, licht Benny zijn keuze toe. ‘Ik kom uit Tienen, destijds Frans gebied. In de Grande Armée zaten heel wat conscrits uit Tirlemont. Maar ik ben ook gefascineerd door het militaire genie en de historische betekenis van Napoleon. Wist je dat ons hele burgerlijk rechtssysteem nog altijd op de code Napoléon is gebaseerd?’.  Van een ambtenaar bij de FOD justitie nemen we dat graag aan, ook als hij op de ICT-dienst werkt. Benny is overigens eerlijk genoeg om nog een zwaarwegend motief te bekennen. ‘De Fransen hebben mooiere uniformen dan de geallieerden. Bij de Pruisen is het armoe troef. Een grijs kostuum met een petje, veel wilder wordt het daar niet’. Dat moet je hem zien: goudbrokaten sluitingen en officiersstrepen op scharlakenrood, kraag en mouwomslagen in koningsblauw, alleen al zijn jasje is om te stelen. Zijn spectaculaire hoofddeksel? ‘Een kolbak’, preciseert hij. ‘Gemaakt van echt berenbont, recyclage van een pelsmantel. Ik maak zoveel mogelijk zelf, want uniformen zijn peperduur. Bij de cavalerie zit je in de handel gauw aan 7.000 euro, zonder zadel en beslag’. Benny draait intussen zo’n 15 jaar mee in keizerlijke dienst. “Het is een passie, al mijn verlof en vrije tijd gaan eraan op. Ik heb al in heel Europa aan reenactments  meegedaan. Alleen voor Rusland pas ik, je moet ergens een lijn trekken’.

Benny Degeest, had liason van Napoleon kunnen zijn (foto: Brecht van Maele)

Benny Degeest, had liason van Napoleon kunnen zijn (foto: Brecht van Maele)

witte schimmel

De slag bij Ligny was een hecatombe, zo vertelt een dramatische luidsprekerstem.  Akkers bezaaid met lijken en afgerukte ledematen, het hele dorp in lichterlaaie. Niks overdreven, want het heeft hier op 16 juni 1815 gestoven. 12.000 Pruisen bleven dood of gewond achter, aan Franse zijde was de tol nauwelijks lager. De slag zou de geschiedenis ingaan als de laatste overwinning van Napoleon, twee dagen voor zijn ondergang in Waterloo. Zijn reïncarnatie, fier gezeten op een witte schimmel, oogst luid applaus bij het massaal opgekomen publiek. Dit is Wallonië: was het een potje voetbal, dan speelden de Fransen een thuismatch. Het bloedstollende relaas van de omroeper contrasteert nogal met het makke vertoon. Nu en dan zien we twee groepjes uniformen langzaam door het kniehoge koren naar elkaar toe schuifelen. Aanleggen, schieten, het levert alleen rook en lawaai op. Niemand zijgt ter aarde, laat staan dat er bloed of gekerm aan te pas komt. Alleen de cavalerie houdt enigszins de schijn op. Af en toe wordt er met getrokken sabel gechargeerd, de strijdkreet jooha is niet van de lucht. Reenactment? Geschilderde figuranten die tot leven werden gewekt maar nog stram staan van de vernis. Een tableau vivant met veel figuranten: 1.500 plus 100 paarden, dinsdag verhuizen ze met zijn allen naar Waterloo waar liefst 5000 reenactors en 300 paarden aan de bak gaan.

bestorming van de Bastille

Half twee, de inwendige mens roept, de slag wordt afgeblazen. Peloton na peloton trekt door het dorp. Netjes in de pas, klaroenspeler voor, trommelaars achter. Kurassiers, dragonders, huzaren, grenadiers, infanteristen en artilleristen, je moet al een kenner zijn om Frans van Pruis te onderscheiden. Aan beide kanten veel vrouwen, ook bij de cavalerie en de kanonniers. De zon is vandaag de gemeenschappelijke vijand, alleen al de gedachte aan een uniform doet het zweet uitbreken. Toch denkt Gerd Hoad er niet aan zijn jasje uit te trekken. We treffen de 54-jarige Brit uit Kenton-Londen bij een worstenkraam achter het lokale museum, voor de gelegenheid omgetoverd in een braderij met een onwaarschijnlijke variatie aan Napoleon-parafernalia. ‘Een echte reenactor draagt zijn volledige uniform als hij het bivak verlaat’, zegt Gerd. ‘Zie je die kerels daar in hun hemdsmouwen? Dat hoort echt niet’. Zeggen dat hij reenactment ernstig neemt, is een understatement. Al 27 jaar is Gerd bij de 9ième régiment d’infantérie légère, bijgenaamd ‘les incomparables’. We hebben het hem drie keer moeten vragen, want het klinkt nog altijd alsof hij een hete aardappel in de mond heeft. Wat moet een Brit ook bij Bonaparte? Had hij niet voor Wellington moeten kiezen? ‘Ben je gek’, zegt hij gespeeld verontwaardigd. ‘Aan wie hebben we onze vrijheid en democratie te danken? Aan wie het ideaal van een verenigd Europa? Leve Napoleon en leve de Franse revolutie! Ik ben niet voor niks in 1988 begonnen, tweehonderd jaar na de bestorming van de Bastille”. Zestig incomparables uit acht verschillende landen zijn naar Ligny afgezakt, in Waterloo komen er nog dertig bij. Vrienden voor het leven, ze hebben samen veldslagen in Spanje, Oostenrijk, Duitsland, Italië en Frankrijk doorstaan. ‘Waterloo wordt emotioneel’, zegt Gerd. ‘Het einde van Napoleon, en meteen ook het eindpunt voor onze club. Begin oktober komen we nog een laatste keer samen in Carcassonne, om de ontbinding van le 9ième te herdenken’.

reeactors, even beweeglijk als figuranten uit een schilderij (foto: Brecht Van Maele)

reeactors, even beweeglijk als figuranten uit een schilderij (foto: Brecht Van Maele)

Europese gedachte

Gehoord van verschillende reenactors: de veldslagen zijn misschien wat saai, maar het bivak maakt alles goed. Het ziet er inderdaad gezellig uit, een camping zonder auto’s of caravans, met linnen tenten en primitief kookgerei. Vrouwen spelen hier bij voorkeur  de rol van vivandières. Wasvrouwen, drankverkoopsters, ze hoorden bij de negentiende-eeuwse legers, net als de prostitués die vandaag schitteren door afwezigheid. Terwijl op het houtvuur een pan spek en een stoofpot pruttelen, is Thorsten Morgendahl zijn geweer aan het poetsen. Aan de bretellen op zijn blote bast valt het niet af te lezen, maar we zijn te gast bij The King’s German Legion. ‘Een Duitse eenheid binnen het Britse leger’, legt hij uit. ‘Komt door de personele unie tussen het Britse koningshuis en het keurvorstendom Hannover, maar dat is een lang verhaal’. Thorsten, manager van beroep, is al 20 jaar reenactor. ‘In Duitsland heb je twee opties. Je kunt middeleeuwer spelen, compleet met zwaardgevechten. Leuk, maar ik vind maliënkolders met ritsen nogal fake. De beleving van de Napoleontische periode is veel authentieker. Het geeft ook een goed gevoel, Duitsers, Engelsen en Fransen samen op bivak. Gezworen vijanden die verbroederen, goed voor de Europese gedachte”.

Thorsten Morgendahl doet het ook voor de Europese gedachte (foto: Brech Van Maele)

Thorsten Morgendahl doet het ook voor de Europese gedachte (foto: Brech Van Maele)

Amerikaanse burgeroorlog

Daar hebben Chuck en Judy Young wellicht geen boodschap aan. Het Amerikaans koppel is voor de gelegenheid bij de Pruisische Landsturm ingelijfd. ‘Maar thuis doen we ook andere periodes’, zegt Chuck. ‘De Romeinen, de Amerikaanse burgeroorlog, zelfs WOII. We hebben onze eigen tank, een Duitse Stug III van 20 ton. Mijn vrouw rijdt, ik bedien het kanon’. Het was voor de Youngs gisteren een prettig weerzien met Bill Lincoln, een van de vele Australiërs die voor het eeuwfeest naar België is komen vliegen. Plannen om vijftig paarden van down under mee te brengen, botsten in Waterloo op een veterinair veto. Vorig jaar waren de Youngs met Bill in Hoogstraten, ook Leipzig hebben ze samen beleefd. Veel geld? Chuck, managing partner van een munitiefabriek, haalt de schouders op. ‘Tijdsgebrek is een groter probleem. Maar 200 jaar Waterloo, dat had ik voor geen goud ter wereld willen missen’.