Tagarchief: obesitas

VIER-Topdokter Matthias Lannoo over leven met en vechten tegen obesitas

Knack, 20 april 2016

“Vanaf BMI 135 spreken we van morbide obesitas. Dat is geen stijlfiguur, obesitas is wel degelijk een dodelijke ziekte”

Obesitas is een plaag. Ook in België waar de helft van de bevolking met overgewicht kampt. De zwaarste gevallen belanden op de operatietafel van Matthias Lannoo, de abdominaal chirurg die binnenkort zijn snijkunsten demonstreert in het succesvolle VIER-programma Topdokters. Knack interviewde een gedreven medicus die niet alleen het mes zet in overtollige vetlagen. Even belangrijk is zijn strijd tegen de vele vooroordelen waaronder obesitaspatiënten gebukt gaan. ‘Niemand kiest ervoor om dik te zijn’.

foto: Tim Dirven

foto: Tim Dirven

Volgende dinsdag lanceert VIER een nieuwe reeks Topdokters, een medische reality van productiehuis Woestijnvis. Zoals in de vorige twee edities is er voor elk wat wils, van transplantatiechirurgen en revalidatieartsen over neurologen en longartsen tot leukemie- en fertiliteitsspecialisten. Alle universitaire ziekenhuizen mochten een of meerdere toppers afvaardigen, ook dat evenwicht werd netjes bewaard. Een van de uitverkoren topdokters is Matthias Lannoo, abdominaal chirurg verbonden aan de obesitaskliniek in het UZ Leuven.  ‘Vreselijke titel’, zegt hij terwijl hij voor het interview nog gauw twee koffies tankt. ‘Topdokter, daar durf je toch niet mee buiten komen? Onder collega’s wordt daar vooral lacherig over gedaan. Uit jaloezie? (lacht) Misschien speelt dat mee, maar zulke gevoelens worden in ons vak alleen achter de rug geuit’.

We moeten hem dus op zijn artsenwoord geloven: hij heeft geen ja tegen Woestijnvis gezegd om zij ego te strelen. Waarom dan wel? ‘Uit verantwoordelijkheidsbesef’, vertelt hij in zijn bescheiden kantoor in Gasthuisberg. ‘Als voorzitter van de Belgian Section of Obesitas and Metabolic Surgery kon ik moeilijk weigeren. Het is tenslotte een kans om enkele hardnekkige clichés te weerleggen. Over onze discipline, maar vooral over obesitas’.

– zeer graag, maar leg eerst even uit wat een abdominaal chirurg doet…

Dr. Matthias Lannoo: ‘Maagverkleiningen, dat is wat de volksmond er van maakt. Een beetje kort door de bocht, want als abdominaal chirurg kunnen we alle operaties in de buikholte aan. Als chirurg van wacht is het ook variatie troef, dan krijg ik ook de gesprongen apendixen op mijn tafel.  Maar ik begrijp de reductie wel. De zowat 400 operaties die we jaarlijks in de obesitaskliniek uitvoeren, zijn in overgrote meerderheid gastric bypassen, jargon voor wat de volksmond een maagverkleining noemt’.

–  hebben we het hier over de welbekende maagring?

Dr. Lannoo: ‘Nee, dat is een populair misverstand. Bij een gastric bypass wordt met behulp van nietjes in het bovenste gedeelte van de maag een klein voedselreservoir gecreëerd. Die ‘kleine’ maag wordt vervolgens rechtstreeks op de dunne darm aangesloten, zodat het voedsel niet langs de hoofdmaag met haar verteringssappen passeert. In bespaar je de details, maar het komt erop neer dat de patiënt minder kan eten. En even belangrijk: de ingreep heeft een impact op de hormonale systemen die het hongergevoel reguleren waardoor hij ook minder trek heeft. Daar zit het verschil met de maagring, een verouderde techniek die steeds minder wordt gebruikt. Zo’n ring, bedoeld om de toegang tot de maag te beperken, werkt louter mechanisch. Het menselijk lichaam is echter te slim voor zo’n simpele truc. Na een poosje ontwikkelen vele patiënten het sweet eating-syndroom: ze gaan de geringere voedselinname compenseren door extra vet en zoet te eten, veel chips en gesuikerde snack. Toch is de maagring een tijdlang populair geweest, ook al omdat de ingreep makkelijk omkeerbaar is. Daar is een stuk van ons imagoprobleem door ontstaan’.

–  hoezo?

Dr. Lannoo: ‘De maagring werd wel eens gebruikt voor patiënten die medisch gezien geen operatie nodig hadden. Een fotomodel met een paar kilo’s teveel komt normaal gezien niet in aanmerking, maar blijkbaar vonden sommige chirurgen het moeilijk om nee te zeggen. Dat waren hoge uitzonderingen, maar die praktijken bevestigden een vooroordeel dat aan onze discipline kleeft, namelijk dat we een verkapte vorm van plastische chirurgie bedrijven. Ik moet dat krachtig tegenspreken. Buikoperaties zijn veel invasiever en hebben een veel hogere complicatiefactor dan plastische chirurgie. Bovendien opereren we nooit om louter esthetische redenen, voor vele patiënten is een operatie zelfs een zaak van leven of dood’.

– toch leeft het idee dat er te snel tot een maagverkleining wordt overgegaan, waarbij esthetische overwegingen primeren op medische. Het Eén-magazine Volt heeft dat ook aangetoond, onder meer door een acteur met een verborgen camera naar de spreekkamer van een van uw collega’s te sturen. U heeft toen verbolgen gereageerd met een opiniestuk in De Standaard. Waarom?

Dr. Lannoo: ‘De aanpak van Volt was tendentieus. Kijk, er zijn ook loodgieters die er de kantjes aflopen, terwijl de overgrote meerderheid alleen maar correct buizen legt.  Zo is het ook bij ons, er zal altijd wel ergens een rotte appel in de mand zitten. Maar zonder op die specifieke case terug te komen: het valt niet altijd glashelder te bepalen of iemand al dan niet gebaat is bij een operatie. Ja, er zijn de wettelijke bepalingen van het Riziv. Je moet een BMI hebben van minstens 40, voor diabetespatiënten ligt de grens op 35. Wie daaronder zit en zo nodig een gastrische bypass wil, moet alles zelf betalen, reken maar op minstens 9.000 euro. Ik begrijp dat ze een lijn moeten trekken, maar als arts worstel ik daarmee. Een studente met BMI 42 zal ik niet zo gauw opereren, ook al komt ze wettelijk gezien in aanmerking. Kom maar eens terug na je studies, zal ik zeggen, als je een leven lijdt zonder cantussen en diepvriespizza’s. Als we dan nog geen verbetering zien, kunnen we alsnog opereren. Omgekeerd krijg ik hier soms diabetespatiënten met een BMI van 33 die hun suikerspiegel maar niet onder controle krijgen. Die mag ik officieel niet helpen, terwijl een operatie hen vroegtijdige oogschade en cardiovasculaire complicaties kan besparen. Wat Volt ook bewust verzweeg is dat een operatie geen solo-initiatief van een chirurg is, volgens de wet kan ze alleen door een multidisciplinair worden goedgekeurd. Daarin zit ook de huisarts die de patiënt vaak al jarenlang heeft gevolgd. Maar wat mij nog  het meeste ergerde was het uitgangspunt: volgens de makers beleven we een explosie van gastrische bypass-operaties. Onzin, maar ik weet waar die indruk vandaan komt. Tot 2007 had een obesitasoperatie geen aparte nomenclatuur, het werd onder hetzelfde nummer geregistreerd als vergelijkbare ingrepen voor andere aandoeningen zoals maagkanker. Sinds 2007 wordt er wel apart geregistreerd, waardoor het ineens leek alsof er een fenomenale stijging is van het aantal obesitasoperaties. Het zegt helaas ook veel over onze visie op obesitas dat die uitzending zoveel weerklank kreeg. Zwaarlijvigheid wordt niet als een ziekte bekeken. Wie dik is, heeft dat aan zichzelf te danken en moet vooral niet te veel op solidariteit van de gemeenschap rekenen’.

–  wie fout eet en weinig beweegt, wordt dik, dat is nu eenmaal zo. Mogen we dan niet spreken van persoonlijke verantwoordelijkheid?

Dr. Lannoo: ‘Zo heb ik er ook lang over gedacht, zelfs nog toen ik me als beginnend chirurg vooral op orgaanprevelatie toelegde. Zwaarlijvigheid is een keuze, het overkomt mensen die geen discipline kunnen opbrengen, of die teveel van het goede leven houden. Na een poosje ging ik echter inzien dat eten een fysiologisch proces is dat autonoom wordt gestuurd, net zoals de bloeddruk en de hartslag. Met wilskracht of discipline heeft het bitter weinig te maken, eten en spijsvertering zijn complexe processen waarin een hele rist hormonale stoffen op elkaar inwerken. Het is trouwens niet de maag die ons doet eten, honger naar voedsel wordt vanuit de hippocampus in ons brein geregeld’.

–  nurture or nature, het debat lijkt bij deze al beslecht. Zit zwaarlijvigheid in de genen?

Dr. Lannoo: Nature weegt hier zeker door, we dragen ons evolutionair verleden mee. Er werden al verschillende grootschalige langetermijnonderzoek naar eeneiige tweelingen verricht, zoals de bekende Finnish Twis Study. Daaruit bleek hoe sterk de systemen voor voedselinname en spijsvertering in de genen verankerd zitten. Ondanks grote verschillen in leefpatroon en eetgewoonten, constateerde men dat het lichaamsgewicht van identieke tweelingen nauwelijks uiteenloopt. Een broer is houthakker in de Finse bossen, de andere heeft een hoge functie in New York, op de weegschaal scheelt het amper enkele kilo’s’.

–  maar waarom leidt dat systeem tot overgewicht?

Dr. Lannoo: ‘Hongergevoel is een essentieel mechanisme om te overleven. Een holbewoner had echt wel een stevige prikkel nodig om met zijn knuppel een mammoet op zijn kop te gaan timmeren. Onze voedselregeling werkt erg performant, dat is ook een van de redenen waarom wij met onze constitutie de evolutionaire afvallingsrace hebben gewonnen. Maar helaas, door de veranderende omgevingsfactoren is die evolutionaire troef een blok aan ons been geworden. Ik heb het dan niet over arme landen in de Sahel, maar over onze Westerse overvloedmaatschappij waar processed food permanent beschikbaar is. Diepvriesmaaltijden, blikvoeding, chips, voedsel met veel ongezonde vetten en suikers. Dat heeft rampzalige gevolgen. Niet voor iemand met een natuurlijk BMI 18 die door het eten van bewerkt voedsel hooguit naar een BMI 25 stijgt. De pineut is die man of vrouw met een BMI 28 die morbide obesidas ontwikkelt omdat ons lichaam nu eenmaal zo geprogrammeerd is dat het geen nee kan zeggen tegen al die suikers en vetten die constant in ons blikveld passeren. Om het cru te stellen: als we obesitas willen uitroeien, moeten we al die junk verbieden en mensen verplichten weer zelf hun potje te koken met uitsluitend gezonde basisproducten. Maar aangezien dat onmogelijk is en we dat ook niet echt willen, moeten we consequent zijn en de slachtoffers van die doorgeslagen aanbodmaatschappij helpen’.

– wordt die solidariteit dan in twijfel getrokken?

Dr. Lannoo: ‘Ze is zeker niet vanzelfsprekend. Laat het woord kanker vallen, en er rolt spontaan een golf van sympathie over het hele land. Benefieten, glazen huizen, het kan niet op, er wordt enorm veel geïnvesteerd, zowel in onderzoek als in behandeling. Terecht, want kanker is een nare ziekte. Maar wat een verschil met obesitas. Zelfs patiënten die aan de normen voor een operatie voldoen, moeten diep in de portefeuille tasten. Het Riziv betaalt wel de operatie terug, maar de noodzakelijke begeleiding door diëtisten en psychologen valt volledig voor rekening van de patiënt. Dat is des te erger als je bedenkt dat obesitas vooral lagere inkomensklassen teistert. Er zijn natuurlijk wel hoogopgeleide, goedverdienende zwaarlijvigen, maar de piramide heeft een smalle top en een brede basis. Logisch ook, want gezond voedsel kost veel en inzicht in goed eten is ook een kwestie van opleidingsniveau’

–  ziet u een verklaring voor dat perceptieverschil?

 Dr. Lannoo: ‘Simpel: kanker is iets wat je overkomt, kankerpatiënten zijn slachtoffers met wie we ons allemaal kunnen identificeren. Obesitas daarentegen is iets waar je zelf voor kiest, of alleszins iets waar je zelf verantwoordelijk voor bent. Nogmaals, dat klopt helemaal niet. Je kunt trouwens ook obees worden door omstandigheden waar je totaal geen greep op hebt. Hoeveel vrouwen zijn er niet die tijdens hun zwangerschap 20 kilo aankomen en dat gewicht nooit meer kwijt geraken? 70 procent van de patiënten in de obesitaskliniek zijn trouwens vrouwen. Velen zijn vijftigplussers in de menopauze die door het wegvallen van hun oestrogeenproductie hun gewicht in korte tijd enorm zien toenemen. Dat is dus geen keuze of een gevolg van een liederlijk leven, maar een persoonlijk drama. Heel wat van onze patiënten kampen met iatrogene obesitas, zwaarlijvigheid als complicatie van een medische behandeling. Langdurig neuroleptica slikken? Tel er dan maar 30 tot 35 kilogram bij. Hetzelfde wanneer je een hormonenkuur of cortisonetherapie volgt. Een behandeling tegen prostaatkanker? Grote kans dat je er obesitas aan overhoudt. Misschien geen populaire boodschap, maar ook stoppen met roken houdt een risico op obesitas in. Niet alleen doordat men bij wijze van compensatie extra gaat snoepen, een verstokte roker krijgt een ander metabolisme als hij zijn sigaret afzweert. Ik wil maar zeggen, het is echt veel te gemakkelijk om de schuld voor zwaarlijvigheid op de patiënt af te schuiven’.

– logisch toch dat kanker ons meer raakt. Het is een dodelijke ziekte, in tegenstelling tot obesitas…

Dr. Lannoo: ‘Nog zo’n misvatting. Vanaf BMI 135 spreken we van morbide obesitas. Dat is geen stijlfiguur, obesitas is wel degelijk een dodelijke ziekte. Niet zoals sommige kankers die snel fataal kunnen worden. Obesitas is meer een sluipmoordenaar die zich van handlangers bedient, het is de onderliggende oorzaak van een hele resem complicaties zoals type 2-diabetes, leververvetting, hart-en vaatziekten, allemaal aandoeningen die elkaar versterken en samen het metabool syndroom vormen. En over kanker gesproken, ook die jaagt de co-mortaliteit van obesitas omhoog. Zwaarlijvige vrouwen hebben twee keer meer kans op borstkanker dan niet-obese vrouwen. Ook met pancreaskanker, een van de dodelijkste kankers die er bestaan, is er een correlatie. In de vorige reeks Topdokters zat de Leuvense lever-en pancreaschirurg Baki Topal, een fantastische collega overigens. Pancreaschirurgie, de laatste reddingsboei voor kankerpatiënten, geldt zowat als de champions league van de chirurgie. Mijn collega heeft vast heel wat levens van pancreaskankerpatiënten gered. Toch durf ik het zonder blikken of blozen beweren: met onze obesitasoperaties hebben wij wellicht een veelvoud aan dodelijke pancreaskankers kunnen voorkomen’.

mogen we spreken van een obesitas-epidemie?

Dr. Lannoo: ‘Zonder meer. De helft van de Belgen heeft een BMI van 25 en meer, wat betekent dat ze met overgewicht kampen, 10 procent zit boven de 30, de grens van obesitas. En België is lang geen uitzondering, in Amerika zie je gewoon in het straatbeeld dat zwaarlijvigheid een gigantisch probleem is. Intussen grijpt ook diabetes, een ziekte die nauw samenhangt met obesitas, om zich heen. Wereldwijd verwachten we binnenkort 300 miljoen gevallen, dat is duizelingwekkend. Erg verontrustend is dat die ziekte op steeds jongere leeftijd toeslaat. Ik zie soms meisjes met een BMI van 40 plus die al  diabetes ontwikkelen. Type 2, dat heette vroeger nochtans ouderdomsdiabetes. Ik kan die helaas niet helpen, want de minimumleeftijd voor een bypass is 18. Jammer, want een operatie zou hen veel miserie kunnen besparen. Die beperkingen hebben meer met budgettaire dan met gezondheidsoverwegingen te maken, want medisch gezien is een operatie perfect te verantwoorden zodra de pubertijd voltooid en de psychologische draagkracht voldoende groot is’.

–  zwaarlijvigheid is een stigma. Uit talloze studies blijkt dat obese mensen met een laag zelfbeeld kampen, ook al door de discriminatie die al op school begint en vervolgens op arbeidsmarkt een verlengstuk krijgt. Strookt dat met uw ervaringen in de spreekkamer?

Dr. Lannoo: ‘Reken maar. Velen hebben echt alles geprobeerd vooraleer ze hier binnenstappen. Alle diëten gevolgd, hele bibliotheken gelezen met boeken van voedingsgoeroes. Want denk maar niet dat iemand in een bevlieging een operatie wil. Vaak komen ze een eerste keer op consultatie, en wachten ze dan nog twee jaar vooraleer ze er echt klaar voor zijn. De meesten zitten opgescheept met een schuldgevoel van hier tot in Tokyo. Hou zou je ze zelf zijn? Het is buiten dertig graden, en je passeert langs het bomvolle terras van een ijssalon. Natuurlijk heb je zoals iedereen vreselijke goesting in een ijsje, maar je durft er niet aan toe te geven omdat je in je rug al de afkeurende blikken voelt priemen. Ik hoor hier de zieligste verhalen. Met de kleinkinderen naar Aqualibi en in een van die buizen blijven steken, dat gebeurt echt. Het is ook geen mythe dat sommige passagiers twee stoelen moeten betalen als ze een vliegtuig willen nemen. Het schrijnendste dat ik ooit heb gehoord was van die jongen die had gesolliciteerd voor een baantje als rekkenvuller in een supermarkt. Hij werd afgewezen, zogezegd omdat ze geen jasje in zijn maat hadden. Zijn moeder, een braaf mens dat goed kon naaien, had met hem te doen. Ze is achter zijn rug naar de winkel gelopen met het voorstel om zelf een jasje te naaien. Waarop de gerant haar afscheepte: ‘Maar snapt u het dan niet? We willen hem helemaal niet in onze winkel, hij is veel te dik’’.

–  biedt een gastrische bypass-operatie een garantie op succes?

 Dr. Lannoo: ‘De success rate is zo’n 70 procent. Onmiddellijk na de operatie vliegen de kilo’s eraf, gemiddeld 30 procent van het lichaamsgewicht. Ook de voedingsgewoonten veranderen, sommige patiënten ontwikkelen een aversie voor hoogenergetisch, bewerkt voedsel. Helaas stellen we vast dat een derde van de patiënten na een jaar of zes weer hervalt en naar het oorspronkelijk overgewicht terugkeert. Die belanden opnieuw in de zorg, een gegeven dat sceptici aangrijpen om het nut van obesitasoperaties in twijfel te trekken. Een beetje hypocriet, want de 70 procent die wel op een gezond gewicht blijven, leveren de gezondheidszorg een aanzienlijke besparing op. Natuurlijk is er na iedere operatie nog altijd multidisciplinaire begeleiding nodig. Obesitas blijft een chronische ziekte die je niet louter operatief kunt behandelen. In onze obesitaskliniek zien we jaarlijks meer dan 2000 patiënten, slechts een kwart daarvan heeft uiteindelijk een operatie nodig’.

– kunnen we met preventie niet vele obesitasoperaties vermijden? Eet meer fruit, doe meer aan sport. Goede raad kost niks…

Dr. Lannoo: ‘Hoe meer preventie hoe beter, maar voor mijn patiënten zal het weinig uithalen. Gezond eten en bewegen, dat hebben die mensen al duizend keer gehoord, tijdens de eindeloze reeks consultaties bij huisartsen en diëtisten die ze al achter de rug hebben. Het laatste dat je moet proberen is hen met paternalistische boodschappen bestoken, want daarmee wordt hun schuldgevoel alleen maar groter’.

– u bent geen fan van gezonde voedingsgoeroes à la Pascale Naessens of Kris Verburgh?

Dr. Lannoo: ‘Zonder namen  te noemen: ik heb moeite met zelfverklaarde experten die beweren dat iedereen kan vermageren als hij maar hard genoeg wil. Voor ons doelpubliek gaat dat niet op. Ja, heel wat van die diëten sorteren een tijdelijk effect. Na een poosje echter treden er psychologische en hormonale mechanismen op die het lichaam als het ware doen verlangen naar de voedselinname en het gewicht van voor het dieet. Dan krijg je vaak het gevreesde jojo-effect. Als gevolg van het dieet staat de patiënt in een soort eco-modus die zijn energievoorziening extra efficiënt regelt. Als hij dan opnieuw als vanouds begint te eten, schiet hij vaak door,  boven het overgewicht waarmee hij ooit aan zijn dieet was begonnen. De waarheid is dat sommige patiënten zonder operatie niet van hun morbide obesitas af komen’.

– is de obsessie met overgewicht geen modeverschijnsel? Waar is de tijd van Alfred Hitchcock, Orson Welles en Winston Churchill, toen succes spoorde met een dikke sigaar en een stevig embonpoint?

Dr. Lannoo: ‘Je kunt daar inderdaad enkele cultuurpessimistische bedenkingen bij formuleren. Vroeger stond het leven meer in het teken van hier en nu. Genieten nu het nog kan, want het leven kon abrupt afgebroken worden. Zo was dat ook in de tijd van Churchill. Overlijden op zestig was heel gewoon, vandaag maken ze daar een drama van. We zijn met zijn allen geobsedeerd door lang leven, ook en vooral de geneeskunde. Er wordt gigantisch geïnvesteerd om de gemiddelde levensduur op te rekken, ieder jaar winst wordt als een triomf van de wetenschap bejubeld. Tegelijkertijd zie je een andere trend: de mensen worden persoonlijk verantwoordelijk geacht voor hun gezondheid en levensduur. Dat gaat helaas gepaard met een nieuwe vorm van onverdraagzaamheid. Roken is daar het beste voorbeeld van. Waarom zou de ziekteverzekering voor hun gezondheidskosten moeten opdraaien? Ze hebben het immers aan zichzelf te danken. Ik huiver voor die trend. Voor je het weet, wordt dezelfde redenering op zwaarlijvigen toegepast’.

 

Het Grove Werk: de hartchirurg

aflevering in Humo-reeks over noodzakelijke maar op het eerste gezicht ondankbare beroepen. It’s a dirty job but someone has to do it, zo luidt de grote gemene deler. In het geval van de hartchirurg kunnen we alleen maar wensen dat die someone een competent iemand zoals Dr. Luc Haenen is….(Humo, 3 oktober 2013)

“Ik vind het bedenkelijk hoe onze nationale chef Jeroen Meus met suiker, boter en andere vetstoffen goochelt. Koken is het nieuwe roken geworden, een bedreiging voor de volksgezondheid”

foto Saskia Vanderstichelen

foto Saskia Vanderstichele

Heuglijk nieuws tijdens de recente Week van het Hart. Het gaat beter met de tikker van de Belgen. Hart- en vaatziekten blijven doodsoorzaak nummer één, maar de sterfte liep in de periode 1998-2008 met 12 procent terug. Recentere cijfers bestaan merkwaardig genoeg niet, maar de Belgische Cardiologische Liga bevestigt de positieve trend. Tijdens de voorbije Week van het Hart lag de focus op preventie bij vijftigplussers, de voornaamste doelgroep voor Magere Hein die het op onze motor heeft gemunt. Verre van ons het belang van preventie te onderschatten, alleen al uit eigenbelang bevelen we onze lezers een zout- en vetarm dieet en gezond bewegingspatroon aan. Maar de daling van het sterftecijfer is ook de verdienste van competente hartchirurgen die lekkende kleppen vervangen en overbruggingen maken met evenveel gemak als een garagist die een nieuwe oliefilter of bougie steekt.

Iemand moet het doen, maar zij liever dan wij. Het operatiekwartier, zo leerden we immers tijdens de voorbereiding van dit interview, is geen oord voor kneusjes. In het heetst van de strijd wordt al eens een scalpel tegen de grond geflikkerd, en er loopt al eens een verpleegster gillend weg na een uitbrander. Vorig jaar nog werd een orthopedisch chirurg van het UZ Brussel ontslagen, nadat hij tijdens een operatie een joodse assistent naar de gaskamer had verwenst. Heel af en toe deelt zelfs de patiënt in de brokken. Bekend is het geval van een Roemeense chirurg-uroloog die compleet door het lint ging, nadat hij per abuis de urineleider van zijn patiënt had geperforeerd. Voor de ogen van zijn verbijsterde staf sneed hij de man zijn penis af, hakte het lid in drie stukken en stormde tenslotte de operatiezaal uit. Meer echter dan assistenten of patiënten is het de medicus zelf die aan de gevolgen van stress blootstaat. Een recent Amerikaans onderzoek bracht aan het licht dat chirurgen meer dan gemiddeld vatbaar zijn voor psychische problemen zoals burn-out en zelfmoordneigingen.

…Stress in het operatiekwartier, Luc Haenen (52) kent het fenomeen. Als hartchirurg, verbonden aan het Imelda Ziekenhuis van Bonheiden, speelt hij in de F1 van de heelkunde. “In het Frans noemen ze ons de notarissen van de geneeskunde”, zegt hij. “Misschien een beetje vergezocht, maar er is wel degelijk een punt van vergelijking. Net als de notaris opereren hartchirurgen vaak op de grens tussen leven en dood.»

Humo: enig begrip voor collega’s die tijdens een operatie onder de stress kraken, zoals de orthopedist in Brussel?

Dr. Haenen> «Ik ken de concrete omstandigheden niet, maar ik kan me wel inbeelden hoe het tijdens een operatie tot een uitbarsting komt. Het is maandagochtend, de chirurg heeft een uur in de file gestaan. Aangekomen in het ziekenhuis blijkt dat de boel in het honderd loopt. De eerste patiënt is nog niet in slaap, de instrumenten liggen niet klaar, de dossiers zijn niet in orde, kortom, de hele dagplanning komt in het gedrang. De frustraties lopen al op wanneer hij aan zijn eerste operatie begint. Het minste foutje van het team kan dan volstaan om het potje te doen overkoken.»

HUMO: is het u zelf al overkomen?

Dr. Haenen: «Nee, schelden of brullen aan de operatietafel is wel het laatste wat ik zou doen. Ik heb dat meegemaakt tijdens mijn opleiding. Ik kan je verzekeren: niks werkt zo demotiverend en verlammend voor een team als een chirurg die zijn kalmte verliest. Natuurlijk sta je bloot aan stress, maar je moet dat niet op anderen afreageren. Stel je bent aan het knopen en de draad breekt, dat overkomt iedere chirurg wel eens. Ga je dan de verpleegster of de assistent uitschelden? Nee toch, vloek desnoods binnensmonds, verfoei de draad, maar jaag de anderen niet op stang. Wat ik wel doe: mijn mensen aanporren. Als het echt nijpt, wanneer iedere seconde telt om de patiënt niet te verliezen, dan gooi ik mijn codewoord in de groep: vlugsnelrap. Het hele team weet dan hoe laat het is. Vlugsnelrap, dat betekent dat er moet worden doorgewerkt.»

Humo: vaak vlugsnelrap moeten zeggen de voorbije dagen?

Dr. Haenen: “Toevallig wel, want ik heb een razend drukke week achter de rug. Imelda is een middelgroot ziekenhuis, ons hartteam telt maar twee chirurgen. Mijn collega is maandagochtend naar een congres vertrokken. Ietwat uitgeput, kan ik er bij vertellen, want hij had van tien uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends staan opereren. Om maar te zeggen: voor een nine to five job moet je geen hartchirurg worden. Ik heb dan overgenomen: elf operaties van maandagochtend tot donderdagavond. De meeste ingrepen waren gepland, maar er zaten ook twee vliegende urgenties tussen. Dinsdag is de patiënt op de operatietafel gecrasht. Donderdagavond was ik bijna thuis toen de gsm overging, opnieuw een urgentie. Ik heb rechtsomkeer gemaakt en de hele avond geopereerd, ’s anderendaags zat de patiënt al overeind in zijn zetel. Het was me het weekje wel.»

HUMO:  gecrasht? Zoals in … gestorven?

Dr. Haenen: «Inderdaad, de patiënt is dinsdag tijdens de operatie overleden. Laat me meteen benadrukken dat zoiets hoogst uitzonderlijks gebeurt. Om een idee te geven: van de 365 patiënten die we in 2010 hebben geopereerd, zijn er zes die het niet hebben gehaald. Het sterftepercentage ligt extreem laag, zeker als je dat cijfer in detail bekijkt. Van de geplande ingrepen is er geen enkele geëindigd met een crash, zelfs niet als het om complexe operaties met kleppen en meervoudige overbruggingen ging. De sterfgevallen waren haast allemaal salvages

HUMO: salvages?

Dr. Haenen: «Reanimatiepatiënten die uit de ambulance worden gehaald terwijl ze met hartmassage in leven worden gehouden. Dat is alle hens aan dek. De anesthesist doet de patiënt in slaap, de andere teamleden prepareren de operatiekamer, in afwachting neem ik zelf de reanimatie over. Er gaat geen tijd verloren, maar het kan toch een minuut of tien duren vooraleer ik aan snijden toe kom. Tien minuten hartmassage, dat is labeur. ’s Anderendaags heb ik daar stramme spieren van in mijn armen en schouders.

…. »Een salvage is altijd kantje boordje. Veel hangt af van de toestand waarin de patiënt wordt binnengebracht en van de kwaliteit van het hart. Heeft hij vroeger al een infarct of een beroerte gedaan zoals de patiënt die vorige week op de operatietafel stierf? Heeft hij een slecht werkende hartspier of lijdt hij aan diabetes? Neemt hij medicatie? Dat speelt allemaal mee in de overlevingskansen. Wat nogal eens fataal wil aflopen is een aortadissectie, in de volksmond een hartaderbreuk genoemd. Vergelijk het met een fietsband. Normaal kleeft de binnenband hermetisch tegen de buitenband, maar als er een scheur in de binnenband zit, komt hij helemaal los. Een scheur in een grote lichaamsslagader sorteert een vergelijkbaar effect, het hele systeem van de bloedsomloop implodeert dan als het ware. Een aortadissectie komt altijd onverwacht, de meeste slachtoffers halen niet eens het ziekenhuis. Indien wel, dan staan we voor een superurgente en buitengewoon complexe operatie, met een patiënt bovendien die onvoorbereid op de tafel ligt. Vaak moet hij worden afgekoeld tot 18 graden, op zich al een uiterst delicate onderneming. Als hij de operatie overleeft, volgt de fase van de opwarming en het herstel van de bloedverdunning. Dat moet allemaal erg geleidelijk gebeuren, onder supervisie van de chirurg en de anesthesist. Een gewone hartoperatie duurt gemiddeld viereneenhalf uur. Bij complexe ingrepen sta je soms tien uur en langer aan één stuk te opereren.»

HUMO: wie zit er, behalve de chirurg en de anesthesist, nog allemaal in het operatieteam?

Dr. Haenen: «Mijn assistent, een chirurg in opleiding. In je eentje kun je geen hartoperatie uitvoeren, alleen al voor het knopen heb je een extra paar handen nodig. Daarnaast zijn er altijd twee chirurgische verpleegkundigen. De instrumentiste is diegene die je het steriele materiaal aanreikt, de omloopverpleegster bekommert zich om al de rest. Behalve bij kleine ingrepen is ook de perfusionist van de partij, de man of vrouw die de hart-longmachine bedient. De rol van de pompist, zoals we in de wandel zeggen, valt niet te overschatten. Hij is diegene die de bloedcirculatie en de ademhaling op gang houdt, zodat de chirurg desnoods het hart kan stilleggen tijdens de operatie. De pompist staat ook in voor de bloedrecuperatie, hij wast het bloed en pompt het terug naar het lichaam, dat allemaal terwijl ik aan het opereren ben. De chirurg en de pompist, dat is bijna een Siamese tweeling.»

HUMO: pompist doet me spontaan aan Esso of Q8 denken. Ten onrechte dus. Hoe word je pompist of perfusionist?

Dr. Haenen: «Door een opleiding te volgen, perfusionisten hebben trouwens een eigen beroepsvereniging. Sommigen beginnen eraan met een technische achtergrond, anderen zijn verpleegkundigen die zich doorspecialiseren. Wij hebben in ons team een chirurgisch verpleegster die zich tot pompiste heeft omgeschoold. Een voortreffelijke combinatie, want ze voelt perfect aan waar ik als chirurg mee bezig ben. Feeling, daar komt het op aan. Een goede instrumentiste reikt je niet het instrument aan waar je om vraagt. Nee, een goede instrumentiste geeft je het stuk dat je nodig hebt. Zonder dat ik erom hoef te vragen, omdat ze zoveel ervaring en inzicht heeft dat ze de operatie als het ware kan lezen. Kijk, als chirurg ben je de spil waarrond alles draait. Tegelijkertijd ben je ook maar een schakel in een ketting. Je mag de beste hartchirurg van de wereld zijn, zonder en goed team bereik je niks. In feite is de ketting nog langer. Want wat baat het een patiënt met een schitterende operatie te redden als er op de dienst intensieve zorgen geen alerte verpleegsters klaar staan om in te grijpen wanneer er zich complicaties voordoen? Als patiënten of familieleden me achteraf komen bedanken, geef ik altijd hetzelfde antwoord. Dat ze niet mij maar het hele team moeten bedanken.»

HUMO: hoe stel je een dreamteam samen?

Dr. Haenen: «De bezetting kan variëren, maar we putten altijd uit dezelfde pool van acht chirurgische verpleegkundigen die in het hartteam meedraaien. Op de duur ben je perfect op elkaar ingespeeld. Onlangs had ik zo’n operatie die ik wel zou kunnen inlijsten. Er werd de hele tijd geen woord gesproken, iedereen stond in opperste concentratie te werken. Terwijl ik de patiënt aan het sluiten was, zei ik het tegen de anesthesist. Zo zou het altijd moeten gaan, zonder bevelen te geven, als een perfect geoliede machine.»

HUMO: dat idyllische tafereel contrasteert met het beeld van de autoritaire chirurg die zijn ondergeschikten de mantel uitveegt..

Dr. Haenen: «Ik zeg niet dat alle collega’s mijn aanpak delen, maar de tijd van de bullebakken in de operatiezaal is voorbij. De meeste chirurgen beseffen dat hun team en pak menselijk kapitaal vertegenwoordigt. Wie daar slecht mee omspringt, schiet in zijn eigen voet.»

HUMO: daar is dr. H, gewezen orthopedisch chirurg van het UZ Brussel, intussen ook van overtuigd. Is het een toeval dat uitgerekend de assistent-chirurg het moest ontgelden?

Dr. Haenen: «Nee, dat is van alle tijden. Toen ik specialiseerde, werd er ook niet bepaald zachtzinnig met assistenten omgesprongen. Hoofdchirurgen konden erg cassant uit de hoek komen, vooral wanneer ze zelf onder stress kwamen te staan. ‘Je kunt niks’, beten ze je in volle operatie toen, ‘en je zult het nooit leren’. Of van die motiverende zinnetjes:: ‘Wat doe je nu toch weer? Hoe is het in godsnaam mogelijk?’. Leuk was dat allemaal niet, maar ik heb er me nooit laten door intimideren. If it doesn’t kill you, it makes you stronger. Niet iedereen stapte er zo licht overheen. Ik heb assistenten weten afhaken omdat ze de vernederingen niet konden verkroppen. Erg als je bedenkt hoeveel tijd en moeite het kost om chirurg te worden. Eerst zeven jaar geneeskunde, dan zes jaar algemene chirurgie. Hartchirurgie is nog een bijkomende specialisatie, dat kost nog eens twee jaar. Vooraleer je zelfstandig mag opereren, ben je vijftien jaar bezig.»

HUMO: altijd hartchirurg willen worden?

Dr. Haenen: «Nee. Het idee is pas ontstaan tijdens mijn laatste jaar geneeskunde in Antwerpen. Ik had verschillende stages doorlopen en eens goed rondgekeken om te zien wat er binnen de geneeskunde zoal te beleven viel. Van alle disciplines was heelkunde me het best bevallen. Omdat ik goede punten had, kon ik snel een specialisatieplaats versieren. Eerst algemene chirurgie in het UZ Antwerpen, nadien ben ik gaan doorspecialiseren in Nieuwegein bij Utrecht, het grootste centrum voor hart- en longchirurgie van de Benelux .»

HUMO: chirurgen worden wel eens de cowboys van de geneeskunde genoemd. Moet je uit bijzonder hout gesneden zijn om het borstbeen van een mens door te zagen en aan zijn motor te sleutelen?

Dr. Haenen: «Het moet in je karakter zitten. Wie eerder beschouwend in het leven staat, kan beter een andere discipline kiezen, psychiatrie om maar iets te zeggen. De meeste chirurgen zijn nogal doortastend van aard. Een dosis lef is ook meegenomen, want je moet durven snijden. Je ziet al tijdens de opleiding geneeskunde wie het in zich heeft en wie niet. Er zijn studenten die een hekel hebben aan heelkunde, en er zijn zoals ik die niks liever doen dan snijden. Tijdens de opleiding algemene chirurgie in het UZA maakten we er een sport van om zo snel mogelijk in het practicum te zijn. Wie eerst arriveerde, had de eerste keuze van lijken. Eén van mijn medeassistenten kwam helemaal met de fiets uit Broechem. Een zware handicap, hij arriveerde meestal als laatste. Toevallig of niet, maar hij heeft afgehaakt en is huisarts geworden.»

HUMO: goed voor hem, want volgens een Amerikaans onderzoek lopen chirurgen een verhoogd risico op geestelijke ongemakken zoals depressies, burn-out en zelfmoordneigingen. Geldt dat ook voor Europese chirurgen?

Dr. Haenen: «Voeg aan dat rijtje ook maar alcoholverslaving toe, een bekend fenomeen onder chirurgen. Burn-out? Ik ken inderdaad verschillende collega’s die ermee gestopt zijn omdat ze de druk niet meer aankonden. Sommigen hebben het roer radicaal omgegooid, en zich op verzekeringsgeneeskunde toegelegd. Het is niet alleen de stress in de operatiezaal die je opvreet. Als hartchirurg kun je een kruis maken over je sociaal leven. Weekend of geen weekend, als ik rode wacht heb, ben ik permanent oproepbaar. Wat ik ook doe, de gsm gaat overal mee. Soms bellen ze me terwijl ik aan het joggen ben. Als het menens is, moet ik een sprintje trekken richting huis en maken dat ik in de auto zit. Ik heb het pre-gsm-tijdperk meegemaakt, toen we ons met een semafoon moesten behelpen. Als ik van huis weg was en dat ding begon te zoemen, repte ik me naar de eerste de beste telefooncel. Geloof me, dat was miserie. Ofwel was het toestel defect, ofwel had ik niet genoeg muntjes op zak. Kreeg je het toestel toch aan de praat, dan was de centrale in het ziekenhuis bezet of bleek de juiste persoon onvindbaar. Mij hoef je niet te vertellen dat de uitvinding van gsm een zegen voor de mensheid is.

…. »Vraag het maar aan mijn vrouw: wij hebben omzeggens geen vrienden. Niet dat wij zo’n onsympathiek koppel zijn, maar ik ben hopeloos als gezelschap. Tijdens mijn wacht raak ik geen druppel alcohol aan. Komt er toch bezoek, dan is de kans groot dat ik van tafel moet weglopen omdat het ziekenhuis heeft gebeld. Zonder afscheid te nemen, want strikt genomen moet ik binnen de vijftien minuten aan de operatietafel kunnen staan.»

HUMO: u woont in Boechout. Naar Bonheiden is een rit van 25 kilometer, voornamelijk langs secundaire wegen. Zware voet zeker?

Dr. Haenen: «Er zit wat rek op dat kwartier. Ook de rest van het team moet zich nog naar het ziekenhuis begeven, en de patiënt moet sowieso worden voorbereid vooraleer ik kan beginnen. Maat treuzelen is er niet bij. Als ze ’s avonds bellen, dan weet je dat het om een echte urgentie gaat. Tien tegen negen wordt het dan een complexe operatie waarmee je tot een stuk in de nacht bezig bent. Ik heb het een paar keer meegemaakt: ’s morgens na een marathonoperatie thuiskomen en vaststellen dat iedereen nog slaapt en alle deuren op slot zijn. Dan kon ik in de garage gaan slapen. Nu ja, van slapen komt er meestal niet veel in huis na zo’n nachtje opereren. Te veel adrenaline in het lijf, ik lees een boek als ik ’s nachts thuiskom om te ontstressen.»

 “Op een keer, terwijl ik de patiënt al aan het sluiten was, heeft een van de verpleegsters stiekem mijn teennagels rood gelakt”.

HUMO: het klinkt bijna als topsport ...

Dr. Haenen: «Het is ook topsport. Ik ga drie keer per week hardlopen. Als er een zware operatie op de planning staat, loop ik de avond voordien een extra toer. Niks beter om je hoofd leeg te maken en je conditie op peil te houden. De fysieke belasting valt niet te onderschatten. Je werkt rechtopstaand, uren aan een stuk op hetzelfde plekje. Tijd om te eten is er nauwelijks, we zijn al blij als we ’s middags een boterham en een kop koffie kunnen binnengooien. En toch moet je fit zijn, anders kun je niet geconcentreerd blijven of gaan je handen trillen.»

HUMO: er zijn chirurgen die met muziek opereren. Goed idee?

<Dr. Haenen> «Niks voor mij. We hebben een radio in het OK., maar die gaat uit zodra het serieus wordt. Ik ben dan zo geconcentreerd bezig dat ik liefst van al mijn hele entourage vergeet. Vaak sta ik blootsvoets te opereren. Op een keer, terwijl ik de patiënt al aan het sluiten was, heeft een van de verpleegsters stiekem mijn teennagels rood gelakt. Ik was zo diep in mijn werk verzonken, dat ik het pas na de operatie heb gemerkt. Spreekt vanzelf dat we dat soort geintjes niet elke dag uithalen, en al helemaal niet tijdens de cruciale fase van de operatie..»

HUMO: vrolijke boel, het operatiekwartier. Spreken de verpleegkundigen u met de voornaam aan?

Dr. Haenen: «We zijn erg close. Met de meeste teamleden breng ik meer tijd door dan met mijn eigen vrouw. Maar nee, ze spreken me niet met de voornaam aan. In sommige ziekenhuizen is dat gangbaar, maar in Bonheiden niet. We vinden een zekere hiërarchie noodzakelijk, vooral in het operatiekwartier. De chirurg is de baas. Hij geeft de bevelen, maar hij draagt ook de verantwoordelijkheid. Als er iets mis gaat en de patiënt blijft in de operatie, dan ben ik diegene die het aan de familie mag gaan uitleggen.»

HUMO: incasseert u soms verwijten?

Dr. Haenen: «Nee, dat is me nog nooit overkomen. De meeste mensen zijn realistisch, ze beseffen dat hun vader of moeder in kritieke toestand werd opgenomen. Niettemin, het blijft een ondankbare opdracht want ieder overlijden komt ongelegen. Met de jaren leer je steeds beter communiceren, ook slecht nieuws. Als er complicaties zijn, gaan we al tijdens de operatie met de familie praten. We gaan er alles aan doen, zeg ik dan, maar het ziet er niet zo best uit. Roep voor alle zekerheid toch maar de rest van de familie naar het ziekenhuis. Bij een overlijden pols ik ook altijd naar de geloofsovertuiging. Een ziekenhuispastor of lekenconsulent kan op zo’n moment echt het verschil maken voor de nabestaanden, al was het maar door de praktische vragen te beantwoorden die na een sterfgeval rijzen. Verwijten krijgen we niet, maar het omgekeerde komt wel vaak voor. Patiënten tonen hun dankbaarheid, op verschillende manieren. Er zijn er die bij iedere verjaardag van hun operatie een kaartje sturen. Van een Armeense patiënt kreeg ik ooit een fles cognac uit zijn geboorteland. Ik heb hier een hartje in Boheems kristal liggen, een souvenir uit Praag van een patiënte die ik zes jaar geleden heb geopereerd. Natuurlijk doet dat plezier. Ik kan die dankbaarheid ook wel begrijpen. Met hartchirurgie red je niet alleen levens, je geeft de patiënt vooral levenskwaliteit terug. Ze komen als een wrak binnen, kortademig, tot niks meer in staat. Een paar weken na de operatie zijn ze weer sociaal actief, ze kunnen wandelen, fietsen en genieten van het leven.»

HUMO::ligt u er zelf wakker van als een patiënt op de operatietafel sterft?

Dr. Haenen: «Toch wel, en ik niet alleen. Hoe zeldzaam ook , een sterfgeval zet altijd een domper op de sfeer in het team. Achteraf wordt er overleg gepleegd: hebben we iets over het hoofd gezien? Was er een technisch mankement? Hadden we dit kunnen vermijden? De chirurg, de anesthesist en de pompist evalueren elkaars rol. Kunnen we hier iets uit leren, vragen we ons als hoofdrolspelers af. Ik ben ervan overtuigd dat we nog nooit een patiënt door onoordeelkundig handelen hebben verloren. Niettemin, het blijft een rottig gevoel, vooral tijdens de operatie. Terwijl je aan het vechten bent voor zijn leven, voel je hoe de patiënt je ontglipt. Ken je dat beeld uit de cinema? Een man hangt te bengelen boven een ravijn, bij de arm vastgehouden door de held. Helaas, het gewicht wordt te zwaar en de held moet zijn greep lossen. Zo voelt het om patiënt op de operatietafel te verliezen.»

HUMO: klopt het dat hartchirurgie samen met neurochirurgie als de Champions League van de heelkunde wordt beschouwd?

Dr. Haenen: «Zo wordt het wel bekeken. Beide disciplines staan garant voor erg lange en complexe operaties. Hartchirurgen en neurochirurgen werken zonder vangnet, iedere uitschuiver kan fataal zijn. Alhoewel, fataal. Een foutje van de neurochirurg hoeft niet dodelijk te zijn, de patiënt kan ook gewoon verlamd of hersendood achterblijven. Bij ons daarentegen is het erop of eronder. Voor de rest zie ik meer verschillen dan gelijkenissen. Een neurochirurg is meer een solospeler die met een kleine ploeg werkt. Bij ons is de logistieke keten veel groter.»

HUMO: wekt die status geen afgunst bij andere chirurgen?

Dr. Haenen: «Afgunst is wat sterk uitgedrukt. Collega’s vinden het wel vervelend dat we altijd voorrang krijgen. Het gebeurt dat andere operaties moeten uitgesteld of zelfs onderbroken worden voor een urgentie van het hartteam. Ik kan het ook niet helpen, maar bij ons is een urgentie vaak een zaak van leven en dood.»

HUMO: hoe blijf je bij als hartchirurg?

Dr. Haenen: «Door internationale congressen bij te wonen. We wisselen ook informatie uit, het is niet zo dat we angstvallig onze knowhow afschermen. Spectaculaire doorbraken hebben we de voorbije jaren niet meegemaakt, de basis van de hartchirurgie ligt min of meer vast. Maar er worden constant kleine stapjes vooruit gezet, het hele proces van de operatie en revalidatie wordt steeds verder verfijnd. We kunnen bijvoorbeeld complexe operatie uitvoeren zonder de patiënt te koelen. We beschikken over slimme apparaten, zoals interne defibrillatoren die automatisch ingrijpen bij een hartritmestoornis. Er zijn tegenwoordig ook heart support devices, tuigen die intern of extern worden gedragen door risicopatiënten in afwachting van een transplantatie. Door de verbeterde medicatie en begeleiding kunnen we trouwens steeds vaker een transplantatie vermijden, zelfs bij patiënten met een slecht hart. Dat is pure winst, want er is nog altijd een nijpend tekort aan ruilharten. België heeft nochtans een goede wetgeving. In principe zijn organen van overleden patiënten beschikbaar, tenzij ze bij leven en welzijn schriftelijk bezwaar hebben gemaakt. Maar ik zie wat er bij ons op de dienst intensieve zorgen gebeurt. Als een potentiële donor overlijdt, wordt er toch nog toelating aan de familie gevraagd om organen weg te nemen. Dat is menselijk en tactvol, maar op die manier gaan helaas heel wat bruikbare organen verloren.»

HUMO: doet u zelf transplantaties?

Dr. Haenen: «Nee, voor transplantaties moet je in een groot ziekenhuis zijn. Ik heb tijdens mijn opleiding wel bij transplantaties geassisteerd. Dat is minder complex dan men doorgaans denkt, naaiwerk van het grovere soort. Kleppen en meervoudige overbruggingen zijn voor een chirurg veel ingewikkelder. De complexiteit bij een transplantatie zit in de logistiek en de nazorg. Hoe krijg je het ruilhart snel en efficiënt ter plaatse? En hoe houd je de afstotingsverschijnselen onder controle? Die aspecten verklaren waarom transplantaties alleen in grote, gespecialiseerde centra worden uitgevoerd.»

HUMO: de Zorginspectie heeft haar vijfjaarlijkse doorlichting van de Vlaamse ziekenhuizen in een openbaar rapport gegoten. Patiënten kunnen daar alleen blij om zijn. Als ik morgen een nieuwe hartklep nodig heb, ga ik shoppen om het beste hartteam te vinden. Speelt die concurrentie? En hoe moeilijk is het op te boksen tegen de universitaire centra?

Dr. Haenen: «We moeten voor niemand onderdoen, alleen hebben grote centra door hun volume meer ervaring met zeldzame aandoeningen. Het niveau van de Belgische hartchirurgie ligt sowieso hoog, maar uiteraard zijn er nog verschillen tussen de diverse centra. De resultaten van hartoperaties worden zorgvuldig bijgehouden. Ik bespaar je de details, maar er bestaat een internationale standaard om de kwaliteit te meten. Het overlijden van een laagrisico patiënt wordt daarbij veel zwaarder aangerekend dan de dood van een salvage. De belangrijkste paramater is de totale sterfte. Wij zitten met de salvages erbij aan 3 procent, de helft van het Europese gemiddelde. (monkelend) Het kan toeval zijn, maar we zijn samen met het Sint-Jan Brugge het enige hartteam in België dat zijn resultaten on-line heeft gezet. Huisartsen, cardiologen maar ook patiënten kunnen zich zelf van onze prestaties vergewissen, wij hebben niks te verbergen.»

HUMO: de bekende cardioloog Pedro Brugada pleit ervoor jonge sporters systematisch aan een harttest te onderwerpen. Goed idee?

Dr. Haenen: «Ik begrijp zijn bekommernis. Een kind dat sterft op het sportveld, veel dramatischer kun je het niet verzinnen. Maar ik geloof niet in een verplichte screening als mirakeloplossing. Je gaat er levens mee redden, maar je gaat er ook een vals gevoel van veiligheid mee creëren. Want hoe systematisch ook, er zullen altijd sporters door de mazen van het net glippen. Neem nu die Italiaanse profvoetballer die onlangs tijdens de match een hartstilstand kreeg. De medische begeleiding was top, maar even goed is hij dood. Onvermijdelijk levert zo’n screening ook heel wat vals positieve resultaten op. Dat zijn allemaal mensen die zich nodeloos ongerust maken en zich bovendien het plezier van sporten zullen ontzeggen. Zelf geloof ik veel meer in een doorgedreven gezondheidsopvoeding, en in het verspreiden van reanimatieprogramma’s. Leer zoveel mogelijk mensen de knepen van hartmassage, en plaats op drukbezochte plekken zoals sportcomplexen een defibrillator. Bij een infarct of beroerte is de reactietijd van de omstanders bepalend voor de overlevingskansen.»

HUMO: diezelfde Pedro Brugada vindt dat hartpatiënten die blijven roken en hervallen, niet meer op een tussenkomst van hun ziekenfonds mogen rekenen. Akkoord?

Dr. Haenen: «Nee, al kan ik niet streng genoeg waarschuwen tegen roken. De boodschap op de sigarettenpakjes is niet overdreven, het effect van tabak op hart en longen is echt verwoestend. Ik zie het als ik een patiënt opereer. Het hart van een zestigjarige roker is vaak in veel slechtere conditie dan dat van een tachtigjarige niet-roker. Het verslavingseffect van de nicotine is al even dramatisch, ik zie dikwijls patiënten worstelen om van hun slechte gewoonte af te raken. Het rookverbod in cafés en restaurants kan ik dan ook alleen maar toejuichen. Maar patiënten uit het ziekenfonds gooien omdat het hun eigen schuld is? Gevaarlijk principe, want wat is de volgende stap? Patiënten uitsluiten die risicosporten zoals skiën of bergbeklimmen beoefenen? En meteen ook de patiënten die te weinig bewegen of ongezond eten? Dat laatste zou inderdaad een flinke besparing in de gezondheidszorg te weeg brengen, want we stevenen af op een tsunami van obesitas.»

HUMO: oh ja?

Dr. Haenen: «Ik zie het op mijn operatietafel. De patiënten worden steeds zwaarder. Mannen van boven de honderd kilo, vrouwen met een BMI tussen de 30 en 35. Een meter zestig groot, en toch negentig kilo wegen. Dat zijn dan oudere patiënten, de gemiddelde leeftijd van onze klanten gaat trouwens crescendo. Maar ook onze kinderen zijn veel te dik. Het gaat de verkeerde kant uit met onze voedingsgewoonten, ondanks of juist dank zij de vele kookprogramma’s op de televisie. Ik vind het bedenkelijk hoe onze nationale chef Jeroen Meus met suiker, boter en andere vetstoffen goochelt. Koken is het nieuwe roken geworden, een bedreiging voor de volksgezondheid. Als hartchirurg vrees ik het ergste. Samen met cardiologen, diabetologen en diëtisten zullen wij de gevolgen van die obesitasplaag moeten opvangen.»

HUMO: hoe oud is die gemiddelde patiënt?

Dr. Haenen: «Bij ons? Zeventig. De gemiddelde leeftijd is de barometer van de medische vooruitgang. We voeren steeds complexere operaties uit op steeds oudere mensen, die er bovendien goed uitkomen en sneller dan ooit revalideren. Jaar na jaar zie ik het aantal tachtigjarigen stijgen. Vorige week heb ik trouwens een negentigjarige geopereerd, ze was binnengekomen met een longoedeem, het gevolg van een ernstig aortaklepprobleem. Ik ben haar gisteren drie kussen gaan geven, ze werd eenennegentig.»

HUMO: rijzen er geen vragen over de opportuniteit van zo’n ingreep bij hoogbejaarden? Belastend voor patiënt en familie, duur voor de maatschappij. Het begrip therapeutische hardnekkigheid is snel gevallen dezer dagen …

Dr. Haenen: «We gaan niet over één nacht ijs. Over tachtigplussers wordt er in het team overlegd. Is de patiënt fysiek en mentaal sterk genoeg? Loont het nog de moeite, kunnen we hem of haar nog minstens drie, vier extra jaren van voldoende levenskwaliteit garanderen? We polsen de huisarts en de cardioloog, maar we vragen ook de mening van de familie. Staan ze erachter? Uiteraard stellen we die vraag in de eerste plaats aan de patiënt zelf. Neem nu die negentigjarige dame van vorige week. Dat was nog een actieve vrouw met een sociaal leven, omringd door kinderen en kleinkinderen. Ik ben helemaal niet levensmoe, zei ze, ik wil verder leven. Ook de oudste patiënt die ik ooit op mijn tafel heb gekregen, was zo’n kranige dame. Tweeënnegentig, ik had er eerst zelf mijn twijfels bij. Ga haar eens opzoeken, zei de cardioloog, dan zul je wel overtuigd zijn. En inderdaad, ze vertelde wat ze allemaal nog deed, en dat ze nog met de auto reed, tot ze door een acuut hartprobleem werd geveld. Het is goed, zei ik, maar voor de zekerheid ga ik toch nog even je huisarts raadplegen. Ik stond op het punt naar het secretariaat te lopen om de gegevens op te vragen, maar ze riep me terug. Welk nummer heb je nodig, vroeg ze, vast of gsm? Ze heeft ze allebei gegeven, ui t het blote hoofd. Een maand na de operatie zag ik haar terug op de raadpleging. Ze vroeg of het okay was als ze in het weekend met haar nichtje naar een feestje ging. Geen probleem, zei ik, je nichtje zal je vast wel met de auto komen halen. Niks van, zei ze, ik rijd zelf wel. Ten andere, ik ben vorige week al naar Scherpenheuvel gereden om Onze Lieve Vrouw te bedanken. Geweldig toch? Dat zijn de patiënten die je onthoudt.»