Tagarchief: onderwijs

Denderleeuw, zwart én divers

verschenen in Knack Magazine, 21 november 2018

“Het oude Denderleeuw komt nooit meer terug”

foto: Franky Verdickt

Zwarte Zondag zindert na in Denderleeuw. In enkele centrumscholen met een grote Afro-gemeenschap is de triomf van extreemrechts hard aangekomen. Met vallen en opstaan hadden ze van diversiteit een troef gemaakt, en nu dit. Zelfs een afgeschaft Halloween-feestje wordt als soumission geframed. Knack polst de temperatuur in de laboratoria van Denderleeuw 2.0.

Gemeenteplein, Denderleeuw. Met een honderdtal zijn ze naar de betoging gekomen, mannen en vrouwen van verschillende leeftijden. Ze zwaaien met Vlaamse Leeuw-vlaggen, de rechtse strijduitvoering zonder rode klauwen en tong. Slogans zoals ‘Red de democratie’ en ‘Wij zijn het volk’ weerkaatsten tegen de gevel van het stadhuis. Bedoeling is dat ze doordringen tot de zaal waar straks de eerste gemeenteraad sinds de verkiezingen plaats vindt. Vlaams Belang-fractieleider Kristof Slagmulders warmt zijn achterban per megafoon op. Zijn partij, die op 14 oktober van drie naar negen zetels sprong, wordt buiten de formatiebesprekingen gehouden. ‘Denderleeuw dreigt weer een linkse coalitie te krijgen’, toetert hij. ‘De wil van de kiezer wordt verkracht’. Een van die kiezers is Kamiel Van den Borre. Gedrapeerd in een leeuwenvlag verklaart hij tegenover de correspondent van een regionale krant zijn aanwezigheid. ‘Ge kunt hier ’s avonds niet meer buitenkomen, het is hier precies Zuid-Afrika’.

We laten in het midden wat een gepensionneerde Belang-stemmer zich bij Zuid-Afrika voorstelt. Feit is dat de aanwezigheid van een aanzienlijke groep nieuwkomers met een Afrikaanse achtergrond op de verkiezingsuitslag heeft gewogen. Niet alleen in Denderleeuw waar het Vlaams Belang met 26,2 procent ruimschoots de grootste partij werd. Een boogscheut hiervandaan ligt het intussen veelbesproken stadje Ninove, waar de extreemsrechtse Forza Ninove net geen volstrekte meerderheid behaalde. Lijsttrekker Guy D’haeseleer, Vlaams parlementslid voor Vlaams Belang, draait zijn hand niet om voor wat stemmingmakerij omtrent gekleurde medeburgers. Zijn ‘chocomousse-meme’ met Afrikaanse kinderen werd zelfs door N-VA-voorzitter Bart De Wever als “walgelijk” bestempeld. In Aalst nestelde het Vlaams Belang zich met 17 procent stevig op de tweede plaats, weliswaar op respectabele afstand van de ongenaakbare burgemeester Christophe D’haese die met een opvallend homogene lijst uitpakte. Geen spoor van diversiteit bij de Aalsterse N-VA, onder de 43 kandidaten figureerde wel gewezen Belang-boegbeeld Karim Van Overmeiren die een sterke persoonlijke score neerzette. Het regende de voorbije weken analyses over de nieuwe Zwarte Zondag aan de Dender. Telkens werd de olievlek Brussel geëvoceerd, een niet te stuiten sociologisch fenomeen dat via het spoor en de Ninoofse Steenweg diversiteit en verfransing over deze hoek van Oost-Vlaanderen verspreidt. Even onvermijdelijk werd ingezoomd op  een welbepaalde categorie van nieuwkomers die met de interne migratiegolf in de Denderstreek kwam aanspoelen. Zowel in Aalst, Denderleeuw en Ninove als in Liedekerke en Erembodegem ontstonden de voorbije jaren grote gemeenschappen met roots in Sub-Saharaans Afrika.

Halloween

De snelheid waarmee deze ontwikkeling zich voltrok, blijkt nog het best uit cijfers van de Katholieke Centrumschool Denderleeuw. In het jaar 2000 telde de basisschool 4 procent kleuters en leerlingen met een niet-Nederlandstalige achtergrond. In 2005 was het aandeel al tot 18 procent opgelopen, dit schooljaar werden 52 procent allochtonen ingeschreven. ‘Die groep is heel divers’, zegt Joris Breynaert. ‘We hebben een tachtigtal moslims, meestal van Marokkaanse en Turkse afkomst. Je vindt hier ook Oost-Europeanen, Latijns-Amerikanen en zelfs enkele Walen. Maar veruit de grootste groep heeft roots in Centraal Afrika, vooral in Congo. 200 kinderen in totaal, dat is haast een school op zichzelf’. Breynaert, jarenlang directeur van het KCD, momenteel coördinerend directeur van de overkoepelende scholengemeenschap De Zevensprong, is nog niet bekomen van de verkiezingsuitslag. ‘Draai of keer het zoveel als je wilt’, zegt hij, ‘maar ruim een kwart van de kiezers heeft op 14 oktober een veto tegen diversiteit uitgesproken. Stuur die Afrikanen terug, was de impliciete boodschap, als het niet naar Congo is, dan tenminste naar Brussel waar ze vandaan komen. Absurd, alsof de lokale politiek enige invloed heeft op sociologische realiteiten zoals interne migratie. Maar dat besef sijpelt bij deze kiezers niet door. Ze hebben massaal gestemd op een partij die hen met populistische slogans laat geloven dat de verkleuring van Denderleeuw echt kan worden omgekeerd’.

Griet Daem, directrice van basisschool ’t Landuiterke, net als KCD onderdeel van De Zevensprong, deelt het onbehagen. De maandag na de verkiezingen zag ze de mails binnenlopen. Enkele ouders maakten hun beklag over het schrappen van het jaarlijkse halloweenfeest. ‘Een beslissing die al in de zomer, bij de planning van het schooljaar, werd genomen’, zegt Daem die we bij de collega’s van KCD ontmoetten. ‘Gedragen door het team, nogal wat leerkrachten vinden Halloween maar een commercieel nepfeest dat bovendien heel wat kleuters angst aanjaagt. En ja, er was nog een bijkomende reden. Een kleine minderheid van onze Afrikaanse ouders houdt zijn kinderen thuis tijdens halloween. Om religieuze redenen, het gaat om leden van bepaalde evangelische kerken waar een taboe geldt voor alles wat met de dood te maken heeft’. Het was op die bijkomende reden dat de klagers in hun gecoördineerde en opvallend getimede schrijfactie focusten. Halloween mag dan Amerikaanse import zijn, het schrappen van het feest werd één dag na de verkiezingen anders geframed: het was een kaakslag voor de Vlaamse identiteit en een zoveelste knieval voor de vreemdelingen die de school en bij uitbreiding heel Denderleeuw overspoelen. Een schoolvoorbeeld van identitaire recuperatie, vergelijkbaar met de heisa die de Brugse N-VA-senator Pol Van den Driessche enkele weken eerder maakte over omdopen van de Kerstmarkt tot Wintermarkt.

De anekdote speelt zich niet toevallig af in de Kruisstraat waar basisschool ’t Landuiterke een tweede campus heeft. De diversiteitsindex ligt er nog hoger dan bij KCD, waarmee het schooltje overigens een getrouwe afspiegeling biedt van haar omgeving. De wijk Leeuwbrug vlakbij het station is erg in trek bij nieuwkomers, vaak mensen uit de Afrikaanse gemeenschap in Brussel die door de lage vastgoedprijzen worden aangetrokken. Hier vind je nog een royaal rijhuis voor 150.000 euro, huurprijzen liggen de helft lager dan in de hoofdstad. Met de trein is het bovendien maar een kwartier sporen naar het werk of de familie in de hoofdstad. Maar er is nog een pull factor: onderwijs. ‘Afrikaanse ouders zijn net zoals alle ouders’, zegt Breynaert. ‘Ze willen het best mogelijke onderwijs voor hun kinderen, bij voorkeur in Vlaanderen. Niet dat het voor kinderen altijd een cadeau is. We schrijven soms leerlingen in het vijfde of zesde leerjaar in die recht uit Franstalig onderwijs komen en een grote achterstand voor Nederlands en wiskunde hebben. Niet simpel, voor het kind noch voor de school’.

’t Landuiterke voert een eigen spreidingsbeleid. Een twaalftal kinderen neemt ’s morgens bij het station de bus naar de veel wittere hoofdschool in de Landuitstraat. ‘Een confronterende ervaring”, zegt Daem die de kinderen vaak begeleidt. ‘Zwarte kinderen die luid praten, en dan soms nog in het Frans. Voor sommige busgebruikers is dat een brug te ver. Ze spuwen hun gal, zonder te beseffen dat onze leerlingen hen wel begrijpen. Heel wat van die kinderen zijn echte polyglotten, we zijn hier trouwens een perfect tweetalige generatie aan het klaarstomen’.

jobs, jobs, jobs

De ‘invasie’ terugdraaien? Een blik op de speelplaats van de KCD zou moeten volstaan om die illusie te kelderen. Kinderen ravotten als vanouds, zichtbaar kleurenblind. ‘In het begin registreerden we wel eens een ongepaste opmerking’, zegt Ann Van Durme die Breynaert als directeur is opgevolgd. ‘Dan klonken er kreten zoals ‘vuile zwarte’. Ik ben niet zeker of het racistisch bedoeld was, het blijven tenslotte kinderen. Maar de jongste jaren horen we helemaal geen wanklanken meer. Het zijn volwassenen en gepensionneerden die moeite hebben met de veranderingen, voor deze kinderen is diversiteit vanzelfsprekend. Ze zijn de toekomst van Denderleeuw, een toekomst die we hier zo goed mogelijk voorbereiden. Natuurlijk heeft onze school wat heet een moeilijk publiek. We scoren erg hoog in de SES-cijfers, vooral door de anderstalige thuissituatie. Dat heeft ook een voordeel in het Vlaamse onderwijssysteem, want het geeft ons recht op negen extra zorgleerkrachten die we inzetten voor doorgedreven differiëntering en taalondersteuning. Met resultaat: de meeste van onze leerlingen stromen door naar A-richtingen in het middelbaar’.

Foto: Franky Verdickt

Van Durme, opgegroeid in de wijk Leeuwbrug, zelf 27 jaar voor de klas gestaan, doet er niet hypocriet over. De verkleuring is haar en haar collega’s overvallen. ‘Het is heel snel gegaan. We hebben met het hele team een nieuwe aanpak gezocht, een proces van vallen en opstaan. Voor Nederlandse taalverwerving en ouderbetrokkenheid moesten we het bord helemaal afvegen en van nul herbeginnen. We hebben pilootgroepen opgericht, voortrekkers die nagenoeg iedere woensdag nableven om te brainstormen. Niet iedereen in het team was daar klaar voor, zo’n transitie gaat met een rouwproces gepaard. Gelukkig viel de omslag samen met de instroom van heel wat jonge leerkrachten’. Dat mag geen toeval heten. Samengeteld steeg de populatie van KCD en ’t Landuiterke sinds 2006 van 600 naar 1.000 leerlingen, een winst die volledig op het conto van intene migratie valt te schrijven. ‘De verkleuring heeft onze centrumscholen een nieuw elan gegeven’, zegt overkoepelend directeur Breynaert. ‘Jobs, jobs, jobs, is dat niet wat de regering Michel wil? Wel dan, diversteit creëert jobs’. 

Niet dat alles rozengeur en maneschijn is. KCD krijgt geregeld leerkrachten van landelijk gelegen zusterscholen op werkbezoek. ‘Die zetten grote ogen’, zegt Van Durme. ‘Ik heb  er nog niet één gekend die wilde ruilen, ook al omdat leraren op deze school harder moeten werken dan collega’s die een homogeen Vlaams publiek bedienen. Maar het omgekeerde is evenzeer waar: niemand van mijn team wil naar een school op het platteland verhuizen. Het is misschien hard werken, maar we krijgen veel terug. Ik ben er trouwens van overtuigd dat we nu veel beter onderwijs bieden dan pakweg twintig jaar geleden. Ook aan de Vlaamse kinderen’.

Vlaamse ontvoogding

2006, het jaar waarin de kaap van 20 procent anderstaligen werd genomen, was een kantelpunt. Samen met de even diverse basisschool van het GO!-Atheneum trokken KCD en ’t Landuiterke bij het gemeentebestuur aan de alarmbel. Deze uitdaging ging hun krachten te boven, de scholen vroegen ondersteuning. De démarche leidde onder meer tot het benoemen van een gemeentelijke schoolopbouwwerker, een ervaren kracht die in Gent werd weggeplukt. ‘Daar hebben we veel aan gehad’, zegt Van Durme. ‘Ze haalde experts onderwijs en diversiteit naar Denderleeuw. Mensen zoals Piet Van Avermaet, de Gentse professor taalkunde die ons nieuwe inzichten over de verwerving van Nederlands heeft aangebracht. We hebben daar echt mee geworsteld: moeten we kinderen straffen als ze onder elkaar op de speelplaats Frans spreken? Die piste hebben we gelukkig snel verlaten. Het is wetenschappelijk onderbouwd: als kinderen hun thuistaal mogen hanteren, voelen ze zich beter in hun vel waardoor ze ook sneller Nederlands leren’.

Toch ontstond er opschudding toen het nieuwe speelplaatsreglement in de streekpers uitlekte. Frans spreken op de speelplaats van de Kruisheren, waar ging dat naartoe? De naam van de stichtende congregatie, tevens verbonden aan het aanpalende IKSO-college, rijmt in de streek met Vlaamse ontvoogding. Zowel Van Durme als haar collega Daem pleiten voor pragmatiek. Ja, brieven aan ouders worden ook in het Frans verstuurd. Tijdens oudercontacten staan vrijwilligers-tolken klaar. De onthaaldag wordt voor Nederlandsonkundige ouders in een aangepaste en meertalige formule overgedaan. ‘Natuurlijk moedigen we de ouders aan om Nederlands te leren’, zegt Van Durme. ‘We organiseren zelf cursussen in samenwerking met het Centrum voor Basiseducatie. Maar we moeten realistisch blijven. Van ouders die pas vanuit Brussel zijn verhuisd, kun je niet verwachten dat ze de Nederlandstalige uitleg tijdens de onthaaldag of het oudercontact snappen. Voor ons primeren altijd de onderwijskansen van het kind’.

Van Durme overweegt nog een stap verder te gaan. Thuistaal toelaten in de klas, ook dat is volgens onderwijsexperts heilzaam voor welbevinden en leerwinst. Voorlopig blijft dat nog toekomstmuziek, want niet alle teamleden geloven in deze vorm van pedagogisch driebanden. Het toont echter aan hoe ver ze gaat in het omarmen van de diversiteit, al knagen er soms twijfels. Ze kent kinderen die letterlijk in de schaduw van de KCD wonen en toch in deelgemeente Welle school lopen. Het zijn uitzonderingen, de gevreesde witte schoolvlucht is uitgebleven. ‘Toch mag het hier stoppen’, zegt Van Durme. ‘Onze nieuwe aanpak werkt goed, maar wat als de verhouding naar 70/30 doorschiet? Pas op, ook dan zullen we er het beste proberen van te maken. Maar simpel is het allemaal niet’.

ouderbetrokkenheid

Peter Van Hove, directeur van de GO!-basisschool in de De Nayerstraat, maakt er een erezaak van: bij nieuwe inschrijvingen verwelkomt hij de ouders in hun thuistaal. Soms is dat Italiaans of Roemeens. ‘Dat gaat niet altijd even vlot’, geeft hij toe, ‘maar het wordt geapprecieerd door zowel ouders als kinderen’. Meestal echter bedient hij zich van de taal van Molière. ‘Meer dan de helft van onze kinderen spreekt thuis Frans’, zegt Van Hove. ‘Vooral moslims en Afrikanen, al zitter er daar ook tussen die Engels spreken. Op de speelplaats klinken alle talen door elkaar, maar Nederlands is de bindtaal. Logisch, want we hebben hier nog altijd een aanzienlijke groep Vlaamse kinderen’. Ook Van Hove spreekt over diversiteit als een kans. Sinds zijn aantreden in 2012 kent de school na een moeilijke periode weer een forse groei: van 416 naar 600 leerlingen, overwegend kinderen van nieuwe Denderleeuwenaars. De pragmatische taalpolitiek is niet het enige raakvlak met de katholieke centrumscholen. Onder impuls van de gemeentelijke schoolopbouwwerker ontstond een officieus, netoverschrijdend samenwerkingsverband. In de drie scholen werd een video opgenomen om de usances van het Vlaamse basisonderwijs te verduidelijken. De film, voorzien van Franse en Engelse ondertitels, liep helaas twee jaar vertraging op, een gevolg van de bestuurscrisis die Denderleeuw verlamde nadat N-VA-burgemeester Jan De Dier in november 2014 zijn meerderheid verloor.

Ook Van Hove en zijn team hebben met zoeken en tasten een nieuwe onderwijsmethode ontwikkeld. GOVA, heeft hij het genoemd, gedifferentieerd onderwijs met vakankers. ‘Van de jongste kleuters tot en met de kinderen van het vierde leerjaar hebben we voor alle vakken een referentieleraar aangeduid, een vakspecialist die zijn collega’s helpt met de lesvoorbereidingen. In de graadklas van het vijfde en zesde leerjaar passen we het systeem van het secundair onderwijs toe, met gespecialiseerde leerkrachten die alleen hun vak geven in alle klassen. We scoren dankzij dit systeem flink boven het Vlaamse gemiddelde op de OVSG-eindtoetsen. Straf, met ons publiek’.

Foto: Franky Verdickt

Ouderbetrokkenheid blijft zijn grootste kopzorg, al heeft voortschrijdend inzicht al veel  beterschap gebracht. Briefjes in de agenda, zelfs in het Frans gesteld, blijven vaak ongelezen. Dus belt de school ouders persoonlijk op om afspraken voor bijvoorbeeld het oudercontact te maken. Dat werkt goed, net zoals de oudergroepen waarin mama’s en papa’s uit de Afrikaanse gemeenschap een brugfunctie vervullen. Ze wijzen andere ouders op het belang van betrokkenheid, er wordt geëxperimenteerd met thema-avonden rond schoolse onderwerpen waarbij de ouders tegelijk vakjargon  leren in het Nederlands. Vooral bij de oriëntatie richting secundair ontstaan er wel eens misverstanden. Met name Congolese ouders, zo vernamen we meermaals, mikken erg hoog. Zoon- of dochterlief wordt advocaat of dokter, andere uitkomsten worden minderwaardig geacht. Dan valt er wat uit te leggen als het studieadvies richting TSO of BSO wijst. Administratieve rompslomp in een orale cultuur, het is een van de thema’s waarmee de schoolopbouwwerker hier aan de slag ging. Goed initiatief van het gemeentebestuur, vindt ook Van Hove. Jammer alleen dat de schoolopbouwwerker al na twee jaar in een andere functie werd benoemd, en dat het daarna nog eens twee jaar duurde vooraleer een opvolger werd aangesteld. ‘Ik heb nog in Gent gestaan’, zegt Van Hove. ‘Daar financiert de stad per school van deze omvang een voltijdse  opbouwwerker. Dat zou hier echt geen overbodige luxe zijn’.

Pierre Kompany

Half vier. Ouders stromen in al hun diversiteit binnen om hun kroost op te halen, onverschillig voor de Vlaamse strijdvlag die aan de overkant van de schoolpoort wappert. Ooit was het cachet van Vlaams Belang een sociaal stigma. Dat is voltooid verleden tijd, althans in de Denderstreek. Ook anderhalve week na de verkiezingen glunderen de extreemrechtse kandidaten van achter ramen en op plakaten in voortuintjes. ‘Eerst onze mensen’, de boodschap is hier aangekomen. Maar even opvallend: verschillende lijsten pakten uit met gekleurde kandidaten. Zelfs de N-VA, waar Jean Liwoke zijn Afrikaanse oorsprong met een originele flamingantische pedigree wist te rijmen. Zijn vader, zo presenteert hij zich op de website, was een wees die door Vlaamse priesters werd opgevoed, vandaar zijn gevoeligheid voor het V-ideaal. Hij werd niet verkozen, in tegenstelling tot Chancelvie Okitokandjo die voor CD&V in de nieuwe gemeenteraad mag gaan zitten. Twee andere kandidaten uit de Afrikaanse gemeenschap, van Groen en CD&V, grepen nipt naast een zetel. En zo wordt een 26-jarige rechtenstudente uit de wijk Leeuwbrug de enige stem van divers Denderleeuw. Zwaar ondervertegenwoordigd, want intussen heeft al een vijfde van de 20.000 inwoners een niet-Europese afkomst. ‘Afrikanen’ vormen met zowat 3.000 zielen veruit de grootste groep niewkomers. ‘Het had op 14 oktober anders kunnen lopen’, zegt Okitokandjo. ‘Heel wat Afrikaanse mensen hebben niet gestemd, vooral diegenen die nog geen Belgische nationaliteit bezitten. We hebben die groep nochtans sinds april actief aangespoord om zich als kiezer te laten registreren, maar velen generen zich voor hun Congolese, Rwandese of Kameroenese identiteit’.

Aan strijdlust ontbreekt het Okitokandjo niet. De coalitiebespreingen zijn nog in volle gang, maar ze wijst een schepenmandaat niet a priori af. Na de stembusuitslag regende het felicitaties, zowel van de Afrikaanse gemeenschap als van Vlaamse vrienden. Vergelijkingen met Pierre Kompany, straks burgemeester van Ganshoren, waren niet van de lucht. Okitokandjo scoorde onder meer met een Facebook-filmpje waarin ze in vlekkeloos Nederlands haar geloof in een divers Denderleeuw belijdt. Grootmoedig voor iemand die in haar heimat geregeld met plat racisme werd en wordt geconfronteerd. Tegenliggers die abrupt van stoep wisselen alsof ze een besmettelijke ziekte vrezen, treinreizigers die liever rechtstaan dan naast haar plaats te nemen, zieke commentaren aan de kassa van de Delhaize, het zijn ervaringen die ze met vele Afro-Denderleeuwenaars deelt. ‘Vaak wordt er agressief gereageerd als je Frans spreekt’, zegt ze. ‘Nu ken ik de gevoeligheden wel van de taalkwestie in Vlaanderen, maar dit snap ik niet. Wat is er mis met tweetaligheid? Ik zie daar alleen een troef in’.

Als ze desondanks optimistisch blijft, dan komt dat onder meer door haar ervaring op school. ‘Ik heb op het katholieke IKSO gezeten’, zegt Okitokandjo die tot haar elfde in Nederland woonde. ‘Een goede school, nooit racisme of discriminatie ervaren. Hetzelfde verneem ik van mijn Belgisch-Rwandese vriendin die op het Atheneum heeft gezeten en nu als advocate werkt. Toegegeven, de scholen zijn sindsdien nog veel diverser geworden. Ik kom nog geregeld in het IKSO waar mijn jongste zusje zit. Ik sta soms zelf versteld van de verkleuring. Het is erg snel gegaan, en ik begrijp dat oudere Denderleeuwenaars het daar moeilijk mee hebben. Maar ze moeten de realtieit onder ogen zien. Het Denderleeuw van vroeger komt nooit meer terug’.

Ooit komt het allemaal wel goed. Bij het GO! in de De Nayerstraat kaarten leerkrachten na over het voorbije Halloweenfeest. Het was heel eng, erg donker en vooral een groot succes. Zo’n 250 kinderen en ouders waren door tot griezeltunnel verbouwde gangen op de eerste verdieping gelopen. Onder hen kinderen die met de zegen van hun ouders religieuze en culturele taboes opzij hadden gezet. ‘Typisch’, zegt een lerares. ‘Alle reden zijn goed voor een verkleedpartijtje. Karnaval, dat zit hier in ‘t bloed’.  Ook bij nieuwe Denderleeuwenaars.

Onderwijsfilosoof Michael Merry over de Vlaamse schoolpoortstrijd: “Islamitisch onderwijs is een dam tegen radicalisering”

Knack Magazine, 3 april 2018

De Amerikaanse professor onderwijsethiek en wetenschapsfilosofie Michael Merry spaart geen heilige huisjes. Leidt een betere sociale mix op school naar gelijke onderwijskansen? Twijfelachtig, betoogt Merry die een warm pleidooi voor islamitisch onderwijs houdt. Gesprek met een dwarsdenker die de Vlaamse schoolpoortstrijd vanuit Amsterdam op de voet volgt.

foto: Eric De Mildt

foto: Eric De Mildt

 

Twee onderwijsdeskundigen voor de prijs van één! De gedachte overvalt ons als we in Amsterdam het kantoor van professor Michael Merry betreden. Voorbarig, want de onverhoopte bezoeker moet meteen weer weg. ‘Ik kijk alvast uit naar jullie interview’, zegt Orhan Agirdag terwijl hij zich naar een vergadering op het rectoraat rept. ‘Noteer gerust dat ik van Michael heel veel heb geleerd’. Achteraf bekeken is de kortstondige ontmoeting geen toeval. De Vlaamse socioloog Agirdag is niet alleen professor in Leuven, maar ook deeltijds docent aan de Universiteit van Amsterdam. Als specialist segregatie en ongelijkheid in het onderwijs is hij bovenal een veelgevraagd opiniemaker. Logisch dus dat zijn naam op alle Vlaamse redacties rondzoemde toen enkele weken geleden reuring ontstond omtrent centrale inschrijvingssystemen en kamperende ouders. Agirdag vertoefde evenwel in het buitenland, en zo kwam zijn collega in beeld. Michael Merry (49), een Amerikaans filosoof die onder meer in Leuven heeft gestudeerd, doceert al meer dan tien jaar onderwijsethiek en wetenschapsfilosfie aan de UvA. Hij is auteur van verschillende  standaardwerken, onder meer over islamitisch onderwijs in Westerse maatschappijen en over de wisselwerking tussen gelijkheid, burgerschap en segregatie.

De Amerikaanse Amsterdammer heeft zijn entree in het Vlaamse onderwijsdebat niet gemist. In een scherp opiniestuk in De Morgen fileerde hij de inschrijvingsdiscussie. Leidt een betere sociale mix op school werkelijk tot gelijkere onderwijskansen en meer burgerzin bij tieners? Wishful thinking, poneerde Merry die achter welgemeende intenties discrimenerende en soms zelfs ronduit racistische premissen ontmaskert. Hij besloot zijn opiniestuk met een dringende oproep: of we ons alstublieft rekenschap willen geven van de cognitieve dissonantie die ons telkens weer dezelfde voorstellen doet lanceren, terwijl empirisch onderzoek uitentreuren heeft aangetoond dat ze geen zoden aan de dijk zetten?

geen leuke boodschap voor progressieve lezers die dromen van een divers onderwijslandschap dat kansarme kinderen emancipeert en de realiteit van de multiculturele samenleving weerspiegelt…

Michael Merry: Cognitieve dissonantie is nog een beleefde uitdrukking, ik had het ook gewoon hypocrisie kunnen noemen. Maar laten we mild zijn. Je kunt blijkbaar oprecht geloven in diversiteit en gelijke kansen, en tegelijkertijd handelen op een manier die het tegendeel van diezelfde idealen nastreeft.

waarom is streven naar een betere sociale mix op school geen goed idee?

Merry: Ik zeg niet dat het een slecht idee is, maar als filosoof stel ik vragen bij de premissen waarop aannames rusten. Gemengde scholen garanderen meer gelijkheid in het onderwijs en bevorderen het ontwikkelen van burgerzin en democratische waarden. Dat klinkt mooi, geen zinnig mens kan daar op tegen zijn. Al vraag ik me wel af waarom een gekleurd kind pas burgerzin kan leren als het in een klas met witte kinderen zit. En over welke gelijkheid spreken we precies? De status van de leerlingen? De verwachtingen van ouders en leerkrachten? De selectiemechanismen die zowel aan de schoolpoort als binnen de school spelen? En natuurlijk is er de hamvraag: krijgen arme kinderen met een migratieachtergrond werkelijk meer kansen als ze in een school vol witte kinderen uit de middenklasse zitten?

zegt u het maar…

Merry: Er is de voorbije vijftig jaar ontzettend veel onderzoek naar gedaan, en de conclusies wijzen in een andere richting. Er zijn positieve uitzonderingen, maar doorgaans heeft meer diversiteit op school een negatief effect. Arme kinderen krijgen minder kansen, de ongelijkheid neemt nog toe. De oorzaken zijn veelvuldig. Sommige kinderen lezen op vijf jaar Harry Potter, anderen moeten op die leeftijd nog aan het alfabet beginnen. Aangeboren cognitieve vermogens en de mate waarin een kind thuis wordt gestimuleerd, dat zijn natuurlijk variabelen waar het onderwijs geen greep op heeft. Maar een groot deel van de verklaring ligt bij discriminerende mechanismen die eigen zijn aan scholen, ook gemengde scholen waar het team en de ouders nochtans door ‘goede intenties’ worden gedreven.

welke mechanismen?

Merry: De interne organisatie en de sfeer die daarmee samenhangt. Het volstaat niet meer diversiteit in de klas te brengen, gemengde scholen vergen veel meer van zowel leerkrachten als directies. Ik weet niet hoe in het Vlaanderen zit, maar in Nederland is meer dan 95 procent van het lerarenkorps wit. De overgrote meerderheid zijn vrouwen, afkomstig uit de middenklasse. Ook schoolbesturen zijn homogeen wit. Ironisch genoeg vormen concentratiescholen geen uitzondering. Vorig jaar heb ik daar samen met Orhan voor Trouw een opiniestuk met een ietwat provocerende titel over geschreven: “De zwarte school is nog niet zwart genoeg”.

wat kunnen gekleurde leraren dat hun witte collega’s niet kunnen?

Merry: Ik beweer niet dat zwarte of Marokkaanse leerkrachten altijd beter zijn, maar ik vind die witte homogeniteit wel problematisch. Kinderen hebben nood aan rolmodellen, zeker als ze tot een gestigmatiseerde minderheid behoren. Rolmodellen zoals leerkrachten in wie ze zichzelf kunnen herkennen omdat ze dezelfde etnische, religieuze of sociale achtergrond hebben en bijgevolg ook persoonlijke ervaringen delen. Het is ook problematisch hoe de witte homogeniteit zich inhoudelijk laat gelden, zoals tijdens de lessen geschiedenis die bol staan van de culturele stereotypen. Bijdragen van minderheden aan ‘onze’ maatschappij? Wordt met geen woord over gerept. De boodschap is helder: jullie horen er niet bij. Het risico op vervreemding in zo’n gemengde school is sowieso al groot, want die kinderen voelen zich vaak eenzaam en ondergewaardeerd. Het taalgebruik, de muziek die men beluistert, de hobby’s die men beoefent, het is altijd de dominante groep die de toon zet. Dat is de kern van de zaak: als leden van de geprivilegeerde middenklasse vinden we het vanzelfsprekend dat kinderen uit kansengroepen zich aan onze normen en waarden aanpassen. We willen diversiteit op school, maar alleen op onze voorwaarden en liefst niet te veel. Want ook progressieve, hoogopgeleide ouders die de mond vol hebben van gelijke kansen en diversiteit, hanteren ingebouwde drempels. Zodra het aantal ‘verkeerde’ leerlingen het kantelpunt heeft bereikt, zoeken ze een andere school. Ik neem aan dat jullie ook in Vlaanderen vertrouwd zijn met bakfietsouders?

jazeker, al worden ze de laatste tijd wat overschaduwd door de Gutmenschen…

Merry: Het is natuurlijk een symbool, maar tegelijkertijd zijn bakfietsouders een realiteit. Ik woon in de Indische buurt in Amsterdam Oost. Iedere ochtend zie ik mijn buren met hun bakfietsen vertrekken. Het zijn zogenaamd progressieve mensen zoals u en ik, die hoog oplopen met de multiculturele samenleving en stemmen voor GroenLinks of de SP. Uiteraard zijn ze gewonnen voor gemengde scholen en gelijke onderwijskansen. Toch steken ze iedere ochtend met hun kinderen per bakfiets de gracht over naar Zeeburg, een rijkere buurt met een lagere school die als beter bekend staat, om niet te zeggen dat ze een wittere populatie telt. Een Montessori-school, niet toevallig. Montessori, Jenaplan, Dalton, dat valt in Nederland onder de noemer van levensbeschouwelijk onderwijs. De pedagogische methodes verschillen, maar op enkele uitzonderingen na, hebben ze met elkaar gemeen dat ze een erg wit publiek lokken.

zoals de Freinet- en Steinerscholen in Vlaanderen. Wijst u die buren soms op hun cognitieve dissonantie?

Merry: Jawel, en dan reageren ze sportief. Je hebt natuurlijk gelijk, zeggen ze. Maar ik moet het begrijpen: ze willen het beste voor hun kind dat nu eenmaal bijzonder is. En dat ze vrezen dat hun kind zich op een zwarte school niet thuis zal voelen. Proef je de ongelijkheid? Nooit stelt men zich de vraag of een gekleurd kind zich op een witte school thuisvoelt. Uiteraard niet, we realiseren ons niet eens dat scholen met een homogeen wit publiek in feite concentratiescholen zijn. Die blinde vlek belet ons ook om in te zien dat er in Nederland of Vlaanderen niet alleen Turkse of Marokkaanse getto’s maar evengoed witte getto’s bestaan. Het geval van Femke Halsema, de voormalige leider van GroenLinks, spreekt boekdelen. Als progressief boegbeeld heeft ze altijd geroepen dat kinderen naar de school van hun buurt horen te gaan. Ze heeft het goede voorbeeld gegeven en haar zoontje naar een zogenaamd zwarte school om de hoek gestuurd. Na twee jaar echter heeft ze hem er weggehaald. Mijn kind is geen pedagogisch experiment, gaf ze als verklaring. Pijnlijk moment.

ouders die het beste willen voor hun kind. Mag het even?

Merry: Natuurlijk mag dat, het is ook maar een van de vele voorbeelden. Voor een ethicus is dit een heel interessant debat, het gaat om een afweging tussen twee principes, vrijheid en gelijkheid. Als het om hun eigen kind gaat, dan verkiezen ouders haast altijd de vrijheid om hun eigen, ideale school te kiezen, boven het recht op gelijke kansen voor andere kinderen. Natuurlijk wordt dat anders uitgelegd. Het sociaal niveau van de klas ligt te laag, of ze maken zich zorgen over de taalvaardigheden van hun kind. Te veel allochtonen op school, dat zou namelijk slecht zijn voor de beheersing van de moedertaal. Onzin natuurlijk, dat heeft de beroemde socioloog James Coleman al in de jaren zestig afdoende bewezen. Kinderen van hoogopgeleide ouders die op jonge leeftijd leren lezen en discussiëren, hebben altijd een grote voorsprong. Ik zeg niet dat de school voor die kinderen onbelangrijk is, maar factoren zoals de thuissituatie en de peer group spelen in hun geval een veel grotere rol. Nog een excuus dat vaak wordt ingeroepen is hoogbegaafdheid. Mijn kind heeft extra uitdaging nodig, en daarom moet het naar een wit gymnasium.

betwist u dat er zoiets als hoogbegaafdheid bestaat?

Merry: Helemaal niet, en ik vind dat hoogbegaafden recht hebben op extra zorg, net zoals kinderen meer leerstoornissen. Alleen denk ik dat hoogbegaafdheid erg zeldzaam is, het begrip zou alleen mogen slaan op kinderen met uitzonderlijke cognitieve vermogens. Nu wordt de stempel veel te snel gedrukt, zowat alle zonen en dochters van hoogopgeleide ouders zijn hoogbegaafd en hebben bijgevolg separaat onderwijs nodig. (grinnikt) Je kunt het natuurlijk als een vorm diversiteit in het onderwijs beschouwen. Op maat gesneden van de dominante groep, met als ongeschreven bijbedoeling om andere, ongewenste vormen van diversiteit tegen te gaan en discriminatie binnen scholen te legitimeren.

bent u niet al te sceptisch over het emancipatorisch effect van een gezonde sociale mix in gemengde scholen? In Vlaanderen werd vorig jaar de vzw Positive Education Psychology opgericht, een vereniging die kansarme leerlingen met een migratie-achtergrond aanspoort om hoog te mikken. PEP werkt met inspirerende rolmodellen wier succesverhaal haast altijd in een witte school start. Toegegeven, het zijn succesverhalen met een duister randje. De getuigen kregen een prima voorbereiding op hogere studies, maar voelden zich vaak slecht in hun vel op zo’n witte school. Niettemin: de initiatiefnemers zijn hevige voorstanders van een betere sociale mix, zozeer zelfs dat ze voor wettelijke quota pleiten… 

Merry: Ik ken zelf van die succesverhalen, met een duistere rand. Een goede vriend van Marokkaanse oorsprong heeft op een Montessori-school gezeten. Met gunstig gevolg, want dank zij die opleiding en uiteraard ook door zijn eigen ambitie, is hij in Oxford gepromoveerd. Toch kijkt hij met gemengde gevoelens op zijn schooltijd terug. Blijkbaar waren de leraren rabiate atheïsten. Iedere dag moest hij misprijzende opmerkingen of flauwe grappen over zijn religie incasseren. Het is trouwens oppassen met persoonlijke succesverhalen. Voor je het weet trap je in de Obama-val.

de Obama-val?

Merry: Het misbruiken van rolmodellen. President Obama of Oprah Winfrey hebben zich via onderwijs aan de beperkingen van hun achtergrond kunnen ontworstelen. Wel dan, waarom zouden anderen met een vergelijkbare achtergrond dat niet kunnen? Rolmodellen worden op een voetstuk geplaast om te verdoezelen dat het systeem geen gelijke kansen biedt. Niet alleen in het onderwijs, ze dienen vaak als nuttige idioten voor conservatieve partijen die in wezen tegen emancipatie van kansengroepen zijn. Nou ja, conservatieve partijen. De Rotterdamse burgermeester Abutaleb, een socialist nota bene, is zo iemand die roept dat iedereen moet kunnen wat hij heeft gepresteerd. Kijk, het is onvermijdelijk dat af en toe een kansarm kind helemaal naar de top doorstoot, door een combinatie van talent, doorzettingsvermogen en een dosis geluk. Die ene leerkracht of die oudere broer die je potentieel opmerkt en ervoor zorgt dat je in een goede school belandt, dat soort meevallers. Maar zolang het schoolsysteem niet grondig verandert, blijven het de spreekwoordelijke uitzonderingen die de regel bevestigen.

wat zou u de minister van onderwijs aanraden?

Merry: Volg een meersporenbeleid. Investeer in goede gemengde scholen, maar besef dat die strategie niet volstaat om gelijke kansen in het onderwijs te bewerkstelligen. Je moet vanuit de realiteit vertrekken, en die realiteit zegt dat we nog altijd in een erg gesegregeerde maatschappij leven. Waarom moet het dan een probleem zijn als een school in een Turkse buurt hoofdzakelijk door Turkse leerlingen wordt bezocht? Ik kant me tegen het stigmatiseren van concentratiescholen. Er valt juist veel te zeggen voor onderwijs dat zich op de culturele achtergrond en specifieke behoeften van minderheden richt, zolang er alternatieven beschikbaar zijn voor wie er zijn gading niet vindt. Kinderen zijn beter af in een omgeving waar hun cultuur en achtergrond niet worden geminacht, waar ze zonder complexen hun religie kunnen beleven, waar ze zich kleden zoals ze dat zelf willen, en waar niemand hen bestraffend toespreekt als ze op de speelplaats hun thuistaal spreken. Scholen dus waar ze niet worden gestigmatiseerd omdat ze niet beantwoorden aan de burgernormen van de dominante groep. Alle kinderen moeten de kans krijgen een positief zelfbeeld te ontwikkelen, dat is een absolute noodzaak om zich later tot volwaardige burgers te ontpoppen. Als dat onderwijs in aparte, gekleurde scholen vergt, dan is dat maar zo.

horen we daar een pleidooi voor islamitische scholen?

Merry: Ik weet dat het in Vlaanderen gevoelig ligt, maar in Nederland is het islamitisch onderwijs een succes. De eerste basisschool werd in 1988 opgericht, intussen zijn er al zo’n 45. Ik heb veel islamitische scholen bezocht. Aanvankelijk waren er in Nederland problemen, de focus lag te veel op capaciteitsuitbreiding. Maar de voorbije tien jaar is de kwaliteit fel verbeterd, verschillende moslimscholen staan zelfs in de top 20 van beste basisscholen van Nederland. Ik sluit niet uit dat op termijn ook niet-moslims de weg naar het islamitisch onderwijs vinden. Zo is het hier in Amsterdam ook gegaan met het hindoe-onderwijs, oorspronkelijk bedoeld voor hindoes uit de Surinaamse diaspora. Intussen sturen ook Surinaamse christenen en moslims hun kinderen er naartoe. Vanwege de kwaliteit, en vanwege de gedeelde cultuur, taal en achtergrond.

het ligt inderdaad gevoelig in Vlaanderen. Er zijn geen islamitische basisscholen, maar in het verleden werden verschillende pogingen tot oprichting ondernomen. Die mislukten, vooral door actieve tegenkanting door zowel lokale overheden als onderwijsinstanties. Slecht voor de integratie, luidt een van de bezwaren, hiermee worden moslims nog dieper in een getto gedrongen. Islamitisch onderwijs zou bovendien de deur openzetten voor radicalisering. Terechte bekommernissen?

Merry: Wat een dooddoeners. Om met integratie te beginnen: wat bedoelen ze daarmee? Minderheden hebben bitter weinig aan een multiculturele samenleving, als ze helemaal onderaan de pikorde staan, waar ze worden misprezen en schabouwelijk behandeld. Het argument van radicalisering zou ik willen omdraaien. Goed georganiseerd islamitisch onderwijs kan juist een dam tegen radicalisering opwerpen.

leg dat eens uit…

Merry: Het Verenigd Koninkrijk telt meer dan 200 moslimscholen, Amerika en Canada ruim 500, in Nederland zoals gezegd een 45tal. Samen zijn dat heel veel leerlingen en oud-leerlingen. Je zou verwachten dat in die landen geradicaliseerde moslims uit die moslimscholen afkomstig zijn. Maar nee, de meesten hebben een verleden in openbare scholen waar ze gefrustreerd zijn geraakt door discriminatie en stigmatisering. Natuurlijk is onderwijs niet de enige factor, ook politiek speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol. Maar het staat wel vast dat moslims minder kans op radicalisering lopen, als ze op een school zitten waar ze niet worden gediscrimineerd, positieve rolmodellen ontmoeten, en leraren die hoge verwachtingen koesteren. Een school kortom waar ze weinig of niet met institutioneel racisme in aanraking komen, en waar ze geen gevoel van vervreemding maar van verbondenheid ervaren. Let wel, net zoals andere scholen staat of valt de kwaliteit van islamitische scholen met een goede organisatie. En uiteraard moet er adequaat toezicht worden uitgeoefend. Het kan niet de bedoeling zijn die scholen door Saudi-Arabië te laten financieren, noch door groeperingen met extremistische, salafistische agenda’s.

het hoofddoekendebat wil in het Vlaamse onderwijs maar niet luwen. Hoe kijkt u er er vanuit Amsterdam naar?

Merry: Met verbijstering. Gelukkig zijn we dat station in Nederland al lang gepasseerd. Wat me opvalt is de verkrampte houding in linkse middens, veelal ingegeven door een radicaal atheïstische overtuiging. Het doet me denken aan mijn jaren in Leuven waar ik theologie heb gestudeerd. De proffen van de faculteit godgeleerdheid waren veel progressiever dan hun collega’s in de faculteiten wijsbegeerte of politieke wetenschappen, linkse intellectuelen die niet wilden snappen dat religie voor onderdrukte groepen een emanciperende rol kan spelen. Ik vind de Vlaamse obsessie met deze kwestie dom en gevaarlijk. Door zo’n controverse op te blazen rond een stuk textiel, creëren jullie zelf het klimaat waarin radicalisering gedijt. Kortzichtig, maar ook een treffend voorbeeld van een dominante, witte meerderheid die haar normen aan een onderdrukte minderheid oplegt.

om advocaat van de duivel te spelen: waarom mag die dominante, witte meerderheid haar normen niet via het onderwijs opleggen? Het zijn dezelfde normen die op de arbeidsmarkt en meer algemeen in de samenleving gelden, ook voor kansengroepen met een migratieachtergrond. Gelet op het ontwikkelings- en welvaartsniveau van die maatschappij, zouden we zelfs een lans durven breken voor die normen en waarden…

Merry: Dat argument hoor ik vaak, en telkens antwoord ik met de volgende vraag. Wat betekenen die universele normen en waarden? Stel dat Dirk en Ahmed dezelfde competenties hebben, zowel qua opleiding als qua werkervaring en expertise. Hebben ze daarom bij een sollicitatie allebei evenveel kansen op een positief antwoord? Natuurlijk niet, want discriminatie op de arbeidsmarkt is een feit. ik zie dat trouwens binnen mijn eigen vakgroep, een plaats waar heel hard over gelijke kansen in het onderwijs wordt nagedacht. Haast al mijn collega hebben dezelfde achtergrond: witte middenklasse, middelbare school gelopen op een gymnasium, vergelijkbaar met elitaire ASO-scholen in Vlaanderen. Ziet u, in discussies over dit onderwerp wordt vaak naar het Britse schoolsysteem verwezen. Public schools zoals Eton, Harrow of Rugby, die zijn het summum van elitair onderwijs. Maar wat blijkt uit onderzoek? Het sociaal profiel van een Nederlandse gymnasium is even elitair als dat van een public school in Engeland of Wales.

vindt u in Nederland gehoor met uw pleidooi voor emanciperend, gescheiden onderwijs?.

Merry: Nee. De meeste van mijn collega’s zitten op een totaal andere golflengte. Als buitenlander snap je er niks van, hoor ik ze denken. Terwijl het natuurlijk evengoed kan liggen aan de oogkleppen die ze als vertegenwoordigers van de dominante, hoogopgeleide, witte meerderheid dragen. Dat denk ik dan. (lacht)

kinderpsychiater Lieve Swinnen over motivatie op school

Knack, 26 augustus 2015

Een wonderpil tegen motivatieproblemen in het onderwijs heeft ze niet, maar kinderpsychiater Lieve Swinnen kent wel recepten om de leerlingen bij de les te houden. Respecteer het puberbrein, wees wijs met nieuwe media en stop de jeugd op tijd in bed. Een stimulerend gesprek over goesting in het nieuwe schooljaar.

 

025

Tradities zijn er om gerespecteerd te worden. Volgende dinsdag serveert het avondjournaal ontroostbare peuters en sniffende mama’s bij de schoolpoort. Een vertekend beeld, want niet alleen driejarige ukken kijken huizenhoog op tegen 1 september. Schoolmoeheid is een hardnekkige kwaal in het Vlaamse onderwijs. 16 procent ongekwalificeerde uitstroom bij de jongens, dat heeft onder meer met motivatieproblemen te maken.

Kinderpsychiater Lieve Swinnen heeft er het leeuwendeel van haar nieuwe boek aan gewijd. Hoe kunnen we kinderen motiveren om te studeren, luidt de hamvraag in ‘(Geen) Goesting?!’.  Ze kent de kwestie van twee kanten. In haar groepspraktijk in Neerpelt staat ze ouders en kinderen bij die hun schoolcarrière spaak zien lopen op allerlei gedrags- of leerstoornissen. Daarnaast wordt ze geraadpleegd door leraren en directies die zich het hoofd breken over methodes om hun pupillen bij de les te houden. Toverformules staan er niet in, maar het vlot geschreven boek bevat wel handvatten om het motivatieprobleem aan te pakken.

–  wat is motivatie?

Swinnen: ‘Nu goesting hebben in later, daar komt het in feite op neer. Er valt natuurlijk meer over te vertellen. In de psychologie maakt men een onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Je best doen omdat een goed rapport een nieuwe smartphone oplevert. Om niet bij de vrienden uit de toon te vallen. Omdat je er veel geld mee hoopt te verdienen. Allemaal verschillende beweegredenen, maar ze hebben dit gemeen dat het om externe prikkels gaat. Die werken goed, maar in een leerproces is intrinsieke motivatie efficiënter. Als je graag tango danst, is het geen opgave om naar de tangoles te gaan. Wie intern geprikkeld wordt, duikt vanzelf dieper in de materie’.

–  werkt dreigen met sancties in het onderwijs?

Swinnen: ‘Je kunt dat een vorm van extrinsieke motivatie noemen. In onderwijs kom je er echter niet ver mee, want negatieve boodschappen missen meestal hun doel. Zo heeft het weinig zin verwijten te maken. Je bent lui, zeggen ouders of leraren tegen een kind dat zijn huiswerk niet maakt of zijn best niet doet. Dat lucht misschien op, maar het zal het kind niet op het juiste spoor zetten. Boodschappen moeten sporen met het ABC van de motivatie’

–  ABC?

Swinnen: ‘De A van autonomie: kinderen moeten zelf achter beslissingen staan. Als ze tegen hun zin in een richting worden geduwd, gaat het gegarandeerd fout. De B staat voor verbinding: ze moeten zich goed voelen op school en in de klas. En dan de C van competentie: ze moeten de capaciteit hebben om het leerproces aan te kunnen. Ik heb dat ABC niet zelf bedacht, het komt van Maarten Vansteenkiste, professor motivatiepsychologie in Gent. Maar ik vind het een geweldig instrument. Als je door de ABC-bril naar leerstoornissen kijkt, kom je er vaak snel achter waar de knoop zit’.

–  hebben ook ouders en leraren er iets aan?

Swinnen: ‘Jawel, en dat probeer ik in mijn boek over te brengen. Geen enkel kind wordt lui geboren, ze willen allemaal iets maken van hun leven. Als een kind afhaakt, moet je het ABC-schema aflopen om de oorzaak te vinden. A en B, dat gaat van verkeerde studiekeuze, slechte sfeer op school of in de klas tot pestgedrag. Competentieproblemen zijn complexer. Vaak denken we dat kinderen niet willen, terwijl ze in feite niet kunnen. Toch krijgen ze negatieve feedback. ‘Heb je het nu nog niet begrepen? Van jou had ik toch meer verwacht’. Fout natuurlijk, daarmee ondermijn je het zelfvertrouwen en wakker je faalangst aan. Dat is des erger wanneer het om kwetsbare kinderen gaat, met ontwikkelingsstoornissen zoals adhd, dyslexie of vormen van autisme. Het probleem is dat we in een prestatiemaatschappij leven. Ouders willen niet meer horen dat hun kind iets niet kan. Waar een wil is, is een weg, luidt het gezegde. Als mijn zoon of dochter maar hard genoeg probeert, moet het wel lukken. Ik zou die zegswijze anders willen interpreteren. De weg loopt niet voor iedereen gelijk en leidt al evenmin naar dezelfde bestemming. De taak van opvoeders is kinderen te helpen bij het zoeken naar hun weg, met respect voor hun autonomie uiteraard. In feite is school de job van de kinderen. Zij moeten het waarmaken, ouders en leraren zijn de supporters langs de zijlijn’.

– waar een wil is, is een weg…. naar het ASO. Ligt de oorzaak van demotivatie niet vaak bij een verkeerde studiekeuze?

Swinnen: ‘Helaas wel. Zo hoog mogelijk beginnen, is de mentaliteit, dan kun je altijd afzakken. BSO-scholen hebben bijna geen directe instroom meer. Pas in het derde en vijfde jaar stromen de klassen vol, drop-outs die in het ASO zijn begonnen en via de befaamde waterval aanspoelen, beladen met een rugzak vol faalervaringen. Wat een zonde en tijdverlies. In mijn ogen zijn het slimme ouders die direct beseffen dat hun zoon of dochter geen aanleg voor theoretische vakken heeft, maar wel graag met de handen werkt.’.

– nochtans wordt er al twintig jaar geroepen dat we het beroeps en technisch onderwijs moeten herwaarderen

Swinnen: ‘Helaas met weinig resultaat. Ik heb het nochtans al vaak gezegd tegen ouders die in zak en as zitten omdat hun zoon in het ASO niet meekan. Er is niks mis met beroepsonderwijs. Die ingemaakte kast achter mijn rug, die werd gemaakt door een schrijnwerker die goed zijn brood  verdient. Natuurlijk, ik heb makkelijk praten met drie zonen die vlot hebben gestudeerd. Toch moeten we er blijven op hameren: ook als je door de natuur minder royaal werd bediend, mag je de armen niet laten’.

–  de natuur?

Swinnen: ‘Net als intelligentie zit schoolmotivatie of leergierigheid voor 40 tot 50 procent in de genen. De rest wordt nagenoeg volledig door unieke ervaringen bepaald. Door de individuele leefomgeving dus, collectieve factoren zoals gezin of milieu tellen nauwelijks mee. Die nuance is belangrijk, want anders heb je een perfect alibi voor defaitisme. Nu is het tegendeel waar: het belang van die unieke, individuele ervaringen moet ons aansporen om kansarme kinderen te blijven stimuleren’.

– zoals de kanaries in de koolmijn wijzen motivatieproblemen op school vaak op onderliggende problemen. Wat schuilt er zoal onder de oppervlakte?

Swinnen: ‘Vaak begint het op school of thuis met vage klachten. Hij is lui, hij is wil zich niet inspannen. Het is in de eerste instantie aan de ouders, de school en het CLB om naar een verklaring en een oplossing te zoeken, samen met het kind in kwestie uiteraard. In onze praktijk zien we de zware dossiers. Concentratiestoornissen zoals adhd of psychiatrische stoornissen zoals autisme. Hoe wil je dat een adhd-kind gemotiveerd blijft? Als je in je hele schoolcarrière hebt ondervonden dat zich inspannen niet loont, want dat het toch niet lukt? Maar ernstige situaties kunnen ook een heel andere oorzaak hebben. Verwenning is een groot probleem, we behandelen onze kinderen veel te veel als prinsen en prinsessen’.

–  u spreek van de applausgeneratie. Wat bedoelt u daarmee?

Swinnen: ‘Ouders leggen de lat zo hoog mogelijk, liefst van al moet hun kind latijn wiskunde volgen. Diezelfde veeleisende ouders doen er anderzijds alles aan om het hun kinderen naar de zin te maken, te beschermen en met applaus te belonen. Met de fiets naar de sportclub? Geen sprake van, mama en papa spelen taxi. Ouders nemen kinderen zo voortdurend verantwoordelijkheden uit handen. Dat is zondigen tegen de autonomieregel, met als gevolg dat kinderen geen coping capacity ontwikkelen. Ze hebben geen probleemoplossend vermogen, kunnen niet met kritiek of tegenslag om. Die aanpak komt vroeg of laat als een boomerang op de ouders terecht. Want hoe vaak horen we hier niet? Op school worden ze apathisch, thuis werken ze hun frustraties uit en ontaardt het soms in regelrechte agressie. Onlangs werden we gecontacteerd door een radeloze moeder. De verwenningsproblematiek van haar 17-jarige zoon was compleet uit de hand gelopen. Omdat zo’n situatie niet makkelijk recht te trekken valt, stelden we een spoedopname voor. Tot onze verbijstering pruttelde ze tegen. Het was een vrijdag, ze vroeg of het niet tot maandag kon wachten, want haar zoon had een weekend met de vrienden gepland. Tja, een kwestie van prioriteiten zeker’.

–  hoe ernstig zijn de gevolgen van motivatieproblemen? Gaan er talenten of levensdromen onherroepelijk verloren?

Swinnen: ‘Het wordt pas ernstig als kinderen op school echt gaan afhaken. Als dan de juiste hulp wordt geboden, komt het wel goed. Een puber met een verkeerde studiekeuze kan vaak met een simpele heroriëntering worden geholpen. De echte risico’s zijn kinderen met een voorgeschiedenis, zoals gedragsproblemen of trauma’s. Soms sta je als kinderpsychiater voor verrassingen. Komt hier een jongen uit het derde middelbaar, compleet schoolmoe. Bleek dat hij stapelverliefd was op een meisje uit het vijfde dat hem niet zag staan. Het was onmogelijk zich nog te concentreren, alles stond in het teken van zijn onbereikbare vlam. Die heeft een jaar verloren, maar daarna stond hij weer op de rails. Het hoeft niet altijd dramatisch af te lopen’.

– pubers vinden school saai, en wie het daar niet mee eens is, is een nerd. Kuddegedrag, maar misschien hebben ze ook wel een punt. Wijzen de motivatieproblemen niet op een didactisch probleem? Kunnen leraren hun klas niet meer boeien?

Swinnen: ‘Ze moeten het natuurlijk spannend houden. Mijn 88-jarige moeder legde als wiskundelerares breuken uit met een taart. Niet meer van deze tijd, je moet creatieve toepassingen zoeken die aansluiten bij de leefwereld van de klas. Gebruik de nieuwe media, laat ze voor kansberekening uitvissen of de Rode Duivels straks het WK winnen, dan heb je meteen de halve klas mee. Leraren moeten ook kunnen omgaan met weerstand. Neem dat niet persoonlijk, is mijn advies. Als een klas geen goesting heeft, dan zegt dat iets over de kloof tussen de leerstof en hun leefwereld. Toon empathie, en geef bijvoorbeeld op een vrijdagmiddag geen gortdroge theorievakken. Anderzijds moeten we daar ook niet in doorschieten. Kinderen moeten ook leren aanvaarden dat saaie leerstof erbij hoort’.

interessante bedenking. De voorbije jaren is een discussie losgebarsten over de opdracht van de school. Het heet dat het onderwijs te veel op vaardigheden en te weinig op kennis mikt. Akkoord?

Swinnen: ‘Het is niet zwart-wit, maar ik ben het in grote lijnen eens met die stelling. Waarom moeten kinderen op school leren hoe ze gezond ontbijten? Dat is toch een taak voor de ouders. Een vader van een tweeling met adhd kwam hier zijn beklag maken. Hij zat thuis uren aan een stuk naast zijn kinderen om ze te helpen met lezen en rekenen. En op school gingen ze van het ene toneelstuk naar de andere uitstap. Ik zou het liever andersom zien, zei die vader, dan had ik tijd om zelf eens met mijn kinderen naar het theater te gaan’.

– ouders ergeren zich vaak aan de lamlendigheid van hun kinderen. Zitten urenlang te gamen, met geen stokken aan hun huiswerk te krijgen. Weet u raad?

Swinnen: ‘Ouders moeten net als leraren beseffen dat pubers geen volwassenen zijn. Hun prioriteiten liggen omgekeerd. Eerst komen de vrienden, de gameconsole, de sportclub, ver daarachter huiswerk maken of kamer opruimen. Vele ouders proberen hun kinderen te motiveren door met de toekomst te schermen. Goed studeren, dan zul je later veel verdienen of een spannend beroep uitoefenen. Dat heeft weinig effect, pubers denken niet zover vooruit. We moeten niet per se negatief doen over hun attitude, als volwassenen kunnen we er zelfs van leren. Wat bakken wij nog van vriendschap? Vele volwassenen hebben het daar te druk voor. Onderhandelen is de boodschap. Het ideale moment voor huiswerk is meteen na de school, dat is bewezen. Verkiezen ze een ander tijdstip? Ook goed, zolang er afspraken worden gemaakt die nadien ook worden nageleefd. Respect voor autonomie is geen alibi voor een laissez faire-opvoeding. Kinderen hebben grenzen en structuur nodig’.

–  is schermverslaving een bedreiging voor de studie-ijver van onze jeugd?

Swinnen: ‘We nemen dat woord veel te snel in de mond. Je bent verslaafd, roepen ouders tegen hun zoon die urenlang zit te gamen of naar Youtube kijkt. De kans is groot dat de jongen het verwijt niet begrijpt. Wat doe ik verkeerd? Al mijn vrienden zitten even lang voor het scherm. Hij heeft nog gelijk ook, uit onderzoek naar het schermgebruik van jongeren blijkt dat slechts 5 procent een probleem heeft, terwijl 1 procent echt verslaafd is. Ik wil dat niet wegrelativeren, 1 procent staat nog altijd voor vele honderden jongeren’.

– 18 procent van onze schoolgaande kinderen heeft een of andere vorm van begeleiding nodig, 7 procent kampt zelfs met een zware problematiek. Verontrustende cijfers?

Swinnen: ‘Het gaat niet schitterend met de geestelijke gezondheid van onze jongeren. De oorzaken zijn erg uiteenlopend. Er is de druk van de prestatiemaatschappij, en er verschijnen steeds meer etiketten. Concentratiestoornissen bestonden vroeger niet, nu lijkt het wel een epidemie. Pas op, ik ben slecht geplaatst om dat te minimaliseren. Ik heb in mijn kabinet nog maar zelden ouders of kinderen gezien die voor een bagatel kwamen aankloppen’.

– er is dus wel degelijk een probleem…

Swinnen: ‘Ja, en je kunt je suf piekeren over een sluitende verklaring. De hectiek van de maatschappij heeft er zeker mee te maken. Jongeren raken overprikkeld door de constante stroom van indrukken die ze over zich heen krijgen. Zeker nu internet en sociale netwerken mobiel zijn geworden, houdt het nooit meer op. Maar ook wij volwassenen zijn druk. We eisen veel van onze kinderen, maar vinden vaak niet de tijd om ons echt om hen te bekommeren. Intussen zie je gevestigde gezagspatronen afbrokkelen. Over meneer pastoor moeten we het niet meer hebben, maar ook ouders en leraren hebben veel aan autoriteit ingeboet. Vooral kwetsbare jongeren zijn daar slachtoffer van, want die hebben meer dan wie ook nood aan structuur. Bij de start van het vorige schooljaar stonden we hier voor een raadsel. Al op 1 september hing een wanhopige moeder aan de lijn. Haar zoon was niet meer welkom in de klas omdat hij een vervelende tic had. In de weken nadien werden nog vier gevallen van tics gerapporteerd. Nooit eerder meegemaakt’.

–  intussen een verklaring gevonden?

Swinnen: ‘Een sterk vermoeden. Een tic ontstaat als je brein overprikkeld raakt. Je krijgt _ als je filter niet goed werkt _ teveel geluiden of andere impulsen binnen, waardoor je als reactie zelf onwillekeurige geluiden of bewegingen genereert. Waarom nu die piek in september vorig jaar? De hele maand augustus was het weer rotslecht geweest. Daardoor hebben kinderen nog meer tijd dan anders achter de computer of voor een scherm doorgebracht, met een overdosis prikkels als gevolg’.

– vallen motivatieproblemen medicinaal op te lossen?

Swinnen: ‘Dat zou geweldig zijn, een motivatiepil Nee dus, en gelukkig maar, want er wordt al genoeg gemedicaliseerd. Een weinig bekend probleem is het gebrek aan slaaphygiëne. Onze kinderen gaan veel te laat slapen, met alle gevolgen van dien voor hun schoolprestaties. Ouders protesteren als ik dat tijdens een consultatie aankaart. De slaapgewoonten van hun kinderen bijsturen? Alstublieft nee, kan ik niet gewoon een pilletje voorschrijven? Ik weiger dat, behalve als er sprake van een echte stoornis’.

– jongens haken vaker af op de middelbare school dan meisjes. Hoe komt dat?

Swinnen: ‘Meisjes puberen vroeger en korter, ze zijn gemiddeld twee jaar rijper dan jongens van dezelfde leeftijd. Hun respectieve breinen werken ook anders. Jongens zijn gericht op actie en visuele prikkels, meisjes op taalvaardigheid, een eigenschap die beter bij een schoolomgeving past en die ook verklaart waarom ze sneller verantwoordelijkheid kunnen dragen en over hun toekomst nadenken. Vroeger, toen jongens en meisjes naar verschillende scholen gingen, viel dat niet op. Nu worden die ongeïnteresseerde jongens met hun concentratieproblemen vergeleken met ijverige meisjes in hun klas’.

– sommigen pleiten voor een terugkeer naar gescheiden scholen. Een goed idee?

Swinnen: ‘Ik vind van wel. Vroeger luidde het voornaamste argument voor gemengde scholen dat jongens en meisjes er met elkaar leerden omgaan. Dat klopte, je had vroeger van die 18-jarige jongens die tilt sloegen als ze voor het eerst met een meisje werden geconfronteerd. Maar intussen zijn er buitenschools mogelijkheden zat om contact met het andere geslacht te leggen. Pas op, met die jongens komt het wel goed hoor. Tussen 18 en 21 maken ze de klik. De rede haalt langzamerhand de bovenhand, er ontstaat een toekomstbesef. Het is geen toeval dat kinderen vroeger pas op 21 meerderjarig werden bevonden’.

–  Op 1 september gaan twee nieuwe privéscholen voor hoogbegaafden van start. Ze vervelen zich en haken af in het reguliere onderwijs, zeggen de initiatiefnemers. Bent u voorstander?

Swinnen: ‘Nee. Hoogbegaafdheid is geen stoornis, het is sowieso een troef. Professor Duyck, cognitief psycholoog in Gent, heeft erop gewezen: hoogbegaafden hebben niet meer emotionele problemen dan andere kinderen. Tenzij hun hoogbegaafdheid gepaard gaat met problemen zoals adhd, maar dat geldt evengoed voor normaal begaafde kinderen. Natuurlijk moet er een aanbod zijn voor hoogbegaafden, net zo goed als voor andere kinderen. Maar dat is nu al het geval: lagere scholen organiseren kangoeroeklassen, in het middelbaar heb je sowieso een differentiatie door het aanbod van verschillende richtingen’.

–  over differentiëren gesproken: volgende week treedt het M-decreet op inclusief onderwijs in werking. Leerlingen uit het buitengewoon onderwijs moeten ook in gewone scholen terecht kunnen. Begrijpt u de huiver van vele directies en leerkrachten?

Swinnen: ‘Ik juich inclusief onderwijs toe. Kinderen met een beperking in de klas? Een verrijkende ervaring voor de medeleerlingen, uitstekend voor hun sociale en emotionele ontwikkeling. Directies vrezen dat hun leerkrachten overbevraagd worden, en dat hun niveau gaat zakken. Dat vind ik een enge benadering, al heb ik ook begrip voor de scepsis. De manier waarop het M-decreet wordt uitgevoerd, wekt weinig vertrouwen. De kinderen maken nu al de overstap van het buitengewoon naar het reguliere onderwijs, maar de nodige middelen om hen te begeleiden volgen pas later. Het belooft een lastig schooljaar te worden’.

–  geef toe: al dat differentiëren maakt de taak van de leraar niet eenvoudiger op…

Swinnen: ‘De tijd is voorbij dat een leerkracht jaar in jaar uit dezelfde stof kon geven, met de lesvoorbereiding die hij iedere ochtend kant en klaar uit de lade kon trekken. Het is maatwerk geworden. Leraren hebben veel vakantie. Wat mij betreft verdienen ze die dubbel en dwars., maar tijdens het schooljaar moeten ze bereid zijn keihard te werken. Eigenlijk blijft het een mooie job. Kinderen een jaar lang begeleiden tot ze weer een volgende stap in hun persoonlijke ontwikkeling kunnen zetten. Je zou voor minder gemotiveerd zijn’.

(Geen) Goesting!?, Hoe motiveer ik kinderen en jongeren, Lieve Swinnen, Van Halewyck, 256 pag. Verkrijgbaar vanaf 5 september

A tale of two schools in Mechelen

bericht uit de wereld van de niet zo gelijke onderwijskansen

(verschenen Knack 10 april 2013. Dit is een uitgebreide versie, met aansluitend commentaar door onderwijsspecialist Jean-Pierre Verhaeghe).

De sociale mix in onze scholen bevorderen, ziedaar een van de doelstellingen van het tien jaar geleden goedgekeurde Gelijke Kansendecreet. Er is nog werk aan de winkel, blijkt in Mechelen. Twee basisscholen van hetzelfde onderwijsnet delen er hetzelfde gebouw, begeleiden kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad naar dezelfde eindtermen. Samensmelten?  De kloof tussen een witte freinetschool en een zuivere concentratieschool blijkt onoverbrugbaar. Welkom in de wondere wereld der niet zo gelijke onderwijskansen.

 

HofVanNassau1

  foto: Jelle Vermeersch, www.jellevermeersch.be

Een druilerige maandagochtend op het Mechelse Berthoudersplein. Twee poorten verschaffen toegang tot het imposante complex van het Gemeenschapsonderwijs (GO!). De afstand bedraagt geen twintig meter, een onoverbrugbare kloof naar zal blijken. De breedste poort, een metalen hek, geeft rechtstreeks toegang tot de speelplaats van freinetschool Villa Zonnebloem.  Conform met de gangbare clichés rijden bakfietsen aan en af. Toegegeven, er stoppen ook auto’s, om van de voetgangers te zwijgen. Maar welke transportmodus ze ook gebruiken, de begeleidende ouders beantwoorden haast zonder uitzondering aan hetzelfde socio-economisch profiel. Autochtone stedelingen, behorend tot de middenklasse van hoogopgeleide tweeverdieners. De andere poort, in feite een dubbele glazen deur met een pomp, dient als achteringang van basisschool Hof van Nassau.  Opvallend weinig fietsen hier, en al helemaal geen bakfietsen. Deze kinderen komen te voet of stappen van de exclusief voor Hof van Nassau rijdende schoolbus.  Om het beladen woord allochtoon maar niet te gebruiken: het zijn Marokkaanse Mechelaars die uit de bus stromen, met uitzondering van diegenen die hun roots hebben in landen als Roemenië, Angola, Congo, Tsjetsjenië, Afghanistan of Pakistan. Hof van Nassau, 285 leerlingen groot, is wat men in het jargon een zuivere concentratieschool pleegt te noemen.

Aan dit dagelijkse ritueel gaat een geschiedenis vooraf. Villa Zonnebloem is zo’n vijftien jaar geleden uit het niets ontstaan, op initiatief van een clubje ouders dat zijn gading niet meer vond in het reguliere onderwijsaanbod. Het onafhankelijke methodeschooltje sloot na een tumultueuze start bij het gemeenschapsonderwijs aan en opteerde definitief voor Freinet, een beproefd model binnen de waaier van ervaringsgericht onderwijs dat de leefwereld van het kind centraal stelt. Het werd een schot in de roos.  Villa Zonnebloem, de enige verstrekker van methodeonderwijs in Mechelen en omgeving, groeide als kool. De oorspronkelijke locatie, een reeks barakken geprangd tussen de Zandpoortvest en het Berthoudersplein, werd hopeloos te klein. De oplossing voor Scholengroep 5 van het GO! lag voor de hand. Verhuizen naar het aanpalende Hof van Nassau, een instituut met een roemrijke naam waarvan vermoedelijk weinig leerlingen de herkomst kennen. Ooit was dit de residentie van Margaretha van York, de hertogin van Bourgondië. Een deel van haar gotische kasteel staat nog overeind, ingekapseld in een modernistisch complex waarin na de oorlog een basis- en middelbare school werd gehuisvest. Die laatste verkaste zo’n dertig jaar geleden naar een andere campus, waardoor de basisschool veel te ruim in klaslokalen, turnzalen en sanitaire blokken kwam te zitten. Plaats zat voor de zowat 200 leerlingen van Villa Zonnebloem, al vergde de komst van de Freinetschool wel de nodige aanpassingen. Een gaanderij werd tot refter verbouwd. En de speelplaats werd verdeeld, met een hekwerk dat algauw tot een symbool zou uitgroeien. Zo is dus de curieuze situatie ontstaan. Twee basisscholen van vergelijkbare omvang van hetzelfde net, verenigd onder één dak.  Ze verstrekken onderwijs aan kinderen van dezelfde leeftijd uit dezelfde stad die aan het einde van hun lagere schooltijd dezelfde eindtermen dienen te halen. Waarom niet gewoon samensmelten tot één school, luidt de naïeve vraag waarmee we naar het Berthoudersplein zijn afgezakt.

kamperen voor Freinet

Marjan Engels stapt op haar fiets, ze heeft haar kleuter in de Villa afgezet. “Ik woon vlak naast een vrije basisschool”, zegt ze. “Het zou veel praktischer zijn mijn dochter daar naartoe te brengen, maar het pedagogisch project van Villa Zonnebloem sprak me veel meer aan. Ik blijf achter die keuze staan, het is een fantastische school en mijn dochter voelt zich goed in haar vel. Toch is er iets dat me dwars zit”. Ze wijst naar de witgroene schoolbus die met een tweede groep kinderen komt aanrijden. “Ik weet dat het niet zo is bedoeld”, zegt ze. “Maar het voelt aan als segregatie, vooral met dat hek op de speelplaats. Kan dat echt niet anders, vraag ik me af. Ik maak me zorgen over mijn dochter, ze groeit op dat vlak met een vertekend wereldbeeld op”. Wim Dirckx waarschuwt voor overhaaste conclusies. De vader van drie Villa-kinderen woont om de hoek, in een van dichtbevolkte wijken binnen de stadsring. De diversiteit van de buurt is veel groter dan de populatie van beide scholen laat vermoeden. “Klopt”, zegt hij. “Maar aan wie of wat ligt dat? Ik weet uit ervaring dat Villa Zonnebloem moeite heeft gedaan om allochtonen uit de buurt aan te trekken. Maar ze komen niet, om tal van redenen. Freinet is een concept waar ze weinig voeling mee hebben. Het accent ligt niet op discipline, maar op het stimuleren van zelfstandigheid en mondigheid.  De Villa moet haar aanpak natuurlijk uitleggen, maar dat is sneller gezegd dan gedaan als je met laaggeschoolde ouders te maken hebt die amper Nederlands spreken. Ik heb het gevoel dat onze directie er zich intussen heeft bij neergelegd, ook al omdat de klassen vanzelf vol lopen. De voorbije jaren werd er letterlijk gekampeerd om kinderen in de Villa in te schrijven. Door witte ouders, inderdaad. Maar nogmaals, het is geen eenduidig verhaal. Heel wat allochtonen kiezen bewust voor een concentratieschool, sommigen kinderen komen trouwens van de andere kant van de stad naar Hof van Nassau.  Veilig in de comfortzone van de eigen gemeenschap, ook dat speelt mee”.

Jo Verhenneman heet ons welkom in zijn bureau, ondergebracht in een refter waar met gipskartonnen wanden kantoren en klaslokalen werden geïmproviseerd. De uit het Leuvense afkomstige directeur van Villa Zonnebloem kan mooie adelbrieven voorleggen. Gediplomeerd onderwijzer met vakervaring, maar ook universitair geschoold pedagoog die aan de wieg van verschillende freinetscholen in en rond Leuven stond. Acht jaar geleden werd hij als een soort crisismanager bij Villa Zonnebloem binnengehaald, met resultaat. Een gemotiveerd team, een goede sfeer, gelukkige kinderen, dat is wat hij onder succes verstaat. Dat ouders bij de start van een nieuwe inschrijvingsronde voor zijn schoolpoort kamperen, beschouwt hij eerder als een vervelend neveneffect. “Ondanks het succes leven er nog altijd hardnekkige vooroordelen over freinet”, zegt hij. “Mensen denken dat het hier vrijheid-blijheid is, een school waar kinderen alleen maar leren zingen en tekenen. Onzin, freinet is in de eerste plaats een didactische methode. We bereiken dezelfde eindtermen als gewone basisscholen, maar langs een andere weg. Onze slogan luidt niet voor niets, ‘creatief met inhoud’” .

Berlijnse Muur

We hebben de vergelijking uit de mond van een van de Villa-ouders opgetekend. Het hekwerk op de speelplaats als de Berlijnse Muur tussen twee werelden. Het was ironisch bedoeld, maar het effect is er niet minder om. “Dat vind ik een schokkende vergelijking”, zegt de directeur verbouwereerd. “Ik wens me daar uitdrukkelijk van te distantiëren. Want wat is dat hele hekwerk tenslotte? Het is nu niet dat de scholen door prikkeldraad worden gescheiden. Het gaat om een simpel draadwerk dat intussen trouwens met planten is begroeid. Het poortje staat altijd open, want we moeten erlangs op weg naar de turnzaal die we met Hof van Nassau delen. Jazeker, er wordt samengewerkt, ook de voorschoolse opvang is gemeenschappelijk. Ik onderhoud de beste relaties met mijn collega van de overkant, we bellen elkaar wekelijks en komen elkaar vaak tegen op vergaderingen. Maar afgezien van die praktische samenwerking zijn beide scholen volstrekt onafhankelijk, met verschillende directies, verschillende teams en een verschillende didactiek, we hebben zelfs elk onze eigen schoonmaaksters en onze eigen werkman. Het is louter toevallig dat we in hetzelfde gebouw zitten, door omstandigheden waarop we zelf geen greep hadden. Natuurlijk zijn we ons met het hele team van het contrast bewust. Ik beweer dan ook niet dat dit onze droomlocatie is, maar ik begrijp de keuze van het gemeenschapsonderwijs. Deze school stond half leeg, logisch dus dat ze ons er bijnamen”.

De directeur heeft wat cijfers geturfd om de nodige grijstinten in het zwart-witte verhaal aan te brengen. Villa Zonnebloem telt leerlingen uit 19 verschillende landen, in 18,9 procent van de gezinnen is een van de ouders anderstalig, een categorie die zich van Somalië over Macedonië tot Wallonië uitstrekt. Door ons geraadpleegde ouders zullen die relativering later op hun beurt relativeren. Nogal wat van de allochtone Villa-ouders zijn evenzeer leden of aspiranten van de hoogopgeleide middenklasse als de andere ouders. Niet zo verwonderlijk, want naast de bekende witte vlucht is er in het onderwijs al langer sprake van een zwarte vlucht van ‘sterke’ allochtonen naar betere of alleszins hoger aangeschreven scholen. Moeten er nog meer nuances zijn? “Laten we ook eens naar de sociaal economische status (SES) van onze kinderen kijken”’, stelt Verhenneman voor. “Het gezinsinkomen en het opleidingsniveau van de moeder zijn daarbij doorslaggevend. Welnu, 22 procent van onze kinderen komt in aanmerking voor een schooltoelage, perfect in overeenstemming met de Vlaamse mediaan. Ik bedoel maar, wij zijn geen eliteschool. Een paar jaar geleden zijn we trouwens met een tweede vestiging begonnen, buiten de stadsring. Ons Zonnehuis telt veertig procent SES-kinderen, op enkele uitzonderingen na Marokkaanse kindjes uit de buurt”.

wit bastion

De grijstinten kunnen de perceptie niet keren. Villa Zonnebloem staat alom bekend als een wit bastion, wat de school in hoge mate ook is. “Een pijnpunt van in het begin”, zegt Koen Van den Bergh, een vader die geruime tijd in de ouderwerking meedraaide. “De segregatie druist in tegen de idealen van de meeste ouders die er uitgesproken progressieve denkbeelden op nahouden. Al vraag ik me af hoe lang dat nog duurt. De Villa is ongewild geworden wat ze vooral niet wilde zijn, een wit bastion dat hoe langer meer ouders dreigt aan te trekken die niet in freinet geïnteresseerd zijn, maar in het elitaire karakter. Dat is zuur, zeker als je bedenkt wie Célestin Freinet was en waar hij voor stond. Goed onderwijs verschaffen aan de zwaksten in de maatschappij, dat was zijn ideaal”. Krasse taal, maar moeten de directeur en zijn teamleden daarom het boetekleed aan? “Vorige week nog heb ik twee Koerdische kinderen ingeschreven”, zegt Verhenneman. “SES-kinderen, wel te verstaan. Ik heb de beide ouders vooraf ontvangen, ik trek bij iedere inschrijving trouwens een vol uur uit voor een intake gesprek. Ouders moeten bewust voor onze school kiezen, want freinet vraagt ook van hen een persoonlijk engagement. De vader sprak net voldoende Nederlands om mijn uitleg te volgen. Niet dat we daarover struikelen, desnoods roepen we er een tolk bij. Om maar te zeggen: het is niet dat we geen moeite doen”. En toch blijven de Koerdische kinderen uitzonderingen op de regel. SES-kinderen, van Belgische of buitenlandse origine, raken doorgaans niet over de drempel van de freinetschool. Omdat het concept te hoog gegrepen is? Het pedagogisch project overboord gooien is voor Jo Verhenneman geen optie, daarvoor spreekt hij met te veel passie over de specificiteit en meerwaarde van Freinet. De directeur zucht diep. “De scheiding tussen wit en zwart, de wenselijkheid van concentratiescholen, dat zijn allemaal erg complexe vraagstukken. Er is al veel over gezegd en geschreven, maar ik wacht nog altijd op de eerste wetenschappelijke studie die de problematiek in al haar dimensies omvat. Dan vraag ik me af: waarom zou ik als simpele directeur de oplossing moeten kennen voor een maatschappelijk probleem dat mijn school ver overstijgt? Dat is trouwens een van mijn grote ergernissen. Voor alle maatschappelijke problemen wordt er tegenwoordig naar de lagere school gekeken. Zijn er te weinig beenhouwers of loodgieters op de arbeidsmarkt? De lagere school moet het oplossen, roept Unizo. Loopt het fout met de voedingsgewoonten van onze jeugd? Vallen er teveel slachtoffers in het verkeer? De lagere school zal wel sensibiliseren en remediëren, we worden met kant-en-klare lesmodules gebombardeerd. Ik word daar eerlijk gezegd moe van”.

anderstalige nieuwkomers

Hof Van Nassau. We hebben de hoofdingang genomen. Er staat een halfverheven beeldhouwwerk, als monumentaal eerbetoon aan gesneuvelde oud-leerlingen. Binnen geen hekwerken of schotten, je loopt zo van de ene school de andere in. Niet ongemerkt evenwel, want het contrast spat eraf. Kant Villa: met frivole taferelen beschilderde deuren, kinderen die openstaande klaslokalen in en uitlopen, gezellige rommel alom. Van de uitgestorven gangen van Nassau kan alleen worden gezegd dat ze er kraaknet bijliggen. De stijlbreuk valt ook digitaal te constateren. Speelse en wijdvertakte hocuspocus bij de Villa, met als toemaatje een fotoverslag van de uitwisselingsreis naar Hongarije, wellicht het werk van een betrokken ouder. De site van Nassau daarentegen is een droge servicepagina met louter praktische informatie.  In een van de Nassau-lokalen is een lerares één op één met een meisje aan het werk. Ze stelt zich voor als de OKAN-juf, haar pupil is een van de anderstalige nieuwkomers die voor het basisonderwijs wordt klaargestoomd.  De kleurrijke bende om de hoek? “Da’s een freinetschool”, zegt de OKAN-juf veelbetekenend. “We hebben daar niks mee te maken. Ik ken mijn collega’s nauwelijks, we zien elkaar alleen in het voorbijlopen. Vroeger was de indeling anders, die van Villa Zonnebloem zaten een verdieping hoger zodat we de hele tijd voetstappen van rondrennende kinderen hoorden. Niet dat het stoorde, maar wij zijn dan hier niet gewoon. Het is een andere methode, ik denk niet dat ze bij ons publiek zou pakken. We zijn een concentratieschool, al is dat niet altijd zo geweest. Toen ik hier 25 jaar geleden begon, telde mijn klas drie Marokkaantjes. Mijn eigen dochters liepen hier school, dat was toen trouwens verplicht voor al wie een vaste benoeming had. Die traditie is uitgestorven, jonge leerkrachten zouden het ook niet pikken dat ze hun kinderen naar een concentratieschool moeten sturen. De Belgen zijn hier niet weggelopen, ze zijn eruit gegroeid terwijl hun plaats door allochtonen werd ingenomen. Ik heb me moeten aanpassen, maar ik sta hier nog altijd met veel goesting”.

Dat geldt ook voor directeur Luc Stessens. Pas benoemd, maar geen nieuwkomer. “Ik heb hier twaalf jaar les gegeven”, zegt hij. “Een bewuste keuze, ik had hier ook mijn eindstage gelopen. Het Hof was toen al een concentratieschool, maar dat heeft me nooit afgeschrikt. Realisme is de boodschap als je hier staat. Ook onze kinderen halen de eindtermen, maar dan op onze manier. Scholen met een sterker publiek kunnen breder gaan dan de verplichte leerstof, wij niet. Ik kom wel eens een oud-leerling tegen die de sprong naar het ASO heeft gemaakt, maar de meerderheid van onze kinderen stroomt naar het TSO en BSO door”. Ook Luc Stessens roemt de goede relaties met de overkant. De carnavalstoet, een van de jaarlijkse hoogtepunten bij het Hof, trekt ook door de gangen van de Villa. Uiteraard, zo benadrukt hij, wordt zijn collega vooraf om permissie gevraagd. Verder hoeft de integratie voor zijn part niet te gaan. De kloof tussen de pedagogische visies van beide scholen is minstens even breed als die tussen de sociaal-economische status van de respectieve ouders. De vraag of men destijds geen fusie heeft overwogen, doet ook hier de wenkbrauwen fronsen. Maar waarom moest de speelplaats zo nodig worden verdeeld? “Praktische noodzaak”, zegt Stessens nuchter. “De timing van de recreaties stemt niet overeen, die van de Villa hebben langer vrij. Stel dat ze allemaal door elkaar lopen. Hoe moeten wij daar onze kinderen uitvissen? De speeltijden op elkaar afstemmen, zou nog niks oplossen. Bij de Villa gaat het er anders aan toe, kinderen lopen er zelf naar de klas terwijl die van ons in de rij moeten staan. Je kunt dat ouderwets noemen, maar het is de enige manier om ze rustig in de klas te krijgen. Discipline is belangrijk in onze school, kinderen hebben structuur nodig. Ook de betrokkenheid van de ouders is compleet verschillend. In een freinetschool is die vanzelfsprekend, maar wij moeten er voor knokken. Oudercontacten ’s avonds, daar zijn we mee gestopt. De moeders geraken vaak niet op school, en vaders zien we sowieso slechts sporadisch. Sinds een paar jaar laten we de oudercontacten aansluiten bij de schooltijd, en dat werkt veel beter. Hetzelfde met de schoolvoorstelling in het weekend. Wekenlang repeteren, en dan komt de helft van de leerlingen niet opdagen omdat ze zaterdag naar een trouwfeest of naar de Koranschool moeten. Nu organiseren we onze voorstelling tijdens een schooldag, dan komt iedereen. Je moet inspelen op de noden van je publiek”.

zeeklassen

Toch blijft het een pijnlijke anekdote: de teloorgang van de bos-en zeeklassen. Voor vele kinderen vormen die het hoogtepunt van een lagere schoolcarrière, de foto’s en souvenirs worden levenslang gekoesterd. “We hebben er alles aan gedaan om de traditie in stand te houden”, zegt Stessens. “We pikten er de goedkoopste formules uit, maar jaar na jaar zagen we het aantal inschrijvingen teruglopen. De laatste keer aan zee waren er nog maar vier kinderen, ze hebben zich rot geamuseerd. Het heeft volgens mij met de cultuur te maken, meerdaagse uitstappen passen niet in de tradities. Voor sommigen bleef ook het geld een obstakel, hoezeer we ook ons best deden om de kostprijs te drukken. Kansarmoede is voor ons geen abstract begrip. Ik zou de SES-cijfers moeten opzoeken, maar ze liggen ver boven het stedelijk gemiddelde. Neem nu die twee Pakistaanse kinderen die ik onlangs heb ingeschreven. Hun vader werkt in een nachtwinkel, het hele gezin woont in één kamertje achter de zaak. Dat is hier de realiteit”.

Tijdens de rondleiding schetst de directeur zijn toekomstplannen. Het mag allemaal wat frivoler, gangen en klassen krijgen binnenkort een fris kleurtje. “En ik wil dat vreselijke oorlogsmonument in de hall uit het zicht”, zegt hij. “Dat is geen manier om onze kinderen ’s morgens te ontvangen”. Mag hij ons gaandeweg ook op de troeven van zijn school wijzen? Het riante computerlokaal, de moderne smartboards in de klassen? “We bedienen een kansarm publiek maar we zijn geen kansarme school”, zegt Stessens. “We hebben alle middelen om onze kinderen zo goed mogelijk te helpen”. Kan dat dan in een zuivere concentratieschool? Stessens haalt de schouders op. “Ik zie voor- en nadelen”, zegt hij. “Taalverwerving is een teer punt, en het klopt natuurlijk dat in scholen met een betere mix de sterke leerlingen het klassikaal niveau opkrikken. Daar staat tegenover dat je in een concentratieschool veel beter aan zorgverbreding kunt doen. We krijgen heel wat extra lesuren waarmee we onze kinderen individueel of in brugklassen begeleiden. Pas op, ik ben het ermee eens dat een school de afspiegeling van de maatschappij hoort te zijn. Dat is deze school beslist niet, maar aan wie ligt dat? Wij kunnen of willen geen kinderen weigeren”.

Indicatorleerlingen

Een gezonde sociale mix op school, dat is een van de doelstellingen van het in 2002 goedgekeurde en intussen meermaals verfijnde GOK-decreet. Om het ideaal van de gelijke onderwijskansen te realiseren, werden de LOP’s in het leven geroepen. In zo’n Lokaal Overlegplatform zitten niet alleen scholen van verschillende netten, maar ook bijvoorbeeld vertegenwoordigers van de welzijns- en integratiesector. Een LOP heeft verschillende opdrachten, maar de voornaamste is het maken van afspraken over een betere spreiding van indicatorleerlingen, de nieuwste term voor doelgroep- of SES-leerlingen. Nieuwe inschrijfregels van het LOP Mechelen moeten volgend schooljaar hun vruchten afwerpen. Er komt een soort quotumsysteem: ‘witte’ scholen zouden een deel van hun capaciteit voor indicatorleerlingen moeten reserveren. Dertig tot vijftig procent, naargelang de situatie. Bij concentratiescholen werkt het andersom, zij zouden plaats moeten vrijhouden voor 30 procent niet-indicatorleerlingen. Mooi in theorie, maar waar gaat directeur Stessens al die ouders met hun sterke sociaaleconomische status vinden? Bemiddelde, schoolbetrokken en goed geïnformeerde papa’s en mama’s die hun kinderen zonder verpinken naar Hof van Nassau sturen?  “Dat vraag ik me ook af”, antwoordt hij. “Ik vrees dat het in ons geval vooral verwarring zal veroorzaken. Zodra een klas voor 70 procent vol zit, moeten we nieuwe indicatorleerlingen op een wachtlijst zetten. Pas als op het einde van de inschrijvingsperiode blijkt dat die andere kinderen toch niet komen opdagen, kunnen we ze definitief inschrijven. Eerlijk gezegd zie ik vooral de nadelen. Veel onzekerheid voor ouders en directies, want het schoolshoppen zal er niet op verminderen. En aan onze mix zal er in de praktijk ook niet veel veranderen. Uiteindelijk zie ik maar één oplossing om concentratiescholen te mengen: één centraal aanmeldingspunt voor inschrijvingen van waaruit de kinderen over alle scholen worden verspreid. Maar dat is een utopie, want daarmee zet je de grondwettelijke vrijheid van schoolkeuze op de helling”.

De bel gaat, de gangen stromen vol. In een van de klassen is een meisje achtergebleven. Waarom ze niet gaat spelen? “Da’s een verhaal apart”, zegt de directeur. “Ze heeft een zeldzame huidziekte, waardoor ze geen zon of UV-licht kan verdragen.  Zelfs gewone buislampen zijn schadelijk, daarom hebben we de belichting in de klas aangepast. Nu zijn we aan het onderzoeken of we ook de armaturen in de refter kunnen aanpassen zodat het arme kind tenminste haar boterhammen kan opeten in het gezelschap van haar vriendinnetjes. Geen gemakkelijke klus, maar we vinden het belangrijk genoeg. Bij ons telt ieder kind, dat is trouwens ook onze slogan”.

Mahatma Gandhi

Zo’n anekdote is ideaal als uitsmijter voor een reportage. Voor de volledigheid echter moeten we nog naar de Mahatma Gandhi-wijk, in Mechelen ook wel eens klein Marokko genoemd. Hier stopt de schoolbus van Nassau, twee keer’s morgens en twee keer ’s namiddags. Behalve Mahatma Gandhi zijn de wijk Nekkerspoel en de Leuvensesteenweg de voornaamste haltes van de bus, die zowat de levenslijn van Hof van Nassau is. Zonder uitzondering betreft het buurten met een grote concentratie Belgen van vreemde origine. Een jaarabonnement op de schoolbus kost 150 euro, behalve voor kleuters die in het hele Vlaamse onderwijs gratis rijden. Goedkoop en praktisch voor ouders die geen auto en al helemaal geen fietscultuur hebben. Maar kan het busaanbod de enige reden zijn waarom Hof van Nassau zich de voorbije jaren in een forse groei mag verheugen? Ook de demografie zit er voor iets tussen, Mechelen kent al jarenlang een forse bevolkingsaanwas. Maar misschien ligt de toeloop naar het Hof ook aan de soepele omgang met diversiteit. Tijdens de rondleiding keken we met enige verbazing naar de vele meisjes met een hoofddoek in de klas, sommigen niet ouder dan zeven jaar. “We stellen ons tolerant op als het over religie gaat”, gaf directeur Stessens als verklaring. “Het gebeurt dat ouders klagen dat hun kind na school niet op tijd in de koranles geraakt. Dan zijn we niet te beroerd om de bus bij de moskee te laten stoppen. Waarom niet? We willen onze mensen tegemoet komen, ook in hun levensbeschouwelijke overtuiging”.

Kwart voor vier, de groene bus komt eraan. Fouad Boujdaine sluit zijn zevenjarige zoon Ayman in de armen. Waarom heeft hij voor een concentratieschool gekozen? “Niet alleen voor de bus”, zegt hij, “mijn religie heeft de doorslag gegeven. Ik heb ook nog een dochter. Die ging naar een katholieke school, maar ik heb ze naar het Hof van Nassau doen overstappen, de enige school waar ze een hoofddoek mag dragen. Ik vind dat belangrijk, want ik ben bang dat haar religie anders verwatert. De kwaliteit van het onderwijs? Hof van Nassau is een goede school, maar eigenlijk maak ik me daar geen zorgen over. Ik heb intelligente kinderen, mijn zoon spreekt nu al drie talen”. Misschien toch wat lichtzinnig geoordeeld, blijkt als we ons licht opsteken bij Saïda El Aisaoui. Ze werkt voor de vzw MOOJ die onder meer in de Mahatma Ghandi-wijk naschoolse huistaakbegeleiding organiseert. “We krijgen hier kinderen uit drie scholen”, zegt ze. “Naast die van Hof Van Nassau komen er leerlingen van de katholieke Colomaschool en van Hof Ter Berken, een andere GO-school in het naburige Hofstade. Ik kan vergelijken: het niveau ligt in het Hof Van Nassau beduidend lager dan in de andere twee scholen. Logisch, want Coloma en Ter Berken trekken een gemengd publiek. Concentratieschool en goed onderwijs, dat valt in mijn ogen moeilijk te rijmen”.

Fatima Talbe zit te wachten tot haar zesjarige zoon Adam klaar is met zijn huiswerk. Zelf kan ze hem niet helpen met het mondvol Nederlands dat ze in zeven jaar België heeft vergaard. Via gelegenheidstolk Saïda krijgen we het verwachte antwoord: de schoolbus heeft de keuze voor Hof van Nassau bepaald. “Het is daar een merkwaardige situatie”, komt ze wat verrassend uit de hoek. “Naast de school van mijn zoon ligt nog een tweede school, met alleen witte kinderen. Ik weet niet of het waar is, maar ze zeggen dat daar geen Marokkanen binnenmogen”.

 

REACTIE ONDERWIJSSPECIALIST JEAN-PIERRE VERHAEGHE

 “Segregatie is nefast voor burgerschapsvorming”

Jean-Pierre Verhaeghe, onderzoeker aan de universiteiten van Leuven en Gent, geldt als een autoriteit inzake kwaliteitsverbetering, gelijke kansen en diversiteit in het basisonderwijs. Hij is niet toevallig voorzitter van het Lokaal Overlegplatform Gent, een stad die een pioniersrol speelt op het vlak van onderwijsvernieuwing.  Hij reageert verbaasd op de segregatie tussen de twee Mechelse GO!-scholen.

Verhaeghe:  “Ik zie gelijkenissen met twee scholen in het stedelijk basisonderwijs in Gent. Het Trappenhuis was ooit een concentratieschool, wat volgens mijn definitie betekent dat minstens tweederden van de leerlingen een andere thuistaal dan Nederlands hanteert. Op een bepaald moment heeft de stad beslist in het Trappenhuis een filiaal van freinetschool De Harp onder te brengen, De Kleine Harp. Men noemt dat de attractiepool- of magneetschooltactiek: met die paar klasjes kon men sociaal sterkere ouders lokken die anders nooit de weg naar het Trappenhuis hadden gevonden. Na een paar jaar had men voldoende kritische massa bereikt om De Kleine Harp en de concentratieschool te integreren. Nu is het Trappenhuis een gemengde freinetschool met een kwart anderstaligen, rond het Gentse gemiddelde. De parallel met De Feniks is nog sterker. Daar is men vertrokken van één gebouw met twee poorten: aan de ene kant had je een zwarte concentratieschool, aan de andere kant een witte methodeschool. De Feniks is nu één school met ongeveer vijftig procent GOK-leerlingen, van wie eenderde anderstaligen. Beide succesverhalen zijn natuurlijk niet uit de lucht komen vallen, ze zijn het resultaat van een bewuste politiek die het stedelijk onderwijs al dertig jaar voert ”.

–        zit daar het verschil met Villa Zonnebloem en Hof van Nassau in Mechelen?

Verhaeghe: “De voorgeschiedenis van de cohabitatie is heel anders. Toch heeft het er de schijn van dat de scholengroep met beide scholen bewust verschillende niches van de onderwijsmarkt bedient. Dat blijkt onder andere uit het busvervoer bij Hof van Nassau. Ook Gent telt zuivere concentratiescholen, maar die zijn doorgaans in concentratiebuurten gelegen. Met de beste wil van de wereld krijg je daar geen 50/50 mix van GOK- en niet-GOK-leerlingen. Het wordt echter een heel ander verhaal wanneer je de hele stad rondrijdt om de GOK-leerlingen in concentratiebuurten op te halen. Dat laat vermoeden dat men zich in een bepaald publiek specialiseert. Men gaat ook duidelijk ver in het bedienen van zijn doelpubliek. Het is attent om ter wille van Marokkaanse mama’s  de oudercontacten op de schooltijd te laten aansluiten. Maar op die manier ga je geen tweeverdieners aantrekken, die kunnen zich nooit voor zeven uur ’s avonds vrijmaken”.

–        strookt een en ander met de intenties van het GOK-decreet?

Verhaeghe: “Nee. Zowel de onderwijsnetten als de Vlaamse regering voeren diversiteit hoog in het vaandel. Het ideaal voor het basisonderwijs is een brede school met een sociale mix die een brug slaat naar de buurt en de samenleving. Ik begrijp dat beide scholen hun eigen identiteit en pedagogisch project benadrukken, maar het moet toch mogelijk zijn om nauwer samen te werken. Segregatie is nefast voor de burgerschapsvorming, toch een van de opdrachten van de basisschool”.

–        bieden concentratiescholen minderwaardig onderwijs?

Verhaeghe: “Dat kun je niet zomaar stellen. In het kader van het interuniversitaire Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen hebben we leerlingen vanaf het derde kleuterklas tot de overstap naar het middelbaar gevolgd. Bleek dat Turkse en Marokkaanse kinderen bij de start van het eerste leerjaar al een gemiddelde leerachterstand van acht maanden hadden opgelopen, vooral onder invloed van de factor thuistaal. Opvallend genoeg verwatert die etnisch-culturele component in de loop van het lagere schooltraject, terwijl socio-economische factoren des te zwaarder gaan doorwegen. Hoe dan ook, bij uit de uitstroom naar het middelbaar stelden we heel uiteenlopende resultaten vast. In sommige concentratiescholen was de initiële leerachterstand van acht maanden tot ruim twee jaar opgelopen. Andere concentratiescholen daarentegen waren er juist in geslaagd de achterstand tot een half jaar te reduceren. Dat zijn natuurlijk uitersten, de meeste concentratie scholen zitten ergens tussenin”.

–        er zijn dus goede en slechte concentratiescholen?

Verhaeghe: “Precies. Er zijn scholen waar het team de schouders laat hangen, en er zijn scholen waar men er het beste van probeert te maken. Maar we moeten onszelf niets wijsmaken. De belangrijkste determinerende factor is niet de samenstelling van de schoolpopulatie, maar de SES van de leerlingen zelf, de thuissituatie dus. Het bed waarin men geboren wordt, bepaalt nog altijd in hoge mate de slaagkansen in het onderwijs”.