Tagarchief: publicatiedruk

Rik Torfs en Karen Maex, rectoren van Leuven tot Amsterdam

Knack, 4 mei 2016

‘Wij rectoren moeten het erkennen: een topdown-aanpak werkt niet meer’

 

Door Walter Pauli en Erik Raspoet, foto’s Dieter Telemans

Vkcxd2JrMXJNWEZoZWxVOWd1c3RhYWY=

Karen Maex meent het: we mogen vooral de Nederlandse kranten niet kopiëren. Zonder uitzondering hadden die de voorbij weken het portret van de kersverse rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam opgeleukt met hetzelfde weetje: dat Karen Maex behalve een briljant academica ook een “begenadigd violiste” is. Niet helemaal uit de lucht gegrepen, overigens. Onze Nederlandse collega’s moesten eens weten dat Karen Maex in het gezegende jaar 1985 haar vioolkunsten heeft gedemonstreerd voor niemand minder dan paus Johannes Paulus II, als lid van het Leuvense universitair symfonisch orkest dat het historische pausbezoek luister bijzette. “Ik ben gewoon een amateur”, protesteert ze. “Laat alstublieft dat woord begenadigd achterwege”. Rik Torfs, zelf een aandachtig toeschouwer tijdens die memorabele plechtigheid, monkelt: “Allez Karen, begenadigd, dat vind ik juist een heel mooi woord.”

De sfeer is uitstekend, geen mens zou vermoeden dat Karen Maex en Rik Torfs drie jaar geleden als rivalen tegen elkaar stonden. Inzet destijds: de vierjaarlijkse rectorverkiezingen aan de Katholieke Universiteit van Leuven (KUL). Na de eerste ronde gingen Torfs en Maex met zijn tweeën naar de finale. Het contrast was opvallend. De mediafiguur Torfs, een badinerende intellectueel die de bon mots uit zijn mouw schudt zoals een goochelaar witte duiven. Karen Maex was minder bekend bij het grote publiek, maar in de academische wereld klonk haar naam als een klok. En ze was acht jaar lang vicerector geweest, de tweede vrouw die dat ambt in Leuven bekleedde.

Rik Torfs haalde het uiteindelijk met een miniem verschil van 36 stemmen. Kort daarop werd Karen Maex door de Universiteit van Amsterdam geheadhunt. Haar opdracht: de bèta-faculteiten (exacte wetenschappen) van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de concurrerende Vrije Universiteit van Amsterdam (VU) doen samensmelten tot één grote Faculty of Sciences Amsterdam. Maar nog vooraleer Maex haar koffers in Amsterdam kon uitpakken, werd de fusie gekelderd door de zogenaamde ‘medezeggenschap’: een front van morrende studenten, proffen en onderzoekers. De bom barstte toen begin 2015 ontevreden studenten meer inspraak en transparantie eisten. Dat mondde uit in een anderhalve maand lange, tumultueuze bezetting van het Maagdenhuis, het rectoraat op het Spui, en vervolgens tot het ontslag van de voorzitter van de Raad van Toezicht van de UvA.

Intussen was Karen Maex tegelijk decaan van maar even drié verschillende bèta-faculteiten van zowel de UvA als de VU. Ondanks de afgeblazen fusie slaagde ze erin een resem succescvolle samenwerkingsverbanden tussen beide Amsterdamse universiteiten te smeden. Dat succes bleef niet onopgemerkt. Twee maanden geleden lekte haar naam voortijdig uit als een van de kandidaten voor een zoveelste wissel aan de UvA-top. Haar benoeming is niet zonder slag of stoot niet verlopen. Vorige week pas was de kogel goed en wel door de kerk: Maex mag zich per 1 juli rector magnificus van de UvA noemen.

Zo zitten we aan de tafel met de twee rectoren van de twee grootste universiteiten van de Lage Landen. De KUL telt, filialen inbegrepen, ruim 56.000 studenten, de UvA zonder filialen, een dikke 31.000. In de internationale rankings ontlopen ze elkaar nauwelijks: de KUL en UvA spelen sinds jaar en dag mee in de Europese top. Twee rectoren, twee verschillende stijlen. Na de benoeming van Maex borstelde de Amsterdamse campuskrant Folia een diepgravend portret. Discretie en resultaatgerichtheid werden als haar grootste kwaliteiten geroemd. “Overleg met Maex is geen praatbarak”, verklaarde een insider. Dat is zo: bij het uittikken van het interview zal blijken dat Rik Torfs driekwart van het volume heeft geleverd.

In Vlaanderen worden rectoren verkozen, in Nederland aangesteld. Komt daar een echte campagne aan te pas?

Maex: Nee, het de traditie dat kandidaten zich kunnen aanmelden. Vervolgens voert men gesprekken. Een twaalfkoppige commissie, met daarin ook studenten en vertegenwoordigers van decanen en het bestuur, legt je op de rooster. Die commissies stelt vervolgens hun kandidaat voor aan de raad van toezicht, en die beslist uiteindelijk. Het is dus de commissie die sleutel in handen heeft.

Ererector André Oosterlinck is eigenlijk van mening dat rectorverkiezingen uit de tijd zijn. Hij heeft zich al laten ontvallen dat ‘in een bedrijf het ook niet de werknemers zijn die een ceo aanstellen. Die beslissing komt de aandeelhouders toe.’

Maex: Maar een universiteit is toch geen bedrijf!

Torfs: Ik ben het volmondig met je eens. Ik ben een grote voorstander van rectorverkiezingen. Een van de belangrijkste argument is dat het moed vergt om kandidaat te zijn. Je moet het aandurven het publieke forum te betreden en daar je visie te verdedigen.

Maex: Aan de Nederlandse universiteiten gebeurt het allemaal veel discreter, maar ook wij moeten ook uit onze schulp komen. Kandidaat-rectoren moeten vooraf heel wat ‘draagvlakgesprekken’ voeren, ondermeer met de studentenraad.

Nochtans was in Amsterdam het gebrek aan inspraak en transparantie één van de belangrijke punten van kritiek op uw kandidatuur, en de procedure erom heen.

Maex: De actiegroepen hebben de frustraties van heel veel mensen blootgelegd, ze hebben terecht gewezen op pijnpunten die overigens ook aan andere universiteiten levens, zelfs hier in Leuven. De UvA  heeft daarop gereageerd met een tienpuntenplan, maar er is nog heel wat werk aan de winkel. Aan de andere kant vraag ik me af of het nodig is om zomaar publiek te maken wie er heeft gesolliciteerd.

Torfs: Ik ben wel een fan van verkiezingen, want ze zijn open en performant, en ze bieden outsiders een faire kans. Met mijn profiel zou ik nooit aangesteld zijn. Ik kwam niet uit een van de vele ‘bestuursstallen’ van deze universiteit. Kerkelijk recht, dat zijn alle jaren samen ongeveer zeventig studenten. Dan ben je kansloos als de voordracht afhangt van een intern comité dat door professoren met bestuurservaring wordt gedomineerd.

Heeft uw ervaring met de verloren rectorverkiezing in Leuven er toe bijgedragen dat u in Amsterdam toch het lef had om u kandidaat te stellen als rector magnificus, ook al bent u er amper twee jaar werkzaam?

Maex: (aarzelt) Ja… dat denk ik wel.

Torfs: Dat kan niet toch anders?

Maex: Ik had de Leuvense verkiezingen weliswaar verloren, maar heb uit dat traject veel geleerd. En (kijkt naar Rik Torfs) zo slecht was het ook niet. (hilariteit).

Torfs: Toen ik mij in 2005 een eerste keer kandidaat stelde, heb ik ook de rectorverkiezingen verloren. Ik dacht toen: ‘Ik ga niet helemaal terug naar af. Integendeel, deze ervaring geeft me de ruimte om andere horizonten te verkennen. Ik ben toen onder andere jurylid van De Slimste Mens geworden, en ik heb een paar jaar voor de CD&V in de senaat gezeteld. Misschien was niet elke keuze even gelukkig, het was ook een beetje de vlucht vooruit die ik heb genomen.

Hebt u geen spijt van dat intermezzo in de Wetstraat? Veel hebt u als politicus niet kunnen realiseren.

Torfs: In een universiteit werk je samen met andere slimme mensen die allemaal een afwijkingen hebben, gelukkig allemaal een verschillende. Dat zorgt voor een fantastische sfeer. In de politiek is dat even anders. Ik heb helaas moeten vaststellen dat in het politiek bestuur en de CD&V-fractievergaderingen heel wat parlementsleden hun mond niet durven opendoen, uit angst voor de partijbonzen . In andere partijen is dat zo mogelijk nog erger, heb ik vernomen. Het deed me terugdenken aan mijn tijd in de eerste graad middelbaar onderwijs: leerlingen die onder elkaar stoer doen, maar braaf hun mond houden als de leraar binnenkomt. Het leven als parlementslid was een vorm van regressie. Nog even, dacht ik, en ik ga weer bedwateren.

U werd in 2003 benoemd tot ‘gewoon hoogleraar’. En al in 2005 werd u vicerector. Lag het universitaire bestuur u beter dan het eigenlijke academisch onderzoek?

Maex: Twintig jaar lang was ik een onderzoeker pur sang. Ik deed het graag, ik publiceerde veel en ik had mijn plaats in het onderzoek naar nanotechnologie. Tot ineens de vraag kwam van de toenmalige rector of ik zijn vicerector wilde zijn. Mijn eerste reflex was ‘neen’, maar ik heb toch goed nagedacht. Ik vroeg mij af: ‘Wil ik op mijn 65ste terugblikken op een loopbaan van veertig jaar, weliswaar goed gevuld maar wel uitsluitend met onderzoek? Of wil ik nog iets anders?’ Ik mocht slechts 48 uur nadenken, maar dat was voldoende.  ‘Ik wil dit geprobeerd hebben’, dacht ik.

Uw werk als vicerector viel niet te combineren met het verderzetten van uw eigen onderzoek?

Maex: Ik heb dat een jaar of drie proberen vol te houden. Ik ben zelfs blijven doceren. Maar dat bleek onmogelijk in het domein van nanotechnologie, waar alles om de zes maand compleet veranderd.

Torfs: Ik kan u kerkelijk recht aanbevelen, daar rekenen we al snel in eeuwen. (lacht) Dat neemt niet weg dat ik altijd hebt geflirt met de grens tussen ‘reflectie’ en ‘actie’. Toen ik nog volop actief was als academisch vorser, was ik in Oost-Europa al aan het helpen meeschrijven aan nieuwe wetten rond godsdienstvrijheid. Ik heb mij nooit willen beperken tot onderzoek alleen.

Ook als rector reikt uw actieradius verder dan de universiteit alleen. U haalt dubbel zo vaak de Vlaamse media dan alle andere rectoren samen.

Maex: Ook als in Nederland tv kijk, bots ik geregeld op Rik. (lacht)

Torfs: Dat heeft niets te maken met zogenaamde ‘profileringsdrang’. Ik heb sinds jaar en dag uitstekende contacten in Nederland. Ik heb er gedoceerd, ik heb lang samengewerkt met de kerkkritische Acht Mei, en tegenwoordig ben ik een vaste gast in praatprogramma’s als .De Nieuwe Wereld (IKON) en De Tafel van Tijs (Evangelische Omroep). Het verschil in debatcultuur blijft frappant. In Nederland gaat het er veel sneller en scherper aan toe. Vlaamse tv-debatten zijn gezapig, wat mij betreft soms te gezapig.

Vkcxd2JrMXJNVFpSV0dNOWd1c3RhYWY=

Kan een academicus nog nuanceren als het zo snel gaat?

Torfs: Ja, je moet snel nuanceren. (fier lachje) Ik houd er wel van. Die Nederlandse aanpak daagt mij meer uit dan de Vlaamse.

Maex: Toen ik verhuisde, werd ik van alle kanten gewaarschuwd voor de beruchte Hollandse directheid, en zeker voor de zogezegd brutale Amsterdamse variant. Ik heb er echter geen last van. Je weet namelijk meteen waar het op staat, zonder dat je je bij ieder woord moet afvragen wat men bedoelt. Achter die directheid schuilt trouwens ook een grote betrokkenheid. Het studentenprotest is hard en passioneel, maar steeds vanuit een ideaal om de wereld te verbeteren.

Torfs: Dat zie ik ook in Leuven. Vandaag is er in Leuven ontzettend veel overleg met de studenten: het zijn dan ook heel goede medebestuurders. Op dat vlak is er veel ten goede veranderd. In het academiejaar 1979-1980 was ik zelf studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad in Leuven. Op een bepaald ogenblik krijg ik de opdracht om de hervormingsplannen voor de opleiding psychologie af te breken. Ik heb mijn missie volbracht, rector De Somer is uiteindelijk tussengekomen om het dossier terug te trekken. Ik beschouwde die rol als vanzelfsprekend. In onze tijd was de studentenparticipatie per definitie vrij negatief en louter oppositioneel, en het universitaire bestuur was de vijand.

Gaat u als rector van de Universiteit van Amsterdam ook voortdurend in de Nederlandse media opduiken, of zal u vooral intern communiceren?

Maex: Ik krijg vooral aanvragen uit Vlaanderen, daar willen ze weten wat ik van plan ben. In Nederland kreeg ik nog niet één interviewaanvraag. De mediacultuur is anders: de pers, inbegrepen de studentenpers, mobiliseert pas  als je iets doet. En dan vraagt men om rekenschap.

U lijkt toch vooral de interne werking van uw universiteit binnenste buiten te gaan keren.

Maex: Dat zal onvermijdelijk zijn, want de volgende jaren gaat geen enkele instelling en ook geen enkel bedrijf nog kunnen blijven werken zoals vroeger. Nogmaals, ik heb mijn sporen verdiend in nanotechnologie, dus in het onderzoek naar innovaties die voor een wereldwijde revolutie zorgden in de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Iedereen heeft minstens één mobiele telefoon en communiceert met wie en waar hij wil.De duizelingwekkend toegenomen rekenkracht van chips heeft niet alleen onze communicatiemethodes maar ook de bestaande machtsstructuren op hun kop gezet. Ook de universiteiten maken het einde mee van het oude’ politieke systeem’, zoals Jürgen Habermas dat nog definieerde: een systeem waarin de communicatie top-down verloopt zonder echte, vrije dialoog. Die tijd is definitief voorbij. De horizontale netwerken zijn sterker dan ooit, het interactieve element is alomtegenwoordig, Een top-doxn aanpak werkt niet meer, dat moeten alle universiteiten en rectoren beseffen.

Wat betekent dat voor de rector als  ultieme ‘communicator’  van de universiteit?

Maex: Het bestuur kan niet meer eenzijdig de richting van het beleid opleggen. Dat is helaas wat in Amsterdam is gebeurd met de plannen om drie bèta-faculteiten tot één grote faculty of sciences te fuseren. Vandaag halen zelfs goede voorstellen het niet meer als ze niet van onderuit gesteund worden. En dus is het fusieplan weggestemd door de ‘medezeggenschap’. Tegelijk er waren nog altijd een heleboel wetenschappers die voor hun eigen specifieke discipline verregaande samenwerking wél zagen zitten. En dus moet je ook aan hun verzuchtingen tegemoet komen. Dat heb ik geprobeerd als decaan van de drie bèta-factulteiten’.

Torfs: Wij zijn er om te faciliteren en te ondersteunen. En we moeten er vooral voor zorgen dat onze mensen in zo’n grote organisatie niet ten onder gaan aan vervreemding. Ze moeten weten wat de universiteit van hen verwacht en zich betrokken blijven voelen.

Intussen telt u natuurlijk ook hun publicaties in zogenaamde A-tijdschriften, dé maatstaf waarmee universiteiten internationaal worden vergeleken. Dat is een heikel punt: de voorbije jaren was de ongezonde publicatiedruk in elke Vlaamse rectorverkiezing hét thema. Hoe willen jullie die druk verminderen?

Torfs: We moeten ook kijken naar andere eigenschappen van onze academici. We hebben massa’s kandidaten, ook internationaal. Er zijn Australiërs en Noord-Europeanen bij, maar ook steeds meer wetenschappelijke vluchtelingen uit Zuid-Europa die de slechte werkvoorvaarden aan universiteiten in Spanje, Italië, Griekenland en Portugal beu zijn. Aan die steeds heterogenere groep gaan we ook een bioschets vragen: we laten ze antwoorden op enkele filosofische kernvragen. Waar komen we vandaan? Wie zijn we? Waar gaan we heen?

Maex: Dat herken ik, in Amsterdam werken we ook al enige tijd met ‘zelfbeeldgesprekken’.  Publicatiedruk is ook bij ons een teer punt. De persoonlijke ruimte van een docent of een onderzoeker om zich echt te verdiepen of creatief te zijn is helaas veel kleiner geworden. Dat verklaart een deel van de academische onrust, zeker in Amsterdam. Maar laten we niet flauw doen: we leven in een zeer competitieve wereld. Er zijn meer onderzoekers dan ooit. Als je onderzoekfondsen moet verdelen, of uit een groep van honderd vijf onderzoekers  moet pikken, dan moet je die keuzes kunnen objectiveren, of er komt hommeles van. En ja, dan ga je publicaties tellen.

Kunnen nieuwe onderwijstechnieken een antwoord zijn op de onvrede van de studenten?

Torfs: Er wordt daarop volop ingezet, maar ik verwacht er geen mirakels van. Bob Stouthuysen (ex-ceo van Janssens Pharmaceutica en ex-voorzitter van de ‘Strategische Werkgroep’ van de KU Leuvense) pleit al lang voor een volledige virtuele universiteit. Ik geloof daar niet in, op de duur zit je bij moeder in de keuken op je laptop te tokkelen en noem je dat universiteit. Dan verdwijnt het essentiële aspect Bildung toch volledig? Van wie heb je het meest geleerd aan de universiteit? Toch van je medestudenten, en het contact met een aantal briljante proffen.

Maex: Dat geldt ook in de exacte wetenschappen. Van wie heb ik tijdens mijn kandidaturen het meest opgestoken? Toch wel van die professoren die ons tijdens hun hoorcolleges ons hun wiskundig inzicht konden overbrengen.

Torfs: Ik begrijp de hetze tegen het hoorcollege als voorbijgestreefde onderwijsmethode niet. Ja, ik ben tegen slechte hoorcolleges. Een hoorcollege moet enthousiasmeren. Het mag wat minder precies zijn, de technische details vind je wel in de handboeken. Roger Dillemans was zo’n briljant docent. Hij kon vijftig minuten slaapwandelen, maar toch bleef je zitten, omdat hij de laatste tien minuten schitterend kon uitpakken. Universiteit moeten natuurlijk verstandig omspringen met hun mensen, en weten aan wie ze welke onderwijstaak geven. Niet om het even wie kan op hoog niveau college geven. Maar neem nu Etienne Vermeersch: het is toch een genot om zo’n man op hoog niveau onwaarheden te horen vertellen? (grijnst)

Leeft bij de universiteitsbesturen nog de bekommernis om het Nederlands ook als academische taal te beschermen?

Maex: Bij het bekijken van de onderwijsportfolio’s is het toch altijd een prangende kwestie: doceren we dit vak in het Nederlands of in het Engels? In Nederland zijn de meeste bachelors in het Nederlands en de masters in het Engels. Ik vind dat je voorzichtig moet zijn met steeds meer aanbieden in het Engels.  Zelfs een vakgebied als natuurkunde mag je niet aan je eigen taal onttrekken.

Torfs: Nederland springt daar minder verkrampt mee om dan Vlaanderen. Wij hebben zelfs voor de masters allerlei decretale verplichtingen die het gebruik van het Nederlands verplichten. Terwijl wij vinden dat je moet kunnen differentiëren naargelang de discipline. Een opleiding rechten in het Engels is absurd, want het Angelsaksische rechtssysteem is totaal verschillend van het continentaal-Europese. Maar zelfs in heel talige discipline als filosofie is het een probleem: daar telt soms elk woord. Dat verbale aspect is lang niet zo dominant in scheikunde of natuurkunde, en dus zou je daar gerust een aantal vakken volledig in het Engels mogen geven. Het is een kwestie van common sense. De universiteiten moeten de overtuiging hebben om het Nederlands te willen verdedigen, en tegelijk moeten ze de nodige pragmatiek aan de dag mogen leggen om zichzelf niet in taalfundamentalisme vast te rijden.

In Vlaanderen is de laatst jaren nauwelijks nog politieke aandacht voor de universiteiten. Er was een stormpje over de inschrijvingsgelden en er wordt wat gepraat over de invoering van de oriëntatieproef, maar verder is er vooral politieke windstilte. Betreuren jullie dat?

Torfs: Niet echt, al zijn topics zoals het inschrijvingsgeld erg belangrijk Als we dat zoals in Nederland fluks zouden optrekken boven de 1.000 euro-grens, dan belanden we in het model van studieleningen en spreken we eigenlijk over een heel andere type universiteiten. Dan is een debat over het democratisch gehalte van het universitair onderwijs wel gepast. Maar in het algemeen.is het goed dat de huidige generatie politici de universiteiten niet in een keurslijf dwingt. Hilde Crevits (CD&V) is een zeer goed minister, ze laat ons de ruimte om zelf onze visie te ontwikkelen. De rol van de Vlaamse overheid moet beperkt blijven tot kwaliteitscontrole: realiseren we onze ambities? Die terughoudendheid is niet vanzelfsprekend, want voor een politicus is de verleiding altijd groot om de universiteiten allerlei doelstellingen op te leggen. Dan krijg je snel een brokkenvisie, het resultaat van een politiek compromis.

U hebt dus liever het laisser faire van Hilde Crevits dan de meer interventionistische aanpak van Frank Vandenbroucke (SP.A)?

Torfs: Nu moet ik zeker diplomatisch antwoorden? Ik zou erop kunnen wijzen dat iedereen zijn verdienste heeft, ook Frank Vandenbroucke? Maar inderdaad, ik vind dat een minister moet oppassen met de nu al heel sterke overregulering. De minister moet vertrouwen geven aan de universiteiten, wij moeten tonen dat we dat vertrouwen waard. Maar dat zijn we toch? Het is mijn bescheiden mening dat er na de aanslagen van 23 maart veel te weinig gewezen is op de fantastische manier waarop onze ziekenhuizen de slachtoffers hebben opgevangen, niet in de laatste plaats dat van Leuven. Dat staat heel ver van de failed state waarover men het voortdurend heeft

Maex: De meeste studies over onderwijskunde tonen duidelijk aan universiteiten nood hebben aan veel autonomie nodig om goed te functioneren. Dat is logisch, want de echte kennis zit bij de wetenschappers.

En wat doen die wetenschappers met hun kennis? Welke rol speelt de KU Leuven nog in de grote debatten van deze tijd?

Torfs: De universiteiten moeten hun ambitie waarmaken om een plek te zijn waarin de samenleving vertrouwen heeft. Volgens enquêtes lukt ons dat nog vrij aardig: de bevolking heeft meer vertrouwen in wetenschappers dan in priesters, politici, militairen en zelfs in journalisten. We kunnen onze maatschappelijke rol op honderden manieren spelen, ook door het stoutmoedig participeren  aan het maatschappelijke debat.

Zoals de Leuvense viroloog Marc Van Ranst sinds enige tijd doet? Hij komt met scherpe standpunten tussen in het politieke debat. Die zij kritisch voor de regering en hard voor de N-VA.

Torfs:  Aan onze universiteit is er ruimte voor alle opinies en overtuigingen. De een mag zich  communist noemen, een andere eerder rechts. Zolang het maar met klasse en stijl gebeurt. Dit gezegd zijnde: wat Van Ranst doet, is toch fantastisch? Ik ben het soms eens met zijn ideeën, soms ook niet, maar ik heb geweldige bewondering voor het lef waarmee hij zich in die discussie stort. Buiten zijn vakgebied, maar wat dan nog? Hij draagt argumenten waarmee hij zijn tegenstanders dwingt om zich te verantwoorden.

De academische werkelijkheid kan ook kneuterig zijn  zoals blijkt uit het vileine ‘Onder Professoren’ van W.F. Hermans.

Torfs: (enthousiast) De belevenissen van professor Rufus Dingelam, zeker?

Maar herkent u dat, een universitair milieu waarin professoren elkaar met de glimlach afmaken?

Torfs: Als ik toch moet afgemaakt worden, dan liefst met een glimlach.

Maex: En bij voorkeur door een intelligente collega. Dan kan je tenminste in stijl het pand verlaten.

Torfs: In mijn geval: kandidaten genoeg (hilariteit).

 

Onder filosofen: Ignaas Devisch en Johan Braeckman over onrust en rusteloosheid

Knack, 24 maart 2016

“Het is rusteloosheid die mensen tot grootse prestaties drijft, zonder die kracht waren Elon Musk, Bill Gates of Vincent Kompany nooit geworden wie ze zijn” 

De Gentse professor Ignaas Devisch wilde vooral geen negatief boek schrijven. Leef mateloos, is de boodschap die hij brengt. Maar sta niet in het holst van de nacht op om je mails te checken. Gesprek over het verschil tussen onrust en rusteloosheid, met collega en onthaastingsexpert Johan Braeckman.

Foto: Johan Jacobs

Foto: Johan Jacobs

Het geweeklaag is niet van de lucht: we hebben het met zijn allen veel te druk. Professioneel zowel als privé, we hollen onszelf voorbij met de gevolgen van dien. Het spook van de burn-out ligt constant op de loer, en intussen wrijven nieuwe middenstanders zich in de handen. Mindfullness trainers, yoga instructeurs, life balance coaches, de diensteneconomie is er een sector rijker op geworden. Ook Ignaas Devisch (45) heeft het eigentijds druk. Toch vond de Gentse professor medische ethiek tussen vele academische besognes door, de tijd om over dit thema een erg lezenswaardig boek te schrijven. ‘Rusteloosheid’ vertrekt vanuit een paradox: ondanks het constante gejammer over ons hectische bestaan en het bijbehorende verlangen naar al dan niet betaald verlof, is de mens niet tot dolce far niente in staat. Behalve een filosofische en historische verkenning van knagende gevoelens, reikt Devisch ook handvatten aan waarmee we onszelf uit het moeras kunnen tillen. De ondertitel ‘Pleidooi voor een mateloos bestaan’ werd niet willekeurig gekozen.

Johan Braeckman, (50) professor wijsgerige antropologie aan de U Gent, had al eerder op eigen kracht een uitweg uit de ratrace gevonden. Vorig academiejaar nam hij een sabbatical, een veelbesproken loopbaanonderbreking die niet zonder gevolgen bleef. Hij puurde er een lezingenreeks uit met de titel ‘Lof der luiheid’. Maar vooral: hij benutte zijn jaar verlof zonder wedde om de ouderlijke boomkwekerij in Wetteren eigenhandig in een lusthof te herscheppen. Sluitstuk is een prachtig gerestaureerde schuur waar hij onvermoeibaar lezingen en vernissages organiseert en gastheer/sidekick voor dit interview speelt. Braeckman en Devisch kennen elkaar erg goed. Als vrienden en collega’s, maar ook als gangmakers van de vzw De Maakbare Mens, een vrijzinnige club die kritisch nadenkt over de mogelijkheden die wetenschap en technologie bieden om de mens te verbeteren.

– waarom dit boek? En waarom nu?

Devisch: ‘Het thema is niet bijster origineel, de lifestyle pagina’s van kranten en tijdschriften staan vol met columns en bijdragen over de jachtigheid van het leven. Helaas blinken die bijdragen vooral uit door oppervlakkigheid. Om de zoveel tijd wordt er een nieuw modebegrip gelanceerd. Nu is het eens FOMO, the fear of missing out,  dan heet het weer GSA, wat staat voor gnawing sense of anxiety. Allemaal leuk gevonden, maar het blijft steken op het niveau van symptomen en de toon is meestal moraliserend. Het is de schuld van de digitalisering, is zo’n cliché, smartphones en sociale media maken ons ziek. Als filosoof wilde ik naar de kern van het probleem, vertrekkend vanuit de juiste vragen. Is de moderniteit echt een verhaal van voortschrijdende hectiek? Of is het probleem niet veeleer dat we voortdurend klagen over die jachtigheid maar ondertussen wel dapper voorthollen? En hoe nieuw is dit probleem eigenlijk? Ik verwijs onder meer naar William Erb, een Duitse neuroloog en tijdgenoot van Sigmund Freud die zich grote zorgen maakte over de versnelling van de maatschappij op het einde van de 19de eeuw. Volgens Erb ging de menselijke geest kapot aan overprikkeling. Vooral de opkomst van telefonie en telegrafie beschouwde hij als nefast, en ook schilderkunst en muziek waren naar zijn smaak veel te druk en schreeuwerig. De parallel ligt voor de hand: vervang in Erbs discours telegrafie en telefonie door smartphone en iPad, en je krijgt een zeer hedendaags vertoog’.

Braeckman: ‘Ik was aangenaam verrast, Ignaas. Jij bent altijd wel met een boek bezig, maar ik wist niet dat je je in dit onderwerp had vastgebeten. Waarvoor mijn dank, ik zal niet nalaten het grondig te plunderen voor mijn eigen lezing over luiheid. (lacht) Het is anderzijds geen toeval, want dit thema hangt letterlijk in de lucht. Er verschijnen niet alleen columns in weekendbladen, de voorbije jaren werden er ook heel wat filosofische en wetenschappelijke boeken aan gewijd. Ik heb het zelf ondervonden toen ik mijn jaartje verlof zonder wedde aankondigde. Op zich een banaal gegeven, maar blijkbaar had ik een gevoelige snaar geraakt want in belandde in een mediastorm. Ironisch was het wel. Schrijf een boek, en je mag al blij zijn als je een kolom in de krant krijgt. Maar als je aankondigt dat je een poosje de riem aflegt, krijg je meteen een volledige pagina. Die vaststelling heeft me er toe aangezet om me in het thema van het hectische leven te verdiepen. Een boek is er nog niet van gekomen, maar mijn lezingenreeks krijgt veel respons’.

–  van Aristoteles over Schopenhauer tot Lacan en Sloterdijk, u citeert zowat de hele canon van de Westerse wijsbegeerte. Toch is er één uitschieter: de Franse filosoof Blaise Pascal krijgt zowel het eerste als het laatste woord. Waaraan dankt hij de eer?

Devisch: ‘Pascal schrijft in zijn Pensées uitvoerig over het spanningsveld tussen ennui en divertissement, verveling en verstrooiing. In een van zijn bekendste citaten pakt hij volgens mij de kern beet: de mens is niet in staat om rustig in een lege kamer te zitten. Het zijn niet zozeer de omstandigheden die ons aanjagen, aldus Pascal, er zit iets in ons wezen dat ons tot activiteit dwingt. Hij gelooft bijgevolg niet dat we op een punt van totale onthechting kunnen belanden, de mens zal altijd streven en verlangen. Tegelijkertijd is hij lucide genoeg om in te zien dat we daarmee in een constante tweestrijd belanden, verscheurd tussen de drang om te handelen en het gevoel dat we geen tijd hebben om onze plannen te realiseren.’

– veel mensen koesteren vooral het verlangen naar rust en zalig niks doen…

Devisch: ‘Ach ja, het ideaal van het dolce far niente. Dat is georganiseerde verveling, de hoeksteen overigens van onze boomende vrijetijdsindustrie. Daarover heeft Pascal het niet, bij hem gaat het om existentiële verveling. We kunnen niet stoppen met verlangen door ons af te sluiten van prikkels en sociale contacten, want dan wordt ons leven perspectief- en zinloos. Wat Pascal bedoelt is dit: we streven ernaar zalig niets te doen, maar zodra we alle obstakels naar dat objectief hebben opgeruimd, zoeken we nieuwe obstakels, want anders zitten we ons toch maar te vervelen. De Amerikaanse hoogleraar psychologie Timothy Wilson heeft trouwens een interessant experiment opgezet dat Pascals stelling bevestigt. Proefpersonen werden gevraagd een kwartiertje alleen in een lege kamer te gaan zitten. Enige mogelijke handeling: zichzelf een stroomstoot toedienen met een apparaat waarvan ze het pijnlijke effect voor het betreden van de kamer hadden uitgetest. Voor velen bleek een paar minuten niksen een onmogelijke opgave, ze gaven zichzelf een stroomstoot. Liever pijn ervaren dan helemaal geen prikkels’.

– u voert Breugels Boerenbruiloft op als illustratie van een verloren idylle, onbespoten volksvermaak in een stressvrije boerengemeenschap waar het leven rustig kabbelt. Waar en wanneer is dat ideaal teloor gegaan?

Devisch: ‘Ik betwijfel of dat ideaal ooit heeft bestaan. Tijdens mijn bronnenonderzoek ontdekte ik dat de mens altijd al heeft geklaagd over drukte en tijdsgebrek, ook lang voor Breugel die in de 16de eeuw leefde. Een prachtig voorbeeld is Marco Datini, een Toscaanse koopman uit de 14e eeuw die een schat aan brieven en kronieken heeft nagelaten. Datini bekreunt zich de hele tijd dat hij veel te hard werkt en te gulzig leeft. Hij snakt naar rust en soberheid, maar komt er niet aan toe omdat hij altijd meer verlangt. Ik wil geen miezerig pannetje om sardientjes te bakken, schrijft hij, ik wil de grote kookpot. Toch is er een evolutie merkbaar. Hectiek was oorspronkelijk een luxeprobleem van de elite waartoe Datini behoorde. Vanaf de vroege moderniteit, zeg maar de overgang van de middeleeuwen naar de renaissance, krijgen meer en meer mensen ermee te maken. De maatschappij versnelt, een proces dat parallel loopt met technologische en economische ontwikkelingen. Maar ook secularisering heeft een doorslaggevende rol gespeeld’.

–  hoezo?

Devisch: ‘Het niet meer geloven in het hiernamaals heeft ons tijdsbesef fundamenteel veranderd. Er valt geen moment meer te verliezen want er komt geen tweede kans, het moet nu gebeuren. De Duitse cultuurhistorica Gronemeyer heeft daarover een interessant boek geschreven, ‘Het leven als laatste aangelegenheid’. Een goed leven is voor de seculiere mens een gemaximaliseerd leven, schrijft Gronemeyer. Dat draagt natuurlijk bij tot de interne onrust die bij velen knaagt. We willen het onderste uit kan halen, maar vinden geen tijd om alle plannen te realiseren’.

Braeckman: ‘Dat zie ik toch anders. De Toscaanse koopman Datini was ongetwijfeld een diepgelovige man die niet aan het hiernamaals twijfelde, en toch ging ook hij onder tijdstress gebukt. Volgens Max Weber was religie juist een motor van rusteloosheid. Zijn theorie is overbekend: de protestantse moraal heeft de weg geplaveid voor het kapitalisme. Hard werken zonder te genieten van de resultaten, want die worden onmiddellijk geherinvesteerd om nog harder te werken en nog meer te oogsten’.

Devisch: ‘Weber, die zit uiteraard prominent in mijn boek. Zijn grondgedachte, leegheid is des duivels oorkussen, is een van mijn uitgangspunten. Toch blijf ik erbij: het perspectief dat alles ophoudt bij de dood, weegt zwaar op de menselijke conditie. Wat doen mensen als ze met pensioen gaan nadat ze veertig jaar hard hebben gewerkt? Nog harder gaan leven, alles proberen te realiseren wat ze tijdens hun beroepsloopbaan hebben uitgesteld. Nu het nog kan, zeggen ze dan’.

– we noteren een meningsverschil over de rol van secularisering…

Braeckman: (lacht) ‘Nuanceverschillen horen erbij als je meer dan één filosoof samen brengt. Ik situeer de maatschappelijke kentering trouwens veel voeger dan Ignaas, meer bepaald een dikke 10.000 jaar geleden toen we van jager-verzamelaars in sedentaire landbouwers en veetelers veranderen. Het belang daarvan valt niet te overschatten, de neolithische revolutie heeft de mensheid veel dieper getekend dan de industriële revolutie. Evolutionair is 10.000 jaar heel recent, als soort heeft de mens negentig procent van zijn tijd op aarde als jager-verzamelaar doorgebracht. Dat is in dit verband erg relevant, want de jager-verzamelaar was puur vanuit zijn overlevingsinstinct alert en onrustig. Die erfenis zit nog altijd in onze genen’.

– dan zou je net verwachten dat we perfect opgewassen zijn tegen het jachtige leven met zijn smartphones en deadlines. Waarom dan dat geklaag?

Braeckman: ‘Omdat de context compleet anders is. Toch zie je dat mensen nog altijd graag de natuur intrekken, ironisch genoeg om tot rust te komen. Nochtans is er weinig rust te vinden, in de natuur moet je integendeel op je qui-vive zijn. Nochtans ervaren we het als heilzaam, omdat het aansluit bij wie we deep down echt zijn’.

– u maakt een scherp onderscheid tussen onrust en rusteloosheid. Leg dat eens uit…

Devisch: ‘Het debat gaat bijna altijd over onrust, een negatief gevoel dat ons wordt opgedrongen door maatschappelijke omstandigheden waar we zelf geen greep op hebben. Denk aan de scheve balans tussen werk en privé, de schuldgevoelens omdat we geen tijd vinden voor vrienden, de vele verhalen over burn-outs. Omdat ik dat debat veel te eenzijdig vond, heb ik tegenover de onrust een positief begrip geplaatst, de rusteloosheid. Je zou het kunnen vertalen als passie, de innerlijke drive die je nodig hebt om iets te bereiken. Het is rusteloosheid die mensen tot grootse prestaties drijft, zonder die kracht waren Elon Musk, Bill Gates of Vincent Kompany nooit geworden wie ze zijn. Waarom moeten we krampachtig naar evenwicht in ons leven streven, heb ik me ook afgevraagd. Een beetje mateloosheid kan geen kwaad, vandaar ook de titel van mijn boek. Het schrijfproces was trouwens niet bevorderlijk voor mijn persoonlijke life balance. Het was zwaar en bij momenten knap lastig, bovenop al mijn academisch werk. Toch heb ik er ongelooflijk veel plezier aan beleefd, ik ben trots op het resultaat en pieker nu al over een volgende boek. Zulke gevoelens ervaar ik nooit als ik vier vergaderingen per dag moet bijwonen. Hard werken wordt pas een probleem wanneer je het niet als zinvol ervaart’.

–  zinvol werk als sleutel tot een gelukkig en bevredigend leven? Klinkt haalbaar voor een academicus, maar wat moet een kasseilegger of rekkenvuller ermee?

Braeckman: ‘Ik heb tijdens mijn verlof zonder wedde zelf dagen aan een stuk kasseien gelegd. Harde stiel, maar ik heb er veel voldoening uit geput. Nog altijd trouwens, het doet me nog dagelijks plezier als ik zie hoe mooi ze in patroon liggen, zonder verzakkingen’.

Devisch: ‘Een zichtbaar resultaat doet wonderen. Mijn grootvader heeft zich letterlijk kapotgewerkt als vloerlegger in Brugge. Toch had hij nergens spijt van, als we samen door de stad reden, wees hij trots de huizen aan waar hij had gewerkt. Daar tegenover staat Charlie Chaplin in Modern Times, de arbeider die tot een radertje in een machine wordt gereduceerd, een toonbeeld van vervreemding. Natuurlijk hebben academici makkelijk praten, maar het gaat niet om diploma’s. Er zijn genoeg hoogopgeleide werknemers die acht uur per dag achter een computer zitten te balen. Ik wilde er geen familiekroniek van maken, maar het voorbeeld lag voor de hand: mijn grootmoeder die als boerin tien kinderen heeft grootgebracht. Drie keer per dag eten voor twaalf man op tafel, de was en de plas en daar bovenop de beesten en de boerderij. Naar hedendaagse normen was haar dagtaak onmenselijk zwaar. Toch heeft ze nooit geklaagd, en ik durf wedden dat ze meer voldoening uit haar werk puurde dan heel wat kantoorbedienden’.

– omdat ze niet beter wist en rondom zich alleen lotgenoten zag?

Devisch: ‘Dat ook, ze was een diepgelovige katholieke vrouw die zich in haar lot schikte. Maar misschien nog belangrijker: grootmoeder kende geen hobby’s, ze voelde na haar werk geen behoefte om te sporten, dansles te volgen of allerlei vormingscursussen bij te wonen. Daar zit een enorm contrast met de huidige generatie. Sloterdijk spreekt van de NV IK, de mens die constant werkt aan zijn persoonlijkheid. Job, relatie, kinderen, hobby’s, vriendenkring, alle aspecten van het leven staan in het teken van de zelfontplooiing’.

–  u loopt niet hoog op met de vrijetijdsindustrie. Waarom?

Devisch: ‘We zien vrijetijdsbeleving als de ultieme compensatie voor de onrust die ons drukke werk ons berokkent. Een citytrip tussendoor, een wellnessweekend. Even de batterijen opladen, om er dan op het werk weer des te harder tegen aan te gaan. Daarmee slaan we de plank compleet mis. Om te beginnen zal zo’n citytrip niet beletten dat je maandag met slepende benen naar kantoor trekt als je daar een weinig zinvolle dagtaak wacht. Mijn grootste bezwaar is echter dat onze vrijetijdsbeleving aan dezelfde logica onderhevig is als ons professionele leven. Ook buiten de arbeidsuren moet het allemaal meer en beter zijn. Niet een keer maar drie keer per jaar met vakantie. Nodigen we vrienden uit, dan neemt de NV Ik geen genoegen met een simpele maaltijd. Nee, er moet een culinaire prestatie worden geleverd’.

Braeckman: ‘Ik vind het ironisch. Luiheid geldt in onze maatschappij als een doodzonde, in de literatuur slaat de luilak een bespottelijk of zelfs verachtelijk figuur. Maar twee keer per jaar geven we ons met zijn allen over aan georganiseerde luiheid, bij voorkeur met een cocktail aan de rand van het zwembad. In mijn lezing wijs ik altijd op dat contrast’.

– veelgehoord aan toog en borreltafel: het is de door consumptie gedreven vrije markteconomie die ons op stang jaagt met burn-outs en depressies als gevolg. Klopt?

Devisch: ‘Ik was erg onder de indruk van ‘24/7’, een veelbesproken boek waarin de Amerikaanse essayist John Crary een samenleving beschrijft waar economische diensten permanent beschikbaar zijn. Crary waarschuwt onder meer voor het risico van insomnia, slapeloosheid. Mensen staan in het holst van de nacht op om hun mails te checken, bang als ze zijn dat ze worden uitgerangeerd als ze tot ’s morgens wachten. Kijk, ik wil geen clichés verkopen over het liberalisme of de vrije markt. Maar er spelen zeker economische factoren die de mens en samenleving in de richting van voortdurende versnelling duwen. We leven in een systeem waarin concurrenten elkaar de loef proberen af te steken met scherpere prijzen en nog snellere leveringstijden. Ik deed een verrassende ontdekking in de financiële wereld: beleggingskantoren proberen zich fysiek zo dicht mogelijk bij de beurs proberen te vestigen. Merkwaardig op het eerste gezicht, want de hele beurshandel verloopt digitaal. Maar blijkbaar maakt de lengte van de glasvezelkabel verschil, een fractie van een seconde kan genoeg zijn om een beursorder voor de neus van de concurrentie weg te kapen. Dat is een extreem voorbeeld, maar onze hele economie is op die leest geschoeid. Als een producent een jeansbroek in 50 minuten maakt, zal de concurrent zijn arbeiders  onder druk zetten om het in 45 minuten te doen. Consumenten doen daaraan mee, want ze zoeken de winkels op waar goedkope spullen liggen waarvan ze weten dat ze stinken’.  

Braeckman: ‘Over die consumenten valt wel meer te vertellen. Thorstein Veblen heeft met zijn conspicuous consumption de nagel op de kop geslagen. Mensen consumeren niet om reële behoeften te bevredigen, maar om status te verwerven. Ze kopen een extra grote auto, niet omdat ze veel kinderen hebben, maar omdat hun buurman een grote kar voor zijn deur heeft staan. Keeping up with the Joneses, in de sociale psychologie staat dat als een krachtige drijfveer bekend. In de werkelijkheid probeert men niet alleen gelijke tred te houden, liefst van al wil men buurman Janssens overtreffen’.

Devisch: ‘Dat is de mimetische begeerte waarover René Girard het heeft. De mens spiegelt zich aan de ander, hij laat zijn verlangens bepalen door datgene waarvan hij denkt dat het die andere gelukkig maakt. Een duidelijke bron van negatieve onrust, al zijn er uitzonderingen. Rolmodellen werken immers volgens hetzelfde mechanisme’.

– de consumptiemaatschappij blaakt anders wel van gezondheid. Koopzondagen zijn razend populair, overal neemt de druk toe om winkels en supermarkten later en  vaker open te houden. Een goede zaak?

Devisch: ‘Ik juich dat niet toe, net zomin als ik de explosieve groei van online shoppen toejuich. Je plaatst om drie ’s nachts een bestelling en om zeven uur ’s morgens wordt ze aan de deur geleverd. Instant bevrediging, jazeker, maar ik zie echt niet in waarom we dat vooruitgang zouden noemen’.

– de arbeiders in online distributiecentra noemen dat vooruitgang. Verschillende politici ijveren trouwens voor het versoepelen van de Belgische arbeidsmarkt, omdat onze online shoppingdrift anders door buitenlandse aanbieders wordt bevredigd…

Devisch: ‘Dat vind ik geen goed argument. Ja, er kan een industrie ontstaan met honderden orderpickers die minderwaardig en ongezond werk verrichten dat hun bioritme overhoop haalt. Dan kun je net zo goed voor meer Mcdonalds-baantjes pleiten’.

–  de moderne mens multitaskt zich een slag in de rondte. Is dat wel gezond?

Devisch: ‘Echt multitasken bestaat niet. Mannen of vrouwen, we zijn er niet toe in staat. Ik zie het vaak genoeg in de aula. Viervijfden van de studenten zit naar zijn tablet of smartphone te kijken. Onmogelijk dat ze intussen ook geconcentreerd naar een spreker luisteren. In feite gaat het om fragmentatie, een veel groter probleem dan de versnelling van de samenleving. We hebben het idee dat we vijftig dingen tegelijk moeten doen. Koken, het huiswerk van de kinderen overzien, de nota voor het werk klaarstomen, en dan nog naar de training van de sportclub. Op het einde van de dag zitten we met het onbevredigende gevoel dat we niks goed hebben gedaan’.

–  ook vanuit academische wereld stijgen geregeld jammerklachten op over de hectiek van het professionele bestaan. Onderzoekers zouden bezwijken onder publicatiedruk. Wat is er van aan?

Devisch: ‘Ook de academische wereld is in de greep van een inflatoire logica. Hoe meer A1-artikels je publiceert, hoe beter voor je carrière. Jonge onderzoekers laten zich daardoor opjagen. Dat is des te treuriger omdat heel veel van die artikels door niemand worden gelezen. Ik heb daar, hand op het hart, nooit aan meegedaan. Ik schrijf alleen over thema’s die me echt boeien, ook al gaat ten koste van een benoeming. Uiteraard zijn publicaties in Engelstalige vakbladen en internationale congressen belangrijk. Maar ik vind het als filosoof minstens even waardevol om met een groot publiek in debat te gaan, bijvoorbeeld door het schrijven van een Nederlandstalig boek’.

Braeckman: ‘Ik zit helemaal op dezelfde golflengte. Ignaas en ik behoren nog tot de generatie academici die de grote omslag heeft meegemaakt. Toen ik doctoreerde heb ik mij in de Hoge Venen teruggetrokken. Lezen, wandelen, schrijven, ik denk er met plezier aan terug. Ik zou het ook mijn assistenten willen aanraden: trek je een jaar terug en lees een stuk of twintig standaardwerken. Heilzaam voor hun intellectuele ontwikkeling, maar toch houd ik die raad voor mezelf. Wie zich een jaar terugtrekt om te lezen pleegt tegenwoordig academische carrièrezelfmoord. Ik word daar niet vrolijk van. De universiteit is geen plek meer voor breed geschoolde intellectuelen, zelfs in de menswetenschappen zetten vakidioten de toon. Wie zijn trouwens de intellectuelen die vandaag het maatschappelijke debat kleuren? Mensen zoals Rutger Bregman, David Van Reybrouck, Tinne Beekman, intellectuelen die de universiteit hebben verlaten om als onafhankelijk journalist of publicist de debatten aan te zwengelen. Dat zegt genoeg’.