Tagarchief: Robert Fisk

Midden-Oosten-correspondent Robert Fisk : “Onze huidige leiders weten niet meer wat oorlog echt betekent”

interview De Morgen, 14 november 2009

Journalist Robert Fisk heeft meer bloed en ellende gezien dan goed is voor een mens. Part of the job, zegt de man die al dertig jaar het Midden-Oosten covert. Wie niet tegen een aan flarden geschoten lijk kan, heeft in zijn vak niks te zoeken. De gelauwerde correspondent van The Independent heeft het zelf van geen vreemden. Bob is de zoon van Bill Fisk, veteraan van de slag bij de Somme in 1918. Deze week was hij in Ieper om er de Elfnovemberlezing uit te spreken. Een gesprek over de verslaving van de oorlog en de manier om ervan af te kicken.

Foto Alan Liefting (Wikipedia)

****

Robert Fisk (63) heeft de uitstraling van een postbeambte. Uitdunnende haardos, rood aangelopen gezicht met een bril, echt niet het cliché van de onvervaarde oorlogsjournalist die hij in werkelijkheid is. Hoewel, oorlogsjournalist? Fisk zelf weigert resoluut het stempel. Correspondent Midden-Oosten is de correcte titel, al geeft hij node toe dat die omschrijving vaak op hetzelfde neerkomt. Al dertig jaar bestrijkt de Britse journalist vanuit Beiroet de betere brandhaarden van deze planeet, aanvankelijk voor de Times en sinds 1989 voor The Independent. De Iraanse revolutie, de opeenvolgende Golf-oorlogen, het Palestijns-Israëlisch conflict, de burgeroorlogen in Algerije en Libanon, het uiteenvallen van Joegoslavië, het humanitaire drama zonder eind dat Afghanistan heet, Fisk stond overal in de vuurlinie.  Het geluk dat talloze collega’s in de steek liet, bleef aan zijn zijde. Hij laveerde door mijnenvelden, hoorde kogels langs zijn oren suizen en zocht dekking voor inslaande granaten. Een keer liep het bijna fataal af, toen woedende Afghanen hem molesteerden uit wraak voor een Amerikaans bombardement dat een half dorp dood achterliet. Doorgaans echter keerde hij behouden terug, met messcherpe reportages waarin geen detail van de oorlogsgruwel onverlet blijft. Eelt op de ziel heeft hij gewis, maar de gave van verontwaardiging is hij nooit verloren. Fisk geldt als een van scherpste critici van het Amerikaanse en Britse beleid in het Midden-Oosten. Niet toevallig mocht hij als enige westerse journalist tot drie keer toe op gesprek bij de meest gezochte man ter wereld, Osama Bin Laden. Het verslag van deze bizarre ontmoetingen valt te lezen in ‘De Grote Beschavingsoorlog’, een pil van 1400 meeslepend geschreven pagina’s die de neerslag vormen van drie woelige decennia in het Midden-Oosten.

Robert Fisk was deze week in Ieper, waar hij op uitnodiging van het Vlaams Vredesinstituut de traditionele Elfnovemberlezing uitsprak. De keuze lag nog meer voor de hand dan op het eerste gezicht lijkt. Robert Fisk is niet alleen oorlogscorrespondent tegen wil en dank, hij is bovendien de zoon van een in 1899 geboren frontsoldaat. Bill Fisk, die de derde slag bij Somme in 1918 overleefde, heeft zoon Bob met een levenslange fascinatie voor de Grote Oorlog besmet. We hebben trouwens afgesproken in de Old Tom, een hotel op de markt van Ieper waar bussen met Britse battlefield toeristen aan en af rijden. Het was 1956 toen hij hier met zijn ouders logeerde voor de eerste van vele bedevaarten naar de soldatenkerkhoven van WOI.  

“De foto’s aan de muur zijn nog niet veranderd”, stelt Fisk in de eetzaal vast. “Ik zie ons nog zitten aan dat tafeltje bij het raam, mijn ouders met een bevriend koppel van wie de man zelf majoor was geweest. Soms kwam hij ons thuis opzoeken, in Maidstone bij Kent. Die majoor had zeldzame foto’s van het front, genomen vanuit een luchtballon. Dat vond ik indrukwekkend. Je kon alles zien, de colonnes met paarden en zelfs de Duitse loopgraven. Ik heb die foto’s later gekregen, ze zitten nu in mijn omvangrijke collectie over de Grote Oorlog.  Vader kocht en verslond alles wat er over 14-18 verscheen, hij was erg trots op zijn bibliotheek. Op het einde van zijn leven heeft hij het vaak gezegd. Straks, als ik er niet meer ben, zijn al die boeken voor jou. Ik heb hem nooit willen vertellen dat ik op dat moment zelf al een veel grotere bibliotheek had dan hij”.

  • Was er in 1956 ook al sprake van battlefield tourism in Ieper?

Robert Fisk: “Oh ja, het zat even stampvol als vandaag, maar in die tijd waren het de oorlogsveteranen zelf die naar Vlaanderen afzakten.  Wij kwamen met de auto, een oude Austin. Ik zat op de achterbank, we reden van het ene kerkhof naar het andere.  Het werd een traditie, vader kwam ieder jaar. Vanaf mijn zestiende kon ik zelf rijden en speelde ik voor chauffeur. Op een keer liet hij me stoppen bij een boerderij in Louvencourt bij de Somme, de plek waar hij was ingekwartierd toen de wapenstilstand werd afgekondigd. Hij had me vaak verteld over de stokoude boerin die zijn ontbijt kwam serveren, ze was hem bijgebleven omdat ze altijd een pijp rookte. We hebben niet aangeklopt, daar was vader te verlegen voor.  Veel later, toen vader al dood was, kwam ik opnieuw in Louvencourt om opnames voor een BBC-reeks te maken. Ik ben toen wel bij die boerderij gaan aankloppen. Bleek dat bewoners zich die pijp rokende boerin maar al te goed herinnerden, het was hun overgrootmoeder”.

  • Heeft je vader vrijwillig dienst genomen?

Fisk: “Hij wilde al op zijn 15de naar het front, maar daar heeft zijn moeder een stokje voor gestoken. Hij stond al in het rekruteringsbureau, toen ze binnenstormde en riep dat haar zoon nog niet de wettelijke minimumleeftijd had bereikt. In 1916 mocht hij dan toch dienst nemen, maar toen was de Ierse opstand net begonnen en werd hij naar Dublin gestuurd. Uiteindelijk is hij pas in 1918, na het laatste Duitse offensief, met het 12de bataljon van het King’s Liverpool Regiment naar de Somme kunnen vertrekken. Het lijdt geen twijfel dat de Ierse opstand zijn leven heeft gered. Ik heb thuis de postkaarten liggen die zijn vrienden hem van het front stuurden. Come and join us, stond erop. Van al die vrienden is er niet één teruggekeerd. Ik heb het verhaal van Bill verteld, toen ik als eerste Engelsman de Bloody Sunday Memorial Lecture in Derry mocht geven. Dat was een intense ervaring, de zaal zat vol IRA-aanhangers.  Ik begon met een oprecht dankwoord voor Padraig Pearse, de leider van de Paasopstand. Zonder hem zou ik hier wellicht niet hebben gestaan, heb ik naar waarheid gezegd”.

  • Was hij getekend door de oorlogservaring?

Fisk: “De oorlog heeft zijn hele leven overschaduwd. Ik weet nog hoe hij zich bedrogen voelde na het lezen van de eerste kritische biografie van generaal Haig, de Britse bevelhebber aan de Somme die als een oorlogsheld werd vereerd. So he was a bloody liar, zei vader toen hij het boek dicht sloeg. Hij kon zijn leven lang geen krengen zien, zelfs een dooie vogel of kat in de tuin was hem te veel. Dat had te maken met een bijzondere ervaring aan het front. Zie je, velen denken dat de oorlog op 11 november 1918 is afgelopen, maar op die datum werd alleen de wapenstilstand afgekondigd. Heel veel soldaten zijn in de loopgraven gebleven tot eind 1919, toen de vredesakkoorden van Versailles werden gesloten. In die periode is er iets merkwaardigs gebeurd. Vader, die tot luitenant was opgeklommen, werd belast met de executie van een Australische soldaat die een andere soldaat tijdens een dronken ruzie had doodgeschoten. Bill heeft dat geweigerd, en als straf hebben ze hem met een rotklus opgezadeld. Hij moest lijken uit massagraven opgraven en op soldatenkerkhoven herbegraven.  De geur van de dood, die is hij nooit meer kwijtgeraakt. Op het einde van zijn leven, toen hij voor kanker was geopereerd, kon hij het allemaal in één zin samenvatten. Die hele oorlog, zei hij, dat was een en al verspilling geweest”.

  • Heeft je vader ooit verteld waarom hij dat executie-bevel naast zich heeft neergelegd?

Fisk: “Nee, ik heb nooit de kans gekregen om hem die vraag te stellen. Het intrigeert me wel, want vader was een principieel voorstander van de doodstraf. Dat was maar één van de onderwerpen waar we vaak ruzie over maakten. Vader was een conservatieve nationalist die op zijn oudere dag ronduit racistische praat over niggers uitkraamde.  Hij voelde zich geen Brit, maar een Engelsman. In zijn ogen was dat een belangrijke nuance. Engelsman, dat was een aparte mensensoort”.  

  • U bent zelf vlak na de Tweede Wereldoorlog geboren. Nochtans heb ik de indruk dat de Eerste Wereldoorlog diepere sporen in uw jeugd heeft getrokken.

Fisk: “Toch niet, de Tweede Wereldoorlog was erg prominent aanwezig in mijn kindertijd. Moeder, die 21 jaar jonger was dan vader, had de oorlog intens beleefd. Ze werkte voor de luchtmacht, ze herstelde boordradio’s van Spitfires. Vader, die na de Grote Oorlog een carrière als gemeenteambtenaar had gemaakt, kreeg er pas na de Duitse capitulatie mee te maken. Hij werd naar Hamburg gestuurd om er als expert te helpen bij de opbouw van een stadsbestuur. (grinnikt) Zo zie je maar, in tegenstelling tot de invasie van Irak vandaag, werd er in die tijd op voorhand nagedacht over de wederopbouw. Ik ben zelf vaak in Hamburg geweest, de eerste keer moet in 1949 zijn geweest. Hoe klein ik ook was, ik herinner me heel goed dat de stad nog volledig in puin lag. We verbleven in een van de weinige huizen die nog overeind stonden. Iedere namiddag moesten we de ramen openzetten, want dan lieten ze de blindgangers ontploffen die nog overal tussen het puin lagen. Van sommige taferelen begreep ik de betekenis niet. Op een keer zag ik hoe een groep Duitsers door Russische militairen werd geëscorteerd en aan de Britten werd overgedragen, velen droegen nog hun kepie met de Duitse adelaar erop. Later heeft vader uitgelegd dat het om soldaten van de Wehrmacht ging die bij Stalingrad krijgsgevangen waren gemaakt. Ik heb aan die periode een dierbaar souvenir overgehouden. Vader had me een speelgoedtrein gekocht, een Duitse stoomlocomotief uit de jaren dertig met alles erop en eraan. Thuis liet ik hem op de sporen van mijn Engels speelgoedtreintje rijden. De wielen pasten perfect, maar doordat het zo’n potente machine was, kwam het meteen tot een ontsporing. De locomotief is helemaal door de kamer langs de openstaande voordeur naar buiten gereden en aan de overkant van de straat in de berm gecrasht. Duitse kwaliteit”.

  • Geen wonder dat u als journalist ten oorlog bent getrokken. U bent in het vak geboren…

Fisk: “Meer nog dan je denkt. Vader heeft een camera meegenomen toen hij naar Somme vertrok, ook al wist hij dat fotograferen streng verboden was. Hij heeft een paar beelden van het front kunnen maken, op gevaar van zijn leven. Toen we die BBC-reeks maakten merkte de producer op dat mijn vader op zijn manier een reporter was.  Zo had ik hem nooit bekeken”.

  • Was hij gelukkig met uw keuze voor een journalistieke carrière die zich van slagveld naar slagveld sleept?

Fisk: “Niet toen ik bij de Sunday Express debuteerde, want die krant vond hij beneden zijn waardigheid. Maar toen ik naar de Times overstapte, was hij heel trots. De Times van voor Rupert Murdoch, dat was een eerbiedwaardig instituut. Toch vond hij na een paar jaar dat het welletjes was geweest. Het werd tijd dat zijn enige zoon trouwde en een gezin stichtte. Uiteindelijk heeft hij zich bij het onvermijdelijke neergelegd, hij is me tot aan zijn dood blijven volgen en lezen. Mijn verslaggeving van de oorlog tussen Iran en Irak, daarmee heb ik een gevoelige snaar geraakt. Het was een primitieve stellingenoorlog met loopgraven, modder en kindsoldaten die zich argeloos te pletter liepen op barrières van mitrailleurvuur. De taferelen die jij beschrijft kan ik me zo voor de geest halen, zei hij op een keer, het ging er net zo aan toe in de Grote Oorlog”.

  • Ziet u een verband tussen de Grote Oorlog en de conflicten die u zelf verslaat?

Fisk: “Oh ja, het ligt voor de hand. Na de wapenstilstand begon men driftig lijnen te trekken op de wereldkaart. Binnen de zeventien maanden werden de nieuwe grenzen van Noord-Ierland, Joegoslavië en het Midden-Oosten bepaald. Dat zijn niet toevallig de regio’s waar ik al mijn hele carrière van de ene brandhaard naar de andere spurt. Mijn werk had er zonder de oorlog van Bill Fisk heel anders uitgezien. Al die conflicten hebben natuurlijk hun specifieke oorzaak en context, maar na al die jaren heb ik ontdekt dat er een grote gemene deler bestaat. Oorlog is een verslaving, net zoals alcohol, tabak en drugs”. 

  • Wat bedoelt u daarmee?

Fisk: “Politici koesteren de illusie dat oorlog een middel is om problemen op te lossen. Hebben alle opties gefaald? Krijgen we Saddam Hoessein met politieke of economische druk niet op de knieën? Geen nood, dan grijpen we naar de ultieme remedie. Met groot geweld Irak binnenvallen, en het probleem is van de baan. We zien nu wat ervan gekomen is. Ach, ik weet waar het paard gebonden ligt. De huidige generatie van Westerse leiders weet niet meer wat oorlog werkelijk betekent. Loop het lijstje met staatshoofden af, vlooi de kabinetten van de bevoegde ministeries uit. Je zult niemand vinden die in loopgraven heeft gezeten of op een slagveld heeft gestaan, terwijl de kogels hem rond de oren fluiten en allerwegen granaten ontploffen. Vergelijk dat met de leiders met wie ik ben opgegroeid. Atllee, Eden, Churchill, de Gaulle, allemaal veteranen van WOI. Zij beseften dat oorlog niet in de eerste plaats om winnen of verliezen draait, maar om het doden van mensen, burgers zowel als militairen. Een van mijn favoriete citaten komt van Tolstoi.  In de oorlog bestaan geen regels, schreef hij, je kunt mensen straffeloos vermoorden en er nog een medaille voor krijgen”.

  • Zouden leiders echt andere beslissingen nemen moesten ze af en toe met de neus in een bloedbad worden gedrukt?

Fiks: “Ik ben daarvan overtuigd. Waarom denk je dat er zoveel spanningen bestaan tussen politici en journalisten? Omdat wij wel weten wat oorlog is, en omdat we dat ook willen tonen aan het publiek. Politici zijn daar allergisch voor. Oorlog moet zo clean mogelijk worden voorgesteld. Bombardementen worden met chirurgische precisie uitgevoerd, als er toch burgerslachtoffers vallen, dan vallen die onder het aseptische begrip collateral damage. Flauwekul natuurlijk. Oorlog, dat zijn huilende vrouwen die met de ingewanden uit de buik op noodbrancards naar onderbemande hospitalen worden afgevoerd. Dat zijn kinderen met afgerukte ledematen en gapende wonden waaruit nog de rook van de fosfor opstijgt. Het wordt steeds moeilijker om die rauwe werkelijkheid te tonen. Er is een kwalijke collusie aan de gang tussen media en politiek. In 2003 probeerde ik van Bagdad naar Basra te gaan om er de Britse belegering te verslaan. Ik moest rechtsomkeer maken, er vielen gewoon te veel bommen. De collega’s van Al Jazeera sloegen er zich wel doorheen, en keerden met waarlijk afgrijselijke beelden terug. De Britse artillerie had een bloedbad aangericht, de meeste slachtoffers waren vrouwen en kinderen. Ik was erbij toen ze de beelden bij Reuters in Londen aanboden. Nooit vergeet ik het antwoord. Die beelden waren volstrekt onbruikbaar, fulmineerde een stem in bekakt Engels, het was haast pornografisch. Maar de jongens van Al Jazeera bleven smeken, ze hadden tenslotte hun leven geriskeerd om die beelden te maken. Toen wond de stem in Londen zich op. Dit kunnen we niet maken. Beseften ze dan niet dat we een minimum aan respect voor de doden moeten tonen? Dat vond ik een verbluffend antwoord. We respecteren de Irakezen niet als ze nog leven, we respecteren ze nog veel minder als we ze aan flarden schieten. Maar zodra ze dood zijn, dan horen we respect te tonen. Zo ging het trouwens ook met de soldaten in de Grote Oorlog. Velen waren mijnwerkers en arbeiders uit Noord-Engeland die nooit enig respect hadden ondervonden. Als slachtvee werden ze door de gehaktmolen van de oorlog gedraaid, ook al totaal respectloos. En moet je nu zien: ze worden met monumenten en standbeelden vereerd. Sneuvelen moet je doen om gerespecteerd te worden”.

  • Het cosmetische beeld van de oorlog ligt niet aan uw verslaggeving waarin de lezer geen enkel goor detail bespaard blijft. Heeft u zelf moeten wennen aan die gruwel?

Fisk:  “Ik heb er nooit moeite mee gehad. Ik kan ’s middags een ziekenhuis vol kermende oorlogsslachtoffers bezoeken, en ’s avonds met smaak gaan dineren in een Frans restaurant. Ik ben in Noord-Ierland begonnen. Daar vielen geregeld doden, maar niets in vergelijking met Beiroet waar op grote schaal werd geslacht. Als journalist in het Midden-Oosten mag je daar niet over jammeren, dat is even belachelijk als een chirurg die niet tegen bloed kan. Bloed en miserie horen erbij, wie daar niet tegen bestand is, heeft in het Midden-Oosten niets te zoeken. Ik heb weinig geduld met journalisten die komen klagen over hun posttraumatische stresssyndromen. Boek dan een vlucht naar huis, is mijn raad, en als je eerste klasse neemt, krijg je er een glaasje champagne bij. Ik heb ook een hekel aan journalisten die in hun verslag uitweiden over de beproevingen die ze zelf moeten doorstaan. Zo was er een Amerikaanse collega die een drama maakte omdat zijn schoenen na een ziekenhuisbezoek onder het bloed zaten. For Christ sake, alsof wij de slachtoffers zijn! De echte slachtoffers, dat zijn de stakkerds in de ziekenhuizen, en de bewoners van de vluchtelingenkampen die onder vuur liggen en geen paspoort of geld hebben om een veilig onderkomen te zoeken.”.

  • Nooit nachtmerries gehad?

Fisk: “Een keer maar, na de massakers in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Ik was er die dag heel snel bij, de Falangisten waren nog aan het moorden, onder het goedkeurend oog van het Israëlisch leger. Ik ben toen letterlijk over bergen van lijken geklommen, ik moest me verstoppen omdat ik vreesde dat ze me als getuige uit de weg zouden ruimen. Ja, er zijn van die momenten dat de adrenaline je door de aders giert. In Bagdad heb ik een erg intens moment beleefd. Ik was met enkel collega’s in een ziekenhuis. Het was die keer echt verschrikkelijk: buiten woedde een intens artilleriegevecht, binnen stonden we letterlijk tot onze enkels in het bloed. Toen mijn notaboekje vol was, liep ik terug naar de auto. Wat me toen overkwam, zie je normaal alleen in de film. Op het slechtst denkbare moment, terwijl de kogels en granaten me letterlijk rond de oren vlogen, weigert de motor te starten. Ik heb wel honderd keer fuck geroepen, het hielp niet. En opeens komen er drie Irakezen aanlopen, winkeliers die het tafereel door de kieren van hun gesloten rolluik hadden gezien. Ze hebben de auto geduwd tot de motor aansloeg, ik zag in de achteruitkijkspiegel hoe ze me uitwuifden. Ik ben wel vaker door genereuze moslims uit de penarie geholpen”.

  • U woont al dertig jaar onder de moslims. In Vlaanderen en andere delen van Europa is het intussen bon ton om somber toe doen over het samenleven met moslims. Hoe kijkt u vanuit Beiroet naar ons geworstel met de multiculturele samenleving?

Fisk: “Vol onbegrip. Mijn chauffeur is een Arabische soenniet, mijn vertaler klassiek Arabisch een sjiiet, mijn huisbaas een Druus, mijn kruidenier een christelijke Maroniet. We kennen en respecteren elkaars verschillen. Wat is daar zo moeilijk aan?  Luister naar imam Ali, de stichter van het sji-isme. Vrees niet als je een vreemde man ziet, zei hij tot zijn volgelingen, ofwel is hij je broeder in het geloof, ofwel is hij je broeder in het mensdom”.

  • Uw recentste boek heet ‘The Age of the Warrior’. Ik dacht dat we in ‘The of the Terrorist’ leefden..

Fisk (gretig): “Dank u voor de gemeten voorzet. Terror, terrorist,  je hoort niks anders meer. Persconferenties, nieuwszenders, kranten, het gaat de hele dag door. Ik word ziek van dat woord. Terrorisme is een idioot, zinledig en bovenal racistisch begrip. Want het zijn altijd dezelfden op wie het label wordt geplakt. Het woord Palestijn is haast synoniem voor terrorist geworden. Als je het waagt om een pro-Palestijns standpunt in te nemen, slaan ze je met een dooddoener om de oren. Zozo, meneer verdedigt het terrorisme. Hoe is het zover kunnen komen? De Amerikaanse media hebben daar een perverse rol in gespeeld, zeker als het over Israël gaat. Joodse kolonies op de Westbank heten nederzettingen, de muur is een onschuldig hek, en bezette gebieden worden systematisch als omstreden gebieden aangeduid. Ze tonen Palestijnse tieners die met stenen gooien, maar vertellen er niet bij wat hen daartoe aanspoort. Dat ze die stenen gooien omdat Israël wegversperringen en muren bouwt om op Arabisch land kolonies te bouwen waar alleen joden welkom zijn, wat tussen haakjes gezegd een flagrante inbreuk is op het internationaal recht. Wat onthoudt de kijker als hij die context niet kent? Dat die Palestijnen geboren geweldenaars zijn, genetisch geprogrammeerd voor het plegen van terreur”.

  • Kunt u ook begrip opbrengen voor het fenomeen van de zelfmoordterro…euh..zelfmoordkrijger?

Fisk: “Kijk naar de context, dat heb ik na 9/11 geschreven en gezegd. Vlak na de aanslagen werd ik door een Amerikaanse radiozender opgebeld en live geconfronteerd met een Harvard-professor. Woedend was die academicus. Hoe durf je zoiets te schrijven? Dat komt neer op een steunbetuiging voor het terrorisme! Ik heb hem zijn vet gegeven. Natuurlijk ging het om walgelijke aanlagen op de menselijkheid. Maar maakt die vaststelling de vraag minder urgent: waarom hebben ze die aanslagen gepleegd? Is het een toeval dat alle daders uit het Midden-Oosten kwamen? En ligt het dan niet voor de hand dat we ons even bezinnen over de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten? Na de aanslagen op de Londense metro was Tony Blair er als de kippen bij om uit te sluiten dat dit ook maar iets met de oorlog in Irak te maken had. Zijn woorden waren nog niet koud of er dook een video op waarin de daders verklaarden dat het alles met Irak te maken had. Tja, hoe belachelijk kan een Britse premier zich maken. Weet je, het is echt niet moeilijk om te begrijpen waarom sommigen zelfmoordaanslagen plegen. Kom naar Libanon en neem een kijkje in de kampen van Sabra en Shatila, waar de overlevenden van het bloedbad nog altijd in afgrijselijke omstandigheden leven. Ga naar Gaza, of voor mijn part naar de Afghaanse vluchtelingenkampen in Pakistan. Wie het Midden-Oosten wil snappen, moet de wanhoop kennen waarin miljoenen mensen leven”.

  •  U klinkt niet bepaald optimistisch..

Fisk: “Ik ben ook niet optimistisch. De Amerikaans-Britse politiek in het Midden-Oosten is een fiasco. Mijn gratis advies: trek zo snel mogelijk alle militairen uit Irak en Afghanistan terug. Stuur in de plaats 40.000 dokters en hulpverleners, maar doe niet aan zelfoverschatting. We kunnen helpen met het bouwen en herstellen van ziekenhuizen, bruggen of elektriciteitscentrales. Maar zodra we de pretentie hebben om onze beschaving uit te dragen, zal het weer fout lopen. Probeer niet in Afghanistan een bebaarde dorpsleider te overtuigen van de noodzaak om meisjes naar school te sturen. Je kunt even goed proberen Hendrik de Achtste voor de democratie te winnen of Oliver Cromwell respect voor de rechtstaat bij te brengen. Het zal niet lukken, die baardige dorpsleider zal je inspanning als een opdringerige bemoeienis interpreteren. Kijk, er is een gigantisch communicatieprobleem tussen Oost en West. Wij hebben ons geloof afgezworen, de Eerste Wereldoorlog heeft daar trouwens flink toe bijgedragen. In het Midden-Oosten daarentegen zijn de mensen religieus gebleven. In die kloof ligt de bron van vele misverstanden. Wij, kinderen van de Verlichting, achten onze beschaving superieur, maar in het Midden-Oosten zien ze dat anders. Wie zijn die Westerlingen die ons militair, politiek en economisch komen domineren? Ze hebben niet eens een godsdienst”.

  • Wel zuur voor die meisjes in dat Afghaanse bergdorp…

Fisk: “Er is een oplossing, maar ze zal tijd vergen. Nodig die baardige dorpsleiders naar Europa uit. Toon hen hoe wij hier leven. Sommigen zullen onze levensstijl afwijzen, anderen zullen met positieve conclusies naar hun thuisland terugkeren. Op die manier werden in het verleden al grote stappen voorwaarts gezet. In de jaren twintig keerden Egyptische intellectuelen uit Parijs terug, verrijkt met humanistische denkbeelden die ze meteen begonnen toe te passen. Op die manier werden de eerste feministische organisaties van het Midden-Oosten opgericht, toen reeds”.

  • Slotvraag: waarom gaat u zo tekeer tegen de Nobelprijs van Barack Obama?

Fisk: “Ik zal antwoorden met een quote van mijn goede vriend Naom Chomsky met wie ik vorige week in Dublin ging dineren. Obama heeft nog volstrekt niks gedaan voor vrede, maar dat is nog altijd meer dan zijn voorgangers kunnen claimen. Nee, Obama heeft geen goede beurt gemaakt. Had hij die prijs beleefd geweigerd, dan was hij in mijn ogen een grote meneer geweest”.