Tagarchief: Roma

De Roma-familie Rusenko komt uit de kast

De Standaard Weekblad, 22 november 2014

“Wij zijn Roma, en daar zijn we trots op”

Wijlen Jan Rusenko stond 25 jaar geleden vooraan in de Fluwelen Revolutie. De euforie van de Tsjechische Roma-leider was groot, zijn desillusie eveneens. Van Praag aan de Moldau verkaste hij met de hele clan naar Lokeren aan de Durme. Drie generaties nabestaanden maken in hun nieuwe thuisland de balans op. “Ik ga me hier niet langer verstoppen, ik wil een fiere Rom zijn”.

foto: Frederik Buyckx

foto: Frederik Buyckx

Lokeren. Een sober appartement één hoog boven een frituur in de Brugstraat. Op tafel staan de belegde broodjes klaar, naast schalen met vers gesneden komkommer en plakken worst. Roma-gastvrijheid, die hebben ze in Praag niet achtergelaten. Bij de verwelkoming worden de familiebanden meteen toegelicht. Margita Reiznerova (69) is de tante van Radana Rusenkova (40) die haar dochter Susana (20) heeft meegebracht. De heer des huizes is Radana’s jongere broer Jiri Rusenko (28), die ons zijn vriendin Miroslava en hun anderhalf jaar oude dochter Victoria voorstelt. “Ze heet Rusenko met haar achternaam”, zegt Jiri. “Eigenlijk zou het voor een meisje Rusenkova moeten zijn, maar dat vonden ze bij de burgerlijke stand te verwarrend. We moeten ons aanpassen”. Dat doen ze al achttien jaar lang, met hoorbaar resultaat. Susana’s Nederlands is perfect, Radana en Jiri moeten slechts af en toe naar een woord zoeken. Het heeft vast met de leeftijd te maken, maar Margita is bij een passieve beheersing gestrand. Niet dat ze geen talenknobbel heeft. Niemand rond deze tafel schakelt vlotter tussen Tsjechisch en Romanes dan deze kleine, getaande vrouw. Weinigen in haar adoptiestad die het vermoeden, maar Margita Reiznerova is een pionier van de internationale Roma-literatuur.

Vaclav Havel

Jan Rusenko, vader van Radana en Jiri, broer van Margita, is er niet bij. Toch is hij de spil van deze bijeenkomst. Op de tafel, tussen de komkommers en fijne vleeswaren, liggen vergeelde kranten met zijn naam en foto. We hadden het hem graag gevraagd: wat ging er door zijn hoofd toen hij op 25 november 1989 het podium in het Praagse Letna Park beklom? Dat hij afspraak had met de geschiedenis? Historisch was het tafereel beslist, de schattingen van de mensenzee gaan tot 800.000. Vele betogers droegen spandoeken met leuzen voor vrijheid en democratie. De recordmanifestatie vormde een hoogtepunt in een omwenteling die een week eerder was begonnen, toen de ordediensten een qua omvang veel bescheidener studentenbetoging uit elkaar knuppelden. Vergeefse moeite en vergeefs bloedvergieten, want de Fluwelen Revolutie viel niet meer te stoppen. Op 28 november al werd het machtsmonopolie van de communistische partij uit de grondwet geschrapt, en nog een maand later legde Vaclav Havel de eed af als eerste, niet-communistische president van Tsjecho-Slowakije. Het was diezelfde Havel die Jan Rusenko persoonlijk op het podium van het Letna Park had geroepen. Op het eerste gezicht logisch, want de Praagse trambestuurder stond mee aan de wieg van het door Havel geleide Burgerforum. Toch was het een gebaar met een hoge symboolwaarde. Een lid van de Roma-gemeenschap die een prominente plek in de politieke arena kreeg, zoiets was nooit eerder vertoond. Rusenko stond er niet als enige Rom, het was de jurist Emil Scuka die zijn volk opriep zich achter de revolutie te scharen. “Roma sta op”, gebood hij met luide stem. “Hier hebben we lang op gewacht. Voor het eerst nemen we ons lot in eigen handen”. Op de beelden op YouTube kun je de ontroering van Rusenko’s gezicht aflezen. Zijn euforie werd gedeeld de zowat 750.000 Roma die leefden in het land dat tot 1993 Tsjecho-Slowakije heette. Na de Fluwelen Revolutie zou alles anders worden. Gedaan met de gedwongen assimilatiepolitiek uit het communistische verleden, Roma zouden als volwaardige burgers participeren in een maatschappij waarin hun cultuur en taal werden gerespecteerd. 

Communistische Apartheid

Jan Rusenko overleed al in 2006. Zijn graf ligt niet in Praag aan de Moldau, maar in Lokeren aan de Durme. Hoe dat komt? Radana kijkt naar haar broer en zucht. Het is een lang verhaal dat ze met vereende krachten en woordenschat brengen. “De euforie heeft niet lang geduurd”, zegt Radana. “Ja, in sommige opzichten was er beterschap. We mochten onze taal en cultuur beleven. Tante Margita bijvoorbeeld heeft een vereniging opgericht, de Unie van Roma-schrijvers. Enkele maanden na de revolutie konden we in Brno het allereerste festival van de Roma-cultuur organiseren. President Havel is er komen speechen. Om vader een plezier te doen, maar ook omdat hij echt sympathiseerde met onze zaak. Daar zat een persoonlijk kantje aan. Havel had in gevangenis heel wat Roma leren kennen, hij is nooit vergeten hoe ze in de cel hun karige voedselrantsoen met hem deelden. Zie je, onder de communisten vloog je voor een kruimeldiefstal achter de tralies. Wie drie maanden zonder werk zat, kon als asociale profiteur worden opgepakt en opgesloten. Vaak waren dat Roma, die stonden ook toen al op de laagste trede”.

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker  in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jiri en Radana zijn er niet zeker van. Was Jan Rusenko bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in juni 1990 kandidaat voor de door hem en Scuka gestichte Roma-partij ROI? Werd hij verkozen maar heeft hij zijn mandaat niet opgenomen? Liefst acht Roma mochten naar het parlement, een historische doorbraak die helaas ook kan gelezen worden als een laatste stuiptrekking van de postrevolutionaire euforie. “Vader wilde niet naar het parlement”, zegt Jiri. “Ook al was hij de bekendste Roma-leider van het land, hij vond dat zijn plaats tussen het volk was, van daar zou hij controleren of de politici hun werk deden. Dat werd hem niet door iedereen in dank afgenomen, ook niet binnen de eigen gemeenschap”.

Ook zonder interne verdeeldheid bleven de kopzorgen niet lang uit. Zoals overal in Oost-Europa lokte de transitie van planeconomie naar vrije markteconomie een sociaal bloedbad uit. De zware industrie, steenkool- en staalproductie voorop, klapte in elkaar. “Het waren de Roma die als eersten op straat werden gezet”, vertelt Jiri. “Ongeschoolde arbeiders, de meesten afkomstig uit getto’s in Slowakije. Geïmporteerd, moet ik zeggen, want zo ging dat onder de communisten. In Slowakije was geen industrie terwijl er veel werkloze Roma woonden, in Tsjechië was het precies andersom. En dus bouwden ze dicht bij de fabrieken hele woonwijken waar Roma verplicht werden gehuisvest. Die logementen hadden bij de Tsjechen een barslechte reputatie, ze lagen er ook verschrikkelijk vervallen bij. Logisch als je er mensen in stopt die recht uit het getto komen en nooit van hun leven een badkamer hebben gezien”. Communistische Apartheid? Radana komt genuanceerd uit de hoek. “Het communisme had ook zijn goede kanten. Iedereen had werk en alles was strikt geregeld. Natuurlijk, ook toen was er racisme, in sommige Praagse cafés hingen zelfs bordjes met ‘verboden voor honden en zigeuners’. Maar het was tenminste veilig voor Roma”.

Roma brain drain

Het politieke klimaat sloeg om. Uit de economische malaise groeide een nieuwe partij, de rechts-populistische SPR van Miroslav Sladek, een geboren volksmenner die grossierde in racistische uitspraken. Extreemrechtse skinheads maakten Roma-buurten onveilig. Jan Rusenko, intussen een bekend mediafiguur, ontving doodsbedreigingen. Zijn zus Margita deelde in de klappen. Het lokaal van haar schrijversclub, tevens een cultureel centrum waar Tsjechen en Roma elkaar ontmoetten, werd door onbekenden kort en klein geslagen. “De muren stonden vol swastika’s”, zegt ze. “Er werd ook brand gesticht, enkele van mijn manuscripten zijn verloren gegaan”.

In 1996 verhuisde de hele familie Rusenko, drie broers, twee zussen en hun 83-jarige moeder, met partners en kinderen naar Oost-Vlaanderen. “Een beslissing van vader”, zegt Radana. “Hij was de leider van de familie, de anderen zijn als vanzelf gevolgd. We hebben eerst in Gent gewoond, maar omdat vader het daar te druk vond, zijn we na twee jaar naar Lokeren verhuisd. Waarom België? Toeval, vader wilde eerst naar Nederland, maar een van zijn beste vrienden was al eerder naar Gent vertrokken. Mond-aan-mond-reclame, zo zijn de meesten hier beland”.

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Die goede vriend was de in  2003 overleden Frantisek Demeter, schrijver, muzikant en kunstschilder met doeken in verschillende Europese musea. Ook al een lid van de culturele elite, niet toevallig. Het waren Roma-intellectuelen die vanaf midden jaren negentig als eersten Tsjechië ontvluchtten. Op zich was het maar een klein clubje, een handvol families die zich ironisch genoeg aan de communistische assimilatiepolitiek hadden opgetrokken. De Rusenko’s hadden een aanzienlijk aandeel in de brain drain. Behalve Margita, verpleegster van opleiding, waren ook haar twee zussen en jongste broer bekende schrijvers in de ontluikende Roma-scene. Familiehoofd Jan Rusenko had geen diploma, maar was volgens Radana een wandelende bibliotheek. “En een creatieve duizendpoot”, zegt ze. “Vader was de bezieler van Perumos, een gezelschap dat theater, muziek-en dansvoorstellingen bracht. Ik heb nog vaak met hem op de planken gestaan”.

Overlast in Gent

De Rusenko’s vroegen en kregen politiek asiel. Hoogst uitzonderlijk, het statuut werd niet meer toegekend toen eind jaren negentig een tweede, veel grotere Roma-golf de Belgische asielinstanties overspoelde. Uit Tsjechië, maar meer nog uit Slowakije waar de werkloosheid en armoede in de getto’s nog harder nepen. Ook in andere herkomstlanden zoals Roemenië, Bulgarije en het desintegrerende Joegoslavië kwam een exodus op gang. De migratiebeweging zou niet meer stilvallen, ze verklaart waarom er vandaag in Brussel, Gent en Antwerpen grote Roma-gemeenschappen leven. Populair zijn de nieuwkomers niet. Wie Roma zegt, denkt onwillekeurig aan vrouwen met bedelende kinderen, rondtrekkende dievenbendes en onhygiënische toestanden in kraakpanden.  Het beeld, door talloze krantenkoppen versterkt, werpt zijn schaduw over de tafel. Ze zitten ermee in hun maag, maar prijzen zichzelf ook gelukkig dat ze niet meer in Gent wonen waar de zowat 5.000 recent ingeweken Roma geregeld de politieke gemoederen beheersen. “Ik begrijp dat de Vlamingen klagen”, zegt Radana. “Zigeuners reizen in familie, dat is de traditie. Als er eentje komt, volgt de hele clan. Dan krijg je overlast in een stad, zeker met mensen die geen benul hebben van hoe men hier leeft en woont. Maar ik wil hen niet veroordelen. Als je de omstandigheden kent waarin ze in Tsjechië en Slowakije leven, dan snap je waarom ze naar hier komen”.

Zigeuners, het is niet de eerste keer dat het woord aan deze tafel valt. Mag dat dan? Ons werd altijd verteld dat zigeuner een pejoratief woord is, ongeschikt bovendien om de grote diversiteit binnen deze etnische minderheid te omvatten. “Alleen wij mogen dat gebruiken”, zegt Jiri lachend. “Het is zoals negers. Uit de mond van blanken klinkt dat racistisch, maar als zwarten het over niggers hebben, klinkt het als een geuzennaam”.  Susana mengt zich in het gesprek. Twintig jaar jong, een vat vol twijfels. Ze heeft haar hogeschoolstudies communicatie en public relations afgebroken, denkt nu aan journalistiek of politieke wetenschappen. Alleszins een richting die beter past bij de zoektocht naar haar identiteit. “Wat ben ik eigenlijk”, vraagt ze retorisch. “Vlaming? Tsjechische? Roma? Of Duits, want ik heb een tijdlang in Duitsland gewoond? Ik heb me heel vaak niks gevoeld”. Het zit diep bij Susana. Ze is trots op haar opa, en toch mochten op school alleen haar beste vriendinnen weten dat ze Rom was. “Mensen gokken meestal dat ik Turks, Marokkaans of Spaans ben, omdat ik wat donkerder ben dan gemiddeld. Tsjechisch, zegt ik dan, want de meesten weten toch niet dat de doorsnee Tsjech zo bleek ik als een Friese boer. Op school heb ik een gênant moment beleefd. Er zat een nieuwe leerling in de klas, een jongen die werd gepest omdat hij Rom was. Ik was verontwaardigd, maar toch heb ik niks gedaan om hem te helpen. Ik durfde me niet als Rom te uiten, bang dat ze me ook zouden pesten. Daar schaam ik me nu voor”.

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

De vloek van de zwarte ketel

Jiri, trucker bij een groot transportbedrijf, begrijpt de tegenstrijdige gevoelens van zijn nichtje maar al te goed. “De meeste collega’s denken dat ik een gewone Tsjech ben. Ik loop met mijn identiteit niet te koop, dat werd me trouwens afgeraden door andere Roma. Belgische werkgevers moeten niet weten van zigeuners, zeiden ze. Maar misschien is dat een vooroordeel, geïmporteerd uit Tsjechië”. En toch staan de Rusenko’s nu met naam en toenaam in de krant. Daar werd vooraf goed over nagedacht. Tijd om uit de schaduw te stappen en zich aan Vlaanderen te tonen, was de consensus. Niemand die daar meer van doordrongen is dan Susana. “Ik wil me niet langer verstoppen”, zegt ze . “Er is niks mis met onze Roma-identiteit, we hebben veel om trots op te zijn”. Ze loopt al een poosje met een plan in haar hoofd. Samen met haar moeder en oom Jiri wil ze iets ondernemen om haar gemeenschap uit het verdomhoekje te halen. Een cultureel centrum oprichten, of een Belgische Roma-vereniging, ze zijn er nog niet uit. “En ik wil de taal leren”, zegt ze. “Het frustreert me dat ik wel Nederlands, Tsjechisch, Frans, Engels en Duits ken, maar geen Romanes”.

Een cultuurcentrum met een projectiezaal zou niet gek zijn. Dan kan Vlaanderen alsnog kennis maken met Mire Bala Kale Hin, een prachtige film uit 2003 van Katarina Lillqvist. De Finse cineaste studeerde poppenanimatie in Praag waar ze gefascineerd raakte door de Roma. Ze bewerkte hun tragische geschiedenis tot een cyclus van zes verhalen. Een daarvan is een sprookje van Margita Reiznerova die Lillqvist ook hielp met het scenario. “Ze had het gelezen toen ze nog in Praag studeerde””, vertelt Margita. “Ik was al lang geëmigreerd toen ze aan haar filmproject begon. Het heeft haar twee jaar gekost om me hier in Lokeren op te sporen”.

Margita is een wonderlijke vrouw.  Ze heeft Tsjechov en andere Russen naar het Romanes vertaald. Haar sprookjes zijn allesbehalve kinderlijk, ze schrijft duistere verhalen vol verwijzingen naar de pijnlijke geschiedenis van haar volk. “Ik heb niks verzonnen”, zegt ze. “De verhalen werden me ’s nachts tijdens mijn slaap ingefluisterd”. Misschien doet ze daarmee haar eigen creatieve genie te kort. Margita kan uit haar eigen leven inspiratie putten voor een lijvige roman. Terwijl ze de schotel met broodjes laat rondgaan, dist ze het verhaal van de zwarte ketel op. Het moet tijdens het interbellum zijn geweest, de familie woonde nog in de buurt van het Slowaakse stadje Stropkov. “Mijn grootouders hadden twaalf zonen”, vertelt Margita. “Ze waren sedentair, hadden zelf paarden en koeien, het was een welvarende familie. De zonen deden seizoensarbeid bij de boeren en leurden op markten met smeedwerk. Thuis hing een grote ketel waarin al het geld werd gestopt. Iemand moet hen vervloekt hebben. Eerst stierven de koeien en de paarden, daarna vielen de jongens een na een weg. Vader heeft in korte tijd tien broers verloren.  Op het einde was de pot helemaal leeg, al het geld was opgegaan aan begrafenissen”.

Ongewenste Bohemers

Margita is geboren op 5 mei 1945, een dag na de Duitse capitulatie. Haar moeder had de laatste maanden van haar zwangerschap in de bossen door gebracht. De jonge vrouw, die op haar 83ste naar Gent zou verhuizen, overleefde op een dieet van bessen en paddenstoelen. Verstrikt in de oorlog, een nachtmerrie waar geen vloek of zwarte magie maar een moorddadig regime aan te pas. Anders dan het door de Duitsers rechtstreeks bestuurde Tsjechië, behield Slowakije tijdens de oorlog zijn autonomie. Zeker, het was een vazalstaat van de Nazi’s. Toch verklaart de aparte status waarom in Slowakije de jacht op de Roma _ in tegenstelling tot de uitroeiing van de Joden _ pas in de loop van 1944 echt op gang kwam, met een relatief hoog overlevingspercentage als gelukkig gevolg. “Vader was bij het verzet”, vertelt Margita. “Moeder en de rest van de familie hadden zich in een kerk verstopt. Ze werden gearresteerd en met een karavaan te voet naar een doorvoerkamp gestuurd. Grootvader, die nog met de Oostenrijkers in de Eerste Wereldoorlog had gevochten en Duits begreep, vermoedde wat ons te wachten stond. Hij zei moeder dat ze zich naar de staart van de karavaan moest laten afzakken, zodat ze zich bij het vallen van de duisternis in het bos kon verstoppen. Zo heeft ze de oorlog overleefd en ben ik geboren. Ook vader is er levend uitgekomen. Ze hebben hem kort na de oorlog wegens sigarettensmokkel gearresteerd en in Praag opgesloten. Dat verklaart waarom onze familie in Tsjechië is beland”.

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Tsjechië, waar tijdens de oorlog negentig procent van de zowat 6.000 Roma werd vermoord. Nagenoeg alle Tsjechische Roma hebben bijgevolg Slowaakse roots. Hele dorpen werden in de jaren vijftig door de communistische machthebbers vanuit het rurale Slowakije overgeheveld om de arbeidsplaatsen van de drie miljoen uitgedreven Sudetenduitsers op te vullen. “Er wordt veel over de Tweede Wereldoorlog gepraat”, zegt Radana bitter. “Maar over de genocide op de zigeuners spreekt niemand. Wie weet bijvoorbeeld dat de eerste experimenten met gifgas op Roma-kinderen werden uitgevoerd? Ook daar wilde vader iets aan doen, het is nu aan ons om zijn missie over te nemen en de genocide te herdenken”.

Was de oorlog een absoluut dieptepunt, ook het heden oogt allesbehalve rooskleurig. Met 12 miljoen vormen de Roma de grootste etnische minderheid van Europa. Slowakije, Tsjechië, Roemenië, Bulgarije, het voormalige Joegoslavië, in de traditionele herkomstlanden staan ze helemaal onderaan op de maatschappelijke ladder. Migratie naar West-Europa heeft daar weinig verandering in gebracht. Met enig cynisme kan men van regressie spreken, een terugkeer naar een nomadische levensstijl die de Roma decennia eerder hadden opgegeven. Ook in het Westen blijken racistische vooroordelen jegens ongewenste ‘Bohemers’ springlevend. De migratie kwam verschillende EU-lidstaten dermate ongelegen dat ze het heilige principe van vrij verkeer van personen beperkten. Komt het ooit goed met de Roma? Radana slaakt nog een zucht. “Hadden we maar een eigen Roma-land, heb ik al vaak gedacht. Maar dan schieten de woorden van vader me te binnen. Nee Radana, zei hij altijd, wij hoeven geen eigen land. Wij zijn Roma, wij hebben de hele wereld”. 

 

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)

 

 

Alhambra, het openluchtbordeel van Brussel

verschenen in Zeno, weekendbijlage De Morgen, 21 april 2012

Hoerenlopers zijn wild van de Brusselse Alhambrawijk. Altijd verse aanvoer van  Oost-Europese meisjes, ook liefhebbers van Marokkaanse travestieten en Ecuadoriaanse transseksuelen vinden er hun gading. De bewoners van deze dichtbevolkte buurt rond de KVS zijn minder enthousiast. Nachtlawaai, wildplassen, zwerfvuil, agressie, de frustraties lopen hoog op. Tippelen wordt een verkiezingsthema in de Europese hoofdstad.

 

Zaterdag, twee uur ’s nachts. Het is feest in de Tropicana. Op de stoep voor het café staat een bont gezelschap te dollen. De dames zijn zonder uitzondering kort gerokt en voorzien van diepe décolletés. Bij de heren geldt er geen dresscode, patsers in trainingspak staan schouder aan schouder met heren in kostuum en schlemielen op afgetrapte schoenen.

Het feestje deint uit naar de stoep van de buren, de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Het imposante theatergebouw is al lang uitgestorven, maar de verkeersdrukte doet vermoeden dat er een première op til is. Een colonne van wel tien auto’s is in de Lakensestraat tot stilstand gekomen. De stop van de flessenhals zit om de hoek met de Hooikaai. Saab mag dan een dood merk zijn, de cabrio van de Zweedse constructeur is nog altijd een bak om mee te pronken. Twee bruingebrande kerels in T-shirt, zonnebril op de neus als was het hoognoen, zijn voor de deur van de Tropicana gestopt. Uit de luidsprekers schalt salsamuziek, ze  laten zich uitgebreid door de meisjes bewonderen. Het is de wereld op zijn kop, alsof zij het zijn die hun lichaam moeten verkopen. Achterin wordt getoeterd, geblokkeerde chauffeurs verliezen hun geduld.

Een half uur geleden stonden we zelf in de file. We namen in de tunnel uitrit Ijzer en reden het carrousel d’amour om meisjes te tellen. Na het drukbezette kruispunt Koopliedenstraat-Lakensestraat raakten we de tel al kwijt. De Tropicana, de Hooikaai, de Van Gaverstraat, met kladden tegelijk stonden ze op de stoep. Waren het er veertig of vijftig? Het is alleszins een conservatieve schatting die geen rekening houdt met de meisjes die op het moment van onze passage klanten aan het afwerken waren, noch met de collega’s die hun diensten op en rond de Jacqmainlaan aanbieden. Niemand kent het exacte cijfer, maar feit is dat Brussel Stad een attractie telt die in geen enkele toeristische gids prijkt. Nochtans zijn er weinig Europese hoofdsteden die dit spektakel kunnen aanbieden: een bruisende tippelzone in het hart van een drukke woonwijk.

We hebben de chronometer ingedrukt. Vijf minuten duurt een ritje op het carrousel d’amour. Zoals het peloton in een kermiskoers duikt de karavaan weer de Hooikaai in. De Saab ligt nog altijd aan de leiding, maar in het pak zijn auto’s verdwenen en door nieuwkomers vervangen. Wie zijn de afvallers? Klanten die hun gading hebben gevonden en opgepikt? Of toeristen die hun voyeurisme hebben bevredigd? Vijf minuten is de omlooptijd voor wie het officiële circuit volgt. De Brusselse politie heeft her en der betonblokken geplaatst om de verkeersoverlast voor de bewoners te beperken. Vroeger reden de hoerenkijkers ultrakorte lussen via de  onooglijke Van Gaverstraat, tegenwoordig moeten ze de hele Hooikaai uit om dan een halve kilometer via de kleine ring terug naar start te rijden. Maar er zijn ook valsspelers die een stukje spookrijden om via de Arduinkaai terug te draaien, langs de redactie van deze krant terug naar de KVS waar ze met aanzienlijke tijdwinst aan een nieuwe ronde beginnen. Een BMW met spoiler trekt met gierende banden op. Bronstig, zowel auto als chauffeur.

De Alhambrawijk, genoemd naar een reeds lang verdwenen theater, valt grofweg te situeren tussen de Jacqmainlaan, de Handelskaai, de Arduinkaai en de kleine ring. Behalve de KVS en het Franstalige Théâtre National zijn er weinig opvallende gebouwen. Maar ondanks de afwezigheid in de Brusselse citymarketing lokt Alhambra heel wat buitenlanders. We bespeuren vier Franse en één Duitse nummerplaat in de karavaan. Niemand die ervan opkijkt, de Franse invasie op vrijdag en zaterdagavond is een traditie. Anders dan in België is prostitutie bij onze zuiderburen verboden, reden waarom behoeftige mannen uit Noord-Frankrijk massaal de grens oversteken. Er zijn faciliteiten dichterbij huis, de steenwegen om en rond  Kortrijk, Gent en Moeskroen zijn met bars bezaaid. Toch kijken vele Fransen niet op honderd extra kilometers naar Brussel, een stad die ook op het vlak van prostitutie de claim van Europese hoofdstad hard maakt. Het aantal sekswerkers wordt op 5.000 geschat, alle categorieën inbegrepen, van escorte over raamprostitutie en paaldanseressen tot diensters van massagesalons. Over het aandeel van de straatprostituees, een beroep met meer verloop dan voetbaltrainer in de Jupiler League, bestaan geen exacte cijfers. Bij de zedenbrigade van de Brusselse politie houden ze op minstens 250, verdeeld over de Louizalaan en de Alhambrawijk.

Prijs-kwaliteit

Straatprostitutie geldt als de laagste trap binnen de sector. Maar noblesse oblige, de mondaine Louizalaan staat net iets beter aangeschreven dan de Alhambrawijk. Tippelen gebeurt er discreter, de prijzen liggen hoger en de afwerkhotels zijn net iets chiquer dan rond KVS. Op gespecialiseerde sites voor hoerenlopers worden de voor en nadelen van de verschillende prostitutiebuurten druk besproken. Alhambra krijgt lof voor zijn prijs-kwaliteitverhouding en gevarieerd aanbod. Altijd verse aanvoer van Bulgaarse, Roemeense en Albanese meisjes, ook liefhebbers van Marokkaanse travestieten of Ecuadoriaanse transseksuelen komen er aan hun trekken. Vijftig euro voor een beurt plus twintig voor de kamer is de norm, maar het kan goedkoper mits goed onderhandelen. Zonder condoom? Valt te bespreken in de Alhambrawijk. Op de sites staan echter ook waarschuwingen. Het gaat er soms ruig aan toe, er worden al eens klanten overvallen of portefeuilles in kamers gepikt, en voor de schone straten moet men er ook niet zijn.

“Er wordt nochtans schoongemaakt”, geeft Hugues Goossens toe. “Iedere ochtend passeert de straatveger met zijn kar om de smurrie van de voorbije nacht op te ruimen. Niet dat het veel uithaalt. Het tippelen stopt nooit, vanaf acht uur zijn de eerste hoeren al op post. Etensresten, lege sigarettenpakjes, ze gooien alles zomaar op straat. Tegen ’s middags ligt het hier weer vol”. Kaderwinkel Goossens, al drie generaties lang uw adres voor lijstwerk op maat, ligt in het eerste, smalle stuk van de Hooikaai. Zaakvoerder Hugues kent de buurt als zijn broekzak, hij is opgegroeid in de schaduw van le théâtre flamand. Voor zijn eigen zoon heeft hij andere plannen. “Ik wil weg”, zegt hij. “De zaak kunnen we niet verhuizen, maar dit is geen buurt meer om te wonen, laat staan een kind op te voeden. Gelukkig verkopen we veel via het internet, want steeds meer klanten blijven weg. Vooral vrouwen vinden het vervelend om door hoerenlopers te worden aangeklampt met de vraag hoeveel het moet kosten. Er zijn hotelletjes in de buurt, maar sommige hoeren werken hun klanten liever op straat af. De inham van de parkeergarage naast mijn deur, de wasserette naast de Tropicana, Jan en alleman mag meekijken”.

“Het ergste is het nachtlawaai. Ze staan constant onder je raam te tetteren, om de haverklap passeert een rijdende discotheek door de straat. Ik heb de bedden al naar de achterkant verhuisd, maar dat helpt niet veel. ‘s Nachts is de sfeer veel grimmiger dan overdag. Heel wat van die meisjes staan stomdronken of apenstoned op de stoep, ze vechten of maken ruzie om elke klant. Ik ben al een paar keer uit mijn krammen geschoten, maar wat haalt het uit? Je jaagt ze weg, en vijf minuten later staan ze opnieuw voor je deur. We hebben pech met de ligging, dit schijnt de beste plek te zijn voor de business. Ze kunnen zich aan weerskanten van de straat opstellen, en als het regent gaan ze onder het balkon van de KVS schuilen. De politie? Ik neem zelfs de moeite niet meer om ze te bellen. Als je protesteert, verwijzen ze naar burgemeester Thielemans (PS), maar die steekt geen vinger uit. Ja, ze hebben betonblokken geplaatst. Goed voor de bewoners van de betrokken straten, maar bij ons is het alleen maar erger geworden. Ik snap ook niet hoe een café als de Tropicana kan openblijven, terwijl iedereen weet dat het daar voor pooiers en surveillanten zit. Okay, ze hebben het al eens gesloten. Maar de Tropicana heeft twee entrees. Ze sluiten het op de Lakensestraat, en even later levert de Stad een nieuwe vergunning af voor de Hooikaai”.

Anders dan de beruchte Aarschotstraat is de Alhambrawijk niet historisch vergroeid met de prostitutie. “Hier werd nooit getippeld”, zegt Hugues. “Ja, aan de kant van de Jaqmainlaan stonden altijd wel een paar Belgische straatmadelieven. Maar de Lakensestraat? Jamais. Tot in 1999, toen is de invasie begonnen. Bulgaarse en Roemeense meisjes werden met tientallen tegelijk voor onze deur gedropt”. Niet dat die meisjes rechtstreeks uit Oost-Europa kwamen, de meesten waren gewoon de kleine ring overgestoken. Traditioneel immers was de Koning Albert II-laan, een brede expresweg met gescheiden rijrichtingen die dwars door de Noordwijk loopt, de plek waar automobilisten een prostitué oppikten. Eind jaren negentig echter werd de tippelzone door de politie opgedoekt. Onder druk van Belgacom, wordt gezegd, de top van de het telecombedrijf vreesde voor reputatieschade als klanten bij het verlaten van het glazen hoofdkwartier door hoertjes werden opgewacht. Andere bronnen schrijven eenzelfde lobbyfunctie toe aan de Vlaamse gemeenschap. De ambtenaren van het bekende Boudewijngebouw plegen ’s middags hun boterhammen op te eten in het plantsoen van de Albert II-laan. De aanblik van gebruikte condooms, drugspuiten en andere viezigheid deed de appetijt geen deugd.

1999 is niet toevallig het jaar waarin het Alhambracomité werd gesticht. “Straatprostitutie hoort niet thuis in een woonwijk”, zegt voorzitter Jan Leerman. “In Antwerpen hebben ze dat al lang begrepen, daar hebben ze de straatprostitutie uitgeroeid door de klanten te beboeten. Voor mijn part moeten ze in Brussel zover niet gaan, er bestaan alternatieven. In verschillende Nederlandse steden hebben ze buiten het centrum gedoogzones ingericht, met camerabewaking, sanitaire voorzieningen en luifels waar de meisjes kunnen schuilen. Waarom kan dat niet in Brussel? Er zijn genoeg plaatsen waar kan getippeld worden zonder overlast”. Leerman woont sinds 2001 in de wijk waar hij een bed & breakfast uitbaat. “Sommige buitenlandse gasten geloven hun ogen niet”, zegt hij. “Dat zoiets kan in de hoofdstad van Europa. Voor toeristen is het misschien een boeiend schouwspel, maar voor de bewoners is het een hel. Sommigen gaan door het lint van het lawaai. Er is al eens iemand met een honkbalknuppel in aanslag op de meisjes afgevlogen. Een emmer water uit het raam kiepen, ook dat is al voorgevallen. Extreem? Het verbaast met dat er nog geen ergere zaken zijn gebeurd”.

Camera’s

Het Alhambracomité protesteert al twaalf jaar tegen de overlast van de straatprositutie. Op de website staan getuigenissen en videofilmpjes die de wantoestanden moeten illustreren, burgemeester Thielemans mocht al vier petities in ontvangst nemen. “Zonder resultaat”, zegt Leerman. “De burgemeester kent nochtans de problemen, hij woont hier om de hoek. Hij heeft ons al meermaals ontvangen. Altijd hoffelijk, hij wekt de indruk dat hij echt naar onze grieven luistert. Maar meer dan pleisters op een houten been heeft dat niet opgeleverd. Neem nu de twee camera’s die ze 2007 in de Lakensestraat hebben geplaatst. We hadden gehoopt dat die ontradend zouden werken,  maar het tegendeel is waar. De meisjes zoeken de camera’s juist op, omdat ze zich veiliger voelen wanneer de politie een oogje in het zeil houdt. Ach, we botsen op een muur van onverschilligheid, Waarover klagen jullie, kregen we ooit van een politiecommissaris te horen. Vergeleken met pakweg de Anneessenswijk is dat beetje overlast een luxeprobleem. Ook de burgemeester laat graag uitschijnen dat we kleinzerig zijn en dat straatprostitutie bij een grootstad hoort. Bullshit, ik heb jarenlang in New York gewoond, ik ben thuis in Berlijn. Daar heb je geen straatprostitutie, net zomin als de hopen zwerfvuil waar de Brusselse straten al jaren vol mee liggen”.

De tippelprostitutie belooft een hot item te worden in de verkiezingscampagne. Oppositiepartijen MR en VLD trokken onlangs op studiereis naar het Antwerpse Schipperskwartier. De liberalen zijn vastbesloten de onvrede in de Alhambrawijk tegen PS-burgemeester Thielemans uit te spelen. “Ik begrijp de burgemeester niet”, zucht Leerman. ”Deze wijk heeft veel potentieel. De voorbije jaren werden aan de lopende band huizen opgekocht en gerenoveerd, vaak door jonge eigenaars. Overlast van de prostitutie? Valt nogal mee, denken ze in het begin, die van het buurtcomité overdrijven. Tot ze hier effectief wonen en de realiteit aan den lijve ondervinden, ook ’s nachts. Na een jaar of twee zie je uit de buurt wegvluchten. De Stad heeft hier trouwens zelf zwaar geïnvesteerd, vooral in de renovatie van de KVS . We hadden gehoopt dat ze na de heropening van de schouwburg eindelijk komaf zouden maken met de prostitutie, maar niks van. Ze doen alsof de KVS op een eiland ligt”. 

Men kan in de Tropicana ook koffie drinken en zich in een gewoon café wanen. Het is middag, de zon schijnt over Brussel. Geen betere plek om de polsslag van de grootstad te voelen dan een tafel in dit groezelige hoekcafé. Aan de overkant van de drukke Lakensestraat zijn bouwvakkers een opvallend Jugendstilgebouw aan het opknappen. Het pand, eigendom van het Brusselse OCMW,  is een baken van hoop en nieuwsgierigheid in de buurt. Binnenkort moet hier de Flamingo opengaan, de nieuwste creatie van de horecatycoon Frédéric Nicolay die in Brussel al een stuk of dertig hippe cafés en restaurants heeft ingericht. Bonsoir Clara, de Potemkim, Café Central, Bar Beton, Zebra, alles wat deze 42-jarige Brusselaar aanraakt, verandert in goud. Zal de Flamingo, die nog voor de zomer moet opengaan, de buurt een lift geven en de prostitutie als sneeuw voor de zon doen verdwijnen? Sommige buurtbewoners durven erop te hopen, maar de scepsis overweegt. Van de heropening van de KVS werd geleden eenzelfde effect verwacht, het is alweer zes jaar geleden.

Toegegeven, de indruk van normaliteit in de Tropicana vergt van de observator een grote dosis argeloosheid. Meisjes lopen binnen en buiten. Zonder consumeren, gekleed om subiet een kou te vatten. En wie zijn de mannen die uitgerekend dit etablissement hebben uitgekozen om hun dorst te lessen? Klanten, voyeurs, pooiers? Dat laatste is weinig waarschijnlijk. Prostitutie is in België niet verboden, pooierschap wel. De meeste souteneurs zijn wel zo slim hun personeel van op afstand te controleren. Met de gsm, of via een surveillant, doorgaans een ervaren prostitué die op straat een oogje in het zeil houdt en het werk verdeelt. We staken ons licht op bij Espace P, een door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde organisatie die sociale, juridische en medische bijstand verstrekt aan sekswerkers. Heel wat prostituees werken voor eigen rekening, kregen we te horen. De Oost-Europese meisjes echter, een ruime meerderheid in de Alhambrawijk, staan in regel een flink stuk van hun recette af. Reden genoeg voor de Brusselse zedenpolitie om van mensenhandel te spreken, maar bij Espace P. zien ze dat anders. Meisjes in Bulgarije en Roemenië stappen willens wetens in het vak, klinkt het daar. Dat ze meer dan de helft van hun gage moeten afstaan aan een netwerk of tussenpersoon die hun transfer en naar Brussel of andere wingewesten heeft georganiseerd, dat nemen ze voor lief. Een goede nacht op de Hooikaai levert meer op dan een maand in een Bulgaarse fabriek, heel wat meisjes gaan trouwens wekelijks bij Western Union langs om geld naar het thuisfront te sturen. Espace P. pleit overigens voor een gedoogzone in de Alhambrawijk. “Prostitutie en bewoning hoeven elkaar niet te bijten”; poneerde de verantwoordelijke buurtwerker. “Goede afspraken en meer politiepatrouilles kunnen de overlast beperken. Emmers water over meisjes uitkiepen, dat gaat de sfeer niet vooruithelpen”.

Aan een tafeltje bij het raam zit een Roemeense vrouw te sms’en. Ze huilt stilletjes, misschien is er slecht nieuws binnengelopen. We schatten haar veertig, maar schijn bedriegt. Uit gegevens van de Brusselse zedenpolitie, die zich niet om overlast bekommert maar wel streng op mensenhandel controleert, blijkt dat de overgrote meerderheid van Oost-Europese meisjes tussen de 18 en de 25 zijn. “Vaak gaat het om Roma-vrouwen die thuis een stel kinderen te voeden hebben”, vertelde commissaris Karine Minnen. “Minderjarigen zijn gelukkig zeldzaam, gemiddeld worden er vijf per jaar onderschept en naar de gespecialiseerde opvang doorverwezen. Vroeger pakten we in de Alhambrawijk vaak illegalen op,  maar ook dat is fel verminderd sinds Bulgarije en Roemenië bij de Europese Unie horen”.

De Roemeense dept haar tranen, fatsoeneert haar korset en loopt weer de straat op.  Hoeveel pech moet een vrouw hebben om hier te belanden? Hoe nijpend is de nood op het thuisfront? Alle pogingen tot gesprek met Oost-Europese meisjes lopen helaas spaak. De bemoedigende lach op hun gestifte lippen versterft zodra we onze bedoelingen kenbaar maken. Hun Frans, Engels of Duits is ontoereikend, hun wantouwen overvloedig. Een Bulgaarse vrouw roept de fotograaf op het matje, in vloeiend Frans. Ze wil niet in beeld komen. Niemand mag het weten, en vooral haar Marokkaanse schoonbroer niet. En ook geen details, s’il vous plait, want een schoen kan genoeg zijn om herkend te worden.

Afwerkhotel

Gelukkig lopen we in de Van Gaverstraat Gina tegen het lijf. Deze praatvaar eerste klas heeft haar vaste plek bij de ingang van Studio 2000, het grootste afwerkhotel van de buurt. Ze is half Argentijns, half Italiaans, heeft twaalf jaar in Nederland gewerkt, zowel escorte als tippelen. “Ook in gedoogzones ”, vertelt ze in een mengelmoes van Spaans, Frans en Nederlands. “Fantastisch hoe die Hollanders dat organiseren. Klanten halen bij het binnenrijden vanuit hun raampje een pakje condooms uit de automaat, het zijn echte drive-ins. Inmiddels woon ik al vijftien jaar in Antwerpen, ik pendel iedere morgen naar Brussel. Om vijf uur vijf stop ik ermee, zoals de kantoren. ’s Nachts tippelen? Voor geen geld van de wereld, het is hier veel te gevaarlijk”.

We blijven een poosje bij Gina staan. Veel aantrek heeft ze niet, maar misschien heeft onze nabijheid hetzelfde effect als een bezetbordje voor de deur. Nu is Gina ook niet allemans snoepje. Ondanks haar indrukwekkende boezem blijven we zitten met de vraag: is dit een vrouw of een omgebouwde man zoals haar Ecuadoriaanse vriendin die wat verderop naar voorbijgangers staat te lonken? Op termijn wil ze een schoonheidsalon openen, maar het sparen gaat moeizaam. “Het is crisis”, zucht Gina. “Mannen hebben minder geld voor plezier. Bovendien speelt de concurrentie van het internet, voor honderd euro spreken ze privé af. Duurder dan hier, maar dan zonder verplaatsing naar een risicobuurt. Ik vraag vijftig plus twintig voor de kamer, maar er zijn meisjes die het voor dertig doen. Roemeense, maar ook junks die tot alles bereid zijn. Ik krijg vaak de vraag om het zonder condoom te doen. Ik weiger, maar dan zie ik dat dezelfde klant bij het volgende meisje toch zijn zin krijgt”. Een getunede bulderkar met Bulgaarse nummerplaat en vier gozers aan boord rijdt voorbij, het lawaai is oorverdovend. Ze lopen vast op de betonnen wegversperring waar zich een half dozijn meisjes rond de auto verdringt, even later rijden ze weer achterwaarts en onverrichter zake voorbij.“Toeristen”, snuift Gina minachtend. “Zij zijn het die de meeste overlast veroorzaken, echte klanten houden het liever stil”.

Het is een absurd beeld. Van op een balkon op het eerste waakt de heilige Rita over de binnenkoer van Studio 2000. “Na iedere klant zeggen de meisjes een schietgebedje”, vertelt de gastvrouw. “Instant vergiffenis voor alle zonden”. Gastvrouw, nou ja. Ze kwam toevallig aanlopen toen we met Gina en haar Ecuadoriaanse vriendin stonden te praten. De begroeting was hartelijk, Gina en co zijn dan ook trouwe klanten. De vrouw bleek de zus van de eigenaar te zijn. Nee, haar naam hoeft niet in de krant, maar ze wil wel praten. Overlast? “Kom ’s nachts kijken”, zegt ze. “Dan is het hier gewoon onleefbaar door het lawaai”. De verklaring klinkt merkwaardig uit de mond van een belanghebbende partij. Studio 2000 is een van de drie hotels die volledig op tippelprostitutie teren, al mag die niet hardop worden gezegd. Karine Minnen had het over proxénétisme immobilier, een van de weinige begrippen die in haar Nederlandse woordenschat ontbraken. Vastgoedpooierschap, zo legde de Brusselse politiecommissaris uit, is bij wet verboden. Waarom die wet in de Alhambrawijk niet werd toegepast? Omdat, zo vervolgde ze, er een achterpoortje in de wet schuilt. Zolang uit de prijslijst van de afwerkhotels blijkt dat ze hun kamers ook aan gewone klanten verhuren, hoeft men de eigenaars niet als hoerenmelkers te beschouwen. “Dit is altijd al een daghotel geweest”, zegt de zus van de eigenaar. “Kamers per uur voor de baas die het met zijn secretaresse kwam doen. We maken ons geen illusies. Als er een nieuwe burgemeester komt, is het hier afgelopen met de prostitutie. Maar dat is geen probleem, dan verhuren we onze kamers opnieuw aan overspelige koppeltjes. Wees maar gerust, het loopt zo weer vol”.