Tagarchief: secundair onderwijs

Blackboard jungle in Vlaanderen: leerkrachten delen in de klappen

Humo, 6 maart 2018

“Ze heeft me tegen de muur geduwd en een paar stompen in de maag verkocht. Ik was te verbouwereerd om te reageren”

Geweld tegen leerkrachten is al lang geen zaak meer van rondvliegend bordkrijt. Karatetrappen en vuistslagen, het gaat er bijwijlen ruig aan toe. De schade is niet alleen lichamelijk, want ook doodsbedreigingen hakken er stevig in. Humo onderzocht een kwaal die veel weg heeft van een taboe. “Ze woog hoop en al 45 kilo, maar ze hebben me met vijf man moeten bevrijden toen ze aan mijn hals hing”.

illustratie: Stijn Felix

illustratie: Stijn Felix

Het beeld blijft Stefaan (*) achtervolgen. De dreigende vuist, klaar om zich vol in zijn gezicht te planten. Naast de vuist het van woede vertrokken gezicht van de leerling die hem luttele seconden eerder was aangevlogen. Vier maanden later weet hij nog altijd niet wat hem het meest heeft getraumatiseerd. De stekende nekpijn na het incident, uitgerekend op de plek waar hij een jaar eerder werd geopereerd? Of toch de vernedering die lang na de aanval bleef nazinderen? ‘Het ging allemaal zo snel’, zegt de leraar metaalbewerking. ‘Ik hield toezicht op de speelplaats, de bel was net gegaan. Een leerling van het derde vertikte het om in de rij te gaan staan. Geen jongen van mijn klas, maar ik kende hem wel. Ik had hem al twee keer aangemaand, zonder resultaat’.

Misschien had hij zijn derde aanmaning beter anders  geformuleerd. “Hang nu eens niet de aap uit en ga op je plaats staan”.  Een beetje cru, geeft hij toe, maar in een TSO-school in Antwerpen hoor je echt wel straffere taal. ‘Ik denk niet dat het woord aap verkeerd is gevallen’, zegt Stefaan. ‘Ik stond op school bekend als een flapuit, iets wat door de leerlingen altijd werd geapprecieerd. Met die jongen had ik trouwens een goed contact, ik snap nog altijd niet waarom hij ineens door het lint is gegaan. De aanval trok natuurlijk de aandacht, zijn klasgenoten kwamen meteen rond ons staan. Potige jongens, terwijl ik zelf nogal klein van stuk ben. Het was erg intimiderend, ik werd ingesloten en als een speelbal heen en weer geduwd. De hele tijd hing die jongen aan mijn nek, terwijl hij me uitdaagde en met zijn vrije hand een vuist maakte. Ook de leerlingen van mijn eigen klas kwamen erbij, zonder een vinger uit te steken om me te helpen. Dat vond ik heel erg’.

Stefaan, die klacht indiende bij de politie, bleef wekenlang arbeidsongeschikt. Zijn ervaring zal op termijn doorsijpelen in de statistieken van het Agentschap voor Onderwijsdiensten, het  officiële kenniscentrum van het Vlaams onderwijs. In december publiceerde AGODI cijfers over agressie tegen onderwijzend personeel. In het kalenderjaar 2016 werden 81 leerkrachten het slachtoffer van fysiek geweld met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. In driekwart van de gevallen waren leerlingen de daders, maar 11 keer werd die rol door ouders of andere familieleden gespeeld. Veruit de meeste feiten werden in het secundair onderwijs gepleegd, al vielen er ook 19 slachtoffers op de lagere school te betreuren. Omdat sommige dossiers door het parket worden onderzocht, zijn er voor 2017 nog geen definitieve resultaten beschikbaar. De 81 cases uit 2016 gaven alvast aanleiding tot verontrustende krantentitels. Agressie tegen leerkrachten bijna verdubbeld, viel her en der te lezen. ‘Dat klopt niet’, zegt AGODI-woordvoerder Katrien Rosseel. ‘Die conclusie werd getrokken door te vergelijken met 2015, een uitzonderlijk rustig jaar. 81 ligt dicht bij het meerjarig gemiddelde, en alleszins veel lager dan de 120 gevallen die in het topjaar 2007 werden geregistreerd’.

reputatieschade

Geruststellend? Niet als je naar Annie (*), gewezen directrice van een katholieke basisschool in Brussel, intussen rondreizend lerarenbegeleider in Vlaanderen, luistert. ‘AGODI registreert alleen de zwaarste gevallen waarvan een proces-verbaal werd opgemaakt of een dossier voor arbeidsongeschiktheid. Dat is slechts het spreekwoordelijke topje van de ijsberg.  In principe moet elk geval van agressie worden opgetekend, in sommige scholen ligt daarvoor een incidentenregister klaar. Maar dat gebeurt niet systematisch. Onder druk van de directie, die bang is voor reputatieschade. Of door zelfcensuur. Heel wat leerkrachten zien op tegen de administratie of twijfelen aan het nut van zo’n registratie. Sommigen voelen zich bovendien schuldig. Ook al hebben ze geen fout gemaakt, ze ervaren zo’n incident toch als een persoonlijk falen. Het blijft een enorm taboe in het onderwijs’.

Dat hebben we mogen ondervinden toen we op zoek gingen naar getuigen. Verschillende leerkrachten verklaarden zich bereid. Maar geen namen alstublieft, en de school mocht zeker niet herkenbaar worden getypeerd.  Kathleen (*) _  de pseudoniemen en asterisken stonden gelukkig afgeprijsd in de lokale supermarkt _ zit al maanden thuis op doktersvoorschrift. ‘Ik heb nochtans geen letsel opgelopen’, zegt ze. ‘Ik voel me ook niet ziek. Maar als ik alleen nog maar denk aan de school, begin ik al te hyperventileren’. Kathleen gaf in het Stedelijk Onderwijs Antwerpen verschillende horeca-vakken in het BSO en TSO. Op een donderdag in november liep het mis. ‘Het begon met een banale discussie’, zegt ze. ‘Ik vroeg een van de meisje om te stoppen met eten tijdens de les. Dagelijkse kost, iedere lesuur begint bij ons met een worsteling. Stop met gsm’en, frisdranken weg, haal die voeten van de bank. Vooraleer je aan de stof begint, ben je een kwartier politieagent aan het spelen. Eigen aan de schoolpopulatie vrees ik, er zitten haast alleen allochtonen,  vaak met een achtergrond van kansarmoede. Opvoeden begint thuis, luidt een oude wijsheid. Veel van onze kinderen hebben geen thuis, laat staan ouders die begaan zijn met hun opvoeding.  Een moeilijk publiek. Ik heb eerder in het deeltijds onderwijs gestaan waar onder meer jongens met een enkelband zaten. Veel dankbaarder dan zo’n klas meisjes uit het derde BSO schoonmaak of bejaardenzorg’.

‘Misschien had ze een slechte dag, maar dat meisje was na de les nog altijd boos. Toen ik haar gsm wilde teruggeven, snokte ze die uit mijn handen waardoor het ding op de grond viel. Toen is ze ontploft. Ze heeft me tegen de muur geduwd en een paar stompen in de maag verkocht. Ik was te verbouwereerd om te reageren’.

handboeien

Klappen heeft Annie nooit geïncasseerd. Maar als verbale agressie een oosterse vechtsport was, dan droeg haar belager een zwarte gordel. Verwijten, persoonlijke beledigingen tot en met onverholen doodsbedreigingen, hij beheerste het hele repertoire. De demonstratie speelde zich af op de lagere school in Brussel waar ze toen directrice was. ‘Er golden in Brussel strikte inschrijvingsregels’, zegt ze . ‘Tot 31 januari konden broers en zussen worden ingeschreven, daarna werden de resterende plaatsen voor Nederlandstalige kinderen gereserveerd. We hadden alle ouders daarover een brief gestuurd, ook aan de Marokkaanse vader die al twee kinderen op onze school had. Toch heeft hij tot februari gewacht om zijn derde kind in te schrijven. Dat kon ik dus niet, de regels van het Lokaal Overlegplatform (LOP) lieten het eenvoudigweg niet toe.  Hij wond zich op, ook al probeerde ik hem te helpen. Na de voorrangsperiode voor Nederlandstalige kinderen bleven er altijd wel enkele plaatsen over. Een ervan was voor zijn dochtertje, dat kon ik beloven. Hij wilde niet luisteren en werd steeds agressiever, tot we er de politie moesten bijhalen Dat tafereel heeft zich de volgende twee dagen herhaald, het kabaal was in de hele school te horen. De laatste keer heeft de politie hem met handboeien moeten afvoeren, voor het oog van de kinderen op de speelplaats. Het was een verschrikkelijke ervaring’.

Het voorval had nare gevolgen voor het schoolklimaat. Marokkaanse ouders trokken collectief partij voor de vader. Die had klacht neergelegd bij wat toen nog het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding heette. ‘Een teleurstellende ervaring ‘, zegt Annie. ‘Hun onderzoek was totaal partijdig, de medewerker had zijn conclusies al voor ons gesprek klaar. Ik heb geen probleem met diversiteit, ik heb zelf 20 jaar voor de klas gestaan in Brussel, ik zou nergens anders les kunnen geven’.  Het is uiteindelijk nog goed gekomen met die vader, na een herstelgesprek met een bemiddelaar van de gemeente. Dat deze feiten zich bijna tien jaar geleden afspeelden, doet volgens Annie niks af aan hun relevantie. ‘Integendeel’, zegt ze. ‘Ik hoor steeds meer verhalen van agressie, vooral verbaal. Dat laatste wordt vaak onderschat. Bedreigingen komen hard binnen, dat is psychische terreur van het zuiverste water. Denk vooral niet dat het om een grootstedelijk probleem gaat. Als lerarenbegeleider bestrijk ik intussen heel Vlaanderen. Ook in de provincie hoor ik in de lerarenkamer dezelfde verhalen. Leerlingen die hun leerkrachten afdreigen. ‘Wacht maar tot na de school, we zullen je wel weten te vinden! Het is ook zo gemakkelijk geworden, met de gsm trommelen ze zo hun vrienden bij de schoolpoort op’.

zware hernia

Slapstick, zo zou je het kunnen noemen. De setting is een provinciaal gelegen school voor buitengewoon onderwijs. In de scene zien we  Sofie (*) spurten rond een tafel, een Curver box vol gsm’s onder de arm geklemd. Haar achtervolger is een sprietig meisje van 15, bezeten door blinde razernij die werd uitgelokt door een correcte toepassing van het schoolreglement. GSM’s worden tijdens de les door de leerkracht in bewaring genomen, het staat er zwart op wit. Het zou slapstick zijn, ware het niet dat het meisje Sofie te pakken kreeg en van achteren bij de hals greep. ‘Ze woog met moeite 45 kilo’, zegt Sofie. ‘Toch kwamen er vijf opvoeders aan te pas om haar van me af te trekken. Een echte natuurkracht’.  Sofie, al langer rugpatiënt, hield er een zware hernia aan over.  Ondanks intensieve fysiotherapie is ze drie jaar later nog altijd arbeidsongeschikt.  Haar verhaal is geen unicum. Personeel in het buitengewoon onderwijs _ behalve leerkrachten gaat het voornamelijk om opvoeders _ lopen een verhoogd risico. Veel hangt af van de populatie. Het sprietig meisje dat Sofie molesteerde, was niet toevallig een ‘type 3’.

Sofie:  ‘Type 3’s zijn kinderen met zware gedragsstoornissen. Dat zijn probleemgevallen, zeker als er dan ook nog sprake is van een moeilijke thuissituatie. We kenden dat meisje, ze had tijdens het vorige schooljaar de boel al voortdurend op stelten gezet.  De directie had de ouders daarom in juni meegedeeld dat hun dochter na de zomervakantie niet meer welkom was.  Maar ja, hoe gaat dat. Toen de ouders na drie maanden nog geen alternatief hadden gevonden, hebben we besloten haar toch nog een kans te geven. Typisch onderwijs, we laten altijd het belang van het kind primeren’.

Sofie is niet de eerste die het aankaart: het veelbesproken M-Decreet maakt de situatie niet eenvoudiger. Niemand die zich tegen het principe kant. Kinderen met een beperking, handicap of stoornis moeten zoveel mogelijk in reguliere scholen worden opgevangen. Het decreet, in werking getreden op 1 september 2015, heeft een uittocht uit het buitengewoon onderwijs teweeggebracht. Vooral in het lager onderwijs, al laat de impact zich ook in het middelbaar voelen. ‘We zien onze sterkste leerlingen uitstromen’ , zegt Sofie. ‘De licht mentaal gehandicapten van het type 1 en de kinderen met een leerachterstand van het type 8, die stappen over naar het beroepsonderwijs.  Wij blijven achter met een restgroep van zware gevallen. Je kunt die niet allemaal over één kam scheren, maar het is wel die groep die het vaakst overgaat tot agressie’.

M-Decreet

Bij de Broeders van Liefde, marktleider buitengewoon onderwijs in het katholieke net, wordt al wekenlang actie gevoerd tegen de geweldplaag. Kop van jut is zowel onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) als haar partijgenoot Jo Vandeurzen die als minister van welzijn bevoegd is voor de gehandicaptenzorg. Opvallend: zowel de inrichtende macht, de directies als de vakbonden staan achter de actie, een zeldzaam verbond dat van grote urgentie getuigt. Tijdens de actiedag vorige week in Gent noteerden we de voornaamste grief: omdat de uittocht gepaard gaat met een afbouw van het personeelskader, wordt het steeds moeilijker om met agressie om te gaan.

Het M-Decreet zou overigens ook in het reguliere onderwijs voor de nodige overlast zorgen. Het plan voorziet weliswaar in allerlei begeleidingsmaatregelen om kinderen met hun beperking, handicap of stoornis te doen aarden in een gewone schoolomgeving. In de praktijk, zo hoorden we meermaals, werkt dat onvoldoende, zeker omdat de kinderen met hun specifieke noden vaak in klassen belanden waar al heel wat leerlingen  een rugzak vol problemen meesleuren.

Het gevaar op veralgemeningen is groot. Het M-Decreet geldt bijvoorbeeld ook voor slechtzienden en doven, doelgroepen die zelden met agressie jegens leerkrachten worden geassocieerd. Er valt nog heel wat te onderzoeken over dit thema, weet Delphine Franco als geen ander. De jonge pedagoge, deeltijds assistent aan de U Gent, werkt aan een doctoraat over agressiemanagement op school. ‘Ik heb verwoed gezocht naar studies en data’, zegt ze. ‘Met weinig resultaat, ook in het buitenland werd er nauwelijks research gedaan. Betrouwbare cijfers zijn er al helemaal niet, er bestaat zelfs geen eensgezindheid over een definitie. Wat de ene school als agressie beschouwt, wordt in een andere school als een fait divers afgedaan’.

Haar doctoraat is nog lang niet klaar, maar Franco kan alvast enkele handvatten aanreiken, bruikbaar voor zowel leerkrachten, directies als leerkrachten in opleiding. ‘Leerkrachten moeten alerter worden voor tekenen van frustratie. Ook bij zichzelf, want agressie op school speelt zich af in een relatie tussen twee partijen. Het gebeurt dat leerkrachten de klas betreden met vooroordelen tegen een bepaalde leerling, vooroordelen die ze even voordien van collega’s in de lerarenkamer hebben opgepikt’. Kalm blijven als het toch tot een uitbarsting komt, die tip hadden we zelf kunnen bedenken. Maar Franco heeft ook advies voor de nazorg. ‘Natuurlijk moeten zowel de leerling als de leerkracht de correcte opvang en aandacht krijgen. Dat is een opdracht voor de directie en het team. Maar leerkrachten moeten incidenten ook bespreken met de klas. Doen alsof er niks is gebeurd is de slechtste optie. Evalueer waar het is misgelopen, en zoek samen naar manieren om herhaling te voorkomen. Een gezond schoolklimaat is de beste preventie. Geef leerlingen bijvoorbeeld inspraak bij het opstellen van het schoolreglement, dat kan helpen om geruzie over smartphones in de klas te vermijden’.

illustratie: Stijn Felix

illustratie: Stijn Felix

racismeklacht

Die nazorg laat wel eens te wensen over. ‘Ik ben ontzettend teleurgesteld in mijn directie’ zegt Sofie. ‘Ik heb geen enkele steun gekregen na het incident. We zijn intussen drie jaar verder. Nooit laten ze van zich horen of polsen ze hoe het met me gaat. En dan moet je weten dat ik dertig jaar in die school heb gewerkt, altijd met veel goesting. Buitengewoon onderwijs is iets bijzonders. De kinderen kunnen lastig doen, maar je krijgt er zoveel van terug. Voor velen was ik een tweede moeder’.  Ook Sofie heeft de verklaringen van Maggie De Block (Open VLD) gehoord. De federale minister van volksgezondheid wil langdurig zieken zo snel mogelijk opnieuw aan het werk zetten. Als dat niet in hun vorige functie kan, dan moet de werkgever naar een aangepaste job zoeken. Dynamiseren van langdurig zieken, ze moet er bitter om lachen. ‘Ik sta te springen om terug te gaan werken’, zegt ze. ‘Maar de directie houdt de boot af. Risico op discontinuïteit, luidt het,  ze vrezen dat ik een voltijdse opdracht geen volledig schooljaar kan volhouden. Ze zouden natuurlijk aangepast werk kunnen zoeken, maar dat willen ze niet. Het is alles of niks, en dus vindt ook mijn huisarts het beter om me thuis te houden. Ik mis mijn werk verschrikkelijk, en ook financieel wordt het een zware dobber. Een uitkering is niet hetzelfde als een salaris, binnenkort val ik terug op 60 procent van mijn laatste loon. Vrienden die in de privé werken, snappen niet waarom ik zo word behandeld’.

Van heimwee naar hun school hebben Stefaan en Kathleen weinig last. Beiden zijn op zoek naar de uitgang, lichtelijk gedegouteerd. Niet zozeer door de agressie waar ze het slachtoffer van werden, wel door de manier waarop hun respectieve directies ermee omsprongen. Kathleen: ‘Onmiddellijk na het voorval ben ik de trap opgelopen naar de onderdirecteur. Wat stel je voor dat ik doe, vroeg hij. Ik zei dat een schorsing van de leerling wel het minste was. De dag erna heb ik een uitstap van een andere klas begeleid. Vrijdag kwam ik terug op school, en wie zat er in mijn klas? Diezelfde leerling, met een vuile grijns op haar gezicht.  De sfeer was ijzig, ik had de hele klas tegen.  Toen ik ’s avonds eindelijk bij de directeur langs kon, kreeg ik het deksel op de neus. Hij schoof de schuld in mijn schoenen, en waarschuwde dat de ouders overwogen een klacht wegens racisme in te dienen’.  Ze sluit niet uit dat er persoonlijke animositeit meespeelde. De relatie met de directeur was al wat verzuurd als gevolg van een benoemingskwestie waarbij ze het verkeerde kamp had gekozen. ‘Maar het typeert ook de houding van heel wat schooldirecties’, zegt ze. ‘Ze zijn als de dood voor juridisch gedoe met ontevreden ouders.  En vooral: ze willen geen leerlingen kwijt, want iedere kop telt voor de subsidiëring’.

stamp in de rug

Net als Kathleen hoopt Stefaan op een overplaatsing naar het volwassenenonderwijs. ‘Ik ben er al mee bezig’, zegt de leraar metaalbewerking die zes weken arbeidsongeschikt bleef. ‘Als vastbenoemde heb ik al enkele uren kunnen omruilen zodat ik één avond per week in het volwassenenonderwijs sta. Een klas met uitsluitend gemotiveerde leerlingen, wat een verademing’.  Stefaan weet intussen wat hem echt dwarszit. Het spook dat hem ’s nachts wakker houdt, het knagende gevoel dat zijn kinderen in die  eerste weken na het spijtige voorval deed verzuchten dat hij er zo afwezig bijliep. Het heeft een naam en een gezicht, en die horen niet bij de balorige jongen die hem bij de kraag vatte en met zijn opgeheven vuist bedreigde. Het is het gezicht van de directeur dat hem blijft achtervolgen.

Stefaan: ‘Terwijl ik daar ingesloten in een kring stond met die jongen aan mijn nek, zag ik hem in een glimp, tussen twee schouders door. We hadden heel even oogcontact, ik dacht echt dat hij zou tussenkomen om me te helpen.  Niet dus, tot mijn ontzetting draaide hij zich om en liep hij weer weg. Ik heb hem daar later mee geconfronteerd. Eerst ontkende hij dat hij iets abnormaals had opgemerkt, nadien veranderde hij zijn versie. Hij beweerde dat ik hem geruststellend had toegeknikt, als om te zeggen dat het maar een spelletje was, niks ergs aan de hand’.  De rol van de directeur werd een vast gespreksthema, bij de psycholoog die hem van zijn angststoornis probeerde af te helpen, en bij de particuliere preventiedienst waarmee zijn school structureel samenwerkt. Aanzetten tot herstelgesprekken liepen op niks uit, integendeel zelfs. ‘Op de duur trok hij mijn hele verhaal in twijfel’, zegt Stefaan. ‘Die dreigende vuist had ik verzonnen, dat had hij zogezegd van verschillende leerlingen gehoord. Mijn belager heeft trouwens geen schorsing gekregen, noch enige andere sanctie. Ook dat was pijnlijk, het voelde als een stamp in de rug’.

herstelbemiddelaars

Directies die de kop in het zand steken? Zou niet mogen, vernemen we in de Guimardstraat. ‘We nemen agressie tegen leerkrachten heel ernstig’, zegt Marijke Van Bogaert, woordvoerder van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. ‘Als netwerkorganisatie ondersteunen en professionaliseren we onze directies om ermee om te gaan. In de eerste plaats door in te zetten op preventie, door het scheppen van een verbindend schoolklimaat. Daar horen duidelijke regels bij, die consequent worden toegepast. Natuurlijk kun je niet alles voorkomen. Agressie op school kan heel veel verschillende oorzaken hebben, van een  moeilijke thuissituatie tot psychische problemen. Een sanctiebeleid op zich volstaat niet, dat moet kaderen in een bredere opvoedingsstrategie. Vele scholen werken daarvoor samen met het CLB, en doen zo nodig beroep op vertrouwenspersonen die leerkrachten opvangen en een luisterend oor bieden aan alle betrokken partijen. Het KOV heeft trouwens zelf gespecialiseerde herstelbemiddelaars in dienst die op vraag van directies ter plaatse gaan om moeilijke situaties te helpen ontmijnen’.

Op het hoofdkwartier van het GO! noteren we een gelijklopend verhaal. Ook in officiële onderwijsnet zet men maximaal in op preventie, met een sanctiebeleid dat kadert in een globale opvoedingsvisie. ‘Scholen vullen zelf in hoe ze met deze problematiek omgaan’, zegt afgevaardigd bestuurder Raymonda Verdyck. ‘Maar we bieden ze wel een stappenplan aan als houvast. Gaat het om zware of lichte agressie? Is er sprake van frequente of incidentele agressie? Er liggen aangepaste scenario’s klaar naargelang de categorie. Ook voor echte crisissituaties, al is het steeds de directie zelf die beslist of de politie wordt ingeschakeld’.

Dat nogal wat slachtoffers zich door die directies in de steek gelaten voelen? ‘Dat betreuren we ten zeerste ‘, zegt Verdyck. ‘Onze directies worden opgeleid om met ongewenst gedrag en agressie om te gaan, dat hoort bij een gezond psychosociaal schoolklimaat waar we veel belang aan hechten. Maar bij een incident spelen ze een dubbele rol. Natuurlijk moeten ze klaar staan om hun leerkrachten op te vangen en op alle mogelijke manieren te ondersteunen. Tegelijkertijd moeten directies een bemiddelende rol spelen en rekening houden met juridische en procedurele overwegingen, zeker als er politie aan te pas komt. Het is niet meer dan normaal dat ze ook met de dader en andere leerlingen gaan praten, agressie is immers altijd een relationeel gegeven. Soms hebben leerkrachten het daar moeilijk mee, omdat ze  daardoor het gevoel krijgen onvoldoende gesteund te worden’.

machete

We hebben dan toch een leerkracht gevonden die on the record praat: Claudia Urbina. Ze geeft cultuurvakken in het KA Halle, een zuivere ASO-school met een sociaal  tamelijk homogeen, zeg maar overwegend autochtoon Vlaams, publiek. Brave kinderen, vernemen we, agressie stelt op deze school weinig meer voor dan de occasionele brooddoos die door de lucht vliegt. Het ergste dat ze zich kan herinneren was de pint die ze over zich heen kreeg, die ene keer toen ze op de 100 dagen-fuif de toog bemande en een dronken scholier een extra rondje weigerde. De toevoeging ‘sociaal homogeen’ is voor haar rekening. Urbina, in Chili geboren en met haar ouders voor Pinochet naar  België gevlucht, heeft eerder onder meer als directrice in een Brusselse BSO-school gestaan. Het was daar dat een meisje haar in een kwade bui volgende zin toevoegde: ‘ik ga een machete halen en je in duizend stukjes hakken’.

Toch is het niet als ervaringsdeskundige dat ze wil getuigen. Urbina is voorzitter van de commissie secundair onderwijs van de socialistische vakbond ACOD. Ze heeft goede voelsprieten en weet wat er leeft in het middelbaar in Vlaanderen. ‘Er is meer agressie tegen leerkrachten’, zegt ze. ‘Zowel fysiek als verbaal. Ik zie een lineaire verschuiving, in alle geledingen van het secundair onderwijs. Incidenten die zich vroeger haast uitsluitend in het BSO voordeden, komen steeds vaker in het ASO terug. Dat betekent niet dat er een nivellering aan de gang is, want intussen wordt het in het BSO nog erger’. Urbina, gediplomeerd in de rechten en de criminologie, ziet verschillende verklaringen. Groeiende mondigheid van leerlingen die helaas gepaard gaat met een afkalvend respect voor leerkrachten en andere vormen van autoriteit. Sociale vaardigheden die eroderen door overmatig gebruik van sociale media. ‘Het loopt niet alleen fout bij de leerlingen’, zegt ze . ‘Ook ouders gedragen zich steeds agressiever tegenover leerkrachten. De juridisering van het onderwijs is een reëel probleem. Op oudercontacten dreigen met procedures als de punten van zoon of dochter niet worden opgekrikt, dat is een vorm van psychisch geweld. En jawel, het zijn vooral de witte scholen waar dat fenomeen zich manifesteert’.

Falende directies die onvoldoende steun verlenen aan belaagde leerkrachten? Het klinkt Urbina niet alleen bekend in de oren, ze heeft er ook een originele, syndicaal gekleurde uitleg voor. ‘Neem nu mijn school’, zegt ze. ‘700 leerlingen, 90 leerkrachten, 20 schoonmaakster en onderhoudsmedewerkers plus nog een paar opvoeders. Dat is meer dan een KMO, dat is een groot bedrijf. En welk management staat daar tegenover? Een directeur, een onderdirecteur en twee secretariaatsmedewerkers, dat zijn vier mensen voor wie een dag ook maar 24 uur duurt. Sorry, maar met zo’n kader kun je onmogelijk een gezond human resources beleid voeren. Zorgen dat de kapotte verwarmingsketel wordt gerepareerd en achterstallige schoolrekeningen innen, dat soort besognes slorpt alle tijd en energie op. Niet alleen in onze school, en niet alleen in het GO!. Het gebrek aan middelen is een probleem in het hele onderwijs in Vlaanderen’.

Rookies in het onderwijs: jonge leerkrachten over hun eerste schooljaar

Humo, 24 mei 2016

Geen onderwerp ligt zo gevoelig als onderwijs. Hoofddoeken op de katholieke school? Het voorstel is amper geformuleerd of er barst een nieuwe schoolstrijd los. Brede eerste graad? Schotten tussen ASO, TSO en BSO afbreken? De aanbevelingen in het Masterplan Secundair Onderwijs zaaien diepe verdeeldheid in de Wetstraat en de lerarenkamer. Om maar te zeggen: leerkracht is een baan die er toe doet. Niet alleen de ziel maar de toekomst van onze kinderen staat op het spel. Wie zijn de jonge vrouwen en mannen die deze gewichtige taak op zich nemen? Humo sprak met de leerkrachten van de toekomst over hun eerste jaar voor de klas.

foto’s: Saskia Vanderstichele

 

 

Lindsay Stoop (islam, 1 & 2de graad Middenschool en KA Zelzate)

Humo2016-061-Lindsay Stoop KA Zelzate

Van je passie je beroep maken, wie wil er niet voor tekenen? Lindsay Stoop (24) ging nog een stap verder en maakte van haar geloof haar beroep. Op het OLVP Sint-Niklaas leerde ze moslimvrienden kennen en ontdekte de Profeet en de Koran. Ze bekeerde zich, ging islamitische theologie studeren en vond vlotjes werk als islamlerares.

Lindsay Stoop: ‘Ik heb sinds september een halftijdse opdracht: vijf klassen in de eerste en tweede graad in de Middenschool en het Koninklijk Atheneum van Zelzate. Dat klinkt als een hele mondvol, maar in feite gaat het om één en dezelfde school, alleen zijn er twee verschillende directies. Bij de levensbeschouwelijke vakken houden islamitische en katholieke godsdienst elkaar in evenwicht, we zijn de nummers twee na zedenleer. Mijn klassen tellen tussen de 3 en de 15 leerlingen, dat valt dus goed mee. Voor mij is een halftijdse opdracht ideaal, want ik volg tegelijkertijd een master islamitische theologie in Leuven’.

HUMO: hoe word je islamleraar?

Stoop: ‘Je moet een lerarenopleiding islamitische godsdienst volgen. Ik ben daarvoor naar Groep T in Leuven getrokken, een van de drie Vlaamse hogescholen die zo’n opleiding aanbieden. Heel praktijkgericht, we moesten al vanaf het eerste jaar stage lopen, in het laatste jaar heb ik zelfs een volledige semester voor de klas gestaan. Werk vinden was geen probleem, er is een grote vraag naar perfect Nederlandstalige islamleerkrachten. Ik was pas afgestudeerd toen ik door de inspecteur islamonderwijs voor deze opdracht werd gevraagd. Vooraleer ik echt kon beginnen, moest ik voor de Belgische Moslim Executieve. verschijnen. Zo werkt het ook bij andere godsdiensten, de leraren katholieke godsdienst worden door het bisdom aangesteld’.

HUMO: hoe verliep de screening door de Moslim Executieve?

Stoop: ‘Ik moest enkele soera’s opzeggen en uitleggen hoe ik in de klas zou reageren op vragen over bijvoorbeeld Charlie Hebdo’.

HUMO: geen gekke vraag, want je hebt in je eerste jaar de aanslagen in Parijs en Brussel meegemaakt. Was dat lastig als beginnend islamleraar?

Stoop: ‘Zelzate is Antwerpen of Brussel niet, jongeren zijn hier wat minder bezig met de oorlog in het Midden Oosten. Maar na de aanslagen in Parijs waren mijn leerlingen wel verontwaardigd. Dat men zoiets kon doen in naam van hun godsdienst, dat vonden ze een schande. Ik noteerde ook ongerustheid: nu gaan ze alle moslims in het verdomhoekje duwen. In de klas kreeg ik ook de vraag waarom de minuut stilte op de speelplaats alleen voor de slachtoffers van Parijs was bedoeld. Waarom ook niet voor de doden die bij andere aanslagen waren gevallen, zoals in Ankara? We hebben dan in de klas nog een extra minuut stilte voor alle slachtoffers gehouden’.

HUMO: snijd je ook heikele onderwerpen zoals de evolutietheorie en man-vrouw-relaties aan?

Stoops: ‘Ik ga geen enkel thema uit de weg. Op een keer kwamen opgewonden leerlingen vertellen dat de collega van biologie seksuele opvoeding had gegeven. Dat mag toch niet van ons geloof, vroegen ze. Integendeel, heb ik hen geantwoord, dat moet zelfs van ons geloof. Ik sta zelf voor een open islambeleving, ingebed in onze Westerse samenleving. In de klas heb ik al eens foto’s van vrouwelijke imams getoond. Die bestaan al een poosje in Amerika, en onlangs is in Kopenhagen de eerste door vrouwen geleide moskee in Europa geopend. Een vrij marginaal fenomeen dus, maar wel ideaal om mijn leerlingen aan het denken te zetten en genderclichés in vraag te stellen. Binnenkort komt er een Joodse vrouw uit Antwerpen in de klas spreken. Op mijn initiatief, ik probeer zo te verhelpen aan de diepe vooroordelen jegens joden die vele jongeren van thuis meekrijgen’.

HUMO: Lieven Boeve, topman van het katholiek onderwijs, wil hoofddoeken toelaten en gebedsruimten voorzien om aan de verzuchtingen van moslimleerlingen tegemoet te komen. Goed idee? 

Stoops: ‘Ja, ik juich dat toe. Zelf ben ik de hoofddoek pas gaan dragen toen ik naar de hogeschool ging, maar verschillende van mijn vriendinnen hebben er op het OLVP mee geworsteld. Het was ook onnozel: hoofddoeken verbieden in een school die vol hangt met beelden van Maria’s met hoofddoek. Ook in het Gemeenschapsonderwijs geldt een totaalverbod, maar als islamleerkracht ben ik daarvan vrijgesteld. In principe mag ik hem alleen in de klas dragen, maar ik draag hem ook in de lerarenkamer en op de gang. Ruimdenkende directie, ik heb het al anders geweten. Tijdens mijn stage op het SISA in Antwerpen mocht ik met mijn hoofddoek niet in de lerarenkamer, en op de gang moest ik een kap opzetten. Absurd’.

HUMO: vijf jaar geleden zat je zelf nog op de schoolbanken. Zie je grote verschillen in de manier van les geven?

Stoops: ‘Ik vond het in mijn tijd allemaal erg voorspelbaar. Als je vooraf je handboek doorbladerde, wist ja meestal perfect wat er in de les zou volgen. Weinig variatie in de werkvormen ook, en dat probeer ik toch anders aan te pakken. Soera’s uitleggen, dat kan ook via spelletjes of zoekopdrachten in het ICT-lokaal. Ik nodig gastsprekers uit en gebruik veel videomateriaal, ook al omdat ik de actualiteit in mijn lessen wil betrekken. Laatst nog heb ik een Vranckx-documentaire over ongewenste kinderen in Pakistan getoond. Confronterend materiaal om in de klas te bespreken’.

HUMO: tevreden met je loon?

Stoop: ‘Ik verdien als bachelor 930 euro netto in de maand, niet slecht voor een halftijdse opdracht. Die 10 uur voor de klas geven wel een vals beeld, met de lesvoorbereidingen erbij werk ik makkelijk 20 uur per week. Misschien ga ik op termijn voltijds werken, zodra ik mijn master heb, mag ik ook in de derde graad staan. Ik zie een carrière in het onderwijs helemaal zitten’. 

 

Filip Moons (wiskunde, 3de graad, ASO Karel Buls Laken)

Humo2016-060-Filip Moons Leerkracht Karel Buls

Roepingen zijn in Jezuïetencolleges al lang een zeldzaamheid geworden. Toch was het op de schoolbanken van het Sint-Jozefscollege in Aalst dat Filip Moons (25) een visioen van zijn toekomst kreeg. Missionaris zou hij worden, niet tot meerdere glorie Gods maar in dienst van de oudste wetenschap der mensheid, de Wiskunde.

Filip Moons : ‘Ik heb zelf wiskunde-wetenschappen gevolgd. Zes uur wiskunde, mijn lievelingsvak. Dat wil later ook doen, dacht ik vaak tijdens de les, jonge mensen leren logisch na te denken. Ik ben aan een regentaat begonnen, maar na een jaar ben ik op aanraden van mijn docent wiskunde toch naar de universiteit overgestapt. Naar de goddeloze VUB nog wel, geen evidente keuze voor een alumnus van de jezuïeten. (lacht)’.

HUMO: word je als universitaire master goed voorbereid op een baan in het onderwijs?

Filip Moons:  ‘Tegenwoordig moet je een extra jaar van 60 studiepunten met een intensieve stage volgen. In mijn geval viel dat wel mee, omdat ik al tijdens mijn masteropleiding voor de specialisatie onderwijs had gekozen. Als enige van mijn lichting, en dat is een groot probleem. Er zijn in Vlaanderen veel te weinig masters die in het onderwijs stappen, waardoor scholen zich in de derde graad moeten behelpen met industrieel ingenieurs, TEW’ers of handelswetenschappers. Niet ideaal voor de leerlingen. Een handelsingenieur redt het wel in richtingen met 2 of  eventueel 4 –uren wiskunde, maar voor de 6-uren richtingen schiet hij hopeloos tekort’.

HUMO: met zo’n schaars diploma was het wellicht geen probleem om een school te vinden..

Moons: ‘Bij mijn eerste applicatie in mei was het meteen raak: het Atheneum Karel Buls in Laken zocht een vervanger voor de lerares wiskunde die met pensioen ging.  Meteen een volledige opdracht: 20 uur in het vijfde en het zesde, zowel in zwakke als in de sterkste richtingen. Die afwisseling sprak me aan, net zoals de schaalgrote. Karel Buls is een kleine school, mijn klassen tellen tussen 10 en 15 leerlingen, ideaal om aan individuele begeleiding te doen. En nog een voordeel: mijn voorganger had in haar 35 jarige loopbaan een kathedraal van een rooster gebouwd. Weinig of geen springuren, met een vrije dag en extra vrije namiddag. Een droom voor iedere leerkracht, en dat kreeg ik als debutant zomaar in de schoot geworpen. Met zo’n schaars diploma kun je ook eisen stellen. Ik wilde per se een beamer in mijn klas. Grafieken op het bord tekenen is niet meer van deze tijd, bovendien vind je op het internet fantastische tools om het wiskundig inzicht uit te diepen. Geen probleem, tegen de eerste schooldag was die beamer geïnstalleerd’.

HUMO: het Atheneum Karel Buls is een zuivere concentratieschool. Geen bezwaar?

Moons: ‘Integendeel, ik zag dat als een buitenkans. Als Vlaming in Brussel blijf je vaak in je eigen kringetje steken. Zelfs als VUB-student heb ik dat ondervonden:  het is erg moeilijk om in contact te komen met de nochtans grote allochtone gemeenschap. Les geven op een concentratieschool leek me de ideale introductie. 80 procent van de leerlingen op onze school zijn moslims, ik heb in mijn klas maar twee ‘echte’ Vlamingen zitten. Maar eigenlijk wil ik die termen niet gebruiken. In een van mijn eerste lessen werd ik door een Marokkaanse leerling op mijn nummer gezet toen ik uit pure nieuwsgierigheid naar zijn herkomst polste. “Ik ben gewoon een Belg meneer”, zei hij heel terecht. Ik haat het trouwens zelf om over witte en zwarte scholen te spreken’.

HUMO: toch moeten we dat even doen. Hoe was het om als groentje in een ‘zwarte’ school te debuteren?

Moons: ‘Er doen wilde verhalen over disciplineproblemen in Brusselse scholen, maar daar heb ik niks van gemerkt. Uiteraard moet je afspraken maken: geen gsm in de klas, niet praten tijdens de les. Dat gaat verrassend vlot, soms heb ik het gevoel dat ze naar me opkijken als pas afgestudeerd universitair. Een generatiegenoot bovendien, want sommige leerlingen hebben al een paar keer gedubbeld en verschillen amper in leeftijd. Er zijn wel pijnpunten: ik moet ze heel hard aanporren om thuis te werken. Meestal doen de ouders dat, maar onze leerlingen staan er vaak alleen voor. Op oudercontacten krijg ik nauwelijks afspraken, een klacht die ik ook van ervaren collega’s hoor. Probleem is dat vele ouders zelf amper geschoold zijn en niet weten hoe ze hun kinderen moeten ondersteunen. Je wil ook niet weten in welke moeilijke sociale en economische omstandigheden vele leerlingen leven. De meesten komen graag naar school, een oase van rust en veiligheid’.

HUMO: beginnersfouten gemaakt?

Moons: ‘Toetsen opstellen en vaststellen dat de hele klas een onvoldoende haalt. Dat brengt me nog aan het twijfelen: ligt het aan mij en waren de vragen te moeilijk? Hadden ze die dag nog een andere toets die voorrang kreeg? Af en toe geef ik een herkansingstoets. Tegen mijn principes, want aan de unief of de hogeschool worden ze ook niet gepamperd. Een keer heb ik een conflict gehad: een meisje had een nul gekregen voor een niet ingeleverde huistaak. Die stok moet je achter de deur houden, anders is het einde zoek. Probleem: door die nul was ze ook gezakt voor wiskunde. Die leerling is me beginnen uitschelden voor rotte vis op Smartschool, het digitaal leerplatform waarmee leerlingen en leraren onderling communiceren. Het werd alleen maar erger toen ik antwoordde om haar verwijten punt voor punt te weerleggen. Die les heb ik dus geleerd: nooit met leerlingen in discussie gaan op Smartschool en zeker niet op sociale media’.

HUMO: leeft het hoofddoekendebat op jullie school?

Moons: ‘Karel Buls is een Brusselse stadsschool, maar we hanteren dezelfde regels als het GO. Geen hoofddoeken op school, we hebben een ruimte met spiegels waar meisjes zich bij het binnenkomen of vertrekken kunnen fatsoeneren. Ik ben zelf principieel voor de totale vrijheid van godsdienstbeleving, maar ik sta achter die maatregel. Het is voor de sfeer op school geen goede zaak als leerlingen hun godsdienstige overtuiging als een bord voor zich uit dragen, bovendien zorgt zo’n hoofddoek voor een opbod tussen goede en minder goede moslims. Er zijn enkele proteststemmen, maar de overgrote meerderheid is stiekem blij met dat verbod. Geen visueel onderscheid op de speelplaats, dat hoort bij de rol van de school als een soort vrijhaven in de stad. We zijn trouwens pragmatisch: tijdens uitstappen laten we de hoofddoek oogluikend toe’.

HUMO: werden de aanslagen van Parijs en Brussel ook in de wiskundeklas gevoeld?

Moons: ‘Zeker, heel wat van de leerlingen wonen trouwens in de buurten waar sinds de aanslagen in Parijs voortdurend huiszoekingen werden verricht. Na zo’n gebeurtenis ga je niet gewoon integralen zitten berekenen. We hebben er een hele dag over gepraat, ik ben trouwens zelf erg geïnteresseerd in islam en islamkritiek. Ook los van die aanslagen laat ik mijn leerlingen wel eens een opiniestuk van Mia Doornaert lezen. Boeiend, zo leren ze omgaan met tegendraadse meningen en met argumenten discussiëren. Dat kan allemaal als je een goede verstandhouding kweekt. Mijn leerlingen weten ook dat ik met een man samenleef. Waarom zou ik daar hypocriet over doen? Als je leerlingen zes uur per week in de klas hebt, dan kun je zoiets toch niet verbergen’.

HUMO: is les geven nu anders dan toen je zelf op de schoolbanken zat? 

Moons: ‘Ik heb het gevoel dat men leraars nu minder vertrouwt. Vroeger volstond een agenda met lesonderwerpen, nu eisen ze gedetailleerde jaarplannen, en de kleinste aanvaring met een leerling moet in het leerlingenvolgsysteem. Scholen willen zich ook indekken tegen de toenemende juridisering, ouders die de attestering van hun kind aanvechten. Gevolg: een enorme berg paperassen. De didactische evolutie is dan weer louter positief. Het ex cathedra lesgeven heeft afgedaan, lessen zijn interactief geworden. Een moderne leraar is een coach die verschillende werkvormen hanteert om zijn klas maximaal bij de les te betrekken. Met de digitale technologie is dat ook mogelijk, al mag je die opdracht niet onderschatten. Het ontwikkelen van interactieve lessen vergt veel meer voorbereiding dan traditionele lessen’.

HUMO: moet je hard werken?

Moons:  ‘Ik geef 20 uur wiskunde op drie verschillende niveaus, dat betekent veel meer dan 38 uur per week werken. Ik gebruik geen handboek maar schrijf mijn cursus zelf. Gelukkig mag ik al het materiaal van mijn voorganger gebruiken, maar ik sta toch iedere dag om vijf uur op om mijn lessen uit te werken. Niet dat ik klaag, we hebben echt wel veel vakantie. En zo’n cursus is een ook een investering in de toekomst, de volgende jaren wordt het al een stuk gemakkelijker’.

HUMO: droom je van een vaste benoeming?

Moons: ‘Ik vervul een openstaande opdracht, dus in principe kan ik al binnen drie jaar benoemd worden. Zo ver kijk ik nog niet vooruit, maar ik vind het systeem van de vaste benoemingen niet goed. Zonder te veralgemenen: met vaste benoemingen zet je leerkrachten aan tot gemakzucht. Voor mijn part mogen ze de vaste benoeming vervangen door arbeidscontracten zoals in de privésector’.

HUMO: tevreden met je salaris?

Moons: ‘Ik verdien nu 1.850 euro netto. Met vakantiegeld, dertiende maand en pensioenrechter erbij vind ik dat heel goed betaald. Natuurlijk kun je in de privé veel meer verdienen. Ik heb ook een master informatica behaald en stage gedaan in een IT-bedrijf.  Als starter zijn daar lonen van 3.000 euro plus een pak extralegale voordelen heel gewoon, maar dat heeft me nooit aan het twijfelen gebracht’. 

 

Freya Broeckhoven (2de graad BSO en TSO Sint-Ursula Instituut OLV Waver)

Humo2016-062-Freya Broeckhoven Ursulinen OLV Waver

In Onze-Lieve-Vrouw Waver speelt het leven zich niet af onder de kerktoren maar in de schaduw van een statig schoolcomplex dat als een magneet blauw ge-uniformeerde leerlingen aanzuigt. Freya Broeckhoven (22) heeft duidelijk niet geleden onder die zeldzame dresscode. Sinds september staat de oud-leerling er zelf voor de klas.

Freya Broeckhoven: ‘Ik ben hier pas vanaf het vierde TSO begonnen. Voor de start zag ik vreselijk op tegen dat uniform, maar ik ontdekte heel snel de  voordelen. ’s Morgens nooit twijfelen over welke kleren je gaat aantrekken, dat is een groot gemak. Ik heb mijn uniform gemist toen ik in Leuven voor regent ging studeren’.

HUMO: was dat een roeping?

Broeckhoven: ‘In mijn geval wel. Op de lagere school al zag ik mezelf als juf voor de klas staan. Maar het was mevrouw Pauwels, mijn wiskundelerares en klastitularis in het eerste middelbaar, die me definitief over de streep heeft getrokken. Ze was ongelooflijk gedreven en altijd opgewekt, een echt rolmodel’.

HUMO: je staat in je oude school. Toeval?

Broeckhoven: ‘Ik heb hier als leerling een geweldige tijd gehad, en ik heb hier ook mijn eindstage als regent gedaan. Eigenlijk wilde ik nergens anders lesgeven, en daarom heb ik nog even getwijfeld. Na mijn studies ben ik twee maanden gaan werken in een optiekketen waar ik eerder als jobstudent had gestaan. Ik speelde met de gedachte een opleiding als opticien te volgen, maar toen kwam het telefoontje van de school. Of ik mijn CV wilde insturen? Ik wist wel dat mijn eindstage goed was verlopen, maar het was toch een fijne verrassing toen ze mij een baan aanboden. 20/21sten,  een bijna volledige opdracht’.

HUMO: hoe ziet die opdracht eruit?

Broeckhoven: ‘In het BSO geef ik naast verschillende verzorgingsvakken  ook PAV. Project Algemene Vakken, dat is een concept waarin wiskunde, Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde samen worden aangeboden. In de sociaal technische wetenschappen geef ik integrale opdrachten, kortweg IO. Dat zijn projecten waarin kennis en vaardigheden worden gecombineerd. Je hoort het al, in het onderwijs wordt met afkortingen gegoocheld’.

HUMO: Sint-Ursula staat vooral bekend als een ASO-school. Wordt er in lerarenkamer neergekeken op de BSO- en TSO-collega’s?

Broeckhoven: ‘Helemaal niet, er wordt geen onderscheid gemaakt. Mijn mentor is een collega latijn, ik mag trouwens zelf les geven in het ASO. Niet dat ik dat als een promotie beschouw, ik zou mijn BSO-leerlingen niet willen missen. Ze zijn soms wat brutaal, maar ik apprecieer hun eerlijkheid en openheid.  Dat verschil merk ik als ik in het TSO sta, daar is de afstand groter. Geen kwaad woord overigens over het TSO. Ik heb zelf TSO gevolgd, een uitstekende voorbereiding om verder te studeren’.

HUMO: is het makkelijk om als rookie de orde te handhaven in een BSO-klas?

Broeckhoven: ‘Ik heb me nog maar een keer echt boos gemaakt, toen een leerling ei zo na de deur in mijn gezicht dichtgooide. Ik was zo kwaad dat ik hypercorrect Nederlands begon te spreken, tot grote hilariteit van de klas.  Meestal echter hangt er een prima sfeer. Je moet je ook als leerkracht durven openstellen en interesse opbrengen voor hun leefwereld. Welke muziek is hot? Wat leeft er op YouTube? En vooral: je moet kunnen meepraten over Temptation Island. Zonder in de val te trappen, want ze proberen natuurlijk een heel lesuur vol te kletsen over hun televisieprogramma’s’.

HUMO: wat moet de leerkracht van de toekomst kunnen en kennen?

Broeckhoven: ‘Temptation Island volgen natuurlijk(lacht). En afgezien daarvan: nieuwe en oude werkvormen creatief gebruiken. Powerpoint is voor mij onmisbaar, een goede presentatie geeft structuur aan de les, wat op zijn beurt cruciaal is voor de sfeer in de klas. Toch maak ik nog veel gebruik van bord en krijt. In de les gezondheid laat ik ze nog altijd een oog met al zijn onderdelen tekenen, dat blijft beter hangen dan een plaatje bekijken. Mensen associëren onderwijs met veel vakantie, maar je moet ook hard werken. Zaterdag is voor mij geen rustdag maar een werkdag”. 

 

Lise  D. (2de graad Nederlands, diverse interims)

Een volledige opdracht voor een heel schooljaar in één en dezelfde school? Alle beginnende leerkrachten dromen ervan, maar de realiteit is meestal anders. Lise D. (24) – pseudoniem om geen carrièrekansen te hypothekeren _ weet er alles van. De Antwerpse heeft na drie interims en een scheervlucht langs een burn-out eindelijk haar draai gevonden. Voorlopig toch, want in september gaat het carrousel der interims weer draaien.

Lise:  ‘Ik heb eerst een paar jaar kinesitherapie gestudeerd, maar dat bleek toch niet mijn ding. Ik was dan ook erg gemotiveerd toen ik aan de hogeschool een lerarenopleiding ging volgen. Dit moest wel lukken, ik was vastbesloten een goede leerkracht te worden. Ik ben afgestudeerd met grote onderscheiding. Ook mijn eindstage op een grote BSO- en TSO-school is goed verlopen. Vlak voor de start van het schooljaar hebben ze me gebeld. De lerares Nederlands in de 2de graad van het BSO was langdurig ziek, en of ik kon inspringen. Ik ben er met ongelooflijk veel enthousiasme aan begonnen, maar het in een nachtmerrie geworden’.

HUMO: oei, wat is er mis gegaan?

Lise: ‘Hoe hard ik me ook uitsloofde, ik kreeg geen respect. Ik had vijf klassen, uitsluitend jongens van 14 en 15 in het BSO. Het is bekend dat op die leeftijd de frontale cortex nog onvoldoende ontwikkeld is om gevoelens als empathie te koesteren. Dat ik jong en onervaren was, en dat ik mijn stinkende best deed, het maakte hen niks uit. Ze hebben me echt het bloed van onder de nagels gehaald: hondsbrutaal antwoorden, vechten onder elkaar, ongevraagd de klas uitlopen, met proppen en sinaasappelschillen gooien. Soms had ik het gevoel dat ik met een roedel bloedhonden opgesloten zat. Ze ruiken je onzekerheid en verscheuren je, zeker als je de leider van de roedel tegen hebt. Die groepsdynamiek speelt in alle klassen, ook in het ASO’.

HUMO: je had een succesvolle stage in die school gelopen. Hoe kon je zo verrast zijn?

Lise: ‘Dat heb ik me zelf vaak afgevraagd. Een stage van 12 uur per week is natuurlijk nog iets anders dan een voltijdse opdracht, met oudercontacten en alles erbij. Ik verzoop vanaf de eerste week in het werk, ook al omdat ik pas op het nippertje was opgetrommeld en niks vooruit had gepland. Ach, ik denk dat het ook een mismatch was. Ik gaf Nederlands, een vak dat hen geen bal interesseerde. Praktijkleraren konden al er al eens eentje uit het atelier wegsturen, dat maakte indruk. Maar extra spellingsoefeningen als straf? Ze zouden nogal gelachten hebben. Ik had ook weinig voeling met hun leefwereld. Muziek, boeken, theater, dans? Hier, op de kunsthumaniora, krijgen ze er niet genoeg van. Maar die jongens in de bouw waren maar in twee dingen geïnteresseerd: auto’s en vrouwen. (lacht)’.

HUMO: hoe lang heb je het volgehouden?

Lise: ‘Ik wilde niet opgeven, het moest en zou lukken. Ik verwaarloosde mijn sociaal leven, al mijn vrije tijd ging op aan lesvoorbereidingen. In feite zat ik heel diep, vooral omdat ik me door de schooldirectie niet gesteunde voelde. In de kerstvakantie heb ik toch maar naar mijn mama geluisterd. Je moet daar weg, zei ze, je gaat eraan kapot. Ik dacht een tijdje uit te blazen, maar toen kreeg ik de kans om een interim in een heel toffe methodeschool te doen. Mijn zelfvertrouwen stond op een laag pitje, maar de klik was snel gemaakt. Zalig gewoon, Nederlands geven aan leerlingen die geïnteresseerd zijn en zelfs verantwoord omgaan met vrijheid. Helaas, een week na de krokusvakantie keerde de vaste leerkracht uit ziekteverlof terug. Ik heb daarna nog een kort interim in een gewone ASO-school gedaan, de derde keer al dat ik dit jaar een leerkracht met een burn-out mocht vervangen. Dat viel mee, alleen krijg je tijdens zo’n korte opdracht geen band met je leerlingen’

HUMO: intussen sta je weer in die methodeschool. Hoezo?

Lise: ‘Ik zat al een poosje thuis toen diezelfde vaste leerkracht opnieuw uitviel. De school vroeg me terug, ik had hier in mijn eerste periode een goede band met de leerlingen en het team gesmeed. Nu heb ik zekerheid tot het einde van het schooljaar, een geweldig cadeau. Het is niet fraai, maar als interim redeneer je op de duur dat de ene zijn dood de andere zijn brood is’.

HUMO: blijf je in het onderwijs na deze wisselvallige start?

Lise: ‘Toch wel, ik heb die lerarenopleiding niet voor niets gevolgd. Maar of ik dit mijn hele leven wil doen? Nee, ik heb al teveel uitgebluste collega’s gezien die routineus hun lesjes aframmelen’. 

 

Kelsey Olefs (Economie, 2de en 3de graad TSO-ASO, Atheneum Boom)

Humo2016-063-Kelsey Olefs KA Boom

Kelsey Olefs (26) nam als master handelswetenschappen een vliegende start in de privésector. Toch keerde ze na vier jaar naar haar eerste liefde, het onderwijs, terug. De gewezen reward en development officer van een grote luchtvaartmaatschappij leverde bedrijfswagen en andere perks in en staat intussen al een jaar met veel goesting voor de klas.

Kelsey Olefs: ‘Ik wou altijd al les geven. Na mijn studies handelswetenschappen aan de Ehsal heb ik nog een lerarenopleiding gevolgd. En toch ben ik eerst een andere richting ingeslagen. Onderwijs leek me te onzeker. Als beginnend leerkracht vlieg je van de ene school naar de andere, en weet je in de zomer niet of je in september wel werk zult hebben. Vervelend als je een hypotheeklening wil afsluiten om een huis te kopen. Ik kon bij Ikea beginnen, een erg positieve ervaring. Personeel coachen en opleidingen geven, in feite een soort onderwijs voor volwassenen. Na twee jaar ben ik naar JetairFly overgestapt. Reward & development officer was een erg uitdagende baan, maar ik raakte in de knoop met de bedrijfscultuur en kreeg heimwee naar het onderwijs. In april heb ik mijn CV rondgestuurd. Het resultaat kwam onverhoopt snel: ik kon na de paasvakantie voltijds in het  Atheneum van Boom beginnen. Het was dringend, mijn voorganger was tot adjunct-directeur benoemd en haar eerste vervanger was een miscast gebleken’.

HUMO: welke vakken mag je als handelswetenschapper geven?

Olefs: ‘Ik geef dit jaar economie, toegepaste economie, bedrijfsbeheer, recht en wetgeving. Vorig jaar gaf ik ook sportmanagement, sport is bij ons een populaire richting. Voorts besteden we twee uur per week aan de Mini-Onderneming: leerlingen richten bij het begin van het schooljaar een eigen bedrijf op. Heel realistisch, ze zoeken aandeelhouders, doen aankopen en verkopen, voeren een echte boekhouding met RSZ en keren zichzelf een loon uit. In feite zouden economie en recht in alle studierichtingen aan bod moeten komen. Een achttienjarige zou tenminste moeten weten hoe banken werken en waar belastingen voor dienen’.

HUMO: iets meegenomen uit de privésector dat van pas komt in de klas?

Olefs: ‘Heel veel zelfs, zoals de cursussen leiderschap die ik bij Ikea kon volgen. Mijn ervaring in de privé heeft me ook leren relativeren. Ja, het is hard werken met al die voorbereidingen en paperassen. Maar buiten ons lessenrooster hebben we veel vrijheid om ons werk te plannen, en we mogen echt niet klagen over het aantal verlofdagen. Ik heb bij mijn overstap stevig ingeleverd, minder salaris, geen extralegale voordelen. Maar het gevoel van vrijheid compenseert dat allemaal ruimschoots’.

HUMO: kon je dat leiderschap meteen laten gelden of werd je als groentje getest?

Olefs: ‘Het begin vorig jaar was moeilijk. Voor een van de vakken was ik al de derde leerkracht in korte tijd. Omdat mijn voorgangster de mist was ingegaan was ik verplicht er de pees op te leggen om de leerplandoelstellingen te halen. De leerlingen klaagden steen en been dat het te snel ging en te moeilijk was. Ik heb daar iets te veel begrip voor getoond. Beginnersfoutje, zal me niet meer overkomen. Tijdens de lerarenopleiding hadden ze het ons ingepeperd: een gezonde sfeer moet je vanaf dag één afdwingen. Probeer niet meteen de toffe uit te hangen. De eerste weken moet je vooral niet te veel glimlachen en ieder incident kordaat aanpakken, dan kun je later de teugels vieren zonder dat het uit de hand loopt. Dit schooljaar ging het al veel beter, maar in een van de klassen heeft toch tot eind oktober geduurd om de juiste toon te vinden. Ervaren collega’s hebben het gemakkelijker omdat ze door hun reputatie worden voorafgegaan. Dat vergt tijd, al schijn ik intussen toch al bekend te staan voor mijn moeilijke toetsen’. (lacht).

HUMO: al aan de noodrem moeten trekken?

Olefs: ‘Ik heb er al wel eens eentje uit de klas gezet. Dat is zowat de ultieme remedie, nadat je eerst al een nota in de agenda hebt gestoken en vervelende koppels uit elkaar hebt getrokken. Echte incidenten? Met een deur slaan of een stoel omgooien, veel wilder wordt het niet. Meestal zijn dat jongens uit het derde of vierde jaar, de leeftijd waarop het haantjesgedrag piekt. In het vijfde gaat dat eruit, dat hoor ik ook van oudere collega’s. Het is haast mysterieus, alsof er in die zomervakantie tussen het vierde en het vijfde een scheut maturiteit over die gasten neerdaalt. Jongens zijn wel recht door zee: na een aanvaring gaat de spons erover en kun je weer verder. Bij meisjes duurt het veel langer om de band te herstellen’.

HUMO: volgens het veelbesproken Masterplan Secundair Onderwijs van de Vlaamse regering moeten de schotten tussen ASO, TSO en BSO verdwijnen. Ben jij gewonnen voor een brede eerste graad?

Olefs: ‘Ik vind het principe wel okay, maar ik heb twijfels over de haalbaarheid. Om BSO- en ASO-leerlingen samen te zetten, moet je wel erg veel differentiëren. Makkelijker gezegd dan gedaan, weet ik uit ervaring. Het is nu al heel lastig om binnen dezelfde klas om te gaan met de verschillen tussen slimme en minder slimme leerlingen’.

HUMO: je bent lang genoeg van de schoolbanken af om achterom te kijken. Wat is er in die tien jaar veranderd?

Olefs: ‘De technologie uiteraard. Smartboards zijn niet meer uit de klas weg te denken, zeker niet voor de theorievakken. In mijn tijd bestonden die niet, net zomin als de smartphones die op onze school alleen op de speelplaats worden toegelaten. Dat is hier dan ook een dagelijkse sport: jacht maken op smartphones in de klas of in de gang. Leerlingen zijn een stuk mondiger geworden, ook dat valt op. Sommige oudere collega’s hebben het daar moeilijk mee, je kunt op dat vlak van een generatiekloof spreken. Voor ons is omgaan met tegenspraak in de klas vanzelfsprekend, dat werd er tijdens de lerarenopleiding ingehamerd’.