Tagarchief: Sierra-Leone

Ebola-illegalen eisen regularisatie

(Knack, 5 november 2014)

“We kunnen niet terug” 

De jacht op sans papiers uit ebola-landen is tijdelijk gestaakt. Te gevaarlijk om ze gedwongen te repatriëren, oordeelt de federale politie. Gevolg: duizenden Guinéers, Liberianen en Sierra Leoniërs zitten in een juridisch niemandsland. De roep voor een tijdelijke regularisatie zal de volgende weken steeds luider klinken.

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

bijeenkomst ebola-illegalen in de Brusselse Begijnhofkerk (foto: Franky Verdickt)

Het scherm van haar Chinese smartphone is gebarsten, maar het beeld is duidelijk genoeg. Twee mannen in gele beschermingspakken zeulen met een draagberrie. Fanthawa Sesay wijst op de patiënt. Dat is dus dokter Umar Khan, haar oom die als een van de eersten in Sierra Leone aan ebola bezweek. “Het is verschrikkelijk”, zegt de jonge vrouw. “Iedere dag hoor ik huiververhalen uit mijn land. Gisteren nog dat meisje van 12 dat met haar laatste krachten uit haar huis was gestrompeld om te sterven. Haar babyzusje van drie maanden was achtergebleven, maar niemand durfde binnen te gaan om het kind te helpen”.

Fanthawa’s gsm is niet de enige die uitpuilt van alarmerende sms’en en akelige foto’s uit Ebolia, een federatie van West-Afrikaanse landen verenigd door rampspoed . Guinée, Liberia, Sierra-Leone, de drie geteisterde landen zijn vertegenwoordigd in de Brusselse Begijnhofkerk. Met ruim driehonderd zijn ze komen afzakken naar het gebedshuis. Behalve de verhalen over dierbaren die in het verre thuisland aan ebola zijn gestorven, delen ze nog een kopzorg. Alle aanwezigen zijn uitgeprocedeerde asielzoekers die illegaal is België verblijven. Doel van de bijeenkomst: het bekomen van een tijdelijke beschermingsstatus. “We kunnen niet naar ons land terug”, zegt Noah Jessey. “Ik kom zelf uit Monrovia. Mensen vallen als vliegen, iedere dag hoor ik van buren of kennissen die zijn gestorven. Aan ebola, maar ook aan malaria of andere ziekten, want de hele gezondheidsinfrastructuur is ingestort. Intussen is er ook hongersnood uitgebroken, de chaos is compleet”. Jessey verblijft al tien jaar in België, de voorbije vier jaar als illegaal. In theorie loopt hij zoals alle aanwezigen een risico. De politie kan hem zo van straat plukken en in een gesloten centrum opsluiten, in afwachting dat de Dienst Vreemdelingenzaken hem op een vlucht richting Liberia zet. Sinds half augustus echter geldt een moratorium op gedwongen uitwijzingen naar ebola-landen. Reden: de federale politie vindt het gezondheidsrisico te groot om de vluchten te escorteren. “Aangezien we niet terug kunnen”, maakt Jessey zijn redenering af, “moeten ze ons maar regulariseren”.

 

De aanwezigheid van een grote groep illegalen uit ebola-landen is geen geheim. Liberianen en Sierra Leoniërs vormen slechts kleine gemeenschappen, de overgrote meerderheid zijn Guinéers. Officiële cijfers bestaan uiteraard niet, maar volgens Dokters voor de Wereld, een ngo die in verschillende grootsteden medische zorg aan illegalen verstrekt, loopt het aantal illegale Guinéers in de duizenden. Geen natte vingerwerk, wel een beredeneerde extrapolatie. Alleen al de voorbije vijf jaar vroegen meer dan 7.000 Guinéers in België asiel aan, het land is daarmee een vaste waarde in de top vijf van herkomstlanden. Het beschermingspercentage _ het aantal asielzoekers dat de vluchtelingenstatus of een andere verblijfstitel krijgt _ schommelde in die periode tussen de 20 en 40 procent. Van de anderen staat vast dat meer dan de helft geen gevolg geeft aan het bevel tot verlaten van het grondgebied en in de illegaliteit onderduikt. Veruit de meesten wonen en overleven in de verpauperde Kanaalzone, een boogscheut verwijderd van de Begijnhofkerk.

gedwongen repatriëren

De bijeenkomst in de kerk is een initiatief van Pigment, een bescheiden vzw die zich bekommert om daklozen en illegalen in Brussel. Pigment probeert zoveel mogelijk sans papiers uit de drie ebola-landen te registreren om de eis voor een tijdelijke beschermingsstatus kracht bij te zetten. “België moet consequent zijn”, betoogt projectverantwoordelijke Alexis Andries afwisselend in Frans en Engels. “De autoriteiten geven toe dat ze jullie niet gedwongen kunnen repatriëren. Wie nu wordt gecontroleerd, krijgt een verlenging van zijn bevel tot verlaten van het grondgebied en wordt verondersteld zelf terug te keren. Onzin natuurlijk. Als reizen naar een ebola-land te gevaarlijk is voor de federale politie, dan is het voor iedereen te gevaarlijk. Er is maar een oplossing: bescherming of regularisatie zolang de epidemie duurt”.

Pigment staat niet alleen, de eisen worden onderschreven door grote organisaties zoals Artsen Zonder Grenzen, Dokters voor de Wereld en de Franstalige vluchtelingenorganisatie Cire. Het gelegenheidsplatform tast simultaan een politieke en een juridische piste af. “Het valt simpel op te lossen”, zegt Mieke Van Den Broeck, asieladvocate bij Progress Lawyers Network die het Platform adviseert. “De ebola-epidemie moet worden erkend als grond voor het toekennen van subsidiaire bescherming”. Simpel? Dat valt nog te bezien. Subsidiaire bescherming is een statuut dat pas in 2006, in uitvoering van een Europese richtlijn, in het Belgische vreemdelingenrecht werd ingevoerd. Het dient als vangnet voor bepaalde categorieën van asielzoekers wier aanvraag niet onder de Conventie van Genève valt. Ook al bestaan er geen overtuigende aanwijzingen voor persoonlijke vervolging, toch lopen ze in eigen land een reëel risico op ernstige schade. De wet bakent twee gronden af. Schade door oorlog of willekeurig geweld, een motief dat onder meer voor Afghanen, Syriërs en Iraki’s vlot wordt aanvaard. Voorts wordt subsidiaire bescherming toegekend als de asielzoeker kan aantonen dat hij in eigen land blootstaat aan ‘vernederende of onmenselijke behandeling’. “Volgens de letter van de wet impliceert dat een menselijke actor als bron van het dreigende gevaar”, zegt Van den Broeck. “Maar dat is te beperkt, we moeten die beschermingsgrond verruimen. Want is het niet absurd? Oorlog of blind geweld tellen als risico’s, maar een dodelijke epidemie komt niet in aanmerking, terwijl die even willekeurig en op even grote schaal slachtoffers maakt”.

SN Brussels

Meester Van den Broeck is de auteur van het standaardformulier  _ een aanvraag voor het bekomen van subsidiaire bescherming _ dat in de Begijnhofkerk wordt uitgedeeld. Alleen de naam van de indiener moet nog worden ingevuld, de feitelijke en juridische argumentatie staat gebruiksklaar en gratis ter beschikking van zijn of haar advocaat. Er wordt uitvoerig gewezen op de rampzalige toestand in de drie ebola-landen, de weigering van de federale politie om er nog agenten heen te sturen, en het negatieve reisadvies van buitenlandse zaken. Vervolgens wordt het non-discriminatiebeginsel ingeroepen om de stelling hard te maken dat een dodelijke epidemie wel degelijk een grond voor subsidiaire bescherming vormt. Waarom onderscheid maken tussen mensen die ‘iemand’ vrezen en anderen die een dodelijke epidemie vrezen? Het weigeren van een beschermende status zou bovendien strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM dat foltering en vernederende of onmenselijke behandeling verbiedt. Uit dat artikel vloeit dan weer het ‘non-refoulementsbeginsel’ voort, een hoeksteen van het internationaal vluchtelingenrecht.

Het is de Commissaris-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen die in eerste aanleg over subsidiaire bescherming gaat. “De toetsing zit vervat in iedere asielaanvraag”, legt Dirk Van den Bulck uit .“Als er geen grond voor asiel is, onderzoeken we in bijkomende orde of de aanvrager aanspraak kan maken op subsidiaire bescherming”. Als de oproep in de Begijnhofkerk wordt gevolgd, zal zijn dienst binnenkort met aanvragen worden overspoeld. Uitgeprocedeerde asielzoekers kunnen immers ten allen tijde een nieuwe aanvraag indienen, tenminste als die een nieuw element bevat, zoals een uitslaande ebola-epidemie in hun thuisland. De kans op succes lijkt evenwel gering, zo valt af te leiden uit Van den Bulcks commentaar. “Illegalen uit Ebola-landen kunnen voorlopig niet gedwongen gerepatrieerd worden”, stelt hij vast. “Maar dat feit op zich geeft nog geen recht op verblijf in ons land”. De Commissaris-Generaal ziet alvast geen reden om het vangnet van de subsidiaire bescherming uit te gooien. “Zo’n epidemie valt niet onder het toepassingsgebied, ook niet als we de wet ruim interpreteren. Het risico bij terugkeer is trouwens relatief. Het virus is niet overal verspreid, vergeet niet dat het om grote landen gaat. Kennelijk lopen vooral bepaalde categorieën gevaar, zoals gezondheidswerkers. Met de nodige voorzichtigheid kan men de risico’s beperken, anders hadden luchtvaartmaatschappijen zoals SN Brussels al hun vluchten naar ebola-landen al lang gestaakt. Artikel 3 van het EVRM? Het moet al heel erg worden vooraleer men de algemene toestand in een land strijdig met artikel 3 verklaart. Bij mijn weten is er maar één precedent: na een uitspraak van het Europees Hof van Justitie werd een bepaalde regio van Somalië niet langer als een valabel binnenlands vluchtalternatief beschouwd. Maar de situatie in die regio was veel problematischer dan in de landen die nu door ebola worden getroffen”.

Theo Francken

“Ach ja”, zegt Mieke Van den Broeck. ”We kennen de visie van het Commissariaat-Generaal.  Dat mag ons niet ontmoedigen. Onze mensen kunnen altijd in beroep gaan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ik ben heel benieuwd hoe die zal oordelen. Er speelt trouwens nog een element: de publieke opinie. Binnenkort gaar het Platform met zijn eisen de straat op. Asielinstanties zijn daar gevoelig voor, weet ik uit ervaring met de Afghaanse illegalen. Die hebben maandenlang actie gevoerd, en intussen ligt hun beschermingspercentage bij het Commissariaat-Generaal op 80 procent”.

Toch verwacht het Platform meer heil van de zogenaamde politieke piste die in een  tijdelijke regularisatie moet uitmonden. Gehoopt wordt op een ruimhartige toepassing van artikel 9bis, de zogenaamde humanitaire regularisatie die als uitzonderingsprocedure in de Vreemdelingenwet staat. Een pasklare oplossing is het evenwel niet. 9bis is een individuele procedure die voor de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gevoerd, vaak als ultieme reddingsboei voor illegalen die schoolgaande kinderen hebben, of een uitzonderlijk lang verblijf en duurzame verankering in België kunnen bewijzen. De actievoerders beroepen zich op een ander criterium, de prangende humanitaire situatie. Het is een containerbegrip, gebaseerd op de praktijk en rechtspraak. Vaag genoeg om ook een dodelijke epidemie in het thuisland te omvatten, zo gaat de redenering. Blijft het feit dat een individuele procedure niet geschikt is als instrument om collectief duizenden illegalen uit ebola-landen tijdelijk te regulariseren. Alleen de regering kan beslissen tot een dergelijke uitbreiding van humanitaire regularisatie. Het is echter zeer de vraag of daar in de Wetstraat enig animo voor leeft.

Staatssecretaris voor asiel en migratie Theo Francken wenste niet inhoudelijk te reageren, maar kondigde aan de ebola-problematiek eerstdaags met alle asielinstanties te bespreken. De kwestie komt alleszins ongelegen. Niemand is vergeten dat Francken onmiddellijk na zijn aanstelling een drastische verstrenging van het uitwijzingsbeleid aankondigde. De capaciteit in de gesloten centra zal fors worden opgevoerd, met 1.000 extra gedwongen repatriëringen per jaar als objectief.  Het ligt voor de hand dat hij daarbij onder meer aan Guinéers dacht. Ook zijn voorganger Maggie De Block, die begin dit jaar een geruchtmakende ontradingsmissie naar Conakry ondernam, had het West-Afrikaanse land in het vizier. “Asielmisbruik door Guinéers is een van onze topprioriteiten”, zegt DVZ-woordvoerder Geert De Vulder. “We proberen het terug te dringen met een kordaat uitwijzingsbeleid. Zo hebben we vorig jaar 56 Guinéers gedwongen gerepatrieerd. Dat programma hebben we nu opgeschort. Noodgedwongen, door de beslissing van de federale politie”. Volledigheidshalve dient hier gezegd dat ook de DVZ zelf niet onverschillig is voor het ebola-gevaar. Een gedwongen repatriëring wordt altijd voorafgegaan door een bezoek aan het bestemmingsland van een DVZ-ambtenaar die de veiligheidssituatie inschat. Ook die reizen werden voor de drie ebola-landen tot nader order opgeschort.

Opstootje op het kerkplein. Een groepje Guinéers maakt onderling ruzie om een van de rondgedeelde documenten te bemachtigen, misleid door het absurde gerucht dat het om verblijfspapieren gaat. Andere illegalen kijken afkeurend toe. Het is potsierlijk, maar ook tekenend voor de wanhoop na jarenlang overleven in de illegaliteit. Een politiecombi rijdt onverrichterzake voorbij,  het illustreert de schemerzone waarin deze mensen vertoeven. De autoriteiten weten dat ze er zijn, maar doen voorlopig hard hun best om ze niet op te merken. Met enig cynisme zouden de betrokkenen dit vooruitgang kunnen noemen, dank zij ebola is de politiejacht tijdelijk afgeblazen. Noah Jessey, de Liberiaan met tien jaar België op de teller, voelde de vraag komen. Is het niet opportunistisch om ebola aan te grijpen om papieren te eisen? Okay, de epidemie maakt het tijdelijk onmogelijk naar zijn land terug te keren. Maar had hij dan plannen om terug te keren? “Nee”, geeft hij grif toe. “Onze regularisatie is vooral een humanitaire noodzaak. België wil toch helpen om ebola in Liberia, Guinée en Sierra Leone te bestrijden? Wel, geef ons dan papieren, dan kunnen we hier werk zoeken en geld verdienen om onze achtergebleven families bij te staan”.

foto: Franky Verdickt

foto: Franky Verdickt

 

AZG-directeur Christopher Stokes slaat alarm over ebola in West-Afrika

(Knack, 10 september 2014)

“Het worst scenario is nu al een feit”

Artsen Zonder Grenzen België levert een eenzame en ongelijke strijd tegen het ebola-virus in West-Africa. Directeur Christopher Stokes hekelt de misdadige onverschilligheid van de wereld. “Denken dat de epidemie vanzelf zal uitdoven is waanzin”. Gesprek met een gedreven hulpverlener die ook het nummer van ISIS op zak heeft.

 

AZG-directeur Christopher Stokes (foto: Tom Verbruggen, www.tomverbruggen.com)

AZG-directeur Christopher Stokes (foto: Tom Verbruggen, www.tomverbruggen.com)

 

 

Christopher Stokes, de Britse directeur van Artsen Zonder Grenzen België, moet er zelf om grinniken. Welke automobilist zou aan ebola denken als hij door de anonieme Dupréstraat in Jette sjeest? Laat staan dat hij zou beseffen dat van hieruit de oorlog tegen de epidemie in West-Afrika wordt gevoerd? “Dit gebouw is het zenuwcentrum van de hele campagne”, zegt Stokes die op het punt staat zelf naar de Liberiaanse hoofdstad Monrovia af te reizen. “Van hieruit hebben we al vijf isolatiecentra in Guinee, Liberia en Sierra Leone opgezet, samen goed voor 400 bedden. We zijn trouwens de enige hulporganisatie die patiënten opneemt en behandelt”.

Stokes wil zich niet op de borst kloppen, het monopolie stemt hem allesbehalve vrolijk. Al maandenlang roept AZG dat de ebola-epidemie uit de hand loopt. De ziekte brak begin dit jaar in een zuidelijke grensprefectuur van Guinée-Conakry uit, en breidde zich snel uit naar buurlanden Liberia en Sierra Leone. Vooral Monrovia is zwaar getroffen, wat de voorbije dagen apocalyptische beelden opleverde van strompelende, terminale patiënten die als pestlijders paniek zaaien op drukke marktpleinen. De herhaalde oproepen van AZG, bijgetreden door de autoriteiten van de getroffen landen, sorteerden tot dusver bitter weinig effect. Extra middelen en versterking bleven uit, en dus trok AZG vorige week aan de noodrem. In een toespraak voor de Verenigde Naties in New York riep internationaal voorzitter Joanne Liu lidstaten op om desnoods militaire teams te sturen om de epidemie een halt toe te roepen.

-   Is het werkelijk zo dramatisch? Vorige woensdag telde de Wereld Gezondheidsorganisatie 3.500 besmettingen en 1.900 overlijdens. Valt nogal mee na zeven maanden epidemie…

Christpher Stokes: “Dat maken we onszelf wijs. In de WHO-statistieken tellen alleen de bevestigde besmettingen, patiënten dus die in een van onze centra werden geregistreerd. Het echte cijfer ligt wellicht drie tot vier keer hoger, want de meeste zieken raken nooit in onze centra en sterven thuis. De epidemie woedt ook op het platteland, en niemand weet hoeveel doden daar vallen. In Monrovia is de toestand catastrofaal, in onze kliniek tellen we nu al negentig doden per dag. En dan moet je weten dat ons centrum maar een paar uur per dag geopend is. Capaciteitsgebrek, ook al hebben we de isolatieafdeling intussen al tot 235 bedden uitgebreid. Dat is onze grootste frustratie: we roepen patiënten op om zich aan te melden voor opname zodat ze hun omgeving niet besmetten. Maar als ze dan komen, moeten we ze vaak wegsturen omdat er geen bedden vrij zijn. Dan zie je ze afdruipen, terug naar hun dorp of wijk waar ze thuis sterven en anderen besmetten. Het is om gek te worden. Normaal gezien volg je bij ebola een driestappenplan. Detecteren, isoleren en vervolgens contact tracking, nagaan met wie de patiënt recent contact heeft gehad om ook die mensen te controleren en desnoods te isoleren. Daar komen we helemaal niet aan toe, we worden overrompeld”.

-   En toch. Vergeleken met het aantal malariadoden die jaarlijks in Afrika vallen, is Ebola maar een klein probleem.

Stokes (zucht): “Die commentaar hoor ik voortdurend. Natuurlijk zinken 1.900 doden in het niets naast de honderdduizenden die jaarlijks aan malaria of aan de gevolgen van ondervoeding sterven. Maar wie het zo eng bekijkt, heeft er niks van begrepen. Malaria of ondervoeding zijn niet besmettelijk. Dat is het grote verschil; we kampen met een epidemie die niet alleen mensen wegmaait, maar ook een gigantische sociale en economische impact heeft. De drie getroffen landen hebben sowieso een fragiele gezondheidsinfrastructuur, en die wordt nu helemaal van de kaart geveegd.  West Afrika heeft geen enkele ervaring met ebola, waardoor dokters en gezondheidswerkers de ziekte eerst niet herkenden. Hoge koorts, onbedaarlijk beven? Malaria, dachten ze. Begrijpelijk, want de eerste symptomen zijn haast identiek. Precies daarom zijn er zoveel gezondheidswerkers gestorven. Stel je voor, de helft van de besmette patiënten tijdens de eerste weken van de epidemie in Liberia waren dokters, verplegers en kaderleden van het ministerie van volksgezondheid. In Monrovia, een stad met evenveel inwoners als Brussel, zijn intussen alle ziekenhuizen gesloten, het medisch personeel is dood of op de vlucht geslagen. Gevolg: slachtoffers van een verkeersongeval worden niet meer geholpen, bevallingen met complicaties lopen fataal af. En ja, er sterven meer mensen dan ooit aan malaria of HIV omdat ze geen medicatie meer krijgen. Om maar te zeggen, die 1.900 officiële ebola-doden zijn maar het topje van de ijsberg. Ook de economie ligt op apegapen. Grenzen gaan dicht, handelsstromen drogen op waardoor de markten niet meer bevoorraad raken. Als we niet snel ingrijpen en de keten van besmetting doorbreken, gaan die landen in complete chaos ten onder”.

-  wat moet er gebeuren?

Stokes: “Capaciteit uitbreiden! Het isolatiecentrum in Monrovia is met 235 bedden het  grootste ooit, maar we plannen nu al een uitbreiding tot 400 bedden. Zelfs dat zal niet volstaan, we hebben minstens 800 tot 1.000 bedden nodig. Kijk, bij een ebola-besmetting is er maar één juiste strategie: vanaf dag één overdimensioneren. Heel veel isolatiebedden voorzien, en afbouwen naarmate de epidemie afneemt. Maar hier gebeurt precies het tegenovergestelde. Terwijl de epidemie als een bosbrand voortraast, wordt de isolatiecapaciteit slechts mondjesmaat uitgebreid. Zelf zitten we als hulporganisatie aan ons plafond. Het Amerikaanse Center for Disease Control en de WHO nemen de labotests voor hun rekening, maar met de patiënten staan we helemaal alleen. Tachtig procent van de bedden in de vijf centra werd door ons geleverd, de rest door de respectieve autoriteiten. We hebben al driehonderd medewerkers gestuurd, mensen van AZG België en AZG Internationaal. We zouden er meer willen sturen, maar onze wervingsreserve is uitgeput. Vandaar de oproep aan de Verenigde Naties. Het is niet de bedoeling om gewapende troepen te sturen, maar heel wat lidstaten hebben de capaciteit in huis om ons bij te springen. Denk aan de civiele bescherming of aan gespecialiseerde legereenheden die al sinds de Koude Oorlog worden getraind in chemische of biologische oorlogsvoering. Medische specialisten zijn er genoeg, we hebben vooral mensen nodig die weten hoe ze een isolatiepak moeten aantrekken en hoe zich in moeilijke omstandigheden te beschermen. Daarnaast moet ook de logistieke en organisatorische capaciteit dringend worden opgekrikt. Transport is een nachtmerrie, en onze grootste vrees is dat de luchthavens helemaal dicht gaan waardoor we geen mensen of materiaal meer kunnen invliegen. Het was nu al een heksentoer om een vlucht naar Monrovia te boeken. Air France en British Airways hebben al hun trafiek naar ebola-landen geschrapt, alleen Air Maroc en SN Brussels vliegen nog. We plegen constant overleg met SN Brussels, een maatschappij met een sterk engagement in Afrika. Onze experts hebben hen uitgelegd hoe te reageren als een passagier tijdens een vlucht ziek wordt, zodat ze de risico’s realistisch kunnen inschatten”.

-  Bij rampen komt er meestal een wedren tussen hulporganisaties op gang. Waarom moet het hier allemaal zo lang duren?

Stokes: “Het is onbegrijpelijk. Van in het begin hebben we aan de alarmbel getrokken. Dit is geen uitbraak zoals de vorige, toen het virus in afgelegen regio’s in Congo opdook. Deze uitbraak deed zich voor in een grensgebied, een kruispunt van handel en verkeer. Er werd niet geluisterd, ook niet door de lokale autoriteiten. Zeker in Guinee werd het probleem aanvankelijk ontkend en daarna geminimaliseerd. Om politieke redenen, de regering in Conakry was vooral bezorgd dat de grenzen zouden sluiten en de buitenlanders uit de mijnindustrie zouden gaan lopen. Maar ook de WHO is erg laat wakker geschoten, de organisatie heeft pas begin augustus de stap gezet om ebola tot een bedreiging voor de internationale volksgezondheid uit te roepen. Beter laat dan nooit natuurlijk, de WHO heeft intussen met onze inbreng een actieplan opgesteld. Het ligt er nu al een kleine maand, maar het is nog altijd wachten op kandidaten om het uit te voeren”.

-  Hoe komt dat toch?

 

Stokes: “Er is zeker geen gebrek aan media-aandacht, ebola spreekt tot de verbeelding. Jammer genoeg om de verkeerde redenen. We zijn geobsedeerd door de risico’s voor onze eigen landen, terwijl die met onze medische infrastructuur verwaarloosbaar zijn. Neem nu de heisa vorige week toen een van onze medewerkers in het Brusselse Sint-Pietersziekenhuis werd opgenomen. Louter preventief, er was niks aan de hand, maar het heeft ons vele kostbare uren aan crisiscommunicatie gekost. Het gevaar zit echt niet aan onze kant, we moeten ebola in West-Afrika bestrijden”.

-  Misschien moet er in Europa of Amerika een slachtoffer vallen om de hulp op gang te brengen…

Stokes: “Ik vrees voor een averechts effect, het zou er wellicht toe leiden dat men de getroffen landen volledig gaat isoleren. Die stemmen hoor je nu al: afgrendelen en de epidemie zal vanzelf uitdoven. Maar dat is het domste wat men kan doen! Als men de grenzen sluit, gaan mensen clandestien reizen en deint de besmetting zonder enige controle verder uit. Een massale inspanning om de vicieuze besmettingsketen te doorbreken, dat is wat dringend moet gebeuren. Nu al spreken we van een worst case scenario. Een ebola-epidemie in drie landen, voor het eerst in de geschiedenis ook in een grootstad. Maar het kan altijd nog erger. Wat als de epidemie straks naar een megapolis zoals Lagos overslaat? Er was al een geval: een besmette passagier die vanuit Liberia was ingevlogen en ziekenhuispersoneel heeft besmet. Gelukkig is daar alert op gereageerd. Men wist wie patient zero was, en met wie hij in contact was getreden. Toch maken we ons grote zorgen, want ook in het Westen van Nigeria hebben zich al enkele verdachte besmettingen voorgedaan. De uitbraak in Congo vorige maand staat daarentegen los van de epidemie in West-Afrika. Stom toeval”.

- Waarom steekt alleen AZG België de nek uit?

Stokes: “Binnen AZG is België altijd het referentiecentrum voor ebola geweest. Ook bij vorige, kleinere uitbraken hebben we van hieruit teams uitgestuurd, en we hebben permanent twee tot drie dokters rondlopen die zich in het virus specialiseren. Toch ligt daar niet de verklaring. Ik draai al twintig jaar mee in dit wereldje. De conflicten in Rwanda, Oost-Congo en Kosovo hebben de noodhulpcapaciteit naar een piek gevoerd, maar daarna is het bergaf gegaan. NGO’s zijn steeds meer op ontwikkelingshulp gaan focussen, ten koste van hun crisiscapaciteit. Artsen Zonder Grenzen is de enige organisatie die de omgekeerde beweging heeft gemaakt, noodhulp is meer dan ooit onze specialiteit. We hebben onze interne opleiding ebolabestrijding uitzonderlijk voor  andere hulporganisaties open gesteld, in de hoop dat ze zelf in West-Afrika isolatiecentra zouden oprichten. Een aantal externe dokters heeft de opleiding gevolgd, maar ze werden nog niet uitgestuurd. Als het erop aankomt, blijft dat hun organisatie onvoldoende middelen of logistieke knowhow heeft om ginder zelf te ontplooien”.

-  Hoe zwaar is het werken in een ebola-kliniek?

Stokes: “West-Afrika kent maar een klimaat: heet en extreem vochtig. Lastig als je zoals onze mensen vacuüm verpakt zit onder een dubbele laag plastic. Iedere beweging vreet energie, iedere handeling vergt uiterste concentratie. Een simpel prikje geven, dat moet altijd met twee. Eentje hanteert de spuit, een tweede kijkt toe of er niks fout gaat. De kleinste perforatie van het isolatiepak kan al dodelijk zijn. Langer dan een uur, maximaal anderhalf, houdt niemand het vol. Een van onze dokters vertelde me dat ze na iedere sessie tot haar enkels in het zweet staat. We spreken van een no touch missie, wat wil zeggen dat ook buiten dienstverband fysiek contact tussen medewerkers verboden is. Groeten mag, handen schudden is uit den boze. Heel veel tijd gaat op aan het zich aan- en uitkleden, handen wassen en andere hygiënische voorzorgsmaatregelen. Ik ben best trots op ons team. Nog geen enkele besmetting, terwijl we toch al een half jaar bezig zijn en al driehonderd medewerkers hebben uitgestuurd die letterlijk in het hart van de epidemie werken en verblijven. Op de isolatieafdeling liggen de bevestigde besmettingen, patiënten in de laatste fase van de ziekte van wie alle lichaamsvochten krioelen van het virus. Voor die mensen kunnen we helaas weinig doen, behalve wat hydrateren en pijn bestrijden. De hoge mortaliteit maakt het werk ook mentaal erg belastend”.

-  Zijn de mensen niet bang om zieke verwanten naar jullie klinieken te brengen? De kans is immers groot dat ze hen niet meer levend terug zien.

Stokes: “In het begin leefde die angstreflex. Hele dorpen sloegen op de vlucht als onze medewerkers in hun witte pakken verschenen. We hebben een heel team op de been gebracht om te sensibiliseren. Met resultaat, het besef dringt door dat ze hun zieke verwanten toch beter naar onze centra kunnen brengen, omdat de kans groot is dat ze anders zelf besmet raken en sterven. We zijn geen boemannen meer, in Monrovia worden onze medewerkers zelfs als helden beschouwd. We hebben daar een duizendtal lokale medewerkers gerekruteerd. Dat ging verrassend vlot, blijkbaar hebben ze vertrouwen in de bescherming die we bieden. Enkelen zijn toch gestorven, maar het staat zo goed als vast dat ze buiten ons centrum zijn besmet. Na hun werk keren ze immers terug naar hun dorp en hun familie, sowieso een risico in een epidemiezone”.

-  verwacht u heil van ZMapp, het experimentele medicament dat met succes aan enkele gerepatrieerde Amerikanen werd toegediend?

Stokes: “Het is een interessante ontwikkeling, we onderhandelen met de WHO om experimentele medicamenten te mogen gebruiken. Maar middelen zoals Z Mapp gaan de epidemie in West Afrika niet indijken.  Zelfs als ze blijken te werken, blijft er het probleem van de beschikbaarheid. In het beste geval zal het de redding betekenen voor enkele Westerse gezondheidswerkers die met een besmetting worden gerepatrieerd. Ik worstel daar zelf mee. Gedurende mijn hele carrière bij AZG heb ik geijverd om de kwaliteitskloof te dichten, Afrikanen hebben evenveel recht op volwaardige zorg als Westerlingen. Onze lobbycampagne om de prijzen van HIV-remmers te drukken zodat ze beschikbaar worden in ontwikkelingslanden, is daar een illustratie van. Deze epidemie werpt ons terug in de tijd. Als ik de faciliteiten zie die in Europa paraat worden gehouden om een mogelijke Ebola-patiënt te verzorgen, dan bloedt mijn hart. De zorg die we in West-Afrika verstrekken, blijft ver beneden onze eigen standaard”.

-   Ebola is niet de enige gesel van onze tijd, oorlogen en conflicten domineren het nieuws. Syrië, Irak, Gaza, Oekraïne, het valt niet bij te benen. Was de humanitaire nood ooit erger dan vandaag?

Stokes: “De opeenvolging van crises tijdens de voorbije negen maanden is zonder voorgaande. De opsomming is trouwens onvolledig, ik mis Zuid-Soedan en de Centraal Afrikaanse Republiek. Waarom spreekt niemand daar nog over? Het moet een soort disaster attention disorder zijn, de belangstelling voor een crisis wordt verdrongen zodra er een nieuwe crisis uitbreekt. Nochtans is de toestand zowel in Zuid-Soedan als in de CAR absoluut dramatisch. In beide landen zie je een dodelijke cocktail van politieke en etnisch-religieuze tegenstellingen, versneden met grootschalige banditisme. Voor hulpverleners is het een nachtmerrie. In de CAR weet je bijvoorbeeld nooit wie de checkpoints bewaakt, waardoor het erg moeilijk is om de bevolking bij te staan. De moslims zitten intussen helemaal in de tang, ze kunnen geen kant meer uit zonder hun leven te riskeren. Het sectaire geweld in Zuid-Soedan is even gruwelijk, zelfs  ziekenhuizen blijven niet gespaard. Vijf van onze hospitalen werden geplunderd en in brand gestoken, op sommige plekken werden ook patiënten vermoord. Sinds het uitbreken van de Arabische Lente is het een trend: medische hulpverlening wordt steeds vaker een doelwit. We hebben het in Libië, Bahrein en recent nog in Gaza gezien, en in Syrië is het schering en inslag”.

-  AZG heeft zich uit Syrië teruggetrokken, nadat in januari zeven medewerkers werden gegijzeld. In mei werden ze ongedeerd vrijgelaten. Plannen om naar Syrië terug te keren?

Stokes: “We hebben ons nooit helemaal teruggetrokken, onze Syrische medewerkers zijn op post gebleven. Voor buitenlanders blijft het echter te gevaarlijk, nu meer dan ooit. De toestand in Syrië doet me terugdenken aan de eerste Tsjetsjeense oorlog, waar ik mijn debuut als hulpverlener heb gemaakt. Ook daar had je die dubbele laag: een conventionele oorlog met zware artillerie die veel slachtoffers maakt en hele wijken verwoest, en daar bovenop een burgeroorlog met aanslagen, liquidaties en kidnapping”.

- Ervaringen met ISIS, intussen beter bekend als Islamitische Staat?

Stokes:  “Als humanitaire organisatie is onze neutraliteit heilig. Bij een conflict proberen we met alle partijen een dialoog te voeren, de enige manier trouwens om bij de burgerbevolking te geraken. In Syrië hebben we dus ook contacten lopen met ISIS, helaas met weinig resultaat. Je kunt geen hulp bieden in een gebied dat in handen is van een gewapende partij die geen belang hecht aan de gezondheid van de bevolking onder haar controle. Van alle strijdende partijen is ISIS de moeilijkste om een rationeel gesprek mee te voeren, heel anders dan pakweg de Afghaanse Taliban die wel belang hechten aan medische hulp. Erger nog, ISIS viseert uitdrukkelijk buitenlandse hulpverleners. Ik ben een paar keer in Syrië geweest. In rebellengebied, want de regering liet ons niet binnen.  Bij de grens kreeg ik altijd dezelfde raad. ‘Als je wordt opgepakt, zeg dan vooral niet dat je voor een NGO werkt. Zeg liever dat je journalist bent, die laten ze gerust’. Dat is intussen ook al achterhaald”.