Tagarchief: Syrië

Dirk Van den Bulck, de commissaris-generaal die de asielpoort bewaakt

Knack, 16 september 2015

Dirk Van den Bulck, al tien jaar Commissaris-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen, weigert van een asielcrisis te spreken. Drukke periodes heeft hij al eerder meegemaakt, maar toch is deze situatie uniek. ‘Het gaat in overgrote meerderheid over mensen die echt nood aan bescherming hebben’. Gesprek met de man die de asielpoort bedient.

 

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Als Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) heeft Dirk Van den Bulck (57) een helikopterzicht op de asielcrisis. Niet alleen figuurlijk. Aan de voet van zijn kantoor 22 hoog in de WTC II-toren ligt het dezer dagen veelbesproken Maximiliaanpark, hij kijkt letterlijk in de potten en pannen van het geïmproviseerde vluchtelingenkamp. Het ziet er in de middagzon haast idyllisch uit, maar hij laat zich niet pramen. Poseren tussen de tenten? In zijn functie geen goed idee. Niet dat hij een bekend gezicht is, maar herkenning zou tot gênante situaties kunnen leiden. Tenslotte belichaamt Van den Bulck de hoop die deze vluchtelingen duizenden kilometers heeft voortgedreven. Het is de Commissaris-Generaal of een van zijn twee adjuncten die persoonlijk met hun handtekening een beschermende status en het perspectief op een nieuw leven verlenen.

–  er wordt al wekenlang aangeschoven bij de Dienst Vreemdelingenzaken, de eerste lijn in de asielprocedure. Kampt ook het CGVS, dat door de DVZ met dossiers wordt gevoed, met capaciteitsproblemen?

Van den Bulck: ‘Het wordt stilaan drukker, maar voorlopig kunnen we de instroom aan. Misschien wordt het nog spannend als de DVZ extra volk krijgt en zijn dagcapaciteit boven de 250 aanvragen uitbreidt. Maar ik heb er vertrouwen in. We hebben goed geanticipeerd door zelf tijdig extra personeel aan te werven en op te leiden’.

– vorige maand werden 4.621 asielaanvragen ingediend, drie keer meer dan in augustus 2014. Heeft u deze crisis zien aankomen?

Van den Bulck: ‘Ik was niet verrast, maar het blijft moeilijk een peil te trekken op dit fenomeen. Sinds vorig jaar zien we de globale cijfers in Europa constant stijgen, maar land per land bekeken, krijg je een heel ander beeld. België kende eind vorig jaar een duidelijke terugval, en zelfs in de eerste vier maanden van 2015 lag het aantal aanvragen op een normaal peil. Overigens, ik neem het woord asielcrisis niet graag in de mond, want daarmee wek je de verkeerde indruk dat de toestand onbeheersbaar is. Je moet die 4.621 aanvragen toch even in perspectief plaatsen: Zweden, een land met 9,5 miljoen inwoners, registreert maand na maand rond de 8.000 aanvragen’

Zweden keurt 80 procent van alle asielaanvragen goed, een Europees record. Verklaart dat de aantrekkingskracht?

Van den Bulck: ‘Zo eenvoudig is het niet, het beschermingspercentage ligt in België trouwens even hoog. Niet globaal, maar wel als je het per herkomstland bekijkt. Syriërs, Irakezen of Somaliërs, om maar die voorbeelden te geven, hebben in België een even grote kans als in Zweden. Percepties spelen altijd een rol. Afghanen worden bij ons vlot erkend, tussen de 60 en 80 procent. Toch zijn het de 20 procent afwijzingen die ons imago bepalen. België is erg restrictief voor Afghanen, wordt door bepaalde advocaten en organisaties rondgestrooid. Dan zag je vorig jaar het aantal Afghaanse aanvragen teruglopen, terwijl het anderzijds steeg in landen die echt restrictief zijn’.

– wat maakt landen dan wel aantrekkelijk? Het genereuze onthaal?

Van den Bulck: ‘Ja, en dat mag ons niet verwonderen. Kijk, het is niet de omvang die deze asielstroom uniek maakt, maar wel de historisch hoge beschermingsgraad. Het gaat dus in overgrote meerderheid om echte vluchtelingen, mensen die onder de Conventie van Genève vallen en nood aan asiel hebben. Het is logisch dat die mensen de afweging maken: welk land biedt de beste perspectieven om een nieuw leven op te bouwen? Dan kijken ze naar sociale steun, maar ook naar huisvesting en kansen op werk. De opvang van erkende vluchtelingen is op Europees niveau geharmoniseerd, er zijn internationale verdragen en communautaire richtlijnen die door de lidstaten werden omgezet. In grote lijnen komt het erop neer dat erkende vluchtelingen dezelfde rechten moeten krijgen als onderdanen, wat tussen haakjes gezegd meteen betekent dat pleidooien voor een apart sociaal statuut geen steek houden. Maar hier ligt het paard dus gebonden: er is geen sociaal eengemaakt Europa! Waarom willen asielzoekers zich niet laten registreren in Italië of Griekenland? Omdat ze daar een schamele uitkering krijgen en al na een paar maanden volledig op liefdadigheid terugvallen, net zoals behoeftige Italianen of Grieken. Waarom zou je daar als Syriër voor kiezen terwijl er elders in Europa betere opties zijn? In de praktijk zie je dat vooral Afrikanen zich in Italië laten registreren, goed wetend dat ze in Noord-Europese landen weinig kans op erkenning maken. Ze proberen het dan maar in Italië, ook al omdat daar altijd de hoop op een humanitaire erkenning leeft’.

– iedereen heeft de mond vol van Syrische vluchtelingen. Maar de helft van de aanvragen bij de DVZ wordt ingediend door jonge mannen uit de Iraakse hoofdstad Bagdad die allemaal hetzelfde vluchtverhaal vertellen. Wat is er aan de hand?

Van den Bulck: ‘Dat zijn we nog aan het onderzoeken. Het vertellen van een stereotiep verhaal betekent niet per se dat er filières aan het werk zijn. Maar het wijst er wel op dat de betrokkenen geen persoonlijk vluchtmotief hebben, of dat ze alleszins twijfelen aan de overtuigingskracht ervan. Het is een delicate toestand, want anders dan Syrië wordt Irak niet integraal als onveilig beschouwd. Vooral over de situatie in Bagdad heerst momenteel veel onduidelijkheid’.

– de Europese Dublin-verordening bepaalt dat een vluchteling  asiel vraagt in het land waar hij de Schengenzone betreedt, wat in deze crisis haast altijd neerkomt op Italië, Griekenland of Hongarije. Is die regel geen papieren tijger geworden?

Van den Bulck: ‘Er is veel kritiek op Dublin, maar men vergeet vaak dat het opzet dubbel is. In de eerste plaats is die verordening er gekomen om het asielshoppen te verhinderen. Dat was een echt fenomeen: asielzoekers die in het ene land werden afgewezen, dienden in het volgende een nieuwe aanvraag in. Zo konden ze jarenlang in Europa rondzwerven, omdat landen elkaars asielbeslissingen niet kenden. Dublin, dat samenhangt met het Eurodac-systeem voor identificatie van asielzoekers, heeft daar heel efficiënt paal en perk aan gesteld. Maar ik geef toe dat er een probleem is met het tweede objectief, het bepalen welk land bevoegd is voor het asielonderzoek. Dat blijkt weinig efficiënt, de massale instroom via transitlanden aan de buitengrenzen van de Schengenzone maakt een consequente toepassing onmogelijk. Dat besef leeft, Duitsland stuurt al een hele poos geen Syriërs meer terug naar Griekenland, zelfs niet als ze daar werden geregistreerd’.

– Europa reageert veel te traag en hopeloos verdeeld. Deelt u die veelgehoorde kritiek?

Van den Bulck: ‘Traag? Als je weet hoe complex de Europese besluitvorming werkt, dan was het eerste spreidingsplan van commissievoorzitter Juncker eind mei een staaltje van daadkracht. Een goed plan overigens met een sterke visie, kwaliteiten die vorige week ook in zijn state of the union zaten. Het recht op asiel blijft centraal staan, iedere lidstaat moet zijn verantwoordelijkheid nemen met respect voor alle Europese regels. Tegelijkertijd zorgt het verplicht spreiden van 160.000 vluchtelingen voor de nodige solidariteit. Bij die spreiding hoort een effectief terugkeerbeleid voor afgewezen asielzoekers, en filières worden aangepakt. Maar het plan gaat veel breder. Juncker wil veel meer inzetten op protection in the region:  vluchtelingen dicht bij hun herkomstlanden opvangen, en tegelijkertijd aan selectieve hervestiging doen, door kwetsbare groepen naar Europa over te brengen. Dat gebeurt nu al, in samenwerking met de UNHCR. België vangt dit jaar Syriërs op die uit Libanon worden overgevlogen. Een druppel op een hete plaat? Ja, maar vijf jaar geleden zou het ondenkbaar geweest zijn. En het is maar een begin. Bij UNHCR liggen plannen klaar voor de wereldwijde resettlement van 130.000 Syrische vluchtelingen’.

– allemaal sneller gezegd dan gedaan. Het huis staat in de fik, maar Europa is nog volop aan het discussiëren over de manier van blussen en het materiaal dat daarvoor moet worden aangekocht..

Van den Bulcke: ‘Europa moet vijf versnellingen hoger schakelen, dat klopt.  Alleen al om het spreidingsplan te realiseren, moeten er aan de grenzen in Griekenland, Italië en Hongarije hotspots komen, centra waar vluchtelingen worden geregistreerd, opgevangen en geselecteerd voor relocatie. Dat moet allemaal nog gebeuren, en intussen is het de maar vraag of het plan zal worden goedgekeurd. De interne verdeeldheid, en dan vooral de tegenstellingen tussen Oost- en West-Europa, is een kwalijke zaak. Toch steekt het mij dat het Europese asielbeleid wordt verguisd. Op politiek vlak loopt de samenwerking stroef, maar juridisch en administratief hebben we de voorbije jaren enorme stappen gezet naar een uniform asielbeleid. EASO, het Europees asielagentschap waar ik al vijf jaar in het bestuur zit, is de motor. We hebben een glashelder kader van rechten en plichten voor erkenning en opvang. Lidstaten kunnen zich op dat vlak geen frivoliteiten meer veroorloven, anders worden ze door nationale of Europese rechtbanken teruggefloten’.

– de N-VA pleit voor push-back op zee. Boten met vluchtelingen moeten worden teruggedreven naar de Turkse of Libische kusten. Wat vindt u daarvan?

Van den Bulck: ‘Push-back kan niet, in geen geval! Boten terugdrijven zonder de opvarenden de kans te geven asiel aan te vragen? Dat is een aanfluiting van het Europees en internationaal asielrecht’.

– intussen staat Schengen op instorten. Nu zelfs Duitsland grenscontroles opwerpt, klinkt in heel Europa de roep om de eigen grenzen te bewaken.…

Van den Bulck: ‘Instorten? Dat is flink overdreven, het is niet dat Duitsland zijn grenzen sluit. Er komen controles voor welbepaalde groepen, en alleen op welbepaalde plekken zoals treinstations. Ik zie de Duitsers nog niet zo snel douaneposten op de autosnelwegen naar Oostenrijk plaatsen. De maatregel moet vooral mensen afschrikken die geen nood aan asiel hebben, maar toch hun kans wagen. Die zijn best talrijk, het zijn lang niet allemaal Syriërs die de Balkanroute nemen. Het is zeer waarschijnlijk dat Merkels aankondiging om dit jaar 800.000 Syrische vluchtelingen op te nemen, allerlei stromen op gang heeft gebracht’.

– is raken aan Schengen taboe?

Van den Bulck: ‘Griekenland beschermt de buitengrenzen niet of nauwelijks. Dan is het legitiem dat lidstaten maatregelen treffen. Het is echter een illusie te denken dat we daarmee de grote stroom kunnen indijken. Zelfs als je grenzen opwerpt, moet je mensen de kans geven om asiel aan te vragen. Dat betekent dat je op die grenzen capaciteit moet bouwen om vluchtelingen te registreren, op te vangen en te screenen. Veel capaciteit, dat bewijzen de beelden die ons van de Hongaarse grens bereiken. Zonder meer terugsturen naar een zogenaamd veilig derde land, zoals Hongarije dreigt te doen door alle nieuwkomers naar Servië terug te drijven, kan echt niet. Hoe groot ook de toestroom, je wijst geen mensen af als je niet eerst hebt onderzocht of ze nood aan bescherming hebben. Daarom is het ook geen goed idee asielaanvragen op Europese ambassades te registreren, zoals her en der wordt geopperd. Er zouden binnen de kortste keren enorme files en onbeheersbare toestanden ontstaan’.

– het CGKS valt onder N-VA-staatssecretaris van asiel en migratie, Theo Francken. Is dat niet ongemakkelijk voor iemand met een sp.a-stempel? 

 Van den Bulck: ‘Ik heb natuurlijk een verleden. Adviseur migratie en asiel op de kabinetten van Tobback, Vande Lanotte en Van den Bossche. Dan heb je een stempel, niks aan te doen. Maar mag ik er toch even op wijzen dat ik hier niet als gevolg van een politieke benoeming zit? Zowel voor de functie van adjunct als die van Commissaris-Generaal ben ik als eerste uit een vergelijkend examen gekomen. Ik ben trouwens nooit actief geweest binnen een partij, in tegenstelling tot mijn voorgangers Marc Bossuyt (Open VLD) en Pascal Smet. (sp.a) Mijn relatie met staatssecretaris Francken is professioneel en correct. Politiek of ideologie komt daar niet bij kijken. Asiel is bij uitstek een juridisch en technische materie die weinig ruimte voor politieke interpretatie laat’.

– Theo Francken oogstte de voorbije weken gemengde reacties. Lof voor de doortastende manier waarop hij extra opvangcapaciteit organiseerde, kritiek op zijn soms ranzige communicatie over vluchtelingen. Hoe schat u zijn parcours in?

Van den Bulck: ‘Ik kan alleen vaststellen dat hij zijn dossiers kent en oprecht in de materie geïnteresseerd is. België heeft alle verhoudingen in acht genomen goed gereageerd op de vluchtelingenstroom. Dat is de verdienste van Francken die als goed vakminister verstandig heeft geanticipeerd. Over zijn communicatiestijl spreek ik me niet uit. Francken respecteert mijn onafhankelijkheid als Commissaris-Generaal, dus ga ik hem ook niet als politicus becommentariëren’.

– van de Wetstraat tot het dorpscafé, overal worden dezelfde vragen gesteld. Hoe moeten we die duizenden nieuwe vluchtelingen integreren? En hoeveel gaat ons dat kosten? Ligt u daar als bewaker van de asielpoort wakker van?

Van den Bulck: ‘Onze opdracht is onderzoeken of iemand al dan niet nood heeft aan bescherming. Dat doen mijn medewerkers in de grootst mogelijke objectiviteit, op basis van individuele gesprekken, gewapend met gedetailleerde en permanent geactualiseerde informatie over herkomstlanden. De maatschappelijke druk van het aantal asielaanvragen mag in dat proces geen enkele rol spelen. Uiteraard ben ik me als bevoorrecht waarnemer bewust van die druk. De uitdagingen zijn enorm, we zullen compleet nieuwe hefbomen moeten uitvinden om de integratie te doen slagen. Huisvesting bijvoorbeeld wordt een erg taaie brok, zeker in een dichtbevolkte regio als Vlaanderen’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

 

– worden Syriërs, die haast zonder uitzondering asiel krijgen, nog grondig gescreend? De vraag is van belang, want er leeft grote ongerustheid over IS-terroristen die als vluchteling in Europa infiltreren.

Van den Bulck: ‘Ik hoor die geruchten, ze werden trouwens door IS zelfs gelanceerd als een middel om hier paniek te zaaien. Ik kan alleen maar vaststellen dat we daar tot dusver geen enkele aanwijzing voor hebben gevonden. Maar we blijven waakzaam, we werken nauw samen met de Staatsveiligheid. In sommige landen gaan stemmen op om Syrische aanvragen uit efficiëntieoverwegingen zonder enig onderzoek af te handelen. Dat vind ik geen goed idee, we moeten iedere aanvraag individueel blijven onderzoeken, al was het maar om uit te sluiten dat er tussen die vluchtelingen folteraars zitten of anderen met bloed aan de handen’.

–  wereldwijd zijn zestig miljoen mensen op de vlucht voor oorlog en conflicten. De overgrote meerderheid is in Afrika en het Midden Oosten op de dool, zeg maar de periferie van het veilige en welvarende Europa. Is deze asielcrisis slechts een voorproefje?

Van den Bulck: ‘Ik vrees van wel. Kijk naar de grote brandhaarden in de wereld. In feite gaat het om een brede gordel die dwars door Afrika en het Midden Oosten snijdt, van Mali over Congo RDC en Somalië tot Syrië en Pakistan. Okay, al die conflicten worden door etnische en religieuze spanningen aangeblazen. Maar onder de oppervlakte speelt nog een ander mechanisme, dat van economische onderontwikkeling. Koppel dat aan een bevolkingsexplosie, en het resultaat is een explosieve cocktail. Vooral de toestand is sommige Afrikaanse landen  moet ons zorgen baren, er groeien daar tientallen miljoenen mensen op zonder enig toekomstperspectief. Europa moet veel meer doen om die landen te helpen, dat is een kwestie van welbegrepen eigenbelang. Juncker is zich daarvan bewust, hij heeft vorige week een lans gebroken voor een globale langetermijnaanpak’.

–  echte vluchtelingen hebben recht op bescherming en genieten doorgaans onze sympathie. Economische vluchtelingen daarentegen worden afgewezen en als profiteurs beschouwd. Het is de taak van het CGVS om het onderscheid te maken. Hoe lastig is dat?

Van den Bulck: ‘Het is niet altijd zwart-wit. Iemand die op het eerste gezicht door een economisch motief wordt gedreven, loopt misschien toch een risico op vervolging als hij wordt teruggestuurd. Een grondig, individueel onderzoek is noodzakelijk, maar op het einde van de rit moet je wel beslissen. Het is niet prettig iemand af te wijzen, je stuurt zo’n economische vluchteling altijd terug naar een hoop miserie. Maar dat is nog iets anders dan iemand terug te sturen naar een land waar hij foltering of vervolging riskeert. Het recht op asiel is zo fundamenteel dat we het moeten koesteren. Daarom blijft dat onderscheid noodzakelijk, anders halen we het hele concept van asiel onderuit’.

– U zit al tien jaar op deze post. Wordt u soms herkend door vluchtelingen die hun verblijfsstatus aan uw handtekening te danken hebben?

Van den Bulck: ‘Zelden. Ik kom niet rechtstreeks in contact met asielzoekers, alleen via hun dossier. Uit de media kennen ze mijn gezicht ook niet. Ik hecht veel belang aan een goede communicatie door mijn dienst, maar in tegenstelling tot sommige van mijn voorgangers zoek ik de media niet persoonlijk op. Het valt al eens voor dat iemand me komt bedanken, tijdens een conferentie of een boekvoorstelling. Dat is fijn, ook al is mijn persoonlijke verdienste bij zo’n erkenning eerder onrechtstreeks’.

Land van aankomst: erkende vluchtelingen over vluchtheuvel België

Knack Magazine, 9 september 2015   

De vraag houdt iedereen bezig: hoe moeten we omgaan met de duizenden erkende vluchtelingen die zich wellicht definitief in ons land zullen vestigen? Het antwoord is onvermijdelijk complex, maar aan precedenten ontbreekt het niet. Knack zocht een panel bij elkaar dat zestig jaar Belgische asielgeschiedenis overspant. Generaties, herkomstlanden en omstandigheden verschillen, maar over een ding zijn alle getuigen unisono: de nieuwe asielcrisis raakt hen persoonlijk. ‘We weten hoe het voelt om alles achter te laten’.

Nozizwe Dube (19)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

In één gemeente werden we afgewimpeld met het argument dat het Vlaams Belang er de grootste partij was, en dat ze dus geen zwarte optimetrist konden gebruiken’. 

Na het gesprek weten we niet wie het meeste indruk heeft gemaakt. Nozizwe die op vijf jaar tijd perfect Nederlands heeft geleerd, een ASO-diploma wetenschappen-wiskunde heeft behaald, en het tot voorzitter van de Vlaamse Jeugdraad heeft geschopt? Of van haar moeder Bridgit die deze zomer een driejarige opleiding opticien-optometriste heeft afgerond, een technische discipline lichtjaren verwijderd van de studie politieke wetenschappen die ze eerder in Zimbabwe voltooide? Bridgit kon er helaas niet bij zijn in het statige pand aan de Muntschouwburg waar de Vlaamse Jeugdraad kantoor houdt. Maar geen nood, Nozizwe laat geen moeite onverlet om de glansrol van haar moeder in haar eigen succesverhaal te benadrukken.

‘Moeder was als politiek wetenschapper erg kritisch voor het regime. Ze was geen lid van een partij, maar stond in haar geboortestad wel bekend als een mondige activiste die ook scherpe opiniestukken schreef. Dat is gevaarlijk in een dictatuur zoals Zimbabwe. Moeder zag wat er in haar omgeving gebeurde. Oppositieleden die door de politie werden opgepakt en gemarteld, meisjes en vrouwen die werden geslagen en verkracht. Om aan dat lot te ontsnappen is ze naar België gevlucht, terwijl ik bij mijn grootouders achterbleef’.

Haar vader schittert in het relaas door afwezigheid. Na de geboorte heeft hij haar verstoten. Traditie, zucht ze. Meisjes, die later toch maar in een andere familie introuwen, worden in Zimbabwe vaak als een last gezien. Haar moeder stond er dus alleen voor, maar bleef niet bij de pakken zitten.  ‘Zodra ze haar erkenning als vluchteling op zak had, is ze met de hulp van het Rode Kruis beginnen ijveren voor gezinshereniging. Na een paar jaar is het gelukt, ik was net veertien geworden toen ik in Zaventem landde. Moeder had alles vooraf geregeld, ik kon meteen naar een OKAN-klasje in Haasrode. Ik moest zo snel mogelijk Nederlands leren, moeder was trouwens zelf nog  Nederlandse les aan het volgen aan talencentrum van de KU Leuven. Ik maakte snel vorderingen, maar voelde me aanvankelijk geremd om te spreken. Moeder heeft me daarom in de Chiro ingeschreven, ik ben die eerste zomer verschillende weken op kamp geweest. Zo heb ik de knop omgedraaid, het spreken ging steeds vlotter. Normaal moest ik in september terug naar de OKAN-klas, maar ze hebben me meteen  naar het ASO laten overstappen. Tijdens de lessen Latijn mocht ik Frans ophalen, nog een taal die ik in Zimbabwe nooit had gehoord’.

Het is wonderwel gelukt, maar ze heeft moeilijke momenten gekend. Zoals dag twee van haar Belgische leven, toen ze in Tervuren de bus wou nemen en door een hufterige chauffeur in perfect onverstaanbaar Vlaams werd afgesnauwd. ‘Een momentopname, maar zoiets kan volstaan om je te kraken. Gelukkig had moeder me ervoor gewaarschuwd. Mensen zullen gemene dingen zeggen, maar je mag je daardoor niet laten ontmoedigen’. Gemene dingen heeft ze gehoord en hoort ze vandaag nog. Blijkbaar is een zwarte huidskleur voor sommigen nog altijd een vrijgeleide om racistische opmerkingen te maken. Ze heeft haar moeder bijgestaan in de moeilijke zoektocht naar een stageplaats. ‘Ze was de enige zwarte student, de enige ook die geen stageplaats vond. In één gemeente werden we afgewimpeld met het argument dat het Vlaams Belang er de grootste partij was, en dat ze dus geen zwarte optimetrist konden gebruiken. Op zo’n moment probeer ik aan positieve zaken te denken, zoals de vele mensen die ons hier hebben geholpen. Ik denk dan aan de medewerkers van het Rode Kruis, en aan de leerkrachten die me enorm hebben gesteund. Moeder en ik hebben ook een fantastische huisarts die altijd bereid is te luisteren als we het zwaar hebben’.

Terug naar Zimbabwe is uitgesloten, haar toekomst ligt hier. Ze twijfelt nog over haar studies, de opties zijn even divers als haar interesses. Maar de kans is groot dat ze als een geëngageerd burger door het leven stapt. ‘In het derde middelbaar kreeg ik de kans om in een Europees jongerenproject te stappen, ik ben er zelfs voor naar een conferentie in Denemarken gereisd. Op die manier heb ik de Vlaamse Jeugdraad leren kennen. Bij de online verkiezingen eind vorig jaar waren 40 jongeren kandidaat voor 12 zitjes in de Algemene Vergadering. Ik heb stevig campagne gevoerd en raakte verkozen. Van het een is het ander gekomen, intussen ben ik tot voorzitter benoemd’.

Op de agenda van de volgende vergadering van de Jeugdraad: de vluchtelingencrisis. ‘Uiteraard voel ik me erg betrokken, ik weet hoe het voelt om alles achter te laten. Ook de vrijwilligers van de Vlaamse Jeugdraad willen iets doen voor de vluchtelingen, zeker voor de kinderen en jongeren. Sommige mensen denken dat vluchtelingen van hun welvaart willen profiteren. Dat klopt niet, ik weet wat vluchtelingen hier zoeken. Een plek waar ze veilig zijn en een toekomst hebben”. Haar moeder is intussen volop aan het solliciteren. Gediplomeerd opticien-optimetrist met bovengemiddeld doorzettingsvermogen, plukrijper verschijnen ze niet op de arbeidsmarkt.

 

Mrti Molnr (62)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

‘De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst, dat heb ik allemaal zelf meegemaakt’.

Ze woont met haar16-jarige zoon in een fraai huis in Schaarbeek, dichtbij de VRT waar ze bijna veertig jaar als productieassistent heeft gewerkt. De Canvas-collega’s hebben haar met een geweldige groepsfoto uitgezwaaid, allemaal met een bril op halve neushoogte, Márti’s kenmerk bij uitstek. ‘Weet je dat ik me voor de BRT heb laten naturaliseren? Ik had pas mijn diploma van het Rits toen ik aan een examen regie-assistent kon deelnemen. Ik was geslaagd, maar om bij een parastatale benoemd te worden, moest ik de Belgische nationaliteit nemen. Het was met tegenzin, want op een of andere manier was ik aan mijn vluchtelingenstatus gehecht. Als ze er in de lagere school in Halle naar vroegen, antwoordde ik heel fier dat ik een UNO-vluchteling was, uit Hongarije nog wel. Ik voelde me dan heel bijzonder. Er zaten ook nadelen aan vast. Als we voor een schoolreis de grens overstaken, werd ik er met mijn gele UNO-kaart altijd uitgepikt voor een extra controle’.

Haar vluchtelingenverhaal begint op een Sinterklaasdag, meer precies op 6 december 1956. Enkele weken eerder hadden de Sovjet-tanks de Hongaarse volksopstand in bloed gesmoord. Zo’n 180.000 Hongaren vluchtten naar Oostenrijk, nog eens 20.000 naar Joegoslavië. ‘Vader was een automonteur in Vác. Hij deed niet aan politiek, maar zoals vele jonge mannen had hij  meegelopen in betogingen tegen de Russische bezetter. Misschien had hij niks te vrezen en zijn we voor niks gevlucht, maar dat zullen we nooit weten. Het sneeuwde toen we naar de Oostenrijkse grens vertrokken. Ik was drie jaar, mijn broers 4 en 7. Veel details herinner ik me niet meer, maar ik weet nog wel dat we met vier paar sokken en evenveel onderlijfjes in een hooimijt hebben gelegen, wachtend op het juiste moment om de grens over te steken. En wat me ook is bijgebleven: op de trein in Oostenrijk kregen we chocolaatjes van een dikke meneer van het Rode Kruis. Hij begroette ons met how do you do, en zo hebben we hem ook onthouden. Meneer Howdoyoudo, dat is een klassieker geworden bij de Molnárs’.

Het was een pastoor die hen na een odyssee langs Oostenrijkse en Duitse lagers naar België haalde. Van een pension in ’s Gravenwezel ging het naar de Limburgse mijnen waar vader Molnár het pad van Rocco Granata kruiste. ‘Lang zijn we daar niet gebleven, vader vond het werk in de mijn te ongezond. We zijn dan naar Halle verhuisd, waar mijn ouders als concièrge in een opvanghuis voor alleenstaande vluchtelingen konden wonen. Ook dat heeft niet lang geduurd, ik ben in mijn kindertijd heel vaak verhuisd. Uiteindelijk hebben mijn ouders een café in Halle overgenomen. Per ongeluk, ze waren dringend op zoek naar huisvesting, en de enige betaalbare optie was een leegstaand café. Ik ben dus als meisje in een volkscafé opgegroeid. Veel bijgeleerd over mannen, hoe ze aan de toog plakten in de ijdele hoop moeder en later mezelf te versieren. Ook veel schuttingtaal gehoord en lelijke dingen gezien. De Helaasheid der Dingen van Dimitri Verhulst, dat heb ik allemaal zelf meegemaakt’.

Van verplichte inburgerings- of taalcursussen had nog niemand gehoord. De zowat 7.0000 Hongaarse vluchtelingen in België moesten hun plan trekken, ook financieel. ‘Mijn ouders deden hun best, maar we hadden het niet breed. Vader heeft achtereenvolgens in de Forges de Clabecq, de ijsfabriek Artic en een papierfabriek gewerkt. Moeder hield het café open, maar ze was eerder al gaan schoonmaken en heeft een poos bij ACEC gewerkt. Koperdraad voor transformatoren opdraaien. Lastig werk,  ’s avonds lagen haar vingers open. Mijn ouders zijn allebei veel te jong gestorven. Of dat door hun ballingschap komt? Bij vader weet ik het niet, maar moeder heeft haar leven lang moeten vechten. Ze was 60 en mocht met pensioen, klaar om eindelijk wat te genieten, toen ze haar strijd tegen kanker verloor. Het leven kan zo onrechtvaardig zijn’.

Of Belgen gastvrij zijn? Ze hinkt op twee gedachten. ‘Op school werden mijn broers vaak voor vuile Hongaren uitgescholden. Zelfs later, toen ik al volwassen was en perfect Vlaams sprak, werd ik er nog mee geconfronteerd. Na een banale verkeersovertreding moest ik mijn gele identiteitskaart tonen. En dan nog een buitenlandse ook, zei de agent alsof het een verzwarende omstandigheid was. Die ervaringen hebben me allergisch gemaakt voor racisme, ik kan me heel goed de frustratie inbeelden van Marokkaanse jongens die voortdurend worden gecontroleerd. Gelukkig was er ook solidariteit. Juffrouw Marie-Louise van de kleuterschool nam me op een keer mee naar de Innovation in de Brusselse Nieuwstraat waar de Sint op zijn troon zat. Ik mocht voor mezelf en voor mijn broers een stuk speelgoed kiezen. Zo’n gebaar is ontzettend belangrijk, want als vluchtelingengezin ben je vaak erg eenzaam. Toch heb ik minder onder mijn vluchtelingenstatus geleden dan onder de armoede. Vriendinnetjes mochten van hun ouders niet gaan spelen bij de Hongaren in hun huis zonder badkamer.  Na de humaniora wilde ik psychologie gaan studeren. Dat kunnen jullie niet betalen, zei de man van het PMS vlakaf.

Dat uitgerekend Hongarije een muur bouwt tegen vluchtelingen, vindt ze een wrange grap van de geschiedenis. ‘Ik schaam me voor Hongarije, maar evengoed erger ik me aan de besluiteloosheid en verdeeldheid van Europa. We bekijken deze crisis louter door een economische bril: hoeveel gaat ons dat allemaal kosten? Die vraag vind ik ongepast, mensen in nood moeten we helpen. En als ik daar straks extra belastingen moet voor betalen, dan doe ik dat met alle plezier’.

 

Sami Azar (30)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

Eenzaam voelt hij zich niet. Sami heeft couchsurfing ontdekt als manier om vrienden te maken. 

Zijn Nederlands is nog wankel. Logisch als je nog maar anderhalf jaar in het land verblijft en veel aan je hoofd hebt. Engels is echter geen probleem voor deze natuurkundige die in Syrië als privéleraar chemie en fysica aan de kost kwam. Maar geen enkele taal kan volstaan om zijn vluchtverhaal tot in de kleinste details te vatten. Tijdens het gesprek zal hij in ons notaboek een schema tekenen, met pijlen om de relaties tussen de verschillende mensensmokkelaars te verduidelijken.

‘Ik kom uit een klein stadje niet ver van Homs waar veel  Christenen leven. In de zomer van 2013 kreeg ik mijn oproepingsbrief. Ik had geen zin om met het Syrische leger te gaan vechten, maar als Christen kon ik ook niet naar de soennietische rebellen vluchten. En dus ben ik naar Libanon gevlucht, zoals de meesten in zo’n situatie doen. In mijn geboortestad zijn alle jonge mannen gevlucht’.

Sami komt uit een niet onbemiddelde familie. Zijn ouders hielden bijna 12.000 euro klaar om hem naar Zweden te helpen ontkomen. De vliegreis van Libanon naar Istanboel was een sinecure, maar daarna liep het meteen mis. Een smokkelaar troggelde hem 4.000 euro af voor een reispas die nooit werd geleverd. ‘Anderhalve maand voor niks in een safehouse zitten wachten, dat heeft me nog eens 1.300 euro gekost. Ik heb dan een tweede smokkelaar ingeschakeld, hij kon me voor 3.500 euro naar Griekenland brengen. We zaten met 17 in een truck, begeleid door twee verkenningsvoertuigen. De grensrivier zijn we met een rubberbootje overgestoken, en vandaar zijn we beginnen marcheren. Alleen ’s nachts, de derde dag werden we door een auto opgepikt. Lang heeft dat niet geduurd, al na een kwartier werden we door de politie onderschept. Maar het geluk was aan mijn kant. Wie Engels sprak, werd na een week vrijgelaten met een voorlopige verblijfsvergunning. Twaalf van de zeventien hadden pech, die werden naar Turkije teruggestuurd’.

We moeten vooruit spoelen en cruciale passages op een drafje afhandelen. Hoe de tweede smokkelaar zijn ouders probeerde af te persen om de misgelopen 3,500 euro alsnog te incasseren. Hoe hij wel 14 keer tevergeefs probeerde in Athene een vlucht naar Zweden te nemen. Dat zijn valse paspoort niet deugde, was niet het enige probleem. ‘Ze zien het gewoon dat je Syriër bent. Aan je lichaamstaal, en de blik in je ogen. Angst, dat is wat je als Syriër altijd voelt als je met politie wordt geconfronteerd’. Bijna was het gelukt met de ferry naar Italië over te steken. Helaas, een ultieme scan in de haven van Patras deed de 30 verstekelingen in de laadbak de das om. ‘Ik heb dan een smokkelaar gevonden die me voor 6.500 euro via Kreta naar Zweden kon brengen. Mijn budget was op dat moment tot 3.000 euro geslonken, maar ik kende een vriend in Zweden die zich borg stelde voor de rest. De smokkelaar had zijn mannetjes op de luchthaven. Ik ben met een Ryan Air-vlucht vol Belgische toeristen naar Charleroi gevlogen, bedoeling was vandaar verder naar Zweden te reizen. Bij de douane viel ik meteen door de mand. ‘Hoeveel heb je voor dat Deense paspoort betaald’, vroeg de agent spottend, ‘5 dollar?’’.

Zijn vingerafdrukken werden genomen. Hij kende de Dublin-regels, er zat niet veel anders op dan in België asiel te vragen. Niet zijn voorkeurbestemming, maar het scheelde wel 3.500 euro aan smokkelkosten. ‘Ik heb mijn ouders gebeld. Dat ik in België was gestrand, moederziel alleen. Vader kon een uitgeweken dorpsgenoot in Brussel contacteren. Ik mocht er een paar dagen logeren, tot ik mijn asielaanvraag had ingediend en naar een centrum van het Rode Kruis in Menen kon verhuizen. Geen kwaad woord over de opvang in België. Vergeleken met Griekenland is het hier uitstekend georganiseerd’.

Na twee maanden werd hij erkend en begon de zoektocht naar huisvesting en OCMW. Ieper, Kortrijk, Gent, Brugge, Antwerpen, overal ving hij bot. Een tip van een landgenoot leidde hem uiteindelijk naar een betaalbaar appartement in de Mechelse stationsbuurt. ‘Niet toevallig’, zegt hij. ‘In Mechelen is een heuse Syrische ballingengemeenschap ontstaan, vooral Christenen. Het bevalt me hier, op een eigenschap na. Je hebt hier grote groepen Marokkanen, Asyriërs en Armeniërs. Het lijkt wel alsof er muren tussen al die gemeenschappen staan, ook met de Belgen is er nauwelijks contact’.

Over de taalcursussen is hij enthousiast, maar niet over de verplichte inburgeringscursus die eraan vooraf ging. ‘Het was bij Prisma, we kregen er les van een Marokkaanse vrouw die klassiek Arabisch sprak. Praktische informatie hoorden we niet, maar ze legde wel uit waar we overal naar de moskee konden gaan. Ze waarschuwde ons ook voor het racisme van de Belgen, en voor het vlees dat hier niet halal is. Dan moet je bedenken dat de helft van de klas niet eens moslim was’.

Het voorbije jaar bracht hij vooral met vrijwilligerswerk door. Getolkt bij Caritas, soep bedeeld bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen, geholpen bij Natuurpunt en zelfs bij volkssterrenwacht MIRA. ‘Maar ik wil een echte baan. Probleem is dat mijn Syrische master hier hooguit als bachelor wordt erkend. Ik ben al op gesprek geweest bij de VDAB; maar dat is een afknapper geworden. De man van de VDAB sprak razendsnel zodat ik onmogelijk kon volgen, ook al had ik intussen al aardig wat Nederlands geleerd. Uw Nederlands is te slecht, zei hij, u moet aangepast werk zoeken, als schoonmaker of bouwvakker.  Enig lichtpunt: volgend jaar kan ik een opleiding computerwetenschappen volgen. Beneden mijn niveau, maar het levert wel een getuigschrift op’.

Eenzaam voelt hij zich niet. Sami heeft couchsurfing ontdekt als manier om vrienden te maken. ‘Intussen is ook mijn broer in België. Hij zit nog in een opvangcentrum in Broechem, daarna komt hij wellicht naar Mechelen. We hebben nog een broer die geneeskunde studeert in Damascus. Zodra hij klaar is, vertrekt hij naar Duitsland om zijn legerdienst te ontlopen. In Syrië is voor ons geen toekomst meer’.

 

Manuel Fuentealba (69)

foto: Debbie Termonia

foto: Debbie Termonia

‘Nog niet zo lang geleden werden de archieven van de veiligheidsdiensten vrijgegeven. Ook mijn naam stond erin. Ik ben geen dag te vroeg vertrokken’.

We hebben afgesproken in provinciaal recreatiedomein De Ster in Sint-Niklaas. Hij heeft een abonnement, maakt er haast elke dag een gezondheidswandeling. Doktersvoorschrift, hij heeft al een hartaanval overleefd. Nu hij er bij stilstaat: heel wat van  zijn lot- en generatiegenoten, Chileense ballingen die tussen 1973 en 1976 naar België vluchtten, zijn al gestorven. ‘De jaren beginnen natuurlijk te wegen’, zegt hij. ‘Toch denk ik dat er meer aan de hand is. We hebben allemaal een zwaar leven achter de rug. Ik ben zelf niet fysiek gemarteld, maar als balling ga je gebukt onder de psychologische druk’.

Het concept van ballingschap kende hij reeds als kind. ‘In de regio van Concepcion wemelde het van de gevluchte Nazi’s. Vooral Duitsers, maar er was ook een volledig dorp van Vlaamse collaborateurs. Op school zaten kinderen van nazi’s die geen woord Spaans spraken. Ironisch genoeg zaten in de klas vaak ook kinderen van joodse Holocaust-slachtoffers. Soms werden die gepest door Duitse kinderen, alsof de oorlog niet voorbij was’.

Zelf koos hij als student sociologie in Concepcion resoluut voor links. ‘De Cubaanse revolutie was onze inspiratie. Uiteraard stonden we achter president Allende, al vonden we zijn coalitie van socialisten en communisten veel te soft. Je moest een kamp kiezen, Chili was begin jaren zeventig totaal gepolariseerd. De tegenstellingen tussen links en rechts beperkten zich niet tot de politiek, ze werden op de straat uitgevochten’.

De militaire staatsgreep van Augusto Pinochet op 11 september 1973 viel niet als een donderslag bij heldere hemel. Manuel, die op dat moment onderzoek deed naar arbeidsomstandigheden in de genationaliseerde industrie, stond gelukkig niet bovenaan de hitlijst van de geheime politie. ‘Het land was een complete chaos. In die verwarring werd een klopjacht gemaakt op de linkse leiders. Ik hield me gedeisd, maar mijn werk aan de universiteit was ik natuurlijk kwijt. Anderhalf jaar heb ik het nog uitgehouden, tot de grond onder mijn voeten te heet werd. Buitenkomen was gevaarlijk, want er stonden overal verklikkers klaar om linkse sympathisanten aan te geven. Nog niet zo lang geleden werden de archieven van de veiligheidsdiensten vrijgegeven. Ook mijn naam stond erin. Ik ben geen dag te vroeg vertrokken’.

De internationale contacten met linkse medestanders uit zijn academische periode bewezen hun nut. Een steuncomité van proffen en studenten van de ULB en VUB haalde hem naar België. ‘Er was enorm veel solidariteit met Chili. Socialisten, communisten, maoïsten, alle linkse stromingen die elkaar normaal rauw lustten, stonden als één blok achter ons. Maar we kregen ook veel steun van vakbonden en progressieve katholieken. Vooral in Vlaanderen leefde dat sterk, er was een organisatie voor het onthaal van Chileense vluchtelingen die haast in ieder dorp een afdeling had. Niet dat er een massale instroom was, ik schat dat in de eerste periode tussen 1973 en 1976 hooguit 150 Chilenen naar België zijn gevlucht. En ere wie ere toekomt: heel wat van die mensen hebben hun leven te danken aan Leo Tindemans. Ik weet dat het niet strookt met zijn reputatie, maar als premier heeft hij veel gedaan om visa aan Chileense dissidenten te verstrekken’.

Manuel werd achterna gereisd door zijn vrouw en oudste zoon, een tweede werd in België geboren. Hij studeerde in Louvain-la-Neuve om zijn diploma’s te laten homologeren, de bescheiden vluchtelingentoelage van de VN vulde hij aan met interimwerk. ‘Ik heb ik een garage en in de bouw gewerkt, zelfs in een munitiefabriek. Een van mijn beste vrienden was in Chili burgerlijk ingenieur, hier werkte hij als arbeider in de kerncentrale van Doel. We maalden er niet om, want we waren ervan overtuigd dat we snel terug zouden keren. De dictatuur kon toch niet eeuwig blijven duren? Pas rond 1980 drong het besef door: Pinochet zat steviger dan ooit in het zadel. Hij had een heel nieuwe samenleving gebouwd, gebaseerd op de economische recepten van de Chicago-boys. Dat was een kantelpunt, ik ben toen pas begonnen met Nederlands te studeren. Tot dan toe had ik me altijd met Frans, mijn tweede taal, gered. Zelfs in een Vlaams dorp maakte men daar geen probleem van, dat zou vandaag niet meer waar zijn’.

‘Na de dictatuur, eind jaren tachtig, zijn mijn vrouw en ik elk afzonderlijk naar Chili gereisd. De maatschappij was onherkenbaar veranderd. Het was ieder voor zich, alles was geprivatiseerd. Onderwijs was peperduur, en toch veel slechter dan in Vlaanderen. Toen we hebben de knoop doorgehakt: we zouden blijven. Ik had intussen een vaste baan in een chemische fabriek, we hebben een appartement gekocht. Een baksteen in de maag, zoals echte Vlamingen’.

Politiek blijft hem bijten, hij volgt de asielcrisis op de voet. ‘Uitspraken zoals die van Bart De Wever over die dode kleuter, daar krijg ik kippenvel van. Ik erger me ook aan het verschil dat men altijd maakt tussen politieke en economische vluchtelingen. In Syrië, Libië en Irak zijn de voorbije jaren 10.000 scholen verwoest. Ziekenhuizen zijn gesloten en er is geen drinkbaar water. Zijn de mensen die van dergelijke omstandigheden weglopen politieke of economische vluchtelingen? Het antwoord heeft geen belang, we moeten ze helpen’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AZG-directeur Christopher Stokes slaat alarm over ebola in West-Afrika

(Knack, 10 september 2014)

“Het worst scenario is nu al een feit”

Artsen Zonder Grenzen België levert een eenzame en ongelijke strijd tegen het ebola-virus in West-Africa. Directeur Christopher Stokes hekelt de misdadige onverschilligheid van de wereld. “Denken dat de epidemie vanzelf zal uitdoven is waanzin”. Gesprek met een gedreven hulpverlener die ook het nummer van ISIS op zak heeft.

 

AZG-directeur Christopher Stokes (foto: Tom Verbruggen, www.tomverbruggen.com)

AZG-directeur Christopher Stokes (foto: Tom Verbruggen, www.tomverbruggen.com)

 

 

Christopher Stokes, de Britse directeur van Artsen Zonder Grenzen België, moet er zelf om grinniken. Welke automobilist zou aan ebola denken als hij door de anonieme Dupréstraat in Jette sjeest? Laat staan dat hij zou beseffen dat van hieruit de oorlog tegen de epidemie in West-Afrika wordt gevoerd? “Dit gebouw is het zenuwcentrum van de hele campagne”, zegt Stokes die op het punt staat zelf naar de Liberiaanse hoofdstad Monrovia af te reizen. “Van hieruit hebben we al vijf isolatiecentra in Guinee, Liberia en Sierra Leone opgezet, samen goed voor 400 bedden. We zijn trouwens de enige hulporganisatie die patiënten opneemt en behandelt”.

Stokes wil zich niet op de borst kloppen, het monopolie stemt hem allesbehalve vrolijk. Al maandenlang roept AZG dat de ebola-epidemie uit de hand loopt. De ziekte brak begin dit jaar in een zuidelijke grensprefectuur van Guinée-Conakry uit, en breidde zich snel uit naar buurlanden Liberia en Sierra Leone. Vooral Monrovia is zwaar getroffen, wat de voorbije dagen apocalyptische beelden opleverde van strompelende, terminale patiënten die als pestlijders paniek zaaien op drukke marktpleinen. De herhaalde oproepen van AZG, bijgetreden door de autoriteiten van de getroffen landen, sorteerden tot dusver bitter weinig effect. Extra middelen en versterking bleven uit, en dus trok AZG vorige week aan de noodrem. In een toespraak voor de Verenigde Naties in New York riep internationaal voorzitter Joanne Liu lidstaten op om desnoods militaire teams te sturen om de epidemie een halt toe te roepen.

  Is het werkelijk zo dramatisch? Vorige woensdag telde de Wereld Gezondheidsorganisatie 3.500 besmettingen en 1.900 overlijdens. Valt nogal mee na zeven maanden epidemie…

Christpher Stokes: “Dat maken we onszelf wijs. In de WHO-statistieken tellen alleen de bevestigde besmettingen, patiënten dus die in een van onze centra werden geregistreerd. Het echte cijfer ligt wellicht drie tot vier keer hoger, want de meeste zieken raken nooit in onze centra en sterven thuis. De epidemie woedt ook op het platteland, en niemand weet hoeveel doden daar vallen. In Monrovia is de toestand catastrofaal, in onze kliniek tellen we nu al negentig doden per dag. En dan moet je weten dat ons centrum maar een paar uur per dag geopend is. Capaciteitsgebrek, ook al hebben we de isolatieafdeling intussen al tot 235 bedden uitgebreid. Dat is onze grootste frustratie: we roepen patiënten op om zich aan te melden voor opname zodat ze hun omgeving niet besmetten. Maar als ze dan komen, moeten we ze vaak wegsturen omdat er geen bedden vrij zijn. Dan zie je ze afdruipen, terug naar hun dorp of wijk waar ze thuis sterven en anderen besmetten. Het is om gek te worden. Normaal gezien volg je bij ebola een driestappenplan. Detecteren, isoleren en vervolgens contact tracking, nagaan met wie de patiënt recent contact heeft gehad om ook die mensen te controleren en desnoods te isoleren. Daar komen we helemaal niet aan toe, we worden overrompeld”.

–   En toch. Vergeleken met het aantal malariadoden die jaarlijks in Afrika vallen, is Ebola maar een klein probleem.

Stokes (zucht): “Die commentaar hoor ik voortdurend. Natuurlijk zinken 1.900 doden in het niets naast de honderdduizenden die jaarlijks aan malaria of aan de gevolgen van ondervoeding sterven. Maar wie het zo eng bekijkt, heeft er niks van begrepen. Malaria of ondervoeding zijn niet besmettelijk. Dat is het grote verschil; we kampen met een epidemie die niet alleen mensen wegmaait, maar ook een gigantische sociale en economische impact heeft. De drie getroffen landen hebben sowieso een fragiele gezondheidsinfrastructuur, en die wordt nu helemaal van de kaart geveegd.  West Afrika heeft geen enkele ervaring met ebola, waardoor dokters en gezondheidswerkers de ziekte eerst niet herkenden. Hoge koorts, onbedaarlijk beven? Malaria, dachten ze. Begrijpelijk, want de eerste symptomen zijn haast identiek. Precies daarom zijn er zoveel gezondheidswerkers gestorven. Stel je voor, de helft van de besmette patiënten tijdens de eerste weken van de epidemie in Liberia waren dokters, verplegers en kaderleden van het ministerie van volksgezondheid. In Monrovia, een stad met evenveel inwoners als Brussel, zijn intussen alle ziekenhuizen gesloten, het medisch personeel is dood of op de vlucht geslagen. Gevolg: slachtoffers van een verkeersongeval worden niet meer geholpen, bevallingen met complicaties lopen fataal af. En ja, er sterven meer mensen dan ooit aan malaria of HIV omdat ze geen medicatie meer krijgen. Om maar te zeggen, die 1.900 officiële ebola-doden zijn maar het topje van de ijsberg. Ook de economie ligt op apegapen. Grenzen gaan dicht, handelsstromen drogen op waardoor de markten niet meer bevoorraad raken. Als we niet snel ingrijpen en de keten van besmetting doorbreken, gaan die landen in complete chaos ten onder”.

–  wat moet er gebeuren?

Stokes: “Capaciteit uitbreiden! Het isolatiecentrum in Monrovia is met 235 bedden het  grootste ooit, maar we plannen nu al een uitbreiding tot 400 bedden. Zelfs dat zal niet volstaan, we hebben minstens 800 tot 1.000 bedden nodig. Kijk, bij een ebola-besmetting is er maar één juiste strategie: vanaf dag één overdimensioneren. Heel veel isolatiebedden voorzien, en afbouwen naarmate de epidemie afneemt. Maar hier gebeurt precies het tegenovergestelde. Terwijl de epidemie als een bosbrand voortraast, wordt de isolatiecapaciteit slechts mondjesmaat uitgebreid. Zelf zitten we als hulporganisatie aan ons plafond. Het Amerikaanse Center for Disease Control en de WHO nemen de labotests voor hun rekening, maar met de patiënten staan we helemaal alleen. Tachtig procent van de bedden in de vijf centra werd door ons geleverd, de rest door de respectieve autoriteiten. We hebben al driehonderd medewerkers gestuurd, mensen van AZG België en AZG Internationaal. We zouden er meer willen sturen, maar onze wervingsreserve is uitgeput. Vandaar de oproep aan de Verenigde Naties. Het is niet de bedoeling om gewapende troepen te sturen, maar heel wat lidstaten hebben de capaciteit in huis om ons bij te springen. Denk aan de civiele bescherming of aan gespecialiseerde legereenheden die al sinds de Koude Oorlog worden getraind in chemische of biologische oorlogsvoering. Medische specialisten zijn er genoeg, we hebben vooral mensen nodig die weten hoe ze een isolatiepak moeten aantrekken en hoe zich in moeilijke omstandigheden te beschermen. Daarnaast moet ook de logistieke en organisatorische capaciteit dringend worden opgekrikt. Transport is een nachtmerrie, en onze grootste vrees is dat de luchthavens helemaal dicht gaan waardoor we geen mensen of materiaal meer kunnen invliegen. Het was nu al een heksentoer om een vlucht naar Monrovia te boeken. Air France en British Airways hebben al hun trafiek naar ebola-landen geschrapt, alleen Air Maroc en SN Brussels vliegen nog. We plegen constant overleg met SN Brussels, een maatschappij met een sterk engagement in Afrika. Onze experts hebben hen uitgelegd hoe te reageren als een passagier tijdens een vlucht ziek wordt, zodat ze de risico’s realistisch kunnen inschatten”.

 Bij rampen komt er meestal een wedren tussen hulporganisaties op gang. Waarom moet het hier allemaal zo lang duren?

Stokes: “Het is onbegrijpelijk. Van in het begin hebben we aan de alarmbel getrokken. Dit is geen uitbraak zoals de vorige, toen het virus in afgelegen regio’s in Congo opdook. Deze uitbraak deed zich voor in een grensgebied, een kruispunt van handel en verkeer. Er werd niet geluisterd, ook niet door de lokale autoriteiten. Zeker in Guinee werd het probleem aanvankelijk ontkend en daarna geminimaliseerd. Om politieke redenen, de regering in Conakry was vooral bezorgd dat de grenzen zouden sluiten en de buitenlanders uit de mijnindustrie zouden gaan lopen. Maar ook de WHO is erg laat wakker geschoten, de organisatie heeft pas begin augustus de stap gezet om ebola tot een bedreiging voor de internationale volksgezondheid uit te roepen. Beter laat dan nooit natuurlijk, de WHO heeft intussen met onze inbreng een actieplan opgesteld. Het ligt er nu al een kleine maand, maar het is nog altijd wachten op kandidaten om het uit te voeren”.

–  Hoe komt dat toch?

 

Stokes: “Er is zeker geen gebrek aan media-aandacht, ebola spreekt tot de verbeelding. Jammer genoeg om de verkeerde redenen. We zijn geobsedeerd door de risico’s voor onze eigen landen, terwijl die met onze medische infrastructuur verwaarloosbaar zijn. Neem nu de heisa vorige week toen een van onze medewerkers in het Brusselse Sint-Pietersziekenhuis werd opgenomen. Louter preventief, er was niks aan de hand, maar het heeft ons vele kostbare uren aan crisiscommunicatie gekost. Het gevaar zit echt niet aan onze kant, we moeten ebola in West-Afrika bestrijden”.

–  Misschien moet er in Europa of Amerika een slachtoffer vallen om de hulp op gang te brengen…

Stokes: “Ik vrees voor een averechts effect, het zou er wellicht toe leiden dat men de getroffen landen volledig gaat isoleren. Die stemmen hoor je nu al: afgrendelen en de epidemie zal vanzelf uitdoven. Maar dat is het domste wat men kan doen! Als men de grenzen sluit, gaan mensen clandestien reizen en deint de besmetting zonder enige controle verder uit. Een massale inspanning om de vicieuze besmettingsketen te doorbreken, dat is wat dringend moet gebeuren. Nu al spreken we van een worst case scenario. Een ebola-epidemie in drie landen, voor het eerst in de geschiedenis ook in een grootstad. Maar het kan altijd nog erger. Wat als de epidemie straks naar een megapolis zoals Lagos overslaat? Er was al een geval: een besmette passagier die vanuit Liberia was ingevlogen en ziekenhuispersoneel heeft besmet. Gelukkig is daar alert op gereageerd. Men wist wie patient zero was, en met wie hij in contact was getreden. Toch maken we ons grote zorgen, want ook in het Westen van Nigeria hebben zich al enkele verdachte besmettingen voorgedaan. De uitbraak in Congo vorige maand staat daarentegen los van de epidemie in West-Afrika. Stom toeval”.

Waarom steekt alleen AZG België de nek uit?

Stokes: “Binnen AZG is België altijd het referentiecentrum voor ebola geweest. Ook bij vorige, kleinere uitbraken hebben we van hieruit teams uitgestuurd, en we hebben permanent twee tot drie dokters rondlopen die zich in het virus specialiseren. Toch ligt daar niet de verklaring. Ik draai al twintig jaar mee in dit wereldje. De conflicten in Rwanda, Oost-Congo en Kosovo hebben de noodhulpcapaciteit naar een piek gevoerd, maar daarna is het bergaf gegaan. NGO’s zijn steeds meer op ontwikkelingshulp gaan focussen, ten koste van hun crisiscapaciteit. Artsen Zonder Grenzen is de enige organisatie die de omgekeerde beweging heeft gemaakt, noodhulp is meer dan ooit onze specialiteit. We hebben onze interne opleiding ebolabestrijding uitzonderlijk voor  andere hulporganisaties open gesteld, in de hoop dat ze zelf in West-Afrika isolatiecentra zouden oprichten. Een aantal externe dokters heeft de opleiding gevolgd, maar ze werden nog niet uitgestuurd. Als het erop aankomt, blijft dat hun organisatie onvoldoende middelen of logistieke knowhow heeft om ginder zelf te ontplooien”.

–  Hoe zwaar is het werken in een ebola-kliniek?

Stokes: “West-Afrika kent maar een klimaat: heet en extreem vochtig. Lastig als je zoals onze mensen vacuüm verpakt zit onder een dubbele laag plastic. Iedere beweging vreet energie, iedere handeling vergt uiterste concentratie. Een simpel prikje geven, dat moet altijd met twee. Eentje hanteert de spuit, een tweede kijkt toe of er niks fout gaat. De kleinste perforatie van het isolatiepak kan al dodelijk zijn. Langer dan een uur, maximaal anderhalf, houdt niemand het vol. Een van onze dokters vertelde me dat ze na iedere sessie tot haar enkels in het zweet staat. We spreken van een no touch missie, wat wil zeggen dat ook buiten dienstverband fysiek contact tussen medewerkers verboden is. Groeten mag, handen schudden is uit den boze. Heel veel tijd gaat op aan het zich aan- en uitkleden, handen wassen en andere hygiënische voorzorgsmaatregelen. Ik ben best trots op ons team. Nog geen enkele besmetting, terwijl we toch al een half jaar bezig zijn en al driehonderd medewerkers hebben uitgestuurd die letterlijk in het hart van de epidemie werken en verblijven. Op de isolatieafdeling liggen de bevestigde besmettingen, patiënten in de laatste fase van de ziekte van wie alle lichaamsvochten krioelen van het virus. Voor die mensen kunnen we helaas weinig doen, behalve wat hydrateren en pijn bestrijden. De hoge mortaliteit maakt het werk ook mentaal erg belastend”.

–  Zijn de mensen niet bang om zieke verwanten naar jullie klinieken te brengen? De kans is immers groot dat ze hen niet meer levend terug zien.

Stokes: “In het begin leefde die angstreflex. Hele dorpen sloegen op de vlucht als onze medewerkers in hun witte pakken verschenen. We hebben een heel team op de been gebracht om te sensibiliseren. Met resultaat, het besef dringt door dat ze hun zieke verwanten toch beter naar onze centra kunnen brengen, omdat de kans groot is dat ze anders zelf besmet raken en sterven. We zijn geen boemannen meer, in Monrovia worden onze medewerkers zelfs als helden beschouwd. We hebben daar een duizendtal lokale medewerkers gerekruteerd. Dat ging verrassend vlot, blijkbaar hebben ze vertrouwen in de bescherming die we bieden. Enkelen zijn toch gestorven, maar het staat zo goed als vast dat ze buiten ons centrum zijn besmet. Na hun werk keren ze immers terug naar hun dorp en hun familie, sowieso een risico in een epidemiezone”.

–  verwacht u heil van ZMapp, het experimentele medicament dat met succes aan enkele gerepatrieerde Amerikanen werd toegediend?

Stokes: “Het is een interessante ontwikkeling, we onderhandelen met de WHO om experimentele medicamenten te mogen gebruiken. Maar middelen zoals Z Mapp gaan de epidemie in West Afrika niet indijken.  Zelfs als ze blijken te werken, blijft er het probleem van de beschikbaarheid. In het beste geval zal het de redding betekenen voor enkele Westerse gezondheidswerkers die met een besmetting worden gerepatrieerd. Ik worstel daar zelf mee. Gedurende mijn hele carrière bij AZG heb ik geijverd om de kwaliteitskloof te dichten, Afrikanen hebben evenveel recht op volwaardige zorg als Westerlingen. Onze lobbycampagne om de prijzen van HIV-remmers te drukken zodat ze beschikbaar worden in ontwikkelingslanden, is daar een illustratie van. Deze epidemie werpt ons terug in de tijd. Als ik de faciliteiten zie die in Europa paraat worden gehouden om een mogelijke Ebola-patiënt te verzorgen, dan bloedt mijn hart. De zorg die we in West-Afrika verstrekken, blijft ver beneden onze eigen standaard”.

–   Ebola is niet de enige gesel van onze tijd, oorlogen en conflicten domineren het nieuws. Syrië, Irak, Gaza, Oekraïne, het valt niet bij te benen. Was de humanitaire nood ooit erger dan vandaag?

Stokes: “De opeenvolging van crises tijdens de voorbije negen maanden is zonder voorgaande. De opsomming is trouwens onvolledig, ik mis Zuid-Soedan en de Centraal Afrikaanse Republiek. Waarom spreekt niemand daar nog over? Het moet een soort disaster attention disorder zijn, de belangstelling voor een crisis wordt verdrongen zodra er een nieuwe crisis uitbreekt. Nochtans is de toestand zowel in Zuid-Soedan als in de CAR absoluut dramatisch. In beide landen zie je een dodelijke cocktail van politieke en etnisch-religieuze tegenstellingen, versneden met grootschalige banditisme. Voor hulpverleners is het een nachtmerrie. In de CAR weet je bijvoorbeeld nooit wie de checkpoints bewaakt, waardoor het erg moeilijk is om de bevolking bij te staan. De moslims zitten intussen helemaal in de tang, ze kunnen geen kant meer uit zonder hun leven te riskeren. Het sectaire geweld in Zuid-Soedan is even gruwelijk, zelfs  ziekenhuizen blijven niet gespaard. Vijf van onze hospitalen werden geplunderd en in brand gestoken, op sommige plekken werden ook patiënten vermoord. Sinds het uitbreken van de Arabische Lente is het een trend: medische hulpverlening wordt steeds vaker een doelwit. We hebben het in Libië, Bahrein en recent nog in Gaza gezien, en in Syrië is het schering en inslag”.

–  AZG heeft zich uit Syrië teruggetrokken, nadat in januari zeven medewerkers werden gegijzeld. In mei werden ze ongedeerd vrijgelaten. Plannen om naar Syrië terug te keren?

Stokes: “We hebben ons nooit helemaal teruggetrokken, onze Syrische medewerkers zijn op post gebleven. Voor buitenlanders blijft het echter te gevaarlijk, nu meer dan ooit. De toestand in Syrië doet me terugdenken aan de eerste Tsjetsjeense oorlog, waar ik mijn debuut als hulpverlener heb gemaakt. Ook daar had je die dubbele laag: een conventionele oorlog met zware artillerie die veel slachtoffers maakt en hele wijken verwoest, en daar bovenop een burgeroorlog met aanslagen, liquidaties en kidnapping”.

Ervaringen met ISIS, intussen beter bekend als Islamitische Staat?

Stokes:  “Als humanitaire organisatie is onze neutraliteit heilig. Bij een conflict proberen we met alle partijen een dialoog te voeren, de enige manier trouwens om bij de burgerbevolking te geraken. In Syrië hebben we dus ook contacten lopen met ISIS, helaas met weinig resultaat. Je kunt geen hulp bieden in een gebied dat in handen is van een gewapende partij die geen belang hecht aan de gezondheid van de bevolking onder haar controle. Van alle strijdende partijen is ISIS de moeilijkste om een rationeel gesprek mee te voeren, heel anders dan pakweg de Afghaanse Taliban die wel belang hechten aan medische hulp. Erger nog, ISIS viseert uitdrukkelijk buitenlandse hulpverleners. Ik ben een paar keer in Syrië geweest. In rebellengebied, want de regering liet ons niet binnen.  Bij de grens kreeg ik altijd dezelfde raad. ‘Als je wordt opgepakt, zeg dan vooral niet dat je voor een NGO werkt. Zeg liever dat je journalist bent, die laten ze gerust’. Dat is intussen ook al achterhaald”.

 

 

 

 

 

Een Vlaamse Norbertijn in de Syrische burgeroorlog

interview pater Daniël Maes die er een  uitgesproken mening over de Syrische burgeroorlog op nahoudt. (Knack, 4 september 2013)

Drie jaar geleden verruilde pater Maes de abdij van Postel voor het klooster Mar Yakub in Syrië. Leven in gemeenschap heeft een nieuwe dimensie gekregen, nu hij door het geweld geen voet meer buiten zet. Tussen de voorbereidingen op een Amerikaanse luchtaanval door, deelt hij niet alleen zijn ervaringen maar ook zijn sympathie voor het Syrische regime. “Dit is geen burgeroorlog, maar een conflict dat van buitenaf werd geïmporteerd”.

Telefoneren of skypen was technisch onmogelijk, en hem opzoeken in zijn Syrische klooster helemaal ondenkbaar. De Vlaamse Norbertijn Daniël Maes ( 75) woont al drie jaar in Qâra, halfweg tussen Damascus en Aleppo.  Geen doorkomen aan, zelf waagt hij zich al maandenlang niet meer buiten de kloostermuren. Een interview? Kon alleen per e-mail, een communicatievorm die slechts bij vlagen door het oorlogsgeweld wordt verlamd. Hij zou zijn antwoorden uiterlijk zaterdagavond sturen, maar de brandende actualiteit gooit roet in het eten. Het heeft er die zaterdag namelijk alle schijn van dat de Amerikanen binnen de 24 uur kruisraketten op Syrië zullen afvuren, als vergeldingsactie voor de aan het regime toegeschreven gifgasaanval op een door rebellen gecontroleerde buitenwijk van Damascus. Het zal een dag later worden, mailt hij zaterdagmiddag wat laconiek, hij moet eerst zijn gemeenschap in veiligheid brengen…

Die gemeenschap behoort tot de Melkitische ofte Grieks-Katholieke kerk, onderworpen aan Rome, maar trouw aan de Byzantijnse ritus en de Gregoriaanse kalender. Het klooster, gewijd aan Sint-Jacob de Verminkte, werd in 1993 door de Frans-Libanese karmelietes Mère Agnès-Mariam gesticht. Recent dus, maar wel op een plek die kerkgeschiedenis ademt. Deir Mar Yakub verrees op de ruïnes van wat in zesde eeuw het belangrijkste klooster van het Midden Oosten was.

Wat dreef u als Vlaamse Norbertijn naar een klooster in Syrië?

Maes: “Ik had Mère Agnès-Mariam op een oecumenische bijeenkomst leren kennen. Ze is een fascinerende vrouw, ik heb haar voor enkele lezingen naar België uitgenodigd. In 2010 ben ik dan voor twee maanden naar Deir Mar Yakub getrokken, voor mij een moment van monastieke herbronning. Het hele project sprak me geweldig aan: Mère Agnès-Mariam was met een handvol medezusters bezig op de ruines van een historisch klooster een oecumenische ontmoetingsplaats te bouwen, een soort Taizé van het Midden Oosten. Toen ze me in 2011 vroeg of ik in Mar Yakub een priesterseminarie wilde beginnen, heb ik niet getwijfeld. We zijn met vier jonge mannen met een voorbereidend jaar gestart. Helaas, door de veiligheidssituatie ligt de vorming stil en hebben drie van de vier het klooster moeten verlaten”.

Bij uw aankomst was de Arabische Lente nog niet begonnen, en ook na het uitbreken van de revoluties in Tunesië en Egypte leek Syrië een toonbeeld van stabiliteit. Ooit gedacht dat het zover kon komen?

Maes: “Nee. Toen ik vertrok had ik zoals alle Westerlingen een hoop vooroordelen. Syrië was een typisch Arabisch land, waar een autoritair regime alle touwtjes in handen hield en waar geen respect bestond voor de rechten en vrijheden van burgers. Maar van dat democratisch tekort heb ik weinig gemerkt, in mijn persoonlijk leven noch in mijn omgeving. Zolang men niet aan politiek deed en geen openlijke kritiek op de president gaf, waren er geen problemen. Wat ik daarentegen wel ontdekte was een warme, veilige en vrij welvarende maatschappij, een land waar onder de vleugels van de eenheidspartij verschillende gemeenschappen en religies harmonieus samenleefden. Letterlijk zelfs, want in heel wat families zijn verschillende religies vertegenwoordigd. Ik heb die verdraagzaamheid zelf ondervonden, als katholiek priester was ik overal even welkom. Of het nu christelijke, soennitische of alevitische families waren, overal werden koffie en Arabische zoetigheden geserveerd. Deze burgeroorlog is dan ook geen volksopstand, het gaat om een conflict dat door een aantal Westerse en Arabische landen en groeperingen werd geïmporteerd”.

Hoezo?

Maes: “De Verenigde Staten hebben hun antipathie voor de Syrische regering nooit verborgen, wellicht vanwege de banden met de Hezbollah en met het sjiitische regime in Iran. Ik heb het conflict letterlijk zien ontstaan. In navolging van de zogenaamde Arabische lentes heeft men van buitenaf het vuur aan de lont gestoken door bevolkingsgroepen tegen elkaar op te hitsen. Ik wil de opstandelingen niet allemaal over dezelfde kam scheren. Er is een grote groep weldenkende burgers die het beste met dit land voorheeft. Helaas zijn ze hopeloos verdeeld en totaal niet opgewassen tegen de “versterking” die ze hebben gekregen, in de vorm van de goed getrainde Al Qaida strijders en fanatieke salafisten die alle andersdenkenden willen elimineren. Het is totaal onbegrijpelijk hoe het Westen en zijn media deze gruwelen in Syrië onderschatten terwijl diezelfde salafisten overal ter wereld als een gesel worden bestreden en hun aanhangers in gevangenissen zoals Guantánamo worden opgesloten”.

Wordt het klooster door salafistische milities bedreigd?

Maes: “Het wemelt in de streek van de fanatieke strijders. De bevolking van Qâra is zowat verviervoudigd, vooral door de instroom van rebellen die uit Damascus en Aleppo werden verjaagd. In de centrale moskee worden af en toe tirades tegen ons afgestoken. Op een vrijdagavond hoorden we een salafistische predikant oproepen dat er in Syrië geen plaats was voor ongelovigen. Even later stond een bende heethoofden klaar om het klooster aan te vallen. Het waren bange uren, maar gelukkig werden ze tegengehouden door  de locale bevolking die aan onze kant staat. We nemen zeer strikte veiligheidsmaatregelen in acht, in feite leven we in een soort familiale gevangenis. Niemand komt nog buiten de kloostermuren, niet op onze eigen akkers, noch in de binnentuin en zelfs niet op het dak. De ramen in de refter zijn met zandzakken bedekt, het lijkt hier wel de Eerste Wereldoorlog. We liggen tamelijk letterlijk in de vuurlinie. Het klooster werd al drie keer door raketten getroffen, telkens bij een aanval van het leger op de rebellen. Gelukkig is er tot dusver alleen materiële schade”.

De gifgasaanval van 21 augustus blijft controversieel. Heel wat elementen wijzen in de richting van het Syrische leger, Amerika zegt zelfs harde bewijzen te hebben dat het regime verantwoordelijk is. U twijfelt daaraan. Op welke gronden?

Maes: “Eerst en vooral dit: ik vind het onbegrijpelijk dat er al een oordeel werd geveld, terwijl de VN inspecteurs nog aan hun rapport moesten beginnen. Iedereen heeft recht op een eerlijk proces, dat is een basisregel in iedere democratische rechtstaat. Ik heb met heel wat mensen over deze zaak gepraat. Iedereen stelt zich hier dezelfde vraag: welk belang kon Assad bij die gifgasaanval hebben? Zo’n aanval uitvoeren, onder de neus van de VN -onderzoekscommissie die net in Damascus was neergestreken? Zo dom is Assad heus niet, temeer omdat hij aan de winnende hand is. Want iedereen weet dat de rebellen de voorbije maanden zwaar in het defensief werden gedwongen. Ze hebben dringend nood aan buitenlandse steun, en precies daarom komt die gifgasaanval hen zo gelegen. Ach, het past allemaal in een scenario dat Obama vorig jaar al heeft uitgetekend, toen hij zijn fameuze rode lijn trok. Het argument dat de rebellen niet over de nodige expertise voor zo’n chemische aanval beschikken, is onzin. De salafistische milities zijn goed getraind en bewapend, bovendien hebben ze al bewezen wat ze in hun mars hebben. Niemand minder dan Carla del Ponte, lid van de VN onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Syrië, heeft enkele maanden geleden verklaard dat er sterke aanduidingen zijn dat de rebellen in Kahn el Assal gifgas hebben gebruikt. En hoe reageerde het Westen? Door de goede naam van mevrouw Del Ponte te besmeuren”.

Hoe komt het dat de meeste van de zowat drie miljoen Syrische Christenen openlijk met het regime van Bashar al-Assad sympathiseren?

Maes: “Ze hebben veel te verliezen,  zoals alle Syriërs trouwens. Bij het begin van de oorlog ben ik even naar België teruggekeerd. In de pers verschenen dagelijks karikaturen van Assad, een dictator wiens handen letterlijk dropen van het bloed. Dat is geen informatie maar manipulatie. Ver van mij om Syrië een ideale staat te noemen. De president en zijn Baathpartij monopoliseerden ongeveer alle macht, de grootste bedrijven waren in handen van zijn familie. Corruptie is hier een structureel kwaad, dat heeft Assad zelf gezegd. Over het democratisch tekort had ik het eerder al. Openlijk kritiek leveren kon al een reden zijn om opgepakt te worden. Anderzijds stond het regime garant voor veiligheid, godsdienstvrijheid en gelijke rechten van mannen en vrouwen. Door de strakke prijscontrole was het leven goedkoop, onderwijs en gezondheidszorg waren zelfs gratis. Assad had bovendien zijn schouders gezet onder grondige hervormingen, met een nieuwe grondwet en een parlementair meerpartijenstelsel als eindpunt. Dat proces werd door de bevolking gedragen, ook door de moslims. Maar het Westen wil dat allemaal niet zien. Erger nog, ze proberen de hervormingen te boycotten. Syrië moet en zal worden ontwricht en ‘gelibaniseerd’, opgedeeld in stukken die door verschillende gemeenschappen worden gecontroleerd. Voor de christenen, die hier altijd de rol van bindmiddel in de samenleving hebben gespeeld, zal daarbij geen plaats meer zijn. Nu al zijn 430.000 christenen op de vlucht voor het geweld, velen bevinden zich in buitenlandse kampen”.

Kan de val van Assad het einde van de burgeroorlog bespoedigen?

Maes: “Dat willen we in het Westen graag geloven. Maar hebben de val van Moebarak en Kadhafi iets opgelost? Is Libië nu een paradijs voor de westerse democratie? Tienduizenden  doden, een verwoest land dat zo werd ingericht dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar blijven uitmoorden, een goudmijn voor de wapenindustrie.  Dat België daar heeft aan meegewerkt, vind ik nog altijd beschamend. Of zullen we het over Irak hebben? De Amerikaanse invasie zou vrijheid brengen, maar het resultaat is chaos en terreur met honderdduizenden slachtoffers. Een van de oudste beschavingen ter wereld werd compleet vernietigd, en de christelijke gemeenschap is nagenoeg uitgeroeid”.

Ziet u een oplossing voor het escalerende, sektarische geweld?

Maes: “Zoals ik al zei: dat sektarisch geweld werd van buitenaf geïmporteerd. De Syriërs willen helemaal geen burgeroorlog, ze willen vooral met rust gelaten worden. Sluit de grenzen voor terroristen, zet alle vreemde strijders het  land uit, stop met het van buitenaf ondersteunen van groeperingen die op de vernietiging van Syrië uit zijn, en dan zal er vanzelf weer vrede en welvaart heersen . Moslims of christenen, alle Syriërs zijn patriotten. Ze willen geen marionet van vreemde wereldheersers zijn, maar leven in een onafhankelijk en seculier land, waar verschillende godsdiensten in vrede en op voet van gelijkheid met elkaar omgaan”.

“Toen ik hier pas was aangekomen, ben ik eens moederziel alleen een lange wandeling in de woestijn gaan maken. Op zeker ogenblik hoorde ik iemand roepen, een herder met een grote kudde. Hij wenkte me bij zich, nam een deken van de rug van zijn ezel en legde die op de grond voor mij. Hij maakte een vuurtje met wat stokjes, struiken en vuile plastiekzakken die hier helaas overal rondzwerven, en zette thee. Ik kon weinig meer zeggen dan dat ik een priester uit België was: abouna baldjiekie. Wij genoten van ons samenzijn en namen afscheid alsof we broers waren. Dat was dus Syrië, drie jaar geleden. Als ik hier nu één stap buiten zet, ben ik een vogel voor de kat. Ik kan gekidnapt worden, of ze leveren me in mootjes gehakt af in een plastiekzak met mijn foto er op. Dan vraag ik me af: wie heeft er voor gezorgd dat die heerlijke land nu een hel is? In ieder geval niet de Syrische regering”.

Op vele fronten thuis: de oorlogsreporters van de VRT

verschenen in Humo, 31 december 2012

oorlogsreporters VRT

 foto: Marco Mertens

Wannes Van de Velde zong het al. Kerstmis is dien dag da ze niet schieten. Kan dat de verklaring zijn waarom de ijzervreters van de VRT-nieuwsdienst zich aan de vooravond van het Feest van de Vrede voltallig aan de Reyerslaan ophouden? Het is alleszins een mooie gedachte. De kanonnen die tussen Kerst en Nieuwjaar zwijgen, de drones die aan de grond blijven, de bermbommen die wachten met ontploffen tot confetti en guirlandes bij elkaar zijn geveegd. Helaas, een blik op de headlines leert dat het ook om en rond de jaarwende business is als usual. In Syrië roken de puinhopen, in Pakistan vliegen auto’s en omstanders in de  lucht, en in Mali en Soedan is het ook niet pluis. Nee, het zal wel aan hun dienstrooster liggen dat zowel Rudi Vranckx, Katrien Vanderschoot als Jens Franssen in het land zijn. Even op het thuisfront op adem komen, wie zou het hen ook misgunnen? Alle drie hebben ze hectische weken achter de rug. Rudi Vranckx en Jens Franssen brachten live verslag uit van de laatste opflakkering in de Gaza-oorlog, respectievelijk vergezeld van een cameraploeg en een radiotechnicus. Het was werken op het scherp van de snee, met inslaande obussen en overvliegende F16’s als score. Radio-journalist Katrien Vanderschoot van haar kant is net uit de Oost-Congolese stad Goma teruggekeerd, waar ze de bezetting door de m23-rebellen coverde. Vanderschoot, die haar vuurdoop kreeg in Kigali waar ze als free lance correspondente het begin van de genocide meemaakte, tekende voor een beklijvend radiomoment. Na het vertrek van de door Rwanda gesponsorde rebellen uit Goma sloeg de volkswoede op een stel achtergebleven plunderaars neer. Met gesmoorde stem beschreef ze het gruwelijke resultaat: een stinkende, zwartgeblakerde stapel van verminkte lijken en afgehakte ledematen.

“Ik had die dag last van een bronchitis”, zegt Katrien Vanderschoot. “Vandaar mijn ietwat onvaste stem. Maar toegegeven, ik had ook moeite om mijn emoties te verbergen. Waarom, heb ik me achteraf zitten afvragen. Ik heb immers al vaker lijken gezien, maar nooit eerder werd ik daar zo door gepakt. Ik denk dat ik er intussen de vinger kan op leggen. Meestal kun je als verslaggever een lijn trekken tussen daders en slachtoffers. Plunderende rebellen, muitende of verkrachtende soldaten versus weerloze burgers. Maar in Goma hebben de slachtoffers het recht in eigen handen genomen en zich de rol van beul aangemeten. Wat me nog het meest heeft aangegrepen, waren de tientallen kinderen die erop stonden te kijken alsof het entertainment was. Ik heb zelf jonge kinderen, vandaar wellicht de schok”.

Humo:  alvast dank voor jullie aanwezigheid. Niet zo vanzelfsprekend, zo bleek bij het maken van de afspraak. Jullie snakken alle drie naar rust en vakantie. Vermoeiend jaar in de benen?

Rudi Vranckx: “Vermoeiend jaar? Ik heb het gevoel dat ik al drie jaar constant bezig ben. Eerst was er de Vloek van Osama. Die reeks was nog niet klaar toen de Arabische Lente begon. Sindsdien is het niet meer gestopt. Zeggen dat ik aan rusten toe ben, is een understatement”.

Jens Franssen: “Buitenlandse verslaggeving is erg slopend. Vooral als radiojournalist klop je lange dagen. We beginnen met de vroege shift om zes uur ‘s morgens, afsluiten doen we gewoonlijk met de laatste nieuwsbulletins rond tien uur ’s avonds. Tussendoor zijn we constant beschikbaar voor rechtstreekse tussenkomsten, terwijl we ondertussen ook interviews afnemen en bijdragen opnemen en monteren. In al die drukte moet je ook nog vooruitkijken naar de volgende dag. Als Brussel om zes uur ‘s morgens belt, moet je al een bijdrage klaar hebben. Anders dan Rudi hebben Katrien en ik ook nog gewone diensten. Als we thuiskomen van een buitenlandse reportage, draaien we meteen weer mee in het normale redactiesysteem ”.

Katrien Vanderschoot: “Klopt wat Jens zegt. Vorige week zat ik nog in Congo, deze week doe ik een paar keer de ochtend. Om vijf uur uit bed. Met plezier overigens, ik doe graag de ochtend”.

Rudi: “Ik heb inderdaad het voordeel dat ik geen vaste diensten moet kloppen. Dat zou echt van het goede teveel zijn, want ik houd samen met mijn team al heel wat ballen in de lucht. Bijdragen voor het journaal, reportages voor Ter Zake, materiaal voor mijn documentaires, ook Facebook en Twitter vergen steeds meer tijd en energie. Pas op, ik zou gerust wat minder gas kunnen geven. Niemand aan de Reyerslaan die me verplicht er ook nog een Facebookpagina bij te nemen. Ik doe dat vrijwillig, uit passie”.

Jens: “Die drive voelen we allemaal. Tijdens zo’n buitenlandse missie kom je op plekken waar je anders nooit geraakt. Het is een investering, voor jezelf en voor de VRT.  Dan tellen de uren niet, je moet voluit gaan want je bent de scorende spits van je team”.

Humo: kunnen jullie nog een keer achterom kijken en een memorabel moment uit de professionele oogst van 2012 pikken? Ladies first, Katrien begint…

Katrien: “Mijn dieptepunt kennen jullie al, maar als positivo sta ik liever stil bij een hoogtepunt. In april ben ik naar Niger getrokken om er verslag uit te brengen over de dreigende hongersnood in de Sahel. Ik noem het anticiperende journalistiek, ik wilde niet wachten tot de hongersnood echt was uitgebroken. Zie je, ik heb aan de genocide in Rwanda een obsessie voor laat komen overgehouden. Ik verwijt mezelf en mijn  collega’s nog altijd dat we de geweldorgie toen niet hebben zien aankomen. Niet dat ik de illusie koester dat je als journalist een drama van zo’n omvang kunt stoppen. Maar niettemin, we hebben een knipperlichtfunctie. Als de hongersnood in de Sahel dit jaar binnen de perken is gebleven, dan komt dat ook doordat journalisten en hulpverleners aan de alarmbel hebben getrokken. Maar zeg eens: moet mijn memorabel moment per se uit mijn vakgebied komen?”

Humo: nee, voel je vrij…

Katrien: “Dan kies ik bij nader inzien toch voor het busongeval in Sierre. Ik woon niet ver van de getroffen school in Heverlee, en leefde net als iedereen in de streek intens mee.  Ik vond het toen vooral belangrijk om de begrafenis te coveren, al was het maar om wat sereniteit te brengen te midden van de sensatiejournalistiek. Die taak was zwaar en heeft me diep geraakt.”

 Humo: over naar Rudi en Jens. Zou het kunnen dat jullie sterke momenten van 2012 samenvallen?

Jens (net iets vlugger dan een instemmend knikkende Rudi): “11 januari, half drie, Homs. Hoe zouden we een andere keuze kunnen maken? Die aanslag, het is onmogelijk om dat van je af te schudden. Ik denk dat je het nog het best met een zwaar auto-ongeval kunt vergelijken. Je hebt het als bij wonder overleefd, maar achteraf blijft de film door je hoofd spoken.  (tot Rudi) Ik heb de beelden nog eens gezien in  de eerste aflevering van je “Revolutieroute”.  Het was een hele poos geleden, maar het frappeerde me opnieuw hoe heftig het allemaal was. Heftig, en heel erg close. We hebben daar als VRT ongelooflijk veel geluk gehad”.

Rudi: “Zeg dat wel. Voor hetzelfde geld hingen hier een paar kruisjes aan de muur, of liepen er hier een paar met krukken rond. We waren met vijf in een konvooi van vijftien buitenlandse journalisten. Een op de drie was dus van de VRT, en toch zijn we allemaal ongedeerd gebleven”.

Jens: “We waren ook de enigen die onze scherfvest aan hadden. Niet dat die ons leven heeft gered, niemand van de VRT heeft een impact geïncasseerd. Maar ik vraag me nog altijd af hoe onze Franse collega het er had afgebracht mocht hij een scherfvest hebben gedragen. Het  blijft speculeren, maar het is niet ondenkbaar dat de granaatscherf die hem fataal is geworden, in zijn vest was blijven steken”.

Rudi: “Die scherfvest leek ook een overbodige voorzorg. We waren vertrokken voor een showcase van het regime. Het programma oogde ongevaarlijk, zelfs het bezoek aan Homs dat toen nog lang niet het wespennest was dat het een maand later zou worden, toen de Amerikaanse journaliste Marie Colvin en de Franse fotograaf Rémi Ochlik er het leven lieten. Maar Syrië blijft Syrië, het land is  per definitie verraderlijk. Toch maar die scherfvest aan, hebben we ’s morgens besloten”.

Humo: het Franse gerecht is een onderzoek begonnen naar de dood van cameraman Gilles Jacquier.  Hebben jullie uit die hoek iets nieuws vernomen over de mortieraanval die jullie bijna het leven heeft gekost?

Rudi: “De Franse politiecommissaris is ons in Brussel komen ondervragen.  Een formaliteit, want de man gaf zelf toe dat hij machteloos stond. De waarheid ligt in Syrië, misschien komt ze ooit boven water als het regime valt”.

Jens: “Sluitende bewijzen hebben we niet, wel puzzelstukken die geen volledig beeld vormen, maar wel vermoedens wekken. Er zijn die dag bizarre dingen gebeurd, die elk afzonderlijk logisch kunnen verklaard worden.  Het is de samenhang die vragen oproept”.

Rudi: “Wat mij blijft bevreemden is het gedrag van onze Syrische escorte. Waar waren ze op het moment van de mortieraanval? De hele tijd volgden de veiligheidsagenten ons als schaduwen, maar op het kritieke moment waren ze in geen velden of wegen te bespeuren”.

Jens: “We zijn achteraf zelf met militairen gaan praten over het gebruik van mortieren. De eerste twee granaten zijn ver van ons gebouw ingeslagen, maar de laatste drie zijn te midden van onze groep gevallen. Dat betekent dat we werden geviseerd, die eerste twee schoten dienden wellicht om het vuur te oriënteren. Door wie, is dan de vraag. Als het de rebellen waren, dan moeten ze een mannetje in onze buurt hebben gehad om onze positie door te seinen.  Perfect mogelijk, maar je moet wel bedenken dat we ons in een door het regime gecontroleerd stadsdeel bevonden, en dat de rebellen in Homs tot dan toe nog geen artillerie hadden gebruikt”.

Rudi (verrast): “Is dat zo?”

Jens: “Ja, ik heb dat nagetrokken. Kijk, ik heb geen bewijs om wie dan ook te beschuldigen. Maar ik stel wel vast dat er op het moment van de aanslag toevallig een captatiewagen van de staatstelevisie om de hoek klaar stond. Twee uur na de feiten ging het verslag al op antenne, over de arme, buitenlandse journalisten die door de snode rebellen werden bestookt. Toeval of propaganda? We zullen het misschien nooit weten”.

Rudi: “Inderdaad, we weten het niet. Ik kan alleen maar constateren dat we na de aanslag in een soort propagandaoorlog zijn beland. We worden van alle kanten aan de mouw getrokken om de schuld in de schoenen van het andere kamp te schuiven. Dat gegeven is wellicht niet vreemd aan het feit dat Jens en ik geen visum voor Syrië meer krijgen. Voor mijn Revolutieroute ben ik naar het Noorden van Syrië geweest. Zonder visum, aan  de kant van de rebellen. Het was mijn bedoeling om ook in Damascus te gaan filmen, maar ondanks hardnekkig aandringen krijg ik geen visum. Ik zal hier maar geen details geven over de aanbiedingen die ik krijg, via informele kanalen. ‘We zouden een visum kunnen overwegen, maar dan op voorwaarde….’”

Humo: op voorwaarde dat je als bekende journalist de aanslag onverbloemd in de schoenen van de rebellen schuift?

Rudi: (lacht) “Schrijf maar op: Vranckx laat een veelbetekenende stilte vallen’.

Humo: het Syrische regime wankelt vervaarlijk. Wordt de val van Assad de klapper van 2013?

Jens: “Ik denk dat het er niet veel meer toe doet. Misschien wordt Assad vermoord, misschien vlucht hij het land uit, of anders wordt hij bij een paleisrevolutie aan de kant geschoven. Zijn val zal hooguit een symbolische betekenis hebben. Essentieel is dat het land hopeloos verdeeld is en dat het vliegwiel van de oorlog steeds harder gaat draaien. Er is geen weg terug, grote groepen van officieren staan kniehoog in het bloed. Wat er ook met Assad gebeurt, Syrië zal in 2013 erg onrustig blijven”. 

Rudi: “De grote vraag is of het op een Bosnië-scenario uitdraait. Wat mij daarbij nog het meest boeit, is de regionale weerslag. Ik denk vooral aan het Israëlisch-Palestijns conflict. Dat is een drukkookpan die om de zoveel tijd ontploft, zoals vorige maand nog in Gaza. De situatie zit al jaren muurvast, maar het kan niet anders of de Arabische Lente zal ook hier een dynamiek op gang brengen. Nu al hoor je zeggen dat op de Westelijke Jordaanoever een nieuwe Intifada broeit. Veel zal ook afhangen van de Israëlische verkiezingen, en van de vraag wat de nieuwe regering met Iran van plan is. Gaan ze bombarderen of niet, en wat doen de Amerikanen in dat geval? Alles hangt met alles samen in het Midden Oosten. Vorige week las ik een mooie van Madeleine Albright. Politiek in het Midden Oosten is als poolbiljarten. Je mikt de witte bal in het pak, maar je hebt geen idee waar de andere ballen naartoe schieten”.

Katrien: “Inderdaad een mooie. De ballen kunnen erg ver rollen, vanuit het Midden Oosten tot diep in mijn vakgebied, Centraal Afrika. Ik was op de grens van Niger en Mali toen gastarbeiders en huurlingen uit Libië terugkeerden, beladen met zware wapens en oorlogstuig waarmee ze zich in de sluimerende burgerloog in Noord-Mali hebben gestort. Het hele noorden is nu in handen van rebellen, in feite een verzameling van facties die ook elkaar bestrijden. Je hebt gematigde Toeareg die opkomen voor de rechten van hun volk, en daarnaast zijn er de jihadisten die banden met al Qaeda hebben en die vanuit Mali de hele regio proberen te destabiliseren. Die chaos is een neveneffect van de Arabische Lente”.

Humo: over Mali horen we weinig of niets in de media. Is het niet frustrerend voor een Afrika-specialist dat alle buitenlandse aandacht naar het Midden Oosten gaat?

Katrien: “Dat is nu eenmaal de realiteit. Als ik hier dienst heb, zie ik de urgents van de grote nieuwsagentschappen binnenlopen.  Het is al Midden Oosten dat de klokt slaat”.

Rudi: “En dan denk ik dat je in België nog goed zit. We besteden relatief veel  aandacht aan Centraal Afrika, zeker aan Congo. Er zijn regio’s en conflicten waar je veel minder van hoort”.

Humo:  Nu je het zegt. Hoe zou het bijvoorbeeld nog met de Tamils in Sri Lanka zijn?

 Jens :”Of met de Karen in Myanmar?  Ik vind Zuid-Oost-Azië een ongelooflijk boeiende regio. De hele grensstreek van China, Vietnam, Myanmar en Thailand staat bol van de etnische tegenstellingen. Thailand, toch geen klein landje, staat al jaren onder politiek hoogspanning. Wat als straks de stokoude koning Bhumibol sterft? Allemaal razend interessant, maar je krijgt het hier nauwelijks verkocht”.

Rudi: “Dat is een oud zeer. Ik heb ooit bij een hoofdredacteur een lumineus idee aangekaart. Als we nu eens een reeks zouden maken over vergeten conflicten? Komaan Rudi, antwoordde hij, je weet toch waarom we dat vergeten conflicten noemen? Omdat we die met zijn allen willen vergeten. Ach ja, ik heb er intussen iets op gevonden. Vranckx, mijn zaterdagavondprogramma op Canvas.  Ik doe zelf de programmering, samen met mijn eindredacteur. Vranckx is het ideale vehikel om vergeten conflicten onder de aandacht te brengen. Vorige week nog hadden we een ijzersterke documentaire over de zelfverbrandingen in Tibet”.

 Katrien: “Radio is op dat vlak flexibeler dan televisie. Waar ter wereld het ook brandt, we vinden altijd wel iemand die we kunnen bellen of in de studio halen om duiding te geven. Het ligt ook aan jezelf, want je kunt aandacht ook opeisen. Ik heb in 2005 de vluchtelingenkampen op de grens van Tsjaad en Soedan bezocht. Het conflict in Darfoer was nog nauwelijks bekend, maar ik heb hier toch groen licht gekregen om er reportages over te maken”.

Rudi: “Dat doet me denken aan mijn mislukte poging om naar Afghanistan te gaan. Het was in de lente van 2001, de Taliban hadden net de boedhabeelden van Bamian opgeblazen. Verhalen zat, maar mijn voorstel werd weggehoond. Wie interesseert zich in godsnaam voor Afghanistan? Een half jaar laten kregen we 9/11 op ons dak. Waarom zit jij niet in Afghanistan, kreeg ik toen te horen. Ach ja, we moeten ook redelijk blijven. Journalisten zijn nu eenmaal ongelooflijke zeurpieten die overal tegelijkertijd willen zijn”.

Humo: kennen jullie deze cultuurpessimistische verzuchting? De Vlaamse Media, een containerbegrip waarbij we gemakshalve ook de VRT-nieuwsdienst rekenen, focussen teveel op de navel van het volk en besteden te weinig aandacht aan het buitenland. Akkoord?

Rudi: “Absoluut niet. Ik daag iedereen uit die uit dat vaatje tapt. Lijst eens op wat we allemaal aan buitenlandse berichtgeving doen. Radio, televisie, sociale media, dat is echt wel indrukwekkend. Als het over buitenlandse berichtgeving gaat, bokst de VRT ver boven zijn gewichtsklasse”.

Jens: “Volledig eens.  Onze coverage in Gaza, daar kunnen heel wat grote zenders een puntje aan zuigen. Natuurlijk zijn de middelen niet onbeperkt, de VRT is tenslotte slechts de omroepje van een regio van ocharme 6 miljoen inwoners. Ik begrijp de hoofdredactie als ze af en toe nee zegt, er moeten keuzes worden gemaakt. Mag ik bij deze een bloempje gooien naar de huidige en vorige hoofdredactie? De nieuwsdienst moest bezuinigen, maar ze hebben erover gewaakt dat er nooit aan het budget voor buitenlandse berichtgeving werd geraakt”.

Humo: was dat wel nodig,  vragen we ons als advocaat van de duivel af. Want waarom moeten kijkers of luisteraars wakker liggen van al dat bloedvergieten in Verwegistan? Wat helpt het de Syriërs of Congolezen dat we hier, op de bank onder het genot van een zak chips, of in de auto op weg naar het werk, met hun leed worden geconfronteerd?

Rudi: “Ik weet dat dit verschrikkelijk schoolmeesterachtig klinkt, maar ik wil de mensen hun blik op de wereld verruimen. En laat me eerlijk zijn: stiekem hoop ik ze ook nog een geweten te schoppen ”.

Jens: “Ik voel me zelf geen idealist, maar je doet de mensen geen cadeau door hen niet uit te leggen hoe hun wereld in elkaar zit. Ze horen te weten dat de economie in de BRIC-landen ongelooflijk hard gaat.  En dat ze daar niet bang moeten voor zijn, maar dat die evolutie hun wereld zal beïnvloeden, want we leven niet meer op een eiland. Ik beschouw het als een opdracht om dat op een bevattelijke manier uit te leggen”.

Katrien: “Daarnaast zie ik nog een opdracht: het bestrijden van vooroordelen. Neem nu  de vluchtelingenproblematiek, een van mijn dada’s. Je kunt met dat thema verschillende kanten op. Als je alleen maar de lijken toont die wekelijks in Lampedusa aanspoelen, bevestig je de clichés van de armoedzaaiers die Fort Europa proberen binnen te dringen. Ik vind het veel interessanter om uit te leggen waarom die mensen hun leven op het spel zetten. Daarom ben ik naar Senegal geweest, om er met vluchtelingen te praten. Op mijn Facebook stroomden de reacties binnen. Zo hadden we het nog nooit bekeken, schreven verschillende luisteraars. Daar doe ik het voor”.

Humo:  jullie zendtijd is niet onbeperkt. Lukt het duiden van de wereld en het bestrijden van clichés binnen de respectieve formats die jullie ter beschikking staan?

Rudi: “Het blijft een sprint met aankomst bergop, zeker als het over de islam of de moslims gaat. Ik heb me de voorbije dagen een paar keer ongelooflijk geërgerd aan de berichtgeving over de nieuwe Egyptische grondwet. Als Morsi zijn referendum wint, zo moeten we geloven, verandert Egypte op slag in een aartsconservatief sharia-land waar vrouwen verplicht binnenblijven en beulen klaar staan om handen af te hakken. Dan zit ik me af te vragen: ben ik nu de enige die de moeite heeft genomen om de tekst van die grondwet te lezen? Moeilijk is dat nochtans niet, je vindt de Engelse vertaling integraal op het internet. Als je de grondwet leest, dan snap je meteen dat de waarheid oneindig veel genuanceerder is dan uit de berichtgeving blijkt”.

Jens: (gretig) ”Het is niet de nieuwe grondwet die Egypte in een aartsconservatief land zal veranderen. Egypte is een conservatieve samenleving, maar dat zien buitenlanders niet die de hele tijd in Caïro blijven plakken. Neem de auto en rijd de stad uit, binnen de kortste keren zul je ontdekken dat je in een ontwikkelingsland bent. En over ergernissen gesproken, ik krijg het op de zenuwen van de cijferoorlog op het Tahrirplein. Bij de val van Moebarak waren zogezegd een miljoen mensen op Tahrir samengestroomd. Intussen weten we beter: een vol Tahrir, dat is hoop en al tienduizend betogers. Tienduizend, op een stad van 12 miljoen inwoners! Een vol Tahrir kun je dus vergelijken met een betoging van duizend man voor de Brusselse Beurs. En toch hoor je het telkens weer als het Tahrirplein volstroomt: dit bewijst andermaal hoezeer Caïro en bij uitbreiding heel Egypte verdeeld zijn. Een ongelooflijke overdrijving, want die betogers zijn helemaal niet representatief voor de grondstroom van de Egyptische samenleving”.

Katrien: “Ik kan me daar iets bij voorstellen. Ik heb me in Goma vreselijk geërgerd aan de man van Reuters die uit Zuid-Afrika was komen overvliegen. Niet alleen sprak hij geen woord Frans, hij was totaal onvoorbereid en snapte van de hele situatie geen bal. Dat zie je trouwens wel vaker bij grote nieuwsagentschappen. Ironisch genoeg zijn dat de spelers die de internationale media-agenda bepalen, het zijn hun bijdragen die in de beslissingscentra in Washington en Brussel worden gelezen”.

Rudi: “Ook al een bekend probleem. Daarom vind ik het zo verfrissend dat er in het Midden Oosten nieuwe zenders zoals Al Jazeera en Al Arabiya zijn ontstaan, met al hun kwaliteiten en gebreken”.

Humo: Rudi Vranckx is nadrukkelijk aanwezig in zijn reportages, terwijl het grote publiek zich bij Jens Franssen en Katrien Vanderschoot geen gezicht kan voorstellen. Is dat een persoonlijke keuze, of wordt dat stijlverschil door het medium gedicteerd?

Rudi: “Pff,die vraag wordt me vaak gesteld. Om te beginnen valt het nogal mee met mijn nadrukkelijke aanwezigheid.  Ja, ik loop in beeld in de Revolutieroute. Maar dat is louter functioneel. Mijn emoties wegen niet op het verhaal, ik ben louter de gids die de kijker van punt a naar punt b loodst. Kijk, ik doe dit nu al 25 jaar. Sinds de val van Ceaucescu heb ik geen oorlog gemist, alleen Somalië is een blinde vlek gebleven. Het klop dat mijn verslaggeving mettertijd persoonlijker is geworden. Voor mij geen probleem, ik zie mijn bekendheid als een instrument om de budgetten te versieren waarmee ik dit werk kan blijven doen. Het is zelfs bepaald fijn als mijn bekende naam er voor zorgt dat ik op Canvas sterke documentaires mag tonen die anders geen kans krijgen”.

Katrien: “Beschouw het niet als kritiek, Rudi, ieder zijn stijl. Maar ik maak er een punt van geen deel uit te maken van de verhalen die ik breng. Dat betekent niet dat ik afstandelijk ben, integendeel. Ik ben een observator, maar ook een mens die vatbaar is voor ontroering en verontwaardiging. Ik was in Londen voor de zaak Pinochet, ik stond op de trappen van de rechtbank toen de beslissing viel de Chileense dictator zijn onschendbaarheid te ontnemen. Rond mij stonden weduwen en slachtoffers van de dictatuur, ze weenden van geluk. Ik hield het ook niet droog, omdat ik me perfect kon inbeelden wat die beslissing voor hen betekende. Laat je gerust ontroeren, zolang je daarna maar objectief verslag uitbrengt. In Goma werd ik meegesleurd in de volksvreugde bij de terugkeer van het Congolese leger.  Er was geen ontkomen aan, zo uitgelaten was de sfeer. Maar dat heeft me niet belet om ’s anderendaags de juiste vragen te stellen. Want waar zat dat leger toen de rebellen de stad veroverden? Ze zijn als angsthazen gaan lopen, een spoor van plunderingen achter zich latend”.

Rudi: “Ach ja, wat is objectiviteit? Feiten zijn natuurlijk heilig, maar ik heb soms moeite met de invulling van dat concept. Ben je als journalist objectief wanneer je alle partijen aan het woord laat, zoals velen denken? Dat vind ik zelf onbevredigend. De ene partij zegt dat er een bloedbad werd aangericht, de andere partij ontkent het bloedbad. Sorry, maar wat heeft de kijker of luisteraar daaraan? Objectiviteit is soms een vorm van lafheid. Je moet als journalist de waarheid proberen te achterhalen en daarbij je eigen visie geven. Dat is geen probleem, zolang je maar duidelijk maakt dat het jouw persoonlijke visie is”.

Humo: Jens, jij hebt net als Katrien kinderen. Hoe reageert het thuisfront als papa aankondigt dat hij voor het werk naar het belegerde Gaza moet?

Jens: “Mijn kinderen zijn nog jong, de oudste is pas zes.  Ze zijn zich van geen kwaad bewust, alleen na die aanslag in Homs was mijn zesjarige zoon wat ongerust. Hij had op de radio iets opgevangen over de betrokkenheid van Belgische journalisten. Gelukkig heb ik hem snel kunnen bellen en sussen, ‘papa is okay’. Ik doe dit soort missies nu een kleine drie jaar. Ik ben niet begonnen met Homs of Gaza, dat zijn tussenstations op een traject dat ik samen met mijn vriendin heb afgelegd. Ze weet dat ik geen onnodige risico’s neem, en ze is zelf van kleintje vervaard, we hebben trouwens nog samen met de rugzak in het Midden Oosten rondgereisd”. “

Jens:  “Hoe ouder ik word, hoe beter ik die risico’s kan inschatten. Daarom ben ik ook niet samen met Rudi naar Gaza gegaan. Toen ik met mijn technicus in Tel Aviv arriveerde, was hij met zijn ploeg al een poosje in Israël, helemaal  klaar om naar Gaza te vertrekken. Ik stond voor de keuze: meegaan of niet? Ik heb besloten te wachten, ik was zelf niet klaar. Vooraleer je aan zo’n missie begint, moet je alles op een rij zetten. Hoe groot is het risico, en loont het de moeite? Vormt het een meerwaarde als ik naar Gaza ga en er de bombardementen trotseer? De verleiding is groot om aan het handje van een ervaren collega te lopen. Rudi is al vaak in Gaza geweest, had ik kunnen redeneren, hij zal wel weten wat hij doet. Maar dat is zelfbedrog, want raketten houden geen rekening met journalistieke ervaring. De verhalen uit Irak zijn bekend. Zes journalisten op een tank, samen 150 jaar ervaring. De tank wordt beschoten, en alle zes dood. Na een dag piekeren en overleggen met het thuisfront hebben we de knoop doorgehakt en zijn we vertrokken. Gaza heeft goede telefoon- en internetverbindingen, dat was voor mijn vriendin een geruststelling. Ik was bovendien voortdurend op de radio, het beste bewijs dat ik okay was”.

Humo: en was het gevaarlijk?

Rudi: “Ik wil niet stoer doen, maar Gaza was helemaal niet zo gevaarlijk. Buitenlandse journalisten werden niet geviseerd. De mensen van Gaza waren erg gastvrij en solidair, ook al omdat ze beseften dat wij de ogen van de wereldgemeenschap zijn. De Israëli’s van hun kant hadden er ook geen belang bij een stel buitenlandse journalisten op te blazen, dat zou rampzalig voor de pr zijn geweest. Er is natuurlijk altijd een kans dat je als collateral damage eindigt, maar al bij al was Gaza een eitje vergeleken met Irak. Daar werden buitenlanders geviseerd en tientallen journalisten vermoord. Je kon bij iedere wegversperring uit de auto worden gesleurd en onthoofd. Geen prettige gedachte, zeker niet als je bedenkt dat er in Bagdad maar een paar tientallen buitenlanders rondliepen. Voeg daarbij de constante dreiging van bermbommen, en de terreur is compleet. Toch moest je blijven functioneren, een slopende opgave. Ik heb er tussen 2003 en 2007 in totaal zes maanden doorgebracht, maar toen was het op. Irak is het gevaarlijkste dat ik heb meegemaakt, al vrees ik dat Syrië intussen aardig in de buurt komt”.

Katrien: “Ik zou niet durven wat jij doet, Rudi. Ik heb de eerste tien dagen van de genocide in Kigali meegemaakt. Ik zat ondergedoken bij een kennis, terwijl buiten slachtpartijen plaats vonden en er ook een jacht op Belgen werd gevoerd. Doodsangsten heb ik doorstaan, het heeft jaren geduurd vooraleer ik weer naar Centraal Afrika durfde te reizen. Eerlijk gezegd, ik zou in het huidige Midden Oosten niet kunnen functioneren. Ook in Afrika wordt extreem geweld gepleegd, maar er zijn verschillen. Behalve tijdens de genocide heb ik nooit het gevoel gehad dat ik als vijand werd beschouwd. Hoe precair de situatie ook is, je kunt als buitenlandse journalist altijd met de mensen praten en de situatie ontzenuwen. In Centraal Afrika worden bovendien geen zelfmoordaanslagen gepleegd, en autobommen zijn een relatief onbekend fenomeen. Ik mag er niet aan denken dat ik in een terreurklimaat zoals in Syrië of Afghanistan moet werken. Ik maak me dan ook grote zorgen over de uitstraling van het extremisme in landen als Nigeria en Mali. Het kom gevaarlijk dichtbij mijn vakgebied”.

Humo: hoe verteren jullie de terugkeer van een oorlogsgebied naar het vredige thuisfront? Door sterke verhalen te vertellen aan de keukentafel of aan de toog van de stamkroeg?

Rudi: “Aan de toog van de stamkroeg? Nee, dank je wel. Ik vertel erg weinig over mijn werk, ik ben daar nogal schuw in. Als ik naast mijn televisiewerk nog iets kwijt wil, dan schrijf ik er wel een boek over”.

Jens: “Ik neem zo weinig mogelijk ballast mee naar huis, werk en privé blijven strikt gescheiden. Als journalist kan ik mijn ei via mijn reportages kwijt, op dat vlak hebben technici en cameramannen het wellicht moeilijker”.

Katrien: “Je wordt natuurlijk vaak aangesproken over je werk, zeker wanneer je net terug bent van een reis. Dat is begrijpelijk, maar ik vind het vervelend als ik met anderen op stap ben. Die hebben ook hun verhaal, maar dat snappen de nieuwsgierigen vaak niet. Wat ik wel vaak en graag doe: lezingen geven voor scholen”.

Humo:  die bescheidenheid siert jullie. Maar jullie moeten toch vaak aan de mouw worden getrokken. Onbekenden die vragen hoe het nog was, daar in het woelige Congo, Syrië of Libië?

Rudi: “Ja, maar ik maak daar korte metten mee. Het weer was fantastisch, zeg ik dan, het eten geweldig en de mensen vriendelijk. Gewoonlijk worden er daarna geen vragen meer gesteld”.

Humo: dank voor jullie tijd. Maak er een vruchtbaar en vooral veilig 2013 van.

 

Tirana Hassan, mensenrechtenwaarnemer van Human Rights Watch

 

(verschenen in de reeks Het Grove Werk, Humo, 30 april 2012)

tirana hassan

foto: Marco Mertens

Het woord is te lang voor een scrabblebord: mensenrechtenwaarnemer. Bekt het voor geen meter, noodzakelijk is het vak wel. Terwijl we ons onder een idyllisch lentezonnetje naar het Brusselse kantoor van Human Rights Watch (HRW) begeven, bloedt Syrië uit al zijn poriën. Opstandige stadwijken worden met zware artillerie platgebombardeerd, zonder consideratie voor vrouwen, kinderen of andere burgers. In folterkamers draaien de specialisten ‘bijzondere ondervragingstechnieken’ overuren, intussen worden vanuit helikopters met kwistige hand landmijnen gestrooid om radeloze vluchtelingen tegen te houden. Al anderhalf jaar duurt de Arabische Lente, mensenrechtenwaarnemers kunnen het nauwelijks bijbenen. Ook in Libië, Egypte en Jemen ging de machtswissel met veel bloedvergieten gepaard. Niet dat het elders in de wereld zoveel beter is gesteld met de fundamentele rechten en vrijheden des mens. De websites van Amnesty International en HRW, de grote twee van de mensenrechtenzorg, liegen er niet om. Van China over Mexico tot Wit-Rusland, overal worden de mensenrechten met voeten getreden, als het al niet met legerbottines of politielaarzen is.

Toch viel er de voorbije weken ook goed nieuws te rapen. Vorige week werd Charles Taylor, de voormalige president van Liberia, door het Speciale Hof voor Sierra Leone schuldig bevonden aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De veroordeling van een gewezen staatshoofd is een wereldprimeur voor de internationale justitie. Luttele weken eerder heeft ook het Internationaal Strafhof van Den Haag (ICC) , tien jaar na zijn oprichting, zijn eerste vonnis geveld. De Congolese krijgsheer Thomas Lubanga werd eveneens schuldig verkaard aan oorlogsmisdaden, onder meer wegens het inzetten van kindsoldaten;

“Een belangrijke stap voorwaarts”, verheugt Tirana Hassan (37) zich, terwijl ze twee espresso’s tankt. “Okay, er wordt terechte kritiek gegeven op het ICC. De rechtspleging heeft veel te lang geduurd, zelfs als je bedenkt dat het Hof een absolute pioniersrol speelt. En inderdaad, Lubanga is maar een kleine garnaal, Taylor een politieke has been. Wie macht of connecties heeft, blijft voorlopig buiten schot.  Maar dat doet niks af aan de waarde van deze vonnissen: het is een eerste, voorzichtige stap op weg naar een nieuwe rechtscultuur. Gedaan met de straffeloosheid, dat is de boodschap die het ICC naar dictators, generaals, rebellenleiders en terroristen uitstuurt. Vroeg of laat moeten jullie rekenschap geven voor jullie misdaden. Ondanks alles ben ik optimistisch. Het concept mensenrechten wordt steeds ruimer bekend. Waar draait tenslotte de hele Arabische Lente om? Burgers opkomen voor hun rechten en vrijheden”.

We installeren ons met twee espresso’s op de bovenste verdieping, het zich op het Jubelpark is prachtig. Onze gesprekspartner is in meer dan één opzicht een wereldburger. Vader Pakistaan, moeder Maleisische van gemengde Sri Lankaans-Chinese origine, zelf heeft Tirana Hassan de Australische nationaliteit. Geen stamboom om een sedentair bestaan te lijden. Hassan sleet het voorbije decennium in oorden zoals Indonesië, Senegal, Soedan en Kenia, van waaruit ze geregeld missies naar buurland Somalië ondernam. Ze werkte achtereenvolgens voor Save the Children en Artsen Zonder Grenzen, organisaties waar ze zich onder meer het lot van kindsoldaten aantrok. Twee jaar geleden maakte ze de overstap naar emergency desk van Human Rights Watch, de vliegende brigade die onder leiding van de Belgische Amerikaan Peter Bouckaert staat. Al met al hebben we geluk dat we Hassan in haar Brusselse thuisbasis aantreffen. Het voorbije jaar was ze constant de hort top voor de Arabische Lente, binnenkort vertrekt ze naar Nigeria waar de Islamitische terreurorganisatie Boko Haram lelijk huis houdt.

 Humo: avontuurlijk bestaan. Altijd al mensenrechtenwaarnemer willen worden?

Tirana Hassan: “Nee, maar ik heb wel altijd geweten waar mijn passie lag. Opkomen voor slachtoffers van het systeem, een stem geven aan mensen die hun rechten niet kennen of niet bij machte zijn ze af te dwingen. In Adelaide werkte ik als sociaal assistente met daklozen,  vaak jonge mensen met psychische problemen. Die ervaring heeft me er toe aangezet rechten te gaan studeren, zodat ik die mensen beter kon helpen. Uitgerekend in die periode brak in Australië een gigantisch asielschandaal uit. Ik weet dat het ver van jullie bed is, maar misschien is het toch doorgesijpeld. Nooit gehoord van de rellen in Woomera?”.

Humo: euh…Woomera?

Hassan: (onverstoorbaar) “Woomera is een stadje in Zuid-Australië, letterlijk in the middle of nowhere. Bij ons staat het vooral bekend vanwege zijn testbasis voor raketten. Veel minder bekend was dat de regering eind van de jaren negentig in alle stilte een kazerne had omgebouwd tot gesloten centrum voor bootvluchtelingen, vooral Afghanen, Irakezen en Iraniërs. De publieke opinie raakte pas op de hoogte toen er in 2000 een opstand uitbrak en een aantal barakken in brand werden gestoken. Een plattelandsadvocaat trok op onderzoek en stelde schandalige wantoestanden vast. Gezinnen met kinderen zaten al meer dan een jaar opgesloten in een soort concentratiekamp, beveiligd met een dubbele muur van prikkeldraad. Er was nauwelijks contact met de buitenwereld, de gedetineerden kregen geen juridische bijstand. Ik heb die advocaat gecontacteerd, en samen met enkele confraters zijn we een jaar lang in Woomera gaan wonen om de asielzoekers bij te staan. Voor het plezier moesten we het niet doen. In Woomera viel niks te beleven, bovendien waren nagenoeg alle buren werknemers van het detentiecentrum die niet bepaald warm liepen voor onze bemoeienissen. Korte tijd later ben ik naar het buitenland getrokken. Eerst naar Indonesië, om slachtoffers van de tsunami bij te staan. Ik hield me vooral bezig met de strijd tegen kindermisbruik, ook toen ik later voor Save the Children en Artsen Zonder Grenzen in Afrikaanse conflictgebieden zoals Sierra Leone, Liberia Ivoorkust, Darfour en Somalië ging werken. Kindsoldaten, seksslavinnen, dat was mijn dagelijks brood. Ik was geen groentje meer toen ik hier als emergency researcher aan de slag ging”.

Humo: u bent dus juriste. Een must om dit werk te doen?

Hassan: “Nee, heel wat collega’s hebben geen diploma rechten op zak. Maar het helpt natuurlijk wel, tenslotte blijft de wet ons voornaamste wapen. Je moet op zijn minst kennis hebben van internationaal humanitair recht en oorlogsrecht. Het volstaat niet op onderzoek te gaan en terug te keren met de boodschap dat er verschrikkelijke dingen gebeuren. Accuratesse is de kracht van onze rapporten, we kiezen onze bewoordingen met veel zorg. Dit zijn de feiten die we op het terrein hebben vastgesteld, dit zijn de overtredingen van artikels zus en zo van het internationaal recht, dit zijn de mechanismen om de schuldigen ter verantwoording te roepen. Wordt er gefolterd? Dan verzamelen we de bewijzen, we leggen de gehanteerde methodes bloot, we proberen te achterhalen wie de folteringen heeft uitgevoerd en wie de bevelen daartoe heeft gegeven. Fact finding, dat is een belangrijk aspect van ons werk. Het is geen toeval dat heel wat mensenrechtenwaarnemers gewezen journalisten zijn, vaak oorlogscorrespondenten met rijke terreinervaring”.

Humo: oh ja? Waar zit het verschil tussen journalisten en mensenrechtenwaarnemers?

Hassan: “Journalisten gaan voor het verhaal, wij gaan voor de waarheid. Dat vergt een andere benadering, want in een conflict probeert iedere partij haar eigen verhaal als het enige juiste te verkopen. In oktober was ik met Peter Bouckaert in Sirte, vlak nadat de stad in handen van de rebellen was gevallen. We wilden de impact van de Navo-bombardementen documenteren, en zien hoe de burgers het wekenlange beleg hadden doorstaan. Het was behoorlijk hallucinant, we doolden dagenlang door lege straten in een kapotgeschoten spookstad. Zo hebben we de ontdekking gedaan: een hotel met meer dan vijftig lijken, allemaal de handen achter de rug gebonden, duidelijk strijders die van dichtbij werden geëxecuteerd. Vooraleer ze werden begraven, hebben we de lichamen gefotografeerd, in de hoop ze ooit te kunnen identificeren. Dat bloedbad is de wereld rondgegaan. Het werk van Kadhafi-getrouwen, was de algemene veronderstelling. Immers, Sirte was het laatste bolwerk van de kolonel. De slachtoffers moesten dus wel rebellen zijn die vlak voor de val van Sirte door zijn militairen waren afgemaakt. Maar door lang ter plaatste te blijven en overlevenden te ondervragen, slaagden we erin de exacte reisroute te traceren van het konvooi waarmee Kadhafi zijn ultieme ontsnappingspoging had gewaagd. De conclusie lag voor de hand: de lijken in het hotel konden geen rebellen zijn, het waren integendeel vluchtende Kadhafi-militairen! Dat strookte ook met materiële bewijzen die we in het hotel vonden. Blijkbaar diende het gebouw tijdens het beleg als uitvalsbasis voor verschillende milities uit Misrata, onder meer de Tiger Brigade die ook de executie van Kadhafi heeft geclaimd. Ik vertel dit maar om te illustreren waar het verschil zit met journalistiek. We zijn verplicht veel dieper in de materie te spitten, en er angstvallig over waken dat we niet worden gemanipuleerd. Getuigenissen verzamelen, checken en dubbelchecken, materiële bewijzen zoeken, dat is het werk van de mensenrechtenwaarnemer. Gelukkig kunnen we op een netwerk van experts terugvallen”.

Humo: zoals?

Hassan: “Wapendeskundigen. Als we wapens ontdekken, maken we foto’s en sturen die meteen door naar onze experts. Zo hebben we in Libië verschillende onbeheerde wapendepots aangetroffen. Binnen een paar uur wisten onze experts ons alle details te leveren: om welk type van Russisch raketlanceerder het ging, en of de wapens tijdens of buiten het embargo werden verkocht. Die informatie is belangrijk op het terrein, ze kan doorslaggevend zijn om uit te maken welke partij voor welke beschietingen verantwoordelijk is”.

umo: u oefent een van die zeldzame beroepen uit waar kennis van foltertechnieken een belangrijke vaardigheid is. Bent u daar zelf beslagen in?

Hassan: “We sturen geregeld foto’s door naar forensische experts. Maar meestal is het duidelijk genoeg. Sporen van autobanden of uitgeduwde sigarettenpeuken op een lichaam, dat zijn geen natuurlijke verschijnselen. In Bahrein heb ik er een vreselijk staaltje van gezien. Het ging om een jonge man die in zijn dorp dagenlang werd opgejaagd, hij had namelijk deelgenomen aan de protesten tegen het regime van de emir. De politie kreeg hem uiteindelijk te pakken in het verlaten gebouw waar hij zijn toevlucht had gezocht. Ik heb het resultaat gezien, het was gruwelijk. Er lag niet alleen een enorme plas bloed, ik vond ook tanden en zelfs botfragmenten. Ik heb de mensen geïnterviewd die hem hebben gevonden. Levend, ze hebben hem nog naar het ziekenhuis gebracht. Ik ben daarop met de dokters van dat ziekenhuis gaan praten. Het bloedverlies was massaal, ze hadden nog nooit een patiënt met zo’n laag niveau aan bloedplaatjes gezien. Blijkbaar hebben ze hem meermaals van dichtbij beschoten, de stukken bot waren trouwens afkomstig van zijn kapotgeschoten knie”.

Humo: heeft hij het overleefd?.

Hassan: “Nee, maar dat wisten die dokters toen nog niet. De politie is hem komen ophalen, ze zouden hem naar een militair hospitaal overbrengen. Die dokters stonden hoe dan ook machteloos. Ze konden geen bloedtransfusie geven, want de autoriteiten hadden alle bloedvoorraden in het militair hospitaal gecentraliseerd. Niettemin, de transfer was zeer verontrustend. Het was bekend dat de afdeling oftalmologie van dat militaire ziekenhuis als martelcentrum was ingericht. We hebben alles in het werk gesteld om hem terug te vinden. Tevergeefs, drie dagen later werd zijn verminkte lijk aan de familie teruggegeven. Die case is zeer uitvoerig gedocumenteerd, je vindt er ook videoposts over op onze website. Dat is dan ook het enige wat we voor zulke slachtoffers kunnen doen: bewijzen verzamelen in de hoop dat we ooit gerechtigheid kunnen eisen”.

Humo: gruwelijk verhaal. Toch spreekt haast niemand over de Arabische Lente in Bahrein. Omdat de Golfstaat een strategische bondgenoot van het Vrije Westen is?

Hassan: (zucht) “Er is inderdaad veel te weinig aandacht voor Bahrein. Om geopolitieke redenen, maar dat verklaart niet alles. Het regime heeft buitenlandse pr-bureaus ingeschakeld om zijn versie van de feiten te verspreiden. Miljoenen dollars werden besteed om de wereld te doen geloven dat er tijdens de hele revolte niemand aan de gevolgen van foltering is gestorven. Ach, de internationale gemeenschap heeft zich met een kluitje in het riet laten sturen. Na het neerslaan van de opstand werd een internationale onderzoekscommissie opgericht, onder leiding van een prominente Egyptische mensenrechtenactivist die een vernietigend rapport heeft geschreven. ‘Geef ons tijd om de aanbevelingen in de praktijk te brengen’, reageerde het regime. Maar ondertussen zitten er nog altijd honderden politieke gevangen achter de tralies, en gaat het folteren gewoon door. We kunnen alleen maar hopen dat de internationale gemeenschap haar geduld met Bahrein verliest. Aan ons zal het niet liggen, we hebben een medewerker die zich voltijds met het dossier bezig houdt. Vorige week is het Formule 1 circus in Bahrein neergestreken. Die kans hebben we niet laten liggen om de wantoestanden aan te klagen”.

Humo: wordt u persoonlijk geraakt door gevallen zoals dat van die onfortuinlijke jongeman?

Hassan: “Uiteraard, het zijn geen statistieken die we documenteren, maar mensen van vlees en bloed. Maar ik laat me niet ontmoedigen, het zijn integendeel cases zoals deze die me vooruit branden. Je moet trouwens gedreven zijn, anders houd je in het deze branche niet lang vol. Gewoonlijk ben ik een week of twee, drie op het terrein. Dat is op zich al zwaar genoeg, maar uitrusten is er niet bij als ik thuiskom. Het verzamelde materiaal mag niet verloren gaan, ik moet het in een rapport gieten. Soms, als het om een urgentie gaat, zit ik er dag en nacht aan te schrijven. In feite kun je het met een productieband vergelijken. De researchers verzamelen de feiten en schrijven de rapporten, na ons komen de collega’s die met onze rapporten in de hand gaan lobbyen. Ze oefenen druk uit op regeringen of internationale organisaties om in te grijpen in humanitaire noodsituaties. Maar evengoed koppelen ze naar het land terug waar de schendingen werden vastgesteld. Dit zijn de feiten, en wat gaan jullie eraan doen? Als je van een hondenstiel wil spreken, mensenrechtenlobbyist is pas een echte hondenstiel. Vaak willen autoriteiten niet eens met ons praten, of doen ze onze rapporten zonder argumenten als leugens en laster af. Erg frustrerend”.

Humo: binnenkort vertrekt u naar Nigeria. Hoe bereidt u zo’n missie voor?

Hassan: “Kranten lezen en websites uitpluizen, journalisten interviewen die het land recent hebben bezocht. Als emergency researcher vertrek je nooit met een leeg blad. Human Rights Watch heeft overal regional offices en country researchers die op hun beurt een netwerk van locale activisten en informanten achter zich hebben. We werken een checklist af: waar werden de ergste misdaden gepleegd? Kunnen we die plek bereiken? Kunnen we er veilig logeren? Dreigt er eventueel gevaar op kidnapping? In Somalië was dat een groot probleem, vandaar dat ik vanuit Nairobi moest opereren. Benieuwd naar Nigeria, naar het schijnt moet je ook daar in sommige streken op je tellen passen voor ontvoerders”.

Humo: In Syrië speelden jullie erg kort op de bal, alleen oorlogsfotografen waagden zich nog dichter bij de frontlijn. Riskant?

Hassan: “Syrië was inderdaad een aparte ervaring, op sommige momenten voelden we de grond onder onze voeten letterlijk daveren van de explosies. Maar schilder ons niet af als thrillseekers, het was gewoon belangrijk om dicht bij de plaats van de actie te verblijven. Na de val van Sirte zijn we onmiddellijk in de auto gesprongen. Op weg naar de stad kruisten we drie vrachtwagens met laadbakken vol gevangen Kadhafi-strijders op weg naar Misrata. Omdat we vreesden voor wraakexecuties zijn we nog dezelfde avond naar Misrata teruggekeerd om uit te vissen wat er van die krijgsgevangen was geworden. Na enige rondvragen hebben we de drie groepen teruggevonden, ongedeerd”.

Humo: heeft jullie alerte reactie wraakexecuties voorkomen?

Hassan: “Dat kun je niet bewijzen, maar de rebellen waren zich goed bewust van onze aanwezigheid. Ze wisten ook dat we vragen zouden stellen als er iets met de gevangenen gebeurde. We hadden trouwens nog een reden om haast te maken. Kadhafi was vermoord, maar heel wat toplui van zijn regime waren levend in handen van de opstandelingen gevallen. Daar zaten mensen tussen die ons veel konden vertellen over hangende dossiers zoals het bloedbad in de Abu Salim gevangenis waarbij meer dan 1.200 gedetineerden koudweg werden afgemaakt. We hebben van overgangsraad van Misrata toelating gekregen om die gevangenen te ondervragen. Erg interessant, we hebben heel wat nieuwe elementen verzameld. Het bloedbad van Abu Salim is bijna twintig jaar oud, maar het is niet te laat om de schuldigen ter verantwoording te roepen. Dat is waar je het als mensenrechtenwaarnemer voor doet”.

Humo: geen thrillseekers dus. Toch lijken een dosis lef en een vleugje doodsverachting onontbeerlijk in deze business…

Hassan: “Ach, we moeten het gevaar niet overdrijven, in principe nemen we alleen berekende risico’s. Voor we ons in een conflictgebied wagen, houden we een teamvergadering waaraan ook security experts deelnemen. Natuurlijk trek je een kogelvrij vest aan, je weet dat het er bij de checkpoints warm aan toe kan gaan, en je mag ook niet schrikken als er wat verdwaalde kogels rondvliegen of in de verte een bom ontploft. In mijn tijd in Darfour was mijn oor er op getraind. De doffe dreun van een naderende Antonov betekende dat het bommen gingen regenen. Dan ging ik schuilen, net zoals de plaatselijke bevolking die met het gevaar was opgegroeid”.

Humo: is vrouw zijn een voordeel voor een mensenrechtenwaarnemer?

Hassan: “Absoluut. Ik speel dat ook bewust uit. Niks beter dan lipstick en make-up om vlot voorbij een checkpoint te geraken. In plaats van je te controleren, word je vaak nagewuifd. De feminist in mij zal het niet graag horen: vrouwen hebben een zachtere uitstraling. Dat is ook een groot voordeel bij het verzamelen van getuigenissen. Vaak werken we in gebieden waar de mannen weg zijn, ze zijn vermoord, vermist of gaan vechten. Het is voor mij gemakkelijker het vertrouwen van de achtergebleven vrouwen te winnen dan voor mannelijke collega’s. Vertrouwen, dat is een cruciaal begrip. Getuigen hebben meestal vreselijke dingen meegemaakt, pijnlijk en vernederend. Hun vertrouwen in de medemens is geschokt, soms kun je de terreur waarin ze leven letterlijk voelen. Toch zijn ze bereid hun intiemste ervaringen met een wildvreemde te delen. Dat ontroert me telkens weer, het vervult me met een enorm plichtsbesef”.

 

Humo: kunnen jullie openlijk werken en getuigen ondervragen, of reizen jullie clandestien?

Hassan: “We proberen altijd officieel te reizen, met visum en opgave van reden. Als dat niet lukt, reizen we onder het mom van toerist of met een business visum. Voorzichtigheid is de boodschap. Het laatste wat we willen is onze getuigen en informanten last berokkenen. Laptops of geheugensticks zijn erg verraderlijk, je zult maar aan een checkpoint of douanepost worden tegengehouden terwijl je pc of stick uitpuilt van de interviews, namen en adressen. Geloof me, het beschermen van onze bronnen is een absolute prioriteit. Ik kan niet alle details verklappen, maar we gebruiken snufjes zoals gecodeerde satelliettelefoons om de informatie veilig buiten te smokkelen”.

Humo: zijn er landen waar het onmogelijk is om te werken?

Hassan: “In sommige landen is het erg moeilijk. We worden constant in de gaten gehouden, het is ondenkbaar dat we er een permanent kantoor zouden openen. Daarnaast zijn er de landen waar we gewoon niet binnen raken. Die houden we in de gaten vanuit de buurlanden, met de hulp van anonieme correspondenten die informatie verzamelen en doorsturen. In uitzonderlijke gevallen, als er geen enkel alternatief bestaat, gaan we er toch of af. Vorig jaar hebben we een vliegtuig ingehuurd voor een hit and run missie in Zuid-Kordofan”.

Humo: hier schiet mijn aardrijkskunde te kort. Waar ligt dat?

Hassan: “Zuid-Kordofan is betwist gebied. Het ligt in Soedan, maar dan wel op de grens met Zuid-Soedan dat pas zijn onafhankelijkheid heeft uitgeroepen. Burgers leven in grotten, omdat hun dorpen door de Soedanese luchtmacht worden gebombardeerd. Het is een gruwelijk maar helaas vergeten conflict, en precies daarom wilde HRW er absoluut gaan kijken. Een vliegtuig inhuren is peperduur, maar het was de enige veilige manier. Theoretisch kun je er ook met de auto geraken, maar dan ben je een gedroomd doelwit voor de Soedanese luchtmacht”.

Humo: wie zijn behalve Soedan de slechte leerlingen in de klas?

Hassan: “Het is delicaat om namen te noemen. Maar omdat je zo aandringt: de nieuwe republieken in Centraal Azië zijn niet dol op pottenkijkers. Dat China een moeilijk land is, zal wellicht niemand verbazen. Ook in landen zoals Algerije en Ethiopië is het erg moeilijk werken. We proberen al jaren een kantoor te openen in Rwanda, maar tevergeefs. Tragisch als je weet welke rol HRW tijdens en na de genocide heeft gespeeld. Rwanda is bovendien een gevaarlijk precedent voor heel Afrika: een land dat model staat voor economische ontwikkeling zonder mensenrechten”.

Humo: hoe belangrijk zijn sociale netwerken voor de moderne mensenrechtenwaarnemer?

Hassan: “We baseren ons nooit zomaar op een tweet of een videopost. Geloofwaardigheid is heilig, daar staat of valt onze organisatie mee. Niks gaat boven ooggetuigen, interviews blijven de hoeksteen van onze research. Hoe meer interviews, hoe meer vergelijkingspunten, hoe duidelijker het beeld en hoe sterker de bewijskracht. Maar dat betekent niet dat we onze neus ophalen voor een tweet of een videopost, zo’n bericht kan de aanzet geven voor een onderzoek. Het is verrassend hoeveel je bijvoorbeeld uit een videofragment kunt halen. De figuranten zijn anoniem, maar via je locale netwerk kun je achterhalen over wie het gaat. Dan ben je vertrokken, dan kun je de ooggetuigen van het gefilmde incident zelf gaan ondervragen. Soms komen de tweets uit onverwachte hoek. Vorige week nog hebben we een lijvig rapport over het misbruik van kinderen in de Somalische burgeroorlog uitgebracht. Dat er kindsoldaten worden ingezet is geen nieuws, maar we hebben nog andere vormen van misbruik ontdekt. Commando’s dringen een school binnen, sluiten de kinderen in de klas op, en gebruiken het gebouw vervolgens als vooruitgeschoven post om regeringstroepen te bestoken. Je kunt zelf raden wat er met die kinderen gebeurt als het vuur met zwaar geschut wordt beantwoord. Na de publicatie kwam er zowaar een tweet van Al Shabaab, de islamitische rebellenbeweging die grote delen van Somalië controleert. Ze ontkenden alle beschuldigingen, maar tegelijkertijd voerden ze aan dat het de heilige plicht is van iedere jongen boven de vijftien om aan de jihad deel te nemen. Een twijfelachtig argument, want in ons rapport zitten getuigenissen over piepjonge kinderen die nauwelijks in staat waren om hun Kalashnikov te dragen. Ze werden als levend schild in de voorste linies ingezet, achter hen stonden de volwassen Al Shabaab-strijders met hun RPG’s. Hoe leugenachtig ook, die tweet is goed nieuws omdat ze bewijst dat zelfs schimmige organisaties wakker liggen van hun imago”.

Humo: geen woord gelezen in mijn krant over dat hele Somalië-rapport. Is dat niet frustrerend, al die moeite voor zo weinig effect?

 Hassan: (nog een zucht) “De internationale gemeenschap en de publieke opinie lijden aan chronische Somalië-vermoeidheid. Niemand ligt nog wakker van het conflict, maar juist daarom is ons werk zo belangrijk. Het zijn tenslotte mensen, mannen, vrouwen en kinderen,  die onder deze humanitaire ramp kreunen. We moeten Somalië blijven opvolgen, ook al is het er levensgevaarlijk voor hulpverleners. Weet je wat me stoort? HRW krijgt soms het verwijt mediageil te zijn, alsof we in het spoor van de cameraploegen van crisis naar crisis lopen. Natuurlijk, bij gebeurtenissen zoals de burgerlogen in Libië en Syrië lopen we in de kijker. Maar hoe komt dat? Als HRW vorig jaar in Libië alomtegenwoordig was, dan kwam dat doordat onze organisartie country researchers heeft die dat land jarenlang in alle stilte hebben opgevolgd. Het was dank zij hun netwerk en hun voorbereiding dat wij als emergency researchers konden opereren”.

“Het klopt trouwens niet dat we uitsluitend crisissen opvolgen. Een collega heeft zopas een uitstekend rapport geschreven over kinderarbeid in de tabaksindustrie in Kazakstan. En vorig jaar hebben we een rapport uitgebracht over Papoea-Nieuw Guinea, een land waar het seksueel geweld werkelijk de spuigaten uitloopt. Dat zijn allesbehalve mediagenieke dossiers, maar het gaat wel om reële problemen, en we hebben resultaat geboekt. Tabaksgigant Philip Morris heeft als reactie op ons rapport een gedragscode voor leveranciers opgesteld”.

Humo: al die ellende moet op de duur zwaar gaan wegen. Valt er ook te lachen in jullie vak?

Hassan: “Lachen? Vorig jaar hebben we gelachen, toen we in Tunesië zaten te wachten op een kans om de Libische grens over te trekken. Het was aan de kust, er waren geen hotels, maar wel vakantiedorpen met zwembaden, tennisvelden en cocktail bar. Ineens werden die onder de voet gelopen door mensenrechtenactivisten en oorlogscorrespondenten. Dat gaf een aparte sfeer. Af en toe zagen we een groep toeristen achter een vlag aanlopen, richting buffet. Die keken erg verbaasd naar het zootje ongeregeld dat aan hun zwembad was neergestreken”.

Humo: een militair die terugkeert van buitenlandse missie kan tegenwoordig beroep doen op psychologische begeleiding. Hoe verwerkt u de stress en de emoties?

Hassan: “Evenwicht houden tussen werk en privé, dat is mijn geheim. We zijn ook niet constant op het terrein, heel wat van mijn collega’s hebben trouwens kinderen. Het doet natuurlijk deugd als je kunt thuiskomen bij vrienden en geliefden. Maar onwillekeurig denk je aan de mensen die je hebt ontmoet, je vraagt je af wat er van hen is geworden. Ik zie mezelf vorig jaar in Sirte, tijdens een interview met een vrouw die over de eindeloze nachtmerrie vertelde die ze had meegemaakt. We zaten op de vuile vloer van de puinhoop die ooit haar huis was. Er was geen stromend water of elektriciteit, maar ze had wel voor twee glazen cola gezorgd. En die vrouw zich maar excuseren omdat ze geen thee kon zetten. Zoveel generositeit, daar kun je alleen nederig van worden. Als ik aan zo’n moment terugdenk, krijg ik vanzelf energie om er weer tegen aan te gaan”.