Tagarchief: universiteit

Rik Torfs en Karen Maex, rectoren van Leuven tot Amsterdam

Knack, 4 mei 2016

‘Wij rectoren moeten het erkennen: een topdown-aanpak werkt niet meer’

 

Door Walter Pauli en Erik Raspoet, foto’s Dieter Telemans

Vkcxd2JrMXJNWEZoZWxVOWd1c3RhYWY=

Karen Maex meent het: we mogen vooral de Nederlandse kranten niet kopiëren. Zonder uitzondering hadden die de voorbij weken het portret van de kersverse rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam opgeleukt met hetzelfde weetje: dat Karen Maex behalve een briljant academica ook een “begenadigd violiste” is. Niet helemaal uit de lucht gegrepen, overigens. Onze Nederlandse collega’s moesten eens weten dat Karen Maex in het gezegende jaar 1985 haar vioolkunsten heeft gedemonstreerd voor niemand minder dan paus Johannes Paulus II, als lid van het Leuvense universitair symfonisch orkest dat het historische pausbezoek luister bijzette. “Ik ben gewoon een amateur”, protesteert ze. “Laat alstublieft dat woord begenadigd achterwege”. Rik Torfs, zelf een aandachtig toeschouwer tijdens die memorabele plechtigheid, monkelt: “Allez Karen, begenadigd, dat vind ik juist een heel mooi woord.”

De sfeer is uitstekend, geen mens zou vermoeden dat Karen Maex en Rik Torfs drie jaar geleden als rivalen tegen elkaar stonden. Inzet destijds: de vierjaarlijkse rectorverkiezingen aan de Katholieke Universiteit van Leuven (KUL). Na de eerste ronde gingen Torfs en Maex met zijn tweeën naar de finale. Het contrast was opvallend. De mediafiguur Torfs, een badinerende intellectueel die de bon mots uit zijn mouw schudt zoals een goochelaar witte duiven. Karen Maex was minder bekend bij het grote publiek, maar in de academische wereld klonk haar naam als een klok. En ze was acht jaar lang vicerector geweest, de tweede vrouw die dat ambt in Leuven bekleedde.

Rik Torfs haalde het uiteindelijk met een miniem verschil van 36 stemmen. Kort daarop werd Karen Maex door de Universiteit van Amsterdam geheadhunt. Haar opdracht: de bèta-faculteiten (exacte wetenschappen) van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de concurrerende Vrije Universiteit van Amsterdam (VU) doen samensmelten tot één grote Faculty of Sciences Amsterdam. Maar nog vooraleer Maex haar koffers in Amsterdam kon uitpakken, werd de fusie gekelderd door de zogenaamde ‘medezeggenschap’: een front van morrende studenten, proffen en onderzoekers. De bom barstte toen begin 2015 ontevreden studenten meer inspraak en transparantie eisten. Dat mondde uit in een anderhalve maand lange, tumultueuze bezetting van het Maagdenhuis, het rectoraat op het Spui, en vervolgens tot het ontslag van de voorzitter van de Raad van Toezicht van de UvA.

Intussen was Karen Maex tegelijk decaan van maar even drié verschillende bèta-faculteiten van zowel de UvA als de VU. Ondanks de afgeblazen fusie slaagde ze erin een resem succescvolle samenwerkingsverbanden tussen beide Amsterdamse universiteiten te smeden. Dat succes bleef niet onopgemerkt. Twee maanden geleden lekte haar naam voortijdig uit als een van de kandidaten voor een zoveelste wissel aan de UvA-top. Haar benoeming is niet zonder slag of stoot niet verlopen. Vorige week pas was de kogel goed en wel door de kerk: Maex mag zich per 1 juli rector magnificus van de UvA noemen.

Zo zitten we aan de tafel met de twee rectoren van de twee grootste universiteiten van de Lage Landen. De KUL telt, filialen inbegrepen, ruim 56.000 studenten, de UvA zonder filialen, een dikke 31.000. In de internationale rankings ontlopen ze elkaar nauwelijks: de KUL en UvA spelen sinds jaar en dag mee in de Europese top. Twee rectoren, twee verschillende stijlen. Na de benoeming van Maex borstelde de Amsterdamse campuskrant Folia een diepgravend portret. Discretie en resultaatgerichtheid werden als haar grootste kwaliteiten geroemd. “Overleg met Maex is geen praatbarak”, verklaarde een insider. Dat is zo: bij het uittikken van het interview zal blijken dat Rik Torfs driekwart van het volume heeft geleverd.

In Vlaanderen worden rectoren verkozen, in Nederland aangesteld. Komt daar een echte campagne aan te pas?

Maex: Nee, het de traditie dat kandidaten zich kunnen aanmelden. Vervolgens voert men gesprekken. Een twaalfkoppige commissie, met daarin ook studenten en vertegenwoordigers van decanen en het bestuur, legt je op de rooster. Die commissies stelt vervolgens hun kandidaat voor aan de raad van toezicht, en die beslist uiteindelijk. Het is dus de commissie die sleutel in handen heeft.

Ererector André Oosterlinck is eigenlijk van mening dat rectorverkiezingen uit de tijd zijn. Hij heeft zich al laten ontvallen dat ‘in een bedrijf het ook niet de werknemers zijn die een ceo aanstellen. Die beslissing komt de aandeelhouders toe.’

Maex: Maar een universiteit is toch geen bedrijf!

Torfs: Ik ben het volmondig met je eens. Ik ben een grote voorstander van rectorverkiezingen. Een van de belangrijkste argument is dat het moed vergt om kandidaat te zijn. Je moet het aandurven het publieke forum te betreden en daar je visie te verdedigen.

Maex: Aan de Nederlandse universiteiten gebeurt het allemaal veel discreter, maar ook wij moeten ook uit onze schulp komen. Kandidaat-rectoren moeten vooraf heel wat ‘draagvlakgesprekken’ voeren, ondermeer met de studentenraad.

Nochtans was in Amsterdam het gebrek aan inspraak en transparantie één van de belangrijke punten van kritiek op uw kandidatuur, en de procedure erom heen.

Maex: De actiegroepen hebben de frustraties van heel veel mensen blootgelegd, ze hebben terecht gewezen op pijnpunten die overigens ook aan andere universiteiten levens, zelfs hier in Leuven. De UvA  heeft daarop gereageerd met een tienpuntenplan, maar er is nog heel wat werk aan de winkel. Aan de andere kant vraag ik me af of het nodig is om zomaar publiek te maken wie er heeft gesolliciteerd.

Torfs: Ik ben wel een fan van verkiezingen, want ze zijn open en performant, en ze bieden outsiders een faire kans. Met mijn profiel zou ik nooit aangesteld zijn. Ik kwam niet uit een van de vele ‘bestuursstallen’ van deze universiteit. Kerkelijk recht, dat zijn alle jaren samen ongeveer zeventig studenten. Dan ben je kansloos als de voordracht afhangt van een intern comité dat door professoren met bestuurservaring wordt gedomineerd.

Heeft uw ervaring met de verloren rectorverkiezing in Leuven er toe bijgedragen dat u in Amsterdam toch het lef had om u kandidaat te stellen als rector magnificus, ook al bent u er amper twee jaar werkzaam?

Maex: (aarzelt) Ja… dat denk ik wel.

Torfs: Dat kan niet toch anders?

Maex: Ik had de Leuvense verkiezingen weliswaar verloren, maar heb uit dat traject veel geleerd. En (kijkt naar Rik Torfs) zo slecht was het ook niet. (hilariteit).

Torfs: Toen ik mij in 2005 een eerste keer kandidaat stelde, heb ik ook de rectorverkiezingen verloren. Ik dacht toen: ‘Ik ga niet helemaal terug naar af. Integendeel, deze ervaring geeft me de ruimte om andere horizonten te verkennen. Ik ben toen onder andere jurylid van De Slimste Mens geworden, en ik heb een paar jaar voor de CD&V in de senaat gezeteld. Misschien was niet elke keuze even gelukkig, het was ook een beetje de vlucht vooruit die ik heb genomen.

Hebt u geen spijt van dat intermezzo in de Wetstraat? Veel hebt u als politicus niet kunnen realiseren.

Torfs: In een universiteit werk je samen met andere slimme mensen die allemaal een afwijkingen hebben, gelukkig allemaal een verschillende. Dat zorgt voor een fantastische sfeer. In de politiek is dat even anders. Ik heb helaas moeten vaststellen dat in het politiek bestuur en de CD&V-fractievergaderingen heel wat parlementsleden hun mond niet durven opendoen, uit angst voor de partijbonzen . In andere partijen is dat zo mogelijk nog erger, heb ik vernomen. Het deed me terugdenken aan mijn tijd in de eerste graad middelbaar onderwijs: leerlingen die onder elkaar stoer doen, maar braaf hun mond houden als de leraar binnenkomt. Het leven als parlementslid was een vorm van regressie. Nog even, dacht ik, en ik ga weer bedwateren.

U werd in 2003 benoemd tot ‘gewoon hoogleraar’. En al in 2005 werd u vicerector. Lag het universitaire bestuur u beter dan het eigenlijke academisch onderzoek?

Maex: Twintig jaar lang was ik een onderzoeker pur sang. Ik deed het graag, ik publiceerde veel en ik had mijn plaats in het onderzoek naar nanotechnologie. Tot ineens de vraag kwam van de toenmalige rector of ik zijn vicerector wilde zijn. Mijn eerste reflex was ‘neen’, maar ik heb toch goed nagedacht. Ik vroeg mij af: ‘Wil ik op mijn 65ste terugblikken op een loopbaan van veertig jaar, weliswaar goed gevuld maar wel uitsluitend met onderzoek? Of wil ik nog iets anders?’ Ik mocht slechts 48 uur nadenken, maar dat was voldoende.  ‘Ik wil dit geprobeerd hebben’, dacht ik.

Uw werk als vicerector viel niet te combineren met het verderzetten van uw eigen onderzoek?

Maex: Ik heb dat een jaar of drie proberen vol te houden. Ik ben zelfs blijven doceren. Maar dat bleek onmogelijk in het domein van nanotechnologie, waar alles om de zes maand compleet veranderd.

Torfs: Ik kan u kerkelijk recht aanbevelen, daar rekenen we al snel in eeuwen. (lacht) Dat neemt niet weg dat ik altijd hebt geflirt met de grens tussen ‘reflectie’ en ‘actie’. Toen ik nog volop actief was als academisch vorser, was ik in Oost-Europa al aan het helpen meeschrijven aan nieuwe wetten rond godsdienstvrijheid. Ik heb mij nooit willen beperken tot onderzoek alleen.

Ook als rector reikt uw actieradius verder dan de universiteit alleen. U haalt dubbel zo vaak de Vlaamse media dan alle andere rectoren samen.

Maex: Ook als in Nederland tv kijk, bots ik geregeld op Rik. (lacht)

Torfs: Dat heeft niets te maken met zogenaamde ‘profileringsdrang’. Ik heb sinds jaar en dag uitstekende contacten in Nederland. Ik heb er gedoceerd, ik heb lang samengewerkt met de kerkkritische Acht Mei, en tegenwoordig ben ik een vaste gast in praatprogramma’s als .De Nieuwe Wereld (IKON) en De Tafel van Tijs (Evangelische Omroep). Het verschil in debatcultuur blijft frappant. In Nederland gaat het er veel sneller en scherper aan toe. Vlaamse tv-debatten zijn gezapig, wat mij betreft soms te gezapig.

Vkcxd2JrMXJNVFpSV0dNOWd1c3RhYWY=

Kan een academicus nog nuanceren als het zo snel gaat?

Torfs: Ja, je moet snel nuanceren. (fier lachje) Ik houd er wel van. Die Nederlandse aanpak daagt mij meer uit dan de Vlaamse.

Maex: Toen ik verhuisde, werd ik van alle kanten gewaarschuwd voor de beruchte Hollandse directheid, en zeker voor de zogezegd brutale Amsterdamse variant. Ik heb er echter geen last van. Je weet namelijk meteen waar het op staat, zonder dat je je bij ieder woord moet afvragen wat men bedoelt. Achter die directheid schuilt trouwens ook een grote betrokkenheid. Het studentenprotest is hard en passioneel, maar steeds vanuit een ideaal om de wereld te verbeteren.

Torfs: Dat zie ik ook in Leuven. Vandaag is er in Leuven ontzettend veel overleg met de studenten: het zijn dan ook heel goede medebestuurders. Op dat vlak is er veel ten goede veranderd. In het academiejaar 1979-1980 was ik zelf studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad in Leuven. Op een bepaald ogenblik krijg ik de opdracht om de hervormingsplannen voor de opleiding psychologie af te breken. Ik heb mijn missie volbracht, rector De Somer is uiteindelijk tussengekomen om het dossier terug te trekken. Ik beschouwde die rol als vanzelfsprekend. In onze tijd was de studentenparticipatie per definitie vrij negatief en louter oppositioneel, en het universitaire bestuur was de vijand.

Gaat u als rector van de Universiteit van Amsterdam ook voortdurend in de Nederlandse media opduiken, of zal u vooral intern communiceren?

Maex: Ik krijg vooral aanvragen uit Vlaanderen, daar willen ze weten wat ik van plan ben. In Nederland kreeg ik nog niet één interviewaanvraag. De mediacultuur is anders: de pers, inbegrepen de studentenpers, mobiliseert pas  als je iets doet. En dan vraagt men om rekenschap.

U lijkt toch vooral de interne werking van uw universiteit binnenste buiten te gaan keren.

Maex: Dat zal onvermijdelijk zijn, want de volgende jaren gaat geen enkele instelling en ook geen enkel bedrijf nog kunnen blijven werken zoals vroeger. Nogmaals, ik heb mijn sporen verdiend in nanotechnologie, dus in het onderzoek naar innovaties die voor een wereldwijde revolutie zorgden in de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Iedereen heeft minstens één mobiele telefoon en communiceert met wie en waar hij wil.De duizelingwekkend toegenomen rekenkracht van chips heeft niet alleen onze communicatiemethodes maar ook de bestaande machtsstructuren op hun kop gezet. Ook de universiteiten maken het einde mee van het oude’ politieke systeem’, zoals Jürgen Habermas dat nog definieerde: een systeem waarin de communicatie top-down verloopt zonder echte, vrije dialoog. Die tijd is definitief voorbij. De horizontale netwerken zijn sterker dan ooit, het interactieve element is alomtegenwoordig, Een top-doxn aanpak werkt niet meer, dat moeten alle universiteiten en rectoren beseffen.

Wat betekent dat voor de rector als  ultieme ‘communicator’  van de universiteit?

Maex: Het bestuur kan niet meer eenzijdig de richting van het beleid opleggen. Dat is helaas wat in Amsterdam is gebeurd met de plannen om drie bèta-faculteiten tot één grote faculty of sciences te fuseren. Vandaag halen zelfs goede voorstellen het niet meer als ze niet van onderuit gesteund worden. En dus is het fusieplan weggestemd door de ‘medezeggenschap’. Tegelijk er waren nog altijd een heleboel wetenschappers die voor hun eigen specifieke discipline verregaande samenwerking wél zagen zitten. En dus moet je ook aan hun verzuchtingen tegemoet komen. Dat heb ik geprobeerd als decaan van de drie bèta-factulteiten’.

Torfs: Wij zijn er om te faciliteren en te ondersteunen. En we moeten er vooral voor zorgen dat onze mensen in zo’n grote organisatie niet ten onder gaan aan vervreemding. Ze moeten weten wat de universiteit van hen verwacht en zich betrokken blijven voelen.

Intussen telt u natuurlijk ook hun publicaties in zogenaamde A-tijdschriften, dé maatstaf waarmee universiteiten internationaal worden vergeleken. Dat is een heikel punt: de voorbije jaren was de ongezonde publicatiedruk in elke Vlaamse rectorverkiezing hét thema. Hoe willen jullie die druk verminderen?

Torfs: We moeten ook kijken naar andere eigenschappen van onze academici. We hebben massa’s kandidaten, ook internationaal. Er zijn Australiërs en Noord-Europeanen bij, maar ook steeds meer wetenschappelijke vluchtelingen uit Zuid-Europa die de slechte werkvoorvaarden aan universiteiten in Spanje, Italië, Griekenland en Portugal beu zijn. Aan die steeds heterogenere groep gaan we ook een bioschets vragen: we laten ze antwoorden op enkele filosofische kernvragen. Waar komen we vandaan? Wie zijn we? Waar gaan we heen?

Maex: Dat herken ik, in Amsterdam werken we ook al enige tijd met ‘zelfbeeldgesprekken’.  Publicatiedruk is ook bij ons een teer punt. De persoonlijke ruimte van een docent of een onderzoeker om zich echt te verdiepen of creatief te zijn is helaas veel kleiner geworden. Dat verklaart een deel van de academische onrust, zeker in Amsterdam. Maar laten we niet flauw doen: we leven in een zeer competitieve wereld. Er zijn meer onderzoekers dan ooit. Als je onderzoekfondsen moet verdelen, of uit een groep van honderd vijf onderzoekers  moet pikken, dan moet je die keuzes kunnen objectiveren, of er komt hommeles van. En ja, dan ga je publicaties tellen.

Kunnen nieuwe onderwijstechnieken een antwoord zijn op de onvrede van de studenten?

Torfs: Er wordt daarop volop ingezet, maar ik verwacht er geen mirakels van. Bob Stouthuysen (ex-ceo van Janssens Pharmaceutica en ex-voorzitter van de ‘Strategische Werkgroep’ van de KU Leuvense) pleit al lang voor een volledige virtuele universiteit. Ik geloof daar niet in, op de duur zit je bij moeder in de keuken op je laptop te tokkelen en noem je dat universiteit. Dan verdwijnt het essentiële aspect Bildung toch volledig? Van wie heb je het meest geleerd aan de universiteit? Toch van je medestudenten, en het contact met een aantal briljante proffen.

Maex: Dat geldt ook in de exacte wetenschappen. Van wie heb ik tijdens mijn kandidaturen het meest opgestoken? Toch wel van die professoren die ons tijdens hun hoorcolleges ons hun wiskundig inzicht konden overbrengen.

Torfs: Ik begrijp de hetze tegen het hoorcollege als voorbijgestreefde onderwijsmethode niet. Ja, ik ben tegen slechte hoorcolleges. Een hoorcollege moet enthousiasmeren. Het mag wat minder precies zijn, de technische details vind je wel in de handboeken. Roger Dillemans was zo’n briljant docent. Hij kon vijftig minuten slaapwandelen, maar toch bleef je zitten, omdat hij de laatste tien minuten schitterend kon uitpakken. Universiteit moeten natuurlijk verstandig omspringen met hun mensen, en weten aan wie ze welke onderwijstaak geven. Niet om het even wie kan op hoog niveau college geven. Maar neem nu Etienne Vermeersch: het is toch een genot om zo’n man op hoog niveau onwaarheden te horen vertellen? (grijnst)

Leeft bij de universiteitsbesturen nog de bekommernis om het Nederlands ook als academische taal te beschermen?

Maex: Bij het bekijken van de onderwijsportfolio’s is het toch altijd een prangende kwestie: doceren we dit vak in het Nederlands of in het Engels? In Nederland zijn de meeste bachelors in het Nederlands en de masters in het Engels. Ik vind dat je voorzichtig moet zijn met steeds meer aanbieden in het Engels.  Zelfs een vakgebied als natuurkunde mag je niet aan je eigen taal onttrekken.

Torfs: Nederland springt daar minder verkrampt mee om dan Vlaanderen. Wij hebben zelfs voor de masters allerlei decretale verplichtingen die het gebruik van het Nederlands verplichten. Terwijl wij vinden dat je moet kunnen differentiëren naargelang de discipline. Een opleiding rechten in het Engels is absurd, want het Angelsaksische rechtssysteem is totaal verschillend van het continentaal-Europese. Maar zelfs in heel talige discipline als filosofie is het een probleem: daar telt soms elk woord. Dat verbale aspect is lang niet zo dominant in scheikunde of natuurkunde, en dus zou je daar gerust een aantal vakken volledig in het Engels mogen geven. Het is een kwestie van common sense. De universiteiten moeten de overtuiging hebben om het Nederlands te willen verdedigen, en tegelijk moeten ze de nodige pragmatiek aan de dag mogen leggen om zichzelf niet in taalfundamentalisme vast te rijden.

In Vlaanderen is de laatst jaren nauwelijks nog politieke aandacht voor de universiteiten. Er was een stormpje over de inschrijvingsgelden en er wordt wat gepraat over de invoering van de oriëntatieproef, maar verder is er vooral politieke windstilte. Betreuren jullie dat?

Torfs: Niet echt, al zijn topics zoals het inschrijvingsgeld erg belangrijk Als we dat zoals in Nederland fluks zouden optrekken boven de 1.000 euro-grens, dan belanden we in het model van studieleningen en spreken we eigenlijk over een heel andere type universiteiten. Dan is een debat over het democratisch gehalte van het universitair onderwijs wel gepast. Maar in het algemeen.is het goed dat de huidige generatie politici de universiteiten niet in een keurslijf dwingt. Hilde Crevits (CD&V) is een zeer goed minister, ze laat ons de ruimte om zelf onze visie te ontwikkelen. De rol van de Vlaamse overheid moet beperkt blijven tot kwaliteitscontrole: realiseren we onze ambities? Die terughoudendheid is niet vanzelfsprekend, want voor een politicus is de verleiding altijd groot om de universiteiten allerlei doelstellingen op te leggen. Dan krijg je snel een brokkenvisie, het resultaat van een politiek compromis.

U hebt dus liever het laisser faire van Hilde Crevits dan de meer interventionistische aanpak van Frank Vandenbroucke (SP.A)?

Torfs: Nu moet ik zeker diplomatisch antwoorden? Ik zou erop kunnen wijzen dat iedereen zijn verdienste heeft, ook Frank Vandenbroucke? Maar inderdaad, ik vind dat een minister moet oppassen met de nu al heel sterke overregulering. De minister moet vertrouwen geven aan de universiteiten, wij moeten tonen dat we dat vertrouwen waard. Maar dat zijn we toch? Het is mijn bescheiden mening dat er na de aanslagen van 23 maart veel te weinig gewezen is op de fantastische manier waarop onze ziekenhuizen de slachtoffers hebben opgevangen, niet in de laatste plaats dat van Leuven. Dat staat heel ver van de failed state waarover men het voortdurend heeft

Maex: De meeste studies over onderwijskunde tonen duidelijk aan universiteiten nood hebben aan veel autonomie nodig om goed te functioneren. Dat is logisch, want de echte kennis zit bij de wetenschappers.

En wat doen die wetenschappers met hun kennis? Welke rol speelt de KU Leuven nog in de grote debatten van deze tijd?

Torfs: De universiteiten moeten hun ambitie waarmaken om een plek te zijn waarin de samenleving vertrouwen heeft. Volgens enquêtes lukt ons dat nog vrij aardig: de bevolking heeft meer vertrouwen in wetenschappers dan in priesters, politici, militairen en zelfs in journalisten. We kunnen onze maatschappelijke rol op honderden manieren spelen, ook door het stoutmoedig participeren  aan het maatschappelijke debat.

Zoals de Leuvense viroloog Marc Van Ranst sinds enige tijd doet? Hij komt met scherpe standpunten tussen in het politieke debat. Die zij kritisch voor de regering en hard voor de N-VA.

Torfs:  Aan onze universiteit is er ruimte voor alle opinies en overtuigingen. De een mag zich  communist noemen, een andere eerder rechts. Zolang het maar met klasse en stijl gebeurt. Dit gezegd zijnde: wat Van Ranst doet, is toch fantastisch? Ik ben het soms eens met zijn ideeën, soms ook niet, maar ik heb geweldige bewondering voor het lef waarmee hij zich in die discussie stort. Buiten zijn vakgebied, maar wat dan nog? Hij draagt argumenten waarmee hij zijn tegenstanders dwingt om zich te verantwoorden.

De academische werkelijkheid kan ook kneuterig zijn  zoals blijkt uit het vileine ‘Onder Professoren’ van W.F. Hermans.

Torfs: (enthousiast) De belevenissen van professor Rufus Dingelam, zeker?

Maar herkent u dat, een universitair milieu waarin professoren elkaar met de glimlach afmaken?

Torfs: Als ik toch moet afgemaakt worden, dan liefst met een glimlach.

Maex: En bij voorkeur door een intelligente collega. Dan kan je tenminste in stijl het pand verlaten.

Torfs: In mijn geval: kandidaten genoeg (hilariteit).

 

E-learning op zijn Vlaams: stoelendans in de aula’s

Knack, 14 oktober 2015

Kenners wereldwijd zijn het eens: de toekomst van het hoger onderwijs is digitaal.  Ook in Vlaamse rectoraten zoemen buzzwords zoals Mooc’s, e-learning en flipped classroom. Maar een disruptieve revolutie? Tijdens hoorcolleges in bomvolle aula’s van Gent, Leuven en Antwerpen valt er nog weinig van te merken. Plaatsgebrek? ‘Dat probleem lost zich na een paar weken vanzelf op’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Vrijdagochtend, half negen. Plastieken bekers en rotzooi alom, het was weer feest in de Gentse Overpoortstraat. Terwijl de laatste fuifnummers zich op wankele benen naar hun kot slepen, reppen andere studenten zich naar het UFO in de Sint-Pietersnieuwstraat. Met zo’n duizend hebben ze het onchristelijke aanvangsuur getrotseerd om het tweede college ‘Inleiding tot de historische kritiek’ bij te wonen. Veel opgeschoten pubers, dit is dan ook een plichtvak voor alle eerstejaars aan de faculteit letteren en wijsbegeerte. Laatkomers nestelen zich op het gangpad in de nok van het gigantische auditorium Leon De Meyer, het vlaggenschip van de Gentse universiteit. Er zijn nog enkele stoelen vrij, helaas onbereikbaar in de massa. Dan maar rechtstaan en reikhalzend kijken naar de twee immense beeldschermen vooraan in de aula.

Marc Boone, hoogleraar en tevens decaan van de faculteit, laat een nieuw videofragment aanrukken. Soldaten marcheren op de tonen van Wagner, strak in het gelid, de linkerarm gestrekt. Triumph des Willens van Leni Riefenstahl, precies 80 jaar oud maar nog altijd verbluffende cinema. Straf genoeg alleszins om zelfs de op de achterste rijen de aandacht van de tablet of smartphone naar de cursus te verleggen. ‘De moeder van alle propagandafilms’, houdt Boone zijn duizendkoppig publiek voor.

flipped classroom

Massale hoorcollege in reusachtige aula’s? Niet meer van deze tijd, zei Robert Stouthuysen onlangs in dit magazine. De gewezen topman van Janssen Pharmaceutica en bestuurder aan de KU Leuven, hekelde het conservatisme van de Vlaamse universiteiten. De toekomst van het hoger onderwijs is digitaal, vindt de hoogbejaarde maar nog erg actieve baron. Zijn stelling dat onze universiteiten en hogescholen de trein van e-learning en afstandsonderwijs missen, is licht gechargeerd. Tijdens onze bevraging viel om de haverklap het begrip blenden learning, contactonderwijs gecombineerd met diverse vormen van digitale kennisoverdracht. Leuven, Gent, Antwerpen, Brussel, Hasselt, er wordt aan alle faculteiten mee geëxperimenteerd. Vaak onder de vorm van de flipped classroom: studenten bereiden online aangeleverde nieuwe stof op eigen houtje voor, lessen dienen alleen nog om de kennis te verdiepen, oefeningen te maken en knelpunten te bespreken. Het beweegt dus, maar te traag naar de smaak van de Gentse professor onderwijskunde Martin Valcke. Volgens deze internationaal erkende expert innovatie hoger onderwijs, zweren nog teveel Vlaamse docenten bij traditionele hoorcolleges. Vooral algemene, inleidende vakken kunnen perfect online worden gezet. Luc Soete, de Vlaamse rector van de op Angelsaksische leest geschoeide Universiteit Maastricht, zit op dezelfde golflengte. Hoorcolleges zijn een voorbijgestreefd concept, verklaarde hij onlangs in De Tijd.

Voorbijgestreefd concept? Aan de opkomst in Aula Rector Dhanis, de grootste van de Universiteit Antwerpen, valt het niet te merken. Een dikke 700 studenten tekenen present voor de inleidende cursus accountancy, een verplicht en geducht vak voor eerstejaars in de bachelor-opleidingen TEW en handelsingenieur. Vooraleer ze het verschil tussen activa en passiva aansnijdt, neemt professor Lybaert ruim de tijd voor preventieve vermaningen. Wie zijn stof niet bijhoudt, kan volgende keer beter thuisblijven. Zelf oefenen is de boodschap, de tijdens het hoorcollege behandelde toepassingen volstaan niet om met een gerust hart naar het examen te trekken. En dat studenten met voorkennis, een eufemisme voor bissers, dwalen als ze denken dat ze het dit keer met de vingers in de neus zullen halen. Ligt het aan de royaal opengedraaide volumeknop? De speech maakt alleszins indruk op het jonge volkje, alvast één leereffect dat met een online cursus moeilijk te bereiken valt.

krantje lezen

Nadine Lybaert is gastdocent in Antwerpen, haar alma mater ligt in Hasselt. Al 13 jaar verzorgt ze het drukst bijgewoonde opleidingsonderdeel van de UA. ‘Gemiddeld 700 tot 800 studenten’, zegt ze. ‘Ik prijs me gelukkig met deze aula. Prima akoestiek en video, zo is het aangenaam les geven. Natuurlijk is zo’n grote groep niet ideaal, je hebt als docent geen idee of ze op de achterste rijen volgen dan wel of ze hun krant of tablet lezen.  In het algemeen kun je het zo stellen: de studenten die bewust achteraan kruipen zijn niet noodzakelijk diegenen met de hoogste slaagkansen. Maar de drukte vandaag geeft een vertekend beeld. Binnen een paar weken hebben er een aantal afgehaakt en vallen er vanzelf lege plekken’.

Inleidende cursussen online aanbieden? Lybaert voelt zich niet aangesproken. ‘Ik hecht veel belang aan het persoonlijk contact met mijn studenten. Tijdens de pauze blijf ik altijd in de aula, beschikbaar om alle mogelijke vragen te beantwoorden. Daar wordt gretig gebruik van gemaakt. Ik beschouw mijn cursus overigens niet als een traditioneel hoorcollege, ook al bestaat mijn eigen rol uit het droog overbrengen van kennis. Na ieder cursusonderdeel volgt een digitale explosie: de werkzittingen zijn volledig web based, mijn medewerkster is een digital whizzkid die de studenten met blogs, video’s en andere input bestookt. Blended learning, zo kan je het gerust noemen’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

 

Van digitale hocus pocus is in de les van Marc Hooghe weinig te merken, of het zouden de beamer en de wandelmicrofoon moeten zijn. De gewezen VRT-journalist doceert in Leuven het vak politicologie, een cruciaal opleidingsonderdeel in de eerste bachelor politieke wetenschappen en sociologie. Het gaat in deze tweede les over macht en de rol van de staat. Op het scherm verschijnt het beeld van een IS-gijzelaar, vlak voor zijn executie. Dat is dus wat er kan gebeuren als de staat faalt in zijn monopolie op het uitoefenen van geweld. Een dikke 500 studenten maakt ijverig aantekeningen, een kleine helft met behulp van laptop of tablet, de anderen met papier, pen en markeerstift. Aanvullingen zijn het op het handboek politicologie dat op geen enkele klaptafel ontbreekt. Hoorcollege uit de oude doos? Marc Hooghe zal het stempel na de les afwijzen. Hij doceert niet ex cathedra, wandelt voortdurend rond, dringt zelfs diep door in de middengang waar hij niet aarzelt studenten de microfoon onder de neus te duwen. ‘Natuurlijk is interactie met zo’n grote groep niet vanzelfsprekend’, geeft hij toe. ‘Vorig jaar was het nog lastiger. De aula was te klein, mijn college werd naar een tweede auditorium gestreamd. Niet ideaal, je hebt er geen echt contact me je publiek. Dit jaar is er gelukkig geen capaciteitsprobleem, de inschrijvingen in onze richting zijn met 5 à 10 procent teruggelopen’.

digitaal uitstelgedrag

Hij kan het zich wel inbeelden: de hele reeks van hoorcolleges opnemen en uploaden zodat zijn studenten zich thuis, op kot of waar dan ook met de beginselen van de politicologie vertrouwd kunnen maken. Het is geen exacte wetenschap, complexe oefeningen komen er niet bij kijken. ‘Technisch is het perfect mogelijk’, zegt hij. ‘Maar ik ben geen voorstander van digitaal afstandsonderwijs, toch niet in een eerste bachelor met 18 en 19-jarigen van wie de meesten nog niet in staat zijn om zelfstandig te plannen en te studeren. Want wat zou er gebeuren als je alles louter online aanbiedt? Uitstelgedrag, een eigenschap die velen nu al fataal wordt, zou helemaal uit de hand lopen. Ik zie het al voor me: studenten die drie dagen voor het examen vaststellen dat ze nog twintig videocolleges moeten bekijken. Hoorcolleges geven structuur aan het leven. Van studenten, maar ook van proffen. Want ook dat speelt: heel wat proffen staan graag voor de aula. Ik doe het zelf ook nog steeds met plezier, wat niet betekent dat ik principieel tegen nieuwe onderwijsmethodes ben gekant. Een aantal van mijn hoorcolleges in derde bachelor staan online, toetsen en self trainers gaan over het intranet’. 

Blijft de vaststelling dat Vlaamse universiteiten niet bepaald vooroplopen in de digitale onderwijsrevolutie. Als politicoloog zoekt Hooghe de verklaring bij het beleid. ‘Door de keuze voor een brede instroom is er minder druk om te moderniseren. Letterlijk iedereen kan hier naar de universiteit. Behalve in de richting genees- en tandheelkunde zijn er geen bindende toelatingsexamens, en ondanks de recente verhoging blijft het inschrijvingsgeld belachelijk laag. Gevolg; heel wat jongeren komen naar de unief om het eens te proberen of om van het studentenleven te proeven. De helft die je zonet in de aula hebt zien zitten, overleeft de eerste bachelor niet. Die aselecte instroom is uniek in de wereld. Ik kom net terug uit Montreal waar ik een gastcollege aan de McGill University heb gegeven. Een jaartje studeren kost er meer dan 20.000 dollar, bijna even duur als aan de Amerikaanse of Britse topuniversiteiten. In Frankrijk selecteren ze dan weer via toelatingsproeven. In Lille, waar ik soms les geef, laten ze 2 procent van de deelnemers toe’.

aselecte instroom

We mogen hem niet verkeerd begrijpen, hij is geen voorstander van een strenge selectie aan de toegangspoort. Hooghe: ‘In eerste bachelor kan ik ze er zo uitpikken, studenten die door hun kledij of houding verraden dat ze in een ander land nooit naar de universiteit zouden gaan. De meesten redden het niet, maar er zijn er ieder jaar wel enkelen die toch slagen. Dat is op zich al waardevol, een democratische kwaliteit om te koesteren. Maar de brede instroom heeft wel gevolgen voor het soort onderwijs dat we bieden. Een eerste bachelor, dat is in feite een uitgestelde, langgerekte toelatingsproef. De ongelijke kwaliteit van de studentenpopulatie verplicht ons als docenten tot een compromis waarin iedereen verliest. Voor de zwakke helft blijft het sowieso te moeilijk, terwijl sterke studenten onvoldoende worden uitgedaagd. Die laatste groep zou wel gebaat zijn bij e-learning of andere innovatieve methodes die een grote motivatie en inzet vergen. Het is geen toeval dat Angelsaksische universiteiten vooroplopen in de digitale transitie. Als een student 20.000 dollar voor een jaartje universiteit betaalt, dan gaat hij niet freewheelen maar zich schrap zetten om voor ieder vak te slagen. Die sense of urgency ontbreekt bij ons helemaal. Of je nu drie of vier jaar over een bachelor doet, het maakt velen niet uit. Het systeem met studiepunten is er ook voor gemaakt. Je kunt altijd wel enkele vakken meenemen, en de ouders trekken het zich niet aan omdat zo’n jaartje extra niet veel kost’.

Een brede instroom in populaire studierichtingen kan dus niet zonder massale hoorcolleges in grote aula’s. Dat kost een aardige stuiver, maar toch gaat het volgens Hooghe om een koopje. ‘Massale hoorcolleges zijn voor de universiteiten juist spotgoedkoop. Of docenten nu les geven aan bachelors in een bomvolle aula of in een lokaal aan een kransje masterstudenten, aan hun salaris zal je het verschil niet zien, en we krijgen er ook geen extra onderwijsassistenten voor. Neem nu mijn vak politicologie. Eén docent voor 500 studenten, voor die prijs ga je niet veel kunnen investeren in digitale innovatie’.

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Mooc’s

Per kop berekend is professor Wagemans nog goedkoper. Aula Rector Pieter De Somer, met 842 zitjes de grootste van Leuven, is net niet helemaal volgelopen voor zijn college functieleer, zeg maar een algemene inleiding psychologie. Het is een van die materies die vaak het onderwerp vormen van een Mooc, de veelbesproken massive open online course. Gratis beschikbaar voor iedereen, compleet met selftrainers, feed back- en peer review-modules en (betalende) examensystemen. ‘Geen alternatief voor mijn cursus’, vindt Johan Wagemans. ‘Er is een inhoudelijk verschil. Ik combineer functieleer met een algemene inleiding tot de psychologie. Dat vind je bij geen enkele Mooc, die zijn immers allemaal op Amerikaanse leest geschoeid. Engelstalig dus, en ook dat is een bezwaar. Voor dit soort introducties blijft Nederlands de aangewezen instructietaal. Zeker in een eerste bachelor met een nauwelijks geselecteerde instroom kun je niet zomaar aannemen dat iedereen voldoende Engels kent’.

Ook professor Wagemans is niet afkerig van digitaal onderwijs. In de masteropleiding hanteert hij het flipped classroom concept. Alles gebeurt online, de wekelijkse lessen zijn niet meer dan groepsgesprekken om de digitale kennisoverdracht te evalueren. ‘Dat werkt alleen in kleine groepen met een homogene kwaliteit’, zegt hij. ‘Achttienjarigen hebben nog niet genoeg  discipline en zelfredzaamheid voor e-learning. Ik zet voor mijn eerste bachelors wel eens iets op Toledo, het intranet van de universiteit. Dat kan een verwijzing zijn naar een uitbreidingsartikel, of enkele vragen over de cursus. Als de helft van de studenten er op ingaat, zo wil de afspraak, dan behandelen we die kwesties in het volgende hoorcollege. De respons is bedroevend, vaak halen we niet eens de 50 procent’.

De VUB is de enige universiteit die ook in populaire bachelor-opleidingen geen capaciteitsproblemen kent. ‘Dat is het verschil met de andere Vlaamse universiteiten’, zegt rector Paul De Knop. ‘Ze zijn het slachtoffer geworden van hun eigen succes. Als middelgrote universiteit hebben we alles onder controle, ook al dank zij onze flexibele infrastructuur. Onze Aula Q is een geweldige troef, moduleerbaar van 200 tot 1200 zitplaatsen’.

Niet dat het aan de grote universiteiten de spuigaten uitloopt. Verhalen over uitpuilende aula’s bleken vaak uit het verleden te dateren. Universiteiten hebben dan ook maatregelen getroffen. Auditoria  worden niet meer per faculteit maar centraal beheerd en optimaal benut. Vooral de blue chips, de aula’s met 500 en meer zitjes, moeten renderen. Ze worden tot ’s avonds laat en vaak ook tijdens het weekend volgepland. In uiterste nood worden lessen naar een tweede aula gestreamd, een praktijk die vooral in de Leuvense en Gentse rechtsfaculteiten voorkomt. Niet toevallig, vernamen we van bronnen in beide universiteitssteden. Als één groep studenten het risico op overbevolkte aula’s loopt, dan zijn het wel de toekomstige juristen.

Dat klopt, stellen we vast als we de sasdeur van auditorium NBIII in Gentse Universiteitsstraat openen. Capaciteit 300 zitplaatsen, onvoldoende om de belangstelling voor de in tweede bachelor verplichte cursus goederenrecht te kanaliseren. Pechvogels zitten achteraan in de vensterbanken, anderen hurken tegen de muur en gebruiken hun knieën als schrijftafel. Een van de muurzitters zet zijn tanden in een broodje, het kraken van ovenverse korst is niet echt bevorderlijk voor de concentratie van de buren. Professor Wylleman houdt de zaal scherp met een strikvraag. Is een Mariabeeld in een nis een roerend dan wel een onroerend goed?

massacolleges

Capaciteitstekort? ‘Ach’, zegt Annelies Wylleman. ‘Het was maar de eerste les. Binnen enkele weken schieten alleen de gemotiveerde studenten over, ik schat zo’n 250 tot 300 op een totaal van 460.  Een grote kloof, inderdaad. Komt door de fameuze flexibilisering. Studenten moeten niet meer slagen voor hun eerste bachelor. Als ze een minimum aantal studiepunten behalen, mogen ze het tweede jaar combineren met de onvoldoendes van het eerste jaar. Een slecht systeem als je het mij vraagt. De trajecten worden er alleen maar langer door, vooral de hopeloze gevallen blijven nodeloos plakken. In de tweede bachelor merken we dat vooral bij de herexamens in september. Van de 200 inschrijvingen komt minder dan de helft opdagen. Dat zijn dan vaak de studenten die het in juni al voor de derde keer hebben geprobeerd, met een 7 op 20 als resultaat. Tijdverlies, ook voor de docent’.

Wylleman heeft vele jaren in eerste bachelor de inleiding  tot het privaatrecht gedoceerd. Het UFO bestond nog niet, Auditorium E in de Blandijnberg was het theater voor massacolleges. Tegenwoordig worden Gentse docenten door professionele acteurs gecoacht om massa’s te bespelen, maar professor Wylleman mag zich als performer een autodidact noemen. ‘De eerste keer voor zo’n grote bende was ik wel nerveus’, zegt ze. ‘In mijn dromen zag ik alles in de soep draaien. Ik was mijn cursus vergeten, of de geluidsinstallatie werkte niet. Nodeloos gepieker, het ging me van de eerste keer goed af. Ik probeer het levendig te houden door vragen te stellen en voorbeelden uit mijn notarispraktijk te geven’.

Dat zou ook perfect online kunnen, geeft ze toe. Technisch gezien althans, in de praktijk ziet ze zich nog niet snel op de digitale golf meesurfen. ‘Daarvoor vind ik het persoonlijk contact met de studenten te belangrijk’, zegt ze. ‘Ook voor de studenten lijkt het me niet ideaal. Liever les van een docent van vlees en bloed dan de hele tijd naar een talking head op een scherm kijken. Ik ging als student zelf erg graag naar hoorcolleges. Je leert er mensen kennen, want in zo’n auditorium val je vaak naast een volslagen onbekende’. 

foto: Jef Boes

foto: Jef Boes

Toch waait de wind van verandering ook door de faculteit rechten, met de kracht van een lentebriesje. ‘Vorig jaar hebben ze mijn cursus opgenomen en op het intranet gezet’, zegt Wylleman. ‘Dat vond ik prima, er zijn altijd wel werkstudenten die hoorcolleges moeten missen. Maar ook gewone studenten maakten er gebruik van. Ik heb gisteren in bed nog eens naar jou gekeken, kwam er eentje me tijdens de volgende les zeggen. Toch zijn er in onze faculteit ook proffen die niet willen dat hun les wordt opgenomen. Ouderen, jawel, maar ook minder oude collega’s. Angst om zich te verspreken, denk ik.’