Tagarchief: zigeuners

Met de politie op mensenrechtenstage in Kazerne Dossin

De Standaard, 11 april, 2015. (passage over zigeuners als code voor rondtrekkende daders heeft een staartje gekregen. Na een groot vervolgartikel van een collega in De Standaard besloot de Federale Politie haar nomenclatuur aan te passen)

Het verband tussen de feestende massa van een zomerfestival en de massamoord in Auschwitz? Politieagenten vinden in de Kazerne Dossin het antwoord. Onze reporter mocht een hele dag mee op HPM-stage in het Holocaust Museum. Verslag vanuit het spanningsveld tussen politie en mensenrechten.

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

politieagenten op stage in Kazerne Dossin (Foto: Geertje De Waegeneer)

Vroege vogels, die van de politie. Vanaf half acht druppelen de eerste cursisten binnen in de Kazerne Dossin. Commissaris Marc Van Gestel zet ze op weg naar een kop koffie, zijn collega Isabelle Diependaele streept de namenlijst af. Veertig worden er vandaag verwacht, op te tellen bij de 1.800 die het afgelopen jaar de eendaagse opleiding Holocaust, Politie en Mensenrechten (HPM) hebben gevolgd. “We liggen op kruissnelheid”, zegt coördinator Van Gestel tevreden. “Twee dagen in de week palmen we het museum in. Bedoeling is het volledige korps, meer dan 40.000 mannen en vrouwen sterk, door dit bad te jagen. We zijn hier dus nog niet weg, in een volgende fase willen we trouwens ook de aspiranten van de politiescholen naar Dossin halen”.

Het concept komt uit Amerika. Tijdens een stage bij de FBI in Washington beleefde hoofdcommissaris Dirk Allaerts zijn ping-moment. Het verplichte bezoek aan het holocaustmuseum, was dat geen idee voor de Belgische politie? Commissaris-generaal Catherine De Bolle was meteen enthousiast, en ook in Kazerne Dossin viel het zaadje in vruchtbare grond. Het nieuwe museum, een sober maar indrukwekkend ontwerp van architect Bob Van Reeth, stond nog in de steigers. Conservator Herman Van Goethem en zijn team piekerden zich suf. Het museum moest meer zijn dan een geïllustreerd exposé over het nulpunt van de Westerse geschiedenis. Herinneringseducatie, werd het toverwoord. Het verhaal van de holocaust moest als casus dienen waaruit lessen voor heden en toekomst vielen te trekken. Het voorstel van de politietop kon dan ook niet beter getimed zijn. Het Interfederaal Gelijkekansencentrum sprong als derde partner op de kar. Eind 2013 stond het project Holocaust, Politie en Mensenrechten in de steigers, vier maanden later gingen de cursussen van start.

Bende van Nijvel

Een delegatie uit Luik waait binnen, mopperend over de files op de Brusselse ring en de moeilijke zoektocht naar een parkeerplaats. “Dit is een verplicht nummer”, zegt een van de agenten. ‘Van onze korpschef moeten we allemaal naar Mechelen, wij zijn zowat de laatsten in de rij. Wat de anderen erover vertellen? Niks bijzonders, er zijn tegenwoordig ook zoveel opleidingen. Ach ja, zo ziet een mens nog eens een stukje van zijn land”. Scepsis is veeleer uitzonderlijk, stellen we tijdens de briefing vast. Nagenoeg alle cursisten in onze groep hebben zelf het initiatief genomen om in te schrijven. Negen mannen en drie vrouwen, wetsdienaren van zeer divers pluimage. Speurders van de federale gerechtelijke politie zitten naast agenten van lokale korpsen. Een deelnemer stelt zich voor als instructeur op de schietbaan van de Nationale Politieacademie, een andere als coördinator bij de cavalerie in Etterbeek. Ook Robert Watzeels doceert aan de Nationale Politieacademie. Geweldbeheersing, een vak waarbij hij aspiranten inpepert dat hun tong hun beste wapen is. Een vijfde van zijn diensttijd besteedt hij in Kazerne Dossin, als een van de anciens onder de 54 HPM-opleiders. Vandaag vormt hij een tandem met Danny Debersaques van de wegpolitie Gentbrugge. Ook de andere groepen, twee Nederlandstalige en een Franstalige, worden door een duo begeleid. “Alleen zou dit te vermoeiend zijn”, zegt Robert. “Het is telkens een lange en intensieve dag”.  Een cursist is extra gemotiveerd. Pieter, negen jaar verbindingsofficier in Parijs, staat op een zucht van zijn pensioen. “Ik zoek een nuttige tijdsbesteding”, zegt hij. “Misschien kom ik hier zelf opleiding geven”.

We overlopen de Vier Hoofddoelen van HPM. Een beter begrip van de  mechanismen achter discriminatie en uitsluiting. Stimuleren om kritisch na te denken, en te handelen in overeenstemming met hun persoonlijke overtuiging. “Bovenal proberen we de cursisten bewust te maken van de marge om nee te zeggen”, zegt Robert. “Ook tegen een bevel van hogerhand. Als politieman sta je vaak voor ethische dilemma’s, weet ik uit eigen ervaring. Tijdens de hoogdagen van de Bende van Nijvel moest ik als jonge rijkswachter een bank bewaken. Ik had van mijn overste een duidelijke opdracht gekregen. Als ik iemand van de bende in het vizier kreeg, moest ik schieten zonder waarschuwen. Stapte hij uit een auto zonder een directe bedreiging te vormen? Niet aarzelen, direct schieten. Vandaag klinkt dat schokkend, maar het hele land was toen in de greep van de Bende-terreur. Ik zou er wellicht applaus voor gekregen hebben”.

Jonathan Jacobs

Het staat niet in het rijtje met doelstellingen, maar HPM moet ook een preventief medicijn tegen politionele uitschuivers vormen. Recente voorbeelden worden hier openlijk besproken. De zware mishandeling van daklozen door leden van de federale spoorwegpolitie in een lokaal onder het Zuidstation? Onze eigen rondvraag zal uitsluitend scherpe veroordelingen opleveren. Een staaltje van ongezonde kuddegeest, wordt het genoemd. Een leidersfiguur die over de schreef gaat, en de anderen die hem volgen veeleer dan in te grijpen. Over Jonathan Jacobs, doodgeslagen in een cel door leden van het Bijzonder Bijstandsteam van de Antwerpse politie, zijn de meningen genuanceerder. “Absoluut verwerpelijk”, vindt Robert. “Voor mijn part mogen die agenten streng gestraft worden. Maar wat met de psychiatrische kliniek die tot twee keer toe heeft geweigerd om Jacobs op te nemen? De directie is even schuldig als de betrokken politiemannen”.

Groepsdenken, ontmenselijken van medeburgers, bureaucratische lafheid, bereidheid tot het plegen van geweld. Allemaal thema’s die als vlechtdraad doorheen de opstelling in het museum lopen. Robert en Danny nemen ons  mee naar het memoriaal in de kazerne, het zwarte gat waarin 25.484 joden en 352 zigeuners verdwenen. 1.200 keerden uit de vernietigingskampen terug, geen 5 procent. Nadia, van politiezone Brussel-Noord, verbaast zich over de luxeappartementen rond het als park aangelegde binnenplein. “Ik zou hier niet kunnen wonen”, zegt ze. “Niet op een plek met zo’n verleden”. Het wordt geen klassieke rondleiding, we houden alleen halt bij de HTM-relevante onderdelen. Zoals het kunstwerk dat Philip Aguirre voor het memoriaal maakte. ’15 augustus 1942, Lange Kievitstraat Antwerpen’, de naam verwijst meteen naar een van donkerste pagina’s uit de geschiedenis van de Belgische politie. Op 15 augustus 1942 werden in de Antwerpse stationsbuurt meer dan 800 joden opgepakt en naar de Dossinkazerne afgevoerd. Aan de razzia, bevolen door de bezetter, dociel uitgevoerd door burgemeester Delwaide en zijn korpschef De Potter, namen een vijftigtal agenten deel. Het kunstwerk, een gedekte tafel waaronder een drieledig gezin zich, plat op de grond liggend, verscholen houdt, stelt het morele dilemma op scherp. “De agenten stonden voor de keuze”, legt Danny uit. “Ze konden het bevel naar de letter opvolgen en de familie van onder de tafel vandaan halen. Maar ze konden ook stil verzet plegen. Hun kop binnen steken, ‘hallo is daar iemand’ roepen, en vooral niet onder de tafel kijken”.

Artistieke impressie van de razzia van 21 augustus 1942, een zwarte pagina in de geschiedenis van de politie (Foto: Geertje De Waegeneer)

Artistieke impressie van de razzia van 15 augustus 1942 (Foto: Geertje De Waegeneer)

We steken opnieuw over naar het museum, voor een hinkelparcours doorheen de geschiedenis van de holocaust. Danny trekt onze aandacht op de fotowand. Een uitgelaten menigte van jonge mensen, dansend op de beats van Tomorrowland. Welke indruk maakt dit beeld? De begeleider kijkt zijn cursisten vorsend aan. Vinger opsteken hoeft niet, maar de sfeer van de schoolreis is helemaal terug. Vrolijk, zomers, jeugdig, de rondvraag levert vooral vrijblijvend gemompel op. Tot een van de speurders _ foto’s en namen zijn taboe, anonimiteit is hun levensverzekering _ zijn bril van ordehandhaver opzet. “Ik vind massa’s intimiderend”, zegt hij. “Groepen zijn manipuleerbaar. De sfeer kan zo omslaan, van vrolijk naar grimmig”. Was dit een toets, dan kreeg hij een tien. Van massa naar massamoord, daar gaat de hele tentoonstelling over. In onze werkmap staan ze netjes uitgespeld, de tien stappen die de Amerikaanse genocide-specialist Gregory Stanton onderscheidt, van classificatie en polarisatie naar uitroeiing en ontkenning.

Einsatzgruppe

De klas is nu helemaal bij de les. De spotprent van Joden op insectenpoten, sprinkhanen die Antwerpen overspoelen? Ontmenselijking, luidt het antwoord, stap 4 in het schema van Stanton. Precies wat in Rwanda is gebeurd, laat iemand pienter opmerken, daar werden de genocideslachtoffers als kakkerlakken bestempeld. We staan lang stil bij een beroemde foto van een lynchpartij in het Amerika van de jaren dertig. Wat zien we? Twee sukkelaars die aan een boom bengelen. Robert nodigt ons uit om beter te kijken, en scherp te stellen op de omstaanders. Sommigen blikken in de lens alsof ze zich betrapt voelen, bij de meesten spat het enthousiasme over het schouwspel van het beeld. Niemand die een vinger uitstak om de lynchpartij te voorkomen, net zomin als dat er iemand van de Rijkswacht tijdens de eerste pogrom in april 1941 iets ondernam om de relschoppers tegen te houden. We zijn intussen al bij stap 6, de polarisatie, aanbeland. Joden en zigeuners zijn al geregistreerd, gelabeld en geïsoleerd. Met medewerking van Belgische autoriteiten, vaak lokale administraties die de Duitse verordeningen ijverig uitvoerden, uit defaitisme of opportunisme. “Ze hadden nochtans een marge om te weigeren”,  zegt Robert. “Belgische instanties mochten van de bezetter gewetensbezwaren inroepen om niet aan de Jodenvervolging deel te nemen. De Brusselse burgemeester heeft geweigerd een jodenregister aan te leggen, en werd daar niet voor gestraft”.

Waarom lieten de Joden zich zomaar oppakken en uitmoorden? Het was Agnieszka, ondersteunende dienst FGP Brugge, die de vraag tijdens de briefing had opgeworpen. “Ik zou vechten als ze aan mijn kinderen raakten”, zei ze fel. En ineens staat ze daar op de derde verdieping van het museum, bij een van de beruchtste foto’s van de Holocaust. Een soldaat van een Einsatzgruppe legt van dichtbij aan op een naakte vrouw die wanhopig haar kind in de armen klemt. Twee joden met een kogel afgemaakt, daar kon je bij de SS trots op zijn. De hele verdieping is gewijd aan deportatie en uitroeiing. Met spaarzame middelen, zonder effectbejag.  De beelden en citaten komen des te harder binnen. Tekeningen van gaskamers en crematoria in Birkenau hangen tegenover een selectie uit het befaamde Höcker Album, foto’s van kampbeulen tijdens hun vrije tijd, aan de borrel op het zonnedek, even weg van de sleur van de industriële volkenmoord.  We houden het kort, Agnieszka heeft het trouwens al lang gesnapt. Er viel in deze fase niks meer te vechten, de strijd werd verloren op de eerste en de tweede verdieping.  Het is stil als we naar de kantine op de min-1 afdalen. “Ik had al een en ander over de Holocaust gelezen”, zegt Nadia. “Maar dit maakt toch indruk”.

Vinci Park

Lunchtijd. Een milde vorm van collectieve haat jegens Vinci Park steekt de kop op. Het SMS-parkeren draait in de soep, er moeten dringend parkeertickets worden vervangen en auto’s verplaatst. Als er straks maar geen bon onder de ruitenwisser steekt! Robert en Danny zijn intussen druk doende met de voorbereiding van de workshop mensenrechten. “Meestal is de sfeer constructief”, zegt Robert. “Maar soms krijg je onverwachte reacties. Jaja, zei er eentje, de Holocaust was erg. Maar wat doen de Joden met de Palestijnen? Dan moet je als moderator ingrijpen, want daar gaat het natuurlijk niet over. Op een keer had ik enkele agenten van een interventieteam uit een grootstedelijke probleemwijk. Ze hadden moeite met bepaalde stellingen over de rechten van arrestanten. Fysiek en verbaal geweld tijdens interventies? Moest kunnen, vonden ze, ze hadden hun eigen codes. En dat het gemakkelijk was om dat van achter een bureau af te keuren. Want je moest het maar doen, orde handhaven in een kansarme buurt die wemelt van drugscriminelen en mensen zonder papieren. Hun korpschef zat er bij, zijn mond viel open van verbazing. Die sessie is niet zonder gevolgen gebleven”.

We vormen een halve cirkel. Robert steekt van wal met een exposé over het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Wisten we dat Duitsland in Straatsburg ooit werd veroordeeld tot een zware schadevergoeding, te betalen aan een bewezen kindermoordenaar? Speurders hadden tijdens het onderzoek met geweld gedreigd om hem te dwingen te verklappen waar hij het slachtoffer _ op dat moment nog in leven gewaand _ had verborgen. Het argument van de tijdsdruk maakte voor de rechters in Straatsburg geen verschil. Dura lex, sed lex, mensenrechten zijn niet voor interpretatie vatbaar. Na deze opwarmer krijgen we een primeur: de case Claeys en Vermuyten, uitgewerkt als toetssteen voor ethisch politiehandelen. We worden uitgenodigd om in de schoenen te gaan staan van de enige twee agenten die op 15 augustus 1942 weigerden aan de jodenrazzia deel te nemen. Vandaag worden Claeys en Vermuyten als helden vereerd, destijds als dienstweigeraars gestraft. Mild gestraft, weliswaar, met verlies van drie verlofdagen. Waarom waren ze dan de enige agenten die de marge om nee te zeggen hebben benut? Danny stelt de vragen, Robert noteert de antwoorden in een raster. De verschillende actoren, de opties, de geanticipeerde en de reële gevolgen, ethisch politiehandelen is even complex als de tabellen van Mendeljev.

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

paneel vervolging zigeuners. Verrassend actueel, zal tijdens de workshop blijken. (Foto: Geertje De Waegeneer)

Andy de homo

De marge om nee te zeggen? Agnieszka pikt het thema graag op. Is het normaal, vraagt ze zich luidop af, dat ze bij het invullen van persoonsgegevens in de Algemene Nationale Gegevensbank een vakje met ‘Zigeuner’ kan aanvinken? “Ik weiger dat te doen”, zegt ze. “We hebben niet het recht om mensen op basis van hun etnische achtergrond te labelen”. Twee Leuvense speurders steigeren. Wat is het probleem? In dezelfde databank wordt toch ook genoteerd of iemand als veelpleger bekend staat of betrokken was bij drugsfeiten? Het stempel zigeuner is gewoon relevante informatie voor de strijd tegen rondtrekkende daderbendes. Robert kan het nauwelijks geloven. Hier, op deze plek, vernemen dat zigeuner anno 2015 codetaal is voor rondtrekkende daderbende. Hij pleegt een telefoon naar de bevoegde dienst, het blijkt te kloppen. “Dit kan absoluut niet”, zegt hij. “We mogen minderheden niet reduceren tot een crimineel fenomeen”.

De commotie luwt, we besluiten met een hedendaagse casus. Agent Andy out zich tegenover de collega’s als homo en wordt nadien met steeds ergere pesterijen geconfronteerd. Hoe zouden ze reageren? Heulen met de pesters? De andere kant opkijken? Openlijk partij kiezen voor Andy? De hiërarchische oversten inschakelen? De laatste twee opties worden met een geruststellende unanimiteit verkozen, maar één dissident draagt een pragmatische oplossing aan. “We kunnen Andy ook gewoon overplaatsten”. Robert kijkt naar zijn raster. Daar heeft hij geen vakje voor.

De Roma-familie Rusenko komt uit de kast

De Standaard Weekblad, 22 november 2014

“Wij zijn Roma, en daar zijn we trots op”

Wijlen Jan Rusenko stond 25 jaar geleden vooraan in de Fluwelen Revolutie. De euforie van de Tsjechische Roma-leider was groot, zijn desillusie eveneens. Van Praag aan de Moldau verkaste hij met de hele clan naar Lokeren aan de Durme. Drie generaties nabestaanden maken in hun nieuwe thuisland de balans op. “Ik ga me hier niet langer verstoppen, ik wil een fiere Rom zijn”.

foto: Frederik Buyckx

foto: Frederik Buyckx

Lokeren. Een sober appartement één hoog boven een frituur in de Brugstraat. Op tafel staan de belegde broodjes klaar, naast schalen met vers gesneden komkommer en plakken worst. Roma-gastvrijheid, die hebben ze in Praag niet achtergelaten. Bij de verwelkoming worden de familiebanden meteen toegelicht. Margita Reiznerova (69) is de tante van Radana Rusenkova (40) die haar dochter Susana (20) heeft meegebracht. De heer des huizes is Radana’s jongere broer Jiri Rusenko (28), die ons zijn vriendin Miroslava en hun anderhalf jaar oude dochter Victoria voorstelt. “Ze heet Rusenko met haar achternaam”, zegt Jiri. “Eigenlijk zou het voor een meisje Rusenkova moeten zijn, maar dat vonden ze bij de burgerlijke stand te verwarrend. We moeten ons aanpassen”. Dat doen ze al achttien jaar lang, met hoorbaar resultaat. Susana’s Nederlands is perfect, Radana en Jiri moeten slechts af en toe naar een woord zoeken. Het heeft vast met de leeftijd te maken, maar Margita is bij een passieve beheersing gestrand. Niet dat ze geen talenknobbel heeft. Niemand rond deze tafel schakelt vlotter tussen Tsjechisch en Romanes dan deze kleine, getaande vrouw. Weinigen in haar adoptiestad die het vermoeden, maar Margita Reiznerova is een pionier van de internationale Roma-literatuur.

Vaclav Havel

Jan Rusenko, vader van Radana en Jiri, broer van Margita, is er niet bij. Toch is hij de spil van deze bijeenkomst. Op de tafel, tussen de komkommers en fijne vleeswaren, liggen vergeelde kranten met zijn naam en foto. We hadden het hem graag gevraagd: wat ging er door zijn hoofd toen hij op 25 november 1989 het podium in het Praagse Letna Park beklom? Dat hij afspraak had met de geschiedenis? Historisch was het tafereel beslist, de schattingen van de mensenzee gaan tot 800.000. Vele betogers droegen spandoeken met leuzen voor vrijheid en democratie. De recordmanifestatie vormde een hoogtepunt in een omwenteling die een week eerder was begonnen, toen de ordediensten een qua omvang veel bescheidener studentenbetoging uit elkaar knuppelden. Vergeefse moeite en vergeefs bloedvergieten, want de Fluwelen Revolutie viel niet meer te stoppen. Op 28 november al werd het machtsmonopolie van de communistische partij uit de grondwet geschrapt, en nog een maand later legde Vaclav Havel de eed af als eerste, niet-communistische president van Tsjecho-Slowakije. Het was diezelfde Havel die Jan Rusenko persoonlijk op het podium van het Letna Park had geroepen. Op het eerste gezicht logisch, want de Praagse trambestuurder stond mee aan de wieg van het door Havel geleide Burgerforum. Toch was het een gebaar met een hoge symboolwaarde. Een lid van de Roma-gemeenschap die een prominente plek in de politieke arena kreeg, zoiets was nooit eerder vertoond. Rusenko stond er niet als enige Rom, het was de jurist Emil Scuka die zijn volk opriep zich achter de revolutie te scharen. “Roma sta op”, gebood hij met luide stem. “Hier hebben we lang op gewacht. Voor het eerst nemen we ons lot in eigen handen”. Op de beelden op YouTube kun je de ontroering van Rusenko’s gezicht aflezen. Zijn euforie werd gedeeld de zowat 750.000 Roma die leefden in het land dat tot 1993 Tsjecho-Slowakije heette. Na de Fluwelen Revolutie zou alles anders worden. Gedaan met de gedwongen assimilatiepolitiek uit het communistische verleden, Roma zouden als volwaardige burgers participeren in een maatschappij waarin hun cultuur en taal werden gerespecteerd. 

Communistische Apartheid

Jan Rusenko overleed al in 2006. Zijn graf ligt niet in Praag aan de Moldau, maar in Lokeren aan de Durme. Hoe dat komt? Radana kijkt naar haar broer en zucht. Het is een lang verhaal dat ze met vereende krachten en woordenschat brengen. “De euforie heeft niet lang geduurd”, zegt Radana. “Ja, in sommige opzichten was er beterschap. We mochten onze taal en cultuur beleven. Tante Margita bijvoorbeeld heeft een vereniging opgericht, de Unie van Roma-schrijvers. Enkele maanden na de revolutie konden we in Brno het allereerste festival van de Roma-cultuur organiseren. President Havel is er komen speechen. Om vader een plezier te doen, maar ook omdat hij echt sympathiseerde met onze zaak. Daar zat een persoonlijk kantje aan. Havel had in gevangenis heel wat Roma leren kennen, hij is nooit vergeten hoe ze in de cel hun karige voedselrantsoen met hem deelden. Zie je, onder de communisten vloog je voor een kruimeldiefstal achter de tralies. Wie drie maanden zonder werk zat, kon als asociale profiteur worden opgepakt en opgesloten. Vaak waren dat Roma, die stonden ook toen al op de laagste trede”.

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker  in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jan Ruseko, Roma-boegbeeld en voortrekker in de Fluwelen Revolutie. (foto: Frederik Buyckx)

Jiri en Radana zijn er niet zeker van. Was Jan Rusenko bij de eerste vrije parlementsverkiezingen in juni 1990 kandidaat voor de door hem en Scuka gestichte Roma-partij ROI? Werd hij verkozen maar heeft hij zijn mandaat niet opgenomen? Liefst acht Roma mochten naar het parlement, een historische doorbraak die helaas ook kan gelezen worden als een laatste stuiptrekking van de postrevolutionaire euforie. “Vader wilde niet naar het parlement”, zegt Jiri. “Ook al was hij de bekendste Roma-leider van het land, hij vond dat zijn plaats tussen het volk was, van daar zou hij controleren of de politici hun werk deden. Dat werd hem niet door iedereen in dank afgenomen, ook niet binnen de eigen gemeenschap”.

Ook zonder interne verdeeldheid bleven de kopzorgen niet lang uit. Zoals overal in Oost-Europa lokte de transitie van planeconomie naar vrije markteconomie een sociaal bloedbad uit. De zware industrie, steenkool- en staalproductie voorop, klapte in elkaar. “Het waren de Roma die als eersten op straat werden gezet”, vertelt Jiri. “Ongeschoolde arbeiders, de meesten afkomstig uit getto’s in Slowakije. Geïmporteerd, moet ik zeggen, want zo ging dat onder de communisten. In Slowakije was geen industrie terwijl er veel werkloze Roma woonden, in Tsjechië was het precies andersom. En dus bouwden ze dicht bij de fabrieken hele woonwijken waar Roma verplicht werden gehuisvest. Die logementen hadden bij de Tsjechen een barslechte reputatie, ze lagen er ook verschrikkelijk vervallen bij. Logisch als je er mensen in stopt die recht uit het getto komen en nooit van hun leven een badkamer hebben gezien”. Communistische Apartheid? Radana komt genuanceerd uit de hoek. “Het communisme had ook zijn goede kanten. Iedereen had werk en alles was strikt geregeld. Natuurlijk, ook toen was er racisme, in sommige Praagse cafés hingen zelfs bordjes met ‘verboden voor honden en zigeuners’. Maar het was tenminste veilig voor Roma”.

Roma brain drain

Het politieke klimaat sloeg om. Uit de economische malaise groeide een nieuwe partij, de rechts-populistische SPR van Miroslav Sladek, een geboren volksmenner die grossierde in racistische uitspraken. Extreemrechtse skinheads maakten Roma-buurten onveilig. Jan Rusenko, intussen een bekend mediafiguur, ontving doodsbedreigingen. Zijn zus Margita deelde in de klappen. Het lokaal van haar schrijversclub, tevens een cultureel centrum waar Tsjechen en Roma elkaar ontmoetten, werd door onbekenden kort en klein geslagen. “De muren stonden vol swastika’s”, zegt ze. “Er werd ook brand gesticht, enkele van mijn manuscripten zijn verloren gegaan”.

In 1996 verhuisde de hele familie Rusenko, drie broers, twee zussen en hun 83-jarige moeder, met partners en kinderen naar Oost-Vlaanderen. “Een beslissing van vader”, zegt Radana. “Hij was de leider van de familie, de anderen zijn als vanzelf gevolgd. We hebben eerst in Gent gewoond, maar omdat vader het daar te druk vond, zijn we na twee jaar naar Lokeren verhuisd. Waarom België? Toeval, vader wilde eerst naar Nederland, maar een van zijn beste vrienden was al eerder naar Gent vertrokken. Mond-aan-mond-reclame, zo zijn de meesten hier beland”.

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Radana Rusenkova (foto Frederik Buyckx)

Die goede vriend was de in  2003 overleden Frantisek Demeter, schrijver, muzikant en kunstschilder met doeken in verschillende Europese musea. Ook al een lid van de culturele elite, niet toevallig. Het waren Roma-intellectuelen die vanaf midden jaren negentig als eersten Tsjechië ontvluchtten. Op zich was het maar een klein clubje, een handvol families die zich ironisch genoeg aan de communistische assimilatiepolitiek hadden opgetrokken. De Rusenko’s hadden een aanzienlijk aandeel in de brain drain. Behalve Margita, verpleegster van opleiding, waren ook haar twee zussen en jongste broer bekende schrijvers in de ontluikende Roma-scene. Familiehoofd Jan Rusenko had geen diploma, maar was volgens Radana een wandelende bibliotheek. “En een creatieve duizendpoot”, zegt ze. “Vader was de bezieler van Perumos, een gezelschap dat theater, muziek-en dansvoorstellingen bracht. Ik heb nog vaak met hem op de planken gestaan”.

Overlast in Gent

De Rusenko’s vroegen en kregen politiek asiel. Hoogst uitzonderlijk, het statuut werd niet meer toegekend toen eind jaren negentig een tweede, veel grotere Roma-golf de Belgische asielinstanties overspoelde. Uit Tsjechië, maar meer nog uit Slowakije waar de werkloosheid en armoede in de getto’s nog harder nepen. Ook in andere herkomstlanden zoals Roemenië, Bulgarije en het desintegrerende Joegoslavië kwam een exodus op gang. De migratiebeweging zou niet meer stilvallen, ze verklaart waarom er vandaag in Brussel, Gent en Antwerpen grote Roma-gemeenschappen leven. Populair zijn de nieuwkomers niet. Wie Roma zegt, denkt onwillekeurig aan vrouwen met bedelende kinderen, rondtrekkende dievenbendes en onhygiënische toestanden in kraakpanden.  Het beeld, door talloze krantenkoppen versterkt, werpt zijn schaduw over de tafel. Ze zitten ermee in hun maag, maar prijzen zichzelf ook gelukkig dat ze niet meer in Gent wonen waar de zowat 5.000 recent ingeweken Roma geregeld de politieke gemoederen beheersen. “Ik begrijp dat de Vlamingen klagen”, zegt Radana. “Zigeuners reizen in familie, dat is de traditie. Als er eentje komt, volgt de hele clan. Dan krijg je overlast in een stad, zeker met mensen die geen benul hebben van hoe men hier leeft en woont. Maar ik wil hen niet veroordelen. Als je de omstandigheden kent waarin ze in Tsjechië en Slowakije leven, dan snap je waarom ze naar hier komen”.

Zigeuners, het is niet de eerste keer dat het woord aan deze tafel valt. Mag dat dan? Ons werd altijd verteld dat zigeuner een pejoratief woord is, ongeschikt bovendien om de grote diversiteit binnen deze etnische minderheid te omvatten. “Alleen wij mogen dat gebruiken”, zegt Jiri lachend. “Het is zoals negers. Uit de mond van blanken klinkt dat racistisch, maar als zwarten het over niggers hebben, klinkt het als een geuzennaam”.  Susana mengt zich in het gesprek. Twintig jaar jong, een vat vol twijfels. Ze heeft haar hogeschoolstudies communicatie en public relations afgebroken, denkt nu aan journalistiek of politieke wetenschappen. Alleszins een richting die beter past bij de zoektocht naar haar identiteit. “Wat ben ik eigenlijk”, vraagt ze retorisch. “Vlaming? Tsjechische? Roma? Of Duits, want ik heb een tijdlang in Duitsland gewoond? Ik heb me heel vaak niks gevoeld”. Het zit diep bij Susana. Ze is trots op haar opa, en toch mochten op school alleen haar beste vriendinnen weten dat ze Rom was. “Mensen gokken meestal dat ik Turks, Marokkaans of Spaans ben, omdat ik wat donkerder ben dan gemiddeld. Tsjechisch, zegt ik dan, want de meesten weten toch niet dat de doorsnee Tsjech zo bleek ik als een Friese boer. Op school heb ik een gênant moment beleefd. Er zat een nieuwe leerling in de klas, een jongen die werd gepest omdat hij Rom was. Ik was verontwaardigd, maar toch heb ik niks gedaan om hem te helpen. Ik durfde me niet als Rom te uiten, bang dat ze me ook zouden pesten. Daar schaam ik me nu voor”.

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

Jiri Rusenko (foto: Frederik Buyckx)

De vloek van de zwarte ketel

Jiri, trucker bij een groot transportbedrijf, begrijpt de tegenstrijdige gevoelens van zijn nichtje maar al te goed. “De meeste collega’s denken dat ik een gewone Tsjech ben. Ik loop met mijn identiteit niet te koop, dat werd me trouwens afgeraden door andere Roma. Belgische werkgevers moeten niet weten van zigeuners, zeiden ze. Maar misschien is dat een vooroordeel, geïmporteerd uit Tsjechië”. En toch staan de Rusenko’s nu met naam en toenaam in de krant. Daar werd vooraf goed over nagedacht. Tijd om uit de schaduw te stappen en zich aan Vlaanderen te tonen, was de consensus. Niemand die daar meer van doordrongen is dan Susana. “Ik wil me niet langer verstoppen”, zegt ze . “Er is niks mis met onze Roma-identiteit, we hebben veel om trots op te zijn”. Ze loopt al een poosje met een plan in haar hoofd. Samen met haar moeder en oom Jiri wil ze iets ondernemen om haar gemeenschap uit het verdomhoekje te halen. Een cultureel centrum oprichten, of een Belgische Roma-vereniging, ze zijn er nog niet uit. “En ik wil de taal leren”, zegt ze. “Het frustreert me dat ik wel Nederlands, Tsjechisch, Frans, Engels en Duits ken, maar geen Romanes”.

Een cultuurcentrum met een projectiezaal zou niet gek zijn. Dan kan Vlaanderen alsnog kennis maken met Mire Bala Kale Hin, een prachtige film uit 2003 van Katarina Lillqvist. De Finse cineaste studeerde poppenanimatie in Praag waar ze gefascineerd raakte door de Roma. Ze bewerkte hun tragische geschiedenis tot een cyclus van zes verhalen. Een daarvan is een sprookje van Margita Reiznerova die Lillqvist ook hielp met het scenario. “Ze had het gelezen toen ze nog in Praag studeerde””, vertelt Margita. “Ik was al lang geëmigreerd toen ze aan haar filmproject begon. Het heeft haar twee jaar gekost om me hier in Lokeren op te sporen”.

Margita is een wonderlijke vrouw.  Ze heeft Tsjechov en andere Russen naar het Romanes vertaald. Haar sprookjes zijn allesbehalve kinderlijk, ze schrijft duistere verhalen vol verwijzingen naar de pijnlijke geschiedenis van haar volk. “Ik heb niks verzonnen”, zegt ze. “De verhalen werden me ’s nachts tijdens mijn slaap ingefluisterd”. Misschien doet ze daarmee haar eigen creatieve genie te kort. Margita kan uit haar eigen leven inspiratie putten voor een lijvige roman. Terwijl ze de schotel met broodjes laat rondgaan, dist ze het verhaal van de zwarte ketel op. Het moet tijdens het interbellum zijn geweest, de familie woonde nog in de buurt van het Slowaakse stadje Stropkov. “Mijn grootouders hadden twaalf zonen”, vertelt Margita. “Ze waren sedentair, hadden zelf paarden en koeien, het was een welvarende familie. De zonen deden seizoensarbeid bij de boeren en leurden op markten met smeedwerk. Thuis hing een grote ketel waarin al het geld werd gestopt. Iemand moet hen vervloekt hebben. Eerst stierven de koeien en de paarden, daarna vielen de jongens een na een weg. Vader heeft in korte tijd tien broers verloren.  Op het einde was de pot helemaal leeg, al het geld was opgegaan aan begrafenissen”.

Ongewenste Bohemers

Margita is geboren op 5 mei 1945, een dag na de Duitse capitulatie. Haar moeder had de laatste maanden van haar zwangerschap in de bossen door gebracht. De jonge vrouw, die op haar 83ste naar Gent zou verhuizen, overleefde op een dieet van bessen en paddenstoelen. Verstrikt in de oorlog, een nachtmerrie waar geen vloek of zwarte magie maar een moorddadig regime aan te pas. Anders dan het door de Duitsers rechtstreeks bestuurde Tsjechië, behield Slowakije tijdens de oorlog zijn autonomie. Zeker, het was een vazalstaat van de Nazi’s. Toch verklaart de aparte status waarom in Slowakije de jacht op de Roma _ in tegenstelling tot de uitroeiing van de Joden _ pas in de loop van 1944 echt op gang kwam, met een relatief hoog overlevingspercentage als gelukkig gevolg. “Vader was bij het verzet”, vertelt Margita. “Moeder en de rest van de familie hadden zich in een kerk verstopt. Ze werden gearresteerd en met een karavaan te voet naar een doorvoerkamp gestuurd. Grootvader, die nog met de Oostenrijkers in de Eerste Wereldoorlog had gevochten en Duits begreep, vermoedde wat ons te wachten stond. Hij zei moeder dat ze zich naar de staart van de karavaan moest laten afzakken, zodat ze zich bij het vallen van de duisternis in het bos kon verstoppen. Zo heeft ze de oorlog overleefd en ben ik geboren. Ook vader is er levend uitgekomen. Ze hebben hem kort na de oorlog wegens sigarettensmokkel gearresteerd en in Praag opgesloten. Dat verklaart waarom onze familie in Tsjechië is beland”.

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Margita Reiznerova (Foto Frederik Buyckx)

Tsjechië, waar tijdens de oorlog negentig procent van de zowat 6.000 Roma werd vermoord. Nagenoeg alle Tsjechische Roma hebben bijgevolg Slowaakse roots. Hele dorpen werden in de jaren vijftig door de communistische machthebbers vanuit het rurale Slowakije overgeheveld om de arbeidsplaatsen van de drie miljoen uitgedreven Sudetenduitsers op te vullen. “Er wordt veel over de Tweede Wereldoorlog gepraat”, zegt Radana bitter. “Maar over de genocide op de zigeuners spreekt niemand. Wie weet bijvoorbeeld dat de eerste experimenten met gifgas op Roma-kinderen werden uitgevoerd? Ook daar wilde vader iets aan doen, het is nu aan ons om zijn missie over te nemen en de genocide te herdenken”.

Was de oorlog een absoluut dieptepunt, ook het heden oogt allesbehalve rooskleurig. Met 12 miljoen vormen de Roma de grootste etnische minderheid van Europa. Slowakije, Tsjechië, Roemenië, Bulgarije, het voormalige Joegoslavië, in de traditionele herkomstlanden staan ze helemaal onderaan op de maatschappelijke ladder. Migratie naar West-Europa heeft daar weinig verandering in gebracht. Met enig cynisme kan men van regressie spreken, een terugkeer naar een nomadische levensstijl die de Roma decennia eerder hadden opgegeven. Ook in het Westen blijken racistische vooroordelen jegens ongewenste ‘Bohemers’ springlevend. De migratie kwam verschillende EU-lidstaten dermate ongelegen dat ze het heilige principe van vrij verkeer van personen beperkten. Komt het ooit goed met de Roma? Radana slaakt nog een zucht. “Hadden we maar een eigen Roma-land, heb ik al vaak gedacht. Maar dan schieten de woorden van vader me te binnen. Nee Radana, zei hij altijd, wij hoeven geen eigen land. Wij zijn Roma, wij hebben de hele wereld”. 

 

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)

trotse Roma: de familie Rusenko. (foto Frederik Buyckx)